{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De subonderdelen falen, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.45.1 Vooropgesteld: de vraag in hoeverre de (onderhavige) kosten specifiek verband houden met de doeleinden is in rov. 3.4-3.5 EV nog niet aan de orde. Dit punt adresseert het hof eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor. Voor zover de subonderdelen iets anders tot uitgangspunt nemen, stranden deze reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis. Ik stel verder voorop dat de subonderdelen alleen ten strijde trekken tegen rov. 3.4 EV, meer in het bijzonder ’s hofs daarin vervatte oordeel dat de door FCIB c.s. opgegeven juridische kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Ik lees in de subonderdelen geen klacht tegen ’s hofs in rov. 3.5 EV vervatte oordeel dat die juridische kosten ook redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.45.2 Productie 57a van FCIB c.s. bevat een overzicht van de aan advocatenkantoor SPIGT Dutch Caribbean (voorheen Spigthoff, hierna: SPIGT) betaalde bedragen, optellend tot $ 3.446.864,14. Productie 57b van FCIB c.s. bevat facturen/declaraties van SPIGT. FCIB c.s. heeft in nrs. 2.18.4.1-2.18.4.3 van haar akte na tussenvonnis toegelicht dat het hier gaat om kosten voor de afwikkeling van de rekeningen, specifieker advisering over en gerechtelijke procedures tegen rekeninghouders die uitkering van banktegoeden vorderden, het bijstaan van FCIB als derde-beslagene in procedures waarin beslag op banktegoeden was gelegd en overige ad hoc-advisering over de afwikkeling van de bankrekeningen en vereffening van de banksaldi.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.45.3 Corbiere c.s. heeft in nr. 68 van de antwoordakte na tussenvonnis aangevoerd - samengevat - dat FCIB c.s. in de memorie van antwoord (in zaak CUR2020H00294) nog had gesteld dat SPIGT “(ook) zou hebben geadviseerd over de intrekking van de bankvergunning” en dat zij dit na het tussenvonnis “opeens onbenoemd” laat. In nr. 69 van die antwoordakte heeft Corbiere c.s. aangevoerd dat de “talloze facturen” die FCIB c.s. in het geding heeft gebracht als productie 57b niet zijn gespecificeerd. Daaruit is alleen af te leiden dat op één dossier is gefactureerd met de “nietszeggende” naam “FCIB/Noodregeling”, aldus nog steeds Corbiere c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.45.4 M.i. is het, bezien ook tegen deze achtergrond, rechtens onjuist noch onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.4 EV ondanks dit betoog van Corbiere c.s. oordeelt dat de onder 3.45.2 hiervoor bedoelde juridische kosten voldoende zijn “onderbouwd” (door FCIB c.s.) en de betwisting daarvan onvoldoende (door Corbiere c.s.).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.45.5 In de eerste plaats: op dit punt doet niet ter zake of die kosten redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt en specifiek verband houden met de doeleinden (dan wel andere kosten voor de afwikkeling van FCIB’s bankbedrijf betreffen). Dit zijn te onderscheiden vragen, die het hof eerst in rov. 3.5 EV en rov. 3.6(-3.7) EV adresseert. Zie onder 3.6.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.45.6 In de tweede plaats: het verbaast niet dat het hof die - in rov. 3.2-3.4 EV onderkende - onderbouwing van FCIB c.s. per saldo afdoende acht. Het is waar dat uit de als productie 57b overgelegde facturen/declaraties op zichzelf niet volgt waarvoor de kosten van SPIGT precies zijn gemaakt. FCIB c.s. heeft evenwel in nrs. 2.18.4.1-2.18.4.3 van haar akte na tussenvonnis toegelicht op welke werkzaamheden de facturen/declaraties betrekking hebben. Zij zijn ook op naam van FCIB gesteld. Het ligt, zonder meer, niet in de rede dat SPIGT bij FCIB kosten in rekening heeft gebracht die niet ten behoeve van FCIB zijn gemaakt. Corbiere c.s. klaagt in cassatie ook niet dat zij gericht heeft betoogd dat er redenen zijn te twijfelen aan het daadwerkelijk gemaakt zijn van die kosten als toegelicht door FCIB c.s., op welk betoog het hof dan had moeten responderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.45.7 In de derde plaats: blijkens rov. 3.4, aanhef en eerste twee gedachtestreepjes EV slaat het hof daarbij ook acht erop dat ter afwikkeling van de noodregeling kosten zijn gemaakt voor complianceonderzoeken bij een groot aantal rekeningen gedurende een periode van ongeveer zeven jaar, en dat naar algemene ervaringsregels zulk onderzoek doorgaans veel en gespecialiseerd werk vergt waarmee aanzienlijke kosten gemoeid kunnen zijn. Onder deze kosten schaart het hof mede - dus niet alleen - door SPIGT ten behoeve van FCIB gemaakte kosten inzake zulk onderzoek, wat niet onbegrijpelijk is, want aansluit op de onder 3.45.2 hiervoor bedoelde stellingname van FCIB c.s. inzake “advisering” door SPIGT (mede “over de compliance documenten die de rekeninghouders aanleverden en de uitkering van de banksaldi”). Aan dit een en ander gaan de subonderdelen voorbij.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.45.8 In de vierde plaats: blijkens rov. 3.4, aanhef en derde gedachtestreepje EV slaat het hof daarbij ook acht erop dat het ambtshalve ermee bekend is dat er uitvoerig geprocedeerd is geweest tussen FCIB c.s. en een veelheid van partijen die aanspraak maakten op de banktegoeden. Daarmee brengt het hof slechts tot uitdrukking dat het uit eigen waarneming kan bevestigen wat - naar diens niet onbegrijpelijke oordeel - al volgt uit de onder 3.45.2 hiervoor bedoelde stellingname van FCIB c.s. ter ondersteuning van haar standpunt inzake de opgegeven juridische kosten, te weten dat in de periode 2007-2013 aldus is geprocedeerd tussen FCIB c.s. (met bijstand van SPIGT) en die veelheid van partijen. Aan dit een en ander gaan de subonderdelen voorbij.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.45.9 In de vijfde plaats: klaarblijkelijk onderkent het hof dat - naar FCIB c.s. heeft gesteld - de civiele advocaten (lees: van SPIGT) op wier werkzaamheden die door FCIB c.s. opgegeven juridische kosten zien al adviserend betrokken waren ten tijde van en inzake de intrekking van de bankvergunning, maar verdisconteert het hof de specifiek daarmee verband houdende kosten niet ook in rov. 3.4 (e.v.) EV. Daarin gaat het immers om de totale kosten als opgegeven door FCIB c.s. “in de periode van 2007 tot en met 2013”, terwijl FCIB’s bankvergunning al ruim daarvoor was ingetrokken, want op 9 oktober 2006 (zie rov. 2.2.7 TV). Ook aan dit een en ander gaan de subonderdelen voorbij.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.45.10 Hierop stuiten de subonderdelen af. Kort en goed: voor zover deze al uitgaan van een juiste lezing van het eindvonnis, en zodoende feitelijke grondslag hebben, rechtvaardigt hetgeen Corbiere c.s. daarin aanvoert niet de conclusie dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in de subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.46 Subonderdeel 2.19 klaagt dat, voor zover het hof “in dit verband” betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat ter afwikkeling van de noodregeling kosten zijn gemaakt voor complianceonderzoek bij een groot aantal rekeningen gedurende zeven jaar, dit oordeel niet begrijpelijk is. En wel omdat het complianceonderzoek naar FCIB c.s.’ eigen stellingen werd gedaan door SBV Forensics B.V. (hierna: SBV) en [A] . De opgegeven juridische kosten kunnen dus niet hebben gezien op compliancekosten en het oordeel dat die juridische kosten daadwerkelijk zijn gemaakt (en redelijk waren) kan dus ook niet op begrijpelijke wijze (mede) worden gedragen door de overweging dat er gedurende zeven jaar compliancekosten zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.47 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.47.1 Het subonderdeel veronderstelt dat naar FCIB c.s.’ eigen stellingen het complianceonderzoek werd gedaan door SBV en [A] , dus niet (ook) door SPIGT. Deze veronderstelling is onjuist, zoals al volgt uit 3.45.2 en 3.45.7 hiervoor. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.48 Subonderdeel 2.20 klaagt als volgt. a. Voor zover het hof bij de beoordeling of de juridische kosten zijn gemaakt mede heeft geleund op de overweging dat het hof ambtshalve ermee bekend is dat er uitvoerig geprocedeerd is tussen FCIB c.s. en een veelheid van partijen die aanspraak maakten op de banktegoeden, is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden althans heeft het een verrassingsbeslissing gegeven. Het hof mag immers niet ambtshalve de feiten aanvullen, ook/temeer waar het feiten betreft ter onderbouwing van gestelde gemaakte kosten. Dit is klacht a. b. Het enkele gegeven dat er veel geprocedeerd zou zijn tussen FCIB c.s. en partijen die aanspraak maken op banktegoeden kan bovendien niet op begrijpelijke wijze bijdragen aan de conclusie dat de door FCIB c.s. opgegeven juridische kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, reeds niet omdat: (i) niet valt na te gaan of de door FCIB c.s. opgegeven kosten zijn te koppelen aan die eventuele procedures; (ii) niet valt na te gaan waarop die individuele procedures zouden hebben gezien; en (iii) het hof niet vaststelt of die procedures in de periode (april) 2007-2013 zouden zijn gevoerd. Dit is klacht b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.49 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.49.1 Klacht a veronderstelt dat het hof met rov. 3.4, aanhef en derde gedachtestreepje EV ambtshalve de feiten aanvult (en aldus buiten de grenzen van de rechtsstrijd treedt althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing geeft). Deze veronderstelling is onjuist, zoals al volgt uit 3.45.2 en 3.45.8 hiervoor. Daarmee strandt de klacht reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.49.2 Klacht b boekt evenmin succes. Voor zover deze al uitgaat van een juiste lezing van het bestreden oordeel en zodoende feitelijke grondslag heeft, ziet de klacht eraan voorbij dat, in het licht van 3.45.1-3.45.9 hiervoor, het niet onbegrijpelijk is dat volgens het hof het in de klacht bedoelde gegevenbijdraagt aan diens conclusie dat de door FCIB c.s. opgegeven juridische kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.50 Subonderdeel 2.21 klaagt, tot slot, als volgt. De overweging in rov. 3.5 EV dat FCIB c.s. over de kosten voor de civiele advocaten heeft gesteld dat zij hebben geadviseerd bij de intrekking van de bankvergunning, de opzet van de uitkeringsprocedure en de beoordeling van compliancedocumenten en het bijstaan bij het procederen tegen partijen die aanspraak maakten op de banktegoeden, kan in het licht van “het hiervoor uiteengezette partijdebat” evenmin in stand blijven. Daartoe voert Corbiere c.s. het volgende aan. a. Allereerst heeft FCIB c.s. niet gesteld dat die kosten betrekking hebben op de intrekking van de bankvergunning of de beoordeling van compliancedocumenten, zodat het hof in zoverre buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Dit is klacht a. b. Dit oordeel is bovendien onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat het complianceonderzoek naar FCIB c.s.’ eigen stellingen werd gedaan door SBV en [A] . Dit is klacht b. c. Bovendien volgt uit “het voorgaande partijdebat” dat op basis van de overgelegde ongespecificeerde facturen niet kan worden nagegaan waarop de werkzaamheden precies hebben gezien, zodat het gegeven dat zij (mogelijk) ook hebben gezien op de door het hof genoemde werkzaamheden nog niet de conclusie kan dragen dat alle kosten voor alle door SPIGT in rekening gebrachte werkzaamheden redelijkerwijs zijn gemaakt. Dit is klacht c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.51 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.51.1 Klacht a strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis, voor zover deze betrekking heeft op de intrekking van de bankvergunning. Anders dan de klacht hier veronderstelt, oordeelt het hof in het bestreden oordeel - dus in rov. 3.5, tweede zin EV - niet dat de door FCIB c.s. opgegeven kosten voor civiele advocaten (mede) betrekking hebben op de intrekking van de bankvergunning. Zie onder 3.45.9 hiervoor. Voor zover de klacht betrekking heeft op de beoordeling van compliancedocumenten strandt deze in lijn met 3.45.2, 3.45.7 en 3.47-3.47.1 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.51.2 Klacht b deelt in het lot van klacht a. Kort en goed: de klacht strandt in het voetspoor van subonderdeel 2.19. Zie onder 3.47-3.47.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.51.3 Klacht c boekt evenmin succes. In de eerste plaats geldt dat er wat betreft het partijdebat meer is dan alleen de facturen waarop de klacht doelt. Zie mede onder 3.45.2 en 3.45.6 hiervoor. Bovendien abstraheert de klacht van wat het hof in totaliteit overweegt in rov. 3.4-3.5 EV. Dit laatste omvat rov. 3.4, aanhef en eerste t/m derde gedachtestreepje EV. Daaruit volgt mede dat de complianceonderzoeken (waarbij ook SPIGT betrokken was) zagen op een groot aantal rekeningen gedurende een periode van ongeveer zeven jaar, dat zulk onderzoek doorgaans veel en gespecialiseerd werk vergt waarmee aanzienlijke kosten gemoeid kunnen zijn, en dat er in de periode 2007-2013 ook uitvoerig geprocedeerd is geweest tussen FCIB c.s. (bijgestaan door SPIGT) en een veelheid van partijen die aanspraak maakten op de banktegoeden. Dit een en ander werkt, voor zover betrekking hebbend op de door SPIGT aan FCIB c.s. verleende bijstand, naar de aard door in het bestreden oordeel inzake de vraag of de door FCIB c.s. opgegeven (en daadwerkelijk gemaakte) juridische kosten, dus die voor de door SPIGT verleende bijstand, ook redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt. Zie onder 3.45.2 en 3.45.7-3.45.9 hiervoor. Tot slot is hier nog relevant wat het hof blijkens rov. 3.5, aanhef en eerste t/m derde gedachtestreepje EV betrekt: dat aan CBCS een zekere discretionaire bevoegdheid toekomt keuzes te maken bij de afwikkeling van een noodregeling, dat het (minst genomen) redelijk is dat FCIB c.s. probeerde te voorkomen dat tegoeden zouden worden uitgekeerd die afkomstig waren van misdrijf, en dat het redelijkerwijs noodzakelijk is dat zij daarbij advocaten (lees weer: van SPIGT) en externe compliancekantoren inschakelde. ’s Hofs in rov. 3.5 EV besloten liggende conclusie dat die kosten voor de door SPIGT verleende bijstand ook redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt, wordt derhalve niet enkel gedragen door diens opsomming in rov. 3.5, tweede zin EV van werkzaamheden in isolement beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het voorgaande volgt dat wat de klacht aanvoert nog niet de conclusie rechtvaardigt dat het bestreden oordeel de toets der kritiek in cassatie niet kan doorstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.52 Subonderdeel 2.22 wordt voorafgegaan door het kopje “Compliancekosten SBV en [A] ”. Geklaagd wordt over rov. 3.4-3.5 EV en met betrekking tot door FCIB c.s. opgegeven compliancekosten van SBV van afgerond $ 2,5 miljoen en van [A] van $ 196.978,08. De subonderdelen 2.23-2.25 (“SBV-kosten”) en 2.26-2.27 (“ [A] -kosten”) bevatten hiervan een uitwerking. Dit betekent dat het onderhavige subonderdeel geen verdere bespreking behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.53 Subonderdeel 2.23 klaagt als volgt. Ter onderbouwing van de compliancekosten van SBV heeft FCIB c.s. enkel gesteld dat het die kosten heeft gemaakt voor het afwikkelen van de bankrekeningen, en daartoe als productie 58a een schema van de gestelde kosten en als productie 58b facturen in het geding gebracht die volgens haar optellen tot genoemd bedrag. Corbiere c.s. heeft betwist dat al die kosten door FCIB zijn gemaakt en dat die kosten allemaal redelijk zijn, alsmede betwist dat de kosten in het kader van de doeleinden zijn gemaakt. Daartoe heeft zij erop gewezen: (i) dat de facturen van SBV zijn betaald door Kiel Limited en dus niet door FCIB, zodat FCIB die kosten in werkelijkheid niet heeft gedragen; (ii) dat op basis van de facturen veelal onduidelijk is welke werkzaamheden SBV zou hebben verricht, waardoor niet valt vast te stellen of te controleren of de kosten zijn gemaakt in het kader van het aanhouden van de tegoeden op de rekeningen of de vereffening daarvan; (iii) dat de facturen vanaf 2008 wel een specificatie bevatten, maar daaruit juist blijkt dat werkzaamheden zijn verricht die los staan van de doeleinden althans daaraan in ieder geval niet zijn te koppelen (zoals honderden uren die zijn besteed aan een ‘rapport’), en bovendien SBV als specialistisch kantoor in financieel strafrecht niet enkel werkzaamheden verrichtte ter afwikkeling van de bankrekeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van voornoemd partijdebat is zonder nadere motivering - die ontbreekt - niet begrijpelijk waarom het hof tot het oordeel komt dat FCIB c.s. de gestelde compliancekosten van SBV voldoende onderbouwd, en de betwisting ervan onvoldoende onderbouwd acht. De onderbouwing van FCIB c.s. bestond immers uit niet meer dan een niet nader toegelicht schema en een reeks facturen, terwijl Corbiere c.s. gemotiveerd heeft aangevoerd dat die kosten niet door FCIB zijn gedragen en dat oncontroleerbaar is waarop de kosten hebben gezien, terwijl de wel controleerbare posten erop wijzen dat de kosten ook hebben gezien op ander werk dan (compliance in het kader van) de afwikkeling van de bankrekeningen. Om die reden kon het hof evenmin (doorslaggevende) betekenis toekennen aan wat het noemt in rov. 3.4, aanhef en eerste twee gedachtestreepjes EV. Die omstandigheden doen immers niet eraan af dat de concreet naar voren gebrachte facturen ter onderbouwing van de kosten blijkens de facturen niet door FCIB zijn gedragen, dat de werkzaamheden oncontroleerbaar zijn en erop wijzen dat ook andere werkzaamheden zijn verricht. In ieder geval heeft het hof in het licht van voornoemd partijdebat te hoge eisen gesteld aan de op Corbiere c.s. rustende betwistingslast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.54 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.54.1 Vooropgesteld: de vraag in hoeverre de (onderhavige) kosten specifiek verband houden met de doeleinden is in rov. 3.4-3.5 EV nog niet aan de orde. Dit punt adresseert het hof eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor. Voor zover het subonderdeel iets anders tot uitgangspunt neemt, strandt het reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis. Ik stel verder voorop dat het subonderdeel alleen ten strijde trekt tegen rov. 3.4 EV, meer in het bijzonder ’s hofs daarin vervatte oordeel dat de door FCIB c.s. opgegeven compliancekosten van SBV daadwerkelijk zijn gemaakt. Ik lees in het subonderdeel geen klacht tegen ’s hofs in rov. 3.5 EV vervatte oordeel dat die compliancekosten ook redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.54.2 Daarmee ontvalt al goeddeels de bodem aan het subonderdeel. Want de daarin bedoelde stellingen van Corbiere c.s. onder (ii)-(iii) behelzen, naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel, dat uit de gegevens die FCIB c.s. in het geding heeft gebracht met betrekking tot de compliancekosten van SBV (producties 58a-58b) niet kan worden afgeleid dat zij voor de doeleinden zijn gemaakt. In die sleutel staat, naar ’s hofs evenmin onbegrijpelijke oordeel, ook de opmerking onder (iii) dat SBV als specialistisch kantoor in financieel strafrecht niet enkel werkzaamheden verrichtte ter afwikkeling van de bankrekeningen. En rov. 3.4 EV gaat dus niet over de vraag in hoeverre die kosten specifiek verband houden met de doeleinden. Dit punt adresseert het hof eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.54.3 De in het subonderdeel bedoelde stelling van Corbiere c.s. onder (i), die naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel betrekking heeft op de in rov. 3.4 EV voorliggende vraag of FCIB c.s. de opgegeven compliancekosten van SBV daadwerkelijk heeft gemaakt, leidt niet tot een andere uitkomst. Want Corbiere c.s. heeft in feitelijke instanties niet bestreden dat SBV de facturen voor haar werkzaamheden aan FCIB heeft gericht. En het ligt in de rede dat voor zover die facturen zijn voldaan door de andere partij dan FCIB die Corbiere c.s. heeft genoemd, naar eigen zeggen een vennootschap die “ook gelieerd is aan de [familie] ” (gelijk FCIB dus), die partij ter zake een vordering heeft verkregen op FCIB zodat de desbetreffende kosten nog steeds voor haar rekening kwamen. Kennelijk ziet het hof dit ook zo.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.54.4 Opmerking verdient nog dat het subonderdeel te kort door de bocht gaat wat betreft hetgeen door FCIB c.s. zou zijn gesteld ter toelichting op de compliancekosten van SBV: enkel dat SBV die kosten heeft gemaakt voor het afwikkelen van de bankrekeningen. FCIB c.s. heeft toegelicht dat het gaat om kosten verband houdende met de beoordeling - door SBV, naast SPIGT en [A] - welke rekeninghouders al dan niet formeel en materieel aan de uitkeringsprocedure voldeden en of er tot uitkering kon worden overgegaan, door haar ook wel geduid als forensische kosten (forensic fees) of compliancekosten. Daarop doelt FCIB c.s. ook waar zij verwijst naar compliancewerkzaamheden voor de afwikkeling van bankrekeningen en vereffening van banksaldi. Corbiere c.s. klaagt in cassatie ook niet dat zij gericht heeft betoogd dat er redenen zijn te twijfelen aan het daadwerkelijk gemaakt zijn van die kosten als toegelicht door FCIB c.s., op welk betoog het hof dan had moeten responderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.54.5 Het subonderdeel gaat ook te kort door de bocht voor zover het veronderstelt dat het hof doorslaggevende betekenis toekent aan wat het noemt in rov. 3.4, aanhef en eerste twee gedachtestreepjes EV. Rov. 3.4 EV in totaliteit bezien, maakt al duidelijk dat het hof dit niet doet. Zie ook onder 3.18.1 en 3.19.1-3.19.2 hiervoor. In zoverre strandt het subonderdeel dus tevens op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.54.6 Hierop stuit het subonderdeel af. Kort en goed: voor zover het al uitgaat van een juiste lezing van het eindvonnis, en zodoende feitelijke grondslag heeft, rechtvaardigt hetgeen Corbiere c.s. daarin aanvoert niet de conclusie dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.55 Subonderdeel 2.24 klaagt dat het hof voorts eraan voorbijziet dat niet als algemene ervaringsregel in de zin van art. 149 lid 2 Rv of art. 128 lid 2 Rv geldt dat complianceonderzoek veel en gespecialiseerd werk is waarmee aanzienlijke kosten zijn gemoeid. Dit betreft immers geen notoir feit dat ieder normaal ontwikkeld mens kent of uit voor ieder toegankelijke bronnen kan kennen. Integendeel, het betreft een feit dat enkel in gespecialiseerde kringen bekend zou kunnen zijn. Bovendien kan niet als algemeen feit worden aangenomen dat complianceonderzoek veel werk is. Dit zal immers mede afhangen van de omvang en aard van het complianceonderzoek in kwestie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.56 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.56.1 Voor zover het subonderdeel redeneert vanuit een feit van algemene bekendheid, strandt het reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis. Daarin heeft het hof ter zake - zie rov. 3.4, aanhef en tweede gedachtestreepje EV - het oog op de verwante, maar te onderscheiden figuur van de algemene ervaringsregel (“naar algemene ervaringsregels”, etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.56.2 Voor zover het subonderdeel wel redeneert vanuit laatstgenoemde figuur, strandt het eveneens. In het bestreden oordeel, dat draait om door een bank opgezet onderzoek ter voorkoming dat zij van misdrijf afkomstige tegoeden uitkeert, bedoelt het hof slechts dat zulk complianceonderzoek meestal bewerkelijk/geen standaardwerk is en aan kosten in de papieren kan lopen. Zie onder 2.21 sub a-b hiervoor. M.i. geeft dit geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting over algemene ervaringsregels en behoefde dit evenmin nadere motivering. Daaraan doet niet af wat het subonderdeel ter zake aanvoert, zo het daarbij het bestreden oordeel al juist leest en zodoende feitelijke grondslag heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.57 Subonderdeel 2.25 klaagt als volgt. In het licht van het in subonderdeel 2.23 geschetste partijdebat kan evenmin tot de conclusie worden gekomen dat alle kosten van SBV redelijk waren op basis van de overwegingen: (a) dat compliancedocumenten moesten worden beoordeeld; (b) dat FCIB c.s. forensic fees heeft moeten betalen in het kader van de uitkeringsprocedures; (c) dat het redelijk is dat FCIB c.s. probeerde te voorkomen dat tegoeden zouden worden uitgekeerd die afkomstig waren van misdrijf; en (d) dat het redelijkerwijs noodzakelijk is dat FCIB c.s. daarbij compliancekantoren inschakelde. Voor zover al door FCIB c.s. gedragen, is een deel van die kosten niet controleerbaar en zag een deel niet op (compliance in het kader van) de afhandeling van de tegoeden op de rekeningen, zodat voornoemde overwegingen ook niet de redelijkheid van alle SBV-kosten kunnen dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.58 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.58.1 Het subonderdeel richt zich tegen ’s hofs in rov. 3.5 EV vervatte oordeel dat de door FCIB c.s. opgegeven (en daadwerkelijk gemaakte) compliancekosten van SBV ook redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.58.2 Het subonderdeel strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis, voor zover het veronderstelt dat het bestreden oordeel (mede) berust op de in het subonderdeel bedoelde overweging onder a, te vinden in rov. 3.5, tweede zin EV. Die overweging ziet niet op SBV, maar op SPIGT. Zie ook onder 3.45.2, 3.45.7 en 3.45.9 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.58.3 Het subonderdeel strandt ook voor het overige.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.58.4 In rov. 3.4 EV stelt het hof al vast, in cassatie zonder vrucht bestreden, dat FCIB c.s. de door haar opgegeven compliancekosten van SBV daadwerkelijk heeft gemaakt. Dit is dus een gegeven als het hof rov. 3.5 EV bereikt. Daarin ligt vervolgens wat betreft die door FCIB c.s. gemaakte kosten de vraag voor of die kosten ook redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt. Daarbij speelt nog niet de vraag - net zo min als in rov. 3.4 EV - in hoeverre die kosten specifiek verband houden met de doeleinden. Dit punt adresseert het hof eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.58.5 Blijkens rov. 3.5 EV komt het hof tot bevestigende beantwoording van de vraag of de door FCIB c.s. opgegeven (en daadwerkelijk gemaakte) compliancekosten van SBV ook redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt. Daarbij betrekt het hof niet alleen de in het subonderdeel bedoelde overwegingen onder b-d, te vinden in rov. 3.5, derde zin EV (onder b) en in rov. 3.5, aanhef en tweede en derde gedachtestreepje EV (onder c-d), maar ook - en dit negeert het subonderdeel - rov. 3.5, aanhef en eerste gedachtestreepje EV en wat het overweegt in rov. 3.4, aanhef en eerste twee gedachtestreepjes EV. Dit laatste werkt hier immers naar de aard door in rov. 3.5 EV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.58.6 In essentie voert het subonderdeel aan dat de in subonderdeel 2.23 bedoelde stellingen van Corbiere c.s. onder (i)-(iii) in de weg staan aan ’s hofs bevestigende beantwoording in rov. 3.5 EV van de vraag of de door FCIB c.s. opgegeven (en daadwerkelijk gemaakte) compliancekosten van SBV ook redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt. Daarbij ziet het subonderdeel in de eerste plaats eraan voorbij dat het hof die bevestigende beantwoording op meer baseert dan alleen de in het subonderdeel bedoelde overwegingen onder b-d. Zie onder 3.58.5 hiervoor. En bovendien eraan voorbij dat die stellingen van Corbiere c.s. onder (i)-(iii) naar ’s hof niet onbegrijpelijke oordeel niet raken aan die in rov. 3.5 EV voorliggende vraag, maar aan de te onderscheiden vragen of die kosten door FCIB c.s. daadwerkelijk zijn gemaakt (onder (i)), welke vraag voorligt in rov. 3.4 EV, en in hoeverre die kosten specifiek verband houden met de doeleinden (onder (ii)-(iii)), welke punt het hof eerst adresseert in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.54.2-3.54.3 en 3.58.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.58.7 Hierop stuit het subonderdeel af. Kort en goed: voor zover het al uitgaat van een juiste lezing van het eindvonnis, en zodoende feitelijke grondslag heeft, rechtvaardigt hetgeen Corbiere c.s. daarin aanvoert niet de conclusie dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.59 De subonderdelen 2.26-2.27 lenen zich voor gezamenlijke bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.59.1 Subonderdeel 2.26 bevat een inleiding op subonderdeel 2.27. Ter onderbouwing van de kosten van [A] van $ 196.978,08 heeft FCIB c.s. enkel gesteld dat het die kosten heeft gemaakt voor compliancewerk ter afwikkeling van de bankrekeningen, als productie 58a een schema van ontvangen facturen overgelegd en als productie 58c facturen in het geding gebracht die volgens haar optellen tot genoemd bedrag. Corbiere c.s. heeft ter betwisting dat de kosten zijn gemaakt en redelijk zijn, alsmede ter betwisting dat de kosten in het kader van de doeleinden zijn gemaakt, daar tegenovergesteld: (i) dat van de ongeveer 50 facturen die FCIB in 2012 volgens het schema van productie 58a zou hebben ontvangen er slechts twee bij productie 58c zijn overgelegd, zodat niet te controleren is of die facturen daadwerkelijk zijn ontvangen/betaald; (ii) dat de facturen over 2013 geen enkele specificatie bevatten, zodat niet valt na te gaan of de kosten zijn gemaakt voor het openhouden van de bankrekeningen en de afwikkeling daarvan; (iii) dat dit inzicht juist relevant is, omdat het kantoor ( [A] ) volgens FCIB c.s. zelf ook betrokken is geweest bij het strafrechtelijk onderzoek tegen FCIB c.s. en daarvoor betaald heeft gekregen, terwijl die kosten via de band van de in rov. 2.22 TV uitgelegde kostenbedingen niet voor vergoeding in aanmerking komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.59.2 Subonderdeel 2.27 klaagt, tot slot, als volgt. a. In het licht van “voornoemd partijdebat” is zonder nadere motivering - die ontbreekt - niet begrijpelijk waarom het hof tot het oordeel komt dat FCIB c.s. de gestelde compliancekosten van [A] voldoende heeft onderbouwd en Corbiere c.s. de betwisting ervan onvoldoende heeft onderbouwd. De onderbouwing bestond immers uit niet meer dan een niet nader toegelicht schema en een reeks facturen, terwijl Corbiere c.s. gemotiveerd heeft aangevoerd dat bijna alle in het schema opgenomen facturen niet zijn overgelegd en dus niet te contoleren zijn, dat ook overigens bij gebrek aan specificatie niet controleerbaar is waarop facturen zagen en dat dit juist bij de werkzaamheden van [A] relevant is. In dit kader kon daarom evenmin doorslaggevende betekenis toekomen aan het gegeven dat ter afwikkeling van de noodregeling kosten gemaakt zijn voor complianceonderzoek bij een groot aantal rekeningen gedurende een periode van zeven jaar, en dat naar algemene ervaringsregels complianceonderzoek veel en gespecialiseerd werk is waarmee aanzienlijke kosten zijn gemoeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die omstandigheden doen immers niet eraan af dat de concreet naar voren gebrachte facturen ter onderbouwing van de kosten onvolledig zijn, dat de werkzaamheden oncontroleerbaar zijn en dat vanwege de betrokkenheid van [A] bij het strafrechtelijk traject tegen FCIB c.s. niet kan worden uitgesloten dat de door FCIB c.s. bedoelde facturen ook zien op die werkzaamheden. In ieder geval heeft het hof in het licht van voornoemd partijdebat te hoge eisen gesteld aan de op Corbiere c.s. rustende betwistingslast. Dit is klacht a. b. Evenmin valt in het licht van “voornoemd partijdebat” zonder nadere motivering - die ontbreekt - in te zien waarom alle gemaakte kosten van [A] redelijk zouden zijn geweest. Uit de betwisting van Corbiere c.s. volgt immers dat de werkzaamheden grotendeels niet controleerbaar zijn en bovendien mogelijk ook op andere werkzaamheden hebben gezien dan de (compliance ter) afwikkeling van de bankrekeningen. Daarom kunnen de overwegingen (a) dat compliancedocumenten moesten worden beoordeeld, (b) dat FCIB c.s. forensic fees heeft moeten betalen in het kader van de uitkeringsprocedures, (c) dat het redelijk is dat FCIB c.s. probeerde te voorkomen dat tegoeden zouden worden uitgekeerd die afkomstig waren van misdrijf en (d) dat het redelijkerwijs noodzakelijk is dat FCIB c.s. daarbij compliancekantoren inschakelde, evenmin tot de conclusie leiden dat alle kosten van [A] redelijk waren. Dit is klacht b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.60 De subonderdelen falen, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.61 Te beginnen met klacht a.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.61.1 Vooropgesteld: de vraag in hoeverre de (onderhavige) kosten specifiek verband houden met de doeleinden is in rov. 3.4-3.5 EV nog niet aan de orde. Dit punt adresseert het hof eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor. Voor zover de klacht iets anders tot uitgangspunt neemt, strandt deze reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis. Ik stel verder voorop dat de klacht alleen ten strijde trekt tegen rov. 3.4 EV, meer in het bijzonder ’s hofs daarin vervatte oordeel dat de door FCIB c.s. opgegeven compliancekosten van [A] daadwerkelijk zijn gemaakt. Ik lees in de klacht niet dat deze (mede) is gericht tegen ’s hofs in rov. 3.5 EV vervatte oordeel dat die compliancekosten ook redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.61.2 Daarmee ontvalt al goeddeels de bodem aan de klacht. Want de daarin bedoelde stellingen van Corbiere c.s. onder (ii)-(iii) behelzen, naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel, dat uit de gegevens die FCIB c.s. in het geding heeft gebracht met betrekking tot de compliancekosten van [A] (producties 58a en 58c) niet kan worden afgeleid dat zij voor de doeleinden zijn gemaakt. En rov. 3.4 EV gaat dus niet over de vraag in hoeverre die kosten specifiek verband houden met de doeleinden. Dit punt adresseert het hof eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.61.3 De in de klacht bedoelde stelling van Corbiere c.s. onder (i), die naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel betrekking heeft op de in rov. 3.4 EV voorliggende vraag of FCIB c.s. de opgegeven compliancekosten van [A] daadwerkelijk heeft gemaakt, leidt niet tot een andere uitkomst. Het is juist dat productie 58c van FCIB c.s. over 2012 twee (aan FCIB gerichte) facturen van [A] bevat. FCIB c.s. heeft evenwel duidelijk gemaakt dat zij, ten tijde van het overleggen van de facturen van [A] voor haar compliancewerkzaamheden (lees: in 2022), moest volstaan met het overleggen van “de beschikbare facturen” ter zake. Dit houdt ermee verband, zo begrijp ik (en het hof kennelijk ook), dat: “[d]e 15% maatregel en de verhoging van de maintenance fee zijn gebaseerd op de administratie van FCIB - een bank in afwikkeling - van tussen de 10 en 15 jaar geleden. Het is dus niet eenvoudig om alle gegevens tot op de factuur boven water te krijgen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">FCIB c.s. heeft het hof gevraagd daarmee rekening te houden. Ook heeft FCIB c.s. uitgelegd dat zij uit de (digitaal) aanwezige grootboekrekeningen onder meer kon afleiden wat die door [A] gemaakte compliancekosten zijn, waarvan productie 58a dus een overzicht bevat. Dit een en ander is door Corbiere c.s. niet noemenswaardig betrokken bij haar verweer. Bovendien bevat productie 58c van FCIB c.s. over 2013 een totaal van 28 (aan FCIB gerichte) facturen van [A] . Bij deze stand van zaken en gezien ook rov. 3.4, aanhef en eerste twee gedachtestreepjes EV kon het hof, niettegenstaande die stelling van Corbiere c.s. onder (i), uit het procesdossier afleiden dat ook die in productie 58a vermelde door [A] gemaakte compliancekosten over 2012 door FCIB c.s. daadwerkelijk zijn gemaakt, gelijk het hof doet in rov. 3.4 EV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.61.4 Opmerking verdient nog dat de klacht te kort door de bocht gaat wat betreft hetgeen door FCIB c.s. zou zijn gesteld ter toelichting op de compliancekosten van [A] : enkel dat [A] die kosten heeft gemaakt voor het afwikkelen van de bankrekeningen. FCIB c.s. heeft toegelicht dat het gaat om kosten verband houdende met de beoordeling - door [A] , naast SPIGT en SBV - welke rekeninghouders al dan niet formeel en materieel aan de uitkeringsprocedure voldeden en of er tot uitkering kon worden overgegaan, door haar ook wel geduid als forensische kosten (forensic fees) of compliancekosten. Daarop doelt FCIB c.s. ook waar zij verwijst naar compliancewerkzaamheden voor de afwikkeling van bankrekeningen en vereffening van banksaldi. Corbiere c.s. klaagt in cassatie ook niet dat zij gericht heeft betoogd dat er redenen zijn te twijfelen aan het daadwerkelijk gemaakt zijn van die kosten als toegelicht door FCIB c.s., op welk betoog het hof dan had moeten responderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.61.5 De klacht gaat ook te kort door de bocht waar deze veronderstelt dat het hof doorslaggevende betekenis toekent aan wat het noemt in rov. 3.4, aanhef en eerste twee gedachtestreepjes EV. Rov. 3.4 EV in totaliteit bezien, maakt al duidelijk dat het hof dit niet doet. Zie ook onder 3.18.1, 3.19.1-3.19.2 en 3.54.5 hiervoor. In zoverre strandt de klacht dus tevens op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.61.6 Hierop stuit de klacht af. Kort en goed: voor zover deze al uitgaat van een juiste lezing van het eindvonnis, en zodoende feitelijke grondslag heeft, rechtvaardigt hetgeen Corbiere c.s. daarin aanvoert niet de conclusie dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.62 Tot slot klacht b.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.62.1 De klacht richt zich tegen ’s hofs in rov. 3.5 EV vervatte oordeel dat de door FCIB c.s. opgegeven (en daadwerkelijk gemaakte) compliancekosten van [A] ook redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.62.2 De klacht strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis, voor zover deze veronderstelt dat het bestreden oordeel (mede) berust op de in de klacht bedoelde overweging onder a, te vinden in rov. 3.5, tweede zin EV. Die overweging ziet niet op [A] , maar op SPIGT. Zie ook onder 3.45.2, 3.45.7, 3.45.9 en 3.58.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.62.3 De klacht strandt ook voor het overige.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.62.4 In rov. 3.4 EV stelt het hof al vast, in cassatie zonder vrucht bestreden, dat FCIB c.s. de door haar opgegeven compliancekosten van [A] daadwerkelijk heeft gemaakt. Dit is dus een gegeven als het hof rov. 3.5 EV bereikt. Daarin ligt vervolgens wat betreft die door FCIB c.s. gemaakte kosten de vraag voor of die kosten ook redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt. Als gezegd: daarbij speelt nog niet de vraag - net zo min als in rov. 3.4 EV - in hoeverre die kosten specifiek verband houden met de doeleinden, welk punt het hof eerst adresseert in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.62.5 Blijkens rov. 3.5 EV komt het hof tot bevestigende beantwoording van de vraag of de door FCIB c.s. opgegeven (en daadwerkelijk gemaakte) compliancekosten van [A] ook redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt. Daarbij betrekt het hof niet alleen de in de klacht bedoelde overwegingen onder b-d, te vinden in rov. 3.5, derde zin EV (onder b) en in rov. 3.5, aanhef en tweede en derde gedachtestreepje EV (onder c-d), maar ook - en dit negeert het subonderdeel - wat het overweegt in rov. 3.5, aanhef en eerste gedachtestreepje EV en in rov. 3.4, aanhef en eerste twee gedachtestreepjes EV. Dit laatste werkt hier immers naar de aard door in rov. 3.5 EV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.62.6 In essentie voert de klacht aan dat de in subonderdeel 2.26 bedoelde stellingen van Corbiere c.s. onder (i)-(iii) in de weg staan aan ’s hofs bevestigende beantwoording in rov. 3.5 EV van de vraag of de door FCIB c.s. opgegeven (en daadwerkelijk gemaakte) compliancekosten van [A] ook redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt. Daarbij ziet de klacht in de eerste plaats eraan voorbij dat het hof die bevestigende beantwoording op meer baseert dan alleen de in de klacht bedoelde overwegingen onder b-d. Zie onder 3.62.5 hiervoor. En bovendien eraan voorbij dat die stellingen van Corbiere c.s. onder (i)-(iii) naar ’s hof niet onbegrijpelijke oordeel niet raken aan die in rov. 3.5 EV voorliggende vraag, maar aan de te onderscheiden vragen of die kosten door FCIB c.s. daadwerkelijk zijn gemaakt (onder (i)), welke vraag voorligt in rov. 3.4 EV, en in hoeverre die kosten specifiek verband houden met de doeleinden (onder (ii)-(iii)), welk punt het hof dus eerst adresseert in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.61.2-3.61.3 en 3.62.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.62.7 Hierop stuit de klacht af. Kort en goed: voor zover deze al uitgaat van een juiste lezing van het eindvonnis, en zodoende feitelijke grondslag heeft, rechtvaardigt hetgeen Corbiere c.s. daarin aanvoert niet de conclusie dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.63 Subonderdeel 2.28 wordt voorafgegaan door het kopje “CBCS-kosten”. Geklaagd wordt over rov. 3.4-3.5 EV en met betrekking tot door FCIB c.s. opgegeven kosten van CBCS van afgerond $ 1,7 miljoen. De subonderdelen 2.29-2.31 bevatten hiervan een uitwerking. Dit betekent dat het onderhavige subonderdeel geen verdere bespreking behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.64 Subonderdeel 2.29 klaagt als volgt. Ter onderbouwing van de kosten van CBCS in de periode oktober 2007-december 2007 van $ 280.898,88 heeft FCIB c.s. enkel een e-mail overgelegd van [betrokkene 8] (hierna: [betrokkene 8]) aan [betrokkene 4] (productie 59a). Corbiere c.s. heeft betwist dat deze kosten gemaakt zijn althans redelijkerwijs gemaakt zijn, alsmede betwist dat de kosten in het kader van de doeleinden zijn gemaakt, omdat: (i) de e-mail enkel inhoudt dat CBCS (althans haar voorganger, Bank van de Nederlandse Antillen,) een voorschot vraagt van NAƒ 500.000; (ii) de e-mail op geen enkele wijze toelicht waarvoor de kosten dienen, zodat ook niet kan worden nagegaan waarvoor de kosten zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van dit partijdebat valt zonder nadere motivering - die ontbreekt - niet in te zien waarom het hof desondanks aanneemt dat FCIB c.s. deze kosten voldoende heeft onderbouwd en Corbiere c.s. haar betwisting onvoldoende heeft onderbouwd. In ieder geval heeft het hof in het licht van voornoemd partijdebat te hoge eisen gesteld aan de op Corbiere c.s. rustende betwistingslast. De door FCIB c.s. overgelegde e-mail bood geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. In ieder geval bood de e-mail niet voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de kosten redelijkerwijs zijn gemaakt, ook niet in het licht van het gegeven dat CBCS een zekere discretionaire bevoegdheid toekomt. Het laat zich immers op basis van de e-mail niet vaststellen waartoe het in rekening gebrachte bedrag diende en FCIB c.s. heeft dit niet toegelicht. In het verlengde daarvan kon het hof dus ook niet zonder nadere motivering - die ontbreekt - tot het oordeel komen dat die kosten redelijk waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.65 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.65.1 Vooropgesteld: de vraag in hoeverre de (onderhavige) kosten specifiek verband houden met de doeleinden is in rov. 3.4-3.5 EV nog niet aan de orde. Dit punt adresseert het hof eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor. Voor zover het subonderdeel iets anders tot uitgangspunt neemt, strandt het reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.65.2 Onder 3.65.3-3.65.6 hierna maak ik, ook alvast met het oog op de subonderdelen 2.30-2.31, enkele opmerkingen over hetgeen FCIB c.s. heeft aangevoerd in haar akte na het tussenvonnis inzake de kosten van CBCS. Onder 3.65.7 hierna keer ik terug naar het onderhavige subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.65.3 Nadat FCIB c.s. een toelichting had gegeven op de rol van CBCS inzake de noodregeling en het kostenbeleid van CBCS ter zake, heeft FCIB c.s. uiteengezet wat de kosten van CBCS zijn over de periode 2007-2013 onderverdeeld in drie tijdvakken: (i) oktober 2007-december 2007 ($ 280.898,88); (ii) januari 2008-juli 2009 ($ 983.146,07); en (iii) augustus 2009-december 2013 ($ 405.876,95).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.65.4 Ten aanzien van de kosten van CBCS onder (iii) heeft FCIB c.s. toegelicht dat in het financieel administratiesysteem van CBCS de administratie van CBCS, en meer specifiek de administratie van de kosten ten laste van de noodregeling inzake FCIB, tot aan 2009 te achterhalen is. Aan de hand van deze administratie zijn de kosten van CBCS ten laste van de noodregeling inzake FCIB voor de periode augustus 2009-december 2013 door het gerecht vastgesteld bij beschikking van 22 oktober 2019 (zaaknr. F17/2006). FCIB c.s. heeft de processtukken en daarbij behorende overzichten (waarmee de kosten over die periode in genoemde procedure zijn onderbouwd en door het gerecht zijn vastgesteld) overgelegd als productie 59c. Zij heeft ook toegelicht waarmee de kosten in die periode onder meer verband houden. Ik kom hierop terug bij subonderdeel 2.31.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.65.5 Ten aanzien van de kosten van CBCS onder (ii) heeft FCIB c.s. toegelicht dat CBCS in een archief ook een overzicht van de kosten van CBCS voor de periode januari 2008-juli 2009 heeft kunnen achterhalen. FCIB c.s. heeft dit overzicht en de getraceerde onderliggende facturen in het geding gebracht als productie 59b. Met daarbij als kanttekening dat het gaat om door CBCS gemaakte kosten die meer dan 14 jaar geleden zijn geadministreerd, waardoor niet alle onderliggende facturen nog te achterhalen zijn. En dat er evenwel geen reden is te twijfelen aan de kosten, nu dit kosten zijn van crediteuren die aantoonbaar werkzaamheden hebben verricht ter afwikkeling van het bankbedrijf van FCIB en waarvan een enkeling deze werkzaamheden zelfs tot aan 2018 heeft verricht. Daarnaast zijn er ook onkosten geadministreerd, zoals dienstreiskosten van CBCS-personeel en reiskosten van opdrachtnemers. FCIB c.s. heeft nog een toelichting gegeven op de werkzaamheden die opdrachtnemers - voor wie CBCS de kosten heeft betaald/voorgeschoten - in genoemde periode hebben verricht ter afwikkeling van het bankbedrijf. Ik kom hierop terug bij subonderdeel 2.30.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.65.6 Dan resteren de kosten van CBCS onder (i). Daartoe heeft FCIB c.s. gewezen op de e-mail van [betrokkene 8] (van CBCS) aan [betrokkene 4] (van FCIB) met het onderwerp “Emergency measure” van 18 januari 2008, waarop het subonderdeel doelt: productie 59a. Daarin valt mede te lezen dat onder anderen [betrokkene 4] door [betrokkene 8] werd verzocht (onder verwijzing naar eerder overleg tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 8] ) een bericht te sturen aan [betrokkene 9] van CBCS ( [e-mail] , ook in cc in genoemde e-mail), waarin CBCS kort gezegd werd toegestaan “to debit your account for NAƒ 500.000,--” ter bestrijding van kosten van CBCS inzake de noodregeling. Dit “is in line with the normal procedure we follow when a bank is placed under the emergency measures.” Ook staat er dat “you will be separately billed for the costs the Bank incurred to date.” Hierop heeft het onderhavige subonderdeel dus betrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.65.7 Ik keer terug naar dit subonderdeel. M.i. brengt hetgeen het aanvoert niet mee dat ’s hofs oordeel dat de kosten van CBCS onder (i) daadwerkelijk zijn gemaakt (rov. 3.4 EV) en redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt (rov. 3.5 EV) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel. In de betwisting van Corbiere c.s. waarop het subonderdeel wijst, leest het hof klaarblijkelijk geen stellingen die raken aan de in rov. 3.5 EV voorliggende vraag of die kosten van CBCS onder (i) redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt. Dit is niet onbegrijpelijk. Die betwisting komt erop neer dat Corbiere c.s. betwist dat FCIB c.s. die kosten daadwerkelijk heeft gemaakt althans dat die kosten specifiek verband houden met de doeleinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover Corbiere c.s. heeft betwist dat die kosten specifiek verband houden met de doeleinden geldt als gezegd dat dit punt eerst aan bod komt in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor. Dan resteert de betwisting door Corbiere c.s. dat FCIB c.s. die kosten daadwerkelijk heeft gemaakt, welke betwisting het hof blijkens rov. 3.4 EV verwerpt. Die betwisting komt neer op de stelling dat een voorschot gevraagd in 2008 logischerwijs niet kan zien op kosten die volgens FCIB c.s. gemaakt zijn in 2007. Naar ik meen, en klaarblijkelijk ook het hof, doet deze ‘logica’ geen opgeld. Want niet valt in te zien dat nu (a) de e-mail van [betrokkene 8] aan [betrokkene 4] dateert van 18 januari 2008, ‘dus’ (b) de in die e-mail bedoelde debitering van FCIB’s rekening niet kon worden aangewend voor verrekening van de door CBCS ten laste van de noodregeling gemaakte kosten in de periode oktober 2007-december 2007, conform het onder 3.65.3 hiervoor bedoelde kostenbeleid van CBCS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kort en goed: b volgt niet zonder meer uit a. Bovendien heeft Corbiere c.s. daarbij geen aandacht besteed aan hetgeen FCIB c.s. heeft uiteengezet inzake de te onderscheiden kosten van CBCS onder (ii)-(iii), die zien op de periode januari 2008-december 2013 waarvoor CBCS nog een overzicht van de kosten en onderliggende facturen heeft kunnen achterhalen uit de eigen administratie. Zie onder 3.65.4-3.65.5 hiervoor. Corbiere c.s. heeft evenmin betoogd dat van die debitering van FCIB’s rekening geen sprake kan zijn, wat ook haaks zou staan op de e-mail van CBCS (in persoon van [betrokkene 8] ) aan FCIB (in persoon van [betrokkene 4] ) met als onderwerp “Emergency measure” en de daarin vervatte verwijzing naar het kostenbeleid van CBCS, waarover ook onder 3.65.3 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.66 Subonderdeel 2.30 klaagt als volgt. Ter onderbouwing van de kosten van CBCS in de periode januari 2008-juli 2009 van $ 983.146,07 heeft FCIB c.s. een reeks documenten in het geding gebracht als productie 59b. Het gaat om kosten die door CBCS zijn gemaakt ter afwikkeling van het bankbedrijf van FCIB en onkosten. Ter betwisting dat deze kosten zijn gemaakt respectievelijk redelijk zijn, alsmede ter betwisting dat de kosten in het kader van de doeleinden zijn gemaakt, heeft Corbiere c.s. het volgende aangevoerd. (i) Productie 59b bestaat uit een factuur van NAƒ 1.750.000 zonder verdere toelichting, een overzicht aan kosten waarvan doorgaans compleet onduidelijk is waarvoor die zijn gemaakt en een wirwar aan onbegrijpelijke facturen en bonnen. (ii) Het is onmogelijk te controleren of deze kosten zijn gemaakt respectievelijk waarop zij zouden hebben gezien. (iii) Een blik op de overgelegde documenten levert een ontluisterend beeld op, nu het bijvoorbeeld omvat: (a) bonnetjes van een restaurantbezoek op Curaçao; (b) talloze declaraties voor luxe vliegreizen, hotels en etentjes van personen die lid waren van de raad van commissarissen van de Bank of Bermuda; en (c) facturen op naam van TWO, een vennootschap gelieerd aan de [familie] . (iv) De door FCIB c.s. nog wel (summier) toegelichte posten van “ [advieskantoor] LLP” zien op algemene afwikkelingskosten van het bankbedrijf en dus niet op kosten verbonden aan het aanhouden en afwikkelen van de rekeningen. (v) De factuur van het advocatenkantoor Stibbe maakt niet duidelijk welke werkzaamheden zijn verricht. Niet is toegelicht welke werkzaamheden [betrokkene 10] (hierna: [betrokkene 10]) zou hebben verricht. (vi) De in rekening gebrachte kosten - voor zover wel controleerbaar - zijn dus niet gemaakt althans evident niet redelijkerwijs gemaakt, of kunnen dus niet in rekening worden gebracht bij de rekeninghouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van dit partijdebat valt zonder nadere motivering - die ontbreekt - niet in te zien waarom FCIB c.s. deze kosten wel voldoende heeft onderbouwd en Corbiere c.s. die kosten onvoldoende onderbouwd heeft betwist en evenmin waarom die kosten redelijk zijn. In ieder geval heeft het hof in het licht van voornoemd partijdebat te hoge eisen gesteld aan de op Corbiere c.s. rustende betwistingslast. Corbiere c.s. heeft immers in het licht van het voorgaande gedetailleerd uiteengezet dat niet te controleren valt dat de kosten zijn gemaakt, althans waarvoor zij zijn gemaakt, terwijl van de wel te controleren posten blijkt dat zij niets van doen hebben met de doeleinden alsmede niet valt in te zien waarom zij redelijk zijn althans redelijkerwijs zouden kunnen worden doorbelast aan Corbiere c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.67 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.67.1 Vooropgesteld: de vraag in hoeverre de (onderhavige) kosten specifiek verband houden met de doeleinden is in rov. 3.4-3.5 EV nog niet aan de orde. Dit punt adresseert het hof eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor. Voor zover het subonderdeel iets anders tot uitgangspunt neemt, strandt het reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.67.2 Onder 3.65.3 en 3.65.5 hiervoor vatte ik samen wat FCIB c.s. ter toelichting heeft uiteengezet in haar akte na tussenvonnis met betrekking tot de kosten van CBCS als bedoeld onder 3.65.3 hiervoor sub (ii), op welke kosten het subonderdeel ziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.67.3 Wat Corbiere c.s. daar tegenover heeft gesteld met haar in het subonderdeel bedoelde stelling onder (i) komt neer op enkele algemeenheden zonder concretisering, die in ieder geval voorbijgaan aan genoemde toelichting van FCIB c.s. in haar akte na tussenvonnis. Die stelling (i) rechtvaardigt derhalve niet de conclusie dat het hof in rov. 3.4-3.5 EV blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.67.4 De in het subonderdeel bedoelde stelling van Corbiere c.s. onder (ii) bouwt voort op die stelling onder (i) en komt erop neer, naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel, dat FCIB c.s. het Corbiere c.s. aldus onmogelijk maakt te controleren of de opgegeven kosten van CBCS wel specifiek verband houden met de doeleinden. Welke kwestie het hof als gezegd eerst adresseert in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor. Bij deze stand van zaken rechtvaardigt die stelling (ii) evenmin de conclusie dat het hof in rov. 3.4-3.5 EV blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.67.5 De in het subonderdeel bedoelde stelling van Corbiere c.s. onder (iii) leidt niet tot een andere uitkomst. Onder a wordt verwezen naar “bonnetjes” van een restaurantbezoek op Curaçao, maar in werkelijkheid gaat het om slechts één rekening. Waarom deze ene rekening een “ontluisterend beeld” oplevert, wordt daar door Corbiere c.s. niet toegelicht en valt zonder meer ook niet in te zien. Dit laatste geldt tevens voor de onder b bedoelde declaraties, waarbij Corbiere c.s. bovendien geen acht heeft geslagen op de door FCIB c.s. in haar akte na tussenvonnis gegeven toelichting inzake verkoop door FCIB (in samenspraak met CBCS) van haar aandelenbelang in een bank op Bermuda ter verkrijging van liquiditeiten voor uitbetaling van banktegoeden. Voor de onder c bedoelde facturen geldt eveneens dat door Corbiere c.s. niet is toegelicht waarom dit een “ontluisterend beeld” oplevert, en dat dit zonder meer ook niet valt in te zien. M.i. vaart ook het hof deze koers in het eindvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.67.6 De in het subonderdeel bedoelde stelling van Corbiere c.s. onder (iv) komt erop neer, naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel, dat het bij de desbetreffende kosten zou gaan om andere kosten (“algemene afwikkelingskosten”) inzake de afwikkeling van FCIB’s bankbedrijf dan kosten die specifiek verband houden met de doeleinden. Het onderscheid tussen deze typen kosten adresseert het hof dus eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Bij deze stand van zaken rechtvaardigt die stelling (iv) evenmin de conclusie dat het hof in rov. 3.4-3.5 EV blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.67.7 De in het subonderdeel bedoelde stelling van Corbiere c.s. onder (v) inzake Stibbe lees ik niet zo terug in de daarbij genoemde vindplaats. Daar merkt Corbiere c.s. slechts op dat uit de twee facturen van gezamenlijk € 10.000 niet volgt dat Stibbe specifiek heeft geadviseerd “over de wijze waarop aan de rekeninghouders uitgekeerd moest worden”, waarop FCIB c.s. wees in haar toelichting in de akte na tussenvonnis. M.i. rechtvaardigt die enkele opmerking naar de aard hoe dan ook niet de conclusie dat het hof in rov. 3.4-3.5 EV blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel. De in het subonderdeel bedoelde stelling van Corbiere c.s. onder (v) inzake [betrokkene 10] baat Corbiere c.s. evenmin. Zij schreef daar dat [betrokkene 10] voor zijn werkzaamheden door CBCS zou zijn betaald, maar FCIB c.s. “in het geheel niet toe[licht]” welke werkzaamheden hij heeft verricht. Het probleem hier is dat FCIB c.s. dit wel degelijk heeft toegelicht, wat Corbiere c.s. (ook in het subonderdeel) heeft genegeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.67.8 Dan resteert nog de in het subonderdeel bedoelde stelling van Corbiere c.s. onder (vi). Die lees ik evenmin zo terug in de daarbij genoemde vindplaats. Daar sloot zij af met “Lang verhaal kort”, etc. Dit behelst, naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel, slechts de slotsom dat Corbiere c.s. betwist dat FCIB de onderhavige kosten van CBCS daadwerkelijk heeft gemaakt althans dat deze kosten specifiek verband houden met de doeleinden. Dit laatste punt adresseert het hof dus pas in rov. 3.6(-3.7) EV. Op dit eerste punt gaat het hof in rov. 3.4 EV in; ’s hofs daarin vervatte oordeel dat FCIB c.s. die kosten daadwerkelijk heeft gemaakt, is in rov. 3.5 EV een gegeven. Kortom, die enkele slotsom rechtvaardigt naar de aard evenmin de conclusie dat het hof in rov. 3.4-3.5 EV blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.67.9 Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.68 Subonderdeel 2.31 klaagt, tot slot, als volgt. De kosten van CBCS voor de periode augustus 2009-december 2013 van $ 405.876,95 heeft FCIB c.s. onderbouwd met als productie 59c overgelegde documenten die verband zouden houden met werkzaamheden verricht door de gemachtigde van CBCS ( [betrokkene 10] ), advisering over de verkoop van een aandelenbelang van FCIB in een bank op Bermuda, het voorschieten van proceskosten en deurwaarderskosten in procedures tegen rekeninghouders of crediteuren van rekeninghouders, audit-/samenstellingswerkzaamheden van Deloitte, en juridisch advies over de afwikkeling van bankrekeningen en vereffening van banksaldi. Corbiere c.s. heeft ter betwisting dat deze kosten zijn gemaakt dan wel redelijk zijn, alsmede ter betwisting dat de kosten in het kader van de doeleinden zijn gemaakt, het volgende gesteld. (i) De onderbouwing van de kosten bestaat uit een factuur van $ 405.876,95 zonder nadere toelichting alsmede een grotendeels zwartgelakte rapportage en een deels zwartgelakt verzoekschrift zonder enige toelichting. (ii) De rapportage omvat een zelf gefabriceerd kostenoverzicht, maar dit is volledig oncontroleerbaar nu er geen facturen zijn overgelegd. (iii) Het is evident dat de kosten voor de vervreemding van aandelen in de Bermuda Commercial Bank en de werkzaamheden van Deloitte nooit zijn gemaakt ten behoeve van het openhouden van, of de afwikkeling van de tegoeden op, de bankrekeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van dit partijdebat valt zonder nadere motivering - die ontbreekt - niet in te zien waarom FCIB c.s. deze kosten wel voldoende heeft onderbouwd en Corbiere c.s. die kosten onvoldoende onderbouwd heeft betwist, en evenmin waarom die kosten redelijk zijn. Corbiere c.s. heeft in het licht van het voorgaande partijdebat immers gedetailleerd uiteengezet dat niet te controleren valt dat de kosten zijn gemaakt, althans waarvoor zij zijn gemaakt, terwijl van de wel te controleren posten blijkt dat deze niets van doen hebben met het aanhouden of afwikkelen van de rekeningen, alsmede dat niet valt in te zien waarom zij redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt althans redelijkerwijs zouden kunnen worden doorbelast aan Corbiere c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.69 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.69.1 Vooropgesteld: de vraag in hoeverre de (onderhavige) kosten specifiek verband houden met de doeleinden is in rov. 3.4-3.5 EV nog niet aan de orde. Dit punt adresseert het hof eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor. Voor zover het subonderdeel iets anders tot uitgangspunt neemt, strandt het reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.69.2 Onder 3.65.3-3.65.4 hiervoor vatte ik samen wat FCIB c.s. ter toelichting heeft uiteengezet in haar akte na tussenvonnis met betrekking tot de kosten van CBCS als bedoeld onder 3.65.3 hiervoor sub (iii), op welke kosten het subonderdeel ziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.69.3 Wat Corbiere c.s. daar tegenover heeft gesteld met haar in het subonderdeel bedoelde stelling onder (i) komt neer op enkele algemeenheden zonder concretisering, die in ieder geval voorbijgaan aan genoemde toelichting van FCIB c.s. in haar akte na tussenvonnis. Daarbij zij bedacht dat Corbiere c.s. (ook blijkens het subonderdeel) niet heeft weersproken dát de onderhavige kosten van CBCS door het gerecht zijn vastgesteld bij beschikking van 22 oktober 2019 (zaaknr. F17/2006) op NAƒ 722.460,97 (omgerekend $ 405.896,95), zoals toegelicht door FCIB c.s. in haar akte na tussenvonnis. Bij deze stand van zaken rechtvaardigt die stelling (i) niet de conclusie dat het hof in rov. 3.4-3.5 EV blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.69.4 Voor de in het subonderdeel bedoelde stelling van Corbiere c.s. onder (ii) geldt dan hetzelfde, gezien 3.69.3 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.69.5 De in het subonderdeel bedoelde stelling van Corbiere c.s. onder (iii) leidt niet tot een andere uitkomst. Die stelling (iii) komt erop neer, naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel, dat de desbetreffende kosten voor vervreemding van aandelen (advies) en werkzaamheden van Deloitte (audit) niet specifiek verband houden met de doeleinden. Dit laatste punt adresseert het hof dus eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Die stelling (iii) rechtvaardigt derhalve evenmin de conclusie dat het hof in rov. 3.4-3.5 EV blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.69.6 Daarmee is reeds gegeven dat het subonderdeel mislukt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.70 Subonderdeel 2.32 wordt voorafgegaan door het kopje “Overige kosten” en klaagt als volgt. Ter onderbouwing van ‘overige kosten’ ter hoogte van $ 105.008,66 heeft FCIB c.s. erop gewezen dat het kosten zijn die zijn betaald aan diverse adviseurs voor de administratie van FCIB. Daarbij heeft FCIB c.s. een aantal grootboekposten opgesomd. Corbiere c.s. heeft daar tegenovergesteld dat volledig onduidelijk is welke werkzaamheden deze adviseurs zouden hebben uitgevoerd en daarom niet kan worden vastgesteld of zij zijn gemaakt, redelijk zijn en redelijkerwijs aan rekeninghouders kunnen worden doorbelast. In het licht van dit partijdebat valt zonder nadere motivering - die ontbreekt - niet in te zien waarom FCIB c.s. deze kosten wel voldoende heeft onderbouwd en Corbiere c.s. die kosten onvoldoende onderbouwd heeft betwist, en evenmin waarom die kosten redelijk zijn. In ieder geval heeft het hof in het licht van voornoemd partijdebat te hoge eisen gesteld aan de op Corbiere c.s. rustende betwistingslast. Corbiere c.s. heeft immers gemotiveerd aangevoerd dat en waarom niet valt na te gaan waar de beweerde kosten op zagen, zodat niet kon worden vastgesteld dat de kosten zijn gemaakt, althans waarom zij redelijk waren respectievelijk redelijkerwijs konden worden doorbelast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.71 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.71.1 Vooropgesteld: de vraag in hoeverre de (onderhavige) kosten specifiek verband houden met de doeleinden is in rov. 3.4-3.5 EV nog niet aan de orde. Dit punt adresseert het hof eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor. Voor zover het subonderdeel iets anders tot uitgangspunt neemt, strandt het reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.71.2 M.i. gaf de stelling van FCIB c.s. in haar akte na tussenvonnis dat de ‘overige kosten’ ter hoogte van in totaal $ 105.008,66 zijn gemaakt voor diverse adviseurs (“consultants”) voor de administratie van FCIB, in combinatie met de door FCIB c.s. weergegeven informatie uit de grootboekrekeningen die zij uit de administratie heeft kunnen achterhalen, voldoende aanknopingspunten voor concrete stellingen van Corbiere c.s. in het kader van haar verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.71.3 Corbiere c.s. heeft evenwel volstaan met de stelling dat “volkomen onduidelijk” is welke werkzaamheden deze adviseurs hebben verricht (wat dus niet klopt, zie onder 3.71.2 hiervoor). En dat zij betwist, naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel, dat die kosten door FCIB c.s. daadwerkelijk zijn gemaakt althans specifiek verband houden met de doeleinden. Dit laatste punt adresseert het hof dus eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Of die kosten door FCIB c.s. daadwerkelijk zijn gemaakt, beziet het hof in rov. 3.4 EV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.71.4 Het moge duidelijk zijn dat wat het subonderdeel aanvoert, draaiend om die twee blote stellingen van Corbiere c.s., niet de conclusie rechtvaardigt dat het hof in rov. 3.4-3.5 EV blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.72 Ten slotte subonderdeel 2.33. Dit wordt voorafgegaan door het kopje “Kosten van vóór april 2007 vallen buiten scope van te vergoeden kosten”. Geklaagd wordt dat rov. 3.4-3.5 EV bovendien onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, omdat (i) FCIB c.s. (naar het hof vaststelt in rov. 2.20 TV) zelf tot uitgangspunt heeft genomen dat de kosten tot en met maart 2007 niet via de kostenvergoeding van 15% van de banktegoeden in rekening mogen worden gebracht, omdat de rekeninghouders tot aan maart 2007 in de gelegenheid waren gesteld hun banktegoeden op te halen. En (ii) Corbiere c.s. erop heeft gewezen dat verschillende kostenposten desondanks zien op de periode vóór april 2007, onder meer: (a) de kosten van bijna $ 500.000 van T.W. Securities; en (b) een boekhoudkundige afschrijving over een auto die is aangeschaft in 2006 (en dus niet in de periode april 2007-2013), welke afschrijving in de grootboekrekeningpost uit 2011 als kantoorkosten in rekening wordt gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.73 Het subonderdeel slaagt gedeeltelijk, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.73.1 Rov. 2.20 TV luidt als volgt, voor zover relevant: “FCIB heeft de inhoud van de naar USD 250 verhoogde maintenance fee en primair ook de inhouding van 15% van het banktegoed gebaseerd op haar algemene voorwaarden (art. A2.2.17 en A2.2.19). Zij stelt dat het om de vereffeningskosten gaat die zij daadwerkelijk heeft gemaakt. Zij heeft de aard en omvang van de kosten onderbouwd met overzichten die zij als producties 20 en 21 in eerste aanleg heeft overgelegd. Zij stelt onder verwijzing naar die overzichten dat de totale kosten in de periode 1 april 2007 - 31 december 2013 USD 29,310,766.80 hebben bedragen en dat dit 15% is van het totale banksaldo op dat moment (het Hof begrijpt 31 december 2013). (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.73.2 In haar akte na tussenvonnis heeft FCIB c.s. geen bezwaren tegen rov. 2.20 TV geuit, en wel het volgende bevestigd: “Overigens heeft FCIB ervoor gekozen de kosten die FCIB ter Afwikkeling van de FCIB Bankrekeningen heeft gemaakt in 2007 maar voor 75% door te belasten aan de rekeninghouders. FCIB heeft er met deze toepassing rekening mee gehouden dat al haar rekeninghouders tot aan maart 2007 in de gelegenheid waren gesteld hun banktegoeden op te komen halen in het kader van de Afwikkeling van de FCIB Banktegoeden. FCIB heeft toen al een deel van deze kosten - die door te belasten zijn aan de rekeninghouders - geabsorbeerd en doet dit overigens nog steeds.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Even daarvoor maakte FCIB c.s. al duidelijk, onder verwijzing naar haar productie 20 in eerste aanleg, met de term “Doorbelastingsperiode” te doelen op “de periode (maart) 2007 tot en met december 2013” (waarbij met “(maart)” zal zijn bedoeld: na maart, dus met ingang van april). Dit een en ander ligt in lijn met rov. 2.20 TV, geciteerd onder 3.73.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.73.3 Het subonderdeel heeft een punt wat betreft de kosten van T.W. Securities als bedoeld onder a, onderdeel van de door FCIB c.s. opgegeven kosten van T.W. Securities van $ 5.796.633,75.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.73.4 Ter zake is door Corbiere c.s. gesteld: “Overigens blijkt uit productie F62b dat FCIB c.s. ook kosten (van bij elkaar bijna USD 500.000) heeft opgegeven die zien op de periode vóór april 2007. Deze kosten dienen (ook volgens FCIB c.s.) hoe dan ook niet te worden meegenomen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.73.5 Die productie 62b van FCIB c.s. bevat een staatje met daarop onder andere een regel “inv 40352, serv Oct-Dec2006” ter waarde van $ 243.793,75. Als onderdeel van productie 62c van FCIB c.s. is een factuur van 31 december 2007 overgelegd, met een specificatie op de ommezijde. Daarop staan ook bedragen betreffende “January”, “February” en “March” ter hoogte van $ 83.600, $ 76.000 en $ 83.600. Met “bijna $ 500.000” heeft Corbiere c.s. de som van laatstbedoelde bedragen en $ 243.793,75 op het oog.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.73.6 Het heeft er dus alle schijn van dat het hier inderdaad gaat om kosten die behoren tot de periode vóór april 2007, en deels - voor een bedrag van $ 243.793,75 - zelfs tot de periode vóór januari 2007, wat er zij van de betalingsdatum (zie ook onder 3.35.3 hiervoor). Dit wordt naar de aard niet anders doordat de factuur voor die bedragen betreffende januari-maart 2007 dateert van 31 december van dat jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.73.7 Ik lees in de pleitnotities zijdens FCIB c.s. van 21 maart 2023 geen gerichte reactie op die stellingen van Corbiere c.s. FCIB c.s. heeft daar in cassatie niet meer tegenovergesteld dan dat het hof niet op die stellingen van Corbiere c.s. hoefde in te gaan, omdat die stellingen “slechts” zouden “zien op twee detailpunten in de gehele financiële administratie van FCIB.” Dit spreekt boekdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.73.8 Gezien ook 3.73.1-3.73.2 hiervoor is ’s hofs beoordeling in rov. 3.4-3.5 EV zonder kenbare respons op die essentiële stellingname van Corbiere c.s., welke respons ontbreekt, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Hieraan doet niet af wat het hof oordeelt in rov. 3.1-3.3 EV. Daaruit blijkt niet dat het hof terugkomt van rov. 2.20 TV, dat het hof diens oordeel aldaar anders uitlegt, of dat (volgens het hof) FCIB c.s. in de akte na tussenvonnis ter zake een ander standpunt heeft ingenomen dan voorafgaand aan het tussenvonnis (ik lees zoiets dus ook niet in die akte).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.73.9 Iets anders geldt voor de boekhoudkundige afschrijving over een auto waarop het subonderdeel doelt onder b, onderdeel van de door FCIB c.s. opgegeven kantoorkosten van afgerond $ 2,4 miljoen. Ter zake is door Corbiere c.s. gesteld: “Daarnaast blijkt uit grootboekrekening 01U7000107643 (productie F55f) dat FCIB c.s. een boekhoudkundige afschrijving in 2011 van een auto die FCIB zou hebben aangeschaft in 2006, bij Corbiere c.s. in rekening heeft gebracht. Voor de goede orde, het betreft hier dus geen kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt in 2011, maar enkel boekhoudkundig zijn ‘genomen’ in 2011.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In zoverre strandt het subonderdeel in lijn met 3.35.3 en 3.40.3 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.74 Daarmee is onderdeel 2 behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3 (“Beoordeling ‘toerekenbaarheid’ van USD 29.310.766,80 aan Doeleinden onbegrijpelijk”) 3.75 Onderdeel 3 bestaat uit de subonderdelen 3.1-3.11, waarvan het eerste een inleiding is zonder klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.76 De subonderdelen 3.2-3.11 richten zich tegen rov. 3.7 EV en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.76.1 Subonderdeel 3.2 wijst erop, kort gezegd, dat reeds door het slagen van klachten in onderdeel 1 en/of onderdeel 2 de bodem ontvalt aan rov. 3.7 EV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.76.2 De subonderdelen 3.3-3.11 klagen vanuit diverse invalshoeken over rov. 3.7 EV, waarbij deels ook rov. 3.4-3.5 EV worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.77 Ik begin met een vooropstelling. Daarna wend ik mij tot de subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.77.1 Het lijdt geen twijfel dat rov. 3.7 EV (onder meer) voortbouwt op althans onverbrekelijk samenhangt met rov. 3.6 EV. ’s Hofs oordeel in rov. 3.6 EV is met succes bestreden door onderdeel 1. Zie onder 3.6-3.12 hiervoor. Dit een en ander is al fataal voor rov. 3.7 EV: die kan niet in stand blijven. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.77.2 Subonderdeel 3.2 wijst dus terecht erop dat rov. 3.7 EV dit lot treft. In zoverre slaagt het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.77.3 Gezien 3.77.1 hiervoor heeft Corbiere c.s. geen (voldoende) belang bij de subonderdelen 3.3-3.11. Die kan ik verder laten rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.78 Daarmee is onderdeel 3 behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 4 (“Redelijke wijze verdeling kosten over non-compliant rekeninghouders”) 3.79 Onderdeel 4 bestaat uit de subonderdelen 4.1-4.3, waarvan het eerste een inleiding is zonder klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.80 De subonderdelen 4.2-4.3 richten zich tegen rov. 3.8 EV en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.80.1 Subonderdeel 4.2 klaagt vanuit diverse invalshoeken over rov. 3.8 EV, waarbij ook rov. 2.25 TV wordt betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.80.2 Subonderdeel 4.3 gaat nog nader in op een tailor made-aanpak en het ‘sterkste schouders’-beginsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.81 Ik begin met een vooropstelling. Daarna wend ik mij tot de subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.81.1 Het lijdt geen twijfel dat rov. 3.8 EV (onder meer) voortbouwt op althans onverbrekelijk samenhangt met rov. 3.6-3.7 EV. ’s Hofs oordeel in rov. 3.6 EV is met succes bestreden door onderdeel 1, waardoor ook rov. 3.7 EV omtuimelt. Zie onder 3.6-3.12 en 3.77.1 hiervoor. Dit een en ander is al fataal voor rov. 3.8 EV: die kan niet in stand blijven. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.81.2 Gezien 3.81.1 hiervoor heeft Corbiere c.s. geen (voldoende) belang bij de subonderdelen 4.2-4.3. Die kan ik verder laten rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.82 Daarmee is onderdeel 4 behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 5 (“De gehanteerde stelplicht en bewijslast”) 3.83 Onderdeel 5 bestaat uit de subonderdelen 5.1-5.3, waarvan het eerste een inleiding is zonder klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.84 De subonderdelen 5.2-5.3 richten tegen rov. 3.9 EV en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.84.1 Subonderdeel 5.2 bestrijdt rov. 3.9 EV met een rechtsklacht inzake stelplicht en bewijslast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.84.2 Subonderdeel 5.3 voegt daaraan een motiveringsklacht toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.85 Ik begin met een vooropstelling. Daarna wend ik mij tot de subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.85.1 Het lijdt geen twijfel dat rov. 3.9 EV (onder meer) voortbouwt op althans onverbrekelijk samenhangt met rov. 3.6-3.8 EV (“Op grond van het voorgaande”, etc.). ’s Hofs oordeel in rov. 3.6 EV is met succes bestreden door onderdeel 1, waardoor ook rov. 3.7 EV en in het verlengde daarvan rov. 3.8 EV omvallen. Zie onder 3.6-3.12, 3.77.1 en 3.81.1 hiervoor. Dit een en ander is al fataal voor rov. 3.9 EV: die kan evenmin in stand blijven. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.85.2 Gezien 3.85.1 hiervoor heeft Corbiere c.s. geen (voldoende) belang bij de subonderdelen 5.2-5.3. Die kan ik verder laten rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.86 Daarmee is onderdeel 5 behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 6 (“De toetsing van de onredelijke bezwarendheid en aan art. 6:248 lid 2 BW”) 3.87 Onderdeel 6 bestaat uit de subonderdelen 6.1-6.3, waarvan het eerste een inleiding is zonder klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.88 De subonderdelen 6.2-6.3 zijn gericht tegen rov. 2.23 TV en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.88.1 Subonderdeel 6.2 klaagt als volgt. a. Het hof ziet hier eraan voorbij dat een wijziging van de algemene voorwaarden of de bekendmaking van een kostenverhogende maatregel op basis van de algemene voorwaarden als uitgangspunt niet mag plaatsvinden op enkel een algemeen toegankelijke website. Althans dat louter zo’n bekendmaking als uitgangspunt onredelijk bezwarend is dan wel strijdt met art. 6:248 lid 2 BW. Dit geldt ook voor zover de algemene voorwaarden bepalen dat kosten op de website worden gepubliceerd. Dit is klacht a. b. Althans is dit oordeel onjuist, omdat het hof miskent dat voor de vraag of een beroep op een beding onredelijk bezwarend is respectievelijk naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is steeds alle relevante omstandigheden van het geval relevant zijn. Althans ziet het hof eraan voorbij dat in dit verband relevantie toekomt aan: (i) de frequentie waarmee de gebruiker van de algemene voorwaarden wijzigingen of maatregelen op zijn website aankondigt; (ii) de (financiële) ingrijpendheid van de maatregel; (iii) het al dan niet verbonden zijn van een termijn aan die maatregel; en (iv) de lengte van die termijn. Dit is klacht b.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.88.2 Subonderdeel 6.3 klaagt dat dit oordeel in ieder geval onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof geen aandacht heeft besteed aan de volgende, mede in onderling verband te wegen, essentiële stellingen van Corbiere c.s. (i) De website werd in de jaren na 2006 nog niet eens op jaarbasis bijgewerkt. (ii) Internetgebruik in het algemeen en internetbankieren in het bijzonder was in de periode van de afwikkeling van FCIB in de jaren 2006 en daarna niet wijdverbreid. (iii) Het betreft eenzijdige wijzigingsbedingen op basis waarvan FCIB andere kosten doorbelast die niet zuiver verband houden met het beheer van de gelden van de rekeninghouder. (iv) FCIB beschikte over alle cliëntgegevens, zodat zij eenvoudig cliënten direct en gericht had kunnen informeren over de plicht de gegevens aan te leveren en de daaraan verbonden consequenties. (v) In een normale situatie kunnen cliënten bij een kostenverhoging vertrekken, terwijl zij in dit geval ondanks het doorlopen van de uitkeringsprocedure als gevolg van de weigering van FCIB om uit te keren de op grond van de kostenbedingen in rekening gebrachte kosten verschuldigd raken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze omstandigheden volgt immers dat de website vrijwel niet gebruikt werd, terwijl de door FCIB gestelde termijn kort was en de daaraan verbonden consequenties - zeker voor de houders van grote tegoeden - zeer aanzienlijk was. Bovendien kon FCIB eenvoudig alle cliënten direct benaderen, omdat zij over alle daartoe relevante gegevens beschikte. Daarbij komt dan nog dat cliënten niet zomaar konden opstappen en dus ook afhankelijk ervan zijn of FCIB met de geleverde informatie genoegen neemt. In die omstandigheden is de bekendmaking van de 15%-maatregel alsmede van de vervijfvoudiging van de maintenance fee via enkel voornoemde website onredelijk bezwarend respectievelijk naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. In ieder geval moeten die omstandigheden kenbaar meegewogen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.89 De subonderdelen slagen gedeeltelijk, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.90 Te beginnen met klacht a.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.90.1 Ik ben niet bekend met een rechtens geldend “uitgangspunt” dat een wijziging van de algemene voorwaarden of de bekendmaking van een kostenverhogende maatregel op basis van de algemene voorwaarden niet mag plaatsvinden op enkel een algemeen toegankelijke website, of dat een dergelijke bekendmaking onredelijk bezwarend is dan wel strijdt met art. 6:248 lid 2 BW. Corbiere c.s. maakt ook niet duidelijk waaraan zij dit “uitgangspunt” ontleent.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.90.2 Ik zie ook niet in waarom een beding in algemene voorwaarden dat behelst dat kennisgevingen (ook ter zake van een wijziging van de algemene voorwaarden of de bekendmaking van een kostenverhogende maatregel) kunnen plaatsvinden via een website in het algemeen, en dus bij voorbaat, problematisch zou zijn in het licht van art. 6:233, aanhef en onder a BW en/of art. 6:248 lid 2 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.90.3 Kortom, de klacht propageert een opvatting die geen steun vindt in het recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.91 Tot slot klacht b en subonderdeel 6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.91.1 De daarin vervatte klachten stranden op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenvonnis, voor zover deze klachten veronderstellen dat volgens het hof: een “beroep op” de kostenbedingen door FCIB in de gegeven omstandigheden niet als “onredelijk bezwarend” is aan te merken; het hier gaat om het “wijzigen” van de algemene voorwaarden van FCIB; of “de bekendmaking” door FCIB op de website van de 15%-maatregel en de verhoging van de maintenance fee niet “onredelijk bezwarend” is. Dergelijke oordelen zijn niet te lezen in rov. 2.23 TV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.91.2 De klachten gaan wel uit van een juiste lezing van het tussenvonnis voor zover deze veronderstellen dat volgens het hof het beroep op de kostenbedingen door FCIB in de gegeven omstandigheden, waaronder de bekendmaking door FCIB (enkel) op de website van de 15%-maatregel en de verhoging van de maintenance fee, niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit oordeel valt wel te lezen in rov. 2.23 TV, gezien ook ’s hofs weergave in rov. 2.21 TV van het verweer van Corbiere c.s. En daar richten de klachten zich met succes tegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.91.3 Het gaat bij de toepassing van art. 6:248 lid 2 BW, anders dan bij de toepassing van art. 6:233, aanhef en onder a BW, niet zozeer om inhoudstoetsing als wel om uitoefeningstoetsing: kan een beding worden ingeroepen? Alle omstandigheden van het geval kunnen in dit verband relevant zijn, waaronder dus omstandigheden die niet op de inhoud van het beding zien, maar op de context waarin het is ingeroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.91.4 Bezien tegen deze achtergrond stapt het hof m.i. met het onder 3.91.2 hiervoor bedoelde oordeel zonder afdoende motivering heen over de als essentieel aan te merken stellingen van Corbiere c.s. als bedoeld in subonderdeel 6.3 onder (i) en (iv)-(v). Die erop neerkomen: dat in de jaren na 2006 FCIB’s website geen gebruikelijk communicatiemiddel was/vrijwel niet gebruikt werd (onder (i)); dat in 2013 FCIB eenvoudig cliënten (onder wie Corbiere c.s.) direct en gericht had kunnen informeren over de plicht de gegevens aan te leveren en de daaraan verbonden consequenties via de inhoudingen (onder (iv)); en dat de consequenties van niet-raadpleging van die onderhavige berichtgeving, gezien ook de daarin gestelde (korte) termijn, aanzienlijk waren (voor Corbiere c.s.) (onder (v)). Zonder kenbare aandacht voor deze door Corbiere c.s. gestelde en hier als relevant aan te merken omstandigheden van het geval, is m.i. niet zonder meer begrijpelijk waarom het hof in rov. 2.23 TV tot het oordeel komt dat het beroep van FCIB op de kostenbedingen in de gegeven omstandigheden niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daartoe volstaat dus niet wat het hof wel overweegt in rov. 2.23 TV. Daarmee is ook niet boven twijfel verheven dat het hof al die gestelde en als relevant aan te merken omstandigheden van het geval betrekt in de oordeelvorming, zoals het hof dus - naar klacht b terecht signaleert - behoort te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.91.5 Aan dit een en ander doet niet af dat de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW met terughoudendheid moet worden toegepast, nu m.i. niet op voorhand is gegeven dat in dit geval, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en van al hetgeen partijen in dit verband hebben aangevoerd, die drempel niet kan worden gehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.91.6 Hieraan doet evenmin af wat het hof overweegt in rov. 2.12-2.13 TV (in cassatie onbestreden). Daarin verwerpt het grief I van Corbiere c.s., samengevat in rov. 2.12 TV. Rov. 2.13 TV laat m.i. zien, kort gezegd, dat volgens het hof Corbiere c.s. in de periode 2006-2007 heeft kennisgenomen van de toen door FCIB op de website gedane mededelingen en zodoende wist wat in het kader van de uitkeringsprocedure van haar werd verwacht. Dit heeft derhalve geen betrekking op (FCIB’s beroep op) de kostenbedingen in verbinding met de 15%-maatregel en de verhoging van de maintenance fee die FCIB eerst in 2013 op haar website heeft bekendgemaakt (zie rov. 2.2.11-2.2.12 TV), door het hof in rov. 2.23 TV geduid als FCIB’s berichten op haar website over de inhoudingen. Was het anders geweest, dan had het hof in rov. 2.23 TV ook niet in het midden gelaten of Corbiere c.s. van die berichten over de inhoudingen geen kennis heeft genomen (“wat daar ook van zij”).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.91.7 Dit laatste strookt trouwens ook met rov. 4.24, laatste zin van het GEA-tussenvonnis, waarin het gerecht in het midden laat of Corbiere c.s. het bericht over de verhoging van de maintenance fee in 2013 is ontgaan. Iets anders is dat het gerecht dit laatste voor risico laat komen van Corbiere c.s., vanwege de daar bedoelde stand van zaken. Ik lees in het bestreden oordeel niet dat het hof in rov. 2.23 TV voortbouwt op rov. 4.24 van het GEA-tussenvonnis, althans ten hoogste voor zover het gerecht daarin overweegt dat FCIB “[o]p grond van de algemene voorwaarden (artikel 2.17) gerechtigd [was] haar website te gebruiken voor het bekend maken van (nieuwe) tarieven.” Dit maakt de uitkomst niet anders, gezien 3.91.2-3.91.6 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.91.8 De klachten behoeven voor het overige geen bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.92 Daarmee is onderdeel 6 behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 7 (“Geen aandacht voor ontbreken grondslag en onredelijkheid maintenance fee”) 3.93 Onderdeel 7 bestaat uit subonderdeel 7.1, dat is gericht tegen rov. 2.22-2.25 TV alsmede/althans rov. 3.2-3.9 EV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.94 Subonderdeel 7.1 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 2.22-2.25 TV alsmede/althans in rov. 3.2-3.9 EV onvoldoende is gemotiveerd, omdat het daar enkel heeft getoetst of de op basis van de 15%-maatregel in rekening gebrachte bedragen daadwerkelijk als kosten zijn gemaakt, redelijk waren en in redelijkheid zijn gemaakt. Het hof besteedt ten onrechte geen aandacht aan het betoog van Corbiere c.s.: (i) dat de algemene voorwaarden geen grondslag boden voor de verhoging van de maintenance fee van $ 50 naar $ 250 per maand respectievelijk dat Corbiere c.s. niet hoefde te begrijpen dat art. A2.2.17 of A2.2.19 (en C2.2.1) van de algemene voorwaarden daartoe een grondslag boden; (ii) dat die bepalingen uit de algemene voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar althans onredelijk bezwarend zijn; (iii) dat de concrete verhoging van de maintenance fee van 500% in de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.95 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.95.1 Het subonderdeel strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenvonnis en het eindvonnis. Want het hof onderkent reeds in het tussenvonnis - zie rov. 2.19 en 2.21 TV - de in het subonderdeel bedoelde stellingen van Corbiere c.s. onder (i)-(iii), die zij heeft betrokken bij haar grieven III-IV. ’s Hofs vervolgoverwegingen in het tussenvonnis - zie rov. 2.22-2.23 TV - sluiten onmiskenbaar in dat het hof die stellingen (i)-(iii) verwerpt. En het hof bouwt daarop duidelijk voort in het eindvonnis. Daaraan doet uiteraard niet af dat Corbiere c.s. in cassatie met succes klaagt over rov. 2.23 TV. Zie onder 3.91-3.91.7 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.95.2 Overigens verbindt het hof in rov. 2.22-2.25 TV en rov. 3.2-3.9 EV aan door FCIB c.s. (met de 15%-maatregel) in rekening gebrachte kosten niet enkel de eisen die het subonderdeel noemt. Het hof eist immers ook dat de wijze van doorbelasting aan de rekeninghouders redelijk is (zie rov. 2.22 en 2.25 TV en rov. 3.6-3.8 EV). Daaraan doet uiteraard niet af dat onderdeel 1 met succes klaagt over ’s hofs uitleg in rov. 3.6 EV van het tussenvonnis. Zie onder 3.6-3.6.10 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.96 Daarmee is onderdeel 7 behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 8 (“Bankrelatie niet beëindigd of opgezegd; FCIB maakte na uitspreken noodregeling omzet en winst”) 3.97 Onderdeel 8 bestaat uit de subonderdelen 8.1-8.6, waarvan het eerste een inleiding is zonder klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.98 De subonderdelen 8.2-8.6 zijn gericht tegen rov. 2.26 TV en rov. 3.10 EV, alsmede tegen rov. 3.4 EV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.99 Subonderdeel 8.2 klaagt als volgt. Het hof is met rov. 2.26 TV en rov. 3.10 EV (inzake contractuele rente) buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. FCIB c.s. heeft zich namelijk niet in haar processtukken op het standpunt gesteld dat de oproepen via haar website aan de rekeninghouders hun banktegoeden ‘op te halen’ moeten worden uitgelegd en zijn bedoeld als opzegging van de bankrelatie (behoudens voor zover noodzakelijk voor de afwikkeling en uitkering van banktegoeden) alsmede/althans dat Corbiere c.s. die oproepen aldus redelijkerwijs heeft begrepen of moeten begrijpen. In ieder geval heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de processtukken, omdat een stelling van FCIB c.s. dat de oproepen in vorenbedoelde zin zijn bedoeld respectievelijk begrepen zich niet op begrijpelijke wijze in de processtukken van FCIB c.s. laat lezen, zodat ook niet begrijpelijk is waarop het hof baseert dat de processtukken daartoe ‘enige aanknopingspunten’ bevatten. Dit geldt te meer, omdat FCIB c.s. zich in eerste aanleg juist nog op het standpunt stelde dat de bankrelatie pas op 1 maart 2014 was beëindigd en Corbiere c.s. een stelling dat de oproep de banktegoeden op te halen moest worden begrepen als opzegging/beëindiging evenmin in de processtukken heeft ontwaard en, integendeel, ervan is uitgegaan dat FCIB c.s. zich in hoger beroep niet erop heeft beroepen dat de bankrelatie was opgezegd/beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.100 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.100 Ik maak uit rov. 2.27 TV op dat volgens het hof in de processtukken “wel enig aanknopingspunt kan worden gevonden” voor een lezing daarvan waarin FCIB c.s. heeft aangevoerd dat het veeleer voor de hand ligt FCIB’s oproepen aan de rekeninghouders hun banktegoeden ‘op te halen’ uit te leggen als opzegging/beëindiging van de bestaande ‘bankrelaties’ als nader uitgewerkt in rov. 2.26 TV, maar dat niet duidelijk is of FCIB c.s. dit zo heeft bedoeld en, zo ja, of Corbiere c.s. dit zo heeft begrepen. Ter voorkoming van een verrassingsbeslissing op dit punt stelt het hof partijen in de gelegenheid zich daarover bij akte uit te laten, aldus nog steeds rov. 2.27 TV (waarop het dictum van het tussenvonnis aansluit).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.100.2 Deze voorzichtige/tentatieve uitleg door het hof van de processtukken, waaronder die in hoger beroep, waarop het hof zich hier met name baseert (zie ook rov. 2.26, eerste zin TV), is niet onbegrijpelijk. Dit wordt niet anders door de verwijzing in het subonderdeel naar een stelling van FCIB c.s. in eerste aanleg over beëindiging van de rekeningen op 1 maart 2014. Want daarbij abstraheert Corbiere c.s. dus van hetgeen FCIB c.s. in hoger beroep heeft aangevoerd. Dit wordt evenmin anders door de verwijzing in het subonderdeel naar stellingen van Corbiere c.s. in hoger beroep, waaruit volgens haar zou moeten volgen, zo begrijp ik, dat zij in de stellingen van FCIB c.s. - kort gezegd - geen beroep op de opzegging van de ‘bankrelatie’ heeft onderkend. Want voor zover het daarbij al gaat om een processtuk van vóór het tussenvonnis, geldt: (i) dat Corbiere c.s. doelt op een eigen stelling die niet identiek is (want uitgaat van integrale beëindiging) aan wat het hof voor ogen heeft blijkens rov. 2.26-2.27 TV; en (ii) dat die eigen stelling geen reactie vormt op FCIB c.s.’ stelling waarop het hof in het bijzonder het oog heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.100.3 Aldus blijft het hof in rov. 2.26-2.27 TV ook binnen de grenzen van de rechtsstrijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.100.3 Vervolgens heeft de rechtsstrijd zich verder ontwikkeld, mede via de bedoelde aktewisseling (zie onder 3.100.1 hiervoor). FCIB c.s. heeft (a) ’s hofs overwegingen in rov. 2.26 TV onderschreven en (b) uiteengezet, kort gezegd, dat Corbiere c.s. destijds wist dat FCIB de bankrelatie met haar had opgezegd en dat deze na datum noodregeling weliswaar nog bestond, maar alleen was gericht op de afwikkeling en uitkering van haar banksaldi. Corbiere c.s. heeft daartegen aangevoerd, kort gezegd: (i) dat het hof met rov. 2.26 TV (veel) meer leest in de stellingen van FCIB c.s. dan dat zij daarmee bedoelde en Corbiere c.s. heeft opgevat en mogen opvatten; en (ii) dat zij betwist wat door FCIB c.s. is aangevoerd in haar akte na tussenvonnis onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.100.5 In rov. 3.10 EV herhaalt het hof de in rov. 2.26 TV gegeven uitleg van FCIB’s oproepen aan de rekeninghouders, overweegt het hof dat wat partijen daarover na het tussenvonnis hebben betoogd het hof geen aanleiding geeft daarvan terug te komen, en vat het hof samen wat de rekeninghouders - onder wie Corbiere c.s. - uit die oproepen redelijkerwijs hebben kunnen begrijpen. Voor zover het subonderdeel zich tevens richt tegen rov. 3.10 EV, waarin het hof dus voortbouwt op rov. 2.26-2.27 TV, loopt het eveneens vast. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof blijkens rov. 3.10 EV in FCIB’s akte na tussenvonnis leest dat FCIB’s oproepen via haar website aan de rekeninghouders hun banktegoeden ‘op te halen’ moeten worden uitgelegd en zijn bedoeld als zo’n opzegging van de bankrelatie, en dat Corbiere c.s. die oproepen aldus redelijkerwijs heeft begrepen/moeten begrijpen. Zie onder 3.100.4 hiervoor, met name sub b.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.100.6 Dit wordt niet anders door de stellingen van Corbiere c.s. in haar antwoordakte na tussenvonnis als bedoeld onder 3.100.4 sub (i)-(ii) hiervoor. Want onder (i) verwijst zij wederom en slechts naar haar eigen stelling als bedoeld onder 3.100.2 sub (i)-(ii) hiervoor, dit vanwege hetgeen FCIB c.s. heeft aangevoerd als bedoeld onder 3.100.4 sub a hiervoor. En onder (ii) gaat Corbiere c.s. dus juist in op wat FCIB c.s. heeft aangevoerd als bedoeld onder 3.100.4 sub b hiervoor. Dit wordt evenmin anders door die slotopmerkingen van Corbiere c.s. ter tweede mondelinge behandeling bij het hof. Want voor zover zij daarin al iets zegt over de processtukken, is dit niet meer dan dat FCIB c.s. “geen omstandigheden [heeft] aangevoerd waarom haar oproep om de tegoeden op te halen opgevat moet worden als een opzegging”, gevolgd door een verwijzing naar de stelling van FCIB c.s. in eerste aanleg als bedoeld onder 3.100.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.100.7 Aldus blijft het hof ook in rov. 3.10 EV, met ruime marges, binnen de grenzen van de rechtsstrijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.100.7 Tot slot: naar volgt uit het voorgaande doen genoemde stellingen van Corbiere c.s. na het tussenvonnis evenmin af aan wat ik schreef onder 3.100.1-3.100.3 hiervoor inzake rov. 2.26-2.27 TV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.100.7 Daarmee valt het doek voor het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.100.7 De subonderdelen 8.3-8.4 lenen zich voor gezamenlijke bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.100.7 S ubonderdeel 8.3 klaagt als volgt. a. Het hof miskent althans dat de opzegging of beëindiging van een overeenkomst, waaronder ook een bankrelatie, een eenzijdige gerichte rechtshandeling betreft en dat voor de uitleg van de daartoe vereiste verklaring bepalend is hoe de geadresseerde die verklaring heeft begrepen en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft moeten begrijpen. Althans miskent het hof dat de verklaring die strekt tot opzegging van een overeenkomst duidelijk en ondubbelzinnig moet zijn. Dit is klacht a. b. In ieder geval is ’s hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd, nu het niet kenbaar nagaat of en motiveert waarom Corbiere c.s. de oproep op de website heeft begrepen of redelijkerwijs heeft moeten begrijpen als een opzegging/beëindiging van de bankrelatie respectievelijk niet motiveert dat en waarom de oproep op de website duidelijk en ondubbelzinnig inhoudt dat FCIB c.s. de bankrelatie opzegt/beëindigt. Bovendien valt zonder nadere motivering - die ontbreekt - niet in te zien waarom de mededeling op een website kan worden gekwalificeerd als op Corbiere c.s. gerichte rechtshandeling. Het betreft immers een mededeling op een algemeen toegankelijke website. Dit is klacht b.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.101.2 Subonderdeel 8.4 klaagt als volgt. a. Het hof miskent in ieder geval dat de voor een eenzijdig gerichte rechtshandeling vereiste verklaring om haar werking te hebben op de voet van art. 3:37 lid 3 BW de persoon op wie de rechtshandeling is gericht moet hebben bereikt. Dit is klacht a. b. Althans ziet het hof eraan voorbij dat een mededeling via een website geen aan een persoon gerichte verklaring betreft, althans dat een verklaring via een website niet geacht kan worden de wederpartij bij een overeenkomst te hebben bereikt. Dit is klacht b. c. In ieder geval is ’s hofs oordeel dat de opzegging/beëindiging op 14 december 2006 heeft plaatsgevonden onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat: (i) het hof in rov. 3.12 EV tot uitgangspunt neemt dat de bankrelatie zou zijn geëindigd per 14 december 2006, zijnde de datum van de eerste oproep om de tegoeden op te halen; (ii) het hof in rov. 2.2.9 TV zelf heeft vastgesteld dat op 14 december 2006 FCIB via de website de rekeninghouders heeft opgeroepen mee te werken aan de uitkering van hun tegoeden onder overlegging van de benodigde KYC/EDD-documentatie; (iii) het hof niet vaststelt dat er anderszins op 14 december 2006 een als opzegging/beëindiging te kwalificeren mededeling aan Corbiere c.s. is gedaan; en (iv) het hof evenmin vaststelt dat de mededeling op de website Corbiere c.s. op 14 december 2006 heeft bereikt. De omstandigheid dat daarover in 2007-2008 door [betrokkene 1] met medewerkers van FCIB is gecommuniceerd (rov. 2.13 TV) kan dat oordeel in ieder geval niet op begrijpelijke wijze dragen, omdat daaruit niet kan volgen dat de mededeling op de website Corbiere c.s. op 14 december 2006 al had bereikt. Dit is klacht c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.102 De subonderdelen falen, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.102 Te beginnen met subonderdeel 8.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.102 Eerst klacht a. Het hof overweegt in rov. 3.10 EV onder meer dat de “rekeninghouders, onder wie Corbiere c.s., [geacht] moeten worden” uit FCIB’s oproepen aan de rekeninghouders hun banktegoeden ‘op te halen’ “redelijkerwijs te hebben kunnen begrijpen” dat FCIB vanaf de datum van de eerste oproep geen contractuele rente meer verschuldigd is en dat de rekeninghouders hun banktegoeden dus (met inachtneming van de uitkeringsprocedure) moeten ‘ophalen’ om die elders onder te brengen, indien zij de tegoeden wensen te laten renderen. Daarbij betrekt het hof blijkens rov. 3.10, eerste zin EV, in het verlengde van rov. 2.26 TV, dat het vanzelfsprekend is (“voor de hand ligt”) die oproepen uit te leggen als een opzegging c.q. beëindiging van de bestaande bankrelaties in het kader van de vereffening van FCIB’s bankbedrijf als gevolg van de noodregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immers, na de intrekking van FCIB’s bankvergunning en het uitspreken van de noodregeling waren de banktegoeden bevroren. FCIB kon en mocht daarna het bankbedrijf niet meer uitoefenen en kon en mocht dus zelf ook geen inkomsten meer genereren om daaruit de met Corbiere c.s. bedongen rente te voldoen. Aldus bezien was van een bankrelatie tussen FCIB en de rekeninghouders enkel nog sprake voor zover voor de afwikkeling en uitkering van de banktegoeden was vereist en strandt reeds daarop de vordering van Corbiere c.s. inzake de bedongen rente (dus de contractuele rente). Zie rov. 2.26 TV. Gelet op dit een en ander ontwaar ik in rov. 2.26 TV en/of rov. 3.10 EV niet de onjuiste rechtsopvatting die de klacht het hof aanwrijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.103.2 Dan klacht b. Uit 3.103.1 hiervoor volgt dat het hof in rov. 3.10 EV in verbinding met rov. 2.26 TV wel kenbaar uiteenzet waarom de rekeninghouders, onder wie Corbiere c.s., FCIB’s oproep op de website in ieder geval redelijkerwijs hebben moeten begrijpen als een opzegging/beëindiging van de bestaande bankrelaties, naar die oproep voldoende eenduidig inhoudt. Hierop loopt het eerste deel van de klacht reeds stuk. Ook het vervolg van de klacht (“Bovendien”, etc.) mist doel. ’s Hofs oordeel in rov. 3.10 EV in verbinding met rov. 2.26 TV moet immers worden bezien in het licht van rov. 2.12-2.13 TV (in cassatie onbestreden), waarover onder 3.91.6 hiervoor. Daaruit volgt mede dat volgens het hof het doel van de desbetreffende berichtgeving op FCIB’s website eind 2006 was om Corbiere c.s. met de inhoud daarvan bekend te maken. Daaraan gaat de klacht hier voorbij. Daarmee ontvalt in zoverre reeds de bodem aan de klacht. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.104 Tot slot subonderdeel 8.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.104 Eerst klacht a. Het ligt voor de hand dat het hof in rov. 2.26 TV en rov. 3.10 EV onder meer ervan uitgaat, op basis van rov. 2.12-2.13 TV (in cassatie onbestreden), dat het doel van de desbetreffende berichtgeving op FCIB’s website eind 2006 was om Corbiere c.s. met de inhoud daarvan bekend te maken en dat Corbiere c.s. van die berichtgeving heeft kennisgenomen (heeft vernomen, dus wist) in de periode 2006-2007. Zie onder 3.103.2 hiervoor. Deze oordelen zijn feitelijk en, zonder meer, niet onbegrijpelijk. Verder onderkent het hof al in rov. 2.2.6 TV het bepaalde in art. A6.6.1 van de algemene voorwaarden, op grond waarvan “[a]ll notices, demands and communications by the Bank to the Client may be sent or dispatched by the Bank to the Client” onder meer “by means of the Bank's Web Site”.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.i. ligt in rov. 3.10 EV in verbinding met rov. 2.26 TV besloten dat, gezien dit art. A6.6.1, de onderhavige berichtgeving door FCIB op 14 december 2006 via de website in ieder geval Corbiere c.s. heeft bereikt (als bedoeld in art. 3:37 lid 3 BW) op die dag bij de publicatie ervan. Daarop wijst ook ’s hofs gerichte vaststelling in rov. 2.23 TV dat FCIB op grond van de algemene voorwaarden (waaronder dit art. A6.6.1) bevoegd was haar website voor berichtgeving aan de rekeninghouders te gebruiken en Corbiere c.s. daarom geacht mogen worden daarmee te hebben ingestemd. Daarmee stroken ook rov. 3.10, laatste zin EV (“vanaf de datum van de eerste oproep”) en rov. 3.12, eerste zin EV (“tot 14 december 2006 (de datum van de eerste oproep)”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit oordeel in rov. 3.10 EV in verbinding met rov. 2.26 TV is onbegrijpelijk noch rechtens onjuist. Daarmee valt het doek voor de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.104.2 Volledigheidshalve: aan het voorgaande doet dus niet af dat Corbiere c.s. in cassatie met succes klaagt over rov. 2.23 TV, zie onder 3.91-3.91.7 hiervoor. Want dit te onderscheiden oordeel van het hof betreft een andere gang van zaken in een later tijdvak en verwerping van het door Corbiere c.s. in dat verband gedane beroep op art. 6:248 lid 2 BW. De desbetreffende klachten raken evenmin aan het onder 3.103.1 hiervoor bedoelde oordeel van het hof in rov. 3.10 EV in verbinding met rov. 2.26 TV. En doen op zichzelf trouwens ook geen afbreuk aan die gerichte vaststelling van het hof in rov. 2.23 TV, die in die klachten niet specifiek wordt bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.104.2 Dan klacht b. Die vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht. Niet valt in te zien waarom per definitie een mededeling via een website geen aan een persoon gerichte verklaring betreft, althans een verklaring via een website niet geacht kan worden de wederpartij bij een overeenkomst te hebben bereikt. Corbiere c.s. maakt ook niet duidelijk waaraan zij deze opvatting ontleent. De klacht is evenmin op enigerlei wijze toegespitst op het onderhavige geval. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.104.2 Als laatste klacht c. Die strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenvonnis en het eindvonnis, voor zover de klacht veronderstelt dat volgens het hof op 14 december 2006 “de bankrelatie” integraal is opgezegd/beëindigd. Het hof gaat immers - ook in rov. 2.26 TV en rov. 3.10 EV - uit van opzegging c.q. beëindiging van “de bestaande bankrelaties”, aldus dat daarna nog wel (zij het enkel) sprake was van een bankrelatie tussen FCIB en de rekeninghouders voor zover vereist voor de afwikkeling en uitkering van de banktegoeden. De klacht strandt ook voor het overige en wel in het voetspoor van 3.103.1-3.103.2 en 3.104.1-3.104.2 hiervoor. Daaruit volgt dat hetgeen de klacht aanvoert onder (i)-(iv) niet de conclusie rechtvaardigt dat het bestreden oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd als bedoeld in de klacht. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.104.2 De subonderdelen 8.5-8.6 lenen zich eveneens voor gezamenlijke bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.104.2 Subonderdeel 8.5 klaagt als volgt. ’s Hofs oordeel dat na de intrekking van de bankvergunning en het uitspreken van de noodregeling de banktegoeden bevroren waren, en FCIB daarna het bankbedrijf niet meer kon en mocht uitoefenen en dus zelf ook geen inkomsten meer kon en mocht genereren om daaruit de met Corbiere c.s. bedongen rente te voldoen, is onvoldoende gemotiveerd in het licht van de volgende stellingen van Corbiere c.s. (i) In het algemeen zijn banken in de afwikkelingsfase juist winstgevend, omdat zij geen kosten meer hebben voor het aantrekken van cliënten, maar wel rendement blijven maken op aangetrokken vermogen van bestaande cliënten. (ii) FCIB ontplooide in de jaren na 2007 ook andere activiteiten, zoals het incasseren van rente en aflossingen op haar uitgezette kredieten en anderszins (rendabel) participeren aan het rechtsverkeer, waarvoor geen bankvergunning nodig was. (iii) FCIB heeft in de jaren na 2006 dan ook gewoon winstbelasting betaald, waaruit volgt dat zij in die periode inkomsten heeft gehad en winst heeft gemaakt. (iv) Die gemaakte winst is ook opgenomen in het door FCIB c.s. (na het tussenvonnis) geproduceerde kostenoverzicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van die stellingen is zonder nadere motivering - die ontbreekt - niet begrijpelijk waarom het hof desondanks tot genoemd oordeel komt. Corbiere c.s. heeft immers gemotiveerd gesteld dat FCIB in die periode nog wel activiteiten ontplooide en winst behaalde, terwijl het hof niet motiveert waarom het die stellingen verwerpt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.105.2 Subonderdeel 8.6 klaagt dat in het licht van “voornoemde stellingen” ook onvoldoende is gemotiveerd ’s hofs oordeel in rov. 3.4 EV dat de operationele kosten doorliepen, terwijl daar geen inkomsten meer tegenover stonden. Dit oordeel lijdt aan hetzelfde motiveringsgebrek als bedoeld in subonderdeel 8.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.106 De subonderdelen falen, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.106 Te beginnen met subonderdeel 8.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.106 Dit loopt erop stuk dat het niet onbegrijpelijk is dat het hof de in het subonderdeel bedoelde stellingen van Corbiere c.s. onder (i)-(iv) niet betrekt bij het bestreden oordeel, dat met zoveel woorden te vinden is in rov. 2.26 TV en waarop het hof voortbouwt in rov. 3.10 EV. Die stelling (i) is blijkens de genoemde vindplaats niet toegesneden op dit geval en door Corbiere c.s. aangevoerd in eerste aanleg in een andere context dan de discussie over contractuele rente waarop rov. 2.26-2.27 TV en rov. 3.10-3.12 EV zien, te weten de gerechtigdheid van FCIB op grond van de algemene voorwaarden de maintenance fee te verhogen en de 15%-maatregel in te voeren. Ook die stelling (ii) is blijkens de genoemde vindplaats door Corbiere c.s. aangevoerd in een andere context dan die discussie, te weten het causaal verband tussen (vermeende) wanprestatie van Corbiere c.s. en (pretense) schade van FCIB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor die stelling (iii): die is blijkens de genoemde vindplaatsen door Corbiere c.s. aangevoerd in de context van dat causaal verband, van die 15%-maatregel en van de door FCIB c.s. opgegeven kostenpost “IT en overige kosten”. Hetzelfde geldt ook voor die stelling (iv): die is blijkens de genoemde vindplaats door Corbiere c.s. aangevoerd in de context van die 15%-maatregel. Met die discussie over contractuele rente hebben die stellingen (i)-(iv) niet van doen. In de genoemde vindplaatsen wordt ook niet verwezen naar die discussie. Daarmee is het lot van het subonderdeel reeds bezegeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.108 Tot slot subonderdeel 8.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.108 Dit loopt stuk op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.108 In rov. 2.2.4 en 2.2.7 TV stelt het hof vast dat FCIB tot 9 oktober 2006 een internationaal bankbedrijf heeft uitgeoefend, dat op die datum haar bankvergunning is ingetrokken en ten aanzien van haar de noodregeling is uitgesproken waardoor zij onder bewind van CBCS is komen te staan, en dat vanaf dat moment FCIB het bankbedrijf niet meer uitoefent en doende is met de afwikkeling van haar bedrijf. Dit is in cassatie niet bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.108 In rov. 2.26 TV stelt het hof onder meer vast dat na de intrekking van FCIB’s bankvergunning en het uitspreken van de noodregeling de banktegoeden waren bevroren, dat FCIB daarna het bankbedrijf niet meer kon en mocht uitoefenen en dat FCIB dus zelf ook geen inkomsten meer kon en mocht genereren. Dit is in cassatie niet met vrucht bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.108 In rov. 3.4, aanhef en laatste gedachtestreepje EV stelt het hof vast (tussen haakjes) dat geen inkomsten meer stonden tegenover de daarin bedoelde operationele kosten die doorliepen gedurende de afwikkeling van de noodregeling. Dit ligt in lijn met rov. 2.2.4, 2.2.7 en 2.26 TV. Zie onder 3.108.2-3.108.3 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.108 Die vaststelling in rov. 3.4, aanhef en laatste gedachtestreepje EV strookt ook met stellingen van FCIB c.s., waaronder: “Vanaf het moment in 2006 dat de noodregeling was uitgesproken en de rekeninghouders vervolgens waren opgeroepen om de Uitkeringsprocedure te doorlopen zodat hun banksaldi kan worden uitgekeerd en de bank kan worden afgewikkeld, was van een going concern geen sprake meer (zie in bevestigende zin rov. 4.23 TV). Er waren geen inkomsten meer (de gelden waren immers bevroren en de correspondents banks hadden de relatie opgezegd vanwege de strafzaak), terwijl de kosten toenamen en het aantal rekeninghouders af nam waardoor de kosten per rekeninghouder stegen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.108.6 En met de volgende passage uit rov. 4.26 van het GEA-tussenvonnis: “Ook hebben eisers aangevoerd dat FCIB ten onrechte haar opbrengsten buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens eisers is een bank in run-off in de regel winstgevender dan ooit, omdat geen investeringen voor de langere termijn meer behoeven te worden gedaan. Het gerecht verwerpt dit verweer als onvoldoende onderbouwd. FCIB beschikt niet meer over een bankvergunning, zodat zonder nadere onderbouwing, die eisers niet hebben gegeven, niet valt in te zien dat FCIB met bancaire activiteiten nog substantiële winst zou behalen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Waartegen, naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel, ook door Corbiere c.s. niet is gegriefd. Ik ontwaar in de procesinleiding niet een tegen dit oordeel gerichte klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.108.7 Hetgeen Corbiere c.s. heeft aangevoerd op de vindplaatsen als genoemd bij de in subonderdeel 8.5 bedoelde stellingen van Corbiere c.s. onder (i)-(iv) komt neer op het volgende, voor zover al toegespitst op dit geval.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Een verwijzing naar een eigen stelling in eerste aanleg die FCIB c.s. volgens Corbiere c.s. niet zou hebben betwist, maar die Corbiere c.s. daarin niet zo heeft ingenomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Een blote betwisting dat FCIB een bankvergunning nodig had om ook andere (al dan niet renderende) activiteiten te ontplooien in de jaren na 2007, zoals het incasseren van rente en aflossingen op door haar uitgezette kredieten, of het anderszins (rendabel) participeren aan het rechtsverkeer.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het noemen van een vermoeden via een ‘aanwijzing’ dat FCIB in de jaren na 2007 (winstgevende) activiteiten heeft ontplooid, door Corbiere c.s. later omgekat tot “de stelling dat FCIB winst moet hebben gemaakt in de periode na de vereffening”. Waarbij Corbiere c.s. opeens repte van “winst” die “met zoveel woorden” staat in het door FCIB c.s. overgelegde kostenoverzicht, terwijl het volgens Corbiere c.s. eerder nog ging om “profit tax” die FCIB “op bepaalde kosten in aftrek lijkt te brengen”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De enkele, niet verder toegelichte stelling dat “uit grootboekrekening 01U70001076D7 volgt dat FCIB over verschillende jaren na 2006 gewoon winstbelasting heeft betaald”. Waaraan Corbiere c.s. de consequentie verbond dat “dus vast[staat] dat FCIB - anders dan dat zij zelf herhaaldelijk heeft verklaard - wel degelijk inkomsten heeft gehad, en zelfs zoveel dat het mogelijk was om winst te maken, zoals Corbiere c.s. bij herhaling heeft gesteld.”</div>\n<p class=\"lf-p\">3.108.8 Bij deze stand van zaken gaven genoemde vindplaatsen het hof geen reden die vaststelling in rov. 3.4, aanhef en laatste gedachtestreepje EV nader te motiveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.108.8 Daarmee is onderdeel 8 behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 9 (“Beklagprocedure werd geëntameerd door onjuiste inlichtingen FCIB c.s.”) 3.110 Ten slotte onderdeel 9. Dit bestaat uit de subonderdelen 9.1-9.2, waarvan het eerste een inleiding is zonder klachten en het tweede is gericht tegen rov. 2.18 TV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.111 Subonderdeel 9.2 klaagt dat ’s hofs oordeel in rov. 2.18 TV inzake de beklagprocedure onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is. Corbiere c.s. heeft erop gewezen: (i) dat de beklagprocedure aanhangig is gemaakt naar aanleiding van de mededeling van FCIB c.s. dat ‘afstand’ was gedaan van de tegoeden van Corbiere c.s. en FCIB c.s. geen nadere informatie vroeg; (ii) dat tijdens de beklagprocedure bleek dat FCIB zélf door het OM verdacht werd van witwassen en daarom de activa van FCIB door het OM waren beslagen (en dus niet de tegoeden van Corbiere c.s.); (iii) dat CBCS toen al had vastgesteld dat de tegoeden van Corbiere c.s. niet uit misdrijf afkomstig waren; (iv) dat het beslag van het OM dus niet zag op de tegoeden van Corbiere c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beklagprocedure is dus enkel door Corbiere c.s. aanhangig gemaakt op grond van de onjuiste suggestie van FCIB c.s. aan Corbiere c.s. dat de tegoeden van Corbiere c.s. beslagen waren door het OM, terwijl het in werkelijkheid haar eigen activa betrof. In dit licht valt zonder nadere motivering - die ontbreekt - niet in te zien waarom FCIB c.s. volgens het hof de beklagprocedure mocht afwachten en dit aan het intreden van het verzuim in de weg staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.112 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.112 Blijkens rov. 2.2.18-2.2.21 TV (in cassatie onbestreden) en rov. 2.18 TV leest het hof in de door het subonderdeel genoemde vindplaatsen geen betoog van Corbiere c.s. met als strekking dat de beklagprocedure dus enkel door haar aanhangig is gemaakt op grond van de onjuiste suggestie van FCIB c.s. aan Corbiere c.s. dat de tegoeden van Corbiere c.s. beslagen waren door het OM, terwijl het in werkelijkheid haar eigen activa betrof. Ik acht dit niet onbegrijpelijk, in het licht van nrs. 15-17 van de pleitnotities zijdens Corbiere c.s. van 26 oktober 2021 in totaliteit bezien. Dit is al fataal voor het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.112.2 Overigens gaf hetgeen wel te lezen valt op die vindplaatsen het hof geen reden tot een nadere motivering van diens bestreden oordeel. Waarin het hof mede betrekt dat het klaagschrift van Corbiere c.s. ertoe strekte dat het OM de banktegoeden rechtstreeks - dus zonder tussenkomst van FCIB - aan haar zou uitkeren, in welk geval FCIB niet meer aan Corbiere c.s. zou hoeven uitkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.112.2 Daarmee is onderdeel 9 behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 3.114 Het cassatiemiddel van Corbiere c.s. treft op onderdelen doel. Dit raakt zowel het tussenvonnis als het eindvonnis. M.i. dient terugwijzing van de zaak naar het hof te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het tussenvonnis en het eindvonnis, en tot terugwijzing van de zaak naar het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 25 januari 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:278.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Gerecht van eerste aanleg van Curaçao 9 oktober 2006, zaaknr. F 17/2006 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). Een uitvloeisel van die procedure heeft de Hoge Raad al eerder bereikt. Zie HR 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:230, RvdW 2021/211. Zie ik het goed, dan is die uitspraak niet relevant voor de onderhavige zaak. ‘KYC’ staat voor know your customer, ‘EDD’ voor enhanced due diligence.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tussenvonnis gezamenlijk geduid als “de categorie i) trusts”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie EHRM 14 januari 2020, 51111/07 en 42757/07, ECLI:CE:ECHR:2020:0114JUD005111107.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwijzingen in deze conclusie naar het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Wetboek van Strafvordering (Sv) betreffen, tenzij anders aangegeven, de landsverordeningen waarin dat Burgerlijk Wetboek, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en Wetboek van Strafvordering van Curaçao zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.1 van het onder 2.5 hierna bedoelde tussenvonnis in eerste aanleg en rov. 1 van het onder 2.21 hierna bedoelde eindvonnis in hoger beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van antwoord, tevens houdende incidentele vordering tot zekerheidstelling proceskosten ex art. 122 Rv (cautio judicatum solvi).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van repliek, tevens akte houdende incidentele vordering inzage ex art. 843a Rv, tevens akte houdende wijziging van eis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van dupliek tevens antwoordakte eiswijziging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minuut van dit eindvonnis bevindt zich niet in het mij beschikbaar gestelde procesdossier. In het door Corbiere c.s. toegezonden procesdossier is wel een kopie van (vermoedelijk) een afschrift te vinden, al kan ik dat niet opmaken uit een stempel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laatste kenmerk is ook het kenmerk van de procedure in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als ik het goed zie op ondergeschikte punten. Het hof neemt blijkens rov. 2.3-2.5 TV echter het petitum uit eerste aanleg tot uitgangspunt. Het hof merkt slechts de expliciet als zodanig geformuleerde grieven als grieven aan, en niet de enigszins andersluidende formulering van het petitum. In cassatie wordt daar niet tegen opgekomen. Een (eventuele) vernietiging van het tussenvonnis zal dit uitgangspunt niet raken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het mij beschikbaar gestelde procesdossier kan ik niet opmaken wanneer dat is gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste mondelinge behandeling vond plaats ten overstaan van mrs. E.M. van der Bunt, Th.G. Lautenbach en A.S. Arnold, de tweede ten overstaan van een andere combinatie: mrs. G.C.C. Lewin, E.M. van der Bunt en C.G. ter Veer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 6 juni 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:83.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 3.1-3.9 wordt voorafgegaan door het kopje “Kostenvergoeding van 15% van de banktegoeden”, rov. 3.10-3.12 door het kopje “Rente”, en rov. 3.13 door het kopje “Klachtplicht en rechtsverwerking”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daaraan voegt het hof het volgende toe. Bij de diensten die onder de service level agreement vallen, werd gebruik gemaakt van geautomatiseerde banksystemen. Naar algemene ervaringsregels kan het duurder zijn dergelijke diensten te gaan afnemen van een nieuwe dienstverlener. Hierbij moet voor lief worden genomen dat bij die groeps- en zustervennootschappen personen betrokken waren bij wie vraagtekens konden worden geplaatst in verband met hun integriteit en de wijze waarop de door hen in rekening gebrachte gelden zouden worden aangewend. Aangenomen moet worden dat de diensten wel zijn verricht (anders zou FCIB zijn vastgelopen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de procesinleiding, nr. 6 (onder A). Voor zover subonderdeel 1.2 werkelijk ook tegen rov. 2.22 en 2.24 TV zou zijn gericht, zoals de redactie ervan suggereert, voldoen de desbetreffende klachten niet aan de daaraan te stellen eisen. Het wordt daarin immers niet duidelijk wat er mis zou zijn met rov. 2.22 en 2.24 TV. Dat een later vonnis, te weten het eindvonnis, daarmee onverenigbaar is, zoals Corbiere c.s. betoogt, maakt rov. 2.22 en 2.24 TV nog niet onbegrijpelijk. Te minder indien en voor zover, zoals Corbiere c.s. klaarblijkelijk tot uitgangspunt neemt (zie uitdrukkelijk in subonderdeel 1.5), rov. 2.22 en 2.24 TV bindende eindbeslissingen bevatten. Eerdere eindbeslissingen worden nog niet onbegrijpelijk door daarmee (volgens Corbiere c.s.) onverenigbare latere oordelen en overwegingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij licht Corbiere c.s. toe: “Het hof geeft in het TV zelfs voorbeelden van ‘andere kosten’ ter afwikkeling van het bankbedrijf die niet op basis van de Algemene Voorwaarden voor rekening mochten komen van de rekeninghouders, zoals kosten ter beëdiging van de relatie met werknemers, opdrachtnemers, correspondentenbanken en kosten in verband met de strafzaken. In de visie van het hof kunnen er dus wel kosten zijn die verband houden met de afwikkeling van het bankbedrijf, maar niet voor vergoeding in aanmerking kwamen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van antwoord, nrs. 29 sub c, 33-42; de conclusie van dupliek, par. VI, in het bijzonder nrs. 70-71; en de pleitnotities zijdens FCIB c.s. van 4 juli 2019, nrs. 47-48. Iets als ‘gefixeerde schadevergoeding’ kom ik daarin overigens niet tegen. Anders gezegd: er zijn geen andere indicaties dan dat FCIB c.s. meende dat er sprake is van te begroten schade, waarbij de inhouding van 15% van het banktegoed volgens FCIB c.s. correspondeert met een werkelijk schadebedrag, blijkend uit de door het hof bedoelde producties 20-21.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.i. onderkent het hof daarmee dat ingevolge art. 129 Rv op FCIB c.s. de stelplicht en bewijslast rusten wat betreft de vraag of de door haar op basis van de kostenbedingen bij de rekeninghouders doorbelaste kosten voldoen aan de in rov. 2.22 en 2.24(-2.25) TV bedoelde drievoudige redelijkheidstoets.</p>\n<p class=\"lf-p\">FCIB c.s. had eerst gesteld dat in totaal $ 29.310.766,80 aan kosten was gemaakt. Dat heeft zij na het tussenvonnis verminderd naar $ 27.084.867,62. Zie rov. 3.2-3.3 EV.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sub a-b bedoelde oordelen worden in cassatie bestreden door onderdeel 2.</p></div>", "next": 239754}