{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Uit het onderzoek kwam onder meer naar voren dat de informatie uit jeugdbeschermingsdossiers niet altijd kan dienen als vervanging voor het geheugen, omdat er bij de samenstelling van de dossiers weinig aandacht is geweest voor het vastleggen van ‘story telling’. Zo ontbraken vaak vroege jeugdfoto’s. ‘Story-telling’ is ook niet het doel geweest waarmee de dossiers zijn samengesteld; dat doel was (en is) specifiek juridisch of professioneel (vanuit het perspectief van de kinderbescherming) van aard. De dossiers konden ook niet altijd aanknopingspunten bieden voor belangrijke vragen waarmee mensen worstelden (‘waarom is dit mij overkomen?’). Alle dossiers bleken (op detailniveau) onjuiste of tegenstrijdige informatie te bevatten. Een grote gemene deler was ten slotte dat in alle dossiers de eigen stem van het kind ontbrak.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.7 Van belang voor de voorliggende zaak is dat uit het onderzoek blijkt dat kennisneming van een jeugdbeschermingsdossier ook kan leiden tot ‘hertraumatisering’. Dat risico doet zich met name voor als de betrokkene geen steun of begeleiding ontvangt bij kennisname van het dossiers. Kennisname werkt dan contraproductief. De auteurs beschrijven het geval van Gina, bij wie het dankzij de steun van een hulpverlener wél goed ging: “Where care leavers were given support, it made an appreciable difference to their ability to process painful memories. Of all the interview contributors, Gina, who received the most help while accessing her records, reported the highest levels of satisfaction and well-being. Although her records contained highly sensitive and previously unknown information, she was able to take a balanced perspective on her experiences. This appeared to be because a social worker, who had marked difficult or sensitive sections in advance, sat and talked her through it. Gina was able to ask the social worker questions, as well as share her feelings (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.8 Het belang van begeleiding bij kennisneming van een dossier over het verleden in de jeugdzorg is ook benoemd in internationaal onderzoek naar wat een goede werkwijze is bij mensen die als klein kind bij hun familie zijn weggehaald en in enige vorm van jeugdzorg zijn geplaatst. In dit onderzoek is het volgende te lezen: “Supported release, then, can be the provision of records in the context of a detailed conversation with the adult care-leaver, responding to their questions and providing additional information to help explain their childhood circumstances, at times taking up a number of hours. Such contacts can occur over long periods of time – as long as decades – with re-contact with further questions or requesting other information, This, then, begins to present a picture of what supported release may entail.</p>\n<p class=\"lf-p\">However, while records may be helpful in assisting a person to make sense of their childhood and their life since, they can also be “disturbing and disruptive to their sense of self-identity. Alternativley, records may offer little towards providing an explanation for their childhood, either because the records have been lost, destroyed or withheld or because the information was never documented in the first place.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Circumstances such as these suggest the need not just for a conversation about the records, but also to take into account the emotional impact of the records (or lack of records), and to ensure the availability of emotional support or counselling. (…) However, approaches that assume the need for support and a relationship of dependency to the record-holder may be experienced as ‘disrespectful and patronizing’.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.9 Het is dus een dunne lijn. Ondersteuning bij kennisneming van de dossiers (‘supported release’) is van groot belang, zowel in verband met wat er in een dossier te lezen is, maar óók in verband met wat er wellicht niet in het dossier staat. Vermeden moet echter worden dat betrokkene zich afhankelijk gaat voelen van de ondersteuner; dat kan als paternalistisch worden ervaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.10 Verder blijkt uit het MIRRA-onderzoek dat het weglakken of anonimiseren van dossiers problematisch is. Zie de volgende toelichting (met weglating van verwijzingen): “The redaction of information from records was particularly troubling for all of the care leavers. Information relating to third parties and, in some cases, other types of sensitive content, had been ‘blacked out’ (redacted) or removed from their files, under the provisions of GDPR and the Data Protection Act 2018. Redaction is designed to protect the privacy of individuals other than the recipient but is challenging to implement in the case of complex interpersonal care files which by their nature contain information relating to parents, siblings and other family. As this information is often critical to a person's life story (e.g., the reason they were taken into care) decisions about what to leave in and what to remove can be fraught and subjective. Although the legislation enables organizations to use discretion in providing information where it is reasonable to do so, a lack of nuanced interpretation and training can lead to confusion about what is and is not legally appropriate to release. We found that the latest best practice guidance on access to records was not explicitly used. (…) Several contributors expressed their feeling that the records should belong to them, if not physically then figuratively, and that anything written about them or their time in care should be made available without redaction or intervention. This was not only to ensure that organizations were held to account for their actions but as a form of redress for the marginalization of their experiences, feelings and opinions in childhood. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.11 Uit deze passage komt naar voren dat behoedzaam moet worden omgegaan met het onleesbaar maken van namen of passages uit een dossier. Dat geeft betrokkenen (opnieuw) het gevoel dat zij er niet toe doen, terwijl het om hún dossier over hún leven gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.12 In feite is de aanbeveling in de literatuur om zoveel mogelijk informatie te verstrekken: “Provide maximum information (…) Where records contain information about others, decisions are made by the record holders about what is reasonable to release, given the impact of disclosure of this information on the other parties. Sometimes information may not be released due to the risk of harm to the care-leaver, or others. Supported release takes into account these competing interests, aiming for full disclosure and the maximum release of information while redacting as little as possible to protect others’ privacy. In instances where information is redacted, explanation is given. Central to this process is open communication.”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.13 Zo min mogelijk informatie achterhouden dus, en waar dat toch nodig is, uitleg geven, zo luidt de aanbeveling.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.14 Tenslotte is in de literatuur nog de aanbeveling gegeven om een betrokkene ook te voorzien van ‘contextuele informatie’. Vertaald naar de situatie die hier speelt, betekent dat m.i. dat er bij het aanbod tot ondersteuning bij de verstrekking van de dossiers ook aandacht moet zijn voor de juridische context waarbinnen de informatie is verzameld.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.15 Samenvattend kunnen de volgende aandachtspunten worden gegeven bij de verstrekking van inzage in jeugdbeschermingsdossiers:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Biedt ondersteuning aan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Stel de dossiers zorgvuldig samen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Verstrek zoveel mogelijk informatie, maak zo weinig mogelijk informatie onleesbaar en geef als dat toch nodig is, uitleg.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Verstrek contextuele informatie.</div>\n<p class=\"lf-p\">12.16 Hoe invulling zou kunnen worden gegeven aan deze aandachtspunten bij het verstrekken van afgesloten procesdossiers in jeugdbeschermingszaken, zal hierna nog worden besproken (zie onder 21.1 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 12.17 Informatie over de eigen achtergrond gaat niet alleen over de biologische afstamming van een mens. In toenemende mate wordt gewezen op het belang van informatie over de persoonlijke geschiedenis. In de sociaalpsychologische literatuur is dit belang uitvoerig beschreven. Voor kinderen die in de jeugdzorg hebben gezeten is die informatie vaak alleen te verkrijgen door het inzien van de over hen samengestelde dossiers in de jeugdzorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.18 In de literatuur zijn aandachtspunten geformuleerd bij het verstrekken van inzage in jeugdbeschermingsdossiers. Die houden in dat ondersteuning moet worden aangeboden, dat de dossiers zorgvuldig moeten worden samengesteld, dat zoveel mogelijk informatie moet worden verstrekt en dat contextuele informatie moet worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.19 Het recht op informatie over de eigen persoonlijke geschiedenis is ook erkend in het IVRK (zie hierna hoofdstuk 13) en het EHRM (zie hoofdstuk 14).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">13.</span>Recht op informatie over de persoonlijke geschiedenis in het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) 13.1 Het belang van informatie over de persoonlijke geschiedenis is ook erkend in het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (hierna: ‘IVRK’). Dit verdrag bevat bepalingen die het belang van kennisneming van afstammingsinformatie en informatie over de persoonlijke geschiedenis bevestigen. Het IVRK is door Nederland geratificeerd. Het IVRK is weliswaar niet van toepassing op meerderjarigen zoals betrokkene (art. 1), maar het vormt niettemin een belangrijk onderdeel van de context van verzoeken als het onderhavige. Onzeker is overigens of alle bepalingen van het IVRK rechtstreekse werking hebben.</div>\n<p class=\"lf-p\">13.2 Art. 3 lid 2 IVRK bepaalt dat staten zich ertoe verbinden het kind te verzekeren van de bescherming en zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, en dat zij hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen nemen. De belangen van het kind vormen de eerste overweging (art. 3 lid 1 IVRK).</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3 Meer toegespitst op gevallen als het onderhavige bepaalt het IVRK:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>art. 6 lid 2: staten waarborgen in de ruimst mogelijke mate de mogelijkheden tot overleven en de ontwikkeling van het kind;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>art. 7 lid 1-2: staten verwezenlijken het recht op een naam, het recht op een nationaliteit, en voor zover mogelijk het recht om de eigen ouders te kennen en door hen te worden verzorgd, in overeenstemming nationaal en internationaal recht;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>art. 8 lid 1: staten verbinden zich tot eerbiediging van het recht van het kind zijn of haar identiteit te behouden, met inbegrip van nationaliteit, naam en familliebetrekkingen zoals wettelijk erkend, zonder onrechtmatige inmenging. Wanneer een kind op niet rechtmatige wijze wordt beroofd van enige of alle bestanddelen van zijn of haar identiteit, verlenen de Staten die partij zijn passende bijstand en bescherming, teneinde zijn identiteit snel te herstellen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>art. 12 lid 1: staten verzekeren het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen, het recht die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>art. 16: kinderen hebben (kort gezegd) recht op privacy;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>art. 17: staten waarborgen dat het kind toegang heeft tot informatie en materiaal uit een verscheidenheid van nationale en internationale bronnen, in het bijzonder informatie en materiaal gericht op het bevorderen van zijn of haar sociale, psychische en morele welzijn en zijn of haar lichamelijke en geestelijke gezondheid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>art. 24 lid 1-2: staten streven de volledige verwezenlijking van het recht van het kind op het genot van de grootst mogelijke mate van gezondheid en op voorzieningen voor de behandeling van ziekte en het herstel van de gezondheid na en erkennen dit recht;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>art. 39: staten nemen alle passende maatregelen ter bevordering van het lichamelijk en geestelijk herstel en de herintegratie in de maatschappij van een kind dat het slachtoffer is van welke vorm ook van verwaarlozing, exploitatie, misbruik, foltering of welke andere vorm ook van wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Dit herstel en deze herintegratie vinden plaats in een omgeving die bevorderlijk is voor de gezondheid, het zelfrespect en de waardigheid van het kind.</div>\n<p class=\"lf-p\">13.4 Uit deze bepalingen, met name art. 8 IVRK maar ook in samenhang bezien, wordt afgeleid dat kinderen recht hebben op het verkrijgen van informatie over de eigen identiteit. Op staten rust de (kern)verplichting om de ontwikkeling en het welzijn van kinderen te beschermen. Staten hebben daarom ook verplichtingen die beogen te waarborgen dat kinderen hun identiteit kunnen behouden en herstellen (art. 8 IVRK). Het verkrijgen van informatie over de eigen identiteit is in dit kader van groot belang. Bou-Sfia concludeert daarom in haar dissertatie, na een uitgebreide analyse van relevante bronnen (verdragsopstellers, het VN-kinderrechtencomité, UNICEF, en literatuur), dat aan art. 8 IVRK een recht op informatie wordt gekoppeld. Zij noemt daarbij uitdrukkelijk het kunnen achterhalen van informatie over de eigen persoonlijke geschiedenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5 De conclusie van Bou-Sfia vindt duidelijk steun in verschillende passages over art. 8 en 16 IVRK uit het implementatiehandboek voor het IVRK van de VN-kinderrechtenorganisatie UNICEF (2007): “The word [‘preserve’, A-G] implies both the non-interference in identity and the maintenance of records relating to genealogy, birth registration and details relating to early infancy that the child could not be expected to remember. Some of these are beyond the scope of the State, but measures should be taken to enforce detailed record-keeping and preservation of records (or, in the case of abandoned children, preservation of identifying items) where children are refugees, abandoned, fostered, adopted or taken into the care of the State.”</p>\n<p class=\"lf-p\">En: “Most children have some records or reports written about them and stored – in health, education, social services, and juvenile justice systems (…). Rights to privacy require that legislation should ensure that the child (…) has access to such records, whether stored manually or by electronic means”</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 13.6 Het lijdt geen twijfel dat aan art. 8 IVRK het recht op informatie over de eigen persoonlijke geschiedenis van het kind kan worden ontleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">14Recht op informatie over de persoonlijke geschiedenis volgens art. 8 EVRM 14.1 Art. 8 EVRM – het recht op respect voor het privé-, familie- en gezinsleven – is een breed geformuleerde bepaling. In relatie tot de voorliggende vragen gaat het om het recht op respect voor het privéleven dat in art. 8 EVRM besloten ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.2 Zowel persoonlijke identiteit als persoonlijke ontwikkeling zijn door het EHRM benoemd als deelaspecten van het recht op respect voor het privéleven. Persoonlijke identiteit omvat de sociale, fysieke en etnische identiteit. Uit het recht op persoonlijke identiteit heeft het EHRM afzonderlijke rechten afgeleid, zoals een recht op kennis van de biologische afstamming en een recht om de eigen genderidentiteit te bepalen. Het recht op persoonlijke identiteit hangt nauw samen met het recht op bescherming van persoonsgegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.3 In het navolgende zal worden ingezoomd op de rechtspraak van het EHRM over het recht op persoonlijke identiteit, als deelaspect van het recht op respect voor het privéleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recht op het verkrijgen van informatie over de eigen jeugd 14.4 In de richtinggevende zaak Gaskin v. UK uit 1987 wilde de meerderjarige Gaskin toegang tot zijn dossier waarover de Liverpool City Council beschikte. Dit dossier had de Liverpool City Council aangelegd toen zij na het overlijden van zijn moeder zorgdroeg voor, de destijds minderjarige, Gaskin. Gaskin bracht zijn jeugd voornamelijk door in pleeggezinnen, waar hij meerdere malen zou zijn mishandeld. Gaskin probeerde meer informatie te verkrijgen over de omstandigheden rondom zijn verzorging en opvoeding. Het dossier van Gaskin bevatte een groot aantal documenten afkomstig van onder meer artsen, pleegouders, maatschappelijk werkers, politie. Volgens de in het VK geldende regels moest voor het verkrijgen van inzage toestemming worden gevraagd aan degenen die informatie hadden verstrekt in het dossier van Gaskin. Van de 46 betrokken personen hadden 19 die toestemming gegeven, waarna 65 van de 352 documenten uit het dossier waren verstrekt. Gaskin wilde echter toegang tot het volledige dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.5 De Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (ECRM) oordeelde dat sprake was van een ontoelaatbare beperking van art. 8 EVRM. Redengevend daarvoor was dat Gaskin de weigering om inzage te verstrekken niet kon aanvechten voor een onafhankelijke instantie, waarin het belang van Gaskin bij inzage kon worden afgewogen tegen de belangen van degenen die toestemming weigerden: “In these circumstances the Commission finds that the absence of any procedure to balance the applicant's interest in access to the file against the claim to confidentiality by certain contributors, and the consequential automatic preference given to the contributors' interests over those of the applicant, is disproportionate to the aim pursued and cannot be said to be necessary in a democratic society.”</p>\n<p class=\"lf-p\">14.6 Het EHRM deelde deze conclusie: “36. In the opinion of the Commission ‘the file provided a substitute record for the memories and experience of the parents of the child who is not in care’. It no doubt contained information concerning highly personal aspects of the applicant's childhood, development and history and thus could constitute his principal source of information about his past and formative years. Consequently lack of access thereto did raise issues under Art. 8.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">37.</span>The Court agrees with the Commission. The records contained in the file undoubtedly do relate to Mr. Gaskin's ‘private and family life’ in such a way that the question of his access thereto falls within the ambit of Art. 8.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">49.</span>In the Court’s opinion, persons in the situation of the applicant have a vital interest, protected by the Convention, in receiving the information necessary to know and to understand their childhood and early development. On the other hand, it must be borne in mind that confidentiality of public records is of importance for receiving objective and reliable information, and that such confidentiality can also be necessary for the protection of third persons. Under the latter aspect, a system like the British one, which makes access to records dependent on the consent of the contributor, can in principle be considered to be compatible with the obligations under Article 8, taking into account the State’s margin of appreciation. The Court considers, however, that under such a system the interests of the individual seeking access to records relating to his private and family life must be secured when a contributor to the records either is not available or improperly refuses consent. Such a system is only in conformity with the principle of proportionality if it provides that an independent authority finally decides whether access has to be granted in cases where a contributor fails to answer or withholds consent. No such procedure was available to the applicant in the present case.</div>\n<p class=\"lf-p\">Accordingly, the procedures followed failed to secure respect for Mr Gaskin’s private and family life as required by Article 8 of the Convention. There has therefore been a breach of that provision.”</p>\n<p class=\"lf-p\">14.7 Uit deze overwegingen kan het volgende worden afgeleid. (a) Personen in een situatie als Gaskin hebben een essentieel belang (“a vital interest) om informatie te verkrijgen die noodzakelijk is om hun kindertijd en vroege ontwikkeling te kennen en te begrijpen (“the information necessary to know and to understand their childhood and early development”). Art. 8 EVRM beschermt dit essentiële recht. (b) Daartegenover staat het algemene belang bij vertrouwelijkheid van bepaalde dossiers, om te waarborgen dat objectieve en betrouwbare informatie kan worden verkregen. (c) Die vertrouwelijkheid kan ook noodzakelijk kan zijn voor de bescherming van de belangen van derden. (d) Een systeem waarin de toegankelijkheid van dossiers afhankelijk is van de instemming van degene die een bijdrage heeft geleverd aan de inhoud van het dossier, is in beginsel verenigbaar met art. 8 EVRM. Echter, in een dergelijk systeem moeten ook de belangen beschermd worden van degene die inzage wil in informatie die betrekking heeft op zijn privé- en gezinsleven. (e) Daarom is een dergelijk systeem alleen verenigbaar met het beginsel van proportionaliteit, indien er een onafhankelijke autoriteit is die uiteindelijk beslist of inzage moet worden verleend in gevallen waarin instemming ontbreekt. (f) Het is aan de verdragsstaten om te voorzien in een procedure waarin deze belangen kunnen worden afgewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.8 Op te merken is dat de grondslag van het verzoek van Gaskin niet gelegen was in de wens enig juridisch recht uit te oefenen, maar louter in de wens om informatie te krijgen die hem in staat stelt zijn verleden te kennen en te begrijpen (“the information necessary to know and to understand their childhood and early development”). Het EHRM beschouwt deze wens als een zelfstandig, legitiem doel. Mulligan concludeert dat het EHRM uitgaat van de ‘deontologische aanname’ dat mensen het recht hebben op persoonlijke ontwikkeling, waarvoor het verkrijgen van informatie over de eigen identiteit essentieel is.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.9 Ook in de vergelijkbare zaak M.G. v. UK oordeelde het EHRM in het kader van een verzoek tot toegang tot social service records over de jeugd van de verzoeker, dat er sprake was van een schending van art. 8 EVRM. Een adequate procedure voor toetsing van inzageverzoeken waarin belangen van verschillende personen kunnen worden afgewogen, ontbrak namelijk. Het EHRM herhaalt dat een jeugdbeschermingsdossier een vervanging vormt voor de herinneringen en ervaringen van de ouders van een kind (§ 27). In het kader van de ‘fair balance’ die moet worden bereikt tussen het algemeen belang en het belang bij informatie van betrokkene, overweegt het EHRM dat betrokkene een groot belang heeft bij inzage in de dossiers, omdat hij gedurende lange periodes in de jeugdzorg is geweest. Bovendien is betrokkene ervan overtuigd dat hij als kind misbruikt is door zijn vader en dat hij daarover zoveel mogelijk informatie nodig heeft “to come to terms with the emotional and psychological impact of any such abuse and to understand his own subsequent and related behaviour” (§ 29). Hoewel betrokkene wel enige toegang tot zijn dossiers heeft gekregen, is er toch een schending van art. 8 EVRM. In de verstrekte informatie was namelijk veel onleesbaar gemaakt, en er was geen rechtsgang voor betrokkene om daartegen bij een onafhankelijke instantie op te komen (§ 30-31).</p>\n<p class=\"lf-p\">14.10 In Yonchev v. Bulgaria herhaalt het EHRM dat art. 8 EVRM het recht beschermt van individuen die informatie wensen te verkrijgen die noodzakelijk is om hun jeugd en vroege ontwikkeling te kennen en te begrijpen. Het EHRM benadrukt opnieuw dat de verdragsstaten moeten voorzien in een effectieve en toegankelijke procedure waarmee toegang tot die informatie kan worden verkregen: “(b) Access to information in the Court’s case law under Article 8 of the Convention 48. The Court has held that, in addition to the primarily negative undertakings in Article 8, there may be positive obligations inherent in effective respect for private life (see Roche v. the United Kingdom [GC], no. 32555/96, § 157, ECHR 2005‑X).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">49.</span>With regard to access to personal data held by the public authorities, with the exception of information related to national security considerations (see Leander v. Sweden, 26 March 1987, § 51, Series A no. 116), the Court has recognised a vital interest, protected by Article 8 of the Convention, of persons wishing to receive information necessary to know and to understand their childhood and early development (see Gaskin, cited above, § 49) or to trace their origins, in particular the identity of their natural parents (see Odièvre v. France [GC], no. 42326/98, § 41-47, ECHR 2003‑III), information concerning health risks to which interested persons had been exposed (see Roche, cited above, § 161; McGinley and Egan v. the United Kingdom, 9 June 1998, § 99, Reports of Judgments and Decisions 1998‑III; Guerra and Others v. Italy, 19 February 1998, § 60, Reports 1998‑I), or information about a person’s records created by the secret services during the period of a totalitarian regime (see Haralambie v. Romania, no. 21737/03, §§ 87-89, 27 October 2009, and Joanna Szulc v. Poland, no. 43932/08, § 87, 13 November 2012).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">50.</span>In these contexts, the Court held that the respondent State’s positive obligation under Article 8 of the Convention required it to provide an effective and accessible procedure enabling the applicants to have access to all relevant and appropriate information necessary for the specific purposes described above (see Roche, § 162, Haralambie, § 86, Joanna Szulc, §§ 86 and 94, all cited above).”</div>\n<p class=\"lf-p\">14.11 De rode draad in deze uitspraken is duidelijk: het EHRM erkent het als essentieel bestempelde belang van mensen om desgewenst toegang te krijgen tot persoonlijke informatie die bij overheidsinstanties is bewaard, die hen helpt hun kindertijd en vroege ontwikkeling te kennen en te begrijpen. Art. 8 EVRM beschermt dit essentiële recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afweging die moet worden gemaakt 14.12 Het recht op de bedoelde informatie is echter niet absoluut. Steeds zal een op het geval toegespitste afweging moeten worden gemaakt tussen enerzijds het belang van betrokkene bij toegang tot de informatie, en anderzijds andere betrokken belangen. Die andere belangen kunnen bestaan uit het algemeen belang bij dossiervorming, waarbij betrokken derden er op moeten kunnen vertrouwen dat de door hen verstrekte informatie niet tegen hun wil bekend wordt gemaakt. Ook kan er een belang zijn van derden dat erin gelegen is dat verstrekking van de informatie inbreuk maakt op hun privéleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.13 De belangenafweging die hier moet worden gemaakt, verschilt van de belangenafweging in het kader van het, eveneens door art. 8 EVRM beschermde, recht op afstammingsinformatie. Daar legt met name het belang van de betrokken ouders bij de bescherming van hun privéleven (door het níet verstrekken van informatie) gewicht in de schaal. Dat blijkt ook uit de rechtspraak van de Hoge Raad die hierover is gewezen (zie hierna onder 11.21 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 14.14 Het recht op informatie over de eigen kindertijd wordt beschermd door art. 8 EVRM. Dit recht op informatie is door het EHRM essentieel genoemd, omdat mensen die informatie nodig hebben om de eigen kindertijd en persoonlijke ontwikkeling te kennen en te begrijpen. Het recht is niet absoluut, maar moet worden afgewogen tegen andere rechten, waaronder de rechten van derden en een mogelijk algemeen belang, zo blijkt uit de richtinggevende uitspraak Gaskin.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.15 Uit Gaskin volgt ook dat het nationale recht moet voorzien in procedures waarin het recht op informatie over de eigen kindertijd geldend kan worden gemaakt. Daarbij moet er een onafhankelijke autoriteit zijn die een belangenafweging kan maken wanneer een betrokken derde weigert toestemming te geven voor het verstrekken van informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.16 In de volgende hoofdstukken zal worden nagegaan op grond van welke juridische grondslag informatie over de kindertijd die is opgeslagen in de door de rechtbank bewaarde jeugdbeschermingsdossiers aan betrokkene kan worden verstrekt. Achtereenvolgens worden besproken art. 29 lid 2 Rv (hoofdstuk 15), art. 838 Rv (hoofdstuk 16), art. 843a Rv (hoofdstuk 17) en de AVG (hoofdstuk 18 en verder).</p>\n<p class=\"lf-p\">14.17 Volledigheidshalve is te herhalen dat de Wet open overheid in ieder geval niet voorziet in een grondslag voor informatieverstrekking in jeugdbeschermingsdossiers, omdat deze wet niet van toepassing is op gerechten (zie onder 5.11). Verder is te herhalen dat art. 290 Rv en art. 811 Rv (uitvoerig besproken in hoofdstuk 5) alleen betrekking hebben op inzage van stukken in lopende procedures. Aan deze bepalingen kan dus geen recht tot inzage in afgesloten procesdossiers worden ontleend (zie ook onder 5.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">15Art. 29 lid 2 Rv 15.1 Volgens art. 29 lid 2 Rv verstrekt de griffier aan een ieder die dat verlangt afschrift van vonnissen, arresten en beschikkingen, tenzij verstrekking naar het oordeel van de griffier ter bescherming van zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen, geheel of gedeeltelijk dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan de griffier volstaan met verstrekking van een geanonimiseerd afschrift of uittreksel van het vonnis, het arrest of de beschikking. Art. 29 lid 3 Rv bepaalt dat onder vonnissen, arresten en beschikkingen zijn begrepen stukken die bij de uitspraak zijn gevoegd, en dat van andere tot een procesdossier behorende stukken geen afschrift of uittreksel aan derden wordt verstrekt. Tot slot houdt art. 29 lid 4 Rv in dat van vonnissen, arresten en beschikkingen in zaken die met gesloten deuren zijn behandeld, uitsluitend een geanonimiseerd afschrift of uittreksel wordt verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2 Art. 29 lid 2 Rv biedt een grondslag voor het verkrijgen van een afschrift van een (civiel) vonnis, arrest of beschikking aan een ieder. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat er geen belang hoeft te worden gesteld bij het verkrijgen van een afschrift en dat partijen niet in kennis hoeven te worden gesteld van een verzoek om afschrift en de beslissing daarop. Anders dan bij het verkrijgen van een strafrechtelijke uitspraak hoeft een verzoeker dus niet te motiveren waarin hij het afschrift wil (vgl. hoofdstuk 9).</p>\n<p class=\"lf-p\">15.3 Gezien de wettelijke omschrijving (‘vonnissen, arresten, beschikkingen’, en ‘stukken die bij de uitspraak zijn gevoegd’) vallen processtukken niet onder het bereik van art. 29 Rv. Dat betekent dat aan art. 29 lid 2 Rv geen recht op inzage of afschrift van processtukken kan worden ontleend. Dit volgt ook uit de recente uitspraak van de Hoge Raad over openbaarheid van rechtspraak (zie ook hoofdstuk 4): “3.7 Over procedures die niet langer aanhangig zijn, geeft de wet aan derden geen aanspraak op andere informatie dan op afschrift van de daarin gedane tussen- en einduitspraken, binnen de door art. 29 Rv getrokken grenzen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">15.4 Uit de overweging blijkt wel – voor geen misverstand vatbaar – dat het recht op afschrift ex art. 29 lid 2 Rv betrekking heeft op afgesloten procedures. Maar dat volgt ook al uit het feit dat een vonnis, arrest of beschikking het sluitstuk van een procedure is, die (behoudens tussenuitspraken of het aanwenden van rechtsmiddelen) per definitie afgesloten is op het moment van het wijzen van het vonnis, arrest of de beschikking. Aangezien er geen termijnen zijn opgenomen in art. 29 Rv, moet worden aangenomen dat het recht op afschrift ook nog bestaat als er – zoals in de voorliggende zaak – al vele jaren zijn verstreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 15.5 Het voorgaande betekent dat betrokkene in beginsel aanspraak kan maken op een afschrift van de beschikkingen die door de jeugdrechter in zijn zaak zijn gewezen. Die afschriften zullen geanonimiseerd zijn omdat aan te nemen is dat de procedures achter gesloten deuren zijn behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">16Art. 838 Rv 16.1 Art. 838 lid 1 Rv houdt in dat de griffiers en andere bewaarders van openbare registers, zonder rechterlijk bevel, tegen betaling van de hun toekomende rechten, afschrift of uittreksel daarvan moeten verstrekken aan eenieder die daarom vraagt, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en renten. In art. 838 lid 2 Rv is bepaald dat het eerste lid niet geldt voor zover art. 29 Rv van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.2 Art. 838 Rv vervalt per 1 januari 2025 (namelijk met de wet Vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht). De regeling van art. 838 Rv wordt dan opgenomen in art. 29a Rv. Daarmee is overigens geen inhoudelijke wijziging beoogd, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.3 In de literatuur wordt – onder verwijzing naar Meijers – aangenomen dat openbare registers in de zin van art. 838 Rv registers zijn ‘die voor openbaar gebruik bestemd zijn’. Te denken is bijvoorbeeld aan het handelsregister, de registers van de burgerlijke stand het huwelijksgoederenregister en het handels-, verenigingen- en stichtingenregister.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.4 Volgens een arrest van de Hoge Raad uit 1936 vallen ook arresten en vonnissen (bijgehouden in de administratie van de gerechten) onder het bereik van art. 838 Rv. Voor civiele uitspraken geldt volgens lid 2 van art. 838 Rv art. 29 Rv als lex specialis. Dat betekent dat art. 838 Rv in zoverre als zodanig geen recht op openbaarmaking van gegevens creëert. Hetzelfde geldt voor strafrechtelijke uitspraken (art. 365 lid 4 en 5 Sv) en bestuursrechtelijke uitspraken (art. 8:79 Awb). Art. 838 Rv is echter wel relevant voor tuchtrechtelijke uitspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.5 Ook uit de recente uitspraak van de Hoge Raad over de openbaarheid van rechtspraak volgt dat aan art. 838 Rv geen recht op inzage in processtukken kan worden ontleend (zie hiervoor hoofdstuk 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 16.6 De slotsom is dat art. 838 Rv geen grondslag biedt voor het verkrijgen van inzage of afschrift van processtukken in een afgesloten procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">17Inzagerecht (art. 843a Rv en art. 194 Rv (nieuw)) 17.1 Art. 843a lid 1 Rv bepaalt dat een persoon die daarbij een rechtmatig belang heeft, inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Per 1 januari 2015, met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, verdwijnt art. 843a Rv. De bepaling wordt dan vervangen door een nieuwe wettelijke regeling van het inzagerecht (art. 194, 195 en 195a Rv).</p>\n<p class=\"lf-p\">17.2 Art. 843a Rv is ook van toepassing op informatie die bij overheidsorganen berust, en die daarmee in beginsel onder de Wet open overheid (voorheen de Wob) valt. De Wet open overheid bevat dus geen exclusieve regeling voor het verstrekken van overheidsinformatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.3 Dat bijzondere wetten die de verstrekking van overheidsinformatie regelen op zichzelf niet in de weg staan aan een vordering op grond van art. 843a Rv, volgt ook uit een arrest van de Hoge Raad uit 2021 (Bewijsbeslag FIOD). Daarin overwoog de Hoge Raad dat de bijzondere regelingen in de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) “als zodanig niet in de weg staan” aan het moeten van verschaffen van inzage, afschrift of uittreksel op grond van art. 843a Rv (rov. 3.2.3). Wel, zo vervolgt de rechtsoverweging, kunnen de overwegingen die onder de Wpg of Wjsg tot de uitkomst leiden dat met betrekking tot bepaalde gegevens geen recht bestaat op verstrekking, gewichtige redenen opleveren als bedoeld in art. 843a lid 4 Rv. In dat geval behoeft geen inzage, afschrift of uittreksel te worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4 A-G Langemeijer merkte in zijn conclusie voor het arrest op dat het niet valt uit te sluiten dat, afhankelijk van de rechtsbetrekking tussen de bij de informatieverstrekking betrokken partijen, art. 843a Rv verplicht tot het verstrekken van informatie die op grond van de Wjsg en/of de Wpg niet kunnen worden verkregen. In het arrest Lightning Casino uit 2004 oordeelde de Hoge Raad immers reeds dat voor de beantwoording van de vraag of er gewichtige redenen zijn om in een rechterlijke procedure gegevens niet te hoeven verstrekken omdat deze vertrouwelijk zouden zijn, op zichzelf niet beslissend is of de rechter in het kader van een procedure op grond van de op de Antillen geldende Landsverordening openbaarheid van bestuur, de weigering om die gegevens openbaar te maken gegrond heeft geoordeeld. Met andere woorden, elke wettelijke regeling heeft zijn eigen afwegingskader.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.5 Op grond van art. 22 lid 2 Rv kunnen partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, weigeren om bepaalde stellingen toe te lichten of bescheiden over te leggen, of de rechter mededelen dat uitsluitend de rechter kennis zal mogen nemen van de toelichting onderscheidenlijk de bescheiden. Ook dan geldt dat de vraag of sprake is van de bedoelde gewichtige redenen, niet samenvalt met het bestaan van een wettelijke geheimhoudingsplicht of andere wettelijke redenen tot vertrouwelijkheid. Het komt aan op een afweging in het concrete geval tussen het belang van waarheidsvinding en het belang van vertrouwelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.6 De hoofdregel is hiermee dat elk inzagerecht dat is neergelegd in een specifieke regeling, een eigen toepassingsgebied heeft en een eigen toetsingskader kent. In verschillende wettelijke regelingen neergelegde inzagerechten sluiten elkaar daarom in beginsel niet uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.7 De vraag is of hieruit moet worden afgeleid dat op grond van art. 843a Rv bij een gerecht een vordering (onder art. 194 Rv (nieuw) een verzoek) kan worden ingesteld tot het verkrijgen van inzage of afschrift van een afgesloten procesdossier, zoals aan de orde in de voorliggende zaak. M.i. is dat niet het geval. Gezien het feit dat de relevante bepalingen uit Rv (art. 29 Rv en art. 290 Rv, besproken in hoofdstuk 5 en 15) géén inzage in procesdossiers in afgesloten procedures toelaten, is er m.i. geen ruimte om via de weg van art. 843a Rv inzage of afschrift te verkrijgen van procesdossiers in afgesloten procedures. Althans geldt dit bij verzoeken zoals die van betrokkene. Van verschillende afwegingskaders lijkt mij geen sprake te zijn, nu de bepalingen uit Rv hoe dan ook geen mogelijkheid tot enige afweging bieden. Voor de gedachte dat art. 843a Rv hier niet kan worden ingeroepen, is ook een aanwijzing te vinden in de eerder genoemde uitspraak van de Hoge Raad waarin een advocaat informatie wilde over alle procedures waarin een bepaald persoon als partij betrokken is of was geweest (zie hierover hoofdstuk 4). In die uitspraak is niet gerefereerd aan het inzagerecht van art. 843a Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.8 Dat art. 843a Rv geen grondslag biedt voor inzage, kan wellicht ook worden afgeleid uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet open overheid. Daaruit blijkt dat het uitsluiten van gerechten van de werkingssfeer van de wet is ingegeven door de gedachte dat voor het verkrijgen van informatie van gerechten specifieke wettelijke bepalingen bestaan. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt namelijk dat is aangenomen dat voor het verstrekken van informatie die berust bij gerechten, een lex specialis geldt, namelijk de specifieke regelingen over openbaarheid en vertrouwelijkheid van uitspraken en processtukken: “Onafhankelijke, bij wet ingestelde organen met rechtspraak belast zijn uitgesloten van een deel van de toepassing van deze wet. Voor hen gelden voldoende andere regels om openbaarheid en transparantie te garanderen. In de praktijk zijn bovendien geen of nauwelijks problemen geconstateerd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">17.9 Zie ook de volgende passage: “Een uitzondering wordt gemaakt voor organen die met rechtspraak zijn belast, omdat de openbaarheid van uitspraken en de vertrouwelijkheid van processtukken niet bij dit wetsvoorstel passen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">17.10 Deze passages bevestigen m.i. dat voor gerechten níet het bovengenoemde uitgangspunt geldt, dat verschillende toetsingskaders in verschillende wettelijke regelingen naast elkaar kunnen bestaan, maar dat gekeken moet worden naar de – als lex specialis geldende – bepalingen in Rv (‘andere regels om openbaarheid en transparantie te garanderen’). Ik ga ervan uit dat daarmee gedoeld is op art. 29 en art. 290 Rv (en wellicht ook op het beginsel van hoor en wederhoor). Die bieden, als gezegd, geen grondslag voor inzage in afgesloten procesdossiers. Art. 29 gaat alleen over het verkrijgen van afschrift van een rechterlijke uitspraak en art. 290 Rv ziet enkel op het verkrijgen van inzage of afschrift van stukken in lopende procedures.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.11 In het per 1 januari 2025 geldende art. 194 Rv (nieuw) is een bepaling gewijd aan de verhouding tussen de Wet open overheid en het civielrechtelijke inzagerecht, namelijk lid 3 van art. 194 Rv. Art. 194 Rv (nieuw) luidt als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 194 1. Een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. De partij die om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens verzoekt, draagt de kosten die voor de verstrekking daarvan moeten worden gemaakt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Degene die over de gegevens beschikt, is verplicht daarvan desverzocht inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij: a. hem een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 165, tweede lid, toekomt of b. gewichtige redenen zich daartegen verzetten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Betreffen de gegevens publieke informatie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet open overheid en is degene die over die gegevens beschikt geen partij bij de rechtsbetrekking, bedoeld in het eerste lid, dan is diegene niet verplicht tot verstrekking van inzage, afschrift of uittreksel van de verzochte gegevens voor zover die gegevens op grond van de Wet open overheid ook niet hoeven te worden verstrekt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De voorgaande leden zijn niet van toepassing voor zover de gegevens waarvan inzage, afschrift of uittreksel wordt verzocht, de persoonsgegevens van die partij zelf betreffen.</div>\n<p class=\"lf-p\">17.12 In de toelichting op lid 3 van art. 194 Rv (nieuw) is het volgende te lezen (waarbij ten tijde van het opstellen van de toelichting niet de Woo maar nog zijn voorloper, de Wob, gold): “Artikel 194, derde lid: verhouding tot Wob Artikel 194, derde lid, (nieuw) regelt dat de overheid als derde geen inzage, afschrift of uittreksel van gegevens hoeft te verstrekken voor zover zij op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) daartoe ook niet gehouden is. De overheid neemt een bijzondere positie in als het gaat om informatieverstrekking, waarbij de Wob in specifieke criteria voor openbaarmaking voorziet. Met het derde lid wordt zeker gesteld dat de overheid op grond van dit wetsvoorstel niet gehouden is tot het verstrekken van informatie over bijvoorbeeld het Koninklijk Huis, de formatie en de ministerraad als de overheid op grond van de Wob ook niet gehouden is die informatie te verstrekken. Het gelijktrekken van de grenzen van informatieverstrekking met de Wob betekent overigens niet dat de overheid het verstrekken van bepaalde gegevens altijd kan weigeren met een beroep op de Wob. In sommige gevallen kan de overheid bijvoorbeeld volstaan met het weglakken of zwartmaken van onderdelen die niet geopenbaard mogen worden of die voor het geschil niet relevant zijn. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">17.13 Het komt er dus op neer dat als er geen inzagerecht op grond van de Woo bestaat, er ook geen civielrechtelijke verplichting tot het verstrekken van inzage is (zij het dat in voorkomende gevallen wel inzage moet worden verstrekt en bepaalde passages kunnen worden weggelakt). Als ik het goed zie, gaat deze bepaling verder dan wat er onder het huidige recht geldt. Daar geldt immers dat een weigeringsgrond onder een specifieke wettelijke regeling (zoals de Woo) kan leiden tot een gewichtige reden in de zin van art. 843a Rv (zie onder 17.3 e.v.). Daarmee blijft er altijd ruimte voor afweging. De nieuwe bepaling lijkt die afweging niet, of in veel mindere mate, te geven. De achterliggende gedachte is wellicht geweest dat de Woo niet moet kunnen worden omzeild door een beroep te doen op art. 194 Rv. Met andere woorden, het moet niet zo zijn dat informatie die op grond van de Woo slechts gedeeltelijk openbaar hoeft te worden gemaakt (en bepaalde passages mogen worden weggelakt), op grond van art. 194 Rv toch integraal zou moeten worden verstrekt, zonder onleesbaar gemaakte passages.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.14 Ook moet nog de aandacht worden gevestigd op art. 194 lid 4 Rv (nieuw), geciteerd onder 17.11. Daarin staat dat de leden 1 tot en met 3 niet van toepassing zijn voor zover de gegevens waarvan inzage, afschrift of uittreksel wordt verzocht, de persoonsgegevens van die partij zelf betreffen. Deze bepaling is in de memorie van toelichting als volgt toegelicht: “Artikel 194, eerste tot en met derde lid, is niet van toepassing voor zover de gegevens waarvan inzage wordt verzocht de persoonsgegevens van de verzoekende partij zelf betreffen. Op grond van de AVG is degene die over die gegevens beschikt, verplicht om deze kosteloos te verstrekken en kan tegenover de betrokkene geen beroep op een verschoningsrecht of het bestaan van gewichtige redenen worden gedaan (zie de artikelen 12, vijfde lid, en 15 AVG). Als inzage wordt verzocht van gegevens waarin ook persoonsgegevens van derden voorkomen die gelet op het doel van inzageverzoek niet kunnen worden weggelakt of zwartgemaakt, is artikel 194 met de daarin opgenomen voorwaarden, kostenregeling en weigeringsgronden onverkort van toepassing.”</p>\n<p class=\"lf-p\">17.15 Uit deze toelichting is af te leiden dat met lid 4 van art. 194 Rv (nieuw) is bedoeld buiten twijfel te stellen dat het recht op inzage van de eigen persoonsgegevens moet worden uitgeoefend onder de AVG, en dat art. 194 Rv daarvoor niet de geëigende weg is. Niet omdat dat recht niet valt onder de reikwijdte van art. 194 Rv (nieuw), zo begrijp ik, maar omdat de specifieke bepalingen van dat artikel (belang, kosten, weigeringsgronden) geen afbreuk kunnen doen aan het recht op inzage in de eigen persoonsgegevens zoals dat is verankerd in de AVG. De voorwaarden van art. 194 mogen de informatieverzoeker dus niet worden tegengeworpen. Ik ga er hiermee vanuit dat bedoeld is om met lid 4 van art. 194 Rv (nieuw) de huidige rechtspraak van de Hoge Raad, dat art. 843a Rv niet afdoet aan het inzagerecht van art. 35 Wbp (thans art. 15 AVG), te codificeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 17.16 De slotsom is dat art. 843a Rv m.i. geen grondslag biedt voor het bij een gerecht verkrijgen van inzage of afschrift in een afgesloten procesdossier. Datzelfde geldt ook voor art. 194 Rv (nieuw), dat per 1 januari 2025 een nieuwe regeling van het inzagerecht bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">18De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) 18.1 Vanaf 25 mei 2018 is de inzage en bescherming van persoonsgegevens vastgelegd in de AVG. De AVG heeft zowel de Richtlijn bescherming persoonsgegevens als de Wet bescherming persoonsgegevens vervangen. De AVG werkt rechtstreeks en is dus niet in nationaal recht omgezet. De AVG vraagt wel op onderdelen om een uitwerking op nationaal niveau. Daartoe is de Uitvoeringswet AVG (UAVG) vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.2 Het doel van de AVG is de bescherming van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals dat is neergelegd in onder meer art. 8 EVRM en art. 7 Handvest EU. Meer specifiek beschermt de AVG het recht op bescherming van de eigen persoonsgegevens. Dat blijkt onder meer uit art. 1 lid 2 van de AVG, waar staat dat de verordening de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen en met name hun recht op bescherming van persoonsgegevens beschermt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestand 18.3 De AVG is van toepassing op “de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen” (art. 2 lid 1 AVG). Volgens de definitie gegeven in art. 4, onder 6, AVG is een ‘bestand’: elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd of gedecentraliseerd is dan wel op functionele of geografische gronden is verspreid. Bij een ‘bestand’ gaat het dus om een niet geautomatiseerde (handmatige) gegevensverwerking. De AVG is dus niet op álle papieren gegevensverwerking van toepassing, maar alleen als deze volgens bepaalde criteria zijn gestructureerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.4 In het arrest Jehova’s getuigen heeft het HvJ gepreciseerd dat de AVG alleen van toepassing is als de (papieren) gegevens zijn gestructureerd “volgens specifieke criteria die het in de praktijk mogelijk maken deze gegevens gemakkelijk terug te vinden voor een later gebruik ervan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op informatie en toegang tot persoonsgegevens 18.5 Het recht van een betrokkene om inzage in zijn persoonsgegevens is neergelegd in art. 15 AVG. Art. 15 AVG staat in afdeling 2 (‘Informatie en toegang tot persoonsgegevens’) van Hoofdstuk III van de AVG en luidt, voor zover hier van belang: “Artikel 15 1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>de verwerkingsdoeleinden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>de betrokken categorieën van persoonsgegevens;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt (…);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">d)</span>indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">e)</span>dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">f)</span>dat de betrokkene het recht heeft een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">g)</span>wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">h)</span>(…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>(…) 3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. (…) 4. Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen.”</div>\n<p class=\"lf-p\">18.6 Het in art. 15 AVG neergelegde inzagerecht beoogt de betrokkene in staat te stellen zich van de verwerking van zijn persoonsgegevens op de hoogte stellen en de rechtmatigheid daarvan te controleren. Dit blijkt ook uit overweging 63 van de AVG dat, voor zover hier van belang, luidt: “Een betrokkene moet het recht hebben om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld, in te zien, en om dat recht eenvoudig en met redelijke tussenpozen uit te oefenen, zodat hij zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. (…) Elke betrokkene dient dan ook het recht te hebben, te weten en te worden meegedeeld voor welke doeleinden de persoonsgegevens worden verwerkt, indien mogelijk hoe lang zij worden bewaard, wie de persoonsgegevens ontvangt, welke logica er ten grondslag ligt aan een eventuele automatische verwerking van de persoonsgegevens (…). Dat recht mag geen afbreuk doen aan de rechten of vrijheden van anderen, met inbegrip van het zakengeheim of de intellectuele eigendom en met name aan het auteursrecht dat de software beschermt. Die overwegingen mogen echter niet ertoe leiden dat de betrokkene alle informatie wordt onthouden (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">18.7 Door het HvJ EU is in de zaak FT/DW uit 2023 geoordeeld dat de betrokkene geen redenen behoeft op te geven voor zijn inzageverzoek: “38 Vastgesteld moet worden dat noch de bewoordingen van artikel 12, lid 5, AVG, noch die van artikel 15, leden 1 en 3, van deze verordening de kosteloze verstrekking van een eerste kopie van de persoonsgegevens afhankelijk stellen van de voorwaarde dat deze personen een reden aanvoeren voor hun verzoek. Deze bepalingen bieden de verwerkingsverantwoordelijke dus niet de mogelijkheid om te verlangen dat de betrokkene zijn verzoek om inzage motiveert. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">18.8 Een betrokkene kan dus aanspraak maken op inzage in zijn persoonsgegevens, zonder dat daarvoor een specifieke reden hoeft te worden gegeven. De enige begrenzing is misbruik van recht, maar daarvan zal niet snel sprake zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.9 Het inzagerecht van art. 15 AVG is beperkt tot ‘persoonsgegevens’. Persoonsgegevens zijn volgens art. 4 sub 1 AVG alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (de betrokkene). Het begrip ‘persoonsgegevens’ is hiermee ruim. In de zaak Nowak heeft het HvJ EU met betrekking tot Richtlijn 95/46 overwogen dat dit begrip “(…) niet beperkt is tot gevoelige of persoonlijke informatie maar zich potentieel uitstrekt tot elke soort informatie, zowel objectieve informatie als subjectieve informatie onder de vorm van meningen of beoordelingen, op voorwaarde dat deze informatie de betrokkene ‘betreft’.”</p>\n<p class=\"lf-p\">18.10 De laatste voorwaarde is volgens het Nowak-arrest vervuld als die informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een persoon. Een persoonsgegeven is aldus ieder gegeven dat direct of indirect herleidbaar is tot een natuurlijke persoon. Volgens het HvJ zijn echter op zich géén persoonsgegevens: juridische analyses die gebaseerd zijn op persoonsgegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.11 In de Guidelines is vermeld dat bij de reikwijdte van het recht op inzage in persoonsgegevens een contextuele beoordeling op zijn plaats is: “a contextual assessment should shed light on the effect or result an information may have on an individual and thus the scope of the right of access”.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.12 Ten slotte is nog van belang art. 12 lid 1 AVG waarin staat, kort gezegd, dat de verwerkingsverantwoordelijke passende maatregelen neemt bij (onder meer) het verstrekken van inzage op de voet van art. 15 AVG, opdat de betrokkene de bedoelde informatie in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, in het bijzonder wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.13 Deze bepaling is in de Guidelines onder meer als volgt toegelicht: “5.2.3 Providing access in a ”concise, transparent, intelligible and easily accessible form using clear and plain language” (…) 141. (…) The requirement that the information is “intelligible” means that it should be understood by the intended audience, whilst keeping in mind any particular needs that the data subject might have that is known to the controller. Since the right of access often enables the exercise of other data subject rights, it is crucial that the information provided is made understandable and clear. This is because data subjects will only be able to consider whether to invoke their right to, for example, rectification under Art. 16 GDPR once they know what personal data are being processed, for what purposes etc. As a result, the controller might need to supply the data subject with additional information that explains the data provided. It should be emphasised that the complexity of data processing obliges the controller to provide the means to make the data understandable and could not be used as an argument to limit the access to all data. Similarly, the controller’s obligation to provide data in a concise manner cannot be used as an argument to limit access to all data. (…) 142. The “easily accessible” element means that the information under Art. 15 should be presented in a way that is easy for the data subject to access. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">18.14 Onder omstandigheden vereist de AVG dus dat bij het verstrekken van inzage in persoonsgegevens aanvullende informatie wordt verstrekt (“As a result, the controller might need to supply the data subject with additional information that explains the data provided”). Daarmee legt de AVG een zorgplicht met betrekking tot de beknoptheid, begrijpelijkheid en toegankelijkheid van de informatie op de verwerkingsverantwoordelijke. De zorgplicht geldt in het bijzonder bij kinderen en andere kwetsbare personen. Verder moet de informatie op een eenvoudig toegankelijke manier worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.15 De verwerkingsverantwoordelijke moet het inzagerecht bovendien faciliteren, zo volgt uit art. 12 lid 2 AVG. Dit betekent – zo is te lezen in de considerans § 59 – dat hij ervoor moet zorgdragen dat er is voorzien in regelingen om de betrokkene in staat te stellen zijn rechten uit hoofde van de AVG gemakkelijker uit te oefenen, zoals mechanismen om te verzoeken om met name inzage in en rectificatie of wissing van persoonsgegevens en, indien van toepassing, deze gratis te verkrijgen, alsmede om het recht van bezwaar uit te oefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwerking 18.16 Het inzagerecht van art. 15 AVG is door het HvJ EU aangemerkt als een procedurele regel. Anders dan materiële regels worden procedureregels in de rechtspraak van het HvJ in het algemeen geacht te gelden vanaf de datum waarop zij in werking treden. Dat heeft tot gevolg dat inzageverzoeken die zijn ingediend na de datum van inwerkingtreding van de AVG (25 mei 2018) moeten worden beoordeeld conform de AVG, ook als het verzoek ziet op verwerkingsactiviteiten die zijn uitgevoerd vóór de datum waarop de AVG van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.17 De AVG is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, en ook op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand (in het Engels: “filing system”) zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen, in ieder geval voor zover het niet gaat om strafzaken (art. 2 lid 1-2 AVG). Ook de handmatige (niet-geautomatiseerde) verwerking van persoonsgegevens die zijn opgenomen in volgens specifieke criteria gestructureerde (verzamelingen van) dossiers, zijn een verwerking in de zin van de AVG.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.18 Het begrip ‘verwerking’ van persoonsgegevens heeft dus een ruime strekking. De opsomming in art. 4 aanhef en onder 2 AVG van bewerkingen die als verwerking zijn aan te merken, is niet uitputtend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op een kopie 18.19 Art. 15 lid 3 AVG voorziet in het recht van betrokkene op een kopie van de persoonsgegevens die zijn verwerkt. In de door de European Data Protection Board (EDPB) opgestelde ‘Guidelines 01/2022 on data subject rights’ (hierna: de Guidelines) is dit recht als volgt toegelicht: “The obligation to provide a copy is not to be understood as an additional right of the data subject, but as modality of providing access to the data. It strengthens the right of access to the data and helps to interpret this right because it makes clear, that access to the data under Art. 15(1) comprises complete information on all data and cannot be understood as granting only a summary of the data. At the same time, the obligation to provide a copy is not designed to widen the scope of the right of access: it refers (only) to a copy of the personal data undergoing processing, not necessarily to a reproduction of the original documents (see section 5, para. 152). More generally speaking, there is no additional information to be given to the data subject upon providing a copy: the scope of the information to be contained in the copy is the scope of the access to the data under 15(1) (second component of the right of access as referred to above, see para. 19), which includes all information necessary to enable the data subject to understand and verify the lawfulness of the processing.”</p>\n<p class=\"lf-p\">18.20 De verplichting om een kopie te verstrekken is dus bedoeld als een versterking van het inzagerecht, omdat daarmee duidelijk is dat het inzagerecht niet kan worden begrepen als slechts het verkrijgen van een samenvatting of overzicht van de persoonsgegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.21 In het arrest FT/DW heeft het HvJ geoordeeld dat het recht op een kopie onder omstandigheden inhoudt dat een verwerkingsverantwoordelijke afschriften van de originele documenten waarop de persoonsgegevens genoteerd zijn, moet verstrekken: “74. Om te waarborgen dat de door de verwerkingsverantwoordelijke verstrekte informatie gemakkelijk te begrijpen is, zoals vereist in artikel 12, lid 1, AVG, gelezen in het licht van overweging 58 van deze verordening, kan het in het bijzonder onontbeerlijk zijn dat uittreksels uit documenten of zelfs volledige documenten die onder meer de persoonsgegevens bevatten die worden verwerkt, worden gereproduceerd, wanneer het in hun context plaatsen van de verwerkte gegevens noodzakelijk is om de begrijpelijkheid ervan te waarborgen (arrest van 4 mei 2023, Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, C487/21, EU:C:2023:369, punt 41).”</p>\n<p class=\"lf-p\">18.22 Of er recht bestaat op een uittreksel of een kopie van volledige documenten, hangt dus af van de vraag of dat noodzakelijk is om de verstrekte informatie gemakkelijk te begrijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bescherming van de rechten van derden 18.23 Het recht op inzage in verwerkte persoonsgegevens dat de AVG de betrokkene biedt, is niet onbeperkt. In art. 15 lid 4 AVG is bepaald dat het recht om een kopie te krijgen van een de persoonsgegevens geen afbreuk doet aan de rechten en vrijheden van anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.24 Art. 23 lid 1 AVG bepaalt verder dat de reikwijdte van de verplichtingen en rechten als bedoeld in (onder meer) art. 15 AVG kan worden beperkt door middel van Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing zijn, op voorwaarde dat de beperking de wezenlijke inhoud van grondrechten en fundamentele vrijheden onverlet laat en in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van één of meerdere belangen, die in de bepaling zijn opgesomd onder a tot en met j.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.25 De rechten of vrijheden van derden mogen er dus er niet toe leiden dat er in het geheel géén inzage in persoonsgegevens wordt verstrekt. Bovendien moet de beperking noodzakelijk en evenredig zijn in verband met de specifieke belangen genoemd onder a tot en met j van art. 23 lid 1 AVG.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.26 Onder i van art. 23 lid 1 AVG zijn als een van de belangen ter waarborging waarvan het inzagerecht van art. 15 AVG kan worden beperkt, vermeld: de bescherming van betrokkene en de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.27 Aan art. 23 lid 1 AVG is uitvoering gegeven in art. 41 UAVG. In lid 1 van art. 41 UAVG is bepaald dat de verwerkingsverantwoordelijke de verplichtingen en rechten, bedoeld in de art. 12 tot en met 21 en art. 34 AVG, buiten toepassing laten voor zover dat noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van, onder meer, de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen (onder i). Op de bescherming van de betrokkene zal hierna worden ingegaan (zie onder 18.39 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">18.28 Verder is in lid 2 van art. 41 UAVG een opsomming gegeven van de aspecten van gegevensverwerkingen die de verwerkingsverantwoordelijke moet betrekken bij zijn beoordeling of een van de uitzonderingen genoemd in lid 1 zich voordoet: “Bij de toepassing van het eerste lid houdt de verwerkingsverantwoordelijke rekening met in ieder geval, voor zover van toepassing: a. de doeleinden van de verwerking of van de categorieën van verwerking; b. de categorieën van persoonsgegevens; c. het toepassingsgebied van de ingevoerde beperkingen; d. de waarborgen ter voorkoming van misbruik of onrechtmatige toegang of doorgifte; e. de specificatie van de verwerkingsverantwoordelijke of de categorieën van verwerkingsverantwoordelijken; f. de opslagperiodes en de toepasselijke waarborgen, rekening houdend met de aard, de omvang en de doeleinden van de verwerking of van de categorieën van verwerking; g. de risico's voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen; en h. het recht van betrokkenen om van de beperking op de hoogte te worden gesteld, tenzij dit afbreuk kan doen aan het doel van de beperking.”</p>\n<p class=\"lf-p\">18.29 De enkele mogelijkheid dat de rechten of vrijheden van derden worden geraakt door de uitoefening van het inzagerecht van een betrokkene, is echter niet voldoende. De verwerkingsverantwoordelijke moet aantonen dat die rechten of vrijheden daadwerkelijk worden getroffen (“would, in fact, be impacted”). Zie de Guidelines, met een voorbeeld over het recht op inzage in kinderbeschermingsdossiers die berusten bij een “youth welfare office”: “172. The general concern that rights and freedoms of others might be affected by complying with the request for access, is not enough to rely on Art. 15 (4) GDPR. The controller must be able to demonstrate that in the concrete situation, rights or freedoms of others would, in fact, be impacted.</p>\n<p class=\"lf-p\">Example 34: A person who is now an adult was cared for by the youth welfare office over a number of years in the past. The corresponding files may possibly contain sensitive information about other persons (parents, social workers, other minors). However, a request for information from the data subject cannot generally be rejected for this reason with reference to Art. 15(4) GDPR. Rather, the rights and freedoms of others must be examined in detail and demonstrated by the youth welfare office as the controller. Depending on the interests in question and their relative weight, providing such specific information may be rejected (e.g. by redacting names).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">173.</span>With regard to Recital 4 GDPR and the rationale behind Art. 52(1) of the European Charter of Fundamental Rights, the right to protection of personal data is not an absolute right. Hence also the exercise of the right of access has to be balanced against other fundamental rights in accordance with the principle of proportionality. When the Art. 15(4) GDPR assessment proves that complying with the request has adverse (negative) effects on other participants’ rights and freedoms (step 1), the interests of all participants need to be weighed taking into account the specific circumstances of the case and in particular the likelihood and severity of the risks present in the communication of the data. The controller should try to reconcile the conflicting rights (step 2), for example through the implementation of appropriate measures mitigating the risk to the rights and freedoms of others. As emphasised in Recital 63, protecting the rights and freedoms of others by virtue of Art. 15(4) GDPR should not result in a refusal to provide all information to the data subject. This means, for example, where the limitation applies, that information concerning others has to be rendered illegible as far as possible instead of refusing to provide a copy of the personal data. However, if it is impossible to find a solution of reconciliation of the relevant rights, the controller has to decide in a next step which of the conflicting rights and freedoms prevails (step 3).”</div>\n<p class=\"lf-p\">18.30 Aan de hand van een gedetailleerde beoordeling moet dus bekeken worden of er sprake is van een concrete aantasting van de rechten van derden. Vervolgens zal (i) moeten worden bepaald hoe zwaar die belangen in het concrete geval wegen, en zal (ii) zo nodig moeten worden getracht om de conflicterende rechten toch te verzoenen, bijvoorbeeld door het weglakken van een naam. Pas als dat niet mogelijk blijkt te zijn, moeten (iii) het belang van verzoeker moeten worden afgewogen tegen de belangen van de derden en moet beoordeeld worden welk belang het zwaarste wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.31 De eis van noodzakelijkheid en evenredigheid van een beperking die is opgenomen in art. 23 lid 1 AVG, is ook benoemd door het HvJ in de zaak FT/DW. Overwogen werd dat een beperking (van het inzagerecht) de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden onverlet laat en een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van die bescherming. Een beperking van het inzagerecht op grond van een van de in art. 23 lid 1 opgesomde belangen, moet dus steeds worden getoetst aan de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.32 Verder geldt dat een beperking op het inzagerecht in overeenstemming moet zijn met de eisen van het Handvest van de EU en het EVRM (preambule AVG, nr. 73). Ditzelfde is te lezen in de door de EDPB over art. 23 AVG opgestelde Guidelines (hierna: Guidelines art. 23).</p>\n<p class=\"lf-p\">18.33 In de Guidelines art. 23 is nadrukkelijk vermeld dat beperkingen op (onder meer) de rechten van ‘data subjects’ “should be seen as exceptions to the general rule allowing the exercise of rights and imposing the obligations enshrined in the GDPR. As such, restrictions should be interpreted narrowly, only be applied in specifically provided circumstances and only when certain conditions are met.”De mogelijkheid om op grond van art. 23 AVG (onder meer) inzagerechten te beperken, moet dus eng worden geïnterpreteerd.Herhaald wordt dat “restrictions that are extensive and intrusive to the extent that they void a fundamental right of its basic content, cannot be justified” (vgl. onder 18.25 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">18.34 Over de eis van noodzakelijkheid en proportionaliteit is in de Guidelines art. 23 onder meer het volgende vermeld: “41. The objective to be safeguarded provides the background against which the necessity of the measure may be assessed. It is therefore important to identify the objective in sufficient detail so as to allow the assessment on whether the measure is necessary. For example, if in administrative proceedings it is necessary to restrict part of the investigation, but some information can already be disclosed to the data subjects concerned, then that information should be provided to the person. The case law of the CJEU applies a strict necessity test for any limitations on the exercise of the rights to personal data protection and respect for private life with regard to the processing of personal data: ‛derogations and limitations in relation to the protection of personal data (...) must apply only insofar as is strictly necessary’. The ECtHR applies a test of strict necessity depending on the context and all circumstances at hand, such as with regard to secret surveillance measures.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">42.</span>If this test is satisfied, the proportionality of the envisaged measure will be assessed. Should the draft measure not pass the necessity test, there is no need to examine its proportionality. A measure which is not proved to be necessary should not be proposed unless and until it has been modified to meet the requirement of necessity.”</div>\n<p class=\"lf-p\">18.35 De noodzakelijkheidstoets gaat dus vooraf aan de proportionaliteitstoets; als die niet wordt gepasseerd wordt niet toegekomen aan proportionaliteit. Bovendien geldt dat de noodzakelijkheidstoets strikt moet worden ingevuld; een beperking moet ‘strikt noodzakelijk’ zijn met het oog op de in art. 23 AVG genoemde belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.36 Uit het voorgaande volgt dat de vraag of er grond is voor een beperking van het inzagerecht aldus moeten worden getoetst:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de beperking moet een wettelijke grondslag hebben;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de beperking moet de essentie van het recht op inzage niet aantasten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de beperking moet tot doel hebben om hetzij een algemeen belang te dienen, hetzij de rechten en vrijheden van derden te beschermen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de beperking moet noodzakelijk zijn;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de beperking moet proportioneel zijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">18.37 In het kader van de noodzakelijkheids- en proportionaliteitstoets moet op detailniveau worden vastgesteld dat het inzagerecht de vrijheden of rechten van derden daadwerkelijk aantast. Ook moet in dat kader de ernst van die aantasting worden gewogen, in het licht van het gewicht van de belangen van die derden, afgezet tegen de belangen van betrokkene (zie het voorbeeld geciteerd onder 18.29).</p>\n<p class=\"lf-p\">18.38 Dit betekent dat het m.i. niet juist is om in zijn algemeenheid te spreken over het maken van een belangenafweging in het kader van art. 23 AVG. Uitgangspunt is het (door art. 8 EVRM en art. 7 Handvest EU beschermde) fundamentele recht op inzage; slechts onder strikte voorwaarden kan daarop een uitzondering worden gemaakt. Dit volgt in feite ook uit het stappenplan dat hiervoor is geciteerd (zie onder 18.30).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bescherming van de betrokkene 18.39 Genoemd is al dat op grond van art 41 lid 1 onder 1 UAVG het inzagerecht van art. 23 AVG buiten toepassing kan worden gelaten in verband met de bescherming van de betrokkene (zie onder 18.27). Net als bij de bescherming van de rechten van derden zal bij de toepassing van deze uitzondering in ieder geval rekening moeten worden gehouden met de aspecten die zijn opgesomd in art. 41 lid 2 UAVG (zie onder 18.28). Daarbij zal een op de concrete zaak toegespitste belangenafweging moeten worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.40 Verder geldt ook hier dat toepassing van de uitzondering in verband met de bescherming van de betrokkene, er niet toe kan leiden dat helemaal geen inzage of afschrift wordt gegeven. Dat zou in strijd zijn met de regel van art. 23 lid 1 AVG, dat de beperking de wezenlijke inhoud van grondrechten en fundamentele vrijheden onverlet laat (zie onder 18.24-18.25).</p>\n<p class=\"lf-p\">18.41 De beperking in verband met de bescherming van de betrokkene zal ten slotte ook moeten voldaan aan de noodzakelijkheids- en proportionaliteitsvereisten (vgl. onder 18.27 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">18.42 Art. 12 lid 1 AVG bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke passende maatregelen neemt opdat de betrokkene de in art. 15 bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, in het bijzonder wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is. De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien dit passend is, elektronische middelen, verstrekt. Art. 12 lid 2 AVG bepaalt onder meer dat de verwerkingsverantwoordelijke de uitoefening van de rechten van de betrokkene uit hoofde van art. 15 AVG faciliteert.</p>\n<p class=\"lf-p\">19Gegevensverwerking bij de gerechten in procesdossiers Gerechten en de AVG 19.1 De AVG geldt ook voor de verwerking van persoonsgegevens door de gerechten van de lidstaten. Niet alleen strekt het toepassingsbereik van de AVG zich uit tot elke bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, ongeacht de aard ervan. Ook is in de AVG geen uitzondering gemaakt voor gerechten. Integendeel, in nr. 20 van de considerans bij de AVG is expliciet vermeld dat de AVG “onder meer van toepassing is op de activiteiten van gerechten en andere rechterlijke autoriteiten”.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.2 Op grond van art. 55 lid 3 AVG vallen gerechten buiten het toezicht van de Autoriteit Persoonsgegevens voor zover het gaat om verwerkingen bij de uitoefening van hun rechterlijke taken. In de zaak X/Autoriteit Persoonsgegevens oordeelde het HvJ dat het tot de uitoefening door een gerecht van zijn ‘rechterlijke taken’ in de zin van deze bepaling behoort om uit een gerechtelijke procedure afkomstige stukken waarin persoonsgegevens zijn opgenomen tijdelijk ter beschikking te stellen aan journalisten om hen in staat te stellen beter verslag te doen van het verloop van die procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3 Het toezicht op gegevensverwerking door gerechten is op grond van de ‘Regeling toezicht verwerking persoonsgegevens door gerechten en het parket bij de Hoge Raad’ neergelegd bij aan de functionarissen voor gegevensbescherming en de procureur-generaal bij de Hoge Raad (art. 1 van de Regeling).</p>\n<p class=\"lf-p\">19.4 In art. 3 van de genoemde Regeling is bepaald dat verwerkingsverantwoordelijken bij de rechtbanken de gerechtsbesturen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesdossier is een bestand 19.5 Het lijdt geen twijfel dat een procesdossier – per definitie, aldus A-G Bobek in zijn conclusie voor de eerder genoemde zaak X/Autoriteit Persoonsgegevens – een ‘bestand’ in de zin van art. 4, punt 6, AVG is, omdat het een gestructureerd geheel van (persoons)gegevens vormt die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn. Daarmee vallen procesdossiers onder het materiële toepassingsbereik van de AVG (vgl. hiervoor onder 18.3 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Privacyverklaring rechtspraak 19.6 In de op de website van de rechtspraak vermelde privacyverklaring is onder meer het volgende te lezen: “U heeft de volgende rechten met betrekking tot de verwerking van uw persoonsgegevens:  Recht op informatie over welke persoonsgegevens de Rechtspraak over u registreert  Recht op inzage in registraties of zaaksdossiers met uw persoonsgegevens  Recht op correctie, beperking of verwijdering van persoonsgegevens  Recht op overdraagbaarheid van persoonsgegevens  Recht om u te verzetten tegen de verwerking van persoonsgegevens  Recht op intrekken van toestemming voor verwerking  Recht om een klacht in te dienen over de verwerking van persoonsgegevens Als uw vraag gaat over een (lopende) rechtszaak zijn uw rechten beperkt. Zo kunt u niet met een beroep op bovengenoemde rechten een afschrift ontvangen van uw gehele dossier, de inhoud van uw rechtszaak corrigeren of u daartegen verzetten. Dit kunt u alleen doen tijdens de rechtszaak zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe maak ik gebruik van mijn privacyrechten?</p>\n<p class=\"lf-p\">Formulier privacyverzoek U kunt het formulier privacyverzoek (…) per post sturen naar het gerecht waar uw rechtszaak diende of naar de Raad voor de rechtspraak t.a.v. de coördinator informatieverzoeken. De Rechtspraak mag u op basis van dit formulier alleen informatie verstrekken over uw eigen persoonsgegevens en niet over andere betrokkenen. (…) Let op: niet voor reguliere inzage in het dossier van een lopende rechtszaak Het formulier privacyverzoek is niet bedoeld voor reguliere inzage in het dossier van een lopende rechtszaak. In dat geval kunt u of uw advocaat zich rechtstreeks wenden tot het gerecht waar uw zaak loopt met het verzoek om een 'reguliere inzage'.”</p>\n<p class=\"lf-p\">19.7 Hoewel deze passages niet heel duidelijk zijn, lijkt daaruit te kunnen worden opgemaakt dat de rechtspraak in beginsel faciliteert dat betrokkenen inzage kunnen krijgen in persoonsgegevens die zich bevinden in processtukken uit afgesloten rechtszaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.8 Er zijn nauwelijks voorbeelden van rechterlijke uitspraken over AVG-verzoeken tot inzage in een door een gerecht procesdossier geregistreerde persoonsgegevens. Ik heb slechts een tweetal uitspraken van de rechtbank Rotterdam gevonden. Daarin werd het verzoek afgewezen. In een overweging ten overvloede overwoog de rechtbank het volgende: “3.5. Artikel 15 lid 3 AVG geeft recht op verstrekking van een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Stukken als zodanig zijn geen persoonsgegevens en in de AVG wordt niet gesproken over het verstrekken van een kopie van de bescheiden waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt. Het recht op inzage betekent dan ook niet dat de betrokkene zonder meer recht heeft op inzage in of kopieën van de stukken of dossiers als zodanig als daarin zijn persoonsgegevens voorkomen. Wel bestaat een recht op een volledig overzicht, in begrijpelijke vorm, van alle persoonsgegevens. Dat wil zeggen in een vorm die de betrokkene in staat stelt kennis te nemen van zijn gegevens en te controleren of zij juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt. Voor zover daaraan kan worden voldaan met een andere vorm van verstrekking kan de betrokkene aan de AVG niet het recht ontlenen om een afschrift te krijgen van het originele document of bestand waarin de gegevens staan (HvJ 17 juli 2014, ECLI:EU:C:2014:2081). In welke concrete materiële vorm de gegevens moeten worden verstrekt, is daarom afhankelijk van de concrete omstandigheden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">19.9 Gezien wat hiervoor is opgemerkt over het recht op een kopie van persoonsgegevens die worden verwerkt (zie onder 18.19 e.v.), lijkt het mij de vraag of deze overweging juist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondslag gegevensverwerking door gerechten 19.10 Verder is nog op te merken dat voor de verwerking van persoonsgegevens door gerechten ten behoeve van de behandeling van een rechtszaak een grondslag kan worden gevonden in art. 6 lid 1, aanhef en onder e, AVG (uitoefening taak van openbaar belang), in verbinding met art. 23 RO. Dit volgt uit de eerder besproken uitspraak van de Hoge Raad over openbaarheid van rechtspraak (zie par. 4). Het is recentelijk bevestigd door de vierde kamer van de Hoge Raad, naar aanleiding van een vordering van de procureur-generaal ten aanzien van de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens door de gerechten in het E-archief. De uitspraak sluit aan bij een eerdere uitspraak van het HvJ over de verwerking van persoonsgegevens door gerechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.11 Het verstrekken van inzage in een afgesloten procesdossier waarom het in deze procedure gaat, is echter ook een vorm van verwerking van persoonsgegevens (maar niet ten behoeve van de behandeling van een rechtszaak). Ook hiervoor kan een grondslag worden gevonden in de AVG, omdat het gaat om een verdere verwerking van persoonsgegevens in de zin van art. 5, lid 1 onder b, en art. 6 lid 4 AVG. Daarvoor is in beginsel vereist dat het doel van de verdere verwerking niet onverenigbaar is met het doel van de oorspronkelijke verwerking (het verwerken van persoonsgegevens ten behoeve van de behandeling van een rechtszaak). Voor het verstrekken van inzage of afschriften in gevallen als het onderhavige is het echter niet nodig om na te gaan of deze verwerking onverenigbaar is met het doel van de oorspronkelijke verwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verstrekken van inzage in processtukken of afschriften daarvan buiten de behandeling van een rechtszaak op grond van art. 15 AVG berust hier namelijk op de toestemming van verzoeker en beschermt de rechten en vrijheden van verzoeker. Op grond van art. 6 lid 4 AVG in verbinding met nr. 50 van de preambule van de AVG is het dan niet nodig om na te gaan of het doel van deze verdere verwerking onverenigbaar is met het doel van de oorspronkelijke verwerking. In dit verband geldt art. 15 AVG als een Unierechtelijke bepaling die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23 lid 1 AVG bedoelde doelstelling “de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen” (in de zin van art. 6 lid 4 AVG).</p>\n<p class=\"lf-p\">19.12 Bij de verdere verwerking van persoonsgegevens moeten de beginselen van de AVG worden toegepast. Dat betekent dat ook andere betrokkenen (dus derden) moeten worden geïnformeerd over de (doeleinden van) de verdere verwerking en over hun rechten, waaronder het recht om bezwaar te maken (art. 13 lid 3 AVG, art. 14 lid 4 AVG, en art. 21 AVG).</p>\n<p class=\"lf-p\">19.13 Als ik het goed zie, is het niet verplicht om óók te vragen om de zienswijze van een derde over het voornemen tot verdere verwerking (dus het verstrekken van inzage in de dossiers aan iemand als betrokkene). Toestemming van een derde is niet als uitgangspunt vereist en inzage kan in beginsel ook worden verstrekt als een derde niet kan worden bereikt. Maar omdat hoe dan ook beoordeeld zal moeten worden of sprake is van de aantasting van de belangen van die derden, ligt het m.i. in de rede om naar hun zienswijze wél te vragen. Het is immers niet uit te sluiten dat de derde gewoon toestemming geeft, waarmee de beoordeling van het verzoek om informatie een stuk eenvoudiger wordt. En als er bezwaar wordt gemaakt tegen een (gedeeltelijk) toewijzend of afwijzend besluit door de verwerkingsverantwoordelijke, zal in ieder geval wél om een zienswijze moeten worden gevraagd (zie hierna onder 20.5 e.v.).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">20.</span>Toepassing van de AVG op verzoeken om inzage/afschrift in een afgesloten jeugdbeschermingsdossiers 20.1 In dit hoofdstuk zal worden uitgewerkt wat het voorgaande concreet betekent voor een verzoek om inzage in een afgesloten jeugdbeschermingsdossier.</div>\n<p class=\"lf-p\">Procedurele aspecten 20.2 Op een op grond van de art. 15-22 AVG gebaseerd verzoek om inzage in persoonsgegevens moet de verwerkingsverantwoordelijke – dat is dus het gerechtsbestuur – onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek informeren over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. Dit volgt uit art. 34 UAVG jo. art. 12 lid 3 AVG. Wanneer het om een complex verzoek gaat, kan de beslistermijn met twee maanden wordt verlengd. Dit betekent dat verzoeker binnen een maand in ieder geval een eerste reactie dient te krijgen van het gerecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.3 Bij de beslissing op het verzoek zal het gerecht de regels van de AVG moeten naleven, nu het gaat om een vorm van ‘verdere verwerking’ van persoonsgegevens (zie onder 19.11). Dat betekent dat als zich persoonsgegevens van derden in het procesdossier van betrokkene bevinden – en dat zal zo zijn – die derden op de hoogte moeten worden gesteld van het inzageverzoek en moeten worden gewezen op de mogelijkheid om bezwaar te maken (zie onder 19.12).</p>\n<p class=\"lf-p\">20.4 Als geen bezwaar wordt gemaakt, zal de rechtbank zelf moeten beoordelen of inzage of afschrift kan worden verstrekt (zie hierna onder 20.12 e.v.). Om duidelijkheid te verkrijgen zou kunnen worden gevraagd of toestemming wordt verleend en zo nee, waarom niet (vgl. onder 19.13).</p>\n<p class=\"lf-p\">20.5 Als een derde wél bezwaar maakt, zou de rechtbank betrokkenen kunnen oproepen om, zo nodig, nader toe te lichten wat de bezwaren precies inhouden. Het is belangrijk dat de rechtbank daar goed zicht op heeft, omdat vereist is dat gedetailleerd in kaart wordt gebracht wat de mogelijke belangen van derden precies zijn, wat het gewicht daarvan is en in hoeverre die belangen worden geschaad door het verzoek van betrokkene (zie hiervoor onder 18.30 en ook hierna onder 20.21).</p>\n<p class=\"lf-p\">20.6 Het is denkbaar dat het lastig is voor de derde om een gemotiveerd standpunt in te nemen over het verzoek om toestemming te verlenen, omdat hij of zij niet meer goed weet wat de informatie precies inhoudt. Dit is een lastig punt. Het lijkt mij niet de bedoeling dat de stukken eerst weer (ter informatie) naar de derde worden toegezonden, omdat dan betrokkene zelf (en wellicht ook anderen) daar dan weer eerst toestemming voor zou moeten geven. Dan komen we in een loop terecht. Wellicht is het het meest praktisch om, als de derde hier een punt van maakt, hem of haar op te roepen voor een mondelinge behandeling en het daar te bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.7 Vervolgens zal een besluit moeten worden genomen op het verzoek van betrokkene. Op de inhoudelijke afwegingen die moeten worden gemaakt, zal hierna worden ingegaan (zie onder 20.12 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">20.8 Omdat een gerecht geen bestuursorgaan is, is geen sprake van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (art. 34 UAVG). Er staat dus geen bestuursrechtelijke rechtsgang open voor wie het niet eens is met het besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.9 Wel kan diegene (hetzij betrokkene, hetzij derden) zich tot de civiele rechter wenden met het schriftelijk verzoek de verwerkingsverantwoordelijke te bevelen het verzoek alsnog toe of af te wijzen (art. 35 lid 1 UAVG). De regels van de verzoekschriftprocedure zijn van toepassing. Het verzoekschrift hoeft niet door een advocaat te worden ingediend (art. 35 lid 4 UAVG). Op grond van art. 35 lid 3 UAVG stelt de rechtbank zo nodig de belanghebbenden in de gelegenheid hun zienswijze naar voren te brengen, voordat de rechtbank op het verzoek beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.10 Het staat de betrokkene tevens vrij in kort geding een voorlopige voorziening te vorderen, zowel vooruitlopend op een herhaald verzoek aan de verwerkingsverantwoordelijke als nadat een dergelijk verzoek is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.11 Als een gerecht geconfronteerd wordt met een procedure naar aanleiding van een besluit tot weigering om inzage te verstrekken, ligt het m.i. in de rede dat de zaak naar een andere rechtbank wordt verwezen (art. 46b en 62b Wet RO). Anders zou de rechtbank moeten oordelen over haar eigen besluit tot toe- of afwijzing van het verstrekken van inzage of afschrift in de procesdossiers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudelijke aspecten 20.12 Voor wat betreft het inhoudelijke besluit van de rechtbank om al dan niet inzage of afschrift te verstrekken, beperk ik mij hier tot een verzoek als dat van betrokkene, dus een verzoek van een persoon die inzage wil in jeugdbeschermingsdossiers die op hem zelf betrekking hebben, en dat tot doel heeft om informatie te krijgen over de eigen kindertijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.13 Bij andersoortige verzoeken – bijvoorbeeld afkomstig van een ouder of andere familieleden – zal het afwegingskader anders moeten worden ingevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.14 Uitgangspunt is dat art. 15 AVG, in verbinding met art. 12 AVG, een grondslag biedt voor het verkrijgen van inzage in de persoonsgegevens van betrokkene die zijn opgenomen in de procesdossiers waarin ten aanzien van hem jeugdbeschermingsmaatregelen zijn uitgesproken. Hetzelfde geldt voor de dossiers waarin de ouders van betrokkene uit de ouderlijke macht zijn ontzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.15 Op zichzelf is voor de uitoefening van het inzagerecht van art. 15 AVG niet vereist dat een reden voor het verzoek wordt gegeven (zie onder 18.7). Een verzoeker hoeft dus niet toe te lichten waarom hij de gegevens wil ontvangen. Overigens heeft betrokkene in de voorliggende zaak een heel duidelijke reden gegeven voor zijn verzoek: het verkrijgen van informatie over zijn vroege kinderjaren om duidelijkheid te krijgen over zijn persoonlijke geschiedenis. Deze reden is een belang dat beschermd wordt door art. 8 EVRM (zie hoofdstuk 14). Ook art. 8 IVRK beschermt dit belang (zie hoofdstuk 13).</p>\n<p class=\"lf-p\">20.16 Verder biedt art. 15 AVG in beginsel een grondslag voor het verkrijgen van een kopie van de bedoelde dossiers (en niet slechts een uittreksel), omdat een kopie van het dossier noodzakelijk is om de verwerkte persoonsgegevens in hun context te plaatsen en aldus de begrijpelijkheid van die gegevens voor betrokkene te waarborgen (zie hiervoor onder 18.19 e.v.). Hierbij moet bedacht worden dat het doel dat betrokkene nastreeft met het verkrijgen van inzage, bij uitstek gericht is op het verkrijgen van begrijpelijke gegevens, die hem inzicht kunnen bieden in zijn vroege kinderjaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.17 Voor zover processtukken persoonsgegevens van andere personen bevatten die niet tevens persoonsgegevens van verzoeker zijn, zal op grond van art. 23 lid 1, sub i, AVG in verbinding met art. 41 lid 1, aanhef en onder i, UAVG moeten worden beoordeeld of met het oog op die belangen het recht op inzage moet worden beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.18 Bij deze beoordeling zal het fundamentele recht van betrokkene op inzage in zijn dossiers voorop moeten worden gesteld. Dat volgt niet alleen uit het systeem van de AVG (zie onder 18.23 e.v.). Het volgt ook uit het door het EHRM onder art. 8 EVRM erkende – en als essentieel bestempelde – recht op informatie over de eigen geschiedenis (zie hoofdstuk 14). Zoals besproken moeten beperkingen op het recht op inzage in persoonsgegevens in overeenstemming zijn met het EHRM-kader (zie onder 18.32). Ook het IVRK erkent het recht op informatie over de eigen persoonlijke geschiedenis (zie hoofdstuk 13).</p>\n<p class=\"lf-p\">20.19 Hier is sprake van een analogie met de rechtspraak van de Hoge Raad over het afstammingsrecht; ook daarin wordt steeds het belang van het kind voorop gesteld (zie hoofdstuk 11).</p>\n<p class=\"lf-p\">20.20 Voor wat betreft de nadere invulling van de concrete belangenafwegingen die moeten worden gemaakt, is het volgende van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.21 In elk procesdossier zal aan de hand van een gedetailleerde beoordeling moeten worden beoordeeld of er sprake is van een concrete aantasting van de rechten of belangen van derden, en hoe ernstig die aantasting in het concrete geval is, gelet op alle omstandigheden van het geval (zie onder 20.5). Als er een concrete aantasting van rechten van derden dreigt zal eerst moeten worden getracht de conflicterende belangen te verzoenen (zie onder 18.30). Pas als dat niet mogelijk is wordt toegekomen aan een belangenafweging. Daarbij moet steeds worden gekeken of een mogelijke beperking voldoet aan de eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit (zie onder 18.27 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">20.22 Voor wat betreft een mogelijke aantasting van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de ouders van betrokkene: in de verhouding tot het belang van het kind om informatie te verkrijgen over zijn eigen geschiedenis lijkt dit belang mij in het algemeen van minder gewicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.23 Voor wat betreft de mogelijke aantasting van rechten van andere familieleden geldt het volgende. In bijna alle dossiers zullen stukken zitten waarin – in hetzelfde stuk – zowel de situatie van betrokkene als die van zijn broers en zussen wordt besproken. De persoonsgegevens van betrokkene zullen dus in veel gevallen zodanig zijn verweven met die van andere gezinsleden, dat zij daarvan niet te scheiden zijn (zie ook onder 8.19 en 8.20). Deze stukken kunnen m.i. in beginsel worden verschaft aan betrokkene, zonder dat de (vaak zeer summiere) gegevens over zijn broers en zussen te hoeven worden weggelakt. Dit is ook de werkwijze van gecertificeerde instellingen (zie hoofdstuk 8). In dit verband is te herhalen dat het in het algemeen aanbeveling verdient dat in zaken waarom het hier gaat – waarin een inmiddels volwassen persoon zijn persoonlijke geschiedenis probeert te achterhalen – zo ruim mogelijk informatie wordt verschaft, en zo min mogelijk informatie onleesbaar wordt gemaakt. Dit volgt uit de sociaalwetenschappelijke literatuur (zie hoofdstuk 12), maar is ook het uitgangspunt in de AVG, waar het gaat om eigen persoonsgegevens (zie onder 18.19).</p>\n<p class=\"lf-p\">20.24 Maar als het gaat om stukken die uitsluitend betrekking hebben op één van de broers en zussen (of andere familieleden) en die in feite losstaan van betrokkene, dan is sprake van zelfstandige gegevens. Als deze gegevens niet raken aan de belangen van betrokken kunnen deze gegevens in beginsel niet kunnen worden verstrekt (behoudens toestemming). Als de gegevens wél raken aan de belangen van betrokkene, kunnen ze dat wellicht wel, maar zal een afweging moeten worden gemaakt (zie ook de toelichting op het Privacyreglement dat door Jeugdzorg Nederland is opgesteld, onder 8.11). Zoals gezegd, zal daarbij éérst moeten worden getracht om de conflicterende rechten toch te verzoenen, bijvoorbeeld door het weglakken van een naam. Pas als dat niet mogelijk blijkt te zijn, moeten de belangen van betrokkene worden afgewogen tegen de belangen van de derden (vgl. onder 18.29).</p>\n<p class=\"lf-p\">20.25 Het dossier waarin de ouders op verzoek van het openbaar ministerie uit het ouderlijk gezag zijn ontzet, kan afwijkend zijn omdat daarin wellicht (als bijlage bij het verzoekschrift) ook stukken uit de strafzaak tegen de ouders zijn gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.26 Gelet op het feit dat betrokkene als minderjarige van twaalf jaar of ouder op grond van art. 811 lid 1 Rv inzage en afschrift van het verzoekschrift van het openbaar ministerie zou hebben kunnen krijgen (inclusief bijlagen, zie onder 5.3 e.v.) als het om een lopende rechtszaak zou zijn gegaan, ligt het m.i. in de rede dat betrokkene ook nu in beginsel inzage en afschrift kan krijgen van het verzoekschrift, inclusief bijlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.27 Wel had op grond van art. 811 lid 2 Rv dit recht kunnen worden ingeperkt als dit nodig zou zijn geweest voor de bescherming van de rechten van derden (zie onder 5.10 e.v.). Dan had beoordeeld moeten worden of het weigeren van kennisneming van die stukken nodig is voor de bescherming van de rechten van derden, aan de hand van het hiervoor beschreven toetsingskader (zie onder 20.21 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">20.28 Voor wat betreft de rechterlijke uitspraak in de strafzaak is dat m.i. niet het geval. Voor het verstrekken van die uitspraak is namelijk ook een basis in het strafrecht te vinden, zij het dat die basis ook betekenis toekent aan belangen van anderen dan verzoeker (art. 365 lid 4 Sv, zie hoofdstuk 9). Maar als in het dossier zich ook stukken zouden bevinden die specifiek en uitsluitend betrekking hebben op anderen dan betrokkene, zoals de ouders, zou ik denken dat de in het kader van art. 8 EVRM te maken belangenafweging uitvalt in het nadeel van betrokkene. Tenzij, uiteraard, de ouders – na door de rechtbank in de gelegenheid zijn gesteld zich hierover uit te laten – daarvoor toestemming zouden geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.29 Ook voor eventuele anderen dan de broers en zussen en de ouders van betrokkene zal moeten worden beoordeeld of sprake is van een mogelijke aantasting van hun rechten of belangen door het verstrekken van informatie. Als gezegd, zal steeds aan de hand van een gedetailleerde beoordeling moeten worden beoordeeld of er sprake is van een concrete aantasting van de rechten of belangen van die derden. Vervolgens zal moeten worden bepaald hoe zwaar die belangen in het concrete geval wegen, en zal zo nodig moeten worden getracht om de conflicterende rechten toch te verzoenen, bijvoorbeeld door het weglakken van een naam. Pas als dat niet mogelijk blijkt te zijn, moeten de belangen van betrokkene worden afgewogen tegen de belangen van de derden (behoudens instemming van de derden).</p>\n<p class=\"lf-p\">20.30 In zijn algemeenheid is hierbij wel aan te tekenen dat het niet voor de hand ligt dat een betrokkene – als volwassene – níet de beschikking krijgt over stukken, die hij op grond van art. 811 lid 1 Rv als minderjarige van twaalf jaar of ouder wél zou hebben gekregen. Dat bevestigt dat gestreefd moet worden naar een zo volledig mogelijke verstrekking van het dossier en dat de in art. 811 lid 1 Rv bedoelde stukken, hoe sensitief die ook kunnen zijn, daar in beginsel niet uit moeten worden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">21Wijze van verstrekking van de dossiers 21.1 In hoofdstuk 12 is besproken dat er in de sociaalpsychologische literatuur veel geschreven is over het belang van toegang tot kinderbeschermingsdossiers. Deze literatuur is grotendeels toegespitst op dossiers die bij kinderbeschermingsorganisaties (kindertehuizen, overheidsinstanties) zijn opgebouwd en bewaard, specifiek met het oog op kinderen die hun jeugd in kindertehuizen of pleeggezinnen hebben doorgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.2 Een aantal aandachtspunten die uit de literatuur naar voren komt, is m.i. ook relevant voor het toegang krijgen tot een procesdossier door mensen die in hun jeugd te maken hebben gehad met kinderbeschermingsmaatregelen (zoals betrokkene). Ook voor hen geldt immers dat zij een sterke behoefte hebben om meer te weten te komen over wat er in hun (vroege) jeugdjaren is overkomen, dat zij daarvoor lang niet altijd bij hun ouders terecht kunnen en dat zij voor die informatie zijn aangewezen op dossiers die bij verschillende instanties berusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.3 Ook voor het kennisnemen van informatie die is opgeslagen in de rechtbankdossiers bestaat het risico van hertraumatisering als er geen begeleiding wordt geboden (zie onder 12.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">21.4 Bij de verstrekking van inzage of afschrift in een procesdossier zou er daarom ook aandacht moeten zijn voor het volgende aandachtspunten (zie ook onder 12.15):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Biedt ondersteuning aan:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Stel de dossiers zorgvuldig samen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Verstrek zoveel mogelijk informatie, maak zo weinig mogelijk informatie onleesbaar en geef als dat toch nodig is, uitleg.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Verstrek contextuele informatie 21.5 Deze aandachtspunten passen ook binnen de AVG. Besproken is dat de verwerkingsverantwoordelijke een zorgplicht kan hebben bij de verstrekking van gegevens, met name als het gaat om een kind of een ander kwetsbare personen. Die zorgplicht vereist dat de informatie begrijpelijk en toegankelijk wordt aangeboden, en zo nodig wordt voorzien van aanvullende informatie (zie onder 18.14-18.15). Het simpelweg ‘over de schutting gooien’ van informatie is dus óók ‘AVG-technisch’ niet toegestaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">21.6 Ook in de parlementaire toelichting op het Wetsvoorstel kind, draagmoederschap en afstamming is gewezen op het belang van begeleiding bij inzage door een kind van het dossier in het draagmoederschapsregister (zie onder 11.16). Ook is gewezen op het belang van het verstrekken van contextuele informatie (zie onder 11.18).</p>\n<p class=\"lf-p\">21.7 De vraag rijst hoe deze aandachtspunten binnen de omgeving van het verstrekken van een procesdossier door een gerecht zouden kunnen worden ingevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.8 Voor wat betreft het eerste en vierde aandachtspunt, ondersteuning en contextuele informatie, zou een mogelijkheid kunnen zijn dat aan betrokkene wordt gevraagd om een voorstel te doen voor aanwijzing van een derde (analoog aan art. 22a lid 1 Rv, zie onder 5.19 e.v.), aan wie het dossier wordt verstrekt en die de betrokkene ondersteunt bij de kennisneming van de informatie. Idealiter zou die derde ook contextuele informatie moeten kunnen verschaffen (bijvoorbeeld over de manier waarop de rechtbank een verzoek om een beschermende maatregel toetst). Mogelijk zouden de gerechten ook een informatieblad kunnen opstellen, dat als (juridische) handleiding bij de raadpleging van het dossier door iemand als betrokkene kan fungeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.9 Als een betrokkene echter geen tussenkomst van een derde wil, zal dat denk ik moeten worden aanvaard, óók als het dossier informatie bevat die een hele grote impact kan hebben op betrokkene. Als betrokkene volwassen is en in staat is zijn of haar eigen wil te bepalen, zou het denk ik té paternalistisch zijn om toch te bepalen dat betrokkene de informatie niet rechtstreeks krijgt (zie ook onder 12.9).</p>\n<p class=\"lf-p\">21.10 Voor wat betreft het tweede aandachtspunt ligt er wel een taak bij de gerechten. Een zorgvuldige samenstelling van het dossier impliceert dat het goed gesorteerd is en geen rommeltje; dat er geen strepen of aantekeningen van rechters in staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.11 Het derde aandachtspunt, het bieden van een zo compleet mogelijk dossier, sluit aan bij wat hiervoor is besproken in het kader van de AVG (zie onder 18.19 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">22Beantwoording van de prejudiciële vragen 22.1 Aan de hand van wat hiervoor is besproken kunnen nu de prejudiciële vragen worden beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.2 Voorop is te stellen dat er in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen grondslag is te vinden voor het verkrijgen van een afschrift van stukken uit een in de archieven van een gerecht bewaard procesdossier, na afloop van een procedure. Als het gaat om een afgesloten procedure kan alleen een afschrift worden verkregen van vonnissen, arresten en beschikkingen. Dat geldt zowel voor civiele uitspraken (art. 29 Rv) als voor strafrechtelijke uitspraken (art. 365 Sv).</p>\n<p class=\"lf-p\">22.3 Dat betekent dat geen grondslag voor inzage of afschrift kan worden gevonden in:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>art. 29 Rv (zie hoofdstuk 15);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>art. 290 Rv (zie onder 5.1-5.2), ook niet in samenhang met art. 811 Rv (zie onder 5.3 e.v.);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>art. 843a Rv (zie hoofdstuk 17).</div>\n<p class=\"lf-p\">22.4 Deze bepalingen lenen zich ook niet voor analoge toepassing. Hiermee is vraag A beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.5 Ook de Wet open overheid geeft geen grondslag voor het verkrijgen van een afschrift van stukken uit een procesdossier na afloop van een procedure (zie onder 5.11).</p>\n<p class=\"lf-p\">22.6 De Algemene Verordening Gegevensbescherming geeft wel een grondslag voor informatieverstrekking uit een procesdossier, namelijk wanneer het gaat om inzage in de eigen persoonsgegevens (art. 15 AVG, zie onder 18.5-18.22). Hiermee is vraag B beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.7 Bij vraag C wordt gevraagd of iemand die als belanghebbende tijdens de procedure minderjarige was “maar niet processueel bekwaam vanwege zijn of haar minderjarigheid”, recht op inzage of afschrift heeft zodra hij of zij meerderjarig is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8 Bij het antwoord op deze vraag is in de eerste plaats op te merken dat ook minderjarigen tijdens de procedure een eigen recht op inzage of afschrift kunnen hebben, ook al zijn zij niet procesbekwaam, namelijk op grond van art. 811 lid 1 Rv. Dit eigen recht bestaat uitsluitend voor zover het gaat om stukken als genoemd in deze bepaling, dus stukken die in het geding zijn gebracht door (i) de Raad voor de Kinderbescherming, (ii) het openbaar ministerie of (iii) een door de rechter benoemde deskundige. Dit eigen recht van de minderjarige strekt zich ook uit tot de bijlagen die bij de stukken zijn gevoegd. Zie hierover onder 5.3 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.9 Dit eigen recht van de minderjarige kan doorbroken worden op grond van de bescherming van de privacy van derden (zoals in dit geval de ouders), namelijk op grond van art. 811 lid 2 Rv. Met het oog op die belangen van derden kan de rechter op grond van art. 22a lid 1 Rv beslissen dat de minderjarige alleen door tussenkomst van een gemachtigde kennis kan nemen van de stukken, namelijk indien rechtstreekse kennisneming doet vrezen voor schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid van de minderjarige. Zie hierover onder 5.10 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.10 Als het gaat om stukken die niet onder de reikwijdte van art. 811 Rv vallen, geldt dat de minderjarige slechts via zijn wettelijk vertegenwoordiger of een bijzondere curator inzage of afschrift van processtukken kan krijgen, behoudens voor zover de minderjarige op grond van een wettelijke bepaling procesbekwaam wordt geacht. Dit volgt uit een uitspraak van de Hoge Raad uit 2014 (zie onder 5.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">22.11 Art. 22a lid 1 Rv biedt ook buiten art. 811 Rv een weigeringsgrond voor rechtstreekse kennisneming van stukken indien gevreesd moet worden voor schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid van de minderjarige (zie onder 5.19 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">22.12 Het komt erop neer dat het niet zo is dat een betrokkene die minderjarig was tijdens de procedure, en toen geen inzage heeft gekregen in stukken, die inzage als meerderjarige in alle gevallen wél krijgt. Zowel voor wat betreft het recht op inzage of afschrift in processtukken tijdens een lopende procedure, als voor wat betreft het recht op inzage of afschrift in een afgesloten procesdossier, geldt dat andere belangen in de weg kunnen staan aan het verstrekken van informatie. Dat kan gaan om de belangen van anderen (aantasting persoonlijke levenssfeer van derden bij kennisneming). Maar het kan ook gaan om de bescherming van de belangen van betrokkene zelf (vrees voor gevaar aantasting lichamelijk of geestelijke gezondheid door kennisneming).</p>\n<p class=\"lf-p\">22.13 Maar tegelijkertijd zou het m.i. ongerijmd zijn dat een betrokkene die als minderjarige tijdens een lopende procedure recht heeft op inzage en afschrift van bepaalde stukken, die stukken niet meer zou kunnen inzien op een later moment, als de procedure is afgesloten en hij of zij zelf inmiddels meerderjarig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.14 Vraag D luidt of een recht op inzage van een belanghebbende na afloop van een procedure betrekking heeft op alle informatie uit het dossier, of dat bepaalde informatie moet worden verwijderd, zoals informatie die betrekking heeft op ouders of andere gezinsleden zoals broers en zussen.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.15 Het antwoord is dat het fundamentele recht van betrokkene op inzage in dossiers waarin zijn persoonsgegevens zijn opgenomen voorop moeten worden gesteld. Dat volgt zowel uit het systeem van de AVG (zie onder 18.23 e.v.), als uit het door het EHRM onder art. 8 EVRM erkende – en als essentieel bestempelde – recht op informatie over de eigen geschiedenis (zie hoofdstuk 14). Het recht op inzage in eigen persoonsgegevens moet in overeenstemming zijn met het EHRM-kader (zie onder 18.32).</p>\n<p class=\"lf-p\">22.16 In elk procesdossier zal aan de hand van een gedetailleerde beoordeling moeten worden beoordeeld of er sprake is van een concrete aantasting van de rechten of belangen van derden, en hoe ernstig die aantasting in het concrete geval is, gelet op alle omstandigheden van het geval (zie onder 20.21), tenzij deze derden instemmen met inzage. Het enkele gegeven dat in bijna alle dossiers stukken zitten waarin de persoonsgegevens van betrokkene zijn verweven met die van andere familieleden, maakt op zichzelf niet dat deze informatie moet worden verwijderd (zie onder 20.23).</p>\n<p class=\"lf-p\">22.17 Als sprake is van informatie die primair betrekking heeft op een ander gezinslid, dan zal een afweging moeten worden gemaakt tussen de belangen van de derde en de belangen van betrokkene (zie onder 20.24). Daarbij zal éérst moeten worden getracht om de conflicterende rechten toch te verzoenen, bijvoorbeeld door het weglakken van een naam. Pas als dat niet mogelijk is, moeten de belangen van betrokkene worden afgewogen tegen de belangen van de derden (zie onder 20.21).</p>\n<p class=\"lf-p\">22.18 Bij vraag E wordt gevraagd of het doel van het verzoek om inzage of afschrift van belang is, bijvoorbeeld voor een verwerkingsproces of voor het doen van een schadevergoedingsverzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.19 Het antwoord op deze vraag is dat in het kader van een op de AVG gebaseerd verzoek om inzage in de eigen persoonsgegevens, niet van belang is wat het doel is van het verzoek. Er hoeft zelfs geen reden te worden opgegeven (zie onder 18.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">22.20 Bij vraag F wordt gevraagd of er een onderscheid moet worden gemaakt tussen procedures die de destijds minderjarige zelf betroffen (bijvoorbeeld de ondertoezichtstelling) en procedures die tussen de ouders onderling dan wel tussen (een van) hen en de jeugdzorginstantie werden gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.21 M.i. moet deze vraag in zoverre bevestigend worden beantwoord, dat als het gaat om een procedure die betrekking had op betrokkene zélf, buiten twijfel staat dat de AVG een beginsel-recht op inzage geeft, omdat dan in elk geval mag worden aangenomen dat het dossier persoonsgegevens van betrokkene bevat. Dat recht volgt bovendien uit art. 8 EVRM (zie hoofdstuk 14) en art. 8 IVRK (zie hoofdstuk 13).</p>\n<p class=\"lf-p\">22.22 Maar als het gaat om inzage in een dossier dat niet rechtstreeks betrekking heeft op betrokkene zelf – maar waarin wel informatie is opgenomen die raakt aan de persoonlijke geschiedenis van betrokkene en/of waarin betrokkene belanghebbende was – kan er eerder aanleiding zijn om met het oog op de rechten van derden de inzage te beperken. Ook hier moet het recht op inzage in de eigen persoonsgegevens voorop worden gesteld en geldt dat het stappenplan moet worden doorlopen (zie onder 20.24 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">22.23 Verder bestaat er ook als het gaat om procesdossiers die niet rechtstreeks betrekking hebben op betrokkene zelf (maar bijvoorbeeld tussen de ouders hebben gespeeld), m.i. in ieder geval recht op inzage in eigen persoonsgegevens. Dat geldt dus ook voor scheidingsprocedures. Ook kan een betrokkene aanspraak maken op inzage of afschrift van de met hem of haar – als kind – gevoerde kindgesprekken. Dit zijn zonder twijfel eigen persoonsgegevens die raken aan de persoonlijke geschiedenis van betrokkene.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.24 Vraag G houdt in of bij de beoordeling van verzoeken tot inzage een parallel moet worden getrokken met art 5.1, lid 2 onder e, en vijfde lid, Wet open overheid (Woo)? En, zo ja, op welke wijze?</p>\n<p class=\"lf-p\">22.25 De genoemde bepalingen in de Woo zijn in art. 811 lid 2 Rv opgenomen als uitzonderingsbepaling voor het verlenen van inzage in de lid 1 van art. 811 Rv genoemde stukken in lopende procedures (zie onder 5.10 e.v.). Van belang is met name art. 5.1, lid 2 onder e, Woo, dat verwijst naar de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden. Inhoudelijk is de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden inderdaad betrokken bij verzoeken om inzage in procesdossiers. Formeel loopt die bescherming niet via de Woo, maar via art. 15 lid 4 AVG en art. 23 lid 1, onder i, van de AVG (zie onder 18.23 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">22.26 Voor wat betreft de wijze waarop de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden is betrokken bij verzoeken tot inzage in procesdossiers in afgesloten jeugdbeschermingsprocedures verwijs ik naar wat hiervoor is besproken onder 20.17 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.27 Ten slotte houdt vraag H in in hoeverre art. 8 EVRM een rol speelt bij de beoordeling van verzoeken tot inzage.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.28 Het antwoord is dat art. 8 EVRM een cruciale rol speelt bij de beoordeling van verzoeken tot inzage in procesdossiers in afgesloten jeugdbeschermingsprocedures. In de rechtspraak van het EHRM over art. 8 EVRM is het recht op het verkrijgen van informatie over de eigen kindertijd als ‘een essentieel belang’ bestempeld. Dit is een leidend uitgangspunt bij de toepassing van de AVG, omdat beperkingen van de AVG-rechten (zoals het recht op inzage van art. 15 AVG) geen afbreuk mogen doen aan de wezenlijke inhoud van grondrechten en fundamentele vrijheden (art. 23 lid 1 AVG). Zie hoofdstuk 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">23Conclusie Deze conclusie strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen op de wijze zoals hiervoor vermeld onder 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Betrokkene is geboren op [geboortedatum] 2003. Zie het uittreksel van 20 maart 2023 uit het Gezagsregister (onderdeel van het procesdossier van deze prejudiciële procedure).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 4 oktober 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:12965, rov. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 december 2023, p. 2. De zaaknummers van de hier bedoelde geëindigde procedures zijn opgenomen op de eerste pagina van dit proces-verbaal en ook op de eerste pagina van de beschikking van 4 oktober 2023 (bovenaan).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 december 2023, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 5 februari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:1916.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb – met het oog op de leesbaarheid – sommige vragen (op ondergeschikte punten) iets anders geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze informatie heb ik via interne kanalen gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vesna Naglič (Policy Department C - Citizens' Rights and Constitutional Affairs European Parliament), National practices with regard to the accessibility of court documents, Brussel 2013, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:658, JBPr 2023/3, m.nt. W.I. Wisman (Openbaarheid van rechtspraak). Zie ook uitgebreid de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2022:533), onder 8.1-8.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1963-1964, 7753, nr. 3, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 290 Rv (E.L. Schaafsma-Beversluis), aant. 4 (actueel tot en met 1 maart 2023).</p>\n<p class=\"lf-p\">GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 811 Rv (B.E.S. Chin-A-Fat), aant. 1 (actueel tot en met 1 januari 2017).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een omschrijving van dit begrip GS Burgerlijke Rechtsvordering, titel 6 Rv (J.E. Doek), aant. 5.b.2 (actueel tot en met 14 mei 2012).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3535, NJ 2015/57, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.5.1-3.5.2 (“In alle familierechtelijke zaken de minderjarige betreffend dient de minderjarige te worden beschouwd als belanghebbende in de zin van art. 798 Rv”) en 3.8. Zie ook de omschrijving van het belanghebbendebegrip bij procedures over maatregelen met betrekking tot het ouderlijk gezag in het kader van een ondertoezichtstelling: HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:20210:BL7043, NJ 2010/397, m.nt. S.F.M. Wortmann (Van Haga/Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland), rov. 4.3.3, en HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665, NJ 2014/482, m.nt. S.F.M. Wortmann (X/Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant), rov. 3.3.2 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 811 Rv (R.Y. Nauta), aant. 3 (actueel tot en met 1 januari 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 811 Rv (B.E.S. Chin-A-Fat), aant. 1 (actueel tot en met 1 januari 2017); Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 3, p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3535, NJ 2015/57, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 811 Rv (B.E.S. Chin-A-Fat), aant. 2 (actueel tot en met 1 januari 2017): “Wat de bescheiden van de raad betreft: als de raad een externe deskundige c.q. een deskundigebureau heeft ingeschakeld dan maakt dat rapport, indien door de raad overgelegd, deel uit van de door de raad overgelegde rapportage.” Zie idem T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 811 Rv (R.Y. Nauta), aant. 3 (actueel tot en met 1 januari 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1992-1993, 22 487, nr. 6, p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover T&amp;C Awb, art. 5.1 Woo (T. Barkhuysen &amp; J.H.A. van der Grinten), aant. 6 (actueel tot en met 1 januari 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Kamerstukken II 2011-2012, 33 328, nr. 3, p. 20 (“Onafhankelijke, bij wet ingestelde organen met rechtspraak belast zijn uitgesloten van een deel van de toepassing van deze wet. Voor hen gelden voldoende andere regels om openbaarheid en transparantie te garanderen. In de praktijk zijn bovendien geen of nauwelijks problemen geconstateerd.”); zie ook bijlage bij Kamerstukken I 2021-2022, 33 328, nr. AB, p. 45). Vgl. ook Kamerstukken II 2013-2014, 33 328, nr. 12, p. 14 (“Een uitzondering wordt gemaakt voor organen die met rechtspraak zijn belast, omdat de openbaarheid van uitspraken en de vertrouwelijkheid van processtukken niet bij dit wetsvoorstel passen.”); Kamerstukken I 2020-2021, 33328, Q, p. 12 (waarin wordt benadrukt dat openbaarheid op grond van de Woo ten goede komt “aan de kwaliteit en het democratisch gehalte van (…) bestuursvoering.”; vgl. ook p. 10 en 14-16).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. ABRvS 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:436 (X/Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland), rov. 5.1 en ABRvS 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:983 (X/Stichting de William Schrikker Groep), AB 2018/212 m.nt. W.S. Zorg &amp; G.E. Creijghton-Sluyk en Gst. 2018/95 m.nt. C.N. van der Sluis &amp; T.G.J. van Arnhem, rov. 5. Zie voorts conclusie P-G (ECLI:NL:PHR:2018:179) voor HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2334, NJ 2019/414, m.nt. T. Kooijman, randnummers 12.2.1-12.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019-2020, 35 112, nr. 9, p. 51-52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard gaat het hier om een andere belangenafweging dan bij een verzoek om informatie die niet op de verzoeker ziet, zie Kamerstukken II 2019-2020, 35 112, nr. 9, p. 51. Zie voor een voorbeeld Rb. Midden-Nederland 25 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2731; Rb. Zeeland-West Brabant 19 december 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:9009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem Rb. Midden-Nederland 22 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:1404, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie echter Rb. Midden-Nederland 22 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:1404, rov. 3.2, waarin analoge toepassing wordt gegeven aan art. 811 lid 2 Rv in een situatie waarin stukken door een gecertificeerde instelling zijn ingebracht. Idem Rb. Den Haag 3 december 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:14431.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3535, NJ 2015/57 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.5.1-3.5.2 en 3.8. Maar zie voor gesloten jeugdhulp bij minderjarigen ouder dan 12 jaar art. 6.1.1 lid 2 Jeugdwet, en voor jeugdhulp bij minderjarigen ouder dan 16 jaar, art. 7.3.5 lid 3 Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 22a Rv (T.F.E. Tjong Tjin Tai), aant. 1 (actueel tot en met 18 februari 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Kamerstukken II 2014-2015, 34 059, nr. 7, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Besluit orde van dienst gerechten is te raadplegen op https://wetten.overheid.nl/BWBR0013132.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over art. 17-18 Bodg: Stb. 2004, nr. 383, p. 5 en 14-15, en Stb. 2001, nr. 619, p. 9 en 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze bepaling uitgebreid HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:658, JBPr 2023/3, m.nt. W.I. Wisman (Openbaarheid van rechtspraak), rov. 3.6.2, 3.6.6-3.6.7 en 3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo schrijft Teuben dat gerechten “voor de behandeling van” rechtszaken reglementen vaststellen. Zie K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht, diss. Leiden, Deventer: Kluwer 2004, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesreglement Civiel jeugdrecht, juli 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het procesreglement bedoelt hier kennelijk: art. 6.1.1 lid 2 Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De informatie in deze en de volgende alinea’s is gebaseerd op interne gesprekken met jeugdrechters.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteitskader Raad voor de Kinderbescherming 2023, p. 4, te raadplegen op https://www.kinderbescherming.nl/documenten/brochures/2023/04/03/kwaliteitskader-rvdk-2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook art. 6 lid 4 van het Mandaatbesluit Raad voor de Kinderbescherming 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kwaliteitskader Raad voor de Kinderbescherming 2023, p. 6 en 9-10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kwaliteitskader Raad voor de Kinderbescherming 2023, p. 24-26, te raadplegen op https://www.kinderbescherming.nl/documenten/brochures/2023/04/03/kwaliteitskader-rvdk-2023. Uitoefening van aan de Raad voor de Kinderbescherming gemandateerde bevoegdheden geschiedt met inachtneming van het Kwaliteitskader (art. 7 lid 1 Mandaatbesluit Raad voor de Kinderbescherming 2022).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie https://www.kinderbescherming.nl/over-ons/kwaliteit-van-ons-werk/bescherming-van-persoonsgegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Mandaatbesluit Raad voor de Kinderbescherming 2022, art. 9. Directieleden (werkzaam voor de Raad voor de Kinderbescherming) zijn bevoegd tot het voorbereiden en nemen van primaire besluiten namens de minister in aangelegenheden die aan de Raad voor de Kinderbescherming zijn toevertrouwd (lid 1). De algemeen directeur (van de Raad voor de Kinderbescherming) is bevoegd tot het beslissen op bezwaarschriften (lid 2). Functionarissen van de Raad voor de Kinderbescherming hebben een ondersteunende rol (lid 3). Zie over vertegenwoordiging van de minister in rechte, art. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2559 (X/minister voor Rechtsbescherming).</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:544 (X/minister voor Justitie en Veiligheid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover S.R. Kalika e.a., ‘De rechtspositie van de jeugdige en ouders in de Jeugdwet’, Tijdschrift Jeugdrecht in Praktijk 2015/145, par. B; M.G. Feenstra &amp; M.J.B. Hulshof, ‘Inzageperikelen op grond van de Jeugdwet: hoe ga je hier als jeugdhulpverlener mee om?’, JGGZR 2020/40, afl. 4, p. 6-14; T&amp;C PFR, art. 7.3.8 en 7.3.10-7.3.11 Jeugdwet (P. Vlaardingerbroek), aant. (actueel tot en met 1 april 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over art. 7.3.1 Jeugdwet: Kamerstukken II 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 213-214.</p></div>", "next": 238895}