{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Vgl. M. de Koe, De waarde van erfpacht. Het waarderen van erfpacht vanuit een juridische context, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 74: “Pas in de jaren tachtig van de vorige eeuw is het begrip ‘depreciatie’ geïntroduceerd bij erfpacht waarbij verschillende, over het algemeen vrij algemene grondslagen werden gehanteerd. In de loop der jaren zijn de elementen die de hoogte van de depreciatie bepalen steeds concreter benoemd en is een groeiend draagvlak ontstaan over de toepassing. Toch blijven deskundigen verdeeld over de omvang van de depreciatie en hoe die moet worden vastgesteld, mede omdat de depreciatie zich niet rekenkundig laat vaststellen, maar vooral intuïtief wordt bepaald.” Vgl. ook A-G Langemeijer, conclusie sub 28 voor HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1578, NJ 2020/182 m.nt.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.M.J. Verstijlen: “In de vakliteratuur wordt aangenomen dat de taxateur de depreciatie per geval zal moeten beoordelen, rekening houdend met bijzonderheden zoals de duur van het erfpachtrecht, beperkende bepalingen in de erfpachtakte en gebondenheid van erfpachter en eigenaar na afloop van het erfpachtrecht.”Zie ook rov. 4.43 van het vonnis van de rechtbank: “Het enkele feit dat de Gemeente daarbij niet het instrument van depreciatie hanteert maakt de wijze van herziening nog niet onredelijk bezwarend. Het toepassen van depreciatie is immers geen keihard vereiste, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Grondwaardecommissie Eeuwigdurende Erfpacht Amsterdam 18 juni 2015 en de uitspraak van 30 januari 2020 [van] (…) het Tuchtcollege NRVT (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank hangt het antwoord op de vraag of er al dan niet depreciatie dient te worden toegepast, mede af van de feitelijke omstandigheden van het geval gedurende de looptijd van het recht van erfpacht en dient dit mede daarom aan de orde te komen bij de beoordeling door de taxateurs/deskundigen. De rechtbank overweegt in dit kader nog dat niet gebleken is dat de regeling van artikel 7.1.1 per definitie tot een onredelijke uitkomst leidt en daarom onredelijk bezwarend zou zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld de weergave van de rechtspraak van het HvJEU in HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. J. Hijma, JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten, AA 2020/0179 m.nt. D. Busch (Euriborhypotheken), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1972, 4572, 5 (memorie van antwoord; 16 oktober 1972), p. 82-83: “Intussen gaat het naar het oordeel van de ondergetekende te ver aan de bevoegdheid van de erfpachter of opstaller tot eenzijdige opzegging een dwingend rechtelijk karakter te geven. Dit zou in strijd komen met het van de zijde van de gemeenten en ook in het voorlopig verslag tot uitdrukking gebrachte verlangen de mogelijkheid van eenzijdige afstand (thans geconstrueerd als opzegging) tot aanvullend recht te maken. Daarom is bepaald dat de bevoegdheid van de erfpachter tot eenzijdige opzegging in de akte van vestiging kan worden uitgesloten. Tegen deze mogelijkheid bestaat naar het oordeel van de ondergetekende weinig bezwaar, nu het nieuwe artikel 5.7.1.8a aan de rechter de bevoegdheid geeft om, nadat vijfentwintig jaren na de vestiging van de erfpacht zijn verlopen, deze op vordering van de erfpachter te wijzigen of op te heffen op grond van onvoorziene omstandigheden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvankelijk maakte art. 6:236 onder n BW een uitzondering voor arbitrage. Zie W.L. Valk, T&amp;C Vermogensrecht, 2023, art. 6:236 BW, aant. 7. Dit speelt in deze zaak geen rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over het onderscheid tussen een zuiver en een onzuiver bindende advies randnummer 6.7.1 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2016:3) bij HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:769, NJ 2018/41 m.nt. H.B. Krans, alsmede nrs. 3-5 van de noot van Krans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:769, NJ 2018/41 m.nt. H.B. Krans, rov. 4.3.2-4.3.3. Kritisch hierover M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, 2018, aant. 287a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onder meer HR 31 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:212, NJ 2014/89, rov. 3.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in verband met arbitrage HR 23 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1068, NJ 1991/214 m.nt. H.J. Snijders ([…] / […]), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. Jac. Hijma (Euriborhypotheken), rov. 3.6; HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:769, NJ 2018/41 m.nt. H.B. Krans, TBR 2016/193 m.nt. C.M.D.S. Pavillon en F.J. Vonck, JIN 2016/133 m.nt. E.E. van der Kamp (SEBA/Amsterdam I), rov. 5.1.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:769, NJ 2018/41 m.nt. H.B. Krans, TBR 2016/193 m.nt. C.M.D.S. Pavillon &amp; F.J. Vonck, JIN 2016/133 m.nt. E.E. van der Kamp (SEBA/Amsterdam I), rov. 5.1.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie A bij memorie van grieven. Het rapport van 1 juni 2201 is getiteld ‘Erfpacht in Amsterdam: een Gordiaanse knoop . Consumentenbescherming vanuit het oogpunt van goed bestuur’.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, NJ 2020/391 m.nt. J. Spier, AB 2019/519 m.nt. C.N.J. Kortmann, JB 2019/158 m.nt. D.G.J. Sanderink, JA 2020/1 m.nt. F.T. Oldenhuis en M.C. Gozoglu, Jurisprudentie Grondzaken 2019/204 m.nt. F.M.A. van der Loo, JM 2022/44 m.nt. H.S. de Vries (Groningenveld), rov. 2.7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering a is vordering II.b, meest subsidiair sub ii (eisers 1-3 en eiser 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering b is vordering II.b, meer subsidiair sub ii (eisers 1-3) en, als ik het goed zie, vordering II.b meer subsidiair sub ii of meest subsidiair sub iii (eiser 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering c is vordering III, meer subsidiair (eisers 1-3 en eiser 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1923, NJ 2022/90 m.nt. D.W.F. Verkade, Auteursrecht 2022-1, nr. 3 m.nt. A. Strijbos en M.L. van der Velde, IER 2023/3 m.nt. J.M.B. Seignetterov (Spinnin Records), rov. 3.1.3 en 3.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven nr. 7.170.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kennelijk wijkt de ABU83 op dit punt niet af van de ABU74. Vgl. rov. 2.3 van het vonnis van de rechtbank van 21 februari 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof vermeldt in rov. 3.45 bij de vordering onder c alleen de ABU83.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof vermeldt in rov. 3.45 bij de vordering onder c alleen de ABU83.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.B.M. Loos, Algemeen voorwaarden, 2024, nr. 442a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 26 Rv, aant. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de schriftelijke toelichting van de Gemeente nr. 10.2.1.</p></div>", "next": 0}