{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3 Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Conclusie AG Spronken 27 augustus 2024, ECLI:NL:PHR:2024:818.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaak van het BFT wordt nog een derde vraag aan de orde gesteld, die verband houdt met het afgeleid verschoningsrecht van het BFT, die in de onderhavige zaak niet relevant is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 29 september 2011 tot wijziging van de Wet op het notarisambt, Stb. 2011, 470, in werking getreden op 1 januari 2013, Kamerstukken 32 250.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet positie en toezicht advocatuur van 1 oktober 2014, Stb. 2014, 354, in werking getreden op 1 januari 2015, Kamerstukken 32 382.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een uitgebreidere beschrijving S. Roes, ‘Toezicht op het notariaat, in het bijzonder door het Bureau Financieel Toezicht,’ in: Toezicht tegen het licht. Deventer: Kluwer 2015, p. 135-145.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 46 e.v. Advocatenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 45a-45h Advocatenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie www.collegevantoezichtnova.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het BFT is deze gestoeld op art. 2:5 Awb en voor de deken geldt dat hij deze geheimhoudingsplicht reeds uit hoofde van zijn ambt en beroep heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een greep uit de literatuur en de parlementaire geschiedenis:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de Wna: zie de verschillende bijdragen uit het themanummer van JBN (2011, afl. 5), waaronder J. Holtman, Drie aspecten van het Wetsvoorstel Hammerstein, JBN 2011/27, p. 3-5; P.C. van Es, De beperking van de notariële geheimhoudingsplicht in het Wetsvoorstel Hammerstein, JBN 2011/28, p. 6-8 en R. Wisse, Toezicht op kwaliteit en integriteit in het notariaat, JBN 2011/29, p. 11-13; daarnaast onder meer Mr. H.F. Van den Haak, Wijziging van de Wet op het notarisambt c.a. Vijf desiderata, WPNR 2011, p. 441–451; E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen &amp; D.M.S. Gribling, Wetswijziging Wna: afschaffing geheimhoudingsplicht gerechtvaardigd? Over de uitdijende macht van het BFT, WPNR 2012/6937, p. 502-509 en H.J. van den Noort, Toezicht en handhaving door het BFT, WPNR 2012/6955, p. 923-931. Zie ook de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer, waar zorgen werden geuit over de doorbreking van het ambtsgeheim, Kamerstukken I 2010-2011, 32 250, nr. D, Voorlopig verslag van de Vaste Commissie voor Justitie, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de Advocatenwet: zie onder meer T.N.B.M. Spronken, Verschoningsrecht onder toezicht. Bespiegelingen over de aanpassing van de Advocatenwet, in: Stof tot overpeinzing. Liber amicocum voor Floris Bannier. Den Haag: Sdu 2011, p. 133-140; R. Sanders en N. Hupkes, Heiligt het doel de middelen? Over het spanningsveld tussen toezicht en het beroepsgeheim van advocaten, NJB 2014/359. Zie ook de zorgen die door de NOvA werden geuit die tijdens de behandeling van het wetsvoorstel door de Tweede Kamer aan de orde werden gesteld, zie met name het nader verslag, Kamerstukken II 2012/13, 32 382, nr. 12 en de nota naar aanleiding van het nader verslag, Kamerstukken II 2012/13, 32 382, nr 13. Voor een bespreking van het wetgevingsproces en de interactie daarin tussen de NOvA en de minister en (later) staatssecretaris zie D.J. Hesemans, De Wet positie en toezicht advocatuur, AA 2015/0142.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 111a lid 3 Wna en art. 45a lid 2 Advw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder 5.27-5.29 hierna en de conclusie in de samenhangende zaak, ECLI:NL:PHR:2024:818, onder 5.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder 5.23-5.36 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het klaagschrift van de deken wordt op p. 3 gesteld dat de kwestie wordt voorgelegd aan de rechtbank omdat beantwoording van de vragen: (i) wat is de aard en de omvang van het verschoningsrecht dat de deken uit hoofde van zijn/haar toezichthoudende bevoegdheden toekomt en (ii) welke mogelijkheden heeft het OM om dat verschoningsrecht te doorbreken? van cruciaal belang is voor het effectief functioneren van het toezicht op de advocatuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te raadplegen via www.advocatenorde-denhaag.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het na afronding van het onderzoek gepubliceerde persbericht is te raadplegen via www.bureauft.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Twee notarissen erkenden schuld en stopten met de uitoefening van hun beroep. Zij werden, evenals een derde notaris, door de tuchtrechter op 25 mei 2022 relatief mild gestraft met een berisping. Zie voor de uitspraken Kamer voor het notariaat Den Haag 25 mei 2022, ECLI:NL:TNORDHA:2022:10 (twee notarissen) en ECLI:NL:TNORDHA:2022:11 (kandidaat-notaris). Een van de vier notarissen had volgens de Kamer consciëntieus en met grootst mogelijke zorgvuldigheid gehandeld. De klacht jegens hem werd ongegrond verklaard. Zie voor de uitspraak Kamer voor het notariaat Den Haag 25 mei 2022, ECLI:NL:TNORDHA:2022:9 (toegevoegd notaris).</p>\n<p class=\"lf-p\">De vier notarissen ten aanzien van wie het BFT een onderzoek heeft ingesteld en tuchtklachten heeft ingediend, zijn in het strafrechtelijk onderzoek tot dusver niet als verdachten aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 1: Kamerstukken I, 2013-2014, 32 382, C, Memorie van Antwoord, 18 juni 2014, pag. 5 Voetnoot 2: Eerste Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 32382 nr. C, onder 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 3: ECLI:NL:PHR:2021:18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 4: vgl. HR 22 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0422 Voetnoot 5: vgl. HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9262 Voetnoot 6: vlg. HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9494 Voetnoot 7: vlg. HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4418, HR NJ 2002,438 en HR NJ 2002, 439 Voetnoot 8: vgl. HR 19 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7284.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375. Zie ook de hieraan voorafgaande uitgebreide conclusie van AG Harteveld 8 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1122, waarin hij een historisch overzicht geeft van de ontwikkelingen rondom het verschoningsrecht in de strafrechtelijke context en de complexiteit van de verschoningsrechtelijke thematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is anders voor het verschoningsrecht uit art. 217 Sv (familiaal verschoningsrecht) en art. 219 Sv (nemo-teneturverschoningsrecht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een soortgelijke categorisering wordt aangebracht door T. Bertens &amp; F. Vellinga-Schootstra in ‘Grondslagen en strafprocessuele gevolgen van de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van de arts, advocaat en notaris’, in: Preadviezen 2013 Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Boom, Den Haag 2013, p. 171-234. Naast het professioneel verschoningsrecht vermelden zij de erkenning in het strafrecht van verschoningsrecht voortvloeiend uit een maatschappelijke functie en verschoningsrecht dat besloten ligt in een in bijzondere wetgeving neergelegde geheimhoudingsplicht (p. 174). Zie voor een uitgebreide beschouwing (en een andere categorisering) G.P.M.F.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mols, Getuigen in strafzaken, Kluwer, Deventer 2003, p. 114-127. Mols onderscheidt in de eerste plaats een uit een wettelijke geheimhoudingsplicht te destilleren verschoningsrecht en daarnaast “buiten-rechte geheimhoudingsplichtigen die zijn erkend als subject van het verschoningsrecht”. Vaststelling van zo’n geheimhoudingsplicht buiten rechte gebeurt volgens Mols “aan de hand van de wet, de gewoonte (het klassieke kwartet), met behulp van analogie (de medewerker van het Buro voor Rechtshulp), aan de hand van het algemeen normbesef en maatschappelijke ontwikkelingen (journalisten), en aan de hand van andere geschreven regels dan de wet.” Tot slot wijs ik op F.J. Fernhout, Het verschoningsrecht van getuigen in civiele zaken (diss.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maastricht), Maastricht: Uitgeverij Gianni 2004. Fernhout bespreekt achtereenvolgens het professioneel verschoningsrecht, het lex-specialisverschoningsrecht en het ‘Happy Familyverschoningsrecht’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fernhout, a.w. p. 274, gebruikt om deze reden voor dit type verschoningsrecht de term Happy Familyverschoningsrecht, naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad in de zaak Happy Family, HR 7 november 1986, NJ 1987/457 m. nt. P.A. Stein, waarin deze grondslag voor het aannemen van een verschoningsrecht voor het eerst werd geïntroduceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het notariaat betreft een ambt, hetgeen betekent dat in geval van notarissen ook wel wordt gesproken van een ambtsgeheim.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verschoningrecht is in de rechtspraak ook erkend voor enkele hulpverleners die materieel hetzelfde werk doen als de klassieke verschoningsgerechtigden en dus werkzaam zijn in dezelfde ‘beroepssfeer’, zoals medewerkers van Buro rechtshulp (juridische dienstverlening), vanwege hun positie in het stelsel van gefinancierde rechtshulp; de reclasseringsmedewerker (geestelijk-maatschappelijke hulpverlening) voor zover het gaat om zijn hulpverlenerstaak; de (humanistisch dan wel boeddhistisch) geestelijk verzorger in dienst van een penitentiaire inrichting (geestelijke hulpverlening) en de centralist van de meldkamer voor ambulancezorg. Zie resp. HR 25 oktober 1985, NJ 1986/176 m.nt. W.L. Haardt; HR 20 juni 1968, NJ 1968/332; HR 7 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:6 en HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205, NJ 2018/92 m. nt. Vellinga-Schootstra.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173 (Notaris Maas).</p>\n<p class=\"lf-p\">F.J. Fernhout, Het verschoningsrecht van getuigen in civiele zaken, Uitgeverij Gianni, Maastricht 2004, p. 169; De Wolff p. 138-139. Zie ook mijn conclusie van 25 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:62.</p>\n<p class=\"lf-p\">Corstens/Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, tiende druk, Deventer: Kluwer 2021, p. 150.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV3004, NJ 2013/505 m. nt. J. Legemaate, GJ 2013/52 m. nt. T.M. Schalken; HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3714, NJ 2016/140 m.nt. F. Vellinga-Schootstra. Zie ook de conclusie van AG Harteveld van 8 december 2023 in de zaak waarin de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoordde over het verschoningsrecht (bij vordering door het openbaar ministerie van gegevens van een aanbieder van communicatiedienst (art. 126ng/ug Sv) en over filtering en vernietiging van gegevens (art. 126aa Sv)), ECLI:NL:PHR:2023:1122, onder 5.16 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3714, NJ 2016/140 m.nt. F. Vellinga-Schootstra.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076, NJ 2016/8 m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 2.5.3; HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:316, rov. 2.3 en 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie T.N.B.M. Spronken &amp; F.J. Fernhout in: A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., commentaar op artikel 218 Sv, aant. 13. Daarin wordt opgemerkt dat in die gevallen niet art. 218 Sv maar de wettelijke geheimhoudingsplicht in kwestie de grondslag van het verschoningsrecht vormt.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0997, NJ 1990/779 m. nt. J.B.M. Vranken (International Tin Council), rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0409, NJ 1992/277 m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 3.4. en HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:721, NJ 2023/237 m.nt. C.J.M. Klaassen en P.A.M. Mevis, rov. 3.2.1 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0997, NJ 1990/779, m. nt. J.B.M. Vranken (International Tin Council).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 november 1986, NJ 1987/457 m. nt. P.A. Stein (Happy Family).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:722, NJ 2023/238 m.nt. C.J.M. Klaassen en P.A.M. Mevis, rov. 3.2.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:255, NJ 2023/239 m.nt. C.J.M. Klaassen en P.A.M. Mevis, rov. 3.3.1-3.3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 november 1986, NJ 1987/457 m. nt. P.A. Stein (Happy Family), rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0997, NJ 1990/779, m. nt. J.B.M. Vranken (International Tin Council) rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">International Tin Council was een volkenrechtelijke organisatie die tot doel had, het in evenwicht brengen en houden van vraag en aanbod op de internationale tin-markt en het treffen van regelingen ter verbetering van de positie van de tin-producerende ontwikkelingslanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook J.B.M. Vranken, Het professionele (functionele) verschoningsrecht, Preadvies NJV 1986, Zwolle: Tjeenk Willink, waarin Vranken op p. 66 e.v. opmerkt dat zich naast de ‘klassieke’ grondslag van het verschoningsrecht, zich in de jurisprudentie en in het voetspoor daarvan ook in de literatuur een tweede grondslag aftekent, waarbij het gaat om zwaarwegende andere dan hulp- verleningsbelangen. Ze zijn niet onder een noemer te vangen, omdat ze voor iedere functie verschillend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3797, NJ 2001/42 m.nt. F.C.B. van Wijmen (Vertrouwensarts).</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Wijmen denkt daar in zijn noot bij het Vertrouwensartsarrest overigens anders over. Volgens hem beperkt de Hoge Raad het medisch beroepsgeheim ten onrechte tot individuele behandelrelaties en heeft de vertrouwensarts “bij uitstek een medisch beroepsgeheim in zijn volle omvang: zwijgplicht en bijbehorend verschoningsrecht”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.4 van het arrest. Dit beoordelingskader is reeds te herkennen in jurisprudentie van eerdere datum. In HR 25 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4685, NJ 1984/132, m. nt. ’t Hart stond een door een registeraccountant gedaan beroep op het verschoningsrecht centraal. De Hoge Raad overwoog dat de registeraccountant niet kan worden aangemerkt als een van de hulpverleners waarop art. 218 Sv het oog heeft, maar dat van erkenning van een verschoningsrecht tegenover de strafrechter sprake zou kunnen zijn “indien de belangen van [de personen die belang hebben bij de goede vervulling van de controlerende functie van de registeraccountant] niet naar behoren zouden kunnen worden gediend indien de registeraccountant tegenover de strafrechter [het verschoningsrecht] niet zou kunnen laten gelden, en bovendien wel de met die belangen samenhangende geheimhoudingsplicht zwaarder zou moeten wegen dan het aanzienlijke belang van een goede strafrechtspleging in gevallen waarin de daarvoor noodzakelijke waarheidsvinding mede afhankelijk is van de getuigenis van registeraccountants.” Zie rov 5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Fernhout 2004 a.w. p. 275.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zaken waarin mijn ambtgenoten daar wel naar hebben verwezen maar tot de conclusie zijn gekomen dat het toekennen van een verschoningsrecht op die grondslag in de betreffende zaak niet speelde, kan ik verwijzen naar de conclusie van AG Lückers van 8 oktober 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1062, onder 3.8, voorafgaand aan HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:722, NJ 2023/238 m.nt. C.J.M. Klaassen en P.A.M. Mevis en de conclusie van AG Snijders van 4 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1013, onder 3.11 (noot 31), voorafgaand aan HR 17 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:255, NJ 2023/239 m.nt. C.J.M. Klaassen en P.A.M. Mevis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder kan worden verwezen naar HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, JPF 2009/168 m. nt. F.A.W. Bannier (geen verschoningsrecht voor mediators). Voor zaken waarin (zijdelings) een beroep op een zelfstandig verschoningsrecht toezichthouders op medische beroepen aan de orde was, kan verwezen worden naar HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV3004, NJ 2013/505 m. nt. J. Legemaate, GJ 2013/52 m. nt. T.M. Schalken en HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1701 (inbeslagneming stukken IGZ). Tot slot kan ik nog wijzen op een recente conclusie van AG Harteveld 2 juli 2024, ECLI:NL:PHR:2024:700, waarin het gaat om de inbeslagneming van een calamiteitenrapportage bij een zorginstelling in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar het overlijden van een patiënt. De zorginstelling beroept zich in deze zaak op een ruimer zelfstandig verschoningsrecht dat zich ook uitstrekt tot niet strikt medische patiëntgegevens omdat het mede in het belang is van een goede zorg dat zorgverleners vrijuit kunnen spreken over mogelijke twijfels ten aanzien van door hen verleende zorg, zonder te moeten vrezen voor een mogelijke strafvervolging. De Hoge Raad heeft in deze zaak ten tijde van het nemen van onderhavige conclusie nog geen beschikking gewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193, NJ 2021/119 m.nt. T. Kooijmans (beslaglegging op mobiele telefoon van een kroongetuige in de Marengo-zaak).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie zijn conclusie van 12 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:18, onder 4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 24 lid 2 Wwft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de website van de Nederlandse Orde van Advocaten, www.advocatenorde.nl/de-advocaat/toezicht-2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De deken heeft een wettelijk opgedragen toezichttaak en kwalificeert daarmee als toezichthouder in de zin van art. 5:11 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de functie van toezichthouder, heeft de deken een rol in de tuchtprocedure. Iedere belanghebbende kan een klacht over een advocaat indienen. Dit dient schriftelijk te gebeuren bij de deken van het arrondissement waarin de advocaat kantoor houdt (art. 46c Advw). De deken treedt op als vooronderzoeker. De deken neemt de klacht in behandeling, onderzoekt deze en probeert het probleem in der minne te schikken. Na het vooronderzoek kan (en op verzoek van klager: moet) de klacht worden doorgestuurd naar de raad van discipline. De deken is ook in deze gevallen bevoegd om (aanvullend) een dekenbezwaar in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer het Jaarverslag toezicht advocatuur 2023, p. 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede nota van wijziging voorzag in de instelling van het College van Toezicht (zonder advocaat-leden) als eindverantwoordelijke voor het toezicht op de advocatuur. Met de derde en vierde nota van wijziging werd het College (met daarin één advocaat-lid, de algemeen deken) belast met het houden van systeemtoezicht, waarbij de lokale dekens eindverantwoordelijk voor het toezicht en de klachtbehandeling zouden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De huidige tekst van art. 45a lid 2 was aanvankelijk in het derde lid van art. 45a Advw opgenomen. Bij wijziging van 25 juli 2018 is het toenmalig tweede lid komen te vervallen en het derde lid vernummerd tot het (huidige) tweede lid. Zie Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn, Stb. 2018, 239. Om verwarring te voorkomen vermeld ik voorts dat hetgeen in het huidige art. 45a Advw is bepaald in eerdere versies van het wetsvoorstel Tweede en Derde nota van wijziging, resp. nr. 10 en nr. 14) werd opgenomen onder art. 45b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede nota van wijziging, Wet positie en toezicht advocatuur, Kamerstukken II 2011-2012, 32 382, nr. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderstrepingen in de citaten zijn van mijn hand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede nota van wijziging, Wet positie en toezicht advocatuur, Kamerstukken II 2011-2012, 32 382, nr. 10, p. 51-52. Zie naast de hierna aangehaalde passages ook p. 39 waar eveneens wordt gesproken van een “afgeleide geheimhoudingsplicht” voor de toezichthouder en p. 66: “Op de toezichthouders rust een afgeleide geheimhoudingsplicht voor zover zij kennis nemen van informatie die valt onder de geheimhoudingsplicht van de advocaat”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede nota van wijziging, Wet positie en toezicht advocatuur, Kamerstukken II 2011-2012, 32 382, nr. 10, p.52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde nota van wijziging, Wet positie en toezicht advocatuur, Kamerstukken II 2012-2013, 32 382, nr. 14, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Amendement Van der Steur, Wet positie en toezicht advocatuur, Kamerstukken II 2013-2014, 32 382, nr. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderstrepingen zijn door mij aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de vraag of het verschoningsrecht dat de deken als advocaat toekomt ten aanzien van hetgeen hem in die hoedanigheid bekend wordt zich ook uitstrekt over zijn uitoefening van de toezichttaak, waarin hij immers niet als advocaat, maar als deken opereert. Zie hierover onder meer N. Fanoy, De geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van de advocaat, Apeldoorn: Maklu-Uitgevers 2017 (diss.), p. 261-262.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderstrepingen zijn door mij aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van Antwoord, Wet positie en toezicht advocatuur, Kamerstukken I 2013-2014, 38 382, nr. C, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder 5.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij worden enkele passages uit de wetsgeschiedenis aangehaald: de Tweede nota van wijziging (nr. 10), de Nota naar aanleiding van het nader verslag (nr. 13) en de Derde nota van wijziging (nr. 14). Het citaat uit de Derde nota van wijziging betreft dezelfde passage die wordt aangehaald door de rechtbank (zie het citaat onder 4.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij worden enkele passages uit de wetsgeschiedenis aangehaald: het amendement ingediend door Van der Steur (nr. 20), het wetsvoorstel zoals dit naar de Eerste Kamer werd gezonden (nr. A) en de Memorie van Antwoord (nr. C, p. 5). Het citaat uit de Memorie van Antwoord betreft dezelfde passage die wordt aangehaald door de rechtbank (zie het citaat onder 4.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie PG Silvis 12 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:18, onder 4.5-4.7; HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193, NJ 2021/119 m.nt. T. Kooijmans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie AG Harteveld 8 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1122 (voetnoot 111).</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie PG Silvis 12 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:18, voorafgaand aan HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:193, NJ 2021/119 m.nt. T. Kooijmans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie in de samenhangende zaak, ECLI:NL:PHR:2024:818, onder 6.19-6.35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor op www.advocatenorde.nl. het dossier Toezicht op de advocatuur/ Onafhankelijk toezichthouder Advocatuur (OTA). Zie ook de Kamerbrief van Weerwind, Toezicht advocatuur (toezegging commissiedebat Juridische beroepen 10 april 2024), 13 mei 2024, Kamerstukken II 2023-24, 29 279, nr. 852 en de Beslisnota bij deze Kamerbrief met toelichting op versterking toezicht advocatuur, 26 april 2024, 5430852. Een wetsvoorstel is weliswaar aangekondigd, maar nog niet ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie reeds HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173, m.nt. W.L. Haardt (Notaris Maas), rov. 3.6 en meer recent bijv. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375 (prejudiciële vragen, rov. 6.2.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205 en HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1324, rov. 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5070, NJ 2005/273 m. nt. G. Knigge; HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:223; HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1324.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.a.v. notarissen zie onder meer HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5665, rov. 4.3 en HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3314, rov. 3.2 en t.a.v. advocaten onder meer HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280, NJ 2002/438 m.nt. Y. Buruma; HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9162, NJ 2002/439 m.nt. Y Buruma en HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1740 m.nt. F. Vellinga-Schootstra. Ik wijs ook op HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3369, NJ 2011/222 m.nt. M.J. Borgers, waarin de Hoge Raad opmerkt dat bij een doorbreking van het verschoningsrecht van de advocaat “met name [moet] worden gedacht” aan het geval dat de advocaat verdacht wordt van een ernstig strafbaar feit. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad voorts dat het in een geval waarin de advocaat zelf geen verdachte is de officier van justitie en de rechter-commissaris bij toepassing van art. 126aa Sv “niet vrijstaat het belang van het verschoningrecht af te wegen tegen het belang van de waarheidsvinding in de zaak waarin is afgeluisterd en mededelingen die weliswaar onder het verschoningsrecht vallen aan het dossier toe te voegen op de grond dat het belang van het verschoningsrecht moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding” (rov. 3.12.4). Zie voor een uitgebreid overzicht van gevallen waarin het verschoningsrecht van advocaten en notarissen werd doorbroken N. Fanoy, ‘De geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van de advocaat’, Apeldoorn: Maklu-Uitgevers 2017 (diss.), p. 251 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1740, NJ 2014/93 m.nt. F. Vellinga-Schootstra.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 21 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7817, NJ 2008/630 m. nt. J.L. Legemaate (Erasmus MC), waarin een arts werd verdacht van dood door schuld, een culpoos delict met een relatief laag strafmaximum. Zie de conclusie van voormalig AG Vellinga voorafgaand aan de zaak, ECLI:NL:PHR:2008:BD7817, onder 19-21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. AG Harteveld in zijn conclusie van 21 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:307: “6.7 De vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden laat zich niet in het algemeen beantwoorden. Dit kan onder meer het geval zijn als de verschoningsgerechtigde als verdachte wordt aangemerkt, zij het dat deze enkele omstandigheid niet toereikend is om het verschoningsrecht te doorbreken. Andere factoren die bij de beoordeling van de uitzonderlijkheid van de omstandigheden een rol (kunnen) spelen, zijn de aard en zwaarte van de delicten waarop de verdenking betrekking heeft, de aard en omvang van de gegevens die voor het opsporingsonderzoek nodig zijn en de eventuele alternatieven om die gegevens te verkrijgen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5070, NJ 2005/273 m. nt. G. Knigge (Stichting Academisch centrum voor jeugd- en kinderpsychiatrie); HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2386, NJ 2006/ 622 m. nt. J. de Boer (Savanna); HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6088, NJ 2012/537 m. nt. J. Legemaate (HAP Utrecht); HR 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9943, NJ 2013/561 m.nt. J. Legemaate. In deze zaken ging het om minderjarige slachtoffers van zeden-, gewelds- en/of levensdelicten. Betekenis werd onder meer toegekend aan de aard en de ernst van het feit, de omstandigheid dat de informatie niet op andere, minder ingrijpende wijze, kon worden verkregen en (in geval van een levensdelict) de uit art. 2 EVRM voortvloeiende verplichting van de staat tot het doen van een effectief en onafhankelijk onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie AG Harteveld 8 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1122, onder 5.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 123.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5665, NJ 2008/114 m.nt. T.M.C.J. Schalken; HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5666; HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5667.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5611, NJ 2008/115 m.nt. T.M.C.J. Schalken; HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5612; HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5614; HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5615.</p>\n<p class=\"lf-p\">NJ 2008/115, par. 2 van de noot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie in de samenhangende zaak, ECLI:NL:PHR:2024:818, onder 6.36.</p></div>", "next": 0}