{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Deze klachten zie ik ook geen doel treffen. Het hof heeft in rov. 3.5 het Besluit genoemd en is vervolgens op verschillende plaatsen ingegaan op de rol die het Besluit al dan niet speelt bij de kwalificatie, vaak naar aanleiding van een desbetreffend beroep van UMCG op het Besluit. Zo verwijst het hof in rov. 4.23 naar UMCG’s beroep op het Besluit in het kader van de vraag of sprake is van ‘arbeid’ in de zin van art. 7:610 BW en respondeert het in rov. 4.31 op een dito beroep van UMCG op het Besluit in het kader van de toets of sprake is van ‘loon’ ex art. 7:610 BW. In rov. 4.43 overweegt het hof, met verwijzing naar de doelen van het Besluit en de goede bedoeling van UMCG, dat de gekozen uitvoeringsconstructie feitelijk als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt. Bij deze stand van zaken – te meer gelet op de toelichting van het Besluit dat op basis van de feitelijke invulling moet worden bepaald of sprake is van een arbeidsverhouding – kan niet gezegd worden dat het oordeel van het hof in rov. 4.13 en 4.14 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting door op die plaatsen niet expliciet in te gaan op het Besluit. Daar strandt de rechtsklacht al op.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.19 Verder valt in de aangedragen vindplaatsen geen stellingname te lezen over het Besluit die in verband worden gebracht met de uitleg van de gemaakte afspraken tussen partijen. Ik citeer de betreffende stellingen: “Ontstaansgeschiedenis en achtergronden zijn relevant 110. Dat de constructie zoals door het Besluit Experiment Promotieonderwijs is opgezet van belang is voor de beoordeling van de kwalificatievraag ten aanzien van de arbeidsovereenkomst blijkt ook uit het arrest van het Hof Den Bosch van 10 januari 2017 (ECLI:NL:GHSHE: 2017:32). In dit arrest heeft het Hof nadrukkelijk overwogen dat bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst, het Hof veel waarde heeft gehecht aan de ontstaansgeschiedenis van de vermeende \"werkgever\". Het Hof overwoog dat uit de ontstaansgeschiedenis van het bedrijf bleek dat het bedrijf aanvankelijk gestart is als een leerwerkbedrijf voor personen met een achterstand op de arbeidsmarkt. De bedoeling was om dan mensen te helpen om hun draai in het leven te vinden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">111.</span>In casu zal wel degelijk de nodige relevantie moeten worden toegekend aan het feit dat de hele constructie nimmer opgezet is als een constructie waarbij sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst. De ontstaansgeschiedenis van deze constructie zoals blijkt uit het Besluit Experiment Promotieonderwijs laat juist zien dat de constructie beoogd is om een derde studiefase conform de Bologna-verklaring In de praktijk uit te voeren, mede gelet op het feit dat Nederland als een van de weinige Europese landen deze derde fase van studie niet juridisch had geregeld en daarmee achterliep op andere landen die Nederland voorbijstreefden qua aantal promoties en de ontwikkeling van de kenniseconomie. De hele context en achtergrond van dit Besluit, die correct is uitgevoerd en de ontstaansgeschiedenis hiervan is dus van belang voor de beoordeling van deze kwalificatievraag zoals het Hof in Den Bosch heeft geoordeeld. Ook dat hoort bij de volledige afweging.”</div>\n<p class=\"lf-p\">5.20 Deze stellingen behelzen dat met het Besluit niet is bedoeld om een arbeidsovereenkomst tot stand te laten komen tussen promotiestudent en universiteit en dat dat moet worden meegenomen bij de kwalificatie. Hoe dit alles van belang kan zijn voor de uitleg van de gemaakte afspraken tussen partijen, staat daar niet in. De klacht maakt ook niet duidelijk waarom deze stellingen kunnen leiden tot een ander oordeel over de uitleg van de hier gemaakte afspraken. Daar ketst de motiveringsklacht op af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3: de kwalificatie van de overeenkomst (‘fase 2’) 5.21 Onderdeel 3 bestaat uit drie subonderdelen gericht tegen de respectieve elementen ‘arbeid’, ‘loon’ en ‘gezag’ en is in de kern gericht tegen de beslissing dat de overeenkomst tussen partijen als een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW kwalificeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.22 Subonderdeel 3a richt twee rechtsklachten en een motiveringsklacht tegen rov. 4.21 tot en met 4.28 over het element ‘arbeid’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.23 Het aangevallen hofoordeel in rov. 4.21-4.28 is als volgt samen te vatten. [verweerders] moeten zich op grond van de overeenkomst met UMCG inspannen voor wetenschappelijk onderzoek en promotie (rov. 4.21). Daarna respondeert het hof op de stelling van UMCG dat geen sprake is van ‘arbeid’ omdat [verweerders] niet verplicht kunnen worden tot het uitvoeren van een promotieonderzoek en op basis daarvan promoveren. Dat is volgens het hof feitelijk onjuist: de overeenkomst houdt als verplichting van de promotiestudenten in dat zij promotieonderzoek moeten verrichten en op basis daarvan moeten promoveren (rov. 4.22). UMCG heeft beroep gedaan op het Besluit dat rept van ‘promotieonderwijs’ gedefinieerd als ‘onderwijs dat gericht is op onderzoeksvaardigheden en generieke vaardigheden van de promovendus ten behoeve van zijn promotie en zijn positie op de arbeidsmarkt’, op grond waarvan UMCG betoogt dat geen sprake is van ‘arbeid’ (rov. 4.23).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het hof is door [verweerders] allerminst ontkend dat zij, met het oog op hun positie op de arbeidsmarkt, er belang bij hebben wetenschappelijk onderzoek te kunnen doen op basis daarvan te kunnen promoveren (rov. 4.24). Maar dat gold naar ’s hofs oordeel net zo goed voor de student-assistenten die vóór 2016 en na 2018 werden aangesteld, terwijl met hen een dienstverband werd aangegaan. Daarmee werd en wordt erkend dat hun onderzoeks- en promotiearbeid loonvormende ‘arbeid’ ten behoeve van UMCG is. Ook voor die student-assistenten gold dat hun persoonlijke vorming en positie op de arbeidsmarkt gunstig beïnvloed werden doordat zij in de gelegenheid werden gesteld promotieonderzoek te doen en op basis daarvan te promoveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat aspect was echter, getuige het aangaan van een dienstverband, ondergeschikt aan het aspect van het verrichtten van loonvormende arbeid ten behoeve van UMCG. Dat is volgens het hof voor [verweerders] feitelijk niet anders: hun hoofdtaak is het doen van onderzoek en promoveren en het neveneffect is persoonlijke vorming en vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt (rov. 4.25). Vervolgens respondeert het hof op de stelling van UMCG dat zijn hoofdactiviteit het bieden van patiëntenzorg is. Dat is volgens het hof ongetwijfeld waar, hetgeen [verweerders] ook niet hebben betwist, maar dat neemt niet weg dat wetenschappelijk onderzoek verrichten ook een wezenlijke kernactiviteit is van UMCG en dat hetgeen [verweerders] doen volledig past binnen die kernactiviteit (rov. 4.26).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar voegt het hof vervolgens aan toe dat, anders dan bij de student-assistenten, het doen van promotieonderzoek de enige taak is van [verweerders] en dat bij [verweerders] sprake is van twee parallel lopende, maar gescheiden trajecten: studie (opleiding) en promotie (in hoofdzaak: arbeid) (rov. 4.27). Tot slot overweegt het hof dat [verweerders] zich verplicht hebben tot het uitvoeren van een promotieonderzoek en het op basis daarvan promoveren, dat daarmee een van de kernactiviteiten van UMCG wordt verwezenlijkt, dat het doorlopen van het MD/PhD-traject is gescheiden van het studietraject en dat om al deze redenen sprake is van productieve ‘arbeid’ ten behoeve van UMCG gedurende zekere tijd, namelijk de duur van de gesloten overeenkomst (rov. 4.28).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.24 Subonderdeel 3a begint met een uitgebreide inleiding waarin onder andere een samenvatting van het hofoordeel staat dat hier sprake is van ‘arbeid’. Daarin zou geen kenbaar gewicht zijn toegekend aan het door UMCG aangehaalde argument dat het Besluit dat ten grondslag ligt aan de tussen partijen gesloten overeenkomsten ervan uitgaat dat de promotiewerkzaamheden die ter uitvoering van dat Besluit worden verricht zijn aan te merken als promotieonderwijs en deze werkzaamheden in het kader van het op dat Besluit gebaseerde experiment (in beginsel) dus juist niet worden verricht in de vorm van loonvormende arbeid (PI onder 41).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.25 De PI onder 42 bevat vervolgens de rechtsklacht dat wanneer het hof aan voornoemd argument voorbij is gegaan omdat het meent dat wanneer bepaalde werkzaamheden, zoals hier het verrichten van promotieonderzoek, (i) tot een kerntaak van UMCG behoren en (ii) door sommigen binnen de organisatie wel op basis van een arbeidsovereenkomst werden en worden verricht, dit betekent dat daarmee al gegeven is dat het verrichten van die werkzaamheden (in elk geval: wanneer daar een betaling tegenover staat), kwalificeert als ‘arbeid’, dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. UMCG’s s.t. licht onder 76 toe dat deze rechtsklacht is gebaseerd op de lezing dat de beslissing van het hof in rov. 4.21 tot en met 4.28 aldus moet worden begrepen dat de promotiewerkzaamheden van [verweerders] , anders dan hun studieactiviteiten in hun masteropleiding – zoals het lopen van co-schappen – zijn aan te merken als ‘arbeid’ in de zin van art. 7:610 BW omdat (i) het verrichten van zulk wetenschappelijk onderzoek één van de kerntaken van UMCG is, terwijl (ii) vast staat dat bij andere personen die vóór respectievelijk na [verweerders] als student-assistent hetzelfde (soort) onderzoekswerk gericht op een promotie (zijn gaan) doen bij UMCG, en die daar op dezelfde wijze van profiteerden wat betreft persoonlijke vorming en arbeidsmarktpositie, dat werk wel als primair ‘loonvormende arbeid’ is aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.26 Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft niet beslist dat sprake is van ‘arbeid’ ex art. 7:610 BW omdat het verrichten van promotieonderzoek een kerntaak is en het verrichten van promotieonderzoek door de student-assistenten (ook) op basis van een arbeidsovereenkomst werd gedaan. Zoals uiteengezet is in rov. 4.28 geconcludeerd dat sprake is van ‘arbeid’ omdat (i) [verweerders] zich op grond van de met UMCG gesloten overeenkomst hebben verplicht tot het uitvoeren van een promotieonderzoek en op basis daarvan te promoveren, waarmee (ii) een van UMCG’s kernactiviteiten wordt verwezenlijkt en (iii) dat het doorlopen van het MD/PhD-traject is gescheiden van het studietraject. Voor het hof is kennelijk niet doorslaggevend geweest dat de studenten-assistenten vóór oktober 2016 en ná oktober 2018 als ambtenaar werden aangesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is in lijn met hetgeen het hof in rov. 4.17 voorop heeft gesteld dat af en toe een vergelijking zal worden gemaakt tussen de situatie van [verweerders] en de genoemde student-assistenten, maar uitsluitend om te beoordelen of de verhouding tussen partijen kan worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Wanneer dan blijkt dat de situatie van [verweerders] niet wezenlijk verschilt van die van de student-assistenten is het niet dié constatering die de conclusie van het bestaan van een arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, maar zal het de aan de hand van die vergelijking vastgestelde feitelijke inhoud van de verhouding tussen [verweerders] en UMCG zijn die, eventueel, die conclusie rechtvaardigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.27 De PI onder 43 bevat ook een rechtsklacht: het hof heeft in ieder geval (ook) blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij zijn beoordeling in rov. 4.23 tot en met 4.27 of [verweerders] ‘arbeid’ in de zin van art. 7:610 BW verrichten geen kenbaar gewicht toe te kennen aan het wettelijk kader, bestaande in het Besluit, dat ten grondslag ligt aan de overeenkomsten, welk wettelijk kader nu juist als vertrekpunt kiest dat onderzoeks- en promotiewerk dat wordt verricht op grond van het experiment dat door het Besluit mogelijk is gemaakt, in beginsel niet is aan te merken als loonvormende arbeid. Het hof heeft, zo vervolgt de klacht, hiermee miskend dat wanneer sprake is van een specifiek wettelijk kader dat ten grondslag ligt aan het (laten) verrichten van bepaalde werkzaamheden, de toets of sprake is van ‘arbeid’ in de zin van art. 7:610 BW in belangrijke mate, althans in elk geval mede, door dat kader wordt ingekleurd. Wanneer personen op grond van een specifieke wettelijke regeling tegen betaling werkzaamheden verrichten bij een bepaalde organisatie, kan die regeling meebrengen, althans een zwaarwegende aanwijzing vormen, dat het verrichten van dat werk voor die personen niet als ‘arbeid kwalificeert, zelfs als anderen binnen diezelfde organisatie, dezelfde werkzaamheden wel bij wijze van ‘arbeid’ in de zin van art. 7:610 BW verrichten of hebben verricht (omdat zij niet onder het voornoemde, specifieke wettelijke kader vallen of vielen).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.28 Ook dit zie ik geen doel treffen. De klacht komt er in de kern op neer dat het hof (meer) belang had moeten toekennen aan het Besluit bij de beoordeling of sprake is van ‘arbeid’ in de zin van art. 7:610 BW. Het hof heeft in rov. 4.23 verwezen naar (het beroep dat UMCG heeft gedaan op) het Besluit dat spreekt over ‘promotieonderwijs’ en dit definieert als ‘onderwijs dat gericht is op onderzoeksvaardigheden en generieke vaardigheden van de promovendus ten behoeve van zijn promotie en zijn positie op de arbeidsmarkt’. Alleen al hieruit blijkt dat het hof het Besluit bij de ‘arbeids’-toets in het vizier had. Het hof hecht daarbij kennelijk geen doorslaggevend belang aan het Besluit en het daarin gedefinieerde promotieonderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weliswaar is onderkend dat het doen van promotieonderzoek en het promoveren ten positieve bijdraagt aan de positie van [verweerders] op de arbeidsmarkt, maar dit is geduid als een neveneffect van het verrichten van productieve arbeid voor UMCG. Dat het hof, in dit verband, geen doorslaggevend of groter belang heeft toegekend aan het Besluit lijkt mij niet rechtens onjuist. Uit het Besluit volgt niet dwingend dat als vertrekpunt is gekozen dat onderzoeks- en promotiewerk dat wordt verricht op grond van het experiment dat door het Besluit mogelijk is gemaakt, er in beginsel geen sprake is van loonvormende arbeid. Het Besluit, noch de toelichting daarop, geven daarvoor een indicatie. De toelichting is vooral toegespitst op het ontbreken van een gezagsverhouding tussen universiteit en promotiestudent, zoals in paragraaf 4 is besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het al dan niet verrichten van ‘arbeid’ wordt niets concreets geleerd in de door de klacht bedoelde zin, zo is mijn evaluatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.29 De PI bevat onder 44 de motiveringsklacht dat als het hof hier niet uit is gegaan van een onjuiste rechtsopvatting, de beslissing dat sprake is van ‘arbeid’ in elk geval onvoldoende is gemotiveerd. Het hof heeft in de aangevallen rechtsoverwegingen geen kenbaar gewicht toegekend aan (de strekking van) het Besluit, dat er nu juist van uitgaat dat onderzoekswerk zoals door [verweerders] verricht op grond van het experiment dat het Besluit in het leven heeft geroepen, in beginsel gezien moet worden als werk dat wordt verricht in het kader van de opleiding die door de promotiestudenten wordt gevolgd en juist niet als in dienstverband / op grond van een aanstelling verricht werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.30 Deze klacht faalt ook. Het hof heeft wel gerespondeerd op het beroep van UMCG op de strekking van het Besluit. Zoals aangegeven heeft het hof in rov. 4.23 dit beroep expliciet benoemd, waarop vervolgens is gereflecteerd door het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.31 Subonderdeel 3a kan zodoende naar ik meen niet tot cassatie leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.32 Subonderdeel 3b komt met twee rechtsklachten en een voortbouwklacht op tegen het oordeel in rov. 4.29-4.33 dat de beurs die [verweerders] ontvangen kwalificeert als ‘loon’ volgens art. 7:610 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.33 Het hof overweegt allereerst dat [verweerders] gedurende de looptijd van de overeenkomst een vergoeding ontvingen, aangeduid als ‘beurs’. Deze beurs werd bekostigd uit het profileringsfonds (rov. 4.29; het profileringsfonds is besproken in paragraaf 4). Volgens het hof heeft UMCG aangevoerd slechts een beurs te hebben verstrekt om [verweerders] in staat te stellen in hun levensonderhoud te voorzien en dus niet als tegenprestatie voor de door hen verrichte arbeid. Naar het oordeel van het hof neemt deze bedoeling echter niet weg dat er objectief bezien sprake is van het verrichten van productieve arbeid ten behoeve van UMCG en UMCG verplicht is de beurs te betalen als de beurspromovendus zich houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in de overeenkomst (rov. 4.30).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens respondeert het hof op de stelling van UMCG dat het profileringsfonds er is voor studenten en dat de gedachte achter het Besluit niet is financiële ondersteuning ten behoeve van het verrichten van een arbeidsprestatie door studenten, maar financiële ondersteuning van studenten bij het afronden van hun studie. In het verlengde hiervan is de beurs voor de beurspromovendi niet bedoeld als vergoeding voor hun prestatie, maar als voorziening om in hun levensonderhoud te voorzien. Dat moge zo zijn, zo oordeelt het hof, maar neemt niet weg dat [verweerders] feitelijk loonvormende arbeid verrichten. Het is niet de bedoeling van het Besluit en UMCG die bepalend is, zo vervolgt het hof, maar de feitelijke situatie die bij de uitvoering in het leven is geroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor [verweerders] was niet van belang uit welk ‘potje’ zij werden betaald; van belang was slechts dat UMCG (en niet een derde) betaalde (rov. 4.31). Hier voegt het hof verder nog aan toe dat op de verstrekte beurs, net zoals in situaties van loonbetaling aan werknemers, loonbelasting en premies volksverzekeringen worden ingehouden, er loonstroken worden verstrekt en dat bij korte periodes van ziekte en zwangerschap de beurs wordt doorbetaald. Een aan studenten verstrekte studiebeurs heeft (vanaf 2015) deels het karakter van een lening, maar dat is niet het geval bij de aan de [verweerders] betaalde beurs. Als het onderzoek niet wordt afgemaakt, hoeft door hen niets te worden terugbetaald. De aan de [verweerders] betaalde beurs is verder aanmerkelijk hoger dan de reguliere studiebeurs (rov. 4.32).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van al deze omstandigheden moet de verstrekte beurs worden aangemerkt als een door UMCG verschuldigde vergoeding voor de bedongen ‘arbeid’, dus als ‘loon’ in de zin van art. 7:610 BW (rov. 4.33).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.34 De voortbouwklacht, onder 46 van de PI, komt erop neer dat het oordeel dat de beursbetaling door UMCG kwalificeert als ‘loon’ volgens art. 7:610 BW bij gegrondbevinding van één of meer van de klachten van subonderdeel 3a geen stand kan houden omdat dit oordeel in belangrijke mate is gebaseerd op het feit dat [verweerders] ‘feitelijk loonvormende arbeid’ verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.35 Deze klacht moet het lot delen van de besproken klachten van subonderdeel 3a en faalt eveneens.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.36 De eerste rechtsklacht over het ‘loon’-oordeel is gericht tegen rov. 4.31 dat het niet de bedoeling van het Besluit en UMCG is die hier bepalend is, maar de feitelijke situatie die bij de uitvoering in het leven wordt geroepen. Dit geeft volgens de PI onder 48 blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de bedoelingen van de wetgever ten aanzien (van het karakter) van de betaling die [verweerders] , die participeren in op het Besluit gebaseerde promotietrajecten, ontvangen wel degelijk (en zelfs: in belangrijke mate) medebepalend zijn voor de afwegingen of bij die betalingen sprake is van ‘loon’. Hierbij wordt verwezen naar rov. 3.3.2 van Participatieplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.37 Onder ‘loon’ in de zin van art. 7:610 BW wordt verstaan de door de werkgever verschuldigde contraprestatie voor de arbeid, die in iets anders bestaat dan pensioen. De naam die partijen aan de tegenprestatie toekennen, doet niet ter zake. Het loon is een prestatie van de werkgever; beslissend is of de werkgever zich tot de prestatie heeft verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.38 Het hof heeft in deze zaak, samengevat, overwogen dat [verweerders] productieve arbeid verrichten voor UMCG waarvoor [verweerders] tijdens de looptijd van de overeenkomst een vergoeding (de beurs) ontvangen van UMCG. UMCG is verplicht deze vergoeding te betalen als [verweerders] zich houden aan de in de gesloten overeenkomsten vastgelegde afspraken, hetgeen betekent dat de vergoeding verschuldigd is door UMCG.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.39 In zijn algemeenheid kan het zo zijn dat in een bepaalde situatie, zoals in de zaak die voorlag in Participatieplaats, voor de vraag of sprake is van ‘loon’ betekenis moet worden toegekend aan de bedoeling van de wetgever bij een bepaalde vergoeding. In Participatieplaats is in rov. 3.3.2 uitgemaakt (onderstreping toegevoegd A-G): “3.3.2 De re-integratievoorzieningen onder de IOAW zijn deels vastgelegd in de Participatiewet (de opvolger van de WWB). Uit de wetsgeschiedenis van de Participatiewet volgt dat de stimuleringspremie is bedoeld als beloning voor de inspanningen die uitkeringsgerechtigden plegen om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Die inspanningen kunnen bijvoorbeeld bestaan in het volgen van scholing, leerwerktrajecten, taalcursussen, een sollicitatiecursus of het verrichten van arbeid op een participatieplaats. De stimuleringspremie is dus naar de bedoeling van de wetgever niet aan te merken als beloning voor verrichte arbeid. Gelet op het doel van de stimuleringspremie in het algemeen en bij gebreke van omstandigheden die erop wijzen dat in dit geval de stimuleringspremie aan [betrokkene] is betaald als beloning voor haar werkzaamheden, geeft het oordeel van het hof dat de stimuleringspremie die [betrokkene] heeft ontvangen, niet is te beschouwen als loon in de zin van art. 7:610 lid 1 BW, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is in het licht van de gedingstukken ook niet onbegrijpelijk.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.40 In die zaak is geoordeeld dat de stimuleringspremie een beloning kán zijn voor het verrichten van arbeid op een participatieplaats, maar dat dat niet automatisch zo hoéft te zijn. De stimuleringspremie is een beloning voor de inspanningen die uitkeringsgerechtigden plegen om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten en dat kan meer omvatten dan alleen het verrichten van arbeid op een participatieplaats. Uitgemaakt werd dat gelet op het doel van de stimuleringspremie in het algemeen én bij gebreke van omstandigheden die erop wijzen dat in het voorliggende geval de stimuleringspremie aan de betrokkene was betaald als beloning voor haar werkzaamheden, het oordeel van het hof dat de stimuleringspremie die betrokkene had ontvangen, niet te beschouwen is als ‘loon’ geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. Bij andere omstandigheden kan dat zodoende anders liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.41 In deze zaak ligt dat anders. Ten eerste bepaalt het Besluit noch de toelichting daarop (expliciet) waarvoor de beurs uit het profileringsfonds een beloning vormt. Art. 9 lid 3 Besluit bepaalt slechts dat het instellingsbestuur voorzieningen treft voor de financiële ondersteuning van promotiestudenten uit het profileringsfonds en daartoe regels vaststelt over in ieder geval de aanvraag, de duur en de hoogte van de financiële ondersteuning. In de nota van toelichting valt te lezen dat gekozen is voor aansluiting bij het profileringsfonds omdat dit een fonds is dat al bestaat op grond van de wet, de universiteit hiervoor een regeling heeft en de rechten van universiteiten en studenten helder geregeld zijn. Ook is toegelicht dat de promotiestudent met de beurs in zijn levensonderhoud moet kunnen voorzien, zo is uiteengezet in paragraaf 4. In de tweede plaats zijn er in deze zaak wél omstandigheden die erop wijzen dat de door UMCG betaalde vergoeding als beloning voor de werkzaamheden van [verweerders] is te zien. Het hof overweegt immers, heel kort gezegd, feitelijk oordelend dat [verweerders] en UMCG dit zo waren overeengekomen. Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het hof dat niet de bedoeling van het Besluit en UMCG bepalend is, maar de feitelijke situatie die bij de uitvoering in het leven wordt geroepen, volgens mij geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De hier besproken rechtsklacht strandt daar dan op.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.42 De tweede rechtsklacht onder 49 is gericht tegen de twee na laatste volzin van rov. 4.31 dat voor [verweerders] niet van belang was uit welk ‘potje’ (het profileringsfonds of andere middelen van het UMCG/de RUG) zij werden betaald; van belang was slechts dat UMCG (en niet een derde) betaalde. Geklaagd wordt dat dit onjuist is voor zover dit zo moet worden begrepen dat het hof heeft beslist dat voor de beoordeling of sprake is van loonbetaling in de zin van art. 7:610 BW slechts beslissend is dat de ontvanger een betaling heeft ontvangen van de werkverschaffer en dat daarbij niet van belang is hoe de financiering van de betalingen aan [verweerders] verliep. Bij de beoordeling of betalingen kwalificeren als loonbetalingen gaat het er immers om vast te stellen of die betaling kwalificeert als tegenprestatie voor de verrichte arbeid en voor die vraag kan wel degelijk van gewicht zijn hoe en van waaruit de betalingen zijn gefinancierd, omdat daarin aanwijzingen besloten kunnen liggen die erop kunnen duiden dat die betalingen er juist niet op gericht zijn om een tegenprestatie te vormen voor productieve arbeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.43 Ook deze klacht is meen ik tevergeefs. Het hof oordeelt dat de vergoeding die UMCG volgens de gesloten overeenkomsten met [verweerders] is verschuldigd is aan te merken als tegenprestatie voor hun productieve arbeid. Daarbij was het in mijn optiek niet van belang of deze vergoeding al dan niet uit het profileringsfonds werd betaald – te meer niet, omdat Besluit noch toelichting bepaalt waarvoor de beurs uit het profileringsfonds een vergoeding vormde. Uit de toelichting volgt dat vooral uit praktische overwegingen is gekozen om aan te sluiten bij het profileringsfonds. Het hier aangevallen oordeel dat voor [verweerders] niet van belang was uit welk potje zij betaald werden, lijkt mij niet rechtens onjuist.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.44 Subonderdeel 3c is gericht tegen rov. 4.34 tot en met 4.43 waarin het hof heeft beoordeeld of sprake is van ‘gezag’ volgens art. 7:610 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.45 In de PI onder 51 stelt UMCG dat het hof bij de beoordeling in rov. 4.34-4.43 of sprake is van ‘gezag’ geen acht heeft geslagen op het beroep van UMCG op het feit dat [verweerders] een grote mate van vrijheid hadden bij het kiezen van het onderwerp van hun onderzoek en bij het opzetten van hun onderzoeksplan. Het hof heeft in rov. 4.35 wel onderkend dat [verweerders] een grote mate van vrijheid hadden bij het uitvoeren van hun onderzoek, maar die uitvoering betreft een ander aspect dan de keuze van het onderwerp en het opzetten van het onderzoeksplan, hetgeen immers beide voorafgaat aan de uitvoering daarvan. Geklaagd wordt dat als het hof geen rekening heeft gehouden met bedoelde vrijheid bij onderwerpkeuze en onderzoeksplan omdat het hof meent dat deze gezichtspunten niet relevant zijn in de beoordeling of sprake is van een gezagsverhouding, het hof uitgegaan is van een onjuiste rechtsopvatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze keuzevrijheden zijn immers belangrijke aanwijzingen, althans kunnen dat zijn, dat geen sprake is van een gezagsverhouding. Dat klemt te meer nu in de nota van toelichting bij het Besluit deze keuzevrijheden juist uitdrukkelijk zijn aangewezen als reden om bij de categorie promotiestudenten die deelnemen aan het experiment geen arbeidsrechtelijke gezagsverhouding aan te nemen. Daar wordt de motiveringsklacht aan toegevoegd dat wanneer het hof niet uit is gegaan van een onjuiste rechtsopvatting, er sprake is van ontoereikende motivering door niet te responderen op de essentiële stellingen die UMCG in dit verband heeft ingenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.46 Deze klachten slagen volgens mij ook niet. Juist is dat in de aangevallen overwegingen geen acht is geslagen op de vrijheid de promotiestudenten (al dan niet) hadden bij hun onderwerpkeuze en onderzoeksplan, maar dat hoefde ook niet, omdat daar in rov. 4.18 tot en met rov. 4.20 al aandacht aan is besteed. In rov. 4.18 overweegt het hof dat aan het sluiten van de overeenkomst een sollicitatietraject vooraf is gegaan waarbij de sollicitatie bestond uit een voorstel voor een promotieonderzoek en een planning. De planning moest vooraf worden geaccordeerd door de stagemanager van het Onderwijsinstituut en de inhoudelijke kwaliteit van het onderzoeksvoorstel werd, samen met de geschiktheid van de sollicitant, beoordeeld door een commissie. In rov. 4.19 overweegt het hof vervolgens dat partijen verschillen van mening over de mate van vrijheid die de studenten hadden in de keuze van hun onderzoeksvoorstel, waarna in rov. 4.20 dit volgt: “4.20 Partijen benoemen de door hen genoemde aspecten kennelijk om te onderbouwen dat wel (de beurspromovendi) of geen (het UMCG) sprake is van een gezagsrelatie tussen hen. Aan de orde is echter de fase voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. In die fase speelt het begrip ‘gezag’ nog geen rol. Daarvan is pas sprake vanaf het moment van het sluiten van de overeenkomst omdat van de daarbij overeengekomen rechten en verplichtingen moet worden vastgesteld of deze de kwalificatie ‘arbeidsovereenkomst’ rechtvaardigen. Wat in de precontractuele fase gebeurt kan overigens wel van belang zijn om nadien overeengekomen rechten en verplichtingen te duiden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.47 Daarmee is gerespondeerd op de stellingen die UMCG heeft ingenomen ten aanzien van de vrijheid in het kiezen van het onderwerp en het onderzoeksplan. Het hof is echter, anders dan partijen, van oordeel dat de hiervoor genoemde vrijheid aan de orde was voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst en dus niet van belang was bij de beoordeling of sprake was van gezag in de zin van art. 7:610 BW bij de uitvoering van de overeenkomsten. Daar hoefde het hof in de hier aangevallen overwegingen niet nog een keer op in te gaan, waarbij ik aanteken dat rov. 4.20 in cassatie niet is bestreden. Zowel de rechtsklacht als de motiveringsklacht lijken mij dan ook niet op te kunnen gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.48 In de PI onder 52 klaagt UMCG verder dat bij de beoordeling of sprake is van ‘gezag’ geen rekening is gehouden met de volgende door UMCG aangevoerde gezichtspunten, dat: (i) aan promotiestudenten zoals [verweerders] geen verhuisplicht kan worden opgelegd (terwijl dat bij werknemer-promovendi wel geschiedt); (ii) studentpromovendi in het kader van de medezeggenschap niet als medewerker, maar als student worden gezien; (iii) promotiestudenten beschikken over een S(tudenten)-nummer waarmee zij gebruik kunnen maken van alle kortingen en faciliteiten die studenten kunnen gebruiken (zoals vrijwel gratis gebruik van sportfaciliteiten, kortingen voor studenten, etc.), waarop werknemerspromovendi juist geen aanspraak hebben; en (iv) de bezwaarmogelijkheden van hoofdstuk 7.4 WHW van toepassing zijn verklaard op studentpromovendi zoals [verweerders] ter afwikkeling van geschillen over het verloop van het promotieonderzoek, terwijl voor promovendi die zijn aangesteld andere geschilbeslechtingsprocedures gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer bij de ‘gezags’-beoordeling geen rekening is gehouden met deze gezichtspunten omdat het hof oordeelt dat deze in dit verband niet van gewicht zijn, is dat onjuist, omdat al deze omstandigheden wel degelijk aanwijzingen zijn dat arbeidsrechtelijk ‘gezag’ ontbreekt. Dat geldt te meer voor gezichtspunten (iii) en (iv), nu deze in de nota van toelichting op het Besluit uitdrukkelijk zijn genoemd als aanwijzingen waarom promotiestudenten die promoveren onder de vigeur van het Besluit als student en niet als werknemer-promovendus kwalificeren. Onder 53 volgt de motiveringsklacht dat voor zover geen sprake is van een onjuiste rechtsopvatting, het hof zijn beslissing ‘gezags’-beslissing in rov. 4.34 tot en met 4.43 ontoereikend heeft gemotiveerd door niet te reageren op de hiervoor genoemde omstandigheden die er veeleer op duiden dat [verweerders] niet als werknemer maar als student aan het UMCG waren verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.49 Deze klachten lijken mij evenmin tot cassatie te kunnen leiden. De omstandigheden genoemd onder (ii) tot en met (iv) zijn naar ik meen een gevolg van het feit dat UMCG [verweerders] als studenten en niet als werknemers ‘kwalificeerde’. Daarbij komt dat ik zonder nadere, maar niet verschafte, toelichting niet inzie waarom het aanbieden van bepaalde faciliteiten of kortingen (zoals bedoeld onder (iii)) zou kunnen bijdragen aan het oordeel dat al dan niet sprake is van arbeidsrechtelijk ‘gezag’ (de gedachte is hier kennelijk: ze delen in de faciliteiten voor studenten, anders dan werknemers-promovendi, en zodoende is er arbeidsrechtelijk geen ‘gezag’, evenmin als dat bij studenten het geval is. Dat vormt trekken van een a contrario redenering, waarmee voorzichtigheid is geboden in ons recht). Hetzelfde geldt voor de verhuisplicht genoemd onder (i). Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.50 Ook subonderdeel 3c treft zodoende in mijn ogen geen doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 5.51 Onderdeel 1 is deels terecht voorgesteld, maar de onderdelen 2 en 3 falen. Vanaf 1 januari 2020 bestaat een arbeidsovereenkomst tussen [verweerders] en UMCG, zij het dat dit alleen geldt voor de overeenkomsten die op die datum nog niet waren geëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.52 De Hoge Raad kan de zaak volgens mij (gedeeltelijk) zelf afdoen door het bestreden tussenarrest te vernietigen voor zover daarin voor recht is verklaard dat tussen [verweerders] en UMCG een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen en in plaats daarvan voor recht te verklaren dat de tussen [verweerders] en UMCG gesloten overeenkomsten, voor zover die nog bestonden op 1 januari 2020, vanaf 1 januari 2020 kwalificeren als een arbeidsovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Conclusie Ik concludeer tot vernietiging van het bestreden arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 2 mei 2023 en tot afdoening als hiervoor in 5.52 in overweging gegeven en voor het overige tot (terug)verwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Stb. 2016, 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 9 maart 2017, Stb. 2017, 123.</p>\n<p class=\"lf-p\">De feiten zijn ontleend aan het bestreden arrest: Hof Arnhem-Leeuwarden 2 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3701, JAR 2023/140 m.nt. N.T. Dempsey, rov. 3.1-3.8. Zie ook de uitspraak in eerste aanleg: Rb. Noord-Nederland (ktr. Groningen) 4 januari 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:5, JIN 2022/22 m.nt. C.L. Waterman en M.A. Oliemans-Ouwehand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof merkt hierbij op dat op deze plek periodes van 42 tot 51 maanden ingevuld zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In eerste aanleg waren er 48 eisers. In hoger beroep waren er 44 appellanten in principaal appel. Niet alle eisers zijn dus in hoger beroep gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1747.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.M.T. van der Wiel, N.T. Dempsey, Cassatie (BPP nr. 20) 2019/137, Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/238.</p>\n<p class=\"lf-p\">K. Teuben, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 401a Rv, aant. 1 (actueel t/m 23-02-2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">O.a. HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2905, JBPr 2015/67 m.nt. G.C.C. Lewin, rov. 4.4. Zie ook B.M.T. van der Wiel, N.T. Dempsey, Cassatie (BPP nr. 20) 2019/146.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2022/145 waarin, voor wat betreft een vonnis, wordt opgemerkt dat het dictum beslissend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2905, JBPr 2015/67 m.nt. G.C.C. Lewin, rov. 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443, NJ 2024/35, m.nt. E. Verhulp, JAR 2023/107 m.nt. E.F. Grosheide, AR-updates.nl 2023-0400 m.nt. A.R. Houweling, Ondernemingsrecht 2023/50 m.nt. J.M. van Slooten, TRA 2023/70 m.nt M.D. Ruizenveld en TAC/17856 m.nt. R.A.A. Duk (Deliveroo).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746, NJ 2021/116 m.nt. E. Verhulp, JAR 2020/287 m.nt. S. Said, JIN 2020/165 m.nt. S.C. Verlinden, USZ 2020/300 m.nt. G.C. Boot, AR-Updates.nl 2020-1345 m.nt. A.R. Houweling, Prg. 2020/314 m.nt. J.J.M. de Laat, TRA 2021/17 m.nt. C.J. Frikkee en TAC 16912 m.nt. R.A.A. Duk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.2.3 – 3.2.4 van Participatieplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.2.5 van Participatieplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze plaats volsta ik met de opmerking dat het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) eind juni voor advies naar de Raad van State is gestuurd, zie Meer duidelijkheid over werken met en als zelfstandige, wetsvoorstel naar Raad van State | Nieuwsbericht | Rijksoverheid.nl. (laatst geraadpleegd op 13 augustus 2024). Zie over (de voorgeschiedenis van) dit wetsvoorstel de conclusie van A-G De Bock van 5 juli 2024, ECLI:NL:PHR:2024:730, onder 10.3-10.9 (Helpling).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhulp noemt in zijn NJ-noot onder Participatieplaats naast platformwerkers verpleegkundigen die werkzaam zijn op basis van een opdrachtovereenkomst, leraren op lagere en middelbare scholen die op basis van een opdrachtovereenkomst hun werkzaamheden verrichten en musici die als zelfstandige in een orkest werken, zie NJ 2021/116.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dempsey noemt dit in haar JAR-noot noot onder het bestreden arrest, al aangehaald, het ‘vernieuwde’ toetsingskader. Deliveroo is in de literatuur uitvoerig becommentarieerd waarbij veel aandacht uitgaat naar de gezichtspunten uit dat arrest en de betekenis van dat arrest voor het gezagscriterium. Deze aspecten zijn niet van belang voor onze zaak en laat ik daarom onbesproken. Zie hierover andermaal de recente conclusie van A-G De Bock van 5 juli 2024, ECLI:NL:PHR:2024:730, onder 7.5-7.24 (Helpling).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voluit: Besluit van 23 december 2015, houdende bepalingen voor een experiment met het oog op verbetering van de toegankelijkheid en de doelmatigheid van het hoger onderwijs door invoering van promotieonderwijs (Besluit experiment promotieonderwijs), Stb. 2016, 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtspersoonlijkheid volgt uit art.1.8 lid 2 WHW jo. de bijlage onder j.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de nota van toelichting van het Besluit valt te lezen dat de mogelijkheid promotieonderwijs voor promotiestudenten aan te bieden aanvankelijk was opgenomen in het wetsvoorstel Kwaliteit in verscheidenheid, maar dat naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State het kabinet had besloten eerst op beperkte schaal met promotieonderwijs te experimenteren. Zie nota van toelichting bij het Besluit, Stb. 2016, 3, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze verklaring is het streven verwoord om te komen tot één Europese hogeronderwijsruimte. Deze verklaring heeft in Nederland geleid tot de invoering van de bachelor-masterstructuur en de accreditatie in het hoger onderwijs. De Bologna-verklaring heeft geleid tot de Wet inzake invoering van accreditatie in het hoger onderwijs, Stb. 2002, 302; elke opleiding moet regelmatig worden ‘geaccrediteerd’, zie de conclusie van A-G De Bock 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:374 onder 4.34-4.36 en over de Bologna-verklaring o.a. P.J.J. Zoontjens (red.) Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs: tekstuitgave 2023, p. 64-65.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nota van toelichting bij het Besluit, Stb. 2016, 3, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens is aan [verweerders] feitelijk nooit collegegeld in rekening gebracht, zie s.t. [verweerders] 2.26 onder verwijzing naar MvG par. 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 7.51 lid 1 en lid 2 WHW.</p>\n<p class=\"lf-p\">De promotiestudent is echter geen ‘gewone’ student en telt dus niet mee bij het studentgebonden bedrag voor het berekenen van de rijksbijdrage als bedoeld in art. 2.5 WHW, zie nota van toelichting, Stb. 2016, 3, p. 12. Zie over de rijksbijdrage van ‘gewone studenten’ en de bekostiging van onderwijsinstellingen de conclusie van A-G De Bock van 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:374 onder 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nota van toelichting, Stb. 2016, 3, p. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Toelichting op het concept-besluit zoals toegezonden aan de Raad van State luidde aldus: “De promotiestudent zal grotere vrijheid genieten bij de keuze voor zijn promotieonderwerp dan de werknemer-promovendus. Bovendien geldt voor hem geen arbeidsrechtelijke gezagsverhouding, zoals voor de werknemer-promovendus geldt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rectificatie publicatie advies Raad van State en nader rapport ten aanzien van ontwerpbesluit houdende bepalingen voor een experiment met het oog op verbetering van de toegankelijkheid en de doelmatigheid van het hoger onderwijs door invoering van promotieonderwijs (Besluit experiment promotieonderwijs), Stb. 2016, 6247, p. 3, 4 en 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">De RUG heeft toestemming gekregen om deel te nemen aan het experiment, zie ook de brief van de universiteit aan de Federatie Medisch Specialisten van 6 maart 2020 (derde alinea). Deze brief is als bijlage 11 bij de inleidende dagvaarding overgelegd. Het academisch ziekenhuis Groningen, in deze procedure aangeduid als het UMCG, heeft dus kennelijk geen toestemming gevraagd of gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2021/22, 31 288, nr. 962, p. 2 (brief minister). De minister geeft aan dat uit de eindevaluatie blijkt dat met name de verschillen in rechtspositie tussen soorten promovendi, verschillen in de financiële situatie en onduidelijkheid over fiscale gevolgen van de verandering in het promotiestelsel redenen zijn geweest voor andere universiteiten om niet deel te nemen aan het experiment.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2021/22, 31 288, nr. 962, p. 1-2 (brief minister).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanhangsel Handelingen II 2016/17, nr. 267. Mede naar aanleiding van de berichtgeving in de media en de antwoorden op de kamervragen hebben Christiaansen en Boelens onderzocht in 2017 (dus vóór Participatieplaats en Deliveroo) onderzocht in hoeverre de positie van de studentpromovendus voldoet aan de vereisten van een arbeidsovereenkomst. Volgens hen komt het antwoord aan op de vraag naar de gezagsverhouding. Een algemeen antwoord op deze vraag geven zij niet, omdat het, zo vat ik het samen, volgens hen aankomt op de praktische uitvoering en vormgeving. Zie E. Christiaansen en G. Boelens, Tussen servet en tafellaken: de studentpromovendus in arbeidsrechtelijk perspectief, AA 2017, p. 250- 256.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Staatsblad 2016, nummer 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8365. Ik kom op deze uitspraak terug in (1b).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 3468 waarin de minister op vraag 5 antwoordt dat het aan de rechter is om te oordelen of er sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW en de eventuele gevolgen hiervan. Zie verder Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 1451 waarin de minister op vraag 6 antwoordt dat als uit de feitelijke invulling van de verhouding tussen universiteit en promotiestudent blijkt dat het verschil tussen promotiestudenten en werknemerpromovendi neerkomt op een verschil in financiële tegemoetkoming, de promotiestudent wordt beschermd door het arbeidsrecht. Dan kan de rechter namelijk een civielrechtelijke arbeidsovereenkomst aannemen en is de promovendus geen promotiestudent, maar een werknemerpromovendus met de daarbij behorende rechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.A.J. van Gestel, Objets trouvés Het wettelijk experiment rond de promotiestudent, RegelMaat 2020 35/1, p. 53.-54, waarmee wordt gerefereerd aan arresthet arrest Beurspromovendi UvA uit 2006. Zie daarover hierna in (1b).</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Gestel, t.a.p., p. 62.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.C. Kwikkers, Sdu Commentaar WHW, commentaar op art. 4.5 WHW (publicatiedatum 28 april 2022).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de hier te bespreken uitspraken ook de noot van N.T. Dempsey bij het bestreden arrest (JAR 2023/140).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over het bursalensysteem ook de nota van toelichting bij het Besluit, Stb. 2016, 3, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9722, NJ 2007/447, m.nt. E. Verhulp, JIN 2006/226, m.nt. A.R. Houweling (Beurspromovendi UvA).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Utrecht 27 juni 2001, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl, JAR 2001/155, m.nt. E. Verhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8365, JAR 2013/157, m.nt. A.M. Helstone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de bespreking van Dempsey van dit arrest in haar al aangehaalde JAR-noot onder het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Heerma van Voss 7-V, 2020/47 met verwijzing naar literatuur. Zie over de achtergronden van de Wnra en het normaliseringsproces ook A.J.M. van Meer, Het nieuwe ambtenarenrecht, 2019, p. 11-18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgezonderd zijn nog steeds bepaalde groepen ambtenaren zoals die van politie, leger en rechterlijke macht. Dit onderscheid is niet van belang voor onze zaak en laat ik verder rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Heerma van Voss 7-V, 2020/47.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.B.B. Lanting (red.), Inleiding Nederlands ambtenarenrecht, 2014, p. 38 met verwijzing naar A.H. van Zutphen, De rechtspositie van de Rijksambtenaar, diss.1991, p. 68 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">CAR stond voor Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en UWO voor Uitwerkingsovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de volledigheid: van 1 juli 2002 tot 1 januari 2020 gold een uitzondering voor de regeling van de rechten van een werknemer bij overgang van onderneming. Toen bepaalde art. 7:662 lid 1 BW dat die regeling ook van toepassing was op de werknemer die arbeid verricht in een onderneming die in stand wordt gehouden door staat, provincie, gemeente, waterschap of enig ander publiekrechtelijk lichaam. Zie Stb. 2002, 215 en Stb. 2002, 245 (inwerkingtreding). Die uitzondering is nadien ongedaan gemaakt, zie Stb. 2019, 173 en Stb. 2019, 385. Zie hierover J.P.H. Zwemmer, H. Doorn en M.A. Holtzer, Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, art. 7:662 BW, aant. 2.2.5 (publicatiedatum 21 september 2023).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Heerma van Voss 7-V, 2015/47 met verwijzing naar HR 9 april 1931, NJ 1931, p. 1494 en HR 8 december 1932, NJ 1933, p. 287.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Heerma van Voss 7-V, 2015/47.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. Verhulp, T&amp;C Arbeidsrecht, aant. 2 bij art. 7:615 BW, 2012 (zevende druk).</p>\n<p class=\"lf-p\">S.t. [verweerders] 3.17 en 3.20 bestrijdt m.i. ten onrechte de visie van Verhulp als onjuist en meent dat art. 7:615 BW (oud) niet ziet op art. 7:610 BW, waartegen ook UMCG bij repliek onder 20-21. Dat geen beroep zou zijn gedaan op art. 7:615 BW (oud) in feitelijke instanties, zoals [verweerders] bij s.t. onder 3.2, 3.15 en 3.20 betogen, lijkt mij met de repliek van UMCG onder 21 onjuist: UMCG heeft onderbouwd gesteld dat destijds door UMCG geen arbeidsovereenkomst kon worden aangegaan, zodat art. 7:615 BW (oud) zonodig o.g.v. art. 25 Rv ‘in het geding is’.</p>\n<p class=\"lf-p\">S. van Waegeningh, De afbakening van het ambtenaarschap ten opzichte van andere arbeidsverhoudingen, TAR 2008/184, onder 3.2, onder verwijzing naar CRvB 7 juli 2005, TAR 2005/138 en Van Zutphen, a.w., p. 79 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 30 januari 1990, TAR 1990/74; CRvB 3 maart 1994, TAR 1994/103; CRvB 30 maart 2000, TAR 2000/65 en CRvB 30 mei 2002, TAR 2003/52.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.J.J.M. van der Heijden en S.F.H. Jellinghaus, Ambtenaarschap, sollicitatie en aanstelling, 2008, p. 61-62.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van deze en de volgende alinea is gebaseerd op T. van Peijpe, in: T. van Peijpe en J. Riphagen, Schets van het Nederlandse ambtenarenrecht, 1998, p. 39-40 met nadere verwijzingen aldaar. Zie over de historische achtergrond van het onderscheid tussen arbeidscontractanten, ambtenaren en civiele werknemers ook A.M.R.G.L. Noy, de positie van de arbeidscontractant nader beschouwd, deel 1, SMA 1985/10, p. 670-674.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de dissertatie van Koopmans waarin verschillende standpunten worden beschreven. Samengevat werd men het er uiteindelijk over eens dat art. 1637z BW (oud) niet ziet op ambtenaren maar op arbeidscontractanten. T. Koopmans, De begrippen werkman, arbeider en werknemer, diss., 1962, p. 180.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de totstandkoming van titel 7.10 BW is schrapping opnieuw overwogen, maar ook toen is de bepaling niet daadwerkelijk geschrapt. Zie hierover o.a. S. van Waegeningh, De afbakening van het ambtenaarschap ten opzichte van andere arbeidsverhoudingen, TAR 2008/184, onder 2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">T. van Peijpe, in: T. van Peijpe en J. Riphagen, Schets van het Nederlandse ambtenarenrecht, 1998, p. 39-40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 1993, 143.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting, Stb. 1993, 143, p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus A.H. van Zutphen, De ambtenaar, ArbeidsRecht 1998/46 met in voetnoot 7 verwijzing naar art. I en art. X van het in voetnoot 58 vermelde besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus T. van Peijpe, in: T. van Peijpe en J. Riphagen, Schets van het Nederlandse ambtenarenrecht, 1998, p. 38. Er werd ook nog wel eens over geprocedeerd. Zie voor een relatief recente uitspraak in een zaak tussen de gemeente Zwolle en een arbeidscontractant Hof Arnhem-Leeuwarden 29 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7327.</p>\n<p class=\"lf-p\">T. van Peijpe, in: T. van Peijpe en J. Riphagen, Schets van het Nederlandse ambtenarenrecht, 1998, p. 38.</p>\n<p class=\"lf-p\">T. Koopmans, De begrippen werkman, arbeider en werknemer, diss., 1962, p. 184-185. Met verwijzing naar o.a. een uitspraak van C.R. 30 mei 1940 A.B. 1940, p. 929. Wel wijst hij op de mogelijkheid dat de rechter, bijvoorbeeld bij ontslag, het ontslagrecht van titel VII A (de voorloper van titel 7.10 BW) bij wijze van analogie zal toepassen. Erg bevredigend is dat volgens hem echter niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.C.A. van Haren, Enige opmerkingen over de rechtsverhouding tussen de overheid en haar werknemers, NJB 1939, p. 847-853. Koopmans verwijst hier in zijn dissertatie ook naar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met verwijzing naar Urk en Donner, Ambtenarenwet 1929, blz. 8 waar de minister van Justitie opmerkt dat een ‘zwevende rechtstoestand’ ook voor personen werkzaam in overheidsdienst mogelijk is, al zal het geval zich niet vaak voordoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.G. Levenbach, Arbeidsverhoudingen en arbeidscontracten, NJB 1940, p. 101-109.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.J.J.M van der Heijden en S.F.H. Jellinghaus, Ambtenaarschap, sollicitatie en aanstelling, 2008, Maklu, p. 55-56 zij het dat deze auteurs wel een uitzondering maken voor organen die op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. van Emden, Arbeidsvoorwaardenvorming in het onderwijs: van gebaande paden naar hobbelige wegen en terug, TRA 2023/67 onder 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1959/60, 2597, nr. 3, (MvT), p. 22 en 23: er wordt rechtspersoonlijkheid toegekend aan de Rijksuniversiteiten en de Technische Hogeschool te Delft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1959/60, 2597, nr. 10, p. 8 (herzien ontwerp van wet). In het oorspronkelijke wetsvoorstel kwam deze bepaling nog nietvoor, zie Kamerstukken II 1959/60, 2597, nr. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1959/60, 2597, nr. 7 (MvA), p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1980/81, 16802, nrs. 3 en 4 (MvT), p. 104 genummerd als 118 en 119, in het St. 1985, 562 als art. 114 en 115.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2022/23, 36 276, nr. 3 (MvT), p. 2. De UMC’s als ‘zodanig’ zijn pas opgericht tweede helft jaren negentig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1969, 389, p. 875.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 1992, 23, nota van toelichting, p. 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet aanpassing regelgeving academische ziekenhuizen, Stb. 1990, 535.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1992, 23. Dit reglement was niet van rechtstreeks van toepassing op de academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten in Amsterdam en Nijmegen. Voor de inwerkingtreding van dit reglement was de rechtspositie van het personeel van de (rijks)academische ziekenhuizen geregeld in een veelheid van besluiten en reglementen. Zie nota van toelichting RRAZ, Stb. 1992, 23, p. 49. Zie verder over de rechtspositie van het personeel van academische ziekenhuizen in de jaren negentig en daarvoor: Een academische zaak, deel III, Een institutioneel onderzoek naar het handelen van de openbare en bijzondere universitaire medische centra, 1985-2000, PIVOT-rapport nr. 97, 2011, p. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1992, 23, nota van toelichting, p. 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1992, 593. Inwerkingtreding: Stb. 1993, 224, Kamerstukken 21073.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 073, nr. 3, p. 122 (MvT). Zie ook p. 154-155 waar wordt geschreven over ‘het vervallen van de nu in artikel 109 van de WWO voorziene mogelijkheid van indienstneming bij de openbare universiteiten van personeel op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 1 juli 1996, houdende vaststelling van het Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming academische ziekenhuizen, art. 10, Stb. 1996, 395.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook CvA onder 26 en productie B.</p>\n<p class=\"lf-p\">De s.t. van [verweerders] bespreekt onder 3.10-3.12 oude literatuur over art. 134 Ambtenarenwet (oud) dat het in weerwil van art. 134 Ambtenarenwet (oud) hoewel dat niet was toegestaan toch sluiten van een arbeidsovereenkomst niet leidt tot nietigheid van zo’n arbeidsovereenkomst vanwege het ontbreken van een dergelijke sanctie in deze bepaling met instructiekarakter uit de Ambtenarenwet (oud). Ik denk dat de toelichting op art. 4.5 WHW duidelijk maakt dat (althans de bedoeling was dat voortaan) al het overheidspersoneel (uitzendkrachten uitgezonderd) moet worden aangesteld als ambtenaar (welke aanstellingen na inwerkingtreding van de Wnra van rechtswege zijn geconverteerd in arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht). Bovendien hebben we te maken met art. 7:615 BW (oud).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de volledigheid: de besproken zaak Hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8365, JAR 2013/157, m.nt. A.M. Helstone, rov. 5.3 leert dat uitdrukkelijk beroep gedaan was op art. 7:615 BW (oud), maar het hof is er veronderstellenderwijs vooralsnog vanuit gegaan dat art. 7:615 BW (oud) niet in de weg stond aan de toepassing van art. 7:610 en 7:610a BW en toen het hof van oordeel was dat geen sprake was van gezag, behoefde het beroep op art. 7:615 BW (oud) geen bespreking meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Heerma van Voss 7-V, 2020/47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het overgangsrecht en vooral ook enkele overgangsrechtelijke perikelen, J. Blanken, Overgangsrecht Ambtenarenwet 2017, TAR 2023/1 (annotatie bij CRVB 27 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2309).</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 14 lid 1 Wnra.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 17 lid 1 Wnra; ‘in beginsel’ , omdat o.g.v. art. 17 lid 3 de voorschriften wel verbindend blijven indien op 1 januari 2020 nog geen cao is overeengekomen waarbij een overheidswerkgever partij is. De voorschriften blijven dan verbindend ‘als ware het een collectieve arbeidsovereenkomst, voor zover niet in strijd met deze wet of dwingendrechtelijke bepalingen van burgerlijk recht’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 16 lid 1 en lid 2 Wnra, Stb. 2017, 123.</p>\n<p class=\"lf-p\">De PI verwijst hier naar: E. Verhulp, T&amp;C Arbeidsrecht, aant. 2 en 3 bij art. 7:615 BW, 2012 (zevende druk).</p>\n<p class=\"lf-p\">In voetnoot 5 van de PI wordt verwezen naar de vindplaatsen genoemd in 22 van de PI (t.w. CvA 25-27).</p>\n<p class=\"lf-p\">De PI onder 22 verwijst naar CvA 25 tot en met 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. art. 125g lid 2, art. 125h lid 2 en art. 127b lid 1 Ambtenarenwet (oud) en art. 14 lid 1 en lid 2 en art. 17 lid 2 Wnra.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. CRvB 27 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2309, rov. 4.3.3 en 4.3.5, CRvB 5 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1963, rov. 3.4 en 3.7, CRvB 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137, rov. 4.6 en 4.7. Vgl. ook de s.t. van [verweerders] onder 3.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">De PI verwijst onder 32 naar de CvA onder 101 en de MvA onder 30, 73 en 94-97.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034, NJ 2020/43 (Inscharing).</p>\n<p class=\"lf-p\">H.N. Schelhaas &amp; W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen (Mon. Pr. Nr. 20) 2022/5.2.2. Vgl ook de conclusie van A-G De Bock 17 juni 2022, ECLI:NL:PHR:2022:578 onder 7.20-7.21 (Deliveroo).</p>\n<p class=\"lf-p\">W.H. van Boom, Uitleg en kwalificatie: stappenplan of eendentest?, NTBR 2021/5, onder 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, rov. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. CvA onder 101: “(…) In dat licht bezien is het UMCG van oordeel dat de maatschappelijke positie van eisers en de wettelijke basis die voor deze constructie diende met zich meebrengt dat bij de kwalificatievraag die de eisers nu ter discussie stellen geen conclusie kan worden getrokken dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst (…)” of MvA onder 73: “De maatschappelijke positie van partijen bij de holistische toets leidt tot de conclusie dat van een arbeidsovereenkomst geen sprake kan zijn (…)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De PI verwijst naar CvA onder 110 en 111.</p>\n<p class=\"lf-p\">De PI verwijst naar CvA onder 110 en 111.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie overigens ook art. 1.4 lid 1 WHW dat bepaalt dat academische ziekenhuizen werkzaam zijn op het gebied van patiëntenzorg en mede ten dienste staan van het wetenschappelijk geneeskundige onderwijs en onderzoek aan de universiteiten waaraan zij zijn verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De PI verwijst onder 38 naar MvA onder 42 e.v. en in het bijzonder naar MvA onder 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij wordt verwezen naar de stellingen van UMCG genoemd in de PI onder 38 (zijnde MvA onder 42 e.v. en in het bijzonder onder 44).</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens lees ik alleen in MvA onder 44 een beroep op de strekking van het Besluit en dus niet ook onder MvA onder 42 e.v. zoals in de PI wel wordt gesuggereerd (zie voetnoot 104).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwens/Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht, 2023/1.3.2 met verwijzing naar o.a. HR 18 december 1953, NJ 1954/242, m.nt. P.A.N. Houwing ([…] / […]).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwens/Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht, 2023/1.3.2 met verwijzing naar o.a. HR 14 april 2006, JAR 2006/119, SR 2006, 45, m.nt. Boot (Beurspromovendi UvA).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwens/Bij de Vaate, Arbeidsovereenkomstenrecht, 2023/1.3.2. met verwijzing naar art. 6:30 lid 1 BW en J.M. van Slooten, Arbeid en loon, diss. 1999, p. 79 en 93-94.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Wet van 10 juli 2008 tot wijziging van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen om gemeenten meer zekerheid te geven dat mensen met een kleine kans op inschakeling in het arbeidsproces met behoud van uitkering gedurende maximaal 2 jaar onbeloonde additionele werkzaamheden kunnen verrichten, Stb. 2008, 284.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2005/06, 30650, nr. 3, p. 5; Kamerstukken II 2005/06, 30650, nr. 6, p. 6 en 19; Kamerstukken I 2007/08, 30650, nr. F, p. 3, 5, 6 en 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2005/06, 30650, nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2005/06, 30650, nr. 3, p. 5; Kamerstukken II 2005/06, 30650, nr. 6, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar CvA onder 55 en 56 en MvA/MvG onder 63.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij wordt verwezen naar een citaat uit de nota van toelichting bij het Besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klacht bevat geen verwijzing naar de vindplaatsen van de essentiële stellingen, maar naar ik aanneem wordt hiermee gedoeld op de stellingen in CvA onder 55 en 56 en MvA/MvG onder 63.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar CvA 66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar CvA 71.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar CvA 72.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar CvA 74.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar Stb. 2016,3 p. 13.</p></div>", "next": 0}