{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ingevolge de Algemene Voorwaarden van de Bank kan de Bank, indien de omstandigheden daartoe naar haar oordeel aanleiding geven, overigens altijd extra Dekking vragen. Indien u desgevraagd geen extra Dekking verschaft kan de Bank Transacties met voor u negatieve MTM waarden sluiten, zodanig dat het tekort aan Dekking daardoor opgeheven wordt. Over de aldus beëindigde Transacties wordt het Afrekeningsbedrag berekend dat u aan de Bank verschuldigd bent. (…)” [vetgedrukt origineel] 4.53 Uit de in 4.51 weergegeven passages kan worden afgeleid dat de renteswap niet de opslag dekt. Bezien in samenhang met de in 4.52 weergegeven passage uit de OFD van 11 december 2006 kan naar mijn mening uit de documenten genoegzaam worden afgeleid dat, indien er na het aangaan van de renteswap op enig moment een tekort aan dekking ontstaat, als maatregel ook de renteopslag kan worden verhoogd. In haar schriftelijke toelichting stelt Rabobank dat de onderliggende leningsdocumentatie van de variabele leningen “luid en duidelijk” bepaalt dat de opslag kan worden aangepast door de betreffende bank. Deze stelling vindt steun in het stuk waarnaar in voetnoot 47 van de schriftelijke toelichting wordt verwezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.54 Ik merk tot slot op dat niet zonder belang is dat de achtergrond van de wens van Rabobank om de renteopslag te verhogen, is gelegen in de omstandigheid dat [eiseressen] Rabobank eind 2010 lieten weten dat zij te maken hebben met een fiscale herinvesteringsverplichting om te voorkomen dat zij een fiscale claim van bijna € 1 miljoen zouden moeten betalen (r.o. 3.16). Dit risico betreft bij uitstek de invloedssfeer van [eiseressen] als kredietnemers. Dit alles leidt tot de conclusie dat het subonderdeel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.55 Subonderdeel 7.2 bevat een motiveringsklacht. Volgens het subonderdeel is het oordeel in r.o. 4.14 dat Rabobank wat betreft ‘kenmerk 5’ (opslagverhogingen) jegens [eiseressen] heeft voldaan aan haar zorgplicht, ontoereikend gemotiveerd. Onder verwijzing naar vindplaatsen in de processtukken stelt het subonderdeel dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op de volgende stellingen van [eiseressen] :</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Rabobank heeft [eiseressen] bij het aangaan van de renteswaps niet geïnformeerd/gewaarschuwd over een verband tussen de renteswap en de hoogte van de renteopslag, die afhankelijk was van hun kredietwaardigheid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De renteswap had bij het aangaan ervan een positief effect op de hoogte van de renteopslag, in die zin dat zij op dat moment korting kregen op de renteopslag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De renteswap had gedurende de looptijd ervan een negatief effect op de renteopslag, in die zin dat de renteswap in die periode een aanzienlijke negatieve waarde had, welke negatieve waarde relevant was voor hun kredietwaardigheid en aldus ook relevant was voor de verhoging van de renteopslag.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.56 [eiseressen] hebben de klacht in hun aanvullende procesaanleiding aangevuld. Onder verwijzing naar een vindplaats stellen zij dat ze ter zitting in hoger beroep hebben aangevoerd dat ze een korting kregen op de renteopslag als zij een renteswap zouden aangaan. Volgens de klacht heeft het hof ten onrechte niet gemotiveerd hoe [eiseressen] bij het aangaan van de renteswaps zouden hebben moeten begrijpen dat de korting op de renteopslag zou vervallen respectievelijk dat de renteopslag zou worden verhoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.57 Volgens het subonderdeel laten deze stellingen geen andere conclusie toe dan dat [eiseressen] door Rabobank niet goed zijn geïnformeerd/gewaarschuwd dat de zekerheid die zij dachten te kopen door een variabele rente te swappen voor een vaste rente van beperkte waarde was, omdat een verlaging van de variabele rente ten opzichte van de overeengekomen vaste rente zou leiden tot een negatieve tussentijdse waarde van de renteswap, welke waarde relevant was voor hun kredietwaardigheid en aldus relevant was voor de verhoging van de renteopslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.58 Het subonderdeel faalt op de gronden zoals hiervoor uiteengezet. Het oordeel van het hof komt erop neer dat uit de door Rabobank verstrekte documentatie genoegzaam duidelijk kan worden afgeleid dat Rabobank de mogelijkheid heeft om het aanvankelijk overeengekomen opslagpercentage in de toekomst te verhogen indien de risico’s op terugbetaling van de verstrekte kredieten hoger zouden worden als gevolg van een (door welke oorzaak dan ook ontstane) verslechterde financiële positie van [eiseres 2] , en dat dit voor [betrokkene 2] gelet op zijn jarenlange ervaring, niet alleen met de vastgoedbranche zelf maar ook met de (vele) financieringen/leningen waarmee [eiseressen] in dat verband te maken kregen, ook duidelijk moet zijn geweest. Aldus was het naar het oordeel van het hof niet nodig om in de renteswapovereenkomst nog eens uitdrukkelijk op die mogelijkheid te wijzen. De stellingen die het subonderdeel noemt, kunnen aan dat oordeel niet afdoen. Het subonderdeel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 8 4.59 Het achtste onderdeel is gericht tegen r.o. 4.10, hiervoor weergegeven in 3.11, en r.o. 4.19. Laatstgenoemde overweging luidt: “4.19. Voor een geslaagd beroep op dwaling is derhalve onder meer vereist dat de partij de overeenkomst bij afwezigheid van de dwaling niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten, en dat dit voor de wederpartij kenbaar was. Aan deze vereisten zal in het algemeen, behoudens bijzondere, door de partij die zich op dwaling beroept te stellen omstandigheden, niet zijn voldaan als het beroep op dwaling erop berust dat de bank geen melding heeft gemaakt van de aanwezigheid van een bankmarge als onderdeel van het onder de renteswapovereenkomst door de cliënt verschuldigde vaste rentetarief. Zie HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046. [eiseressen] hebben echter geen (voldoende relevante) bijzondere omstandigheden aangevoerd, zodat het aangevoerde kenmerk 10 (verborgen provisie) een beroep op dwaling niet rechtvaardigt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.60 Het onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen. Subonderdeel 8.1 bevat de klacht dat het oordeel dat [eiseressen] geen bijzondere omstandigheden hebben gesteld die meebrengen dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat voor een geslaagd beroep op een zorgplichtschending of dwaling niet voldoende is dat een bank geen melding maakt van de bankmarge als onderdeel van het onder de renteswapovereenkomst door de klant verschuldigde rentetarief, onjuist is. Het subonderdeel stelt dat de motivering van dit oordeel inhoudt dat geen bijzondere omstandigheid is dat de bank aan de klant heeft gemeld dat er geen premie voor een renteswap betaald wordt, “nu premie ziet op een bedrag dat betaald moet worden aan een derde om een uitkering van die derde te verkrijgen.” Daarvan is hier geen sprake, aldus het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het subonderdeel miskent het hof dat dit uitgangspunt met name van belang is voor gevallen waarin de bank géén mededelingen heeft gedaan over een bankmarge als onderdeel van het onder de renteswapovereenkomst door de klant verschuldigde vaste rentetarief, en dat Rabobank in dit geval wél dergelijke mededingen heeft gedaan. Het subonderdeel stelt dat in de informatiebrochures steeds wordt vermeld dat geen premie betaald hoeft te worden voor de renteswap. Volgens het subonderdeel zijn deze mededelingen bijzondere omstandigheden die kunnen meebrengen dat moet worden afgeweken van het hiervoor genoemde uitgangspunt, bijvoorbeeld omdat gezien de mededelingen geen onderhandelingen over de hoogte van de ‘premie’ nodig zijn, terwijl [eiseressen] de juistheid van die mededelingen niet konden controleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel stelt verder dat het hof miskent dat het begrip ‘premie’ geen vastomlijnde betekenis heeft en dat de betekenis van dit begrip moet worden bepaald door uitleg op basis van de Haviltex-maatstaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.61 Subonderdeel 8.2 koppelt aan de rechtsklacht een motiveringsklacht. Volgens het subonderdeel is zonder nadere toelichting onduidelijk en derhalve onbegrijpelijk waarom [eiseressen] op basis van de genoemde mededelingen hebben moeten begrijpen dat deze mededelingen betrekking hebben op een bedrag dat betaald moet worden aan een derde om een uitkering van die derde te verkrijgen. Volgens het subonderdeel is reeds gezien de context van de mededelingen aannemelijker dat zij betrekking hadden op de prijs van de renteswaps.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.62 Ik stel bij de beoordeling voorop dat de Hoge Raad in de hiervoor reeds aangehaalde prejudiciële beslissing van 28 juni 2019, die betrekking had op dwaling, het volgende heeft geoordeeld: “3.7.4 […] Het uit hoofde van een renteswap te betalen vaste rentetarief zal als een van de kernprestaties een relevant gegeven zijn voor de beslissing tot het al dan niet aangaan van de overeenkomst. Dit vaste rentetarief bepaalt immers de prijs die de cliënt aan de bank betaalt voor de afkoop van het renterisico dat hij loopt met de door hem afgesloten geldlening met variabele rente. Uit welke componenten het vaste rentetarief is opgebouwd, zal over het algemeen niet of minder van belang zijn voor de cliënt. Deze zal immers slechts de afweging maken of hij bereid is om het door de bank voorgestelde vaste rentetarief te betalen ter afdekking van het genoemde renterisico. Dit geldt temeer in gevallen waarin het door de bank voorgestelde vaste rentetarief door onderhandelingen tot stand is gekomen, waarbij […] vele factoren een rol spelen en waarbij partijen niet altijd inzicht hebben en behoeven te krijgen in elkaars beweegredenen. Aan deze overwegingen van de rechtbank doet niet af dat de opbouw van het vaste rentetarief onder bijzondere omstandigheden een relevant gegeven kan zijn bij het aangaan van de overeenkomst. Degene die zich op dwaling beroept zal deze bijzondere omstandigheden dan moeten aanvoeren. Daarbij is van belang dat bekend mag worden verondersteld dat in de prijs van door een bank aangeboden financiële producten een bankmarge is verdisconteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7.5 De vierde prejudiciële vraag beantwoordt de Hoge Raad op grond van het voorgaande als volgt. Voor een geslaagd beroep op dwaling is onder meer vereist dat de partij de overeenkomst bij afwezigheid van de dwaling niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten, en dat dit voor de wederpartij kenbaar was. Aan deze vereisten zal in het algemeen – behoudens bijzondere, door de partij die zich op dwaling beroept te stellen omstandigheden – niet zijn voldaan als het beroep op dwaling erop berust dat de bank geen melding heeft gemaakt van de aanwezigheid van een bankmarge als onderdeel van het onder de renteswapovereenkomst door de cliënt verschuldigde vaste rentetarief, of dat de bank geen inzicht heeft gegeven in de componenten waaruit het vaste rentetarief is opgebouwd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.63 Als algemeen bekend mag derhalve worden verondersteld dat kosten en een bankmarge zijn verdisconteerd in de prijs van financiële producten die een bank aanbiedt. Dit geldt ook voor renteswaps. De vermeldingen in de documentatie “U betaalt hiervoor geen premie”, “Voor een dergelijke afspraak hoeft u geen premie te betalen” en “Er wordt geen premie betaald” hebben onmiskenbaar betrekking op een separaat te betalen premie en niet op de kosten en de bankmarge die in de geoffreerde renteswaps zijn verdisconteerd. Het oordeel van het hof moet in die zin worden gelezen. Ik acht het bestreden oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk. De klachten falen derhalve.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 9 4.64 Zoals hiervoor in 3.15 reeds is weergegeven, stelt het negende onderdeel dat het hof het proces-verbaal van de zitting van 4 november 2022 ten onrechte niet heeft verstrekt, hoewel de advocaat daar meermaals om had verzocht met het oog op het instellen van cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.65 oewel In een verzoekschriftprocedure die heeft geleid tot een beschikking van de Hoge Raad van 22 maart 2019 was een soortgelijke situatie aan de orde. Uw Raad oordeelde als volgt: “3.5.1 Onderdeel IV klaagt erover dat het hof, ondanks herhaald verzoek, in strijd met art. 290 lid 2 Rv het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof niet voor het verstrijken van de cassatietermijn aan de advocaat van betrokkene heeft verstrekt, waardoor het niet mogelijk was bij het formuleren van het cassatiemiddel met de inhoud daarvan rekening te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.2 De klacht is op zichzelf terecht voorgesteld. Ingevolge art. 279 lid 4 Rv wordt van het ter mondelinge behandeling verhandelde en van de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen een proces-verbaal opgemaakt. Art. 290 lid 2 Rv bepaalt dat de griffier zo spoedig mogelijk een afschrift van processen-verbaal verstrekt aan de verzoeker en aan de in de procedure verschenen belanghebbenden. Deze voorschriften strekken onder meer ertoe dat de verzoeker of een belanghebbende de inhoud van een proces-verbaal kan betrekken bij zijn beslissing of en, zo ja, op welke gronden hij een rechtsmiddel zal instellen. Dit brengt mee dat het verstrekken van een afschrift van een proces-verbaal niet afhankelijk mag worden gesteld van het al dan niet zijn ingesteld van een rechtsmiddel. Aan een verzoek tot afgifte van een proces-verbaal door een advocaat die verklaart daaraan behoefte te hebben omdat wordt overwogen een rechtsmiddel tegen de beslissing in te stellen, dient dan ook onverwijld te worden voldaan. (HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3336) Niet-naleving van deze regel kan echter niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden. Wel brengt de omstandigheid dat ten tijde van het verstrijken van de cassatietermijn nog geen proces-verbaal is ontvangen, mee dat de verzoeker zijn cassatiemiddel na ontvangst van dat proces-verbaal mag aanvullen. Van die mogelijkheid heeft de cassatieadvocaat van betrokkene in dit geval geen gebruik gemaakt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.66 Aan een verzoek tot afgifte van een proces-verbaal door een advocaat die verklaart daaraan behoefte te hebben omdat wordt overwogen een rechtsmiddel tegen de beslissing in te stellen, dient derhalve onverwijld te worden voldaan. In de literatuur wordt – mijns inziens terecht – opgemerkt dat niet valt in te zien waarom dit niet evenzeer geldt met betrekking tot een op de voet van art. 90 Rv opgemaakt proces-verbaal (in een dagvaardingsprocedure). Ten behoeve van de rechtspraktijk verdient het aanbeveling om dit in het arrest te verduidelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.67 In het licht van HR 22 maart 2019 moet de conclusie zijn dat, hoewel het onderdeel op zich terecht is voorgesteld, niet-naleving door het hof van de hiervoor vermelde regel niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden arrest. Zoals hiervoor is vermeld, heb ik naar aanleiding van de klacht ambtshalve het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 november 2022 laten opvragen. Nadat het proces-verbaal is ontvangen en doorgestuurd hebben [eiseressen] gebruik gemaakt van het door hen in de procesinleiding gemaakte voorbehoud tot aanvulling van het cassatiemiddel. In zoverre zou op goede gronden kunnen worden betoogd dat [eiseressen] bij hun klacht ook geen belang meer hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.68 Nu geen van de middelonderdelen slaagt, dient het cassatieberoep te worden verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Hof Amsterdam 4 juli 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1559.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof vermeldt dat de twee grafieken aan de rechterzijde van de eerste twee bladzijden van bijlage 3 niet zijn weergegeven. [eiseressen] hebben hun eis in hoger beroep gewijzigd. Ik zal de door hen in die procedure ingestelde vorderingen, zoals door het hof samengevat, hieronder integraal weergeven. Omdat de ingestelde vorderingen omvangrijk zijn volsta ik hier met een uiterst samengevatte weergave.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het eindarrest, r.o. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover nader hieronder in 3.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, NJ 2020/257, m.nt. J. Hijma; JOR 2019/223, m.nt. F.P.C. Strijbos. Zie voorts voor uitspraken van Uw Raad over renteswaps: HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:591 (afzien beantwoording prejudiciële vragen); HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, NJ 2020/257, m.nt. J. Hijma (beantwoording prejudiciële vragen (informatieverstrekking, waarschuwingsplicht, gevolgen vernietiging, etc.); HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1499, NJ 2020/258, m.nt. J. Hijma; en 1500, NJ 2020/259, m.nt. J. Hijma (informatieverstrekking, dwaling, waarschuwingsplicht); HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1577 (herstelarrest van ECLI:NL:HR:2019:1500); HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:642 (zorgplicht bank, adviesrelatie, art. 81 lid 1 RO); HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:18 en 19 (verjaring).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het woord ‘hieromtrent ’in de tweede zin van r.o. 4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de civielrechtelijke zorgplicht van financiële instellingen onder meer: O.O. Cherednychenko, ‘De civiele zorgplicht van financiële instellingen’, opgenomen in: Leerboek Financieel recht (red. D. Busch e.a.), Ars Aequi Libri: Nijmegen 2024, hfd. 18 (p. 711-747); S.B. van Baalen en D.J. Verheij, ‘Aansprakelijkheid in de financiële sector’, opgenomen in: Compendium Financieel Recht (red. M. Haentjens e.a.), Sdu: Den Haag, 2022, hfd. 11 (p. 369-408).</p>\n<p class=\"lf-p\">NJ 2012/182, m.nt. J.B.M. Vranken; JOR 2009/199, m.nt. C.W.M. Lieverse; AA 2010/0188, m.nt. W.H. van Boom en S.D. Lindenbergh.</p>\n<p class=\"lf-p\">NJ 2020/257, m.nt. J. Hijma; JOR 2019/223, m.nt. F.P.C. Strijbos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het hof oog heeft gehad voor de relevantie van een adviesrelatie blijkt ook uit r.o. 4.14 (“ook als een adviesrelatie zou hebben bestaan”) en r.o. 4.17 (“ook als zij aangemerkt zou moeten worden als adviseur te zijn opgetreden”).</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin ook mijn ambtgenoot Wissink in zijn conclusie d.d. 15 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:471, onder 3.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot ‘kenmerk 10’ (verborgen provisie) heeft het hof in r.o. 4.10 overwogen dat “als algemeen bekend mag worden verondersteld” dat in de prijs van door een bank aangeboden financiële producten kosten en een bankmarge zijn verdisconteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dat verband ook de door het hof in r.o. 3.1 en 3.4 vastgestelde feiten met betrekking tot het aantal jaren ervaring van [eiseres 2] en [eiseres 1] in de vastgoedsector, de omvang van hun geconsolideerde balanstotaal in 2008, de omvang van het positief eigen vermogen en de omvang van hun leningenportefeuille (met meerdere variabel rentende leningen) bij verschillende banken. Deze feiten kleuren de zaak: het gaat niet om een consument of een kleine vennootschap onder firma, maar om een relatief grote onderneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk op dat in de hiervoor in 2.10 genoemde Bijlage ‘Informatie Financiële Derivaten’ (november 2006) uitdrukkelijk staat: “De Bank treedt bij de handel in financiële derivaten (otc transacties) altijd op als uw wederpartij, met een zelfstandig belang dat tegengesteld kan zijn aan uw belang.” En in de hiervoor in 2.11 genoemde bevestiging d.d. 12 december 2006 van het aangaan van de renteswap [eiseres 2] per 1 januari 2007 wordt onder het kopje ‘Risico’s’ vermeld dat de klant bevestigt dat “de Bank bij het aangaan van deze Transactie handelt als wederpartij en niet als agent of (financieel) adviseur van de Klant.” Toegegeven zij dat deze vermeldingen niet verhinderen dat de rechter tot het oordeel kan komen dat tóch sprake is van een adviesrelatie. Ik vermeld hier alleen dat Rabobank voorafgaand aan het afsluiten van de renteswaps in kwestie heeft gemeld dat van een adviesrelatie (haars inziens) geen sprake is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel verwijst voor de stellingen van [eiseressen] naar de memorie van grieven, nrs. 129 t/m 181.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3713, NJ 2006/289, m.nt. M.R. Mok, r.o. 6.3.2: “Tot die omstandigheden behoort, naar het hof evenzeer terecht heeft geoordeeld, dat de bepalingen van de Wte, blijkens de wetsgeschiedenis, mede strekken ter bescherming van de belangen van de belegger.” Zie voorts: M.W. Wallinga, ‘Dwaling in de rentederivatenproblematiek: de verhouding tussen mededelingsplicht en waarschuwingsplicht’, NTBR 2020/24, onder 2. Zie over de doorwerking van het financieel toezichtrecht in het civiele recht: O.O. Cherednychenko, ‘De civiele zorgplicht van financiële instellingen’, opgenomen in: Leerboek Financieel recht (red. D. Busch e.a.), Ars Aequi Libri: Nijmegen 2024, par. 3.2.; S.B. van Baalen en D.J. Verheij, ‘Aansprakelijkheid in de financiële sector’, opgenomen in: Compendium Financieel Recht (red. M. Haentjens e.a.), Sdu: Den Haag, 2022, par. 11.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer A-G Wissink in zijn Conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:1036) voor HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2298, NJ 2019/184, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2019/58, m.nt. F.M.A. ’t Hart, par. 3.20, en plv. P-G De Vries Lentsch-Kostense in haar Conclusie (ECLI:NL:PHR:2016:36) voor HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2015. Zij schrijft in par. 2.5: “De eisen van de redelijkheid en billijkheid alsmede de eisen die aan een goed opdrachtnemer gesteld mogen worden, zijn toegesneden op het concrete geval en kunnen meebrengen dat een financiële dienstverlener gehouden is tot een verdergaande zorgplicht dan voortvloeit uit de dan nog geldende publiekrechtelijke regelgeving, reeds omdat de publiekrechtelijke zorgplicht de privaatrechtelijke zorgplicht wel beïnvloedt, maar niet bepaalt.” Zie hierover nader: O.O.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cherednychenko, ‘De civiele zorgplicht van financiële instellingen’, opgenomen in: Leerboek Financieel recht (red. D. Busch e.a.), Ars Aequi Libri: Nijmegen 2024, par. 3.3. Zij schrijft op p. 723: “de civiele zorgplicht wordt niet bepaald maar alleen beïnvloed door de publiekrechtelijke gedragsnormen.” Zie voorts: S.B. van Baalen en D.J. Verheij, ‘Aansprakelijkheid in de financiële sector’, opgenomen in: Compendium Financieel Recht (red. M. Haentjens e.a.), Sdu: Den Haag, 2022, p. 375. Zij schrijven: “Gelet op de antwoorden van de Hoge Raad op prejudiciële vragen over beleggingsverzekeringen, is de verwachting gerechtvaardigd dat het civiele recht het uitgangspunt blijft voor de beoordeling van informatie-, onderzoeks- en waarschuwingsplichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zoverre blijft de rechter ruimte houden voor maatwerk.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1107, NJ 2017/363, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, r.o. 4.2.5. In deze zaak ging het om de aansprakelijkheid van een kredietaanbieder voor mogelijke overkreditering. Vgl. HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182, m.nt. J.B.M.V. Vranken, r.o. 4.11.5: “De opvatting van het onderdeel dat, kort gezegd, de civielrechtelijke zorgplicht niet verder kan reiken dan de gedragsregels die in publiekrechtelijke regelgeving zijn neergelegd, is onjuist.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: I.P.M.J. Janssen, De civielrechtelijke zorgplicht van de beleggingsdienstverlener jegens de niet-particuliere cliënt (O&amp;R, deel 101), Deventer: Wolters Kluwer 2017, par. 3.4.3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook hier zij herhaald dat het hof in r.o. 4.7 heeft geoordeeld dat het betoog van [eiseressen] met betrekking tot de gestelde zorgplichtschending erop neer komt dat Rabobank hen had moeten waarschuwen voor de in r.o. 4.4 genoemde kenmerken. Het hof is daarop uitvoerig ingegaan in de opvolgende rechtsoverwegingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik herhaal het aan het slot van voetnoot 32 weergegeven citaat van Van Baalen en Verheij: “(…), is de verwachting gerechtvaardigd dat het civiele recht het uitgangspunt blijft voor de beoordeling van informatie-, onderzoeks- en waarschuwingsplichten. In zoverre blijft de rechter ruimte houden voor maatwerk.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 4.7 van het bestreden arrest en de daar aangehaalde jurisprudentie. Ik wijs voorts op hetgeen hiervoor in 4.7 is overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:PHR:2019:967.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2028 (81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo volgt onder meer uit de beantwoording van prejudiciële vragen inzake renteswaps door Uw Raad in HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, RvdW 2019/786 (X./ABN AMRO Bank), rov. 3.5.5 en 3.5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182, JOR 2009/199 m.nt. C.W.M. Lieverse en Ars Aequi 2010, p. 188-196 m.nt. W.H. van Boom en S.D. Lindenbergh (De T./Dexia), HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2811, NJ 2012/183 (Levob/B.), HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2822, NJ 2012/184 m.nt. J.B.M. Vranken, JOR 2009/200 m.nt. C.W.M. Lieverse en JA 2009/118 m.nt. W.H. van Boom (Stichting Gedupeerden Spaarconstructie/Aegon) en HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4914, NJ 2012/95, JOR 2012/116 m.nt. S.B. van Baalen en Ars Aequi 2012, p. 752-759 m.nt. D. Busch (Rabobank Vaart &amp; Vecht/X.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Al geeft annotator Vranken in randnummer 2 van zijn NJ-noot onder het arrest Stichting Gedupeerden Spaarconstructie/Aegon (zie voorgaande voetnoot voor de vindplaats) een definitie die mijns inziens als richtsnoer goed werkbaar is: een combinatie van twee of meer financiële producten en/of diensten, waarbij de waarde van ten minste één ervan afhankelijk was van ontwikkelingen op de beurs (in dit geval: valutakoers).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. A-G Wissink in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:916) voor HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, NJ 2019/98 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai en JOR 2018/305 m.nt. C.W.M. Lieverse (X./Dexia), randnummer 3.17.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo begrijp ik ook het oordeel van Uw Raad in HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2298, NJ 2019/184 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai en JOR 2019/58 m.nt. F.M.A. ’t Hart (Hypinvest), rov. 3.4.2, waarin Uw Raad naar aanleiding van de cassatieklacht dat het in die zaak aan de orde zijnde financiële product ‘geen complex financieel product is’, overweegt dat de reikwijdte van de zorgplicht afhangt van de omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. A-G Wissink in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:329) voor HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, RvdW 2019/786 (X./ABN AMRO Bank), randnummer 8.6 onder 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Hartlief d.d. 27 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:967. Voetnoten zijn grotendeels overgenomen en doorgenummerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik verwijs nogmaals naar r.o. 4.8, 4.13 en 4.14. De bewuste passage worden in cassatie niet bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de s.t. namens Rabobank, nr. 69.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een voetnoot vermelden [eiseressen] : “Het oordeel in rov. 4.14 betreft uitsluitend de 1e renteswap. Maar dit oordeel werkt door naar de 2e en 3e renteswap. Dit volgt uit het oordeel in rov. 4.15 dat de kennis van [betrokkene 2] bij de 2e en 3e renteswap „gelijk was aan zijn kennis toen hij de Renteswap [eiseres 2] namens deze vennootschap afsloot.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1499, NJ 2020/259, m.nt. Jac. Hijma, JOR 2019/252, m.nt. F.P.C. Strijbos.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFM, ‘Rapportage rentederivatendienstverlening aan het MKB - Toezicht op herbeoordelingen door banken van rentederivaten bij het niet professionele MKB’, maart 2015, p. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit stuk betreft ‘document D’ in r.o. 4.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting Rabobank, nr. 65, onder verwijzing naar de conclusie van antwoord, nr. 200.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het financieringsvoorstel [eiseres 2] uit 2004 (prod. 3 bij de inleidende dagvaarding). Zie in het bijzonder de ‘Verdere uitwering financieringsvoorstel (Blad 5/9, achter het eerste gedachtestreepje).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over (al dan niet) gerechtvaardigde verhogingen van de debiteurenopslag de noot van F.P.C. Strijbos onder Hof Amsterdam 15 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:75, JOR 2019/83.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik herhaal dat de wens van Rabobank om de (risico)renteopslag te verhogen was gelegen in een omstandigheid die geheel lag in de invloedssfeer van [eiseressen] als kredietnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst hier naar HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, NJ 2020/257, m.nt. J. Hijma, r.o. 3.7.5, en de conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:329) van A-G Wissink voor deze prejudiciële beslissing, par. 11.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst voor vindplaatsen naar de memorie van grieven, nr. 274.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635, m.nt. C.J.H. Brunner.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, NJ 2020/257, m.nt. J. Hijma.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:413.</p>\n<p class=\"lf-p\">T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, 2022, art. 90 Rv, aant. 1 (Van Mierlo).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de rolzitting van 14 juni 2024 heeft de rolraadsheer de aanvulling geaccepteerd.</p></div>", "next": 0}