{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Onderdeel 8 stelt dat gegrondbevinding van één of meer klachten van de voorgaande onderdelen ook de beslissingen in rov. 2.31., rov. 2.32. en rov. 3. (het dictum) van het bestreden vonnis raakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.60 Deze voortbouwklacht deelt in het lot van de voorgaande onderdelen. Dat behoeft geen nadere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 3.61 De slotsom is dat het principale cassatieberoep niet tot cassatie kan leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele beroep 4.1 Het cassatieberoep van SBGOK, dat onvoorwaardelijk is ingesteld, is gericht tegen rov. 2.28. van het bestreden vonnis. Rov. 2.28. laat zich volgens SBGOK op verschillende manieren lezen en het hof heeft volgens haar niet op (voldoende) begrijpelijke wijze toegelicht waarom SBGOK zich niet kan beroepen op art. 6:125 BWC en waarom art. 6:121 BWC toepassing mist. Het middel valt uiteen in vijf als klachten genummerde onderdelen, waarvan alleen het laatste onderdeel is uitgewerkt in twee subonderdelen, geletterd a en b (randnummers 37.-44. van het verweerschrift in principaal beroep tevens incidenteel cassatieberoep). De uiteenzetting in randnummers 1.-36. over onder meer het procesverloop, toepassing buitenlands recht, ambtshalve aanvulling van rechtsgronden en koerswijzigingsschade wordt voor zover relevant betrokken in mijn bespreking van het cassatiemiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2 Voordat ik toekom aan de bespreking van de klachten (randnummers 4.12 e.v. hierna), maak ik eerst enkele inleidende opmerkingen in verband met het bestreden oordeel in rov. 2.28. Het middel stelt in wezen aan de orde hoe de volgende redenering van het hof in rov. 2.28. van het bestreden vonnis moet worden begrepen: “De speler [betrokkene 3] woont in Turkije en heeft dus recht op uitbetaling in Turkije in Turkse Lira en dat betekent dat op zijn vordering artikel 6:121 BW niet van toepassing is. De tussen de speler en SBGOK tot stand gekomen cessie van dat vorderingsrecht aan SBGOK kan niet bewerkstelligen dat SBGOK, die in Curaçao is gevestigd, artikel 6:125 BW kan inroepen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 Het hof heeft in rov. 2.28. van het bestreden vonnis gerespondeerd op grief IV van SBGOK. Deze grief is in haar memorie van toelichting onder meer als volgt toegelicht: “Grief IV In eerste aanleg is terzake speler [betrokkene 3] aanspraak gemaakt op betaling van de tegenwaarde in USD/NAF van het bedrag van 620.000 TRY per datum overdracht vordering (11 april 2019).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten onrechte heeft het gerecht niet in het dictum opgenomen dat het toegewezen bedrag de tegenwaarde is van 620.000 TRY per 11 april 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Geciteerd wordt uit de pleitnotities van 20 oktober 2020, randnummer 11:</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de vordering terzake speler [betrokkene 3] bedroeg 620.000 Turkse Lira.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vordering is op 11 april 2019 aan SBGOK overgedragen. De tegenwaarde op dat moment was USD 108,387.82. Intussen is de koers van de Turkse Lira gezakt. Dit is voor rekening en risico van gedaagden. Peildatum voor de waarde in USD is datum overdracht vordering, aangezien vanaf dat moment betaling op de derdenrekening van SBGOK had dienen te geschieden in USD. (…) In verband met het koersrisico (intussen is de Turkse Lira nog verder gezakt) wordt gewezen op het volgende.SBGOK is gevestigd op Curaçao (…) Er dient ook op Curaçao betaald te worden (…) [Volgens a]rtikel 6:123 BW kan een schuldeiser betaling vorderen in hier te lande gangbaar geld indien een geldsom is uitgedrukt in buitenlands geld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge artikel 6:125 BW heeft een schuldeiser recht op vergoeding van schade die hij heeft geleden doordat na het intreden van het verzuim de koers gewijzigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De conclusie is dan ook dat SBGOK recht heeft op betaling van het bedrag gelijk aan de koers op het moment dat geïntimeerden in verzuim waren. Dat moment is niet de datum overdracht zoals in eerste aanleg gegeven, maar de datum van de sommatie, ofwel 6 mei 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">De koers op dat moment bedroeg 1 TRY = $0.1642.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegenwaarde van 620.000 TRY bedroeg op dat moment dan ook USD 101.804,=/NAF. 183.247,20 (De huidige tegenwaarde is minder dan de helft.)”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4 Trigonon c.s. hebben zich in hun memorie van antwoord onder meer als volgt tegen deze grief verweerd: “Niet staat gevorderd dat de vordering mede ziet op vergoeding van koersverlies of valutawaardevermindering. Een koersrisico en of een waardedaling van de Turkse Lira is niet een aan geïntimeerden toerekenbaar risico. SBGOK heeft in haar vordering geen gronden mee aangevoerd die een koers/valutawaardedaling van de Turkse Lira afdekken. Geïntimeerden kunnen niet verweten worden dat de President van Turkije een rigoureus politiek instrument voert waardoor de Turkse Lira in heel korte tijd in waarde is verminderd. Dergelijk risico is voor SBGOK. Zij heeft immers een vordering in Turkse Lira ingesteld en gevorderd waarbij geen gronden zijn aangevoerd die schragen dat koerswisseling dan wel valutarisico waardevast is verbonden aan deze vordering. Daar komt voorts nog bij dat het Gerecht heeft geoordeeld dat het aan SBGOK zelf is te wijten dat de procedure zo lang heeft geduurd. SBGOK voert tegen dat (eind)oordeel geen verweer. Reeds om die reden is het niet in te zien waarom geïntimeerden verantwoordelijk zouden zijn voor vertragingen die (…) SBGOK zelf door eigen toedoen heeft veroorzaakt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5 De in dit verband relevante bepalingen uit het BWC, die op dit punt nagenoeg gelijkluidend zijn aan die in het Nederlandse BW, luiden als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1211. Strekt een verbintenis tot betaling van ander geld dan dat van het land waar de betaling moet geschieden, dan is de schuldenaar bevoegd de verbintenis in het geld van de plaats van betaling te voldoen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het eerste lid geldt niet, indien uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat de schuldenaar verplicht is tot betaling effectief in het geld tot betaling waarvan de verbintenis strekt. (…) Artikel 1231. In geval hier te lande een rechtsvordering wordt ingesteld ter verkrijging van een geldsom, uitgedrukt in buitenlands geld, kan de schuldeiser veroordeling vorderen tot betaling te zijner keuze in dat buitenlandse geld of in hier te lande gangbaar geld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De schuldeiser die een in buitenlands geld luidende executoriale titel hier te lande kan executeren, kan het hem verschuldigde bij deze executie opeisen in hier te lande gangbaar geld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het eerste en het tweede lid gelden mede, indien de schuldenaar verplicht is tot betaling effectief in het geld tot betaling waarvan de verbintenis strekt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 124Wordt de verbintenis als gevolg van toepassing van de artikelen 121 tot en met 123 of van omzetting in een vordering tot schadevergoeding overeenkomstig afdeling 9 voldaan in ander geld dan tot betaling waarvan zij strekt, dan geschiedt de omrekening naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1251. Artikel 119 laat onverlet het recht van de schuldeiser op vergoeding van de schade die hij heeft geleden, doordat na het intreden van het verzuim de koers van het geld tot betaling waarvan de verbintenis strekt, zich ten opzichte van die van het geld van een of meer andere landen heeft gewijzigd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de verbintenis strekt tot betaling van hier te lande gangbaar geld, de betaling hier te lande moet geschieden en de schuldeiser op het tijdstip van het ontstaan van de verbintenis hier te lande zijn woonplaats had.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 In de parlementaire geschiedenis van het BWC zijn deze bepalingen als volgt toegelicht: “De artikelen 121 tot en met 126 zijn in belangrijke mate ontleend aan de hierboven reeds vermelde CEME. Zij betreffen zgn. eigenlijke valutaschuld, dat wil zeggen de verbintenis die strekt tot voldoening van een geldsom in ander geld dan dat van het land van betaling, in tegenstelling tot de zgn. oneigenlijke valutaschulden die moeten worden voldaan in het geld van het land van betaling, maar die worden berekend op de tegenwaarde van een bedrag in ander geld; problemen die in deze artikelen worden behandeld, spelen bij deze laatste niet of nauwelijks een rol. Volgens HR 17-2-1995, NJ 1995, 423, geven de artikelen 123, 124 en 125 ook het thans geldende recht weer. [2219 nr. 3 (MvT) pag. 25-26] Artikel 121, eerste lid, bepaalt dat ook de schuldenaar van een eigenlijke valutaschuld deze in beginsel mag voldoen in het geld van de plaats van betaling (zonder door de bank berekende provisie voor omruil) – voor de koers waartegen dat kan geschieden – zie de artikelen 124 tot en met 126. Uit de bevoegdheid, die de valutaschuld tot een bijzonder geval van een facultatieve verbintenis maakt, vloeit voort dat hij ook mag verrekenen met een vordering in geld van de plaats van betaling die hij op zijn schuldeiser heeft; deze laatste mag dat pas als blijkt dat de schuldenaar zijn bevoegdheid uit het onderhavige artikel daadwerkelijk wil uitoefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid geeft de uitzondering op de regel. Zie voor bijzondere gevallen de artikelen 215 en 273 van het Wetboek van Koophandel (wissels en cheques). [2219 nr. 3 (MvT) pag. 26] (…) Artikel 123 voegt aan het vorige een geval toe waarin de schuldeiser de keuze heeft tussen betaling effectief en in hier te lande gangbaar geld (eerste lid), en het geval waarin hij bij executie hier te lande het verschuldigde in hier gangbaar geld kan opeisen (tweede lid). Het artikel ontneemt overigens de schuldenaar niet de bevoegdheid die artikel 121 hem toekent. [2219 nr. 3 (MvT) pag. 26] De artikelen 124, 125 en 126 houden zich in het bijzonder bezig met de koers van omrekening en wijzigingen daarin. [2219 nr. 3 (MvT) pag. 26] De verwijzing in artikel 124 naar afdeling 6.1.9 heeft betrekking op de omzetting volgens artikel 87 van het recht op nakoming in een vordering tot (vervangende) schadevergoeding, en wel in de valuta waarin de schade het best kan worden uitgedrukt of vergoed. [2219 nr. 3 (MvT) pag. 26] Artikel 125 opent de mogelijkheid om schade door koerswijziging tijdens verzuim te verhalen naast de vertragingsschade van artikel 119 - aldus reeds HR 8-12-1972, NJ 1973, 377. Of schade is geleden en tot welk bedrag, en of ze toerekenbaar is aan de schuldenaar, moet overeenkomstig de afdelingen 6.1.9 en 6.1.10 worden beoordeeld. Het tweede lid sluit vergoeding van zulke schade echter uit, als de verbintenis buiten [bedoeld zal zijn: binnen, A-G] de rechtssfeer hier te lande ligt. [2219 nr. 3 (MvT) pag. 26]”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7 Rank heeft in zijn proefschrift het volgende gesteld over art. 6:125 BW in verbinding met art. 6:121 en art. 6:123 BW (zonder voetnoten uit het origineel): “[A]rt. 6:125 BW [laat], wederom nog steeds los van de vraag welke positie de oneigenlijke valutaverbintenis in dit verband toekomt, ook op zichzelf beschouwd te wensen over (…). Zo kan de in het tweede lid vervatte uitzonderingsregel mijns inziens niet geheel consequent worden genoemd. Immers, als de schuldenaar van een door art. 6:125 lid 2 bestreken verbintenis, strekkende tot betaling van Nederlands geld in Nederland aan een ten tijde van het ontstaan van de verbintenis in Nederland wonende schuldeiser, niet aan een vordering tot schadevergoeding boven de wettelijke rente behoort bloot te staan, wat mij op zich juist lijkt, dan valt niet wel in te zien waarom zulks niet (eveneens) zou moeten gelden voor de schuldenaar van een soortgelijke verbintenis strekkende tot betaling van Engels geld in Engeland aan een ten tijde van het ontstaan van de verbintenis in Engeland wonende schuldeiser of, pou[r] ma part, van Frans geld in Frankrijk aan een ten tijde van het ontstaan van de verbintenis in Frankrijk wonende schuldeiser.Uiteraard kan zich het geval voordoen dat een dergelijke verbintenis ex art. 6:123 BW wordt voldaan in Nederlands geld, nadat het geld der verbintenis ten opzichte van de gulden in koerswaarde is gedaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo men hier echter al van schade voor de crediteur kan spreken, dient deze in elk geval niet voor vergoeding in aanmerking te komen, omdat zij enkel voortvloeit uit de toevallige omstandigheid dat de crediteur in Nederland een forum heeft, hier zijn vordering aanhangig maakt en ertoe overgaat betaling in Nederlands geld te vorderen. Een en ander zou meer in het algemeen dienen te gelden voor elk geval dat een verbintenis tot betaling van buitenlands geld in het buitenland ex art. 6:123 in Nederlandse guldens wordt voldaan, nadat die buitenlandse munt ten opzichte van de gulden in koerswaarde is gedaald. Men stelle zich voor dat een verbintenis strekt tot betaling van Duitse marken in Oostenrijk, terwijl de debiteur in Nederland woont.</p>\n<p class=\"lf-p\">De crediteur kan dan ex art. 6:123 BW veroordeling vorderen in marken respectievelijk aanspraak maken op een zodanig bedrag in guldens dat hij zich daarmee onverwijld de hem verschuldigde marken kan verwerven. Zie de artikelen 6:124 jo 6:126. Voor de vraag of de schuldeiser recht heeft op vergoeding van koerswijzigingsschade zou evenwel slechts de relatie mark/schilling relevant mogen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens zal de schuldeiser van een verbintenis, die op de zojuist omschreven wijze in overwegende mate binnen een bepaalde rechtssfeer ligt – en niet als een oneigenlijke valutaschuld kan worden gekwalificeerd – meestal in het geheel geen schade lijden als het geld der verbintenis na het intreden van verzuim ten opzichte van een andere valuta in koers is gewijzigd, althans er niet licht in slagen de aanwezigheid van dergelijke schade aan te tonen. Zo dit al anders mocht zijn, bijvoorbeeld omdat hij kan bewijzen dat hij door het uitblijven van betaling te rechter tijd door hem voorgenomen winstgevende speculaties in ‘vreemde’ valuta niet heeft kunnen volvoeren, betreft het steeds schade die over het algemeen van geheel dezelfde aard is als die welke bij vertraging in de nakoming van een door art. 6:125 lid 2 bestreken verbintenis kan optreden en die dus ook over de gehele linie van vergoeding behoort te zijn uitgesloten. Dit klemt temeer nu art. 6:125 in nauw verband staat met de artikelen 6:121 en 6:122 en deze bepalingen blijkens tekst en toelichting alleen van toepassing zijn wanneer een verbintenis strekt tot betaling van ander geld dan dat van het land waar de betaling moet geschieden en derhalve op de eigenlijke valutaverbintenis zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met andere woorden: afgezien van de vraag welke positie de zogeheten oneigenlijke valutaverbintenis in dit verband toekomt, zou vergoeding van koerswijzigingsschade in elk geval behoren te zijn uitgesloten, telkens wanneer de verbintenis binnen één en dezelfde rechtssfeer is gelegen, doordat zij strekt tot betaling in geld van het land waar de betaling moet geschieden en de schuldeiser daar ten tijde van het ontstaan van de verbintenis zijn woonplaats had. Met inachtneming van bovenvermelde abstractie komt dit, complementair bezien, grofweg hierop neer dat de regel van art. 6:125 tot de zogeheten eigenlijke valutaverbintenis zou dienen te worden beperkt, zodat vergoeding van koerswijzigingsschade alleen dan mogelijk zou zijn, als een verbintenis strekt tot betaling van ander geld dan dat van het land waar de betaling moet geschieden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8 Verder acht ik het volgende citaat over louter ‘formele’ koerswijzigingsschade uit het proefschrift van Rank van belang: “Meer in concreto valt te betreuren dat art. 6:125, op dit punt waarschijnlijk geïnspireerd door art. 7 van de CEME-bijlage, juist door zijn ‘open’ redactie de mogelijkheid creëert dat koerswijzigingsschade wordt gevorderd ingeval een verbintenis tot betaling van een bedrag in buitenlands geld buiten Nederland ex art. 6:123 BW wordt voldaan, nadat die buitenlandse valuta ten opzichte van de gulden in koerswaarde is gedaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afgezien van de vraag of men hier al van schade voor de crediteur kan spreken, nu deze slechts een vordering bezit die in overwegende mate buiten de Nederlandse rechtssfeer is gelegen, dient deze schade in elk geval van vergoeding te zijn uitgesloten, waar zij enkel voortvloeit uit de toevallige omstandigheid dat de crediteur in Nederland een forum heeft en hier zijn vordering aanhangig maakt. Immers, stelt men voorop dat de crediteur zoveel mogelijk moet worden gebracht in de positie waarin hij zou hebben verkeerd, indien de verbintenis correct was uitgevoerd, dan behoort naast de wettelijke rente alleen die koerswijzigingsschade voor vergoeding in aanmerking te komen die uit de verbintenis zelf voortspruit, te weten het nadeel dat de crediteur lijdt doordat het geld der verbintenis na het intreden van verzuim ten opzichte van dat van het land waar de betaling moet geschieden in koerswaarde is gedaald. Bij gebreke daarvan zal de crediteur er mee genoegen hebben te nemen dat een verbintenis tot betaling van buitenlands geld in het buitenland ex art. 6:123 wordt voldaan door betaling van de verschuldigde som in het geld der verbintenis of door betaling van een zodanig bedrag in guldens dat hij zich daarmee per de dag van voldoening onverwijld de hem verschuldigde som kan verwerven, ook indien die buitenlandse munt inmiddels ten opzichte van de gulden in koerswaarde is gedaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu zal een vordering tot vergoeding van louter ‘formele’ koerswijzigingsschade weliswaar veelal niet voor toewijzing vatbaar zijn, omdat de schade niet in de zin van art. 6:98 BW (causaal verband) als gevolg van de wanprestatie aan de debiteur zal kunnen worden toegerekend, maar juist met het oog op mogelijke chicanes wordt een wettelijke uitsluiting node gemist.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9 Uit het voorgaande leid ik af dat art. 6:125 lid 1 BWC in beginsel een (zeer) ruime mogelijkheid biedt om vergoeding van koerswijzigingsschade te vorderen. Art. 6:125 lid 2 BWC bevat een beperkte uitzonderingsgrond. In gevallen waarin alles zich in overwegende mate binnen de Curaçaose rechtssfeer afspeelt (dat is het geval indien de verbintenis strekt tot betaling van in Curaçao gangbaar geld, de betaling in Curaçao moet geschieden én de schuldeiser op het tijdstip van het ontstaan van de verbintenis in Curaçao zijn woonplaats had), is art. 6:125 lid 1 BWC niet van toepassing. Het hof heeft in rov. 2.28. van het bestreden vonnis overwogen dat alles zich ten tijde van het ontstaan van de verbintenis in overwegende mate binnen de Turkse rechtssfeer afspeelde. Het hof heeft immers vastgesteld dat de speler [betrokkene 3] in Turkije woont en recht heeft op uitbetaling in Turkije in Turkse valuta, de Turkse Lira. De uitzonderingsgrond van art. 6:125 lid 2 BWC doet zich in dit geval dus niet voor en ik lees in rov. 2.28. van het bestreden vonnis ook niet dat het hof in verband met het feit dat alles zich in overwegende mate in de Turkse rechtssfeer afspeelde toepassing heeft gegeven aan art. 6:125 lid 2 BWC (vergelijk randnummer 4.7 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.10 In zoverre (dat alles zich in overwegende mate binnen één rechtssfeer gelegen buiten Curaçao, in dit geval binnen de Turkse rechtssfeer, afspeelde) vertoont de onderhavige zaak gelijkenis met het reeds aangehaalde arrest van het hof Arnhem uit 1962. Op die uitspraak werd reeds werd gewezen door Rank in het citaat weergegeven in randnummer 4.8 hiervoor. A-G Lindenbergh merkte recent, in zijn reeds aangehaalde conclusie over art. 6:125 BW, het volgende op naar aanleiding van deze uitspraak van het Arnhemse hof (zonder voetnoot uit het origineel, A-G): “4.21. Het hof Arnhem wees (in 1962) een vordering tot vergoeding van koersschade af en nam daarbij in aanmerking dat op het moment van aanvang van het verzuim zowel de schuldeiser als de schuldenaar in Indonesië verbleef, terwijl de schuld in Nederlands Indisch geld (aanvankelijk Nederlands Indische gulden en later Rupiah) luidde, ‘zodat er op dat ogenblik geen aanleiding was deze schuld om te rekenen in welke andere munteenheid dan ook’. Ten tijde van aanvang van het verzuim speelde alles zich dus binnen één rechtssfeer af. Nadien waren beide partijen teruggekeerd naar Nederland en had de schuldeiser voor de Nederlandse rechter betaling en koerswijzigingsschade in Nederlandse gulden gevorderd, omdat de Rupiah ten opzichte van de gulden in waarde was gedaald. De daardoor ontstane koersschade was naar het oordeel van het hof niet het voorzienbaar en onmiddellijk en dadelijk gevolg van de wanprestatie van de schuldenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.49. (…) Denkbaar lijkt mij (…) dat als het voor de debiteur op het moment van opeisbaarheid van de vordering niet voorzienbaar was dat de crediteur het bedrag zou hebben omgewisseld, het niet redelijk is om door koerswijziging ontstane schade toe te rekenen (art. 6:98 BW). Ter illustratie kan gewezen worden op de onder 4.21 besproken uitspraak van het hof Arnhem.4.50. (…) Naast het ontbreken van toerekeningsverband (in de zin van art. 6:98 BW) tussen de bron van de verbintenis tot betaling van een geldsom (tekortkoming, wettelijke verplichting tot schadevergoeding) en de oorzaak van het koersverlies, kunnen ook andere bepalingen van afdeling 6.1.10 BW, zoals inzake eigen schuld en rechterlijke matiging, aan (gedeeltelijke) vergoeding van schade in de weg staan. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.11 Dat bepalingen over het ontbreken van toerekeningsverband en eigen schuld aan toewijzing van een vordering tot koerswijzigingsschade in de weg kunnen staan, is eveneens onderkend in de parlementaire geschiedenis over art. 6:125 BWC: “Of schade is geleden en tot welk bedrag, en of ze toerekenbaar is aan de schuldenaar, moet overeenkomstig de afdelingen 6.1.9 en 6.1.10 worden beoordeeld” (zie randnummer 4.6 hiervoor). De genoemde afdeling 6.1.10 BWC (Wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding) bevat onder meer bepalingen over toerekeningsverband (art. 6:98 BWC) en eigen schuld (art. 6:101 BWC). Uit de in randnummer 4.4 hiervoor geciteerde passage maak ik op dat Trigonon c.s. zich ook met een beroep op art. 6:98 BWC en art. 6:101 BWC hebben verweerd tegen de vordering van SBGOK op de voet van art. 6:125 lid 1 BWC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfs als er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat SBGOK art. 6:125 lid 1 BWC kon inroepen, meen ik dat rov. 2.28. van het bestreden vonnis zo moet worden gelezen dat het hof het niet redelijk heeft geacht om door koerswijziging ontstane schade van SBGOK toe te rekenen aan Trigonon c.s. (art. 6:98 BWC). Het was immers voor Trigonon c.s. op het moment van opeisbaar worden van de vordering tot uitbetaling van het prijzengeld van [betrokkene 3] niet voorzienbaar dat zijn prijzengeld in enige andere valuta dan de Turkse Lira zou moeten worden omgerekend of omgewisseld (zie ook randnummer 4.10 hiervoor). Iets anders is dat SBGOK na de cessie wel op grond van art. 6:123 lid 1 BWC (zie randnummers 4.5-4.6 hiervoor) de keuze heeft het prijzengeld te vorderen in het buitenlandse geld (dus de Turkse Lira) of in gangbaar geld in Curaçao (zoals de Antilliaanse gulden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toepassing van art. 6:123 lid 1 BWC geschiedt de omrekening van Turkse Lira naar Antilliaanse guldens echter op grond van art. 6:124 BWC naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt. Wanneer, zoals SBGOK heeft gesteld (zie randnummer 4.3 hiervoor), intussen de koers van de Turkse Lira is gedaald, zal SBGOK gelet op het voorgaande dus genoegen moeten nemen met een geringer bedrag in Antilliaanse guldens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking van het incidentele middel 4.12 Ik kom nu, met inachtneming van de voorgaande opmerkingen, toe aan de bespreking van de vijf onderdelen van het incidentele middel, die alle falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 1 4.13 Onderdeel 1 gaat uit van een lezing van rov. 2.28. van het bestreden vonnis waarbij het hof voor zover het art. 6:121 en 6:125 BWC niet van toepassing heeft geacht, is uitgegaan van toepasselijkheid van ander (namelijk Turks) recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.14 Dit onderdeel gaat uit van een verkeerde lezing van rov. 2.28. van het bestreden vonnis en faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 2.8., in cassatie onbestreden, geoordeeld dat het met partijen ervan zal uitgaan dat in deze zaak het recht van Curaçao kan worden toegepast op alle rechtsverhoudingen. Uit het gehele vonnis blijkt dat het hof dat consequent heeft gedaan (zoals rov. 2.18.-2.19. waarin het hof art. 6:162 BWC heeft toegepast en rov. 2.20.-2.22 waarin het hof art. 6:76 BWC heeft toegepast). Rov. 2.28. van het bestreden vonnis vormt daarop geen uitzondering, hetgeen ook blijkt uit de expliciete verwijzing van het hof aldaar naar art. 6:121 en 6:125 BWC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2 4.15 Onderdeel 2 stelt dat indien het hof niet is uitgegaan van ander toepasselijk recht dan dat van Curaçao rov. 2.28. van het bestreden vonnis onjuist dan wel, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Het onderdeel verwijst naar art. 6:123 BWC, waarop SBGOK zich in haar memorie van grieven, p. 17-18 (zie randnummer 4.3 hiervoor) heeft beroepen en waaruit volgens het onderdeel voor de schuldeiser een keuze volgt tussen betaling in in Curaçao gangbaar geld of in Turkse Lira. Volgens het onderdeel doet daaraan de woonplaats van [betrokkene 3] in Turkije waar de betaling moet worden verricht en het recht op betaling in Turkse Lira niet af. Als het hof dit niet heeft miskend, is volgens het onderdeel niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd waarom SBGOK geen beroep toekomt op art. 6:125 BWC. Het onderdeel stelt ten slotte dat het hof heeft miskend dat Trigonon c.s. zijn opgekomen tegen de veroordeling in NAƒ (van de tegenwaarde van ₺ 620.000) en het daarom het hof ook niet vrijstond deze veroordeling in door SBGOK ongewenste zin aan te passen door de mogelijkheid te bieden van betaling in Turkse Lira.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.16 Dit onderdeel gaat uit van een juiste lezing van rov. 2.28. van het bestreden vonnis voor zover het tot uitgangspunt neemt dat het daarin Curaçaos recht heeft toegepast (zie randnummer 4.14 hiervoor). Het onderdeel stuit echter af op hetgeen ik in randnummer 4.11 hiervoor opmerkte. Het hof heeft het beroep van SBGOK op art. 6:123 BWC waaruit een keuzemogelijkheid voortvloeit tussen veroordeling tot betaling in Turkse Lira of in Curaçao gangbaar geld ook niet miskend. Het beroep op art. 6:123 BWC kan haar echter niet baten. Het hof heeft die bepaling immers toegepast, zoals blijkt uit het dictum (rov. 3.1 en 3.2) waarin Trigonon en Cyberluck zijn veroordeeld “tot betaling aan SBGOK [van] het bedrag van 620.000 Turkse Lira dan wel de tegenwaarde van dat bedrag in NAf” (onderstreping door mij, A-G).</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegenwaarde in Antilliaanse gulden van het bedrag in Turkse Lira wordt op de voet van art. 6:124 BWC berekend naar het moment van betaling. Of het oordeel van het hof dat SBGOK geen beroep toekomt op art. 6:125 BWC voldoende begrijpelijk is gemotiveerd, kan gelet op hetgeen ik in randnummer 4.11 hiervoor opmerkte verder in het midden blijven. Van een aanpassing door het hof van de veroordeling van Trigonon door het gerecht in door SBGOK ongewenste zin ten slotte, is evenmin sprake. In eerste aanleg heeft SBGOK gevorderd een veroordeling tot betaling van “de somma van 620.000,= Turkse Lira, althans de tegenwaarde daarvan in Antilliaanse courant”. Het gerecht heeft die vordering ten aanzien van Trigonon toegewezen (en ten aanzien van Cyberluck afgewezen).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het dictum van het vonnis in eerste aanleg is onder a. opgenomen: “veroordeelt Trigonon tot betaling aan SBGOK van de tegenwaarde in NAƒ van 620.000 Turkse Lira (…)”. Zoals SBGOK in grief IV tot uitdrukking heeft gebracht (zie randnummer 4.3 hiervoor) heeft het gerecht geen datum gekoppeld aan de tegenwaarde in NAƒ van ₺ 620.000, zodat volgens mij op de voet van art. 6:124 BWC (uitgaande van toepassing van art. 6:123 lid 1 BWC) aangenomen moet worden dat de datum van betaling maatgevend is. In hoger beroep heeft het hof in rov. 2.28. van het bestreden vonnis grief IV van SBGOK met betrekking tot koerswijzigingsschade verworpen. In het dictum van het bestreden vonnis (rov. 3.1 en 3.2) zijn Trigonon respectievelijk Cyberluck, als gezegd, veroordeeld “tot betaling aan SBGOK [van] het bedrag van 620.000 Turkse Lira dan wel de tegenwaarde van dat bedrag in NAf”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betreft ook de tegenwaarde op het moment van betaling. Van een aanpassing door het hof van de veroordeling in door SBGOK ongewenste zin als bedoeld door het onderdeel kan dan ook geen sprake zijn. Ik wijs er in dit verband nog op dat het dictum van het hof strookt met de in cassatie onbestreden weergave van de vordering in rov. 2.2. van het bestreden vonnis (zie ook randnummer 2.1 hiervoor) en met rov. 2.31. van het bestreden vonnis, voor zover het hof daarin heeft overwogen dat het om praktische redenen het vonnis in eerste aanleg geheel heeft vernietigd. Het onderdeel faalt dus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3 4.17 Onderdeel 3 stelt dat als naar het oordeel van het hof in rov. 2.28. van het bestreden vonnis het recht op vergoeding van schade als gevolg van koersverlies niet toekomt aan SBGOK nu dit niet met de cessie van het vorderingsrecht op haar is overgegaan, dit oordeel niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed, omdat het hof niet duidelijk heeft gemaakt waarom dit recht niet is (mee)overgegaan naar SBGOK, terwijl ingevolge de desbetreffende cessieakte (deed of assignment) als bedoeld in randnummer 1.8 hiervoor een overdracht plaatsvond van de vordering van [betrokkene 3] aan SBGOK op “all the (jointly liable) debtors and including all ancillary rights” (met onderstreping door het onderdeel, A-G). Volgens het onderdeel behoeft het uitleg waarom – als rov. 2.28. van het bestreden vonnis aldus moet worden gelezen – SBGOK geen beroep zou toekomen op art. 6:125 BWC. Het onderdeel stelt dat het hof niet heeft uitgelegd waarom dit recht niet zou zijn mee overgegaan met de cessie, althans waarom dit niet geldt als accessoir of onlosmakelijk verbonden met het aan SBGOK gecedeerde vorderingsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.18 Het onderdeel gaat uit van een verkeerde lezing van rov. 2.28. van het bestreden vonnis en faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. Om herhaling te voorkomen, volsta ik hier met verwijzing naar randnummers 4.9 en 4.11 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 4 4.19 Onderdeel 4 klaagt in het verlengde van onderdeel 3 dat als rov. 2.28. van het bestreden vonnis zo moet worden gelezen dat de aanspraak ex art. 6:125 BWC niet is mee overgegaan met de cessie dit een verrassingsbeslissing betreft en het hof partijen dan nog gelegenheid had moeten geven zich over deze kwestie, die geen onderwerp van debat was, uit te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.20 Het onderdeel faalt in het spoor van onderdeel 3 (zie randnummer 4.18 hiervoor). Van een verrassingsbeslissing als door het onderdeel bedoeld waarover partijen zich nog hadden moeten kunnen uitlaten, is dan ook geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 5 4.21 Subonderdeel 5a bevat een voortbouwklacht die stelt dat als een van de voorgaande onderdelen opgaat, dit ook het oordeel van het hof in rov. 2.28. van het bestreden vonnis over de toepasselijkheid van art. 6:121 BWC treft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.22 Deze voortbouwklacht deelt in het lot van de voorgaande onderdelen. Dat behoeft geen nadere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.23 Subonderdeel 5b stelt dat art. 6:121 BWC niet kan worden ingeroepen door de crediteur. Het subonderdeel stelt verder dat art. 6:121 BWC niet ter zake doet voor de vraag of SBGOK art. 6:125 BWC kan inroepen en dat SBGOK zich ook niet ter onderbouwing van haar vordering op art. 6:121 BWC heeft beroepen. Het subonderdeel klaagt dat als het hof in rov. 2.28. van het bestreden vonnis is uitgegaan van een in art. 6:121 BWC vervatte bevoegdheid voor de crediteur (in plaats van voor de debiteur) of als het hof is uitgegaan van de noodzaak voor SBGOK om zich op deze bepaling te kunnen beroepen teneinde op basis van art. 6:125 BW vergoeding van koerswijzigingsschade te kunnen vorderen, althans indien het hof toepasselijkheid van art. 6:121 BWC noodzakelijk heeft geacht voor een beroep van SBGOK op art. 6:125 BWC, dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd. Volgens het subonderdeel lijkt het hof zijn oordeel over het beroep op art. 6:125 BWC ‘op te hangen’ aan de onmogelijkheid om toepassing te geven aan art. 6:121 BWC. Het subonderdeel klaagt ten slotte dat het voorgaande evenzeer geldt als het hof geacht moet worden het oog te hebben gehad op art. 6:123 BWC in plaats van art. 6:121 BWC.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.24 Het subonderdeel neemt op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat art. 6:121 BWC niet kan worden ingeroepen door de schuldeiser/crediteur (SBGOK). Art. 6:121 BWC betreft immers een bevoegdheid van de schuldenaar/debiteur (Trigonon dan wel Cyberluck) (zie ook randnummers 4.5-4.6 hiervoor). Het hof heeft dat uitgangspunt echter ook niet miskend maar heeft volgens mij slechts willen wijzen op het nauwe verband tussen art. 6:121 BWC en art. 6:125 BWC (zie ook randnummer 4.7 hiervoor). Voor zover het subonderdeel meer of anders leest in het bestreden oordeel, gaat het uit van een verkeerde lezing van rov. 2.28. van het bestreden vonnis en faalt het daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag. Verder stuit dit subonderdeel ook af op hetgeen ik in randnummer 4.11 hiervoor opmerkte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 4.25 De slotsom is dat het incidentele cassatieberoep faalt. Het bestreden vonnis kan dus, nu ook het principale beroep niet tot cassatie kan leiden, in stand blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het principale en het incidentele cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De feiten zijn, met redactionele aanpassingen, ontleend aan rov. 2.1., onder a.-g. van het bestreden vonnis: GHvJ 14 maart 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:31, CJB 2023, p. 129 e.v. m.nt. S.H. Barten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inleidend verzoekschrift van SBGOK, randnummer 5. Zie ook het uittreksel uit het handelsregister van Curaçao met betrekking tot SBGOK, dat is opgenomen achter het inleidende verzoekschrift van SBGOK.</p>\n<p class=\"lf-p\">No. 1668/JAZ. Dit landsbesluit is opgenomen als productie 1 bij het inleidende verzoekschrift van SBGOK.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.B. 1993, no. 63. Deze Nederlands Antilliaanse landsverordening geldt sinds 10 oktober 2010 voor het toen onafhankelijk geworden Land Curaçao. Zie ook https://lokaleregelgeving.overheid.nl/143860/1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook het uittreksel uit het handelsregister van Curaçao met betrekking tot Game Tech, dat is opgenomen achter het inleidende verzoekschrift van SBGOK.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 4 bij het inleidende verzoekschrift van SBGOK.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook het uittreksel uit het handelsregister van Curaçao met betrekking tot Trigonon, dat is opgenomen achter het inleidende verzoekschrift van SBGOK.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 4 bij het inleidende verzoekschrift van SBGOK.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van antwoord in de incidenten, tevens conclusie van repliek in de hoofdzaak en akte wijziging van eis van SBGOK van 15 juni 2020. De desbetreffende e-mail van 7 juni 2020 is opgenomen als productie 1 bij dit processtuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">GEA 8 november 2021, ECLI:NL:OGEAC:2021:214. Hieraan zijn voorafgegaan drie (niet gepubliceerde) tussenvonnissen van 17 februari 2020 (afwijzing incidentele vordering tot zekerheidstelling door SBGOK en afwijzing incidentele vordering tot splitsing van beide vorderingen), 13 juli 2020 (afwijzing incidentele vordering tot onbevoegdheidsverklaring en afwijzing incidentele vordering tot niet-ontvankelijkverklaring van SBGOK) en 7 december 2020 (bewijsopdracht aan SBGOK dat [betrokkene 3] de desbetreffende speler in het online casino Bahsine was en haar wederpartij was bij de akte van cessie van 11 april 2019).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de goede orde merk ik op dat in hoger beroep ook [betrokkene 1] nog deel uitmaakte van Trigonon c.s. ( [betrokkene 1] is in cassatie geen partij meer).</p>\n<p class=\"lf-p\">GHvJ 14 maart 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:31, CJB 2023, p. 129 e.v. m.nt. S.H. Barten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weblink werkt niet (meer). Vergelijk hierover P. Klik, Inleiding tot de rechtswetenschap voor Curaçao, Aruba en Sint Maarten, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 233, waar het onderhavige vonnis wordt aangehaald als een voorbeeld van “de weinig systematische manier waarop informatie [over de parlementaire geschiedenis, A-G] moet worden gezocht” en over het vonnis wordt opgemerkt dat “via verschillende internetbronnen de relevante informatie bij elkaar [is] gezocht.” Het hof heeft kennelijk bedoeld te verwijzen naar http://lokaleregelgeving.overheid.nl/1855/1. Deze landsverordening uit 1993 geldt sinds 10 oktober 2010 ook voor het toen onafhankelijk geworden Land Curaçao waarover ook voetnoot 4 hiervoor. Zie hierover ook de conclusie van A-G Snijders (ECLI:NL:PHR:2024:36, randnummer 3.18) voor HR 1 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:295, RvdW 2024/260 (Araxio Development N.V.) (art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook deze weblink werkt niet (meer). De permanente vindplaats van deze memorie van toelichting is Staten van de Nederlandse Antillen 1992-1993, 1513, nr. 3, p. 3. Zie hierover recent ook de conclusie van A-G Snijders (ECLI:NL:PHR:2024:36, randnummer 3.20) voor HR 1 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:295, RvdW 2024/260 (Araxio Development N.V.) (art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld ook P. Klik, Inleiding tot de rechtswetenschap voor Curaçao, Aruba en Sint Maarten, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 231-232.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook deze weblink werkt niet (meer). In rov. 2.13. is wel een verkorte vindplaats genoemd, voluit betreft het het advies van de Raad van Advies no. 42-48 van 7 september 1992 over het Voorontwerp van een door de Staten in behandeling te nemen initiatief-ontwerp-landsverordening tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (P.S. 1918. no. 6) (114V/92-93 - RvA no. LV/10-92). Zie over de onder meer op het platform voor onderzoeksjournalistiek Investico geplaatste publicatie waar het hof kennelijk naar heeft verwezen ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:1033, randnummer 3.38, met verwijzingen) voor HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1812, RvdW 2024/59 (Cyberluck c.s./Knipselkrant Curaçao) (art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook voetnoot 3 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inmiddels heeft Uw Raad het cassatieberoep tegen de beide genoemde vonnissen met toepassing van art. 81 lid 1 RO verworpen. Zie HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1811, RvdW 2024/60 (Cyberluck c.s./Knipselkrant Curaçao) en HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1812, RvdW 2024/59 Cyberluck c.s./Knipselkrant Curaçao). Ik heb in beide zaken geconcludeerd (ECLI:NL:PHR:2023:1032 en ECLI:NL:PHR:2023:1033).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook deze weblink werkt niet (meer). Ik trof deze brief niet op internet aan, maar wel bij de genoemde vindplaats (productie 6 bij de memorie van grieven van SBGOK) in het procesdossier van SBGOK. Zie over de onder meer op het platform voor onderzoeksjournalistiek Investico geplaatste publicatie waar het hof kennelijk naar heeft verwezen ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:1033, randnummer 3.38, met verwijzingen) voor HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1812, RvdW 2024/59 (Cyberluck c.s./Knipselkrant Curaçao) (art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestreden vonnis is verbeterd bij herstelvonnis van 16 juni 2023 (niet gepubliceerd). De kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leende, betreft de tenaamstelling van Trigonon in de aanhef van het vonnis van 14 maart 2023 (dat is Trigonon Group N.V. in plaats van Trigonon N.V., zie ook voetnoot 7 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de schriftelijke toelichting van SBGOK, randnummer 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">GHvJ 14 april 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:77 (Cyberluck/De Winter q.q.). Zie over dit vonnis ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:1033, randnummer 3.34) voor HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1812, RvdW 2024/59 (Cyberluck c.s./Knipselkrant Curaçao). De verwante zaak waar in het citaat naar wordt verwezen betreft GHvJ 14 april 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:76 ([betrokkene 4] /De Winter q.q.). Beide vonnissen zijn overgelegd als productie 2 bij de conclusie van antwoord in de incidenten, tevens conclusie van repliek in de hoofdzaak en wijziging van eis van SBGOK van 15 juni 2020. Het desbetreffende vonnis van het gerecht van 16 april 2018 waaruit het hof in het vonnis van 14 april 2020 heeft geciteerd en waarbij het hof zich voor het onrechtmatigheidsoordeel heeft aangesloten, is overigens overgelegd als productie 12 bij het inleidende verzoekschrift van SBGOK in het procesdossier van SBGOK.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van grieven van SBGOK, p. 10-11. Vergelijk de memorie van antwoord van Cyberluck c.s., p. 3-4. Overigens is ook reeds in eerste aanleg een beroep gedaan op deze Stacktrace-zaak. Zie bijvoorbeeld randnummer 13. van het inleidende verzoekschrift van SBGOK, onder verwijzing naar de in de vorige voetnoot aangehaalde productie 12, en de pleitnotities van 20 oktober 2020 van SBGOK, randnummer 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3917, NJ 2009/416 m.nt. P. van Schilfgaarde en JOR 2010/22 m.nt. N.E.D. Faber (Dekker/Lutèce), rov. 3.4.4.1, onder verwijzing naar HR 14 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4521, NJ 1983/597 m.nt. B. Wachter en Ars Aequi 1984, p. 220 e.v. m.nt. P. van Schilfgaarde (Peeters/ […]). Zie hierover ook de annotatie van K. Frielink en M.V.R. Snel bij het vonnis van 14 april 2020 in CJB 2020, p. 199 (voetnoot 29 aldaar): “Dit betreft zaken naar Nederlands recht, maar hetgeen is overwogen geldt ook in de Caribische Koninkrijksdelen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover bijvoorbeeld T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Van zorgvuldigheid naar zorgplicht: een eeuw maatschappelijke zorgvuldigheid’, RM Themis 2019, p. 26-27: “Tegenwoordig lijkt het ‘handelen in strijd met de zorgvuldigheid’ te worden overvleugeld door de formulering ‘schending van een zorgplicht’. Deze terminologische verschuiving, die sedert de jaren tachtig lijkt te zijn ingezet, lijkt op zichzelf niet direct een verschil in inhoud uit te maken. Niettemin valt te verdedigen dat een ‘zorgplicht’ concreter is dan handelen in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid: een zorgplicht veronderstelt het voorafgaande bestaan van een betrekking, wat bij ‘maatschappelijke zorgvuldigheid’ impliciet is gelaten. Verder legt de term ‘zorgplicht’ een direct verband met de binnen contractuele verhoudingen bestaande zorgplicht. Destijds was juist voor de term ‘zorgvuldigheid’ gekozen om zo’n verband te vermijden. Omdat nu eenmaal tegenwoordig ook wordt gesproken van zorgplicht in gevallen waar in het verleden over zorgvuldigheid zou worden gesproken, zal ik hierna ook rechtspraak behandelen die over buitencontractuele zorgplichten gaat.” [zonder voetnoten uit het origineel, A-G] Zie hierover in vogelvlucht, met verdere verwijzingen naar rechtspraak en literatuur, mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2021:239, randnummers 3.1-3.6) voor HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1652, NJ 2021/352, Ars Aequi 2022, p. 139 e.v. m.nt. D. Busch, JOR 2022/35 m.nt. M. van Wingerden, Ondernemingsrecht 2022/21 m.nt. C.W.M. Lieverse, S&amp;E FR 2021/47 m.nt. D. Horeman en JIN 2022/26 m.nt. T. Hekman (ING/Ying Yang). Zie over deze rechtspraak recent ook T. Hartlief, ‘De zorgplicht van de bank: bijzonder of niet?’, in E.F. Verheul (red.), Op het spoor van het goederenrecht. Liber Amicorum Wim Reehuis, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 73 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3399, NJ 2016/245 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai en JOR 2016/34 m.nt. F.M.A. ’t Hart (Ponzi-zwendel), rov. 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2021:239, randnummers 3.9 en 4.6) voor HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1652, NJ 2021/352, Ars Aequi 2022, p. 139 e.v. m.nt. D. Busch, JOR 2022/35 m.nt. M. van Wingerden, Ondernemingsrecht 2022/21 m.nt. C.W.M. Lieverse, S&amp;E FR 2021/47 m.nt. D. Horeman en JIN 2022/26 m.nt. T. Hekman (ING/Ying Yang).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3713, NJ 2006/289 m.nt. M.R. Mok, AV&amp;S 2006/26 m.nt. S.B. van Baalen en JA 2006/40 m.nt. E. van den Akker en N. Frenk (Safe Haven).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Rechtspersonenrecht/V.P.G. de Serière, Deel 2-IV. Effectenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 734. De Serière verwijst in dit verband naar een passage uit het hof-arrest in de Safe Haven-zaak, waarin het hof overwoog dat: “de maatschappelijke functie van banken een bijzondere zorgplicht meebrengt, zowel jegens hun cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Hierbij weegt mee dat de bepalingen van de Wte (…) onmiskenbaar mede strekken ter bescherming van de belangen van de beleggers waarvoor de Stichting in deze zaak opkomt en tevens dat uit de afgelegde getuigenverklaringen blijkt dat de Bank zich als professionele dienstverlener had moeten realiseren dat van die beleggers in ieder geval een aantal op het terrein van beleggen niet deskundig was”. Dit citaat is afkomstig uit hof Amsterdam 19 februari 2004, JOR 2004/110 m.nt. C.M. Grundmann-van de Krol (Safe Haven), rov. 4.30, waarover ook HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3713, NJ 2006/289 m.nt. M.R. Mok, AV&amp;S 2006/26 m.nt. S.B. van Baalen en JA 2006/40 m.nt. E. van den Akker en N. Frenk (Safe Haven), rov. 3.11.4 en 6.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanwijzing daarvoor is niet alleen de gehanteerde terminologie “bijzondere zorgplicht”, maar ook het meewegen van het stelsel van de wet en meer in het bijzonder de voorwaarden over de betaalbaarstelling van het prijzengeld in art. 17 van het Landbesluit van 1 oktober 1996 die naar het oordeel van het hof, overigens ook in navolging van het vonnis van 14 april 2020 (zie rov. 4.5. geciteerd in randnummer 3.2 hiervoor), “onmiskenbaar [strekken] ter bescherming van spelers die meedoen aan kansspelen bij de exploitatie van deze vergunning.” Vergelijk de vorige voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze term ontleen ik aan Sociaal-Economische Raad van Curaçao, Advies inzake de ontwerplandsverordening op de kansspelen 2021 en de ontwerplandsverordening op de kansspelbelasting 2021, 051/2021-SER, 28 mei 2021, p. 25-26: “Het huidige licentiesysteem wordt gekenmerkt door de zogenaamde master en sublicense holders. (…) In 1993 voerde Curaçao een raamwetgeving in ter regulering van het aanbieden van kansspelen op afstand. Aanvankelijk ging het hierbij om het aanbieden van gokdiensten per telefoon en later is dit uitgebreid naar het internet. Van de uitgegeven licenties zijn er inmiddels niet zoveel meer over, maar vijf houders van een dergelijke licentie houden zich al bijna twee decennia bezig met het verstrekken van sub licenties aan derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middels contracten laten zij derde aanbieders onder hun licentie online kansspelen aanbieden. Omdat de overheid deze raamwetgeving niet verder heeft uitgewerkt door middel van het ontwikkelen van een toezichtstructuur en beleid, zijn deze licentiehouders feitelijk geprivatiseerde toezichthouders geworden en hun contracten en beleid vormen het toezichtkader. Vanaf midden 2000 is de kansspelen sector steeds meer gaan groeien en hebben enkele trustkantoren zich gespecialiseerd in de directievoering en het beheer van de vennootschappen in Curaçao die beschikken over zo’n sub licentie. Momenteel zijn er naar schatting tussen de 700 en 900 van dit soort bedrijven op Curaçao gevestigd. (…)” Zie hierover ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:1033, randnummer 3.39) voor HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1812, RvdW 2024/59 (Cyberluck c.s./Knipselkrant Curaçao).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze term ontleen ik aan de annotatie van S.H. Barten bij het bestreden vonnis in CJB 2023, p. 143: “De rol die het Gemeenschappelijk Hof toedicht aan de masterlicentiehouder zou kunnen worden aangemerkt als een ‘poortwachter’, met een verantwoordelijkheid om toezicht uit te oefenen op de online casino’s aan wie zij een niet-exclusieve sublicentie heeft verstrekt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">K. Frielink en M.V.R. Snel in hun annotatie bij het vonnis van 14 april 2020 in CJB 2020, p. 200. Voor de goede orde merk ik, naar aanleiding van de opmerking van Frielink en Snel dat sublicentiëring volgens het hof “kennelijk mag”, op dat de vraag of het verlenen van sublicenties al dan niet door de beugel kan, in het vonnis van 14 april 2020 noch in de onderhavige zaak voorlag. Vergelijk over die vraag verder ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:1033, randnummers 3.34-3.37) voor HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1812, RvdW 2024/59 (Cyberluck c.s./Knipselkrant Curaçao) (art. 81 RO). In laatstgenoemde zaak ging het ook om iets anders, namelijk kort gezegd of een journalist de praktijk van sublicentiëring ‘illegaal’ mocht noemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk in dit verband verder nog A-G Snijders in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:36, voetnoot 35 aldaar) voor HR 1 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:295, RvdW 2024/260 (Araxio Development N.V.) (art. 81 RO), waarin hij spreekt van “het bedenkelijke gebruik op Curaçao dat vergunningen voor gokspelen buitenwettelijk aan anderen in licentie worden gegeven.” In een recent in opdracht van het WODC uitgevoerd onderzoek van M. Abraham e.a., Ambtelijk-bestuurlijke integriteit in Caribisch-Nederland, 2023, opgenomen als bijlage bij Kamerstukken II 2023-2024, 36410-IV nr. 38, p. 30-31 wordt de praktijk van sublicentiëring genoemd als een voorbeeld van zogenoemde state capture. In het rapport wordt in dat verband verwezen naar D.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jancsics, ‘Corruption as Resource Transfer: An Interdisciplinary Synthesis’, Public Administration Review 2019, p. 523–537, zie in het bijzonder p. 532-534.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook voetnoten 30-31 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk het citaat weergegeven in randnummer 3.6 hiervoor: “dat zij van het belang van de betrokken derden en de aard van de relatie tussen die derden en de cliënt van de bank op de hoogte is of had moeten zijn”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk het citaat weergegeven in randnummer 3.6 hiervoor: “dat er een concrete aanwijzing of aanleiding (…) moet zijn voor de bank om aan te nemen dat er mogelijk iets ‘mis’ is ten gevolge waarvan de belangen van die derden kunnen worden geschaad.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk bijvoorbeeld ook de conclusie van A-G Snijders (ECLI:NL:PHR:2024:35, randnummer 3.3, met verdere verwijzingen) voor HR 22 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:482, RvdW 2024/363 (Loef q.q./Knab) (art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover in relativerende zin ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2021:239, randnummer 3.7, met verwijzingen) voor HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1652, NJ 2021/352, Ars Aequi 2022, p. 139 e.v. m.nt. D. Busch, JOR 2022/35 m.nt. M. van Wingerden, Ondernemingsrecht 2022/21 m.nt. C.W.M. Lieverse, S&amp;E FR 2021/47 m.nt. D. Horeman en JIN 2022/26 m.nt. T. Hekman (ING/Ying Yang).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze bepaling M.F. Murray, Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek – Deel 2, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 1479-1480.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de procesinleiding, randnummer 3.9 en de schriftelijke toelichting, randnummers. 6., 13. en 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus ook bij voetnoot 34 weergegeven citaat in randnummer 3.7 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld de schriftelijke toelichting van Trigonon c.s., randnummer 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook voetnoot 32 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiermee instemmend ook K. Frielink en M.V.R. Snel in hun annotatie bij het vonnis van 14 april 2020 in CJB 2020, p. 200: “Zou anders zijn geoordeeld dan zou het aan de vergunningverlening zelf stellen van voorwaarden (nagenoeg) zinloos zijn” (waarover ook randnummer 3.7 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftelijke toelichting van Trigonon c.s., randnummer 9., onder verwijzing naar E.P.M. Joosen, ‘Toezicht op waarborg- en garantiefondsen’, FR 2007, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie E.P.M. Joosen, ‘Toezicht op waarborg- en garantiefondsen’, FR 2007, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk ook de vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties genoemd in randnummer 2.13. van de schriftelijke toelichting van SBGOK.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 128 lid 1 Landsverordening van de 29ste april 2005 houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: ‘WRvC’), te raadplegen via https://lokaleregelgeving.overheid.nl/145086/1, dat voor zover hier relevant, luidt: Tenzij uit de wet anders voortvloeit, legt de rechter slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag, die in het geding te zijner kennis zijn gekomen of zijn gesteld, en die overeenkomstig de voorschriften van deze en de volgende afdelingen zijn komen vast te staan. (…) Zie hierover ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:1033, randnummer 3.64) voor HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1812, RvdW 2024/59 (Cyberluck c.s./Knipselkrant Curaçao) (art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 52 WRvC dat luidt: Rechters vullen bij hun beraadslagingen van ambtswege de rechtsgronden aan, die partijen niet hebben aangevoerd. Zie hierover ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:1033, randnummer 3.64) voor HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1812, RvdW 2024/59 (Cyberluck c.s./Knipselkrant Curaçao) (art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de procesinleiding, randnummer 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van antwoord van Trigonon c.s., p. 3-5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van antwoord van Trigonon c.s., p. 3-4: “In acht nemende het vonnis van uw Hof in de Stacktrace zaak (…) dat als vaststaand uitgangspunt heeft te gelden dat het stelsel van licentie en sublicentie legaal is en van een eventuele aansprakelijkheid van de licentiehouder mogelijk pas kan worden gesproken wanneer de operator onrechtmatig heeft gehandeld jegens alle spelers, en gebleken is dat de licentiehouder onvoldoende maatregelen heeft getroffen dat de spelers wordt uitbetaald. Daarvan is in casu niet gebleken.” Vergelijk randnummer 3.2 en voetnoot 34 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze grondslag randnummer 2.4 hiervoor en randnummers 3.35-3.38 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van antwoord van Trigonon c.s., p. 4: “Noch ook wordt door SBGOK aangegeven waar en hoe dan Cyberluck een zuivere onrechtmatige daad pleegt welke valt onder de strekking van art. 6:171 BW. Voorts, vaststaat dat SBGOK haar vordering tegen Cyberluck niet preciseert of die vordering is gestoeld op wanprestatie of op grond van onrechtmatige daad. In geen van beide is door SBGOK een toelichting en substantiering gegeven.” En: “SBGOK kan (…) niet zomaar (…) doorgaan met het doen van ernstige beschuldigingen aan het adres van Cyberluck zonder te doen aan bewijsvoering, of zelfs enige uitleg wat Cyberluck dan nu precies wordt verweten.” Vergelijk randnummer 3.17 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de pleitaantekeningen van 16 augustus 2022 van Trigonon c.s., p. 8-16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de pleitaantekeningen van 16 augustus 2022 van Trigonon c.s., p. 8-15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de pleitaantekeningen van 16 augustus 2022 van Trigonon c.s., p. 15-16, onder verwijzing naar de memorie van grieven van SBGOK, p. 12-13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de pleitaantekeningen van 16 augustus 2022 van Trigonon c.s., p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Asser Procesrecht/E. Korthals Altes &amp; H.A. Groen, Deel 7. Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 48 en J.F. de Groot &amp; A.E.H. van der Voort Maarschalk, in B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 333, met rechtspraakverwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftelijke toelichting van Trigonon c.s., randnummer 3. Zie bijvoorbeeld ook de volgende gevallen uit de feitenrechtspraak: GEA 23 oktober 2023, ECLI:NL:OGEAC:2023:266 (SBGOK/Cyberluck c.s.), rov. 4.7.-4.9. en GEA 11 december 2023, ECLI:NL:OGEAC:2023:353 (Antillephone c.s.), rov. 4.8.-4.12. In beide zaken verwijst het gerecht bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van een vergunninghouder (in eerstgenoemde zaak ook Cyberluck en in de laatste zaak een andere vergunninghouder, Antillephone N.V.) naar het kader uit het in onderhavige zaak bestreden vonnis, rov. 2.18. e.v.). In eerstgenoemde zaak kan Cyberluck volgens het gerecht op grond van art. 6:162 BWC en (art. 6:74 jo.) 6:76 BWC hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor de door SBGOK geleden schade (indien komt vast te staan dat de desbetreffende speler die kennelijk afkomstig is uit Finland haar vordering heeft gecedeerd aan SBGOK).</p>\n<p class=\"lf-p\">In laatstgenoemde zaak oordeelt het gerecht dat Antillephone als vergunninghouder op grond van art. (art. 6:74 jo.) 6:76 BWC aansprakelijk is voor uitbetaling van prijzengeld aan een in Hongarije wonende speler die bij een door Bellona N.V. geëxploiteerd online casino dat opereert onder ‘sublicentie’ van Antillephone prijzengeld heeft gewonnen. Voor aansprakelijkheid van Antillephone uit hoofde van onrechtmatige daad wegens schending van de bijzondere zorgplicht heeft de speler volgens het gerecht onvoldoende gesteld. Het hof heeft een zaaksoverstijgend belang in de onderhavige zaak overigens ook onderkend, zie bijvoorbeeld rov. 2.24. van het bestreden vonnis (“het feit dat er bij het Gerecht nog meerdere soortgelijke zaken aanhangig zijn”), waarover ook randnummer 2.20 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover bijvoorbeeld C.E. du Perron, Overeenkomst en derden. Een analyse van de relativiteit van de contractswerking, diss., Deventer: Kluwer 1999, p. 134 e.v., H.J.S.M. Langbroek, ‘Gebruikmaken van wanprestatie: (n)iets nieuws onder de zon?’, MvV 2010, p. 50 e.v., T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Meewerken aan wanprestatie of onrechtmatige daad, mede toegepast op de rol van de notaris’, WPNR 6954 (2012), p. 902 e.v. en L.M. van Bochove, Betrokkenheid van derden bij contractbreuk, diss., Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p. 29 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover reeds A-G Franx in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:1989:AD0613, randnummer 3.5) voor HR 27 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0613, NJ 1990/89 m.nt. C.J.H. Brunner en Ars Aequi 1989, p. 572 e.v. m.nt. S.C.J.J. Kortmann ([…] /Staat). Evenzo C.E. du Perron, Overeenkomst en derden. Een analyse van de relativiteit van de contractswerking, diss., Deventer: Kluwer 1999, p. 136 en H.J.S.M. Langbroek, ‘Gebruikmaken van wanprestatie: (n)iets nieuws onder de zon?’, MvV 2010, p. 50. Vergelijk T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Meewerken aan wanprestatie of onrechtmatige daad, mede toegepast op de rol van de notaris’, WPNR 6954 (2012), p. 903.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld ook L.M. van Bochove, Betrokkenheid van derden bij contractbreuk, diss., Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013, p. 52, onder verwijzing naar HR 30 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5155, NJ 2005/513 (Melkquotum).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk hierover overigens S.H. Barten in zijn annotatie bij het bestreden vonnis in CJB 2023, p. 145: “Het ligt (…) niet voor de hand dat de winstmarge die de masterlicentiehouder maakt door het uitgeven van sublicenties afhankelijk is van de uitkeringen van het prijzengeld door een sublicentiehouder. Aannemelijk is dat ook als het prijzengeld wel direct zou zijn uitgekeerd, de masterlicentiehouder het recht zou hebben gehad op betaling van de bij de sublicentiehouders in rekening gebrachte fees. Het conditio sine qua non-verband tussen de ‘wanprestatie’ en het verkregen profijt ontbreekt in dat geval.”</p>\n<p class=\"lf-p\">C.E. du Perron, Overeenkomst en derden. Een analyse van de relativiteit van de contractswerking, diss., Deventer: Kluwer 1999, p. 149 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Meewerken aan wanprestatie of onrechtmatige daad, mede toegepast op de rol van de notaris’, WPNR 6954 (2012), p. 903, waarin hij het meewerken aan wanprestatie (of onrechtmatige daad) onderscheidt van “het verwante, maar niet hiermee samenvallende, onderwerp profiteren van wanprestatie of onrechtmatige daad.” Volgens mij valt wat Tjong Tjin Tai verstaat onder meewerken aan wanprestatie (of onrechtmatige daad) (wel) samen met het uitlokken of bevorderen van wanprestatie, waarover C.E. du Perron, Overeenkomst en derden. Een analyse van de relativiteit van de contractswerking, diss., Deventer: Kluwer 1999, p. 149 e.v. Een verschil lijkt te zijn dat Du Perron meent dat het uitlokken of bevorderen van wanprestatie zonder bijkomende omstandigheden onrechtmatig kan zijn, terwijl Tjong Tjin Tai ervan uitgaat dat nog wel bijkomende omstandigheden vereist zijn om het meewerken aan wanprestatie of onrechtmatige daad als onrechtmatig te kunnen kwalificeren. Vergelijk hierover ook H.J.S.M. Langbroek, ‘Gebruikmaken van wanprestatie: (n)iets nieuws onder de zon?’, MvV 2010, p. 53. Dit punt kan ik in de onderhavige zaak verder laten rusten, omdat het hof in rov. 2.19. van het bestreden vonnis een aantal bijkomende omstandigheden aan zijn onrechtmatigheidsoordeel ten grondslag heeft gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.E. du Perron, Overeenkomst en derden. Een analyse van de relativiteit van de contractswerking, diss., Deventer: Kluwer 1999, p. 150 (voetnoot 394 aldaar) en T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Meewerken aan wanprestatie of onrechtmatige daad, mede toegepast op de rol van de notaris’, WPNR 6954 (2012), p. 903-905.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat sluit overigens aan bij de stellingen van SBGOK die het hof heeft weergegeven in de in cassatie onbestreden rov. 2.17. van het bestreden vonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook S.H. Barten leest rov. 2.19. van het bestreden vonnis, onder verwijzing naar T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Meewerken aan wanprestatie of onrechtmatige daad, mede toegepast op de rol van de notaris’, WPNR 6954 (2012), aldus. Zie S.H. Barten in zijn annotatie bij het bestreden vonnis in CJB 2023, p. 145-146.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Meewerken aan wanprestatie of onrechtmatige daad, mede toegepast op de rol van de notaris’, WPNR 6954 (2012), p. 903.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk rov. 2.18. van het bestreden vonnis: “Door niet te waarborgen dat de onlinecasino’s zich houden aan de vergunningsvoorwaarden (met name het beschikbaar stellen van prijzengeld)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk rov. 2.18. van het bestreden vonnis: “door niet adequaat te reageren op verzoeken van spelers om informatie daarover”.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ieder geval niet in de voetnoot 61 hiervoor aangehaalde feitenrechtspraak en evenmin in het vonnis van het hof van 14 april 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik verwees in voetnoot 69 hiervoor ook reeds naar de stellingen in de in cassatie onbestreden rov. 2.17. van het bestreden vonnis die dat punt illustreren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 52 WRvC waarover voetnoot 50 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk de schriftelijke toelichting van SBGOK, randnummer 2.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk bijvoorbeeld ook de pleitaantekeningen in hoger beroep van Trigonon c.s. van 16 augustus 2022, p. 2, waaruit blijkt hoe zij de vordering van SBGOK hebben begrepen: “Dat SBGOK uitsluitend een vordering uit onrechtmatige daad heeft ingesteld blijkt duidelijk uit haar verzoekschrift. Onder randnummer (11) van dat verzoekschrift stelt SBGOK dat Trigonon zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Meewerken aan wanprestatie of onrechtmatige daad, mede toegepast op de rol van de notaris’, WPNR 6954 (2012), p. 905.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Meewerken aan wanprestatie of onrechtmatige daad, mede toegepast op de rol van de notaris’, WPNR 6954 (2012), p. 905, waar hij verder schrijft (zonder voetnoot uit het origineel): “Het gaat dan eerder om een moreel verwijt: is naar maatschappelijke opvattingen de medewerking onbehoorlijk?”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over art. 6:76 BWC en art. 6:171 BWC M.F. Murray, Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek – Deel 2, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 1421 en 1488-1489. Zie over art. 6:76 BW en art. 6:171 BW bijvoorbeeld Asser/C.H. Sieburgh, Deel 6-I. De verbintenis in het algemeen, eerste gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 348 en T. Hartlief, ‘De Hoge Raad en de aansprakelijkheid voor hulppersonen’, in P.F.A. Bierbooms, H. Pasman &amp; G.M.F. Snijders (red.), Aspecten van aansprakelijkheid, Den Haag: Bju 2005, p. 149 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">GHvJ 14 april 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:77 (Cyberluck/De Winter q.q.). Zie over dit vonnis ook voetnoot 22 hiervoor. Zie over art. 52 WRvC voetnoot 50 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">K. Frielink en M.V.R. Snel in hun annotatie bij het vonnis van 14 april 2020 in CJB 2020, p. 200.</p>\n<p class=\"lf-p\">K. Frielink en M.V.R. Snel in hun annotatie bij het vonnis van 14 april 2020 in CJB 2020, p. 201. S.H. Barten sluit zich daarbij aan in zijn annotatie bij het bestreden vonnis in CJB 2023, p. 148 (zonder voetnoot uit het origineel): “De ‘corebusiness’ van de masterlicentiehouders lijkt in de praktijk te zijn om sublicenties uit te geven. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is die activiteit eenvoudig van het exploiteren van een online casino te onderscheiden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld de feitenrechtspraak aangehaald door S.H. Barten in zijn annotatie bij het bestreden vonnis in CJB 2023, p. 148 (voetnoot 20 aldaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus GS Onrechtmatige daad, art. 6:171 BW (bijgewerkt tot en met 1 juli 2023), aant. 1.11.5 (M.C. Gozoglu). Zie hierover ook S.H. Barten in zijn annotatie bij het bestreden vonnis in CJB 2023, p. 148.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 11 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9967, NJ 2012/388 m.nt. L.C.A. Verstappen, rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld het citaat aangehaald in randnummer 3.28 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld de memorie van grieven van SBGOK, p. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk bijvoorbeeld ook S.H. Barten in zijn annotatie bij het bestreden vonnis in CJB 2023, p. 147: “Het is niet duidelijk waarom daaraan [aansprakelijkheid van Cyberluck op de voet van art. 6:171 BWC, A-G] in hoger beroep geen aandacht meer wordt besteed.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk de schriftelijke toelichting van SBGOK, randnummer 2.28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is in Caribische zaken mogelijk op de voet van art. 1b Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Zie voor een voorbeeld HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036, NJ 2020/99 m.nt. L. Strikwerda en JV 2020/51 m.nt. G.R. de Groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 81 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2903, NJ 1999/733 m.nt. Jac. Hijma (Verduisterende hulppersoon), rov. 4.1. In nr. 4 van zijn annotatie bij dit arrest vat Hijma dit “bont pakket van achtergronden (…) die lang niet steeds alle in dezelfde mate actueel zullen zijn” samen als “het profijtbeginsel” (de overweging dat de debiteur door het inschakelen van hulppersonen zijn bedrijfsactiviteiten uitbreidt en dus van die inschakeling profijt heeft), het “prikkelprincipe” (de overweging dat de debiteur genoopt wordt tot een zorgvuldige keuze van de in te schakelen hulppersonen en tot een zodanige organisatie van hun werk dat de kans op fouten zo gering mogelijk wordt) en “slachtofferbescherming (in ruime zin)” (de overweging dat, zou die aansprakelijkheid niet bestaan, de crediteur in geval van fouten van een hulppersoon niet op zijn wederpartij, maar slechts op de hulppersoon verhaal zou kunnen zoeken, waarbij de crediteur zich niet op een contract kan beroepen en het, ingeval meer hulppersonen zijn ingeschakeld, onduidelijk kan zijn wie van hen de fout heeft gemaakt).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook S.H. Barten in zijn annotatie bij het bestreden vonnis in CJB 2023, p. 146-147.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk ook S.H. Barten in zijn annotatie bij het bestreden vonnis in CJB 2023, p. 147. Barten stelt dat, gelet op het feit dat de speler zich in dit geval wel op een contract met de sublicentiehouder (zoals Trigonon) kan beroepen, de beschermingsgedachte niet opgaat, hetgeen volgens hem een reden is om art. 6:76 BWC terughoudend toe te passen. Dat lijkt mij iets te kort door de bocht, zie ook de samenvatting van Jac. Hijma weergegeven in voetnoot 94 hiervoor. Zie echter ook randnummers 3.41-3.42 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS Verbintenissenrecht, art. 6:76 BW (bijgewerkt tot en met 2 januari 2022), aant. 1.1 (B.J. Broekema-Engelen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenzo S.H. Barten in zijn annotatie bij het bestreden vonnis in CJB 2023, p. 146.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Asser/C.H. Sieburgh, Deel 6-I. De verbintenis in het algemeen, eerste gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2020, nrs. 6 e.v. Vergelijk hierover ook S.H. Barten in zijn annotatie bij het bestreden vonnis in CJB 2023, p. 146.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 49 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst in voetnoot 18 van de procesinleiding naar de memorie van grieven van SBGOK, p. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst in voetnoot 19 van de procesinleiding naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties van Trigonon c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van SBGOK, p. 11-13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst in voetnoot 20 van de procesinleiding naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties van Trigonon c.s. “Voldoende aannemelijk is de stelling van [appellante] dat het in de praktijk onmogelijk is dat een vergunninghouder behoorlijk toezicht houdt op de praktijk van de ‘sublicencehouders’.” “Dat een handjevol vergunninghouders vele ‘sublicences’ uitgeven, met wereldwijd zeer vele spelwebsites en een enorme omzet, zonder dat de vergunningshouders zelf behoorlijk toezicht kunnen houden, zonder dat het Land Curaçao er iets aan verdient, lijkt voorshands moeilijk te rijmen met enig legitiem doel van deze landsverordening.” “Cyberluck moet uit zichzelf al weten dat zij, met de vele niet in de hand te houden ‘sublicences’, zich op glad ijs bevindt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">GHvJ 11 oktober 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:104 (zie ook voetnoten 18 en 34 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat cassatieberoep was ingesteld, heeft het hof overigens ook onderkend in rov. 2.15. van het bestreden vonnis waarin het, in cassatie onbestreden, ook reeds heeft verwezen naar diezelfde kort geding zaak: “In de zaak Cramm v. Cyberluck c.s. (vonnissen van het Hof van 11 oktober 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:104 en ECLI:NL:OGHACMB:2022:105), waartegen cassatieberoep is ingesteld), sprak het Hof van ‘een handjevol vergunninghouders [die] vele ‘sublicences’ uitgeven, met wereldwijd zeer vele spelwebsites en een enorme omzet’; in de processtukken van die zaken werd gesproken van een miljardenomzet wereldwijd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1811, RvdW 2024/60 (Cyberluck c.s./Knipselkrant Curaçao). Zie ook voetnoten 18 en 34 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:1033, voetnoot 90 aldaar) voor HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1812, RvdW 2024/59 (Cyberluck c.s./Knipselkrant Curaçao) (art. 81 RO). Zie ook voetnoot 2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk nog op dat Trigonon wel incidenteel hoger beroep had ingesteld en dat dat door het hof in rov. 2.29.-2.30. van het bestreden vonnis is verworpen (zie ook randnummer 2.22 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over dat laatste ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:1033, randnummers 3.4-3.5, met verwijzingen) voor HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1812, RvdW 2024/59 (Cyberluck c.s./Knipselkrant Curaçao) (art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van SBGOK, p. 17-18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord van Trigonon c.s., p. 7. Trigonon c.s. doelen met de verwijzing naar het eindvonnis in eerste aanleg kennelijk op de volgende passage uit rov. 20.: “SBGOK heeft pas ter gelegenheid van het pleidooi voldoende tot een individu te herleiden informatie over die speler verschaft. Hoe dan ook, de procedure, en de duur ervan, is deels aan SBGOK zelf te wijten. Het gerecht zal om die reden de proceskosten compenseren, ook al is Trigonon de in het ongelijk gestelde partij.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook het verweerschrift in principaal beroep tevens incidenteel cassatieberoep van SBGOK, randnummer 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.F. Murray, Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek – Deel 2, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 1449-1452. De tekst tussen blokhaken is toegevoegd door Murray en betreft de vindplaats in de originele memorie van toelichting bij de Landsverordening, houdende vaststelling van de tekst van de titels 6.1 en 6.2 van het CBW. Dat betreft Staten van de Nederlandse Antillen 1998-1999, 2219, nr. 3. Zie ook M.F. Murray, Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek – Deel 2, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 1377-1378. De afkorting CEME in het citaat staat voor “Convention Européenne relative aux obligations en monnaie étrangère (CEME - 1968)” waarover M.F. Murray, Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek – Deel 2, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 1444 en meer uitgebreid de conclusie van A-G Lindenbergh (ECLI:NL:PHR:2024:564, randnummers 4.6 en 4.34-4.35) in de zaak die bij Uw Raad aanhangig is onder zaaknummer 23/02925 en waarin door Uw Raad nog geen uitspraak is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.A.K. Rank, Geld, geldschuld en betaling, diss., Deventer: Kluwer 1996, p. 348-349. Zie ook reeds W.A.K. Rank, ‘Vergoeding van koerswijzigingsschade volgens NBW I’, WPNR 5777 (1986), p. 215.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rank verwijst in voetnoot 70 aldaar naar hof Arnhem 30 oktober 1962, ECLI:NL:GHARN:1962:14, NJ 1963/173.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.A.K. Rank, Geld, geldschuld en betaling, diss., Deventer: Kluwer 1996, p. 350. Zie ook reeds W.A.K. Rank, ‘Vergoeding van koerswijzigingsschade volgens NBW II’, WPNR 5778 (1986), p. 225.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderscheid tussen eigenlijke en oneigenlijke valatuschulden/-verbintenissen kan ik hier laten rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk ook de conclusie van A-G Lindenbergh (ECLI:NL:PHR:2024:564, randnummer 4.7) in de zaak die bij Uw Raad aanhangig is onder zaaknummer 23/02925 en waarin door Uw Raad nog geen uitspraak is gedaan: “[D]eze specifieke beperking [art. 6:125 lid 2 BW. A-G] [onderstreept] het in beginsel zeer ruime bereik van het eerste lid”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 119 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van A-G Lindenbergh (ECLI:NL:PHR:2024:564, randnummers 4.21 en 4.49-4.50) in de zaak die bij Uw Raad aanhangig is onder zaaknummer 23/02925 en waarin door Uw Raad nog geen uitspraak is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze bepalingen M.F. Murray, Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek – Deel 2, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 1430-1433.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld ook Asser Rechtspersonenrecht/V.P.G. de Serière, Deel 2-IV. Effectenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 182: “De gemene regels van ons schadevergoedingsrecht bevatten de nodige handvatten om ten onrechte geclaimde schade [koerswijzigingsschade als bedoeld in art. 6:125 lid 1 BW, A-G] te kunnen afwijzen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het petitum van het inleidende verzoekschrift van SBGOK.</p></div>", "next": 0}