{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Op rechtspraak.nl gepubliceerd onder ECLI:NL:OGEAM:2021:160.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de middelen in het verlengde daarvan klagen dat uit de bewijsvoering evenmin kan volgen dat de verdachte redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat [getuige 1] de betalingen deed in verband met een beoogde of reeds verkregen relatie of voorkeursbehandeling, merk ik op dat het Hof (enkel) heeft bewezenverklaard dat de verdachte wist dat [getuige 1] hem de giften heeft gedaan in verband met deze relatie of voorkeursbehandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een integrale weergave is terug te vinden in het gepubliceerde vonnis van het Gerecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door het Hof bevestigde bewijsoverwegingen van het Gerecht hebben (enkel) betrekking op een in eerste aanleg gevoerd bewijsverweer over de betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van [getuige 1] en zijn aldus voor de bespreking van deze middelen niet relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noch het Hof, noch het Gerecht in eerste aanleg, heeft deze verklaring tot het bewijs gebezigd. Het bestreden vonnis van het Hof bevat evenmin een verwijzing naar de vindplaats van deze verklaring (N.B.: het Hof heeft in zijn bewijsoverwegingen bij feit 2 wél een verwijzing naar de getuigenverklaring van [getuige 5] opgenomen in een voetnoot). Daarover wordt echter niet geklaagd. Na een blik achter de papieren muur gaat het, naar ik meen, om het proces-verbaal van verhoor getuige met nummer G-004-01 van 6 september en 12 december 2018, p. 496-518 van het strafdossier. Op p. 497 verklaart [getuige 5] dat er rapporten zijn waarin staat dat de daadwerkelijke waarde van het Lea gebouw ongeveer 3 of 4 miljoen (VS: ik neem aan US$) is en dat het verschil met de aankoopprijs groot is. Op p. 504-505 verklaart [getuige 5] dat geen (preventief) onderhoud werd verricht aan de leegstaande verdiepingen, dat slechts af en toe onderhoud werd gepleegd als iets kapot ging en dat hij niet anders kan verklaren dan dat BTP geld over de balk gooit door US$ 10.800,- per maand te betalen aan een onderhoudscontract.</p>\n<p class=\"lf-p\">In art. 323 lid 3 SvSM is dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaard op het getuigenverhoor ter terechtzitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 146.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 29 juni 1993, NJ 1994/77.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het bewezenverklaarde feit is begaan vóór 2015 is art. 392 (oud) van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (hierna: SrNA) hierop van toepassing. Dit artikel is – voor zover het de hier relevante bestanddelen betreft – gelijkluidend aan het thans geldende art. 2:361 SrSM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof verwijst hierbij in een voetnoot naar het p-v van verhoor van getuige [getuige 5] van 12 december 2018, p. 514 van het politiedossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wetboek van het Strafregt 1811. Zie ook C.F.Th. van Maanen, Het Wetboek van Strafregt (Code Pénal.). In verband gebragt met de wetten en wettelijke verordeningen, die daarin eenige wijziging gebragt hebben, Alkmaar: Johannes Roem, 1854, p. 71-72.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.C.I.J. Cremers, Aanteekeningen op de Wetboeken, Vijfde Deel, Code Pénal, Groningen: J.B. Wolters, 1877, p. 142-143.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo is “bewind of toezigt” vervangen door “bestuur of toezicht”.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht (1881-1886), deel III, 1891, p. 93-94.</p>\n<p class=\"lf-p\">Notulen van de 79e vergadering, maandag 23 december 1872, Notulen Staatscommissie voor de Zamenstelling van een Wetboek van Strafrecht, deel II, p. 331-333.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook E.A.J. Nab, in: T&amp;C Strafrecht, art. 376 Sr, aant. 8b, bijgewerkt t/m 15 april 2025, die uit dit arrest opmaakt dat de termen bestuur en toezicht niet “in formele zin” opgevat hoeven te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook E.A.J. Nab, in: T&amp;C Strafrecht, art. 376 Sr, aant. 1, bijgewerkt t/m 15 april 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.12.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129, m.nt. J.M. ten Voorde.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 februari 1951, NJ 1951/476, m.nt. B.V.A. Röling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Corstens, a.w., p. 972.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Corstens, a.w., p. 972 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 februari 1947, NJ 1947/161, m.nt. W.P.J. Pompe.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5479, NJ 2006/549.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 juni 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC0400, NJ 1983/237.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:217, NJ 2021/82; HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:518; HR 5 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9985, NJ 2013/467, m.nt. B.F. Keulen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde gold voor art. 392 SrNA (oud).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vóór 2015 golden in Sint Maarten de verjaringsregels van art. 71-76 SrNA, waarin de mogelijkheid van stuiting van de verjaring nog niet werd begrensd tot maximaal twee maal de wettelijke verjaringstermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">H. de Doelder, S.R. Bakker, B.A. Salverda en J.H.J. Verbaan, Wetboek van Strafrecht Sint Maarten, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2015, p. 397-398.</p></div>", "next": 0}