{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het hof doet in de tweede alinea van rov. 3.9.3.5 overigens niet meer dan vaststellen dat ook in dit geval sprake is geweest van voordeel voor de bank en dat het verweer van Rabobank dus geen steun vindt in de vaststaande feiten van deze zaak. Omdat de feiten waaruit dit volgt, geen feiten zijn die behoren tot de grondslag van de vordering van de curator of van een door hem gevoerde ‘tegenweer’ tegen een verweer van Rabobank behoefde de curator niet op die feiten te wijzen voor zijn vordering, wat hij overigens wel heeft gedaan, anders dan het onderdeel aanvoert. Het oordeel van het hof dat dit voordeel aanwezig was, is feitelijk en geenszins onbegrijpelijk (zie opnieuw hiervoor in 3.19). De klachten onder 1.15 lopen ook op dit een en ander stuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klacht onder 1.16 berust tot slot op de al besproken onjuiste opvatting van Rabobank dat zij geen voordeel van de verrekening van inkomende betalingen zou hebben voor zover daar uitgaande betalingen tegenover staan en faalt mede om die reden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Schriftelijke toelichting onder 1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer haar schriftelijke toelichting onder 3.2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1641, NJ 1996/471, m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./CLBN), rov. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van 27 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:990.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij brief van 9 oktober 2024 van haar advocaat. De brief noemt als reden voor de intrekking: “zulks naar aanleiding van de conclusie van A-G Snijders”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. voor de vaststaande feiten rov. 3.1 onder a-o van het arrest van het hof. De feiten die in cassatie niet van belang zijn, zijn hier zoveel mogelijk weggelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. rov. 3.2.1 (oorspronkelijke vordering) en 3.3.2 (gewijzigde vordering) van het arrest van het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vonnis is niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Zeeland-West-Brabant 21 december 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:8637.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof 's-Hertogenbosch 29 oktober 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3373, JOR 2025/91, m.nt C. Dullaart, HERO 2024 N-019 m.nt. L. Pordon &amp; S. Bartels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is gebeurd in de pleitnota van de advocaat van Rabobank voor de mondelinge benadeling, onder 1.6. Als reden is daar genoemd: “Ook A-G Snijders wijst de argumenten vóór de bepleite verrekeningsbevoegdheid van de hand, zo blijkt uit zijn conclusie van afgelopen vrijdag. Dat is voor Rabobank reden om in dit hoger beroep grieven 2 en 4 in te trekken. Aan die grieven liggen immers dezelfde argumenten ten grondslag.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding is op 29 januari 2025 bij de Hoge Raad ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1135, NJ 2023/332, m.nt. F.M.J. Verstijlen (ING/Van den Bergh q.q.), rov. 3.1.4 en 3.1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 53 lid 1 Fw bepaalt: “Hij die zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde is, kan zijn schuld met zijn vordering op de gefailleerde verrekenen, indien beide zijn ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen, vóór de faillietverklaring met de gefailleerde verricht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Van der Feltz I, p. 462, laatste alinea, ter toelichting op de zeer ruime mogelijkheid tot verrekening die art. 53 lid 1 Fw schuldeisers geeft. Die mogelijkheid is veel ruimer dan gold onder het voorheen geldende recht, zoals ook blijkt uit de gegeven toelichting. Zie hierover ook Wessels Insolventierecht III 2019/3369.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 54 lid 1 Fw luidt: “Niettemin is degene die een schuld aan de gefailleerde of een vordering op de gefailleerde vóór de faillietverklaring van een derde heeft overgenomen, niet bevoegd tot verrekening, indien hij bij de overneming niet te goeder trouw heeft gehandeld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Van der Feltz I, p. 464-465, in reactie op het verslag van de Tweede Kamer. In de memorie van toelichting (Van der Feltz I, p. 464) wordt eerder in dezelfde trant opgemerkt dat art. 54 lid 1 Fw erop is gericht om de overname ‘met het doel om compensatie in het leven te doen treden tegen te gaan’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de onjuistheid van die opvatting de noot van H.J. Snijders onder HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2189, NJ 2019/343 (Eurocommerce), onder 3, laatste alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wees al op een en ander in mijn al genoemde conclusie in zaak 23/04736, ECLI:NL:PHR:2024:990, onder 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 januari 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB4313, NJ 1976/249, m.nt B. Wachter (Postgiro). In dit arrest ging het nog om de sterk verwante beperking van art. 53 Fw zelf, dat schuld en vordering moeten zijn ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen, vóór de faillietverklaring met de gefailleerde verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Verstijlen, noot onder HR 25 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1135, NJ 2023/332 (ING/Van den Bergh q.q.), die onder 3 over deze ratio opmerkt: “Toen in de jaren zeventig en tachtig het girale betalingsverkeer ging domineren, gaf de centrale positie die banken daarin hebben hun een enorm voordeel. Zo goed als alle vorderingen die een rekeninghouder heeft uitstaan, worden via de bank betaald en zouden door de verrekening in de rekening-courant de facto in mindering strekken op slechts de vordering van de bank zelf.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De termen ‘overnemen’ en ‘verrekenen’ worden ook consequent gebruikt in eerdere arresten, waaronder die welke in de Eurocommerce-uitspraak worden aangehaald, soms eveneens met de toevoeging dat het om een kwalificatie of gelijkstelling gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 januari 1953, ECLI:NL:HR:1953:121, NJ 1953/578, m.nt. Ph.A.N. Houwing, JOR 2023/88, m.nt. N.E.D. Faber (Doyer &amp; Kalff).</p>\n<p class=\"lf-p\">Faber verwoordt het in zijn in de vorige voetnoot genoemde noot uit 2023 onder het arrest Doyer &amp; Kalff (onder 6) zo dat het er uiteindelijk om gaat “of door de verrekening (of de verhaalsuitoefening) een verstoring van de paritas creditorum optreedt, of andere schuldeisers door de verrekening worden benadeeld, c.q. of er sprake is van ongerechtvaardigde bevoordeling boven andere schuldeisers”. Vgl. ook Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/401, waar wordt opgemerkt dat art. 54 Fw zich in de rechtspraak heeft ontwikkeld tot een algemeen inzetbaar instrument om de gelijkheid van schuldeisers te bewaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 juli 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0457, NJ 1988/104, m.nt. W.C.L. van der Grinten (Loeffen/Bank Mees &amp; Hope), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:1, NJ 1989/449, m.nt. J.B.M. Vranken (AMRO/THB).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1641, NJ 1996/471, m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./CLBN), rov. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3137, NJ 2005/199, m.nt. P. van Schilfgaarde (ING/Gunning q.q.), rov. 3.8, 3.11 en 3.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dezelfde zin daarna nog HR 25 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1135, NJ 2023/332, m.nt. F.M.J. Verstijlen (ING/Van den Bergh q.q.), rov. 3.3.2, dat slechts een herhaling inhoudt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier en elders in deze conclusie wordt gesproken van ‘verrekeningsverbod’. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 3.3 en verder is opgemerkt, is die omschrijving eigenlijk niet adequaat. De hoofdregel is hier immers te vinden in art. 3:277 lid 1 BW (de gelijkheid van schuldeisers), uit welke regel volgt dat verrekening niet aan andere schuldeisers kan worden tegengeworpen. Art. 53 lid 1 Fw maakt daarop een zeer ruime uitzondering, welke uitzondering vervolgens in art. 54 lid 1 Fw (dat toepasselijk begint met het woord ‘niettemin’) weer enigszins wordt ingeperkt. Van een echt ‘verbod’ is in art. 54 lid 1 Fw dus geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie mijn conclusie in die zaak, ECLI:NL:PHR:2024:990, onder 3.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus ook A-G Rank-Berenschot, conclusie voor HR 25 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1135, NJ 2023/223, m.nt. F.M.J. Verstijlen (ING/Van den Bergh q.q.), onder 3.44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.4.3 en 3.5.2 van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2940, NJ 2000/158, m.nt. W.M. Kleijn (Van Gorp q.q./Rabobank), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gezegd is die beslissing herhaald in HR 25 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1135, NJ 2023/223, m.nt. F.M.J. Verstijlen (ING/Van den Bergh q.q.), rov. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een bespreking van dit standpunt mijn hiervoor in voetnoot 4 genoemde conclusie in zaak 23/04736. Zie voor een samenvatting daarvan hierna in 3.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder 3.17-3.23 van die conclusie, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0280, NJ 2004/61 (Juno Properties), rov. 3.3.2 en 3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:319, NJ 2014/264, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Feenstra q.q./ING), rov. 3.4.2 derde alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1825, NJ 2015/353 (Wemaro/De Bok q.q.).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0995, NJ 1990/661, m.nt. P. van Schilfgaarde (Tiethoff q.q./NMB).</p>\n<p class=\"lf-p\">B.A. Schuijling, 'Saldering van het betalingsverkeer in de '54-periode', in: B.A. Schuijling, M. van Wingerden &amp; P.M.P. Frenken (red.), Het bancaire belang. Opstellen aangeboden aan mr. ing. H.J. Damkot, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 179-195.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie K.A. Messelink, 'Art. 54 Fw: geen botte bijl maar instrument voor bestrijding van verrekenings- en verhaalsmisbruik', in: E.J.R. Verwey e.a. (red.), Dilemma's van nu (Insolad Jaarboek 2024), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 171-193, en Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/401.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.H. Kroezen, 'Geen saldering bij de toepassing van art. 54 Fw', FIP 2024, afl. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">O.m. J.F. Fliek, ‘Art. 54 Fw: niets te zoeken in deze bundel?’, in: E.J.R. Verwey e.a. (red.), Benadeling van schuldeisers, Deventer: Wolters Kluwer 2025, en Dullaart in zijn hiervoor voetnoot 10 genoemde noot onder het arrest van het hof. Vgl. ook T. Broer in zijn noot onder het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden dat in zaak 24/02147 aan de orde is, in HERO 2024/N-004.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schuijling, hiervoor in voetnoot 42 aangehaald, p. 185, gaat daaraan in zijn betoog over saldering geheel voorbij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus ook Fliek, hiervoor in voetnoot 45 aangehaald, p. 61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting onder 3.2.6.10, in reactie op de tegenwerping dat haar opvatting praktisch niet goed uitvoerbaar is omdat het hele betalingsverkeer daarbij achteraf zou moeten worden nagelopen. De rechtbank heeft de berekeningswijze van Rabobank in eerste aanleg onderschreven en toegepast in deze zaak (zie hiervoor in 2.4).</p>\n<p class=\"lf-p\">De stellingname van Rabobank is overigens ook tegenstrijdig met haar stelling dat de uitgaande betalingen kunnen plaatsvinden uit het ontvangen bedrag of de door het ontvangen bedrag ontstane kredietruimte. Als de uitgaande betaling eerst plaatsvindt, is immers in feite sprake van nieuw krediet van de bank (bij een roodstand van de rekening van de klant, wat in deze zaken als gezegd de situatie is die tot uitgangspunt moet worden genomen), die naderhand dan weer verrekend wordt met de inkomende betalingen. Dat is ook wat feitelijk in deze zaak is gebeurd. Zie hiervoor in 3.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/Rank 6-V 2024/309, 443-444 (verwijzend naar W.A.K. Rank, Geld, geldschuld en betaling (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1996, par. 14.2.2) en R.E. Van Esch, Giraal betalingsverkeer/Elektronisch betalingsverkeer, Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 9.6. Zie voorts W.A.K. Rank, 'Girale betaling en faillissement: wie betaalt de rekening?', FR 2023, afl. 1/2, onder 2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. B.A. Schuijling, 'Saldering van het betalingsverkeer in de '54-periode', in: B.A. Schuijling, M. van Wingerden &amp; P.M.P. Frenken (red.), Het bancaire belang. Opstellen aangeboden aan mr. ing. H.J. Damkot, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 188, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in deze zin Schuijling, in de vorige voetnoot aangehaald, p. 188.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2020, 414 en 415.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 249, nr. 3, p. 22, 28-29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting Rabobank onder 3.2.2.6/7. Het argument komt terug onder 3.2.6.15/16 daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/401 laatste alinea. Rabobank voert dit argument ook aan in haar schriftelijke toelichting in zaak 24/02147, onder 3.6.13. In haar stukken in deze zaak – die van later datum zijn – trof ik dit argument niet meer aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rabobank voert onder 3.2.2.7 van haar schriftelijke toelichting aan dat de grens voor de uitvoering van betalingsopdrachten uitsluitend bij art. 52 Fw zou liggen en dat uit de arresten HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0653 NJ 2006/503 m.nt. P. van Schilfgaarde (Huijzer q.q./Rabobank) en HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0614, NJ 2012/421, m.nt. P. van Schilfgaarde (ING/Manning q.q.) bovendien zou volgen dat art. 54 lid 1 Fw daarbij geen rol speelt. Dat volgt echter niet uit die arresten. Daarin was art. 54 Fw in het geheel niet aan de orde. Rabobank ziet bovendien over het hoofd dat art. 23 Fw de grens al eerder trekt dan zij in haar schriftelijke toelichting vermeld. Vgl. o.m. HR 31 maart 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0705, NJ 1990/1 (Vis q.q./NMB) en HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:689, NJ 2015/264, m.nt. F.M.J. Verstijlen en A.I.M. van Mierlo (JPR/Gunning q.q.), die betrekking hebben op de ontvanger van de betaling (zie echter ook rov. 3.6.2 van laatstgenoemd arrest). Zie in deze zin ook W.A.K. Rank, 'Girale betaling en faillissement: wie betaalt de rekening?', FR 2023, afl. 1/2, onder 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting Rabobank onder 3.2.2.6 en 3.2.4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2007/64/EG van 13 november 2007, in de praktijk ook wel aangeduid als Payment Services Directive of PSD of PSD1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn (EU) 2015/2366 van 25 november 2015, ook wel aangeduid als Revised Payment Services Directive of PSD2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2007/64/EG (PSD 1), overweging (37) en Richtlijn 2015/366 (PSD 2), overweging (77). Art. 7:533 BW betrof de omzetting van art. 65 PSD 1, later art. 79 PSD 2. In Kamerstukken II 2008/09, 31 892, nr. 3, p. 40, is de toelichting uit PSD 1, die dus nog steeds geldt, overgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.E. Van Esch, Giraal betalingsverkeer/Elektronisch betalingsverkeer, Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 9.2 en Asser/Rank 6-V 2024/511.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Messelink, hiervoor aangehaald in voetnoot 43, p. 188-189, met voorbeelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de hiervoor in voetnoot 61 vermelde gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld aldus T&amp;C BW, commentaar op art. 7:533 BW, aantek. 5 (W.A.K. Rank, actueel t/m 1 maart 2025), Van Esch 2023 aangehaald in voetnoot 62, en Asser/Rank 6-V 2024/511. Zie ook Rank, hiervoor aan het slot van voetnoot 57 aangehaald, p. 40 (rechterkolom), die stelt dat art. 54 Fw zelf al aan de in beginsel verplichte boeking (verrekening) in de weg staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rabobank lijkt dit zelf ook wel te onderkennen. Zie voetnoot 27 van haar schriftelijke toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J. Abendroth &amp; R.M. Wibier, 'Giraal betalingsverkeer en het faillissement van de rekeninghouder', WPNR 2008/6752, onder 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hiervoor in 3.29 tweede alinea genoemde vraag wordt daarin wel besproken, maar deze vraag niet. Vgl. bijv. Asser/Rank 6-V 2024/464, Abendroth &amp; Wibier, in de vorige voetnoot aangehaald, p. 330-331, en R.E. van Esch, Giraal betalingsverkeer/Elektronisch betalingsverkeer, Deventer: Kluwer 2001, p. 39. B. Kramer, ‘Giraal betalingsverkeer en het faillissement van de schuldenaar: de vordering van de curator opnieuw bezien’, MvV 2022, afl. 5, p. 164, onderkent op zichzelf wel dat het toepassen van art. 54 Fw op uitgaande betalingen de toepasselijkheid van de regel van Doyer &amp; Kalff zou meebrengen, maar bestrijdt die toepassing van art. 54 Fw evenzeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie uitvoerig onder 3.2.8 van de schriftelijke toelichting van Rabobank. Dit argument brengen de banken vaker naar voren in dit soort zaken. Zie mijn conclusie in zaak 23/04736, onder 3.22 en 3.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de literatuur die het argument overneemt, onderbouwt de validiteit ervan niet. Vgl. bijv. B.A. Schuijling, 'Saldering van het betalingsverkeer in de '54-periode', in: B.A. Schuijling, M. van Wingerden &amp; P.M.P. Frenken (red.), Het bancaire belang. Opstellen aangeboden aan mr. ing. H.J. Damkot, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 189, en K.A. Messelink, 'Art. 54 Fw: geen botte bijl maar instrument voor bestrijding van verrekenings- en verhaalsmisbruik', in: E.J.R. Verwey e.a. (red.), Dilemma's van nu (Insolad Jaarboek 2024), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 188-189.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J. van der Weijden, noot onder HR 25 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1135, Ondernemingsrecht 2024/63, onder 3.1, en Broer, in zijn in voetnoot 45 aangehaalde noot, onder 7, behandelen dit aspect dan ook als onderdeel van de goede trouw toets.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in deze zin Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/398 en eerder al Verstijlen in zijn noot onder HR 25 augustus 2023, NJ 2023/332 (ING/Van den Bergh q.q.), onder 7. Vgl. ook N.E.D. Faber in zijn noot onder het arrest ING/Van den Bergh q.q., in TvI 2024/6, onder 3, die spreekt van een oordeel dat in voldoende mate rekening met de behoeften van de (bancaire) financieringspraktijk en recht doet aan de gerechtvaardigde belangen van de overige schuldeisers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover bijv. Messelink, hiervoor aangehaald in voetnoot 43, noot 19, en par 7.2 met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. F.M.J. Verstijlen e.a., Evaluatie Wet homologatie onderhands akkoord, Rijksuniversiteit Groningen en Universiteit Leiden 2023, par. 2.3.2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting onder 3.2.9.6-3.2.9.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan bijv. Messelink, hiervoor aangehaald in voetnoot 43, p. 186, meent Vgl. in deze zin ook Kroezen, hiervoor aangehaald in voetnoot 44, p. 24 , alsmede de in voetnoot 45 aangehaalde Fliek, p. 61, en Broer, onder 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een en ander K.A. Messelink &amp; R. van den Bosch, Juridisch handboek intensief beheer. Beheer van bancaire kredieten van klanten met financiële problemen, Deventer: Wolters Kluwer 2017, par. 4.1-4.2. Ook de Nederlandse vereniging van banken zelf spreekt van intensieve begeleiding van klanten met financiële problemen, met als doel een gezond commercieel perspectief en minder kredietrisico voor de bank, zie https://www.nvb.nl/themas/ondernemen/bijzonder-beheer/ (geraadpleegd op 22 augustus 2025) Zie voorts in deze zin bijv. A.J. Verdaas, De bancaire kredietovereenkomst, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2018, par. 4.4.1, R.C.P. van Uden, Voorrang bij verhaal. Rechtvaardigingen en verklaringen (diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 3.4.2.2 en A-G Timmerman, conclusie (ECLI:NL:PHR:2013:BY4134) voor HR 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4134, NJ 2013/156, m.nt. F.M.J. Verstijlen, onder 3.45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus R.J. van der Weijden, noot onder HR 25 augustus 2023, Ondernemingsrecht 2024/63, onder 3.1. De gedachte dat de bank bij gebreke aan een hard and fast rule niet kan beoordelen of zij te goeder trouw is, gaat er bij Wibier niet in, naar zijn eigen zeggen. Zie R.M. Wibier, 'Verrekening in het zicht van surseance en faillissement en goede trouw, noot onder HR 25 augustus 2023, AA 2023/0772, p. 775.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting onder 3.2.7. In zaak 24/02147 heeft zij ook een vergelijking met het Belgische recht gemaakt, maar die vergelijking komt niet terug in haar stukken in deze zaak, kennelijk omdat deze vergelijking in het geheel niet opgaat (zie aldus de curator in zijn repliek in zaak 24/02147, in voetnoot 9).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting onder 3.2.7.2. In zaak 24/02147 komt deze opmerking niet voor, zodat zij mogelijk een reactie vormt op het standpunt van de curator in die zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus Wessels Insolventierecht III 2019/3369 (‘in veel buitenlandse wetgevingen [is] dit laatste beginsel uitgangspunt geworden, met als hoofdregel dat verrekening (schuldvergelijking; compensatie) is uitgesloten’). Vgl. ook Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/372, waarin evenwel wordt opgemerkt dat Duitsland wel een vergelijkbare regeling zou kennen als art. 53 Fw, waaraan art. 53 Fw volgens dit werk ook is ontleend. Hoe zich dit verhoudt tot wat hierna in 3.40 wordt opgemerkt, is niet helemaal duidelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het door Rabobank onder 3.2.7.4 van haar schriftelijke toelichting aangehaalde Amerikaanse § 553(b) Bankruptcy Code gaat bijvoorbeeld uit van een periode van 90 dagen voorafgaand aan het faillissementsverzoek. Een dergelijke rigide termijn kent het Nederlandse recht dus niet. Dat betekent dat in beginsel elders in de regels ‘compensatie’ moet worden gevonden om tot behoorlijke resultaten te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. wat betreft pandrechten bijvoorbeeld het in opdracht van het ministerie van Veiligheid en Justitie in 2017 uitgevoerde onderzoek van B.A Schuijling, V.J.M. van Hoof &amp; T. Hutten, 'De positie van de pand- en hypotheekhouder tijdens faillissement', waarnaar de curator bij dupliek verwijst (voetnoot 1). Zie voorts bijv. onder 3.43-3.49 van de conclusie van A-G Timmerman vóór HR 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4134, NJ 2013/156, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Van Leuveren q.q./ING), de afscheidsrede van S.C.J.J. Kortmann, ‘Het faillissement, een paradijs voor banken’, 2017, en I.F.M. Lakwijk, O.B.J. Poorthuis &amp; M.J.W van Ingen, ‘Insolventie zonder fixatie; over het verdelen van een bewegende taart, in: B. Rikkert e.a. (red.), Het verdelingsvraagstuk, Deventer: Wolters Kluwer 2022, par. 7.2-7.3. Zie voor het recente verval van genoemde mogelijkheid van uitsluiting van cessie en verpanding van vorderingen de op 1 juli 2025 in werking getreden Wet opheffing verpandingsverboden, Stb. 2025, 72 en 92, waarbij de art. 3:83, 3:94 en 3:239 BW zijn gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. opnieuw mijn conclusie in zaak 23/04736, ECLI:NL:PHR:2024:990, onder 3.22 en 3.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor deze schets van de behandeling van verrekening in het kader van insolventie naar Duits recht bijvoorbeeld Schuijling, hiervoor aangehaald in voetnoot 42, p. 191-192, met verdere verwijzingen en MüKoInsO/Reichelt, 5. Aufl. 2025, InsO § 96 Rn. 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 7 maart 2002, NJW 2002, 1722, Rn. 3c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting onder 3.2.7.20 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. Asser/Rank 6-V 2024/515.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. zijn conclusie van repliek onder 57 en zijn memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, onder 89, waarnaar Rabobank zelf ook verwijst in voetnoot 136 van haar schriftelijke toelichting.</p></div>", "next": 0}