{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De vraag rijst of een stilzwijgende forumkeuze in een huwelijksvermogensrechtelijke zaak zonder dat aan de vergewisplicht zoals bedoeld in art. 8 lid 2 HuwVermVo is voldaan, naar internationaal maatstaven als een algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond geldt. Vast staat dat de Engelse rechter op grond van een stilzwijgende forumkeuze van de man rechtsmacht heeft aangenomen in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak, zonder zich ervan te vergewissen dat de man op de hoogte is gebracht van zijn recht om de rechtsmacht van de Engelse rechter te betwisten en van de gevolgen van het verschijnen of niet-verschijnen in de Engelse procedure. Maakt dit – het niet-naleven van de vergewisplicht zoals bedoeld in art. 8 lid 2 HuwVermVo – dat de bevoegdheidsgrond waarop de Engelse rechter zijn rechtsmacht heeft gebaseerd – stilzwijgende forumkeuze – niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank?</p>\n<p class=\"lf-p\">5.24 De vergewisplicht in art. 8 lid 2 HuwVermVo is ontleend aan art. 26 lid 2 Brussel I-bis, waarin de vergewisplicht is opgenomen naar aanleiding van een uitspraak van het Hof van Justitie EU met betrekking tot art. 24 Brussel I, waarin een vergewisplicht nog ontbrak. Art. 26 Brussel I-bis bepaalt: ‘1. Buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van deze verordening, is het gerecht van een lidstaat waarvoor de verweerder verschijnt bevoegd. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of indien er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 24 bij uitsluiting bevoegd is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aangelegenheden als bedoeld in afdelingen 3, 4 of 5, waarin de polishouder, de verzekerde, een begunstigde van een verzekeringsovereenkomst, de benadeelde partij, de consument of de werknemer verweerder is, vergewist het gerecht zich ervan, alvorens bevoegdheid op grond van lid 1 te aanvaarden, dat de verweerder op de hoogte is gebracht van zijn recht de bevoegdheid van het gerecht te betwisten en van de gevolgen van verschijnen of niet-verschijnen.’ 5.25 De vergewisplicht van art. 26 lid 2 Brussel I-bis is gestoeld op het beschermingsbeginsel: de processueel zwakkere partij in geschillen met betrekking tot verzekeringsovereenkomsten, consumentenovereenkomsten en arbeidsovereenkomsten (afdelingen 3 t/m 5 van hoofdstuk II van de Verordening Brussel I-bis) wordt in bescherming genomen tegenover de processueel sterkere partij die een procedure start bij het gerecht van een lidstaat waar de processueel zwakkere partij niet haar woonplaats heeft. De vergewisplicht dient als waarborg voor een weloverwogen keuze van de processueel zwakkere partij om in te stemmen met het voeren van de procedure bij een gerecht dat anders niet bevoegd zou zijn geweest.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Verordening Brussel I-bis verbindt overigens geen gevolgen aan de niet-naleving van de vergewisplicht. Indien het aangezochte gerecht niet voldoet aan de vergewisplicht levert dat geen weigeringsgrond op in het kader van de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing in een andere lidstaat (vgl. art. 45 Brussel I-bis). De processueel zwakkere partij die stelt dat haar rechten onder art. 26 lid 2 Brussel I-bis zijn geschonden, zal in de lidstaat van het aangezochte gerecht een rechtsmiddel tegen het bevoegdheidsoordeel moeten instellen. Hetzelfde geldt voor de niet-naleving van de vergewisplicht in art. 8 lid 2 HuwVermVo. De beschermingsgedachte die ten grondslag ligt aan art. 26 lid 2 Brussel I-bis gaat niet, althans niet zonder meer op voor de vergewisplicht in de stilzwijgende forumkeuzeregeling van art. 8 lid 2 HuwVermVo, waarin de (voormalige) echtgenoten in huwelijksvermogensrechtelijke zaken geacht kunnen worden in een processueel gelijke positie te verkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.26 Bij de beoordeling of de bevoegdheidsgrond waarop de buitenlandse rechter (die de te erkennen beslissing heeft gegeven) zijn rechtsmacht heeft gebaseerd op een bevoegdheidsgrond die internationaal algemeen aanvaardbaar is, kan aansluiting worden gezocht bij relevante verdragen en verordeningen, nu wat daarin is vastgelegd een aanwijzing oplevert voor hetgeen internationaal aanvaardbaar wordt geacht. Deze bronnen gelden als referentiekader, ook al zijn zij geografisch en/of temporeel niet van toepassing; zij kunnen worden geraadpleegd om te achterhalen of internationaal gezien min of meer consensus bestaat over de bevoegdheidsgrond die de buitenlands rechter aan zijn rechtsmacht ten grondslag heeft gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voert hierbij te ver om te verlangen dat de bevoegdheidsgrond die de buitenlandse rechter aan zijn rechtsmacht ten grondslag heeft gelegd, in alle opzichten voldoet aan de vereisten die in verdragen en verordeningen daaraan worden gesteld; deze bronnen missen immers toepassing. Het gaat er dan ook om of de bevoegdheidsgrond die de buitenlandse rechter aan zijn rechtsmacht ten grondslag heeft gelegd in de kern overeenkomt met c.q. vergelijkbaar is aan een bevoegdheidsgrond die in verdragen en verordeningen is geaccepteerd. In dit verband is het volgende van belang. De HuwVermVo en de PartVermVo, waarin de vergewisplicht in art. 8 lid 2 is opgenomen, gelden niet voor alle lidstaten van de Europese Unie: slechts 18 van de 27 lidstaten zijn aan deze verordeningen gebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een unaniem Europees draagvlak voor (de vergewisplicht in) deze verordeningen ontbreekt derhalve. Verder komt de vergewisplicht niet voor in alle Europese verordeningen op het gebied van het internationaal bevoegdheidsrecht: zo ontbreekt de vergewisplicht in de stilzwijgende forumkeuzeregeling van art. 5 Alimentatieverordening en art. 9 Erfrechtverordening. Kennelijk is de vergewisplicht in het Europese internationaal bevoegdheidsrecht geen algemeen en breed gedragen onderdeel van de stilzwijgende forumkeuzeregeling. Zoals hiervoor is gebleken, komt de vergewisplicht evenmin terug in de Haagse executieverdragen waarin de stilzwijgende forumkeuze als een bevoegdheidsgrond wordt genoemd in het kader van de vereisten voor de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortom, een stilzwijgende forumkeuzeregeling waarin een vergewisplicht zoals bedoeld in art. 8 lid 2 HuwVermVo ontbreekt, kan naar internationale maatstaven als een algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond worden aangemerkt in zaken die ter vrije bepaling van partijen staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.27 Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat in het kader van de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank niet is vereist dat de buitenlandse rechter die in een huwelijksvermogensrechtelijke zaak buiten echtscheiding rechtsmacht heeft aangenomen op grond van een stilzwijgende forumkeuze, heeft voldaan aan de vergewisplicht zoals bedoeld in art. 8 lid 2 HuwVermVo. De stilzwijgende forumkeuze waarop de Engelse rechter zijn rechtsmacht heeft gebaseerd in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak voldoet dan ook aan de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank, ook al heeft de Engelse rechter niet voldaan aan de vergewisplicht zoals bedoeld in art. 8 lid 2 HuwVermVo. Dit betekent dat het andersluidende oordeel van het Hof in rov. 4.22 geen stand kan houden. De hiertegen gerichte klacht van onderdeel 2.3 slaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Waartoe leidt dit alles?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1 Het principale cassatiemiddel klaagt terecht dat de rechtsmacht van de Engelse rechter op de primaire grondslag van de gewone verblijfplaats van de vrouw in het Verenigd Koninkrijk gedurende een periode van twaalf maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek, niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarde onder (i) van Gazprombank. Het forum actoris kan in huwelijksvermogensrechtelijke zaken buiten echtscheiding naar internationale maatstaven niet als een algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond worden aangemerkt. Het andersluidende oordeel van het Hof kan geen stand houden. Het slagen van deze klacht zal echter niet tot cassatie kunnen leiden, omdat in het incidentele cassatiemiddel terecht wordt geklaagd dat het Hof ervan had moeten uitgaan dat de man de rechtsmacht van de Engelse rechter in de huwelijksvermogensrechtelijke zaak stilzwijgend heeft aanvaard en deze bevoegdheidsgrond naar internationale maatstaven een algemeen aanvaardbare bevoegdheidsgrond is, ook al heeft de Engelse rechter niet voldaan aan de vergewisplicht zoals bedoeld in art. 8 lid 2 HuwVermVo. Het slagen van het incidentele cassatieberoep behoeft echter niet te leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Het oordeel van het Hof dat is voldaan aan de erkenningsvoorwaarden van Gazprombank en de daarop gebaseerde veroordeling van de man om een bedrag van GBP 61.559.339 aan de vrouw te betalen, kan in stand blijven met inachtneming van het voorgaande.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Conclusie De conclusie strekt tot verwerping, zowel in het principale cassatieberoep als in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, NJ 2015/478, m.nt. Th.M. de Boer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.1 e.v. van het in cassatie bestreden vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 8 oktober 2024, ECLI:NL:OGEAC:2024:216, en rov. 2.1 e.v. van het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 31 oktober 2022, ECLI:NL:OGEAC:2022:373.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de stand van zaken in de Portugese procedure, zie procesinleiding in cassatie zijdens de man, nr. 41; schriftelijke toelichting in cassatie zijdens de man, nr. 47; schriftelijke toelichting in cassatie zijdens de vrouw, nr. 4.3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tussenvonnis van 19 maart 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:46) heeft het Hof de vrouw in de gelegenheid gesteld om een stuk in het geding te brengen dat zij in januari 2016 heeft ingediend bij de Engelse rechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag van 17 november 1967 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de wederkerige erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke zaken, Trb. 1967, 197.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie https://verdragenbank.overheid.nl/nl/Verdrag/Details/003506#Koninkrijk; P. Vlas, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Nederlands-Brits Executieverdrag, Kernoverzicht, onder A1.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.P. Verheul, Erkenning en tenuitvoerlegging van vreemde vonnissen, 1989, p. 138. Vgl. I.S. Joppe, Huwelijksvermogensrecht, Praktijkreeks IPR, deel 7, 2010, p. 154. Zie ook rov. 4.1 van het tussenvonnis van het Hof van 19 maart 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. conclusie A-G Snijders, onder 3.3, voor HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:583, NJ 2024/147; G.C.C. Lewin, Interregionaal privaatrecht, Praktijkreeks IPR, 2024, p. 32 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, NJ 2015/478, m.nt. Th.M. de Boer; zie ook HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1170, NJ 2021/351, m.nt. L. Strikwerda; HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54, NJ 2019/364, m.nt. Th.M. de Boer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EG) Nr. 2201/2003 van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000, PbEU 2003, L 338/1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) 2016/1103 van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels, PbEU 2016, L 183/1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing (Judgment) van de High Court van 12 oktober 2016, onder 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.13 van het bestreden vonnis; vgl. productie 9 bij de akte houdende overlegging aanvullende producties zijdens de vrouw van 23 april 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie inleidend verzoekschrift, nr. 2.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie inleidend verzoekschrift, nr. 2.3.2; memorie van antwoord, nr. 2.4.1 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nrs. 2.3 t/m 2.7 van de pleitaantekeningen van de man in hoger beroep; akte uitlating na tussenvonnis van de man van 21 mei 2024, nrs. 16 t/m 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 12 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:31, NJ 2018/58, rov. 3.4.3. Dit neemt niet weg dat een zeker verband kan bestaan tussen de rechtsmacht inzake de echtscheiding en inzake de echtscheidingsgevolgen, zoals voor het huwelijksvermogensrecht blijkt uit art. 5 lid 1 HuwVermVo. Zie hierover 4.16 van mijn conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing (Judgment) van 12 oktober 2016 van de High Court, onder 3 en 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing (Judgment) van 12 oktober 2016 van de High Court, onder 6: ‘(…) the marriage has now been effectively dissolved by the Talaq process in the UAE at his instance’, alsmede de (in 3.16 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing van 20 maart 2017 van het Court of Appeal: ‘Further this was a 46 year marriage brought to an end ultimately by a Talaq’. Zie ook rov. 3.8 van het bestreden vonnis: ‘Op 12 oktober 2016 heeft de High Court uitspraak gedaan (…). De High Court is er daarbij vanuit gegaan dat het huwelijk is ontbonden door de Talaq (…)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de motivering van het Court of Appeal de in 3.16 van mijn conclusie aangehaalde beslissing van 20 maart 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2184, NJ 2017/164, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD4789, NJ 1988/832, m.nt. J.C. Schultsz, rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Nederlands-Belgisch Bevoegdheids- en Executieverdrag 1925 (Verdrag van 28 maart 1925 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten, Stb. 1929, 405) beheerst wel het onderwerp van het huwelijksvermogensrecht, maar komt in dit verband weinig relevantie toe omdat de verdragsregeling inmiddels verouderd is en de toepassing zich beperkt in de verhouding Nederland en België. Bovendien geldt dat dit verdrag niet langer van toepassing is op huwelijksvermogensrechtelijke vraagstukken die worden bestreken door de HuwVermVo. Zie I.S. Joppe, Huwelijksvermogensrecht, Praktijkreeks IPR, deel 7, 2010, p. 163; Asser/Vonken &amp; Ibili 10-II 2025/261.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag van 17 juli 1905 betreffende de wetsconflicten met betrekking tot de gevolgen van het huwelijk ten opzichte van de rechten en verplichtingen der echtgenooten in hunne persoonlijke betrekkingen en ten opzichte van hunne goederen, Stb. 1912, 285.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag van 14 maart 1978 inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, Trb. 1988, 130.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover 4.16 van mijn conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD4789, NJ 1988/832, m.nt. J.C. Schultsz, rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In art. 5 HuwVermVo wordt verwezen naar de Verordening Brussel II-bis, maar deze verordening is op 1 augustus 2022 vervangen door de Verordening Brussel II-ter (Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking), PbEU 2019, L178/1). De verwijzing in art. 5 HuwVermVo naar de Verordening Brussel II-bis omvat ook een verwijzing naar de Verordening Brussel II-ter, afhankelijk van welke van beide verordeningen overgangsrechtelijk van toepassing is. Zie art. 104 Brussel II-ter. In dit geval maakt het niet uit of aansluiting wordt gezocht bij de Verordening Brussel II-bis of de Verordening Brussel II-ter, omdat art. 3 in beide verordeningen dezelfde bevoegdheidsgronden bevatten voor de rechtsmacht in echtscheidingszaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook overweging 34 van de considerans van de HuwVermVo: ‘Evenzo dienen kwesties betreffende het huwelijksvermogensstelsel die zich voordoen in een bij een gerecht van een lidstaat op grond van Verordening (EG) nr. 2201/2003 ingestelde procedure ter zake van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, door de gerechten van die lidstaat te worden behandeld, tenzij de bevoegdheid om over de echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk te beslissen slechts op een specifieke bevoegdheidsgrond kan berusten. In die gevallen mag niet zonder een overeenkomst tussen de echtgenoten worden toegestaan dat de bevoegdheid wordt geconcentreerd.’ Zie hierover nader Asser/Vonken &amp; Ibili 10-II 2025/271 e.v.; M.H. Ten Wolde, in: F. Ibili (red.), Nederlands internationaal personen- en familierecht. Wegwijzer voor de rechtspraktijk (R&amp;P nr. PFR3), 2022, p. 151-152; P.A.M. Jongens-Lokin, GS Personen- en familierecht, Titel 7 IPR, Huwelijksvermogensrecht, HuwVermVo, art. 5-6; E.N. Frohn, Tekst &amp; Commentaar Personen- en familierecht, IPR, HuwVermVo, art. 5 en 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie overweging 32 van de considerans van de HuwVermVo: ‘Met het oog op de toenemende mobiliteit van paren tijdens het huwelijk en ter wille van een goede rechtsbedeling dienen de bevoegdheidsregels in deze verordening de burgers in staat te stellen hun verschillende samenhangende procedures door de gerechten van dezelfde lidstaat te laten behandelen. Daartoe dient deze verordening te beogen dat de rechterlijke bevoegdheid inzake het huwelijksvermogensstelsel wordt geconcentreerd in de lidstaat waarvan de gerechten worden aangezocht in zaken betreffende de erfopvolging van een echtgenoot, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 650/2012, of de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de nietigverklaring van het huwelijk, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing (Judgment) van 12 oktober 2016 van de High Court, onder 44: ‘Specifically, in relation to his submmission to this jurisdiction, these are not Divorce proceedings; these are the financial proceedings after a foreign divorce (…)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie D. Coester-Waltjen/W. Pintens/J.M. Scherpe, in: J. Basedow e.a. (red.), Encyclopedia of Private International Law, 2017, p. 1238.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de landeninformatie op https://www.coupleseurope.eu/; zie ook D. Coester-Waltjen/W. Pintens/J.M. Scherpe, in: J. Basedow e.a. (red.), Encyclopedia of Private International Law, 2017, p. 1238.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie F. Ibili, Internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter bij verdeling van het huwelijksvermogen, FJR 2015/62; I. Curry-Sumner/H. Dreesmann-Bruijntjes, Bevoegdheid in kwesties van internationaal huwelijksvermogensrecht, REP 2015/64.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2184, NJ 2017/164, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie pleitnota in hoger beroep, nr. 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag van 15 april 1958 nopens de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen jegens kinderen, Trb. 1959, 187. Art. 5, tweede alinea, van het Haags Kinderalimentatieverdrag 1956 (Verdrag van 24 oktober 1956 nopens de wet welke op alimentatieverplichtingen jegens kinderen toepasselijk is, Trb. 1959, 20) sluit hierop aan: ‘Het Verdrag regelt slechts de wetsconflicten ter zake van onderhoudsverplichtingen. De met toepassing van dit Verdrag gegeven beslissingen hebben geen invloed op vragen van afstamming en van familierechtelijke betrekkingen tussen schuldenaar en schuldeiser.’ Verdrag van 2 oktober 1973 inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen, Trb. 1974, 85. Art. 2 van het Haags Alimentatieverdrag 1973 (Verdrag van 2 oktober 1973 inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Trb. 1974, 86) sluit hierop aan: ‘Het Verdrag regelt slechts de wetsconflicten ter zake van onderhoudsverplichtingen. De krachtens toepassing van het Verdrag gegeven beslissingen raken niet het bestaan van een der in het eerste artikel genoemde betrekkingen.’ Art. 1 van het verdrag luidt: ‘Dit Verdrag is van toepassing op onderhoudsverplichtingen voortvloeiend uit familiebetrekkingen, uit bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen jegens een onwettig kind.’ Verdrag van 23 november 2007 inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden, Trb. 2011, 144. Art. 1 van het Haags Alimentatieprotocol 2007 (Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Trb. 2007, 1) sluit hierop aan: ‘(1) Dit Protocol bepaalt het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit een familiebetrekking, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen jegens kinderen, ongeacht de burgerlijke staat van de ouders. (2) Beslissingen, gegeven met toepassing van dit Protocol, houden geen oordeel in over het bestaan van de banden bedoeld in het eerste lid.’ Verordening (EG) nr. 4/2009 van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, PbEU 2009, L 7/1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1978-1979, 15 669 (R 1125), nr. 3, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit blijkt onder andere uit het feit dat de vrouw in Portugal om de erkenning van de talaq heeft verzocht. Zie ook de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing (Judgment) van 12 oktober 2016 van de High Court, onder 7: ‘(…) and because the wife did not challenge the Talaq divorce (…)’. Zie bijvoorbeeld ook de conclusie van repliek zijdens de vrouw, nr. 2.1.22: ‘De High Court heeft bij het uitspreken van de Engelse Beslissing rekening gehouden met het bestaan van de talaq en het feit dat [de vrouw] deze scheiding heeft erkend. (…)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing (Judgment) van 12 oktober 2016 van de High Court, onder 6: ‘(…) the marriage has now been effectively dissolved by the Talaq process in the UAE at his instance’. Zie ook rov. 3.8 van het bestreden vonnis: ‘Op 12 oktober 2016 heeft de High Court uitspraak gedaan (…). De High Court is er daarbij vanuit gegaan dat het huwelijk is ontbonden door de Talaq (…)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing (Judgment) van 12 oktober 2016 van de High Court, onder 7: ‘(…) Mostyn J by all accounts, and understandably, indicated that on the basis that the husband was asserting that the parties were already divorced, and because the wife did not challenge the Talaq divorce, the court was entitled to proceed on the basis that the requirements in the Family Law Act 1986 had been met. (…) Since then, the wife’s claim for a financial remedy had proceeded under Part III Matrimonial and Family Proceedings Act 1984. (…)’ en onder 44: ‘Specifically, in relation to his submmission to this jurisdiction, these are not Divorce proceedings; these are the financial proceedings after a foreign divorce (…).’ Zie de (in 3.16 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing van 20 maart 2017 van het Court of Appeal: ‘Further this was a 46 year marriage brought to an end ultimately by a Talaq’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 28 maart 2022, nummer WBN-CM 2022/2, houdende wijziging van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, toegespitst op het gebruik in Curaçao en Sint Maarten, Landscourant van Curaçao 24 juni 2022, no. 25, p. 17-19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader Asser/Vonken &amp; Ibili 10-II 2025/233 e.v.; M.W.F. Bosters, GS Personen- en familierecht, Titel 9, Boek 10 BW, art. 58-59.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus ook het betoog van de vrouw in de conclusie van repliek, nr. 2.1.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Bergman/Ferid, Internationales Ehe und Kindschaftsrecht mit Staatsangehörigkeitsrecht (Irak, § 37); J. Rieck/S. Lettmaier, Ausländisches Familienrecht, 2025 (Irak); S.M. Nicolasen, Module Burgerlijke stand en landeninformatie (Irak). Zie bijvoorbeeld ook Rb. Limburg 14 augustus 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:8004 (met verwijzing naar een rapport van het Internationaal Juridisch Instituut).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit blijkt uit de beslissing van 23 maart 2015 van een shariarechtbank in de Verenigde Arabische Emiraten (in de Engelse vertaling): ‘The court deciced to confirm the divorce by the husband from above mentioned wife (…)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit blijkt onder andere uit het feit dat de vrouw in Portugal om de erkenning van de talaq heeft verzocht. Zie ook de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde) beslissing (Judgment) van 12 oktober 2016 van de High Court, onder 7: ‘(…) and because the wife did not challenge the Talaq divorce (…)’. Zie bijvoorbeeld ook de conclusie van repliek zijdens de vrouw, nr. 2.1.22: ‘De High Court heeft bij het uitspreken van de Engelse Beslissing rekening gehouden met het bestaan van de talaq en het feit dat [de vrouw] deze scheiding heeft erkend. (…)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader Asser/Vonken 10-I 2023/492; L. Strikwerda/S.J. Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2019, nr. 132.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof maakt namelijk niet (goed) duidelijk op grond van welke omstandigheden het relevant acht dat de man niet alle beschikbare rechtsmiddelen in het Verenigd Koninkrijk heeft uitgeput. Vgl. HR HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54, NJ 2019/364, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 4.3.4; HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1170, NJ 2021/351, m.nt. L. Strikwerda, rov. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dezelfde zin Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht, Advies herziening van artikel 431 Rv inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse civielrechtelijke vonnissen buiten verdrag, 21 februari 2023, p. 10 (nr. 5.14).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie memorie van grieven, nrs. 4.9 en 4.10; pleitaantekeningen in hoger beroep, nrs. 2.11 e.v. en 2.22; zie ook rov. 4.8 van het bestreden vonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag van 30 oktober 2007 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2007, L 339/3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) 2016/1104 van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen, PbEU 2016, L 183/30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) Nr. 650/2012 van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, PbEU 2012, L 201/107.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag van 2 juli 2019 betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke of handelszaken, Trb. 2024, 42. Zie het toelichtend rapport van F. Garcimartín &amp; G. Saumier, nr. 166: ‘(…) many States consider that a defendant can implicitly consent to the jurisdiction of their courts.’ Verdrag van 1 februari 1971 betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke en handelszaken, Trb. 1972, 144.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder ook de volgende bilaterale executieverdragen: art. IV lid 1 sub a Nederlands-Brits Executieverdrag 1967 (zie noot 5) , art. 4 lid 1 sub c Nederlands-Duits Executieverdrag 1962 (Verdrag van 30 augustus 1962 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en andere executoriale titels in burgerlijke zaken, Trb. 1963, 50) en art. 3 lid 1 sub b Nederlands-Surinaams Executieverdrag 1976 (Overeenkomst van 27 augustus 1976 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de wederzijdse erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke zaken, Trb. 1976, 144).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat blijkt uit de aanhef van art. 26 Brussel I-bis, art. 5 Alimentatieverordening en art. 8 HuwVermVo: ‘Buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van deze verordening (…).’ In vergelijkbare zin de aanhef van art. 24 EVEX II en art. 9 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder 43 en 44 van deze beslissing, aangehaald in 3.14 van mijn conclusie. Zie ook rov. 4.14, slot, van het bestreden vonnis: ‘(…) Uit deze passage blijkt (i) dat de tweede UK-rechter bevoegdheid heeft aangenomen op de basis dat de vrouw haar gewone verblijfplaats in de UK had vanaf januari 2015 tot in elk geval januari 2016 en (ii) dat hij heeft overwogen dat de man dit niet heeft betwist.’ Zie 3.16 van mijn conclusie. Zie ook rov. 4.15, slot van het bestreden vonnis: ‘(…) In deze passage worden de door de man aangevoerde gronden van beroep genoemd en uit die opsomming van gronden blijkt dat de man in hoger beroep de bevoegdheid van de eerste UK-rechter niet heeft aangevochten.’ Verdrag van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb. 1997, 299.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag van 13 januari 2000 inzake de internationale bescherming van volwassenen, Trb. 2008, 139.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag van 1 juni 1970 inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed, Trb. 1979, 131.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag van 30 juni 2005 inzake bedingen van forumkeuze, Trb. 2009, 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.P. Verheul, Erkenning en tenuitvoerlegging van vreemde vonnissen, 1989, p. 41. In dezelfde zin M.H. ten Wolde, J.G. Knot, K.C. Henckel, Tenuitvoerlegging van buitenlandse civielrechtelijke vonnissen in Nederland buiten verdrag en verordening (art. 431 Rv), WODC-rapport 2017, p. 39: ‘De vraag rijst of de Nederlandse rechter bij deze beoordeling gebonden is aan de feitelijke constateringen van de buitenlandse rechter. Ook hier is verdedigbaar dat in principe geen voorschot op het gezag van de buitenlandse rechter mag worden genomen. Zo zal de Nederlandse rechter bijvoorbeeld zelfstandig op basis van de gefourneerde feiten en omstandigheden moeten vaststellen waar een partij gewone verblijfplaats heeft.’ Zie ook Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht, Advies herziening van artikel 431 Rv inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse civielrechtelijke vonnissen buiten verdrag, 21 februari 2023, p. 7 (nr. 5.7) en p. 10 (nr. 5.16).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook K.J. Krzemiński, Te goed van vertrouwen? Een kanttekening bij het advies van de Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht tot herziening van artikel 431 Rv, NIPR 2023/31, p. 605; vgl. HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838, NJ 2015/478, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de (in 3.14 van mijn conclusie aangehaalde beslissing) van 12 oktober 2016 van de High Court, onder 44: ‘(…) these are not Divorce proceedings; these are the financial proceedings after a foreign divorce (…)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:732, NJ 2019/354, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 4.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.P. Verheul, Erkenning en tenuitvoerlegging van vreemde vonnissen, 1989, p. 31 en 33; J.P. Verheul, Rechtsmacht in het Nederlandse internationaal privaatrecht, deel 2, 1986, p. 278 en 280; N. Rosner, Cross-Border Recognition and Enforcement of Foreign Money Judgments in Civil and Commercial Matters, 2004, p. 426-427; 36; M.H. ten Wolde, Handboek internationaal privaatrecht, 2021, p. 422; B. van Houtert, Het Haags Vonnissenverdrag: een game changer in Nederland? Een rechtsvergelijkende analyse tussen het verdrag en het commune IPR, NIPR 2023/32, p. 583; M.H. ten Wolde, J.G. Knot, K.C. Henckel, Tenuitvoerlegging van buitenlandse civielrechtelijke vonnissen in Nederland buiten verdrag en verordening (art. 431 Rv), WODC-rapport 2017, p. 41 en 45. Vgl. Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht, Advies herziening van artikel 431 Rv inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse civielrechtelijke vonnissen buiten verdrag, 21 februari 2023, p. 6 (nr. 5.4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EG) Nr. 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 20 mei 2010, C-111/09, ECLI:EU:C:2010:290, RvdW 2010/802 (Vienna Insurance/Bilas).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. overweging 18 van de considerans van de Verordening Brussel I-bis: ‘In het geval van verzekerings-, consumenten- en arbeidsovereenkomsten moet de zwakke partij worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels.’ Zie D. Looschelders, Münchener Kommentar zum BGB, 2024, EuGüVO, Art. 8, Rn. 22; J. Mayer, Münchener Kommentar zum FamFG, 2019, EheGÜVO, Art. 8, Rn. 15-16; P.A.M. Jongens-Lokin, GS Personen- en familierecht, IPR, Titel 7, Huwelijksvermogensrecht, HuwVermVo, art. 8, aant. 7; F. Ibili, Rechtsmacht van de Nederlandse rechter volgens de Verordening huwelijksvermogensstelsels, WPNR 2018/7216, p. 884.</p>\n<p class=\"lf-p\">F. Ibili, Rechtsmacht van de Nederlandse rechter volgens de Verordening huwelijksvermogensstelsels, WPNR 2018/7216, p. 884; T. De Roo, Grenzeloze tweerelaties. Toelichting bij de Huwelijksvermogens- en de Partnerschapsverordening, 2023, p. 94; P. Mankowski, Internationale Zuständigkeit nach EuGüVO und EuPartVO, in: A. Dutta/J. Weber (red.), Die Europäischen Güterrechtsverordnungen, 2017, p. 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2184, NJ 2017/164, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.4.2; HR 27 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD4789, NJ 1988/832, m.nt. J.C. Schultsz, rov. 3.2. Zie ook Asser/Vonken 10-I 2023/561a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dit verband J.C. Schultsz in zijn noot, nr. 2, onder HR 25 mei 1988, ECLI:NL:HR:AD4789, NJ 1988/832: ‘In ieder geval kan, zo zegt de HR, art. 2 Haags Echtscheidingsverdrag tot ‘richtsnoer’ worden genomen. Ik vat dit zo op dat men in ieder geval veilig vaart door een koers te volgen die aan de hand van genoemd art. 2 uitgezet is, maar dat men niet noodzakelijkerwijs in alle andere gevallen onveilig vaart’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Vonken &amp; Ibili 10-II 2025/246; P.A.M. Jongens-Lokin, GS Personen- en familierecht, IPR, Titel 7, Huwelijksvermogensrecht, HuwVermVo, Inleidende opmerkingen, aant. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. K. Kroll-Ludwigs, Vereinheitlichung des Güterkollisionsrechts in Europa. Die EU-Ehegüterrechts- und EU-Parnerschafsverordnung (Teil 1), GPR 2016, p. 234.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde zou kunnen worden aangenomen voor een stilzwijgende forumkeuzeregeling waarin de beperking ontbreekt van art. 8 lid 1 HuwVermVo dat het aangezochte gerecht het gerecht van een lidstaat is ‘waarvan het recht overeenkomstig artikel 22 of artikel 26, lid 1, onder a) of b), van toepassing is’.</p></div>", "next": 0}