{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft in het bestreden oordeel overwogen dat de rechten van de schuldeiser, in dit geval Wenable, ook door een ander kunnen worden uitgeoefend, niet meer en niet minder. De rechtbank is vervolgens in r.o. 4.4 ingegaan op het betoog van de curator dat het doel van de NOW- en TVL-regelingen zich verzet tegen de overdraagbaarheid van daaruit voortvloeiende vorderingen, en in r.o. 4.5 heeft de rechtbank de stelling van de curator besproken dat de NOW- en TVL-subsidies onoverdraagbaar zijn, omdat er anders een risico bestaat dat de werknemers en schuldeisers niet betaald worden en de doelstelling van de subsidie niet wordt bereikt. De rechtbank is bij de beoordeling van deze stellingen ook ingegaan op de (mogelijke) verplichtingen die uit de regelingen voortvloeien. Ik geef een deel van die overwegingen nogmaals weer: “4.4 […] Het enkele feit dat in de NOW-regeling is bepaald dat de subsidie moet worden aangewend voor de betaling van de loonkosten en dat in de TVL-regeling is bepaald dat dit een tegemoetkoming is voor de vaste lasten, betekent niet dat deze vorderingen daarom naar hun aard onoverdraagbaar zijn. In de regelingen is niet opgenomen dat de werknemers en schuldeisers uit de subsidiegelden zelf betaald moeten worden. ING heeft er terecht op gewezen dat de subsidiegelden pas achteraf werden uitbetaald, dus dat het dus ook niet mogelijk was ze rechtstreeks daarvoor aan te wenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5. […] Bij betaling van een geldsom aan de subsidieontvanger vloeit de subsidie in het vermogen van de ontvanger. Een schuldenaar staat met zijn hele vermogen in voor de nakoming van zijn verplichtingen; volgens art. 3:276 BW kunnen schuldeisers zich op alle goederen van hun schuldeisers verhalen. Dat betekent dat ook als een subsidie met een bepaald doel is uitgekeerd die subsidie nadat uitkering heeft plaatsgevonden aan het verhaal door alle schuldeisers van de subsidieontvanger blootstaat. Dat neemt niet weg dat op de ontvanger van de subsidie de verplichting rust zijn vermogen (waarvan de uitgekeerde subsidie deel uitmaakt) zo aan te wenden dat aan de subsidievoorwaarden wordt voldaan. Dit alles geldt zowel als de subsidie overdraagbaar (en dus verpandbaar) zou zijn als wanneer deze niet overdraagbaar zou zijn. Ook als de subsidievorderingen niet overdraagbaar zijn, kan de subsidieontvanger de subsidie gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze bestemd is. […] Onoverdraagbaarheid zou geen enkele garantie bieden voor de juiste besteding.” [onderstreping toegevoegd, A-G] 5.27 Gezien het voorgaande meen ik dat de eerste klacht feitelijke grondslag mist. De klacht faalt daarnaast omdat het subonderdeel – in het bijzonder in het licht van hetgeen de rechtbank in r.o. 4.4 heeft overwogen – niet genoegzaam duidelijk maakt waaróm sprake is van een onverbrekelijk verband tussen de betreffende subsidievorderingen en de verplichtingen die uit de subsidies voortvloeien. Zo een dergelijk verband al kan worden aangenomen, verduidelijkt het subonderdeel vervolgens niet op basis waarvan moet worden aangenomen dat de (mogelijke) verplichtingen niet door een ander dan de oorspronkelijk schuldeiser zouden kunnen worden uitgeoefend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.28 Als ik het goed zie, bouwt de rechtsklacht die is gericht tegen het oordeel in r.o. 4.6 dat de vergelijking met het arrest Staat/Appels niet opgaat, uitsluitend voort op de eerste klacht. Zij faalt op de hiervoor vermelde gronden. Ook de motiveringsklacht faalt. In r.o. 4.6 zet de rechtbank gemotiveerd uiteen waarom de bijzondere situatie die aan de orde was in het arrest Staat/Appels niet vergelijkbaar is met de situatie die zich voordoet in de onderhavige zaak. Het gegeven oordeel is niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.29 Volgens subonderdeel 1.7 miskent de rechtbank in r.o. 4.3 dat sprake is van een persoonlijk karakter bij de uit de NOW voortvloeiende vorderingsrechten. Het subonderdeel stelt daartoe dat de werkgever (aanvrager) in de NOW-regeling centraal staat, dat deze regeling vooropstelt dat de daaruit voortvloeiende subsidiegelden bij de werkgever terecht moeten komen en gebruikt moeten worden voor betaling van de loonkosten, en dat de werkgever ‘in ruil voor’ NOW-steun aan de volgende (in de Zesde NOW-regeling opgenomen) specifieke verplichtingen moet voldoen: (i) De NOW kent specifiek het doel om werkgevers tegemoet te komen in de loonkosten en zoveel mogelijk werknemers in dienst te houden (art. 3 NOW). (ii) De werkgever is verplicht de NOW-subsidie te besteden overeenkomstig het doel daarvan en moet in ieder geval worden aangewend voor de betaling van de loonkosten (art. 11, aanhef en onder a, NOW). (iii) Uitkering van het voorschot aan de werkgever wordt opgeschort als sprake is van een ernstig vermoeden dat niet wordt voldaan aan de subsidievoorwaarden of verplichtingen, het voorschot wordt teruggevorderd als niet aan de NOW-verplichtingen is voldaan en de subsidievaststelling wordt gewijzigd als niet is voldaan aan het doel van de NOW (art. 10, aanhef en onder a, NOW en art. 18 en 19 NOW). (iv) De werkgever is verplicht een verklaring over de naleving van de subsidievoorwaarden van de accountant te overleggen en keert geen dividenden uit over 2022 (art. 12 lid 1 NOW en art. 13 lid 1 NOW). (v) De NOW-gelden moeten op het bij de Belastingdienst bekende rekeningnummer van de werkgever worden gestort en de werkgever moet bij de NOW-aanvraag zijn rekeningnummer invullen (art. 4, aanhef en onder b, NOW en art. 7 lid 4, aanhef en onder d, NOW).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.30 In het licht van deze bepalingen valt volgens het subonderdeel zonder nadere toelichting, die ontbreekt ten aanzien van de NOW-bepalingen genoemd onder (iii) t/m (v), niet in te zien waarom het vorderingsrecht dat uit de NOW voortvloeit, afzonderlijk van de daar tegenoverstaande verplichtingen kan worden overgedragen en/of de aard daarvan zich niet tegen overdracht verzet. Onder verwijzing naar vindplaatsen in de processtukken stelt het subonderdeel dat de bepalingen en kenmerken van de NOW de NOW-vordering een persoonlijk karakter geven vanwege de aard van de onderliggende rechtsverhouding, en/of vanwege de persoonlijke eigenschappen van de schuldeiser die verbonden zijn aan de geldvordering op de Staat. NOW-gelden, zo herhaalt het subonderdeel, moeten worden gebruikt voor de betaling van de loonkosten en “niet om over te dragen aan derden.” Het subonderdeel stelt, eveneens onder verwijzing naar vindplaatsen in de processtukken, dat het oordeel van de rechtbank temeer klemt omdat ook niet (kenbaar) wordt gerespondeerd op de uitlating van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat de NOW zich tegen overdracht verzet, het UWV als uitvoeringsorgaan heeft bevestigd dat NOW-vorderingen niet verpandbaar zijn, en in de uitvoeringsfase (ook) centraal staat dat het NOW-voorschot aan de werkgever en op zijn rekeningnummer moet worden uitgekeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.31 De rechtbank is in r.o. 4.4 ingegaan op de stelling van de curator dat het doel van de NOW- en TVL-regelingen zich verzet tegen de overdraagbaarheid van daaruit voortvloeiende vorderingen. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze stelling niet opgaat. Zij heeft daartoe overwogen dat het enkele feit dat in de NOW-regeling is bepaald dat de subsidie moet worden aangewend voor de betaling van de loonkosten en dat in de TVL-regeling is bepaald dat dit een tegemoetkoming is voor de vaste lasten, niet betekent dat deze vorderingen daarom naar hun aard onoverdraagbaar zijn: “In de regelingen is niet opgenomen dat de werknemers en schuldeisers uit de subsidiegelden zelf betaald moeten worden. ING heeft er terecht op gewezen dat de subsidiegelden pas achteraf werden uitbetaald, dus dat het dus ook niet mogelijk was ze rechtstreeks daarvoor aan te wenden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.32 Het oordeel in de laatste zin wordt in cassatie niet bestreden. Daarmee staat vast dat de systematiek en de uitvoeringspraktijk van beide regelingen was dat de subsidiegelden die een werkgever/ondernemer na subsidieverlening (voorschot) of subsidievaststelling ontving, niet rechtstreeks konden worden aangewend voor de betaling van de loonkosten en de vaste lasten wat betreft de periode waarop de specifieke regeling betrekking had; die periode lag in het verleden. De rechtbank heeft ook eerder, in rechtsoverweging 2.7, als feit vastgesteld dat de loonkosten waarop de onderhavige NOW-betalingen betrekking hadden – de salarissen van personeel over de maanden januari, februari en maart 2022 – op het moment van uitbetaling van de NOW-gelden al door Wenable waren betaald, en wel met gebruikmaking van het door ING aan haar verstrekte krediet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.33 De door het subonderdeel genoemde verplichtingen onder (i) en (ii) leiden derhalve niet tot de conclusie dat de aard van de aan de vordering ten grondslag liggende rechtsverhouding zich tegen overdracht van het vorderingsrecht uit de NOW verzet. Hetzelfde geldt voor de door subonderdeel onder (iii) aangeduide ‘verplichtingen’. Het gaat hier niet om verplichtingen maar om bevoegdheden die het bestuursorgaan heeft als niet is voldaan aan de in de bepalingen genoemde verplichting/doelstelling. Herhaald zij dat de subsidieaanvrager degene is die aan de subsidievoorwaarden moet voldoen. Als deze in strijd zou handelen met die voorwaarden, dan kan het bestuursorgaan besluiten tot intrekking van de subsidie en de gelden bij hem terugvorderen, ook al was de subsidievordering reeds overgedragen aan een ander.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.34 Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is mijns inziens niet duidelijk waarom de door het onderdeel genoemde verplichtingen onder (iv) onomstotelijk leiden tot de slotsom dat de aard van de aan de vordering ten grondslag liggende rechtsverhouding zich tegen overdracht van het vorderingsrecht uit de NOW verzet. Ook als het vorderingsrecht wordt overgedragen aan een derde dan laat dit onverlet dat de werkgever die de subsidie heeft aangevraagd de genoemde verplichtingen nakomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.35 Met betrekking tot de door het subonderdeel genoemde verplichting onder (v) merk ik het volgende op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 4, aanhef en onder b, van de Zesde NOW-regeling bepaalt dat de subsidieverlening wordt geweigerd, indien of voor zover het rekeningnummer dat bij de aanvraag is opgegeven niet correspondeert met het in de aanvraag opgegeven loonheffingennummer en de daaraan verbonden rekeninggegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 7 lid 4, aanhef en onder d, van de Zesde NOW-regeling bepaalt dat in de subsidieaanvraag in ieder geval wordt vermeld het rekeningnummer uit een land dat valt onder de EU-Verordening/260/2012, waarop de werkgever betalingen van de Belastingdienst inzake loonheffingen ontvangt. Het subonderdeel maakt niet duidelijk waarom hetgeen in deze bepalingen is vermeld onomstotelijk leidt tot de conclusie dat het vorderingsrecht uit hoofde van de NOW niet kan worden overgedragen (vanwege een persoonlijk karakter). De bepalingen houden slechts in dat bij de subsidieaanvraag het rekeningnummer moet corresponderen met de gegevens (waaronder het rekeningnummer) zoals die op dat moment bekend zijn bij de Belastingdienst. De achtergrond van deze bepalingen is het bieden van een waarborg om – zoveel als mogelijk is – fraude tegen te gaan. Indien het bij de aanvraag opgegeven rekeningnummer nadien wijzigt, al dan niet na een cessie of verpanding, dan biedt de regeling geen grond om uitkering te weigeren. Ik merk daarbij nog op dat in geval van (stille) verpanding van vorderingsrechten veelal helemaal geen wisseling van rekeningnummer plaatsvindt. De subsidie wordt dan gewoon betaald op het bij de aanvraag opgegeven rekeningnummer van de subsidieaanvrager bij de bank.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.36 Ook de klacht aan het slot van het subonderdeel dat de rechtbank niet heeft gerespondeerd op de stellingen van de curator met betrekking tot (i) de uitlating van de Minister dat de NOW zich tegen overdracht verzet en (ii) de bevestiging door het UWV dat NOW-vorderingen niet verpandbaar zijn, faalt. Ik licht dit als volgt toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.37 De curator heeft ter ondersteuning van haar standpunt in de procedure bij de rechtbank verwezen naar het antwoord van de toenmalige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 december 2022 op vragen van het Kamerlid Van der Linden van 20 oktober 2022. Vraag 7A luidde: “Is de Minister bekend met het artikel «Als bedrijf coronasteun gehad en toch failliet gegaan? Dan gaat de bank met het geld lopen» in het AD? Kan de Minister kort reflecteren op de belangrijkste bevindingen in dit artikel?” Voor zover van belang heeft de Minister deze vraag als volgt beantwoord: “1. Het claimen van pandrecht door banken In het artikel wordt beschreven dat banken claimen pandrecht te hebben op loonsteun. UWV werkt niet mee aan stille/onderhandse verpanding, omdat de aard van de NOW zich er tegen verzet dat een vordering kan worden overgedragen. De NOW is immers bedoeld als ondersteuning voor werkgevers bij het zoveel mogelijk doorbetalen van salarissen. Bij de afhandeling van een faillissement door een curator met een bank, is UWV geen partij. In de uitspraak (waar in het artikel naar wordt verwezen) bevestigt de rechter dat verpanding van NOW-subsidies niet is toegestaan. In deze specifieke casus was er echter sprake van verrekening door de bank en die verrekening mocht volgens de rechter plaatsvinden omdat de bank te goeder trouw handelde, omdat in deze specifieke casus de bank niet wist dat er een faillissement aan zat te komen. Als een bank ná faillissement dus toch wil verrekenen, kan de curator hier op basis van deze uitspraak tegen ageren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.38 Ik merk op dat de betreffende vragen zijn gesteld ruim een half jaar ná het eind van de periode waarop de laatste NOW-regeling betrekking had: het eerste kwartaal van 2022. Hetzelfde geldt (uiteraard) ook voor het antwoord van de Minister. Reeds omdat de uitlating van de Minister geen onderdeel heeft uitgemaakt van het wetgevingsproces – de totstandkoming van de NOW-regelingen – kan daaraan minder gewicht worden gehecht. Ook inhoudelijk heeft het antwoord van de Minister naar mijn mening geen bijzondere betekenis. Hij verwijst, evenals het UWV, uitsluitend naar “de uitspraak”, waarmee hij doelt op de hiervoor in 4.33 genoemde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 maart 2022. Zoals hiervoor uiteen is gezet, overtuigen de door de kantonrechter in die uitspraak genoemde argumenten (wat betreft de NOW) niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.39 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het subonderdeel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.40 Volgens subonderdeel 1.8 miskent de rechtbank in r.o. 4.3 dat ook TVL-vorderingen een persoonlijk karakter hebben en de aard daarvan zich daarom tegen overdracht verzet. Ter toelichting stelt het subonderdeel dat de TVL grote gelijkenissen met de NOW kent en: (i) in de TVL (eveneens) de getroffen onderneming als aanvrager centraal staat; (ii) bij de aanvraag het rekeningnummer van deze onderneming opgegeven moet worden; en (iii) de TVL in het leven is geroepen om banen te behouden en tot doel heeft in de vaste lasten tegemoet te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel stelt dat de rechtbank in r.o. 4.4 en 4.5 enkel (kenbaar) ingaat op het doel en doelstelling van de TVL, maar ten onrechte buiten beschouwing laat dat die regeling, net als de NOW, “ademt dat deze gelden bij de onderneming terecht moeten komen, en niet bij een derde door overdracht daarvan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.41 Het subonderdeel faalt grotendeels op de hiervoor bij de bespreking van het vorige subonderdeel weergegeven gronden. Daarnaast wijs ik op hetgeen hiervoor in 4.32 is opgemerkt. Art. 2.5.10 (periode oktober t/m december 2021) en art. 2.6.10 (periode januari t/m maart 2022) van de TVL-regeling bevatten een opsomming van verplichtingen van de subsidieontvanger. Deze bepalingen hielden niet in dat de onderneming verplicht was de ontvangen subsidie uitsluitend aan te wenden voor de vaste lasten. Hiervoor is (in randnummer 5.12 e.v.) betoogd dat de subsidie in wezen moet worden aangemerkt als nadeelcompensatie en dat de door de ondernemer ontvangen gelden vrij konden worden besteed. Aldus kan niet met succes worden betoogd dat de TVL-regeling zich verzet tegen overdracht (en verpanding) van het vorderingsrecht uit hoofde van die regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.42 Subonderdeel 1.9 is gericht tegen het oordeel in r.o. 4.4 dat in de NOW-regeling niet is opgenomen dat de werknemers uit de subsidiegelden zelf betaald moeten worden. Het subonderdeel bevat de klacht dat dit oordeel onjuist is, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat art. 11, aanhef en onder a, NOW bepaalt dat de NOW-subsidie aangewend moet worden voor het doel waarvoor het is verstrekt, en in ieder geval voor betaling van de loonkosten. Volgens het subonderdeel miskent de rechtbank in r.o. 4.4-4.5 verder dat, zelfs als subsidiegelden pas achteraf worden uitbetaald, feit blijft dat de ontvangen gelden uitgekeerd moeten worden overeenkomstig het daarvoor gegeven doel. Het subonderdeel stelt dat bij overdracht de NOW- en TVL-gelden door de werkgever/onderneming in ieder geval niet kunnen worden benut overeenkomstig de daarvoor gegeven doelstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.43 De rechtbank heeft eerder in r.o. 4.4 onder ogen gezien dat in de NOW-regeling is bepaald dat de subsidie moet worden aangewend voor de betaling van de loonkosten. In zoverre gaat de klacht uit van een verkeerde lezing van het bestreden vonnis. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit enkele feit niet betekent dat een vordering die uit de NOW-regeling voortvloeit, daarom naar zijn aard onoverdraagbaar is. Wat de rechtbank in het bestreden oordeel tot uitdrukking heeft gebracht, is dat er geen enkel aanknopingspunt is voor de juistheid van het standpunt dat de subsidiegelden zelf ook rechtstreeks moeten worden aangewend voor de betaling van de loonkosten van werknemers. Het bestreden oordeel moet worden gelezen in samenhang met het opvolgende oordeel dat subsidiegelden pas achteraf werden uitbetaald en dat het dus ook niet mogelijk was om ze rechtstreeks aan te wenden voor de betaling van de werknemers (lees: waar het gaat om de periode waarop de specifieke NOW-regeling betrekking had). Ik acht dit oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk en evenmin onvoldoende gemotiveerd. Een andere uitleg zou meebrengen dat een werkgever steeds moet wachten met betaling van de gesubsidieerde kosten totdat de subsidie daadwerkelijk is ontvangen. Dit is onwenselijk en doet ook afbreuk aan de hiervoor geschetste praktijk/systematiek van voorfinanciering. Het subonderdeel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.44 Subonderdeel 1.10 is gericht tegen de volgende oordelen in r.o. 4.5: (i) het is aan de subsidieverlenende instantie om erop toe te zien dat aan de voorwaarden voor de subsidie wordt voldaan, en (ii) onoverdraagbaarheid zou geen enkele garantie bieden voor de juiste besteding. Volgens het subonderdeel zijn deze oordelen onjuist dan wel onbegrijpelijk, omdat het er (slechts) om gaat of de aard van het vorderingsrecht zich tegen overdracht verzet. Bovendien, zo vervolgt het subonderdeel, kan een onoverdraagbaar vorderingsrecht op grond van art. 3:83 lid 1 BW niet rechtsgeldig worden overdragen. Het subonderdeel betoogt dat onoverdraagbaarheid dan ook meer waarborgen biedt dat de NOW- en TVL-gelden worden besteed overeenkomstig het doel daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.45 Bij de beoordeling dient het volgende tot uitgangspunt. In r.o. 4.5 gaat de rechtbank in op de stelling van de curator dat de NOW- en TVL-subsidies onoverdraagbaar zijn, “omdat er anders een risico bestaat dat de werknemers en schuldeisers niet betaald worden en de doelstelling van de subsidie niet wordt bereikt.” De rechtbank verwerpt dat betoog en de door het subonderdeel bestreden overwegingen maken deel uit van die verwerping.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.46 Het oordeel dat het aan de subsidieverlenende instantie is om erop toe te zien dat aan de voorwaarden voor de subsidie wordt voldaan, acht ik niet onjuist of onbegrijpelijk. Het subonderdeel maakt niet genoegzaam duidelijk waarom dit wel zo zou zijn. Het oordeel dat onoverdraagbaarheid geen enkele garantie zou bieden voor de juiste besteding, bouwt voort op het volgende, eerder in r.o. 4.5 gegeven oordeel: “Ook als de subsidievorderingen niet overdraagbaar zijn, kan de subsidieontvanger de subsidie gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze bestemd is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit oordeel wordt in cassatie niet (genoegzaam duidelijk) bestreden. Gelet daarop zou kunnen worden betoogd dat de klacht tegen het bestreden oordeel reeds faalt bij gebrek aan belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.47 Ik merk verder op dat uit de woorden “meer waarborgen” aan het slot van het subonderdeel reeds voortvloeit dat onoverdraagbaarheid van de subsidievorderingen niet garandeert dat de subsidies steeds worden besteed conform het doel van de NOW- en TVL-regeling. Dit is conform het bestreden oordeel van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.48 Tot slot meen ik dat het betoog dat onoverdraagbaarheid meer waarborgen biedt dat de NOW- en TVL-gelden worden besteed overeenkomstig het doel daarvan, op inhoudelijke gronden niet kan worden gevolgd. Zoals hiervoor uiteen is gezet, maakte verpanding van subsidievorderingen uit hoofde van de genoemde regelingen het mogelijk dat de salarissen en de vaste lasten door de subsidieaanvrager konden worden doorbetaald vóórdat de subsidiegelden aan hem werden uitgekeerd (voorfinanciering). Het subonderdeel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2 5.49 Het tweede onderdeel bouwt uitsluitend voort op de klachten van onderdeel 1. Het onderdeel bevat geen klacht die afzonderlijke bespreking behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 5.50 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat geen van de klachten slaagt en dat het cassatieberoep moet worden verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie HR 17 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1641, NJ 1996/471, m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./CLBN).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam 26 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3796; JOR 2024/243, m.nt. N.E.D. Faber; RI 2024/79, met wenk ​​J.A. Stal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betrof een beroep op de Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid. Zie daarover hierna meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1641; NJ 1996/471, m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./CLBN). Kort gezegd is de hoofdregel, volgend o.a. uit HR 10 januari 1975, NJ 1976/249 (Postgiro) en HR 7 oktober 1988, ECLI:NL:1988:AC0457, NJ 1989/449 (Amro Bank/THB), is dat een bankinstelling zich ter zake van een op de rekening van haar cliënt gedane betaling niet op verrekening kan beroepen indien deze betaling is ontvangen op een tijdstip waarop de bank wist dat het faillissement van de cliënt te verwachten was dan wel nadat de cliënt in staat van faillissement is verklaard. In Mulder q.q./CLBN is een uitzondering op deze regel aanvaard voor de situatie dat de betalingen strekten tot voldoening van aan de bank stil verpande vorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het bestreden vonnis, r.o. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden vonnis, r.o. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC2326.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het belang van de vraag of de vorderingsrechten overdraagbaar zijn, is er in deze zaak in gelegen dat onoverdraagbaarheid van de vorderingsrechten tot onverpandbaarheid leidt. Zie hiervoor het bepaalde in art. 3:228 BW. Uit dat artikel volgt dat een recht van hypotheek of een recht van pand alleen kan worden gevestigd op een goed dat voor overdracht vatbaar is. Dit geldt ook als dat goed een vorderingsrecht betreft. Zie voorts art. 3:81 lid 1 BW, dat bepaalt dat op overdraagbare rechten de in de wet genoemde beperkte rechten kunnen worden gevestigd. Zie HR 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:984, NJ 2022/291, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Ten Berge q.q.).</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn Conclusies voor twee prejudiciële beslissingen van 10 juli 2020 – HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1274; NJ 2021/35, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai; Ondernemingsrecht 2020/136, m.nt. C.W.M. Lieverse en M.H.E. Rongen; JIN 2020/136, m.nt. E.J.H. Zandbergen en S. Lubberhuizen onder JIN 2020/137; TvI 2021/12, m.nt. G.J.L. Bergervoet en C. Spierings; AA 2022/0043, m.nt. W.H. van Boom (Immobile/Promontoria) en HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1276; JOR 2020/267, m.nt. J.W.A. Biemans (Alegre/Promontoria) – gaat A-G Hartlief uitvoerig in op art. 3:83 lid 1 BW. Een deel van het hieronder weer te geven kader is aan die Conclusies ontleend. Zie voor de Conclusies ECLI:NL:PHR:2020:358 en ECLI:NL:PHR:2020:359.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 315. Zie bijvoorbeeld ook W.H. van Boom, Goederen- en zekerhedenrecht 2023/12.2.1: “[...] verhandelbaarheid [is] een hoeksteen van de markteconomie […] en dat verklaart waarom art. 3:83 lid 1 BW vorderingsrechten voor overdracht vatbaar maakt.”; W.H.M. Reehuis &amp; A.H.T. Heisterkamp, Pitlo. Het Nederlands burgerlijk recht. Deel 3. Goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 103; M.H.E. Rongen, Cessie (diss. Radboud Universiteit Nijmegen), Deventer: Kluwer 2012, nr. 550 en W.H.M. Reehuis, Overdracht (Mon. BW B6a), Deventer: Kluwer 2010, nr. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 3:83 BW, aant. 3.a. (E.B. Rank-Berenschot). Zie ook W.H.M. Reehuis &amp; A.H.T. Heisterkamp, Pitlo. Het Nederlands burgerlijk recht. Deel 3. Goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 105 en Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:83 BW, aant. 22.1 (G.J.L. Bergervoet). Zie voor een nuance: P.J. Huisman en N. Jak, ‘Overdracht van subsidies: een puzzel op de grens van publiek- en privaatrecht’, NTB 2021/280, par. 4.2 en R. Mellenbergh, ‘Verpanding van subsidievorderingen’, WPNR 2017/7170, onder 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover Asser/Lutjens 7-XI 2023/704, waar wordt opgemerkt: “Het verbod tot vervreemding geeft uitdrukking aan het hoogstpersoonlijke karakter van pensioen.” De regeling staat uitzonderingen toe (dus: toch overdraagbaarheid of verpandbaarheid), die ik hier verder niet zal bespreken. Bezien door een sterk goederenrechtelijk geslepen bril is de wijze waarop de wet de onoverdraagbaarheid tot uitdrukking brengt niet optimaal, omdat gesproken wordt van een ‘verbod’ en een vervreemding die ‘nietig’ is, maar ik meen dat de bedoeling duidelijk genoeg is. Vgl. B.A. Schuijling, Levering en verpanding van toekomstige goederen (O&amp;R nr. 90) 2016/2.5.3. Vgl. voorts art. 50 Zw, art. 40 Ww en art. 26 Aow.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 34257, 3, p. 11; zie hierover onder meer Groene Serie Schadevergoeding, art. 6:95 BW, aant. 5.1 (Lindenbergh).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2021/205 en 209. Zie ook W.H.M. Reehuis &amp; A.H.T. Heisterkamp, Pitlo. Het Nederlands burgerlijk recht. Deel 3. Goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 104.</p>\n<p class=\"lf-p\">TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 314. Een wijziging van de persoon van de schuldeiser zou dan een wijziging van de inhoud van de verbintenis met zich brengen. Zie: M.H.E. Rongen, Cessie (diss. Radboud Universiteit Nijmegen), Deventer: Kluwer 2012, nr. 552 en Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:83 BW, aant. 26.2.3 (G.J.L. Bergervoet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 3:83 BW, aant. 3.b. (E.B. Rank-Berenschot), Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:83 BW, aant. 26.2.3 (G.J.L. Bergervoet), W.H.M. Reehuis, Overdracht (Mon. BW B6a), Deventer: Kluwer 2010, nr. 11, Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2021/206 en M.H.E. Rongen, Cessie (diss. Radboud Universiteit Nijmegen), Deventer: Kluwer 2012, nr. 552.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 6 maart 2025 tot wijziging van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het opheffen van bedingen in het handelsverkeer die ertoe strekken vervreemding dan wel verpanding van geldvorderingen op naam tegen te gaan (Wet opheffing verpandingsverboden), Stb. 2025, 72. De wet is in werking getreden op 1 juli 2025 (Besluit van 31 maart 2025 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet opheffing verpandingsverboden, Stb. 2025, 92). Het voorheen geldende derde lid is daarbij vernummerd tot lid 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II 2019/20, 35482, nr. 3, p. 1-2. Zie over het (toen nog) wetsvoorstel Wet opheffing verpandingsverboden: Asser/Van Mierlo &amp; Krzemiński 3-VI 2024/25a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over art. 3:83 lid 2: Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2021/213 e.v., Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:83 BW, aant. 31 e.v. (G.J.L. Bergervoet) en de genoemde Conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2020:358), onder 4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer: M.H.E. Rongen, Cessie (diss. Radboud Universiteit Nijmegen), Deventer: Kluwer 2012, nr. 553, M.H.E. Rongen, ‘De overdraagbaarheid van kredietvorderingen van banken aan niet-banken. Een bespreking van prejudiciële vragen gesteld door de Rechtbank Amsterdam’, FIP 2020/1, p. 34-35, M. van Wingerden en T. Kivik of Beernink, ‘Het belang van verpanding voor het slagen van compensatiemaatregelen’, opgenomen in: Schuijling, Van Wingerden &amp; Frenken, Het bancaire belang. Opstellen aangeboden aan mr. ing. H.J. Damkot (O&amp;R nr. 141), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 113 (“Een vordering uit een overeenkomst van geldlening is nagenoeg nooit onverdraagbaar gelet op de aard van de vordering”) en F.E.J. Beekhoven van den Boezem en S. van Hengel, ‘Wanneer is een geldvordering naar haar aard onoverdraagbaar?’, opgenomen in: Verheul (red.), Op het spoor van het goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 10 en 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: W.H. van Boom, Goederen- en zekerhedenrecht, Den Haag: Boom Juridisch 2023, p. 238, W.H.M. Reehuis &amp; A.H.T. Heisterkamp, Pitlo. Het Nederlands burgerlijk recht. Deel 3. Goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 103 en M.H.E. Rongen, Cessie (diss. Radboud Universiteit Nijmegen), Deventer: Kluwer 2012, nr. 553.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.H.M. Reehuis, Overdracht (Mon. BW B6a), Deventer: Kluwer 2010, nr. 11; W.H. van Boom, Goederen- en zekerhedenrecht 2023/12.2.1; T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 3:83 BW, aant. 3.b. (E.B. Rank-Berenschot).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo ook W.H. van Boom in zijn AA-noot bij Promontoria. Hij telt – net als ik – in totaal drie perspectieven en werkt deze mooi uit in zijn annotatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC2326 (Staat/Appels).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie M.H.E. Rongen, Cessie (diss. Radboud Universiteit Nijmegen), Deventer: Kluwer 2012, nrs. 554 en 555, Snijders, Overheidsprivaatrecht, bijzonder deel (Mon. BW nr. A26b) 2016/5a en M. van Wingerden en T. Kivik of Beernink, ‘Het belang van verpanding voor het slagen van compensatiemaatregelen’, opgenomen in: Schuijling, Van Wingerden &amp; Frenken, Het bancaire belang. Opstellen aangeboden aan mr. ing. H.J. Damkot (O&amp;R nr. 141), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 105. Zie echter: M. Scheltema en M.W. Scheltema, Gemeenschappelijk recht. Wisselwerking tussen publiek- en privaatrecht, Deventer: Kluwer 2013, par. 4.5.2 (p. 175 bovenaan). Zij stellen dat ten aanzien van publiekrechtelijke geldvorderingen die een bestuursorgaan heeft op een burger geldt dat deze “in beginsel niet overdraagbaar zijn.” Zie ook: W.M. Scheltema, Bestuursrechtelijke geldschulden (MM SBR) 2015/2.10.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.H.E. Rongen, Cessie (diss. Radboud Universiteit Nijmegen), Deventer: Kluwer 2012, nr. 555 en M. Scheltema en M.W. Scheltema, Gemeenschappelijk recht. Wisselwerking tussen publiek- en privaatrecht, Deventer: Kluwer 2013, par. 4.5.2 (p. 175).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC2326, NJ 1990/766, m.nt. W.M. Kleijn (Staat/Appels). Zie voor een samenvatting van feiten en procesverloop: M. van Wingerden en T. Kivik of Beernink, ‘Het belang van verpanding voor het slagen van compensatiemaatregelen’, opgenomen in: Schuijling, Van Wingerden &amp; Frenken, Het bancaire belang. Opstellen aangeboden aan mr. ing. H.J. Damkot (O&amp;R nr. 141), Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het arrest van de Hoge Raad, r.o. 3.2 onder (vi).</p>\n<p class=\"lf-p\">Snijders, Overheidsprivaatrecht, bijzonder deel (Mon. BW nr. A26b) 2016/5a.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.W.A. Biemans, ‘Vorderingen op naam niet vatbaar voor beslag’, opgenomen in: N.E.D. Faber e.a. (red.), Knelpunten bij beslag en executie (O&amp;R nr. 49), Deventer: Kluwer 2009, p. 108.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. van Wingerden en T. Kivik of Beernink, ‘Het belang van verpanding voor het slagen van compensatiemaatregelen’, opgenomen in: Schuijling, Van Wingerden &amp; Frenken, Het bancaire belang. Opstellen aangeboden aan mr. ing. H.J. Damkot (O&amp;R nr. 141), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 115. Zij wijzen er op dat in het arrest Stichting Studiefinanciering Curaçao (HR 31 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1027, NJ 2008/568) overdracht van een studiefinancieringsvordering van de Antilliaanse overheid door middel van cessie in beginsel voor mogelijk werd gehouden. Zie ook F.E.J. Beekhoven van den Boezem en S. van Hengel, ‘Wanneer is een geldvordering naar haar aard onoverdraagbaar?’, opgenomen in: Verheul (red.), Op het spoor van het goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 2.4, die zich hardop afvragen of – met het toetsingskader van Promontoria – de uitkomst in Staat/Appels vandaag de dag wellicht anders zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 september 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB9949; NJ 1991/52, m.nt. J.M.M. Maeijer ([…] /De Kreek q.q.). Ik noem ook HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3917; NJ 2009/416, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2010/22 m.nt. N.E.D. Faber (mr. Dekker q.q./Lutèce BV), waarin – kort gezegd – is geoordeeld dat de vordering die een curator tegen derden instelt ten behoeve van de schuldeisers wegens (betrokkenheid bij) benadeling van de schuldeisers (een zgn. Peeters/Gatzen-vordering) in beginsel niet door de curator kan worden overgedragen. Ik wijs in het bijzonder op de terechte bespiegelingen van annotator Van Schilfgaarde (onder nr. 5) over de ‘meerzinnige betekenis’ van het woord ‘vordering’. Bij de Peeters/Gatzen-vordering gaat het niet zozeer om onoverdraagbaarheid van het vorderingsrecht als eigenschap van het vermogensbestanddeel, maar om de vraag wie erover kan (kunnen) beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de literatuur worden verschillende gevallen genoemd waarin de door de schuldenaar te verrichten prestatie verband houdt met persoonlijke eigenschappen van de schuldeiser. Een (klassiek) voorbeeld is de verplichting van een kunstschilder om een portret te vervaardigen. De vordering op deze kunstschilder om door hem te worden geportretteerd, is op grond van haar aard niet (althans niet zonder meer) overdraagbaar. Voor de (artistieke inspiratie van de) kunstschilder (de schuldenaar) zal het veel kunnen uitmaken wie hij dient te schilderen. Dit geeft het vorderingsrecht daartoe een dusdanig persoonlijk karakter dat toestemming van de kunstschilder noodzakelijk is om overdracht van de vordering om door hem te worden geportretteerd mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: M.H.E. Rongen, Cessie (diss. Radboud Universiteit Nijmegen), Deventer: Kluwer 2012, nr. 552 en W.H.M. Reehuis &amp; A.H.T. Heisterkamp, Pitlo. Het Nederlands burgerlijk recht. Deel 3. Goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 104. Van Wingerden en Kivik of Beernink menen dat op het “exotische voorbeeld” van de kunstschilder een en ander is af te dingen. Zij stellen dat er bij een uitzondering op de overdraagbaarheid vanwege de aard van de vordering in iedere casus opnieuw naar de relevante feiten en omstandigheden van het specifieke geval moet worden gekeken en dat een absolute regel niet snel te geven is. Zie: M. van Wingerden en T. Kivik of Beernink, ‘Het belang van verpanding voor het slagen van compensatiemaatregelen’, opgenomen in: Schuijling, Van Wingerden &amp; Frenken, Het bancaire belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opstellen aangeboden aan mr. ing. H.J. Damkot (O&amp;R nr. 141), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 110-111.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie P.J. Huisman en N. Jak, ‘Overdracht van subsidies: een puzzel op de grens van publiek- en privaatrecht’, NTB 2021/280, par. 2.2.2 en R. Mellenbergh, ‘Verpanding van subsidievorderingen’, WPNR 2017/7170, onder 4 (p. 894, l.k.). Zie ook Snijders, Overheidsprivaatrecht, bijzonder deel (Mon. BW nr. A26b) 2016/5a, M. Scheltema en M.W. Scheltema, Gemeenschappelijk recht. Wisselwerking tussen publiek- en privaatrecht, Deventer: Kluwer 2013, par. 4.5.2, en W.M. Scheltema, Bestuursrechtelijke geldschulden (MM SBR) 2015/2.10.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">R. Mellenbergh, ‘Verpanding van subsidievorderingen’, WPNR 2017/7170, onder 4 (p. 894, r.k. en 895, l.k.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie overigens E.F. Verheul, ‘De overgang van vergunningen en subsidies’, NTBR 2023/17, die erop wijst dat het overdragen van de subsidie zelf iets anders is dan de overdracht van subsidievorderingen (zie zijn par. 2 en voetnoot 11 voor een reactie op de benadering van Huisman &amp; Jak). Ik laat het bij deze kanttekening, omdat het in deze zaak alleen gaat om de overdraagbaarheid van subsidievorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.J. Huisman en N. Jak, ‘Overdracht van subsidies: een puzzel op de grens van publiek- en privaatrecht’, NTB 2021/280, par. 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in gelijke zin Beekhoven van den Boezem en Van Hengel. In hun bijdrage ‘Wanneer is een geldvordering naar haar aard onoverdraagbaar?’, opgenomen in: Verheul (red.), Op het spoor van het goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, gaan zij nog wat verder (par. 4.2): “Zelf zouden wij ook bij persoonsgebonden subsidies nog wel wat verder durven gaan. Kern van een subsidie is immers dat daartegenover een bepaalde prestatie van de subsidieontvanger staat. Waarom zou die prestatie onzeker worden, als de geldvordering die er tegenover staat tegen marktprijs wordt overgedragen aan een ander? De cedent/subsidieontvanger moet nog steeds aan de subsidievoorwaarden voldoen – bijvoorbeeld een rapportage inleveren –, ook al is de uiteindelijk rechthebbende op de subsidie-uitbetaling een ander. Als de subsidieontvanger in strijd zou handelen met de subsidievoorwaarden, dan kan het bestuursorgaan besluiten tot intrekking van de subsidie en de subsidiegelden terugvorderen bij de oorspronkelijke subsidieontvanger, ook al was de subsidievordering reeds overgedragen aan een ander.”</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J. Bok, ‘Verwikkelingen rond een renovatiesubsidie’, Ars Aequi 53 (2004), 9, p. 688-695. Het citaat staat op p. 694. Zie voorts: R. Mellenbergh, ‘Verpanding van subsidievorderingen’, WPNR 2017/7170, onder 4 (p. 894, l.k.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief d.d. 17 maart 2020 van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, Kamerstuk II 2019/20, 35420, nr. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief d.d. 31 maart 2020 van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, Kamerstuk II 2019/20, 35420, nr. 8, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2022, 4032, p. 12 onder 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief d.d. 31 maart 2020 van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, Kamerstuk II 2019/20, 35420, nr. 8, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 maart 2020 tot vaststelling van een tijdelijke subsidieregeling tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden (Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid), Stcrt. 2020, 19874.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2020, 19874, p. 8-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2020, 19874, p. 9 (punt 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2022, 4032.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 februari 2022 tot vaststelling van de achtste tranche van een tijdelijke subsidieregeling tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden en voorbereidingen op de nieuwe economische situatie te laten plaatsvinden (Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid), Stcrt. 2022, 4032.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het bestreden vonnis, r.o. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2022, 4032, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2022, 4032, p. 13-14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 26 juni 2020 tot vaststelling van een tijdelijke subsidieregeling om getroffen MKB-ondernemingen in staat te stellen hun vaste lasten te betalen in verband met de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 (Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-1), Stcrt. 2020, 34295. Zie voor de wijziging en zesde openstelling van de Regeling m.b.t. een subsidie voor de periode oktober t/m december 2021: Stcrt. 2021, 50124, en voor de wijziging en zevende openstelling van de Regeling m.b.t. een subsidie voor de periode januari t/m maart 2022: Stcrt. 2022, 6024. Het eerste kwartaal van 2022 was de laatste TVL-openstelling. Zie https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/tvl/de-tvl-gestopt-wat-betekent-dit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Wingerden en Kivik of Beernink stellen dat de TVL weliswaar is vormgegeven als subsidie maar dat de regeling in de kern nadeelcompensatie behelst, waarbij past dat de onderneming zelf mag weten waarvoor zij de compensatie aanwendt. Zij stellen dat dit in lijn is met de voorganger van de TVL, de TOGS. Zie M. van Wingerden en T. Kivik of Beernink, ‘Het belang van verpanding voor het slagen van compensatiemaatregelen’, opgenomen in: Schuijling, Van Wingerden &amp; Frenken, Het bancaire belang. Opstellen aangeboden aan mr. ing. H.J. Damkot (O&amp;R nr. 141), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 131 (met verwijzing naar P. van Asperen, ‘Besluitvorming door de overheid in tijden van (corona)crisis’, Bb 2021/110.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2020, 34295, p. 18-19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Midden-Nederland (sector kanton) 30 maart 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1261; JOR 2022/239, m.nt. R. Wijn; RI 2022/71, met wenk C.P.W. Jansen. De procedure is in hoger beroep voortgezet als een proefprocedure over de strekking van art. 54 Fw. De bank voerde in hoger beroep niet langer het verweer dat zij een rechtsgeldig pandrecht op de vordering van de failliete onderneming uit hoofde van de NOW-subsidie had verkregen (r.o. 5.1 en 5.2). Zie voor het arrest: Hof Arnhem-Leeuwarden 5 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1635; JOR 2024/103, m.nt. B.A. Schuijling; RI 2024/42, met wenk C.P.W. Jansen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam 1 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:569; JOR 2023/83, m.nt. V.G. Koolen; TvCu/17711, m.nt. J.L. van den Heuvel en M.M. Dellebeke; RI 2023/38, met wenk R.W. Karskens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondernemers konden op basis van deze beleidsregel aanspraak maken op een eenmalige onbelaste uitkering van € 4.000,--. Per 1 juni 2020 is de TVL in de plaats gekomen van de TOGS. Zie: https://ondernemersplein.overheid.nl/togs-terugbetalen/.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.E.J. Beekhoven van den Boezem en S. van Hengel, ‘Wanneer is een geldvordering naar haar aard onoverdraagbaar?’, opgenomen in: Verheul (red.), Op het spoor van het goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">JOR 2022/239, m.nt. R. Wijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0842, NJ 1994/171, m.nt. P. van Schilfgaarde (Van Schaik q.q./ABN AMRO). [voetnoot toegevoegd].</p>\n<p class=\"lf-p\">RI 2022/71, met wenk C.P.W. Jansen.</p>\n<p class=\"lf-p\">TvCu/17711, m.nt. J.L. van den Heuvel en M.M. Dellebeke (zie voor het citaat punt 3). Zie in gelijke zin F.E.J. Beekhoven van den Boezem en S. van Hengel, ‘Wanneer is een geldvordering naar haar aard onoverdraagbaar?’, opgenomen in: Verheul (red.), Op het spoor van het goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 20. Zij vinden de uitkomst “verrassend”.</p>\n<p class=\"lf-p\">JOR 2024/243, m.nt. N.E.D. Faber.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. van Wingerden en T. Kivik of Beernink, ‘Het belang van verpanding voor het slagen van compensatiemaatregelen’, opgenomen in: Schuijling, Van Wingerden &amp; Frenken, Het bancaire belang. Opstellen aangeboden aan mr. ing. H.J. Damkot (O&amp;R nr. 141), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 126.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. van Wingerden en T. Kivik of Beernink, ‘Het belang van verpanding voor het slagen van compensatiemaatregelen’, opgenomen in: Schuijling, Van Wingerden &amp; Frenken, Het bancaire belang. Opstellen aangeboden aan mr. ing. H.J. Damkot (O&amp;R nr. 141), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 126-128.</p>\n<p class=\"lf-p\">HERO (Herstructurering &amp; Recovery Online) 2024/N-011, m.nt. K. de Bruijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie naast Beekhoven van den Boezen en Van Hengel (hiervoor genoemd in 4.36) uitvoerig: M. van Wingerden en T. Kivik of Beernink, ‘Het belang van verpanding voor het slagen van compensatiemaatregelen’, opgenomen in: Schuijling, Van Wingerden &amp; Frenken, Het bancaire belang. Opstellen aangeboden aan mr. ing. H.J. Damkot (O&amp;R nr. 141), Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 2.2-2.6. Zie over het verband tussen liquiditeit en debiteuren verder K.A. Messelink, ‘Art. 54 Fw: geen botte bijl maar instrument voor bestrijding van verrekenings- en verhaalsmisbruik’, opgenomen in: M.N. de Groot e.a. (red.), Dilemma’s van nu. INSOLAD Jaarboek 2024, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 171 e.v. en A. Steneker, ‘Liquiditeit en debiteurenverpanding’, FIP 2023/45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Steneker schrijft op p. 22: “Er is een belangrijke link tussen liquiditeit en debiteurenverpanding. Ondernemingen moeten vaak worden ‘voorgefinancierd’. Vóórdat vorderingen ontstaan, hebben ondernemingen krediet nodig (bijvoorbeeld van een bank) om investeringen te doen, producten en grondstoffen in te kopen en de lopende verplichtingen te voldoen. Voor dat krediet is essentieel dat de daarmee te genereren toekomstige vorderingen een solide onderpand vormen. Nádat vorderingen zijn ontstaan, is het voor de liquiditeit van de onderneming van belang dat die vorderingen daadwerkelijk en snel worden betaald. Dat kan worden voorgeschoten (bijvoorbeeld door een factormaatschappij), waarvoor overdracht of verpanding van die vorderingen vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voor verpanding wordt gekozen, is voor de bereidwilligheid van de factor tot voorfinanciering essentieel dat hij de verpande vorderingen na openbaarmaking van het pandrecht ongestoord zal kunnen innen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">M. van Wingerden en T. Kivik of Beernink, ‘Het belang van verpanding voor het slagen van compensatiemaatregelen’, opgenomen in: Schuijling, Van Wingerden &amp; Frenken, Het bancaire belang. Opstellen aangeboden aan mr. ing. H.J. Damkot (O&amp;R nr. 141), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 99.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvraagloket voor een voorschot opende namelijk gemiddeld zo’n 5 à 6 weken later dan de eerste maand waarop de NOW betrekking had; bijvoorbeeld NOW 2 opende op 6 juli 2020 terwijl het betrekking heeft op de maanden juni t/m september 2020. Dat betekent dat minimaal één maand, en dus één loonronde, voorgefinancierd diende te worden. Idem bij TVL. Bij TVL voor grote ondernemingen (Stcrt. 2021, 23574) zelfs volledige voorfinanciering; aanvraag mogelijk met ingang van 10 mei 2021 voor vaste lasten in de periode januari tot en met maart 2021. Evenzo bij TVL startende MKB-ondernemingen; aanvraag mogelijk per 31 mei 2021 voor vaste lasten in de periode januari tot en met maart 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. van Wingerden en T. Kivik of Beernink, ‘Het belang van verpanding voor het slagen van compensatiemaatregelen’, opgenomen in: Schuijling, Van Wingerden &amp; Frenken, Het bancaire belang. Opstellen aangeboden aan mr. ing. H.J. Damkot (O&amp;R nr. 141), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 102-103.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit leid ik af uit r.o. 4.4 (slot), in cassatie niet bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het door de rechtbank onder 2.7 (slot) vastgestelde feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 4.4 (slot), in cassatie niet bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een gespecificeerd overzicht: https://www.cbs.nl/nl-nl/faq/corona/overheid/hoeveel-bedrijven-gebruiken-steunmaatregelen-coronacrisis-door-de-overheid-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel bevat onder A een inleiding en onder B worden de klachten geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 314.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over het onderscheid tussen subsidieverlening en subsidievaststelling: T. Barkhuysen e.a., Bestuursrecht in het Awb-tijdperk, Deventer: Wolters Kluwer 2024. Ik citeer uit par. 11.4.2: “De subsidieverlening is de beschikking die voorafgaand aan de subsidiabele activiteit wordt gegeven (vergelijk art. 4:29 Awb). Zij houdt in dat de aanvrager het in de beschikking omschreven bedrag (vergelijk art. 4:31 Awb) zal krijgen, indien hij de in de beschikking omschreven activiteiten (art. 4:30 Awb) verricht en de aan de subsidie verbonden verplichtingen (afdeling 4.2.4 Awb) nakomt. De subsidieverlening geeft de ontvanger dus een voorwaardelijke aanspraak op financiële middelen, waarvan op dat moment de omvang vaak nog onzeker is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom moet vervolgens nog worden vastgesteld in hoeverre de voorwaarden zijn vervuld en op welk bedrag de ontvanger precies recht heeft. Daarvoor is een tweede beschikking nodig: de subsidievaststelling. Deze beschikking tot subsidievaststelling geeft een onvoorwaardelijke aanspraak, een recht op een bepaald subsidiebedrag (dat overigens wel nihil kan zijn). Het bestuursorgaan is dan ook verplicht dat bedrag uit te betalen […] Subsidieverlening en subsidievaststelling zijn daarmee te onderscheiden besluiten, maar zij zijn wel nauw met elkaar verbonden. Bij de vaststelling is het bestuursorgaan gebonden aan wat bij de verlening is bepaald. Als de ontvanger de bij de verlening omschreven activiteit heeft verricht en ook overigens niet in gebreke is, dan moet het bestuursorgaan de subsidie vaststellen op het bij de verlening omschreven bedrag (art. 4:46 lid 1 Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">De verleningsbeschikking is dus wel voorwaardelijk, maar daarmee niet voorlopig of vrijblijvend.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook: F.E.J. Beekhoven van den Boezem en S. van Hengel, ‘Wanneer is een geldvordering naar haar aard onoverdraagbaar?’, opgenomen in: Verheul (red.), Op het spoor van het goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie M. van Wingerden en T. Kivik of Beernink, ‘Het belang van verpanding voor het slagen van compensatiemaatregelen’, opgenomen in: Schuijling, Van Wingerden &amp; Frenken, Het bancaire belang. Opstellen aangeboden aan mr. ing. H.J. Damkot (O&amp;R nr. 141), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 121.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de toelichting bij de (eerste) NOW-regeling, hiervoor weergegeven in 4.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie R. Mellenbergh, ‘Verpanding van subsidie-vorderingen’, WPNR 2017/7170, p. 895.</p>\n<p class=\"lf-p\">R. Mellenbergh, ‘Verpanding van subsidie-vorderingen’, WPNR 2017/7170, p. 894-895.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. van Wingerden en T. Kivik of Beernink, ‘Het belang van verpanding voor het slagen van compensatiemaatregelen’, opgenomen in: Schuijling, Van Wingerden &amp; Frenken, Het bancaire belang. Opstellen aangeboden aan mr. ing. H.J. Damkot (O&amp;R nr. 141), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 122-123.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dat verband voor de Eerste NOW-regeling Stcrt. 2020, 19874, p. 17: “Voor de verificatie van de door de aanvrager verstrekte gegevens, wordt gebruik gemaakt van een gegevensuitwisseling tussen de Belastingdienst en UWV. De uitwisseling richt zich in eerste instantie op de naam en rekeningnummers van aanvragers. Er is onderzocht of het mogelijk is deze uitwisseling zo vorm te geven dat UWV inzicht heeft in de rekeningnummers van alleen de aanvragende werkgevers. Vanwege de beperkte tijd en noodzaak tot snelle verwerking van zeer grote aantallen aanvragen is dit niet haalbaar gebleken. Dit komt mede doordat technische voorzieningen voor een dergelijke werkwijze ontbreken en niet binnen afzienbare tijd te realiseren zijn. Deze gegevenslevering is essentieel om te voorkomen dat willekeurige rechts- of natuurlijke personen zich kunnen voordoen als een grote werkgever en vervolgens zelf grote bedragen kunnen incasseren. Deze gegevenslevering beperkt dit risico substantieel en wordt daarom proportioneel geacht. Bovendien wordt hiermee de administratieve last van aanvragers beperkt, nu zo min mogelijk bewijsmiddelen voor de rekening aangedragen hoeven te worden. Daarmee wordt voldaan aan het beginsel van subsidiariteit.” Vgl. voor de Zesde NOW-regeling: Stcrt. 2022, 4032, p. 26-27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2022/23, Vragen 22122018 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-ek-22122018.pdf). Het artikel uit het AD dateert van 15 oktober 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2022/23, Aanhangsel, antwoorden op Kamervragen 20222023-5 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-ek-20222023-5.pdf).</p></div>", "next": 0}