{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Subonderdeel 8.2 klaagt dat het hof door het stapelen van beperkende voorwaarden ongemotiveerd is voorbijgegaan aan de stelling van Aprisco c.s. dat het in dit geval voor risico van [verweerder] dient te komen dat wanneer Aprisco c.s. ‘gewoon’ toegang krijgt tot de hele administratie van Missy, er wellicht ook enige privé-bestanden van [verweerder] worden geselecteerd. Het subonderdeel beroept zich op de stellingen dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>dit het direct gevolg zou zijn van [verweerder] eigen opstelling dat hij zonder veroordeling van het hof inzage in stukken weigert en dat hij de Nativa-administratie niet goed gescheiden heeft gehouden van privé-bestanden. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, temeer gelet op de omstandigheden in deze zaak, om die onzorgvuldigheid voor rekening van Aprisco c.s. te laten komen. Bovendien schendt [verweerder] herhaaldelijk de waarheidsplicht. Volgens Aprisco c.s. dient het hof dat te betrekken bij de wijze waarop het verzoek van Aprisco c.s. wordt toegewezen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>[verweerder] beschikt over de administratie en/of bij uitstek in staat is om te duiden welke verzochte stukken niet zouden behoren tot die administratie, dat [verweerder] er echter van afziet om dat te doen en dat het mede gezien art. 21 Rv voor zijn rekening komt dat hij niet preciseert.</div>\n<p class=\"lf-p\">15.4 De klachten nemen impliciet tot uitgangspunt dat het inzageverzoek van Aprisco c.s. moet worden begrepen als een verzoek tot inzage in de hele administratie van Missy. Zo hoefde het hof dat verzoek echter niet te begrijpen. Ook is het niet onbegrijpelijk dat het hof het verzoek van Aprisco c.s. zo begreep, dat het ging om bescheiden met betrekking tot het Nativa-project.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.5 Niet gezegd kan worden dat het hof geen oog heeft gehad voor de eigen opstelling van [verweerder] . In rov. 3.18 en 3.19 van de tussenbeschikking verwerpt het hof immers het verweer van [verweerder] dat met toewijzing van het verzoek mogelijk inzage wordt gegeven in zijn privécorrespondentie. Voor zover daarvan sprake is, is dat een gevolg van zijn eigen keuze om voor zakelijke berichten van privémails gebruik te maken, aldus het hof (rov. 3.18). Ook oordeelt het hof dat [verweerder] gehouden is tot het verstrekken van inzage of afschrift aan Aprisco c.s. van alle bescheiden vanaf 2010, alles voor zover die betrekking hebben op, maar ook beperkt tot het Nativa-project (rov. 3.19).</p>\n<p class=\"lf-p\">15.6 De subonderdelen 8.1 en 8.2 falen dus.</p>\n<p class=\"lf-p\">16Geen toewijzing inzageverzoek op grond van rekening en verantwoording 16.1 Tot slot rest nog de vraag of het hof het inzageverzoek van Aprisco c.s. ruimer had moeten toewijzen dan het heeft gedaan, omdat Aprisco c.s. zich ook heeft beroepen op de plicht van [verweerder] tot het afleggen van rekening en verantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.2 Over het recht op rekening en verantwoording overweegt het hof in 3.8 van de tussenbeschikking het volgende: “3.8 De vraag of artikel 843a Rv in dit geval ook ruimte biedt voor een vordering die is gebaseerd op enige verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording (bijvoorbeeld uit hoofde van een door Aprisco c.s. gestelde overeenkomst van opdracht met [verweerder] ) of op een eigendomsrecht van Missy (revindicatie) laat het hof onbesproken. Als die mogelijkheid al zou bestaan, dan zou dat namelijk hoe dan ook geen ruimte bieden voor een verdergaande toewijzing van het gevorderde.”</p>\n<p class=\"lf-p\">16.3 Tegen deze overweging is onderdeel 1 gericht, met verschillende subonderdelen. De klachten richten zich ook tegen op rechtsoverwegingen die zouden voortbouwen op rov. 3.8, namelijk rov. 3.9, 3.10, 3.14, 3.16 van de tussenbeschikking en rov. 2.8-2.9 van de eindbeschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.4 Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 3.8 miskent dat art. 843a Rv ook een grondslag biedt voor een inzageverzoek dat is gegrond op een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording. Een ‘rechtmatig belang’ bestaat in ieder geval wanneer uit een bijzondere wettelijke regeling een recht op inzage voortvloeit. Dan is een verdere belangenafweging niet nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.5 Voor deze klacht geldt het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.6 Rov. 3.8, waarin het hof overweegt dat de vraag of art. 843a Rv ook in dit geval ruimte biedt voor een inzageverzoek dat is gebaseerd op enige verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording, moet worden begrepen tegen de achtergrond van het debat van partijen over het toepasselijk recht en het – mede op basis daarvan – al dan niet bestaan van een plicht tot rekening en verantwoording van [verweerder] . Aprisco c.s. had gesteld dat zij een rechtmatig belang heeft bij inzage op grond van (analoge toepassing van) art. 7:403 lid 2 BW, althans Costa Ricaans recht, omdat [verweerder] jegens haar verplicht is tot rekening en verantwoording. [verweerder] had onder meer als verweer gevoerd, kort gezegd, dat er geen overeenkomst van opdracht was, dat [verweerder] niet het beheer voerde over enig vermogen van Aprisco zodat geen sprake is van een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording op grond van ongeschreven recht en dat als er wel een overeenkomst van opdracht was, of een andere verhouding die verplichtte tot rekening en verantwoording, daarop niet Nederlands recht maar Costa Ricaans recht van toepassing is en dat naar Costa Ricaans recht een verjaringstermijn van vier jaar geldt voor een verplichting tot rekening en verantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.7 In reactie op deze verweren overweegt het hof dan in rov. 3.8 dat in het midden kan blijven of art. 843a Rv in dit geval ook ruimte biedt voor een vordering die is gebaseerd op het afleggen van rekening en verantwoording. Daarmee miskent het hof niet dat het afleggen van rekening en verantwoording een rechtmatig belang als bedoeld in art. 843a Rv kan opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.8 Ook niet onbegrijpelijk of onjuist is dat het hof vervolgens in rov. 3.9, waarin het juridisch kader kort uiteengezet wordt gezet, als vereiste noemt dat degene die om inzage verzoekt ‘belang moet hebben bij die gegevens voor zijn bewijslevering in een conflict met die ander’. Niet is in te zien dat het hof daarmee miskent dat het afleggen van rekening en verantwoording een rechtmatig belang als bedoeld in art. 843a Rv kan opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.9 Evenmin is onjuist dat het hof in rov. 3.10 de rechtsverhoudingen waarin een plicht tot rekening en verantwoording van [verweerder] zou bestaan, onvermeld laat. Dat sluit aan op rov. 3.8, waarin is vermeld dat het hof de inzagevordering voor zover die is gebaseerd op een verplichting tot rekening en verantwoording onbesproken laat.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.10 De rechtsklacht van subonderdeel 1.1 slaagt dan ook niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.11 Subonderdeel 1.2 klaagt dat voor zover het hof het in subonderdeel 1.1 aangevoerde niet heeft miskend, het zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. Het subonderdeel is uitgewerkt onder a t/m e. Begonnen wordt met bespreking van de klachten onder a, c, d en e.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.12 Onder a stelt het subonderdeel dat het hof nergens aangeeft waarom de door Aprisco c.s. gestelde plicht tot rekening en verantwoording niet zou kunnen leiden tot een ruimere inzage dan het hof toewijst op grond van enkel het bewijsbelang.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.13 Onder c klaagt het subonderdeel dat het hof ook niet aangeeft dat en waarom Aprisco c.s. niet voldoende aannemelijk zou hebben gemaakt dat er tussen Aprisco c.s. en [verweerder] één of meer rechtsverhoudingen bestaan die hem tot rekening en verantwoording jegens (een van) haar verplichten. Het subonderdeel verwijst naar vindplaatsen in de processtukken waar Aprisco c.s. heeft gesteld dat een dergelijke rechtsverhouding bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.14 Onder d wordt geklaagd dat het hof de inzage op grond van de plicht tot rekening en verantwoording ten onrechte beperkt tot bescheiden die voldoen aan ‘de vastgoedvoorwaarde’ (en de overige beperkingen), althans dat het hof die beperkingen niet voldoende motiveert. Het subonderdeel beroept zich erop dat [verweerder] ‘immers’ erkent dat hij als bestuurder van Nativa Mariposa rekening en verantwoording dient af te leggen aan Missy. En volgens het subonderdeel dient hij dat te doen aan de hand van de hele administratie van Missy (fysiek en digitaal).</p>\n<p class=\"lf-p\">16.15 Onder e wordt aangevoerd dat het hof niet overweegt dat (enige) bescheiden waarin Aprisco c.s. inzage verlangt, niet van belang zouden zijn voor de verplichting tot rekening en verantwoording jegens Aprisco c.s., en waarom dat zo zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.16 Ter bespreking van de klachten is het volgende van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.17 In de inleidende paragraaf van de procesinleiding stelt Aprisco c.s. dat zij de vereisten rechtmatig belang en rechtsbetrekking met drie alternatieven heeft onderbouwd, namelijk 1) Aprisco’s recht op rekening en verantwoording, 2) het feit dat het de eigen administratie van Nativa Mariposa betreft die na de fusie toebehoort aan Missy en 3) haar onderzoek- en bewijsbelang met het oog op de vernietiging van de in 2019 gesloten vaststellingsovereenkomst en schadevergoedingsvorderingen wegens malversaties. Op de vermelde vindplaatsen zijn die drie grondslagen inderdaad terug te vinden; het feit dat het gaat om de eigen administratie van Nativa Mariposa vooral in het beroepschrift.Aprisco c.s. heeft haar verzoek in feitelijke instanties echter niet uitgesplitst op basis van het door haar daarbij gestelde belang of de rechtsbetrekking waarvoor de bescheiden van belang zijn. Uit de in de procesinleiding opgegeven vindplaatsen en ook overigens blijkt dat Aprisco c.s. haar belang bij inzage steeds heeft toegelicht met het instellen van schadevergoedingsvorderingen jegens [verweerder] (en anderen) vanwege tekortschietend of onrechtmatig gedrag bij het beheer en de ontwikkeling van het Nativa-project. Centraal staat dus steeds het beheer en de ontwikkeling van het Nativa-project door [verweerder] .</p>\n<p class=\"lf-p\">16.18 Aprisco c.s. heeft echter niet nader toegelicht en onderbouwd dat en waarom de rechtsverhouding tussen partijen een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording meebracht van de omvang als verzocht, bijvoorbeeld gelet op wat partijen overeengekomen waren of wat de aard van de rechtsverhouding op dit punt meebracht.Ook heeft Aprisco niet nader gepreciseerd in hoeverre een plicht tot het afleggen van rekening en verantwoording tot inzage in andere of meer bescheiden zou moeten leiden dan het door het hof als ‘bewijsbelang’ aangeduide belang. Gelet op het feit dat het afleggen van rekening en verantwoording geen duidelijk omlijnde inhoud heeft (zie onder 4.8 e.v.), levert het enkele beroep op een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording, op zichzelf geen afgebakende categorie of categorieën van bescheiden op. In verband met het bepaaldheidsvereiste is dat echter wel nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.19 Tegen deze achtergrond is het zeker niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het belang van Aprisco c.s. bij het afleggen van rekening en verantwoording, ‘hoe dan ook geen ruimte bieden voor een verdergaande toewijzing van het gevorderde’. Dit oordeel moet zo worden begrepen, dat uit de stellingen van Aprisco c.s. in onvoldoende mate duidelijk wordt in welke bescheiden zij op deze grondslag wél aanspraak zou kunnen maken op inzage in bepaalde bescheiden, terwijl zij die aanspraak niet heeft op grond van het door het hof als ‘bewijsbelang’ aangeduide belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.20 De motiveringsklachten onder a, c, d en e stuiten hierop af.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.21 Ten aanzien van de stellingen waarop de klacht onder d zich beroept, is nog het volgende op te merken. Op de in het subonderdeel opgegeven vindplaatsen heeft [verweerder] gesteld dat zijn verantwoordingsplicht naar het toepasselijke Costa Ricaanse recht jegens Missy is beperkt tot de periode vanaf 23 februari 2018 en dat hij niet gehouden is tot rekening en verantwoording jegens Aprisco en MPH. Niet is in te zien dat [verweerder] daarmee erkend heeft dat die verantwoordingsplicht ook inhoudt dat hij inzage dient te geven in alle verzochte bescheiden vanaf 23 februari 2018. [verweerder] heeft juist als verweer gevoerd dat de verzochte bescheiden te ruim zijn en dat sprake is van een fishing expedition.Aprisco c.s. stelt op de in het onderdeel opgegeven vindplaats ook niet dat [verweerder] met de hele administratie van Missy rekening en verantwoording moet afleggen. Het is subonderdeel mist dus in zoverre feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.22 De klacht onder a wordt nader gespecificeerd met de klacht onder b, die inhoudt dat het hof niet motiveert waarom ook de plicht tot rekening en verantwoording geen (rechtmatig belang vormt dat) recht geeft op inzage in bescheiden van vóór 2010. Het subonderdeel voert aan dat Aprisco c.s. heeft gesteld dat [verweerder] in ieder geval erkent dat hij over de periode vanaf 2018 rekening en verantwoording moet afleggen en dat hij de beginstand in 2018 behoorlijk moet toelichten. Volgens Aprisco c.s. is gebleken dat [verweerder] in de daaraan voorafgaande jaren miljoenen heeft onttrokken aan Nativa Mariposa. Mede daardoor vereist een behoorlijke rekening en verantwoording dat [verweerder] met eerdere bescheiden, ook van voor 2010, onderbouwt waarom begin 2018 het grootste deel van het vermogen verdwenen was.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.23 In het beroepschrift stelt Aprisco c.s. niet waarom [verweerder] over de gehele periode vanaf 2001 tot en met 2022 verantwoording moet afleggen. In het verweerschrift in hoger beroep reageert Aprisco c.s. op de stelling van [verweerder] dat als Aprisco c.s. al verplicht is tot het doen van rekening en verantwoording aan Missy, die verplichting beperkt is tot 2018. Aprisco c.s. stelt: “(…) In dat geval moet [verweerder] ook de beginstand uit 2018 behoorlijk uit de doeken doen. Inmiddels is gebleken dat [verweerder] in de daaraan voorafgaande jaren miljoenen heeft onttrokken aan Nativa Mariposa. Mede daardoor vereist een behoorlijke rekening en verantwoording dat [verweerder] met stukken onderbouwt, waarom begin 2018 het grootste deel van het vermogen verdwenen was. Kortom: ook als [verweerder] slechts rekening en verantwoording hoeft af te leggen over de periode sinds 2018, hebben Aprisco c.s. rechtmatig belang om de administratie van het Nativa project uit de daaraan voorafgaande jaren in te zien.”</p>\n<p class=\"lf-p\">16.24 Aprisco c.s. heeft op de in het onderdeel vermelde vindplaatsen dus wel onderbouwd waarom [verweerder] ook over de jaren voorafgaand aan 2018 rekening en verantwoording zou moeten afleggen, maar niet waarom die verplichting zo ver – tot 2001 – terug zou gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.25 Ook de klacht onder b slaagt daarom niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.26 De conclusie op dit punt is de volgende. Aangenomen dat [verweerder] verplicht is tot het afleggen van rekening en verantwoording jegens Aprisco c.s., kan die verplichting op zichzelf een rechtmatig belang als bedoeld in art. 843a Rv opleveren. Het hof heeft dit niet miskend. Aprisco c.s. heeft echter in feitelijke instanties in het geheel niet toegelicht of uitgewerkt in welk opzicht het recht op rekening en verantwoording een ruimer recht op inzage oplevert dan het door het hof als ‘bewijsbelang’ aangeduide belang bij inzage. Bij die stand van zaken kon het hof oordelen dat dat belang hoe dan ook geen ruimte biedt voor een verdergaande toewijzing van het gevorderde.</p>\n<p class=\"lf-p\">17Dwangsom te laag vastgesteld 17.1 Onderdeel 11 bevat klachten gericht tegen de dwangsomveroordeling. Het hof legt een dwangsom op van € 100.000,- per dag dat de overtreding van het gebod door [verweerder] dat betrekking heeft op 3.2 voortduurt, met een maximum van € 1.000.000,- (vrijgeven beslagen bescheiden) en een dwangsom van € 10.000,- per dag dat overtreding van het gebod door [verweerder] dat betrekking heeft op 3.6 voortduurt, met een maximum van € 50.000,- (afgeven fysieke EY-administratie). In rov. 2.19 heeft het hof overwogen dat het aannemelijk is dat de inzage niet zonder medewerking van [verweerder] kan geschieden, bijvoorbeeld door het verstrekken van wachtwoorden of andere inloggegevens om toegang tot de bescheiden te krijgen en dat het hof daarom de dwangsom zal toewijzen, zij het tot een lager bedrag en gemaximeerd en gedifferentieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.2 Volgens subonderdeel 11.1 is het onbegrijpelijk dat het hof de dwangsom voor het vrijgeven van de beslagen bescheiden beperkt tot € 1.000.000,-, terwijl er volgens het hof concrete aanwijzingen zijn dat [verweerder] voor vele miljoenen aan USD heeft gefraudeerd. De dwangsom vormt gelet op de omvang van de vermeende fraude juist een prikkel tot het achterhouden van bescheiden waaruit de grootschalige fraude zou kunnen blijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.3 Subonderdeel 11.2 klaagt dat het voorgaande des te meer geldt voor de lagere dwangsom voor het afgeven van de fysieke EY-administratie. Het hof motiveert niet waarom het de dwangsom voor dit deel van de veroordeling zo veel lager bepaald, terwijl ook met de fysieke EY-administratie de fraude zou kunnen worden aangetoond. De beschikking biedt ten aanzien van die fysieke EY-administratie ook niet de bevoegdheid tot reële executie, die het hof wel toestaat ten aanzien van de beslagen bescheiden (dictum, punt 3.5). Bovendien volgt volgens het subonderdeel uit rov. 2.6 en 2.7 van de eindbeschikking dat [verweerder] die fysieke EY-administratie verduisterd heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4 Voor deze klachten geldt het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.5 De rechter heeft een discretionaire bevoegdheid om al dan niet een dwangsom op te leggen en de hoogte daarvan te bepalen. Voor deze beslissing gelden minder strenge motiveringseisen dan voor feitelijke oordelen en zij is in cassatie daarom beperkt toetsbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.6 Aprisco c.s. heeft ter onderbouwing van haar klacht alleen gewezen op haar verzoek om een dwangmiddel aan de veroordeling te verbinden dat een voldoende prikkel tot nakoming vormt die in verhouding staat tot zowel het grote financiële belang in deze zaak en het feit dat als medewerking uitblijft de bescheiden vanwege de verblijfplaats van [verweerder] in Costa Rica feitelijk voor Aprisco c.s. niet beschikbaar zijn. Zij verzocht een dwangsom van € 1.000.000,- per dag of een gedeelte daarvan dat [verweerder] niet aan de beschikking voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.7 Uit hetgeen het hof vaststelt in rov. 3.11-3.13 blijkt inderdaad dat er mogelijk sprake is van miljoenen USD aan schade. Maar daaruit volgt nog niet dat ook alleen een dwangsom van € 1.000.000,- per dag, althans meer dan € 10.000.- respectievelijk € 100.000,- een voldoende prikkel tot nakoming vormt. Over [verweerder] financiële positie heeft Aprisco c.s. bijvoorbeeld niets gesteld. De opgelegde dwangsom valt binnen de vrijheid die het hof had. De daartegen gerichte cassatieklachten kunnen niet slagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">18Verschrijving of fouten in het dictum 18.1 Volgens onderdeel 12 is op twee punten sprake van fouten in het dictum.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.2 Subonderdeel 12.1 klaagt dat in het dictum op p. 7, tweede alinea, sprake is van een kennelijke verschrijving waar het hof [verweerder] veroordeelt tot inzage van ‘alle correspondentie die vanaf 1 januari 2010 namens Nativa NM en Missy is verzonden’. Bedoeld zal zijn Nativa Mariposa Morpho, eerder in rov. 3.17 van de tussenbeschikking afgekort tot Nativa Mariposa, in plaats van ‘Nativa NM’.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.3 De klacht slaagt. Er is sprake van een kennelijke verschrijving. Uit rov. 3.17 van de tussenbeschikking en ook uit onder meer rov. 2.5 van de tussenbeschikking en rov. 2.3 van de eindbeschikking blijkt dat het hof bedoelt Nativa Mariposa. De Hoge Raad (of het verwijzingshof) kan dit verbeteren door te bepalen dat [verweerder] wordt veroordeeld inzage of afschrift (kopieën) te verstrekken van correspondentie die namens Nativa Mariposa en Missy is verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.4 Subonderdeel 12.2 klaagt dat de dwangsomveroordeling in rov. 3.7 van het dictum niet aansluit bij de veroordeling in het dictum onder rov. 3.2, omdat [verweerder] onder 3.2 van het dictum zelf wordt veroordeeld om aan Aprisco c.s. inzage of afschrift (kopieën) te verstrekken en de dwangsomveroordeling betrekking heeft op het gebod in rov. 3.7 om te gehengen en gedogen dat de deurwaarder en/of DigiJuris B.V. inzage en afschrift aan Aprisco c.s. zal verschaffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.5 Dit subonderdeel is ongegrond. [verweerder] wordt onder 3.2 van het dictum inderdaad veroordeeld om inzage of afschrift te verschaffen. Onder 3.3 van het dictum heeft het hof echter bepaald ‘dat inzage en afschrift zal worden verschaft doordat de deurwaarder en/of de gerechtelijk bewaarder DigiJuris B.V.’ aan de hand van het bepaalde onder 3.2 en 3.3 een selectie maken van de beslagen bescheiden, waarna een afschrift van deze selectie aan Aprisco c.s. zal worden verstrekt, nadat, kort gezegd, [verweerder] in de gelegenheid is gesteld bezwaar te maken tegen de vertrekking van concrete in de selectie opgenomen bescheiden (rov. 3.4). [verweerder] is dus veroordeeld tot het verschaffen van inzage of afschrift van zijn bescheiden, maar de uitvoering daarvan geschiedt door de deurwaarder. Dat dient hij te gehengen en gedogen. Uit rov. 2.19 blijkt tevens dat het hof beoogd heeft dat [verweerder] zijn medewerking aan de inzage verleend, bijvoorbeeld door het verstrekken van wachtwoorden of andere inloggegevens om toegang tot bescheiden te krijgen. Dat dient m.i. mede onder ‘gehengen en gedogen’ verstaan te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">19Voortbouwende klachten en proceskosten 19.1 Onderdeel 13 bevat in subonderdeel 13.1 en 13.2 alleen voortbouwende klachten. Subonderdeel 13.3. bevat klachten over de proceskostenveroordeling. Nu de conclusie tot vernietiging van de bestreden beschikking strekt, behoeven deze klachten geen behandeling. Het hof na verwijzing zal opnieuw over de proceskostenveroordeling moeten oordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">20Slotsom 20.1 De slotsom is de volgende.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dat het hof de inzage in de administratie van Missy heeft beperkt tot de fysieke administratie die zich bij EY Costa Rica bevond en die in oktober 2022 door EY aan [verweerder] is afgegeven, houdt in cassatie stand (onderdelen 2, 3, 4 en 5).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Ten onrechte is alleen aan Missy en niet ook aan Aprisco en MPH inzage verleend in de fysieke dossiers die [verweerder] via EY verkreeg (subonderdeel 2.6).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De beperking van de toewijzing van de inzage in correspondentie tot de beslagen bescheiden houdt stand (subonderdelen 4.5-4.7).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De beperking van de toewijzing van inzage tot correspondentie die namens Nativa Mariposa (en niet: Nativa NM, zie subonderdeel 12.1) en Missy is verzonden, ontvangen en of opgemaakt of bewerkt, houdt geen stand voor zover die inzage is beperkt tot de periode na 1 januari 2010 (onderdeel 6).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De beperking tot correspondentie die voldoet aan de vastgoedvoorwaarde houdt wel stand (onderdeel 7).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dat geldt ook voor de beperking van de inzage door het gebruik van zoektermen (onderdeel 8).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dat geldt eveneens voor het uitzonderen van correspondentie met de eigen notaris en advocaat van Aprisco c.s. (subonderdeel 9.1).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Ook de wijze waarop het inzageverzoek ten aanzien van de belastingadviseur is toegewezen kan in stand blijven (subonderdeel 9.2).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Ten onrechte is niet beslist op het verzoek om inzage in correspondentie die is gevoerd met of vanaf privémailadressen van [verweerder] (onderdeel 10).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dat het hof geen ruimere inzage heeft toegewezen op grond van het beroep van Aprisco c.s. op een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording houdt in cassatie stand (onderdeel 1).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De door het hof vastgestelde dwangsommen houden stand (onderdeel 11).</div>\n<p class=\"lf-p\">21Conclusie De conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging van de beschikkingen van het hof van 15 juli 2024 en 17 februari 2025 en tot verwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Hof Arnhem-Leeuwarden 15 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4661, RBP 2024/79, Nieuws Burgerlijk Procesrecht 2024/237. Zie voor de eindbeschikking Hof Arnhem-Leeuwarden 17 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:795.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Noord-Nederland 2 mei 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:1394.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Noord-Nederland 21 maart 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:2703.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 15 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4661.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 17 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:795.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding is op 14 maart 2025 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader mijn conclusie van 12 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:996, onder 6.22-6.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit juridisch kader is gedeeltelijk ontleend aan mijn conclusie van 4 juli 2025, ECLI:NL:PHR:2025:753, onder 4.5-4.14 en 5.19-5.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook rov. 3.6.3 van HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834, NJ 2016/50, m.nt W.D.H. Asser (Schietincident Alphen aan de Rijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook conclusie A-G Snijders 20 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:967 voor HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1773 (Belba), onder 3.3-3.11. Zie over de vereisten van art. 843a lid 1 (oud) Rv ook zijn eerdere conclusie van 8 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:771 voor HR 3 november 2023 (81 RO), onder 3.4-3.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. conclusie A-G Wesseling-van Gent 3 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:10, voor HR 1 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:830, onder 2.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1706 (ISG c.s./Cornefruit c.s), rov. 3.5.4..</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Snijders 8 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:771 voor HR 3 november 2023 (81 RO), onder 3.8. Zie nader over het vereiste van een rechtmatige belang ook onder 3.6 en 3.7 van zijn conclusie en bijv. ook de conclusie van A-G Wesseling-van Gent, 3 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:10 voor HR 1 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:830, onder 2.6-2.11; J.R. Sijmonsma, ‘Het inzagerecht van artikel 843a Rv nader bezien, TvPP 2019/4, p. 106.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3263, NJ 2013/287 m.nt. H.B. Krans, rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. en zie nader o.a. L.A. Bosch, in: T&amp;C Rv, art. 843a Rv, aant. 2b en 3, Deventer: Wolters Kluwer 2024; T.R.B. de Greve, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a Rv, aant. 2 (actueel t/m 01-01-2024); Conclusie A-G Snijders 8 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:771 voor HR 3 november 2023 (81 RO), onder 3.8; J. Ekelmans, De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/6.2.3-6.2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1773, JBPR 2025/5, m.nt. G.J. Harryvan, JIN 2025/26, m.nt. P.H. Bossema-De Greef, JOR 2025/75, m.nt C.M. Harmsen (Belba), rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7774, NJ 2006/547, JBPr 2007/6, m.nt L.G.A. Linssen, AA 2007-14, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.3.2-3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.A. Bosch, in: T&amp;C Rv, art. 843a Rv (1 januari 2024), aant. 3a; J.R. Ekelmans, De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/6.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.G. Castermans &amp; H.B. Krans, T&amp;C BW, art. 7:403 BW, aant. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/113, 114; A.H. Lamers, Opdracht, lastgeving en bemiddeling (Deel 15 NTHR-reeks), Zutphen: Paris 2012, p. 78; Concl. A-G Wissink 13 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:270, voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1290 (81 lid 1 RO), onder 2.9, 2.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. TM, Parl. Gesch. BW Inv. 7, p. 326. Zie HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561, NJ 1995/548, m.nt. W.M. Kleijn; HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1848, NJ 2022/2, JOR 2022/139, m.nt C.M. Harmsen, rov. 3.2; A.H. Lamers, Opdracht, lastgeving en bemiddeling (Deel 15 NTHR-reeks), Zutphen: Paris 2012, p. 78; concl. A-G Wissink 13 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:270, voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1290 (81 lid 1 RO), onder 2.9, 2.11; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/112, 114; A.G. Castermans &amp; H.B. Krans, in: T&amp;C BW, art. 7:403 BW, aant. 3 (actueel t/m 01-09-2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/115 en S.Y.Th. Meijer, Bijzondere overeenkomsten (SBR 6), 2023/239.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/115.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.H. Lamers, Opdracht, lastgeving en bemiddeling (Deel 15 NTHR-reeks), Zutphen: Paris 2012, par. 5.4 en 5.5.1; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/112.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1848, NJ 2022/2, JOR 2022/139, m.nt. C.M. Harmsen, rov. 3.2, waarin de Hoge Raad verwijst naar HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089, NJ 2014/251, rov. 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:830, JBPR 2023/60, m.nt. G.J. Harryvan, JOR 2023/256, m.nt. R.L. Ubels (Solid Nature), rov. 3.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1773, JBPR 2025/5, m.nt. G.J. Harryvan, JIN 2025/26, m.nt. P.H. Bossema-De Greef, JOR 2025/75, m.nt. C.M. Harmsen (Belba), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, NJ 2022/288, m.nt. H.B. Krans, JIN 2020/138, m.nt. A.F. Veldhuis &amp; J.E. Mink (Semtex), rov. 3.1.4. Eerder had de Hoge Raad al geoordeeld dat deze maatstaf gold voor zaken betreffende intellectuele eigendomsrechten (HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (AIB/Novisem), rov. 4.1.5, en HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834 (Synthon/Astellas), rov. 3.2.1-3.2.2) en bedrijfsgeheimen (HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775 (Organik/Dow), rov. 5.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.1.5 van het arrest Semtex, vindplaats vorige voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2019/20, 35 498, nr. 3 (MvT), p. 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding randnr. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie procesinleiding, p. 19 liggende streepje en tweede bolletje; p. 20, bolletje; p. 23, eerste liggende streepje.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, p. 23, eerste liggende streepje.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze producties zijn door Aprisco c.s. overgelegd bij akte van 8 april 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van repliek, randnr. 92.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van repliek, randnr. 6 en randnr. 73 (“[verweerder] betoogt voorts dat de selectietermijn van 14 dagen te kort is. Verzoekers betwisten dat. Voor het retourneren van de fysieke administratie (althans het verstrekken van kopieën daarvan) is dit per definitie niet een te korte termijn. Die (kopie van de) administratie dient immers integraal te worden verschaft, zonder dat [verweerder] daarin iets selecteert. Voor de overige stukken is de selectietermijn evenmin te kort. Verzoekers hebben immers heldere parameters geformuleerd voor hun exhibitieverzoek.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar verzoekschrift, randnr. 8, 20 en 14 sub (g).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar akte na tussenbeschikking, randnr. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar het verzoekschrift, p. 16, onder IV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie vorige noot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. verweerschrift [verweerder] in hoger beroep, randnr. 5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de pleitaantekeningen van Aprisco c.s. in hoger beroep (randnr. 10-b), waar zij stelt daar dat [betrokkene 1] Nativa hoog heeft laten taxeren om een onjuist beeld te scheppen van de waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift Aprisco c.s., randnr. 34-35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar verzoekschrift, randnr. 8, 20 en 14 sub (g).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift, randnr. 40. Zie op het punt van rekening en verantwoording ook randnr. 47 en 48: “De stukken die Aprisco vraagt hebben voornamelijk betrekking op het beheer en de ontwikkeling van vastgoed in (een specifiek deel van) Costa Rica, het Nativa Resort.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift, randnr. 48.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift Aprisco, randnr. 131.</p>\n<p class=\"lf-p\">Akte na tussenbeschikking Aprisco c.s., randnr. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar randnr. 122 van het beroepschrift van Aprisco c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. L.A. Bosch, in: T&amp;C Rv, art. 843a Rv, aant. 7, Deventer: Wolters Kluwer 2024; T.R.B. de Greve, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a Rv, aant. 3.5 (actueel t/m 01-01-2024). Zie over het per 1 januari 2025 geldende inzagerecht: Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3, p. 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9244, NJ 2013/220 (X/Theodoor Gilissen), rov. 3.8.4. Vgl. ook T.R.B. de Greve, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a Rv, aant. 3.5 (actueel t/m 01-01-2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eindbeschikking van de rechtbank, rov. 5.3. Zie ook rov. 4.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de volgende zin uit de repliek van Aprisco c.s., randnr. 81: “Verder meent [verweerder] dat de afbakening te ruim is omdat het verzoek zich niet beperkt tot bescheiden die [verweerder] daadwerkelijk tot zijn beschikking heeft.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Met verwijzing naar beroepschrift Aprisco c.s., randnr. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift, randnr. 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar beroepschrift Aprisco c.s., randnr. 74.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar verweerschrift Aprisco c.s. in hoger beroep, randnr. 90-91.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar beroepschrift Aprisco c.s., randnr. 29-30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar beroepschrift Aprisco c.s., randnr. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de door De Greve genoemde voorbeelden uit de feitenrechtspraak. T.R.B. de Greve, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a Rv, aant. 3.5 (actueel t/m 01-01-2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar beroepschrift Aprisco c.s., randnrs. 111-112.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweerschrift hoger beroep [verweerder] , randnr. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Akte na tussenarrest [verweerder] , randnr. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar het beroepschrift, randnr. 99-101.</p>\n<p class=\"lf-p\">Akte na tussenarrest Aprisco c.s., randnr. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar beroepschrift, randnr. 108 en 117.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift, randnr. 108 en 117.</p>\n<p class=\"lf-p\">Akte na tussenbeschikking Aprisco c.s., randnr. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Akte na tussenbeschikking Aprisco c.s., randnr. 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Akte na tussenbeschikking [verweerder] , randnrs. 16-29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Akte na tussenbeschikking [verweerder] , randnr. 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar de akte na tussenbeschikking van Aprisco c.s., par. 34, sub a onder 2, onder verwijzing naar bronnen waaruit de lijst is opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spreekaantekeningen Aprisco c.s. in hoger beroep, randnr. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift, randnr. 39-45; repliek, randnr. 59-60 Spreekaantekeningen Aprisco c.s. 31 januari 2023, randnr. 37-39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift, randnr. 17-21; verweerschrift Aprisco c.s. in hoger beroep, randnr. 65-66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. verweerschrift [verweerder] in eerste aanleg, randnr. 20, 23, 24; nader verweerschrift (dupliek), randnr. 27-32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, randnr. 19, met verwijzing naar beroepschrift Aprisco c.s., randnr. 71-72; proces-verbaal in hoger beroep, p. 4, verzoekschrift, randnr. 39-45; repliek, randnr. 3, onder a en b en randnr. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, randnr. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. verzoekschrift, randnr. randnr. 16, 19-20, 25, 41-43; beroepschrift Aprisco c.s., grief 3 en 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift [verweerder] , randnr. 40. Zie ook verweerschrift in hoger beroep van [verweerder] , randnr. 10 (dat verwijst naar 7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. dupliek, randnr. 53-38; verweerschrift [verweerder] in hoger beroep, randnr. 11-14, 18, 42; beroepschrift [verweerder] , randnr. 38; akte na tussenbeschikking, tevens antwoordakte, randnr. 7. Zie ook de eindbeschikking van de rechtbank, rov. 4.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar het beroepschrift van Aprisco c.s., randnr. 20 en het verweerschrift in hoger beroep van Aprisco c.s., randnr. 66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweerschrift in hoger beroep van Aprisco c.s., randnr. 66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 4 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8917, NJ 1989/244, m.nt. M. M. Mendel (Shell/ […]), r.o. 3.3; HR 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6343, NJ 2000/535 (D/Ned. Antillen)), rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. P. de Bruin, in GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 611a Rv, aant. 6; A.W. Jongbloed, in: T&amp;C Rv, art. 611a Rv, aant. 7 en algemener: A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Cassatie (BPP nr. 20) 2019/82-83.</p></div>", "next": 0}