{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">“De aard van de gegevensDe rechtbank zal enkele aanvullende opmerkingen maken aangaande de aard en inhoud van de gegevens. Het gaat om drie opgenomen gesprekken, namelijk een gesprek tussen een voormalig cliënt van [klager] en Peter R. de Vries en twee gesprekken tussen de drie (voormalig) kantoorgenoten [klager] , [medeklager] en Peter R. de Vries . Ten aanzien van [medeklager] (klager) geldt dat hij een beperkte rol speelt. Het betreft immers niet zijn cliënt met wie is gesproken en zijn inbreng in de gesprekken is beperkt. Dat maakt dat ook een eventuele inbreuk op zijn verschoningsrecht beperkt van aard is. Daarbij komt dat in de driegesprekken niet wordt gesproken over een strafzaak, processtrategie of evidente zaken die het verdedigingsbelang dienen, maar vooral hoe een dubieuze kwestie zowel intern, als extern het beste kan worden afgewikkeld. De rechtbank meent dan ook dat de gegevens in elk geval niet tot de kern van het verschoningsrecht kunnen worden gerekend, wat meespeelt bij de weging of het belang dat het verschoningsrecht dient zou moeten prevaleren boven het belang van de waarheidsvinding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie Als de rechtbank het voornoemde samenvat: er is sprake van een redelijke verdenking van een buitengewoon ernstig strafbaar feit jegens een advocaat ( [klager] ). De gegevens waarop het verschoningsrecht van toepassing is, zijn essentieel voor het onderzoek naar de verdenking jegens [klager] en kunnen niet op andere wijze worden verkregen. Hierbij is bovendien van belang dat de inhoud van de gegevens weliswaar binnen het domein van het verschoningsrecht vallen (en als zodanig worden getoetst), maar niet de kern ervan raken. Ten aanzien van [medeklager] geldt verder dat zijn rol en inbreng en daarmee de inbreuk op zijn verschoningsrecht, beperkt is. Weliswaar is de verdenking gericht tegen [klager] (als advocaat), maar gelet op de aard en inhoud van de gesprekken (zie hiervoor) is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van [medeklager] (ook kijkend naar zijn summiere inbreng in de gesprekken) een doorbreking van zijn verschoningsrecht (als niet-verdachte verschoningsgerechtigde) gerechtvaardigd is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 Het middel stelt terecht dat het bestaan van zeer uitzonderlijke omstandigheden steeds specifiek dient te worden onderzocht in relatie tot het verschoningsrecht van de klager. Het enkele feit dat deze omstandigheden zijn aangenomen in relatie tot een andere verschoningsgerechtigde is daarvoor onvoldoende. Uit de bestreden beschikking, die een beslissing inhoudt op de beide klaagschriften van zowel de klager als de medeklager, volgt dat de rechtbank deze afzonderlijke beoordeling ook heeft uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 Naar het mij voorkomt brengt het voorgaande echter ook mee dat de klager geen belang heeft bij de bespreking van het middel, omdat hier niet zijn verschoningsrecht, maar dat van de medeklager in het geding is. Een verschoningsrecht komt immers toe aan verschoningsgerechtigden zelf en het is alleen aan hen om af te wegen of zij zich daar wel of niet op beroepen. Dit beginsel ligt ook ten grondslag aan de rechtspraak dat in het geval een cliënt van een verschoningsgerechtigde een klaagschrift indient tegen een beslag op of gebruik van geprivilegieerde informatie, eerst de rechter-commissaris het materiaal dient te beoordelen en dat dan de verschoningsgerechtigde de gelegenheid moet worden gegeven een klaagschrift in te dienen. De uitkomst van die procedure bepaalt dan hoe het beklag van de cliënt wordt afgedaan. Een mogelijke uitkomst is dat verschoningsgerechtigde geen klaagschrift indient tegen de beslissing van de rechter-commissaris. In dat geval moet het ervoor worden gehouden dat door de verschoningsgerechtigde geen beroep wordt gedaan op zijn verschoningsrecht. De beslagene moet dan niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift. Hieruit volgt dat het verschoningsrecht in die zin een persoonlijk recht is waarvoor de verschoningsgerechtigde in beginsel zelf moet opkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5 Overigens zou het derde middel ook buiten bespreking moeten blijven vanwege de slagende grond voor cassatie en de door de rechtbank aangenomen verwevenheid van de in relatie tot de klager en de medeklager aan te nemen zeer uitzonderlijke omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Afronding 8.1 Het eerste middel faalt, het tweede middel slaagt en het derde middel kan buiten bespreking blijven. Indien de Hoge Raad anders oordeelt, word ik graag in gelegenheid gesteld over het derde middel aanvullend te concluderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 Deze conclusie strekt tot vernietigt van de beschikking van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG ECLI:NL:RBAMS:2025:1014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de laatste ontwikkelingen op dit gebied S.R. van Breukelen en M.A. de Mik, ‘Het verschoningsrecht in opsporingsonderzoeken; Stand van zaken en recente ontwikkelingen’, Tijdschrift voor Strafrecht &amp; Onderneming, 2025, p. 123-137.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1989/90, 21 551, nr. 3, p. 12 en Kamerstukken II 2003/04, 29 441, nr. 3, p. 12. Art. 134 Sv luidt: “Onder inbeslagneming van eenig voorwerp wordt verstaan het onder zich nemen of gaan houden van dat voorwerp ten behoeve van de strafvordering.” Van “onder zich nemen” is sprake als “de vrije beschikking over het voorwerp voor hem, onder wien het in beslag wordt genomen, wordt opgeheven en het voorwerp onder de macht van den beslagleggenden ambtenaar is gekomen”, aldus HR 2 juni 1936, NJ 1936/1015. Dat is bij gegevens niet mogelijk omdat zij naar hun aard op verschillende plekken tegelijk aanwezig kunnen zijn en dus na een ‘beslag’ behouden zouden blijven voor degene bij wie ze zijn aangetroffen. Vgl. HR 3 december 1996, NJ 1997/574, rov. 6.4 en de bijbehorende conclusie van (toen nog) AG Fokkens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1989/90, 21 551, nr. 3, p. 12 en 13, herhaald in Kamerstukken II 2003/04, 29 441, nr. 3, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.S. Lambertina, ‘art. 94 Sv’, in Tekst &amp; Commentaar Wetboek van Strafvordering, Deventer: Wolters Kluwer (online; actueel tot en met 1 maart 2025), aant. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205, rov. 2.7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:553, rov. 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 19 november 2014, Stb. 2014, 445.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 685, nr. 3, p. 10-11.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:312, rov. 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 98 Sv is ook van overeenkomstige toepassing verklaard bij een ambtshalve door de rechter-commissaris uitgevoerde doorzoeking (art. 110 Sv), bij een strafrechtelijk financieel onderzoek (art. 126d Sv), bij een onderzoek in het kader van een herziening ten voordele van de verdachte (art. 464 Sv) en de uitvoering van een rechtshulpverzoek ter inbeslagneming (art. 5.5.5 lid 1 Sv) of ter bevriezing (art. 5.5.15 S lid 2 Sv). Daarmee wordt wel het toepassingsgebied van het artikel uitgebreid, maar niet het type handeling waartegen beklag mogelijk is: het gaat in alle gevallen nog steeds om inbeslagneming als bedoeld in art. 98 lid 1 Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560, rov. 3.3.1 (civiele kamer). In het geval dat selectie van de (digitale) stukken en gegevens noodzakelijk is gebleken, kan ook de manier waarop de selectie heeft plaatsgevonden in de beoordeling van het beklag worden betrokken, aldus HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578, rov. 3.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1960, rov. 4.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2537, rov. 3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 5.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 5.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de noot van Mevis onder dit arrest in NJ 2024/87, randnr. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:377, rov. 2.3.4 (civiele kamer).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076, rov. 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:223, rov. 4.6 (de klager ex 552a Sv is zelf de verschoningsgerechtigde) en HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:316, rov. 2.7 (de klager ex art. 552a Sv is niet de verschoningsgerechtigde).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268, rov. 5.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in vergelijkbare zin HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:456, rov. 5.6 over gegevens die niet in beslag waren genomen HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rov. 6.3.5 (civiele kamer).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een uitgebreide weergave en analyse van de totstandkomingsgeschiedenis van deze beklagmogelijkheden de conclusie van AG Knigge van 17 januari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU2046.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, rov. 6.3.5 (civiele kamer).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5510, rov. 2.1. In deze zaak kon overigens ook de vraag worden gesteld of het betreffende voorwerp, een externe harde schijf, een geautomatiseerd werk was.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:71, rov. 2.3 en HR 3 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:369, rov. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 5.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:456, rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560, rov. 3.4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:456, rov. 5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer meer dan één klaagschrift is ingediend door dezelfde persoon, pleit de Hoge Raad voor gezamenlijke afdoening, HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:314, rov. 2.7 en rov. 2.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 4.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder inbeslagneming valt volgens art. 134 lid 1 Sv niet alleen een voorwerp “onder zich nemen”, maar ook “gaan houden” ten behoeve van de strafvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hier voorgestane overeenkomstige toepassing zou grotendeels in overeenstemming zijn met de regeling die is voorzien in het voorgestelde nieuwe Wetboek van Strafvordering (NSv; Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 2). Van gegevens die vermoedelijk geprivilegieerd zijn en bij een ander dan de functionele verschoningsgerechtigde “zijn aangetroffen of overgenomen”, wordt alleen kennisgenomen met toestemming van de rechter-commissaris (art. 2.7.66 lid 1 NSv). Onder “overnemen” wordt verstaan het kopiëren van gegevens uit een externe bron (art. 2.1.1 NSv). Tegen de beslissing van de rechter-commissaris kan de functioneel verschoningsgerechtigde beroep instellen bij de rechtbank, waarna cassatie openstaat (art. 2.7.71 lid 1 en 3 NSv).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het klaagschrift vermeldt immers: “De geluidsbestanden in de beslissing dienen niet alleen ontoegankelijk gemaakt te worden, deze dienen ook vernietigd te worden”.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578, rov. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnrs. 4.24- 4.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnrs. 4.18-4.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eis van daadwerkelijke kennisname of gebruik komt terug in HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:71, rov. 2.3 en HR 3 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:369, rov. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De memorie van toelichting bij de wet waarmee deze beklagmogelijkheid is ingevoerd, bevat een aanwijzing dat niet van belang is of het geautomatiseerde werk waarin onderzoek wordt gedaan door middel van een dwangmiddel is verkregen, zie Kamerstukken II 1998/99, 26 671, nr. 3, p. 50 en 55. De uiteindelijke wet week wel af van het oorspronkelijke ontwerp waarop deze memorie van toelichting was gebaseerd, zie AG Knigge, ECLI:NL:PHR:2012:BU2046, randnr. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9162, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1566, rov. 2.4.1 en HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268, rov. 5.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1268, rov. 5.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1566, rov. 2.4.1. en 2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dezelfde zin HR 14 oktober 1986, NJ 1987/490, rov. 4.1.2, 4.1.3 en 5.1; HR 18 juni 2002, ECLI:NL:HR:20022:AD5297, rov. 5.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9262, rov. 3.3 en 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302, rov. 3.3.3 (onder verwijzing naar HR 30 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0491, rov. 5.4.3 en HR: 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1324, rov. 2.3.2. In dat laatste arrest wordt verder overwogen dat dezelfde volle toets moet plaatsvinden of de inbeslaggenomen brieven of geschriften voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3314, rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 oktober 1986, NJ 1987/490, rov. 4.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de noot van T.M. Schalken onder HR 30 oktober 2007, NJ 2008/115.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immers, zo overweegt de Hoge Raad in HR 10 oktober 1950, NJ 1951/356, de uit het verschoningsrecht voortvloeiende beperking van de bevoegdheid tot inbeslagneming vindt haar grond, niet in het belang van de verschoningsgerechtigde, maar in de bescherming van degenen die, vertrouwende op zijn verplichting tot geheimhouding, hun aangelegenheden aan hem toevertrouwden.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1740, rov. 4.2. In HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5665, rov. 4.5 heeft de Hoge Raad overwogen dat het enkele gegeven dat kennisneming van de stukken essentieel is voor de waarheidsvinding een onvoldoende motivering vormt voor het oordeel dat het belang van de waarheidsvinding zwaarder moet wegen dan het verschoningsrecht, waarbij meespeelde dat de verschoningsgerechtigde niet zelf verdachte was. Wel mag het bestaan van een onderzoeksbelang jegens de medeverdachte van een verdachte verschoningsgerechtigde worden meegewogen door de rechtbank, HR 14 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4418, rov. 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1290, rov. 3.4. Vgl. HR 17 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1876, rov. 6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302, rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de overige vier geluidsbestanden kwam de rechter-commissaris aan de beantwoording van die vraag niet toe, omdat de inhoud daarvan, zo luidt de beslissing, “voor de door het openbaar ministerie geformuleerde verdenking niet relevant [is]” (zie de beslissing van de rechter-commissaris van 25 oktober 2024, blad 3 (onderaan)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 5.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 5.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 5.12. Dat is iets anders dan de onder 5.14 genoemde eis dat de betreffende gegevens geen verband houden met een normale advocaat-cliënt relatie, die volgens de Hoge Raad niet geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 5.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 5.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 5.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 32 382, nr. 10, p. 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2009/10, 32 382, nr. 3, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2014, 354.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 32 382, nr. 10, p. 66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder wordt nogmaals herhaald dat de rechtbank niets zou hebben overwogen over de belangen van de cliënten (zie daarover randnr. 6.3) en wordt zijdelings opgemerkt dat in een van de geluidsfragmenten bij herhaling namen van andere cliënten worden genoemd. Op dat laatste kom ik bij randnrs. 6.27 en 6.28 terug.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het klaagschrift stelt in randnr. 46 dat dit ook geldt voor de twee andere “gesprekken”, waarbij ik aanneem dat wordt gedoeld op de twee andere geluidsbestanden. De drie bestanden zien immers op in totaal twee gesprekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 5.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr 5.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 20 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5979, rov. 2.6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 4.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076, rov. 2.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnr. 4.20 voor het geval dat de verschoningsgerechtigde was overleden.</p></div>", "next": 0}