{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het staat de rechter op zichzelf vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet ten laste gelegd feit i) wanneer het gaat om een ad informandum gevoegd feit en – in een geval waarin de verdachte ter terechtzitting is verschenen – op grond van de door de verdachte ten overstaan van de rechter die de straf oplegt gedane erkenning, aannemelijk is geworden dat hij dat feit heeft begaan en ervan mag worden uitgegaan dat het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake van dat feit zal instellen, ii) wanneer dit feit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan, dan wel iii) wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het grootschalige karakter van een delict kan een voor de straftoemeting relevante omstandigheid betreffen, ook al volstaat de tenlastelegging met de beschrijving van een beperkt aantal strafbare feiten. Dat grootschalige karakter dient op grond van het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk te zijn geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het vierde middel 5.10 In de toelichting op het middel wordt met betrekking tot de eerste deelklacht aangevoerd dat uit de motivering van de strafoplegging naar voren komt dat het hof de verdachte meerdere oplichtingen verwijt en dat het hof die omstandigheid in strafverzwarende zin heeft meegewogen in de straftoemeting. Dat oordeel is volgens de stellers van het middel onbegrijpelijk aangezien de verdachte is veroordeeld voor één oplichting. Daaraan doet niet af dat de verdachte ook is veroordeeld voor het witwassen van geldbedragen die afkomstig zijn uit oplichtingen van andere slachtoffers, omdat niet is bewezenverklaard dat de verdachte die oplichtingen heeft medegepleegd en/of dat hij daarop opzet heeft gehad. Met betrekking tot de tweede deelklacht wordt – kort gezegd – aangevoerd dat het (kennelijke) oordeel van het hof dat de verdachte over voldoende financiële middelen beschikt om de opgelegde geldboete te betalen in het licht van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman over de financiële situatie van de verdachte naar voren is gebracht, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede deelklacht 5.11 De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een geldboete geen optie is. In het licht daarvan heeft de verdediging over de financiële positie van de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte zijn onderneming is kwijtgeraakt, dat zijn woning executoriaal is verkocht en dat de overwaarde – vanwege het conservatoir beslag dat daarop rust – is overgemaakt naar de bankrekening van het Openbaar Ministerie, dat de verdachte werkloos is, dat hij leeft in armoede, dat hij schulden heeft die hij tot op de dag van vandaag niet kan aflossen en dat hij vanwege zijn financiële situatie ook niet kan reizen naar Nederland om bij de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep aanwezig te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 Het hof heeft uitgelegd waarom het gezien de ernst van de feiten en de rol die de verdachte daarbij vervulde een geldboete van € 150.000,- gepast acht. Het hof heeft zich echter niet uitgelaten over (de aannemelijkheid van) hetgeen door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd over de financiële positie van de verdachte en heeft evenmin (nader) gemotiveerd waarom hij kennelijk toch van oordeel is dat de verdachte in staat is om die geldboete te betalen. Gelet op hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd over de financiële positie van de verdachte is het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte in staat moet worden geacht om de opgelegde geldboete van € 150.000,- te voldoen zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Wat betreft de opgelegde geldboete is de strafoplegging dus niet naar de eis van de wet met redenen omkleed.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13 De tweede deelklacht, en daarmee het vierde middel, slaagt. Gelet daarop behoeft de eerste deelklacht geen bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Het vijfde middel 6.1 In het middel wordt geklaagd dat “het gerechtshof bij de beslissing tot oplegging van de vervangende hechtenis bij de aan [de verdachte] opgelegde geldboete de bij wet bepaalde maximale duur daarvan heeft overschreden, en/of in strijd met art. 1 lid 2 Sr niet bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is de voor [de verdachte] gunstigste bepalingen heeft toegepast.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Het hof heeft aan de verdachte onder meer een geldboete van € 150.000,00 opgelegd en daarbij bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis voor de duur van 365 dagen kan worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het juridisch kader 6.3 In art. 24c lid 3 Sr is bepaald dat de duur van de aan de geldboete verbonden vervangende hechtenis ten hoogste één jaar beloopt. Bij de (partiële) inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) op 1 januari 2020 is (ook) art. 88 Sr gewijzigd. In dat artikel wordt een omschrijving gegeven van enkele in het wetboek voorkomende tijdseenheden die onder meer van belang is voor het berekenen van de duur van een sanctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4 Tot 1 januari 2020 luidde art. 88 Sr als volgt: “Onder maand wordt verstaan een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.5 Vanaf 1 januari 2020 luidde art. 88 Sr als volgt: “Onder jaar wordt verstaan een tijd van twaalf maanden, onder maand een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6 Door deze wijziging van art. 88 Sr duurt één jaar in het materiële strafrecht 12 maanden van elk 30 dagen (in totaal 360 dagen).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7 Op 25 juli 2020 trad de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen in werking. Op grond van art. II, onderdeel G, van deze wet is art. 88 Sr komen te luiden zoals het vóór 1 januari 2020 luidde. Daarmee is de definitie van ‘jaar’ in die bepaling komen te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8 De wijziging van art. 88 Sr per 1 januari 2020 is in het onderhavige geval mede bepalend voor de toepasselijke maximale duur van de vervangende hechtenis die aan de geldboete is verbonden. Deze wijziging betreft dus een verandering van regels van sanctierecht. Daarover heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, NJ 2020/409, m.nt. J.M. ten Voorde, rov. 4.3 het volgende overwogen: “Vooropgesteld dient te worden dat voor regels van sanctierecht, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen, geldt dat een sinds het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang – en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten – moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt, alsmede dat eventueel door de wetgever geformuleerde bijzondere overgangsbepalingen zullen moeten passen binnen artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 15 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en – voor zover van toepassing – artikel 49 lid 1 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Indien dat laatste niet het geval is, zal de rechter deze bepalingen buiten toepassing moeten laten (vgl. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878).”</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het vijfde middel 6.9 In het onderhavige geval doet zich de situatie voor dat een regel van sanctierecht na het begaan van de feiten ten gunste van de verdachte is gewijzigd, maar die wijziging in de loop van de procedure weer is teruggedraaid. In HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812 en HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1743 was sprake van een vergelijkbare situatie. Uit die arresten kan worden afgeleid dat in zo’n geval art. 88 Sr zoals dat artikel luidde van 1 januari 2020 tot 25 juli 2020 van toepassing is, omdat die bepaling voor de verdachte “of all the laws in force during the period between the commission of the offence and delivery of the final judgment” de meest gunstige is. In HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812, rov. 3.3 overwoog de Hoge Raad “als de duur van de vervangende hechtenis meer dan 360 dagen bedraagt, de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast moet worden bepaald op een jaar en dat in dit verband (…) onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan” en in HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1743, rov. 2.3 overwoog de Hoge Raad met verwijzing naar HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812 “dat ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel gijzeling kan worden toegepast voor de duur van ten hoogste een jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan”.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.10 Het voorgaande brengt mee dat in het onderhavige geval de aan de geldboete verbonden vervangende hechtenis maximaal 360 dagen beloopt. Daaraan doet niet af dat na de inwerkingtreding van de spoedreparatiewet op 25 juli 2020 de maximale duur van de vervangende hechtenis weer 365 dagen is. Indien de Hoge Raad mij met betrekking tot het tweede en/of het vierde middel niet volgt, kan de Hoge Raad bepalen dat de aan de geldboete verbonden vervangende hechtenis voor de duur van ten hoogste één jaar kan worden toegepast, waarbij onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.11 Het vijfde middel slaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Slotsom 7.1 Het eerste en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met een op art. 81 RO gebaseerde overweging. De tweede, vierde en vijfde middelen slagen (deels).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 9 februari 2023. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in cassatie is overschreden. Indien de Hoge Raad mij met betrekking tot het tweede en/of het vierde middel niet volgt, zal deze overschrijding van de redelijke termijn moeten leiden tot strafvermindering in een mate die de Hoge Raad gepast voorkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het de beslissingen over feit 2 en de strafoplegging betreft en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Op twee punten heeft het hof beslissingen genomen over voorvragen van art. 348 Sv. In de eerste plaats heeft het hof de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde partieel nietig verklaard voor zover daarin de woorden “onder meer” en “zoals onder andere” zijn opgenomen en in de tweede plaats heeft het hof het Openbaar Ministerie wegens verjaring niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging voor het onder 2 cumulatief en tevens alternatief ten laste gelegde schuldwitwassen en tevens ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vormverzuimverweer dat in de pleitnotities van de raadsman van de verdachte is opgenomen, beslaat ruim 15 pagina’s. Naar mijn mening is de samenvatting van het hof daarvan een goede weergave en bevat deze alle essentiële onderdelen van het verweer. Ook omdat in de cassatieschriftuur niet wordt geklaagd dat deze samenvatting geen recht doet aan het verweer, meen ik dat het onnodig is het verweer in deze conclusie integraal weer te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Y. Buruma en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308, m.nt. B.F. Keulen. Zie ook HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6673, NJ 2012/145, m.nt. M.J. Borgers, rov. 3.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg, rov 2.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Y. Buruma, rov. 3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308, m.nt. B.F. Keulen, rov. 2.4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg, rov. 2.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg, rov. 2.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel het hof op 20 april 2022 en 29 november 2022 anders is samengesteld dan op de zittingen van 11 juli 2018 en 28 april 2022 is het onderzoek ter terechtzitting – zonder instemming van de partijen – hervat in de stand waarin het onderzoek zich bevond op het moment van de schorsingen. Nu hierover in cassatie niet wordt geklaagd, laat ik dit punt verder rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.42-2.48.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16, NJ 2021/93, m.nt. W.H. Vellinga (Keskin tegen Nederland).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1930, NJ 2022/22, rov. 2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 2.12.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 2.12.2. Zie ook HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, NJ 2021/368, m.nt. N. Jörg, rov. 2.4.2, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat de omstandigheid dat het gewicht van de betreffende getuigenverklaring in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor is bij de beoordeling van de vraag of voldaan wordt aan de eisen van een eerlijk proces niet eraan afdoet dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband dienen te worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:801, rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.75.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2855, NJ 2014/450, m.nt. M.J. Borgers en HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2022. Zie ook de conclusie van Bleichrodt, randnrs. 22-27, vóór HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:807. De Hoge Raad deed de zaak af met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:801, rov. 3.4-3.5 en HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1199, NJ 2022/385, m.nt. N. Jörg, rov. 3.3.2-3.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. N. Rozemond.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584, rov. 6.2 en HR 16 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1700, rov. 3.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7387, NJ 1983/84, m.nt. Th.W. van Veen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0806,NJ2012/661, rov. 2.4.3; HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:793, rov. 2.4; HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1691, NJ 2022/54, m.nt. J.M. ten Voorde, rov. 2.4.3; HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:756, rov. 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J.A. van Dorst &amp; M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 360. Zie ook HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129, m.nt. J.M. ten Voorde, rov. 3.4 en HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1641, NJ 2023/131, m.nt. J.M. ten Voorde, rov. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 971.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 972-973.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2430, NJ 2006/330, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie G.K. Schoep in T&amp;C Strafvordering, art. 359, aant. 8b en 8c (online, actueel tot en met 1 maart 2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J.A. van Dorst &amp; M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 362. HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1641, NJ 2023/131, m.nt. J.M. ten Voorde, rov. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4286, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J.A. van Dorst &amp; M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 360-361.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010/586, rov. 2.4; HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896, NJ 2021/400, m.nt. A.H. Klip, rov. 2.3.1; HR 20 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:779, rov. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896, NJ 2021/400, m.nt. A.H. Klip, rov. 2.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 8 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6248; HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY0190, NJ 2006/578; HR 3 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8652 en HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3684.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2017, 82.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2019, 507.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1984, 92.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2020, 225.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2020, 286.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van Bleichrodt, randnrs. 24-26, onder verwijzing naar EHRM 17 september 2009, nr. 10249/03 (Scoppola tegen Italië), par. 119, vóór HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een geval waarin door de Hoge Raad niet wordt overgegaan tot vermindering van de opgelegde straf als bedoeld in HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, rov. 3.1.3 en 3.2 doet zich hier niet voor.</p></div>", "next": 0}