{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">16.</span>Ten aanzien van [aangever 1] geldt dat hij niet heeft benoemd de kenmerken die hem tot herkenning van cliënt als de dief brengen. Het zou bovendien beter zijn geweest als men al het materiaal uit de bus aan hem ter beoordeling had voorgelegd en dan hem de neutrale vraag had gesteld of hij mogelijk iemand herkent. De manier waarop de confrontatie echter gelopen is, is vragen om moeilijkheden. De politieagenten hebben kennelijk op basis van zijn verklaring en de aangifte hun oordeel al klaar. Dat hij tot een bevestiging daarvan komt is onder de gegeven omstandigheden begrijpelijk, maar daarmee nog niet bewijsrechtelijk te billijken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">17.</span>Zodra [aangever 1] de man in de bus herkend heeft als cliënt gaat bewijsrechtelijk gezien het balletje rollen alsof het een sneeuwbal is. Met bijbehorend sneeuwbaleffect. Dit materiaal wordt ook (als vaststaand) aan de andere aangevers voorgehouden in enkelvoudige setting. Ook zij benoemen niet de kenmerken waaraan zij cliënt dan zouden herkennen. (…) Conclusie bewijsverweer (…) 13. Hetzelfde geldt voor de camerabeelden van de Arriva-bus die gevorderd worden. Op basis van deze beelden wordt dan tot een herkenning gekomen van de dief, welke cliënt zou zijn. Deze visuele herkenningen voldoen niet in het minst aan de eisen die de jurisprudentie daaraan stelt. Er worden immers geen specifieke kenmerken genoemd in het gezicht of aan het lichaam waaraan de persoon dan herkend wordt. Bovendien is het onbegrijpelijk dat de herkenningen zijn gedaan middels enkelvoudige fotoconfrontatie, terwijl de diefstallen veelal maanden eerder waren en de aangevers de dader niet kenden. Dat zijn contra-indicaties voor de enkelvoudige herkenning.”</div>\n<p class=\"lf-p\">6.4 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 juni 2023 heeft de raadsman van de verdachte, in aanvulling op hetgeen in de pleitnota is vermeld en voor zover relevant voor de bespreking van het middel, het volgende naar voren gebracht: “Randnummer 7: (...) of überhaupt de persoon die uit bus is gekomen de dief is. (...) Cliënt heeft ook aangegeven: waarom heeft de politie niet gewoon een foto van mij laten zien aan die personen? Dat is een terechte vraag. Er is immers alleen een screenshot van een persoon met een hoedje en bril getoond. Het wordt wel makkelijk gemaakt om dan ‘ja’ te zeggen op de vraag of de persoon op de screenshot de dader is. Dit is dus een gemankeerd stuk bewijs. (…) Randnummer 14:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn onderzoeken gedaan waaruit volgt dat enkelvoudige fotoconfrontaties alleen bruikbaar zijn als het slachtoffer de betreffende persoon al kende. Als dat niet het geval is, dan zou een meervoudige fotoconfrontatie moeten worden toegepast. Er is ook geen foto van cliënt in deze zaak getoond. Het betreft ook een holistisch proces: het gaat om bewegende beelden die het geheel maken. Hier is evenwel sprake van het tonen van een ‘still’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 16:</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon op de beelden die als de dief wordt geduid, bedoel ik.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.5 Ik acht het niet onbegrijpelijk dat het hof hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht over de vraag of de herkenning die op basis van beeldmateriaal heeft plaatsgevonden door de aangevers voor het bewijs mag worden gebezigd, niet heeft aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Daarvoor is hetgeen de verdediging onder de noemer ‘bewijswaarde’ naar voren heeft gebracht mede gelet op de gebruikte bewoordingen – te weten: “dat (…) dit met een vaatje zout genomen moet worden”, “een dergelijke behoedzaamheid bij het tonen van de foto had hier goed gepast” en “[h]et zou bovendien beter zijn geweest als men al het materiaal uit de bus aan hem ter beoordeling had voorgelegd” – inhoudelijk te veel aan de oppervlakte gebleven. Bovendien ontbreekt een ondubbelzinnige conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6 Voor zover hetgeen ter zitting naar voren is gebracht (toch) niet anders kan worden begrepen dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, zij opgemerkt dat – hoewel het hof het verweer niet expliciet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft onderkend – uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat het hof (wel degelijk) behoedzaam met de resultaten van de enkelvoudige confrontaties is omgegaan door de herkenningen niet op zichzelf te laten staan. Het gaat immers niet alleen om herkenningen door aangevers en verbalisanten, maar ook om herkenningen door een bekende van de verdachte ( [getuige] ) en de rechtbank en het hof zelf. Tegen die achtergrond is het niet onbegrijpelijk dat het hof de resultaten van de enkelvoudige confrontaties mede bruikbaar heeft bevonden voor de bewijsvoering. Zie in dit kader met name de overwegingen van het hof onder de kopjes ‘B.1.1 Bewijsmiddelen ten aanzien van de persoon op de camerabeelden in de Arriva-bus’ en ‘B 1.2 Conclusie met betrekking tot de persoon op de camerabeelden in de Arriva-bus’ (hiervoor opgenomen in randnr. 3.4). Voor het overige wil ik in herinnering brengen dat het hof vrij is in de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal, zoals in algemene zin vooropgesteld in randnr. 4.1. Het oordeel van het hof acht ik niet onbegrijpelijk en is – zonder art. 359 lid 2 Sv te doorkruisen – naar de eis der wet met redenen omkleed.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7 Het tweede middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Het derde middel 7.1 Het derde middel behelst de klacht dat “het bewezenverklaarde niet uit de gehanteerde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, in het bijzonder de schakelbewijsconstructie van het gerechtshof op basis van de modus operandi, zodat de bewezenverklaring, te weten onder feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5 in de zaak met parketnummer 03-700025-18 en onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 in de zaak met parketnummer 03700257-18, niet naar de eis van de wet met redenen is omkleed, althans het hof het oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, althans die motivering onbegrijpelijk is.” Het middel valt aldus uiteen in twee deelklachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste deelklacht 7.2 De eerste deelklacht luidt: “het hof heeft ten onrechte gebruik gemaakt van een schakelbewijsconstructie op grond van de door het hof onderscheiden modus operandi, terwijl die modus operandi niet kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 Volgens de steller van het middel is er sprake van een onjuiste feitenvaststelling doordat het hof op onjuiste gronden een link zou hebben geprobeerd te leggen tussen de Duitse rechtszaak waarin de verdachte is veroordeeld voor autodiefstal en de onderhavige zaak. De steller van het middel brengt in dit kader naar voren dat noch uit het extract van het Amtsgericht in [plaats] noch uit het procesverbaal van bevindingen met bijlagen, noch uit enig brondocument volgt dat er op de dag van/rondom de diefstal telefonisch contact zou zijn opgenomen met een autosloopbedrijf dat gespecialiseerd is in het demonteren van auto’s van het merk Mercedes Benz. De overweging van het hof over dat contact, inhoudende dat die vaststelling kan bijdragen aan het vaststellen van een overeenkomende modus operandi is, volgens de steller van het middel, dan ook niet juist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter afsluiting brengt de steller van het middel te berde dat het hof in zijn overwegingen met betrekking tot de modus operandi de verklaring van de [getuige] heeft betrokken, maar dat: a. uit de vaststellingen van het hof op basis van die verklaring niet kan worden afgeleid dat de verdachte dan ook op de voor de tenlastelegging relevante momenten aanwezig is geweest in de pleegplaatsen zoals opgenomen in de aangiftes; b. uit die vaststellingen evenmin blijkt dat hij in diverse plaatsen is geweest waar een diefstal heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 Allereerst sta ik stil bij hetgeen naar voren is gebracht over de vergelijking met de Duitse strafzaak. Een blik over de papieren muur leert dat het hof niet zonder reden onder het kopje ‘B.2.2 Duitse rechtszaken tegen de verdachte’ (zie hiervoor onder randnr. 3.4) heeft overwogen dat “[d]e politie heeft geverbaliseerd dat bij een eerder [onderzoek] waarbij de verdachte betrokken was, van de verdachte bij een autosloopbedrijf in [plaats] , te weten autosloopbedrijf [B] C.V., een aanhangwagen met gestolen Mercedes-onderdelen en een motorblok werden aangetroffen”. [verbalisant 2] (een gepensioneerde, voormalig politieagent die eveneens de stem van de verdachte heeft herkend en die twee langdurige onderzoeken heeft verricht naar strafbare feiten waarbij de verdachte was betrokken) heeft het volgende bij de raadsheer-commissaris verklaard: “We hebben toen samengewerkt met Duitse collega’s. Alle autosleutels hebben we laten uitlezen. Toen bleek dat die sleutels hoorden bij Mercedessen die waren gestolen. Elke keer was sprake van dezelfde MO, ik bedoel daarmee de modus operandi. De auto’s die waren gestolen stonden te koop op een autosite of in de krant of iets dergelijks. Een potentiële koper maakte een afspraak met de verkoper. Op het moment dat een proefrit zou worden gemaakt stapte de verdachte in de auto achter het stuur en de eigenaar had geen kans meer om in de auto te stappen. In een enkel geval is de eigenaar toen gevallen bij de diefstal van de auto. Op een gegeven moment konden de Duitse collega’s een baken inzetten die door de Nederlandse collega’s is bevestigd op een aanhangwagen van [verdachte] . Het baken bracht ons naar een sloperij in [plaats] . Ik heb die route van het baken toen nog gereden en ik kwam toen langs de sloperij en een telefooncel. Daarna werd de eigenaar van een bedrijfsbus die was gestolen telefonisch door iemand afgeperst. Die eigenaar is toen onder de tap gezet. Hij is vervolgens weer gebeld. Het bleek dat hij werd gebeld vanuit een telefooncel waar ik een paar dagen daarvoor nog langs was gereden toen ik het baken volgde. In die tijd heb ik tapgesprekken beluisterd en daarop was de stem van [verdachte] te horen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5 Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen en het extract van het Amtsgericht [plaats] , waarnaar in het arrest wordt verwezen in de voetnoten 19 en 20, bevatten niet zozeer die specifieke informatie, als wel een duiding van het resultaat dat de verdachte is veroordeeld voor een autodiefstal, gepleegd met een werkwijze die overeenkomt met de onderhavige ten laste gelegde (en bewezen verklaarde) gevallen, en waarbij door verschillende getuigen rondom de verdachte verklaringen zijn afgelegd die door de Duitse rechter niet als ontlastend werden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6 Dat het hof in verband met de Duitse zaak niet specifiek heeft verwezen naar het proces-verbaal van het verhoor van de getuige [verbalisant 2] bij de raadsheercommissaris, doet aan de feitenvaststelling van het hof niet af. Ten overvloede merk ik op dat het hof onder het kopje ‘B.1.1 Bewijsmiddelen ten aanzien van de persoon op de camerabeelden in de Arriva-bus’ met een verwijzing naar hetzelfde proces-verbaal, reeds melding heeft gemaakt van [verbalisant 2] , die “de man op de beelden voor 99% [herkent] als de verdachte. Op de bijbehorende geluidsopnames herkent [verbalisant 2] de stem van de verdachte. [verbalisant 2] kent de verdachte ambtshalve, omdat hij nauw betrokken is geweest bij rechercheonderzoeken tegen de verdachte in de periode van 2004 tot en met 2012. Tijdens deze onderzoeken heeft hij de verdachte persoonlijk ontmoet, meerdere malen gesproken en tapgesprekken beluisterd waaraan de verdachte deelnam.” Gelet op het voorgaande kan de klacht niet slagen vanwege onvoldoende belang in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7 Ten slotte wil ik nog stilstaan bij het naar voren gebrachte punt dat ziet op de verklaring van de [getuige] . Ook in dit kader zij (opnieuw) de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter benadrukt. En ook in dit licht geldt dat de bewezenverklaring niet louter is gefundeerd op de verklaring van de [getuige] , maar is gestoeld op alle in dit kader gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en onderlinge samenhang bezien, zoals het hof ook nadrukkelijk heeft overwogen. Het oordeel van het hof is daarmee niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8 De eerste deelklacht is tevergeefs voorgesteld De tweede deelklacht 7.9 De tweede deelklacht luidt: “als gevolg van een gebrekkige schakelbewijsconstructie is het hof ten onrechte tot een bewezenverklaring van de vermogensdelicten in de parketnummers 03-700025-18 en 03-700257-18 gekomen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.10 De steller van het middel is de opvatting toegedaan dat het hof “niet voldoende redengevende feiten en omstandigheden heeft uiteengezet die maken dat sprake is van een overeenstemmende handelswijze in alle bewezen verklaarde zaken en die maken dat bewezen verklaard kan worden dat de dader in elk feit ook daadwerkelijk de verdachte moet zijn op basis van de camerabeelden in de Arriva-bus en de door de aangevers opgegeven signalementen.” Daarmee is volgens de steller van het middel de schakelbewijsconstructie “niet deugdelijk”, waarbij in het bijzonder naar voren wordt gebracht dat: a. als onderdeel van de modus operandi wordt aangemerkt dat de dader door [getuige] zou zijn gebracht, terwijl de dader bij de diefstal met geweld bestaande uit het meesleuren van [aangever 1] , met de bus zou zijn gekomen; b. de dader bij het feit diefstal met geweld bestaande uit het slaan van [benadeelde 1] op een andere dag heeft gehandeld dan de uit de vastgestelde modus operandi volgende zondag; c. het aantreffen van een vuilniszak met goederen afkomstig uit de Mercedes die was gestolen van [aangever 5] (wat mede is gebruikt voor het bewijzen van de feiten in de zaken van [aangever 1] en [aangever 8] ) niets zegt over de persoon van de dader of een gelijksoortige handelswijze;</p>\n<p class=\"lf-p\">7.11 In algemene zin wordt door de steller van het middel hieraan toegevoegd dat “hoewel de meerderheid van de aangevers de man op de beelden van de Arriva-bus herkennen als de dader, (..) daaruit nog niet [blijkt] dat de dader dan ook [de verdachte] is geweest. Ten aanzien van alle vermogensdelicten is de stelling van [de verdachte] dat, nu de bewijsconstructie op basis van de modus operandi van het hof onbegrijpelijk is, te weinig steunbewijs bestaat voor een bewezenverklaring van al die feiten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.12 Voorafgaand aan de bespreking van het middel wil ik eerst stilstaan bij de term schakelbewijs. Volgens de Hoge Raad wordt hiermee aangeduid: “een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. De vraag of de redengevendheid van dergelijk – in diverse varianten voorkomend – schakelbewijs begrijpelijk is, moet worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering (vgl. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455). Daarbij kan van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.13 De kernvraag in dit kader is telkens of bij de vergelijking van verschillende delicten specifieke, kenmerkende overeenkomsten worden waargenomen die – ook met inachtneming van de waargenomen verschillen – in voldoende mate beter kunnen worden verklaard wanneer wordt aangenomen dat deze delicten door hetzelfde individu zijn begaan dan wanneer wordt aangenomen dat zij door verschillende individuen zijn begaan en de waargenomen overeenkomsten louter op toeval berusten. Als die kernvraag bevestigend wordt beantwoord, dan heeft dat tot gevolg dat de feitenrechter dat gegeven mag betrekken in zijn bewijsoordelen over de desbetreffende delicten, en dat hij het bewijsmateriaal voor het ene delict, voor zover relevant, mag gebruiken voor de bewijsvoering van het andere delict.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.14 De punten die door de steller van het middel naar voren worden gebracht zijn mijns inziens niet van dien aard dat ze tot een ontkennende beantwoording van de kernvraag zouden moeten leiden. Het incidenteel in geringe mate afwijkend handelen ten opzichte van het vastgestelde patroon (een keer met het openbaar vervoer in plaats van gebracht worden met de auto; een andere ‘pleegdag’ dan de zondag) doet het ‘signatuur’ van de verdachte niet dermate geweld aan dat een schakelbewijsconstructie voor een bewezenverklaring niet meer tot de mogelijkheden behoort. De stelling van de steller van het middel dat de bewijsconstructie op basis van de modus operandi van het hof onbegrijpelijk is, wat ertoe leidt dat er te weinig steunbewijs bestaat voor een bewezenverklaring van al die feiten, gaat daarmee niet op.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.15 Anders dan de steller van het middel betoogt staat het het hof vrij waarde te hechten aan het aantreffen van een vuilniszak met goederen afkomstig uit zowel de van [aangever 1] gestolen auto als de van [aangever 5] gestolen auto, alsmede aan het gegeven dat het merendeel van de aangevers de man op de beelden van de Arriva-bus herkennen als de dader. Opnieuw zij verwezen naar hetgeen is vooropgesteld onder de randnummers 4.1 en 4.2. Voor de volledigheid merk ik ook nog op dat in de cassatieschriftuur terloops nog wordt genoemd dat het hof in de zaak van aangever [aangever 3] het aantreffen van de auto in de buurt van de woonplaats van medeverdachte [getuige] op een lijn schaart met het waarnemen van de auto nabij de woonplaats van de verdachte. Deze kennelijke verschrijving c.q. dit punt van ondergeschikt belang kan m.i. evenmin tot cassatie leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.16 Ook de tweede deelklacht is tevergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom ten aanzien van het derde middel 7.17 Het derde middel faalt in al zijn onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Het vierde middel 8.1 Het vierde middel behelst de klacht dat “het bewezenverklaarde niet uit de gehanteerde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, in het bijzonder de bewezenverklaarde diefstal met geweld van de personenauto van [aangever 1] , onder feit 1 in de zaak met parketnummer 03-700025-18, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis van de wet met redenen is omkleed, althans het hof het oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, althans die motivering onbegrijpelijk is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2 Volgens de steller van het middel heeft het hof in de zaak van [aangever 1] – kort gezegd – diefstal met geweld bewezen verklaard, terwijl het hof ten onrechte geen overweging heeft gewijd aan het gegeven dat niet kan worden vastgesteld met welke kracht het letsel is toegebracht, hetgeen wel is vereist voor een bewezenverklaring van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 Tevens wordt door de steller van het middel naar voren gebracht dat het hof onvoldoende is ingegaan op het verweer dat voor een mishandeling een actieve handeling is vereist, terwijl in het onderhavige geval de aangever zelf de keuze heeft gemaakt de klink van de auto vast te pakken of te houden, “zonder enige aanzet of aansporen daartoe door de dader”. Het slachtoffer had immers “op elk moment de keuze om de auto los te laten” om zo voor zichzelf te voorkomen dat meer letsel zou worden opgelopen, aldus de steller van het middel. Opzet of oogmerk van de verdachte kan volgens de steller van het middel niet volgen uit een actieve handeling van het slachtoffer. Ten slotte wordt nog naar voren gebracht dat de auto op het moment van wegrijden al succesvol was gestolen, “zodat het door het hof bewezen verklaren van het gebruik van geweld als middel om de diefstal mogelijk of succesvol te maken, niet volgt uit de bewijsmiddelen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4 Ten eerste zij opgemerkt dat de onder feit 1 in de zaak met parketnummer 03-700025-18 ten laste gelegde en bewezenverklaarde diefstal met geweld, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg, het zwaar lichamelijk letsel een geobjectiveerd gevolg is. Dat betekent dat niet behoeft te worden bewezen dat het opzet van de dader op dat gevolg gericht is geweest. Voor een bewezenverklaring van dat geobjectiveerde gevolg dient wel een causaal verband (tussen de gedraging en dat gevolg) te worden vastgesteld. Het hof dat onder het kopje C.1.6 (hiervoor opgenomen in randnr. 3.5) overwegingen wijdt aan het voor diefstal met geweld vereiste opzet en onder kopje C.1.1 (eveneens opgenomen in randnr. 3.5) stilstaat bij de aard en ernst van het zwaar lichamelijk letsel als gevolg van het handelen van de verdachte, alsmede de snelheid van de Mercedes bij het wegreden, is naar mijn mening niet onbegrijpelijk tot een bewezenverklaring van diefstal met geweld, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg, gekomen. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5 Voor zover het middel niet reeds faalt op basis van het voorgaande zij nog opgemerkt dat al in 1934 door de Hoge Raad (HR 15 januari 1934, NJ 1934, p. 402) is geoordeeld dat het met een veldwachter op de treeplank van een auto rijden naar een politiebureau kan culmineren in een mishandeling (waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen) op het moment dat die bestuurder zich van de veldwachter wil ontdoen door onverwachts met een scherpe bocht naar rechts die veldwachter van de treeplank te slingeren, waardoor deze een schedelbasisfractuur met een interne bloeding oploopt. Uit deze klassieke jurisprudentie valt op te maken dat de keuze van het slachtoffer om de auto vast te pakken, niet in de weg staat aan het bewezen verklaren van (opzet op) het ‘gronddelict’ (bij de veldwachter de mishandeling en in de onderhavige zaak de diefstal met geweld).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6 Voor het overige vindt de opvatting van de steller van het middel, dat de auto op het moment van wegrijden, terwijl de eigenaar van de auto zijn goed vastheeft en ten koste van eigen lichamelijk welzijn zijn eigendom(srecht) beschermt, reeds succesvol gestolen is, geen steun in het recht. Immers: elk handtasje dat nog niet losgerukt is, maar nog met kracht door het slachtoffer wordt vastgehouden om te voorkomen dat het wordt losgerukt, zou in die opvatting al gestolen zijn. Van een voltooid delict is op dat moment geenszins sprake. Het goed is simpelweg nog niet uit de macht van de rechthebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7 Het vierde middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Het vijfde middel 9.1 Het vijfde middel behelst de klacht dat “het hof ten onrechte het verweer namens [de verdachte], inhoudende dat de verklaringen van [de getuige] [getuige] onbetrouwbaar zijn en dienen te worden uitgesloten van het bewijs, heeft verworpen, althans heeft het hof de verwerping van dat verweer onvoldoende gemotiveerd, althans is die motivering onbegrijpelijk.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2 In hoger beroep is door de raadsman naar voren gebracht dat de verklaringen van de [getuige] als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven. Daartoe is aangevoerd dat niet-aangeboren hersenletsel en (daarmee samenhangende) vergeetachtigheid van de getuige tot te veel twijfel leidt met betrekking tot de betrouwbaarheid van zijn verklaringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3 Het hof is aan het verweer voorbijgegaan en heeft de verklaringen van de [getuige] voor het bewijs gebruikt. Waar het in cassatie op aankomt, is of het hof zijn oordeel voldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4 Het hof heeft gerespondeerd op het betrouwbaarheidsverweer van de raadsman. In zijn arrest heeft het hof onder het kopje ‘B.2.4 Betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige] ’ uitgebreid stilgestaan bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige] . In dat kader heeft het hof het volgende overwogen – ik herhaal: “Het hof vermag, anders dan de verdediging ten verwere heeft aangevoerd, niet in te zien dat [getuige] (mogelijk) onwaarachtige verklaringen heeft afgelegd, temeer nu hij met de door hem afgelegde verklaringen ook zichzelf heeft belast. De omstandigheid dat [getuige] een brief heeft opgesteld waarin hij meldde dat hij op 19 november 2017 ten tijde van de diefstal van de Mercedes van [aangever 1] samen met de verdachte bij de verdachte thuis is geweest en hem aldus een alibi wilde verschaffen doet daar niet aan af, aangezien [getuige] later heeft verklaard dat hij deze brief in opdracht van de verdachte heeft geschreven en op de bewuste dag in het geheel niet bij de verdachte is geweest. Volgens [getuige] hebben ook de vriendin van de verdachte, [betrokkene 3] , almede de zoon van de verdachte, [betrokkene 4] , in opdracht van de verdachte dergelijke brieven geschreven. Dat deze alibi’s niet kunnen kloppen, volgt uit de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , zoals die zijn afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris. (…) Het hof stelt aldus vast dat deze vermeende alibi’s niet uitsluiten dat de verdachte de dader is geweest. Saillant detail is overigens dat eenzelfde poging van de verdachte om vrijuit te gaan in een Duitse rechtszaak tegen hem evenmin effect heeft gesorteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar bovenal vinden de gedetailleerde verklaringen van [getuige] steun in de overige bewijsmiddelen. Dienaangaande wijst het hof, naast de omstandigheid dat [getuige] specifiek heeft verklaard over plaatsen waar de diefstallen zijn gelukt (te weten [plaats] , [plaats] en [plaats] ) en een plaats waar de diefstal niet was gelukt (te weten [plaats] ), in het bijzonder op de objectieve telecommunicatiegegevens, waaruit volgt dat er tussen de werktelefoon van de verdachte met [telefoonnummer 1] (zie hierna rov. B.2.6) en [getuige] veel contact is geweest, ook relatief kort voorafgaand en/of na het plegen van de autodiefstallen, alsmede dat met die telefoon tevens in diezelfde tijdsspanne is gebeld met de autosloperij, in [plaats] .”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5 Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de verklaringen van de [getuige] betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt, is – mede gelet op de vrije selectie en waardering van het bewijs door de feitenrechter – niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Hetgeen door de steller van het middel aan het verweer ten grondslag is gelegd, te weten dat “hypothetisch gezien niet [is] uit te sluiten” dat de [getuige] “de gevolgen van zijn verklaringen voor zijn eigen positie niet goed kon overzien”, alsmede dat in het midden is gebleven wat de “concreet (…) de gevolgen zijn van een niet-aangeboren letsel voor het kunnen herinneren van zaken”, doet daar helemaal niets aan af.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.6 Het vijfde middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Het zesde middel 10.1 Het zesde middel behelst de klacht dat “het hof het voorwaardelijk verzoek tot inzage in het medisch dossier van [de getuige] [getuige] ten onrechte heeft afgewezen, althans heeft het hof de afwijzing van dat verzoek onvoldoende gemotiveerd, althans is die motivering onbegrijpelijk.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2 In hoger beroep is door de verdediging het voorwaardelijke verzoek gedaan tot inzage in de medische gegevens van de [getuige] “teneinde te kunnen controleren of het nietaangeboren hersenletsel het waarheidsgehalte van zijn verklaringen aantast.” Het hof heeft dat verzoek, onder het kopje ‘B.2.5 Voorwaardelijk verzoek medische gegevens van E. H.J. [getuige] ’, als volgt afgewezen – ik herhaal: “ [getuige] heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris op 13 november 2019 verklaard dat hij niet-aangeboren hersenletsel heeft. Tijdens het verhoor heeft [getuige] uiteengezet welke consequenties dat voor hem heeft. Op geen enkele wijze is gebleken dat dit letsel ertoe zou kunnen leiden dat [getuige] in strijd met de waarheid is gaan verklaren. Evenmin zijn uit het onderzoek ter terechtzitting aanknopingspunten naar voren gekomen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [getuige] medicijnen gebruikt die zijn geheugen beïnvloeden. Dit zijn slechts veronderstellingen van de verdediging. Feit is dat [getuige] ten overstaan van de rechter-commissaris is gebleven bij de inhoud van zijn eerder afgelegde en voor de verdachte belastende verklaringen. Daarbij komt dat de verdachte destijds tijdens het getuigenverhoor werd vertegenwoordigd door een raadsman en deze aldus in de gelegenheid was om [getuige] nadere vragen van medische aard te stellen die hij geraden achtte. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de noodzaak tot het verzochte niet is gebleken; reden waarom het verzoek tot inzage in het medisch dossier wordt afgewezen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3 Volgens de steller van het middel miskent het hof “dat het stellen van vragen aan een persoon van wie wordt vermoed dat hij door zijn hersenletsel onbetrouwbare verklaringen aflegt, geen nut heeft, juist omdat de antwoorden op die vragen niet vertrouwd kunnen worden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4 Naar mijn mening is eerder het omgekeerde het geval en miskent de steller van het middel de vaststellingen van het hof. Het is enkel de verdediging die meent dat sprake is van hersenletsel dat kan leiden tot onbetrouwbare verklaringen, terwijl het hof juist (ook gelet op andere bewijsmiddelen) op geen enkele wijze is gebleken dat sprake is van letsel dat ertoe zou kunnen leiden dat [getuige] in strijd met de waarheid is gaan verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5 Voor het overige acht ik de afwijzing van het verzoek door het hof tot inzage in het medisch dossier van de [getuige] , mede gelet op hetgeen in dit kader door de verdediging is aangevoerd, te weten “Hij kan in ieder geval gaan fabuleren. Dat is niet uit te sluiten” en “Het zou kunnen zijn dat hij van zijn aandoening gaat liegen” en woorden van gelijke strekking, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6 Het zesde middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">11Het zevende middel 11.1 Het zevende middel behelst de klacht dat “het bewezenverklaarde, de beïnvloeding van [getuige] als getuige, niet uit de gehanteerde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, in het bijzonder het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 03-866027-19, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis van de wet met redenen is omkleed, althans het hof het oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, althans die motivering onbegrijpelijk is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2 Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte de verklaringsvrijheid van de [getuige] heeft beïnvloed, door hem een aantal handgeschreven brieven en tijdschriftartikelen toe te sturen. Het hof heeft daarvoor onder andere een proces-verbaal van [verbalisant 5] en een proces-verbaal van [verbalisant 1] voor het bewijs gebruikt. Volgens de steller van het middel kunnen deze processenverbaal niet redengevend worden geacht, omdat: a. de conclusie van het proces-verbaal van [verbalisant 5] (inhoudende dat de verdachte degene is geweest die de brieven heeft geschreven) “te algemeen van aard” zou zijn; b. de conclusie van het proces-verbaal van [verbalisant 1] (inhoudende dat beide handschriften grote gelijkenissen tonen en dat de verdachte “zeer vermoedelijk” de schrijver van de brieven aan de [getuige] is) een (‘subjectieve’) conclusie betreft die niet door een deskundige is getrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3 Het hof heeft onder het kopje “C.10.1 Bewijsmiddelen beïnvloeding verklaringsvrijheid van [getuige] (zaak met parketnummer 03-866027-19)” de bewijsmiddelen besproken die het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat de verdachte de verklaringsvrijheid van de [getuige] heeft beïnvloed. De processen-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 1] maken deel uit van die uiteenzetting. Ik zie niet in waarom het hof die processen-verbaal niet voor het bewijs zou kunnen gebruiken. Waar het om gaat is dat bewijsmateriaal in significante mate steun geeft aan de ene dan wel aan de andere hypothese met betrekking tot de totstandkoming van het in ogenschouw genomen bewijsmateriaal, met inbegrip van de mogelijkheid dat bewijsmateriaal de ene of de andere hypothese ondergraaft of zelfs weerlegt. De enkele omstandigheid dat de processen-verbaal een alternatieve mogelijkheid – in casu: iemand anders dan de verdachte heeft de brieven geschreven en gestuurd – openlaat, behoeft de rechter er niet van te weerhouden de processen-verbaal bij de bewijsvoering te betrekken. De vraag naar een mogelijkheid, moet immers steeds worden gevolgd door de vraag naar de (on)waarschijnlijkheid daarvan. Alleen dat laatste is voor de bewijsvraag leidend. Die waarschijnlijkheden moeten in de weging van alle aanwijzingen worden betrokken. In principe is namelijk ieder bewijsmiddel probabilistisch van aard. Bewijsmateriaal laat altijd in bepaalde mate een alternatieve mogelijkheid open.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.4 Het hof, dat onder het kopje “C.10.2 Beïnvloeden van de verklaringsvrijheid van [getuige] wettig en overtuigend bewezen (zaak met parketnummer 03-866027-19) nadrukkelijk heeft overwogen dat het bewijs in onderling verband en onderlinge samenhang moet worden bezien, is mede op basis van de genoemde processen-verbaal niet onbegrijpelijk tot het oordeel gekomen dat het de verdachte is geweest die de brieven heeft geschreven. Dat oordeel is ook naar de eis der wet met redenen omkleed. Tot een nadere motivering was het hof, gelet op het voorgaande, niet gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.5 Het zevende middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">12Slotsom 12.1 Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.2 De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat in cassatie de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dat dient tot strafvermindering te leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3 Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.4 Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma. Zie ook HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413, rov. 2.3 en A.J.A. van Dorst &amp; M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer : Wolters Kluwer 2022, p. 328.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303, rov. 3.8.</p></div>", "next": 0}