{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Deze juridische beoordeling ziet niet op de kennis en het inzicht die nodig zijn om de deugdelijkheid van een geleverde prestatie te beoordelen, anders dan uit eerdere uitspraken van de Hoge Raad zou kunnen worden afgeleid. Het ontbreken van deze kennis of dit inzicht kan immers betekenen dat de benadeelde nog onvoldoende zekerheid heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Evenals de juiste kennis of het juiste inzicht kan ontbreken ten aanzien van de ondeugdelijkheid van bijvoorbeeld medisch handelen, kan dat het geval zijn ten aanzien van het handelen van bijvoorbeeld een fiscaal of juridisch dienstverlener. Bij de beantwoording van de vraag op welk moment de benadeelde voldoende zekerheid heeft verkregen als hiervoor in 3.3.2 bedoeld, kan van belang zijn dat de benadeelde in zijn verhouding tot de aangesprokene mocht vertrouwen op diens deskundigheid en dat hij in verband daarmee (nog) geen reden had om te twijfelen aan de deugdelijkheid van diens handelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij kan verder van belang zijn dat de aangesproken partij andere, niet in haar risicosfeer liggende, oorzaken voor het opgetreden nadeel heeft genoemd of anderszins aan de benadeelde geruststellende mededelingen heeft gedaan over de door haar verrichte prestatie of het daardoor te verwachten nadeel. Onder omstandigheden kan een benadeelde dan ook pas geacht worden voldoende zekerheid te hebben dat hij schade heeft geleden als gevolg van tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon, wanneer hij kennis heeft gekregen van een juridisch advies of een rechterlijk oordeel.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 16 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2109, RvdW 2018/1270 (art. 81 RO) en ook hierover D.A. van der Kooij, ‘Wat is vermogensschade? Een overzicht van tien verschillende soorten nadeel’, RM Themis 2021, p. 166.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 10 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4164, rov. 3.20: “Uit eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad van 25 september 1981, gepubliceerd in NJ 1982/255 volgt dat de stelling dat de vergoeding verschuldigd voor een door een beroepsfout veroorzaakt verstekvonnis steeds tenminste zal belopen het geldbedrag dat in dat vonnis is uitgedrukt, vermeerderd met rente en kosten, niet opgaat voor het geval er een reële kans bestaat dat aan het verstekvonnis niet of niet volledig zal worden voldaan. Daarvan is in het onderhavige geval evenwel geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de rechtbank heeft vastgesteld kan niet worden geconcludeerd dat SAC haar incassopogingen zou hebben gestaakt. Uit de door Carigna – onbetwist – gestelde gang van zaken volgt dat SAC sinds het verstekvonnis steeds aanspraak is blijven maken op betaling door Carigna. Carigna is rechtens ook gehouden aan het onherroepelijk vonnis te voldoen. Dat Carigna schade lijdt staat dan ook vast. Daaraan doet niet af dat zij mogelijk op dit moment niet tot betaling in staat zou zijn. Haar kan dan ook niet worden tegengeworpen dat zij ter delging van haar schuld eerdergenoemde vaststellingsovereenkomst met SAC heeft gesloten. Dat Carigna die overeenkomst niet zal nakomen is niet aannemelijk geworden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik verwijs tevens naar de schriftelijke toelichting van [verweerders] , randnummer 3.1.5, en vermeld de volgende literatuur waar het uitgangspunt althans lijkt te worden gehuldigd dat het arrest […] /mr. X nog altijd geldend recht weergeeft: W.J.M. van Andel, ‘De Peeters/Gatzen-vordering’, in W.J.M. van Andel &amp; F.M.J. Verstijlen, Materieel faillisssementsrecht: de Peeters/Gatzen-vordering en de overeenkomst binnen faillissement, preadvies VBR, Deventer: Kluwer 2006, p. 54-55 (zie echter dezelfde in randnummer 5 en volgende van zijn noot bij hof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:2977, JOR 2022/252), S.D. Lindenbergh, ‘Abstracties bij vaststelling van schade’, in S.D. Lindenbergh &amp; A.Ch.H.</p>\n<p class=\"lf-p\">Franken, Abstracte schadeberekening, preadviezen VASR, Deventer: Kluwer 2013, p. 20, E.A.L. van Emden &amp; M. de Haan, Beroepsaansprakelijkheid, Deventer: Kluwer 2014, p. 82, P.A. Fruytier, De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht. Onrechtmatigheid, causaliteit, redelijke toerekening en relativiteit in het algemene en het besluitenaansprakelijkheidsrecht, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 312, voetnoot 46, Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 38, A.Ch.H. Franken, Schade en risico. Over de corrigerende en verdelende functie van het schadevergoedingsrecht, diss., Den Haag: Boom juridisch 2022, p. 93, voetnoot 75, J.M. van Dunné, Contractenrecht, Zutphen: Paris 2023, p. 899 en p. 926 en T.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hartlief, W.H. van Boom, A.L.M. Keirse &amp; S.D. Lindenbergh, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding, Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 208 (p. 325) (T. Hartlief). Specifiek vermeld ik D.L. Barbiers, ‘Dogmatische inpassing en rechtvaardiging van abstracte begroting van vermogensschade’, NTBR 2022, p. 319, voetnoot 95: “De HR spreekt in HR 25 september 1981, NJ 1982/255, over de verschuldigde schadevergoeding. Ik lees in het arrest niet dat schade niet aanwezig is. Schade bestaat wanneer de voormalig cliënt een schuld heeft gekregen als gevolg van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis.” Ook Barbiers lijkt ervan uit te gaan dat […] /Mr. X nog steeds geldend recht is, maar geeft daaraan in zoverre een eigen draai dat het in dit arrest volgens hem gaat om, kennelijk eventueel in het voordeel van de aansprakelijke persoon in aanmerking te nemen, onzekerheid over de vraag of de cliënt in de toekomst een voordeel behaalt in die zin dat hij zijn schuld uiteindelijk niet volledig hoeft te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie S.D. Lindenbergh, Schadevergoeding: algemeen, deel 1 (Mon. BW B34), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1941, RvdW 2023/84 en JIN 2023/30 m.nt. W.A. Braams (Woonstichting De Woonplaats), rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband ook de schriftelijke toelichting van [verweerders] , randnummers 3.1.5 en 3.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar memorie van grieven, randnummers 81.-87. en naar de spreekaantekeningen van Carigna in hoger beroep, randnummer 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar memorie van grieven, randnummers 65. en 79.-80. en naar de spreekaantekeningen in hoger beroep, randnummers 7. en 22.-25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar het eindvonnis van de rechtbank, rov. 5.33., naar de memorie van grieven, randnummers 65. en 79.-80. en naar de spreekaantekeningen van Carigna in hoger beroep, randnummers 7. en 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de eveneens aangehaalde vindplaatsen in de pleitaantekeningen van Carigna in hoger beroep, randnummer 22. (alwaar onder meer: “Eerst heeft hij [bedoeld is: [betrokkene 1] , A-G] getracht bij Carigna voldoening te krijgen. Bij gebreke van verhaalsmogelijkheden heeft [betrokkene 1] zich tot [betrokkene 3] gewend.”) en randnummer 24. (alwaar onder meer: “De omstandigheid dat [betrokkene 1] – bij gebrek aan vermogensbestanddelen – geen executiemaatregelen jegens Carigna treft, is goed te begrijpen.”</p></div>", "next": 0}