{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Subonderdeel 1.6b betoogt dat de door subonderdeel 1.6 bestreden oordelen van het hof uit rov. 6.11 en 6.13 (zie hiervoor in randnummer ‎4.35) onjuist of onvoldoende gemotiveerd zijn, omdat Stedin heeft volstaan met (blote) stellingen met de strekking dat de door de ACM gemaximeerde tarieven slechts rekening houden met een beperkt risico voor de netbeheerder en niet met de doorberekening van schades zoals de onderhavige en dat ongelimiteerde dekking onverzekerbaar is. Het hof heeft miskend dat het op de weg van Stedin had gelegen om te onderbouwen welke ruimte voor aansprakelijkheid er wél bestond binnen de tarieven en verzekering(smogelijkheden), althans dat er geen ruimte was voor aansprakelijkheid voor meer dan € 3.500. De oordelen van het hof zijn eens te meer onjuist of onbegrijpelijk in het licht van de in subonderdeel 1.7 genoemde stellingen die Achmea in feitelijke instanties heeft aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.48 Vanwege deze verwijzing naar subonderdeel 1.7 bespreek ik dit subonderdeel gezamenlijk met subonderdeel 1.6b. Volgens subonderdeel 1.7 zijn de oordelen van het hof in rov. 6.11, 6.13 en de daarop voortbouwende oordelen in rov. 6.14-6.16 onjuist (omdat zij blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting over de wijze waarop moet worden beoordeeld of een beding onredelijk bezwarend of oneerlijk is) of onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van Achmea dat: a. Stedin zich ook met minder vergaande exoneraties kan verzekeren tegen een redelijke en aanvaardbare premie; b. het bijvoorbeeld mogelijk is dat de aansprakelijkheid van Stedin wordt beperkt tot het bedrag waarvoor een aansprakelijkheidsverzekering wel dekking biedt; c. gebleken is dat Stedin zich wel degelijk kan verzekeren voor schadegevallen zoals het onderhavige en naar eigen zeggen hiervoor ook daadwerkelijk is verzekerd (namelijk bij RSA Group te Londen); d. voor de hand ligt dat bij het vaststellen van de gemaximeerde tarieven rekening is gehouden met de noodzaak om reserves aan te leggen voor eventuele schadevergoedingsvorderingen, zodat het aan Stedin is om daar rekening mee te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.49 Voordat ik de klachten van subonderdelen 1.6b en 1.7 bespreek, geef ik eerst het relevante partijdebat weer. Ik meen te kunnen volstaan met een verwijzing naar het rechtbankvonnis en het partijdebat in hoger beroep (met één uitstapje naar de conclusie van antwoord van Stedin in een voetnoot).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.50 De rechtbank heeft in rov. 5.6.4. van haar vonnis omstandigheden opgesomd die Stedin had aangevoerd waaruit volgens Stedin volgde dat de aansprakelijkheidsbeperking niet onredelijk bezwarend was. Eén van deze omstandigheden was dat een ongelimiteerde aansprakelijkheid redelijkerwijs niet verzekerbaar is, gelet op de hoogte van de tarieven enerzijds en de aansprakelijkheidsrisico’s anderzijds, en dat alleen lage tarieven kunnen worden gehandhaafd door een grens te stellen aan de hoogte van eventueel uit te keren schadevergoedingen. Over (onder meer) deze omstandigheid heeft de rechtbank, die (net als het hof) oordeelde dat Stedin erin was geslaagd het wettelijk vermoeden te weerleggen dat de aansprakelijkheidsbeperking onredelijk bezwarend was, in rov. 5.6.7. geoordeeld als volgt: “Achmea heeft niet betwist dat de aansprakelijkheidsrisico’s voor een netbeheerder in een in hoge mate geëlektrificeerd land als Nederland in potentie groot zijn, zeker als door een storing in het elektriciteitsnet vele afnemers schade leiden [lees: lijden, A-G]. Zij voert zelf aan dat het beding voor die situaties moet zijn geschreven. Maar ook in geval van één gebeurtenis bij één contractant kunnen de (financiële) gevolgen van een storing zeer groot zijn, bijvoorbeeld bij brand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achmea heeft ook niet betwist dat als de exoneratie verdwijnt of ten gunste van de afnemer wordt gematigd zich dat zal vertalen in hogere verzekeringspremies voor de netbeheerders, waarbij op voorhand niet vaststaat of die stijging kan worden verdisconteerd in de tarieven. Daarbij geldt dat met de Elektriciteitswet 1998 – die de wettelijke grondslag vormt voor het tarievenstelsel – wordt beoogd te voorzien in het behartigen van het publiek belang van beschikbaarheid van energie tegen maatschappelijk aanvaardbare prijzen voor alle consumenten en dat van een doelmatige marktoezicht en doelmatig toezicht, opdat productie en distributie van energie plaatsvindt tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten (zie de Memorie van Toelichting bij de Wijziging Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in verband met implementatie en aanscherping toezicht netbeheer; TK II 2003-2004, nr. 3, p. 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het stijgen van verzekeringspremies zal dit belang van beschikbaarheid van energie tegen aanvaardbare maatschappelijke kosten onder druk kunnen zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot is relevant dat geen sprake is van een volledige exoneratie. Had [bewoner] – onverhoopt – personenschade geleden dan gold in dit geval een aansprakelijkheidslimiet van € 2.000.000,--.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.51 In hoger beroep is Achmea opgekomen tegen deze rechtsoverweging. Zij heeft onder meer betwist dat een ongelimiteerde aansprakelijkheid van Stedin onverzekerbaar is. Volgens Achmea heeft Stedin dit ter zitting in eerste aanleg slechts gesteld en niet onderbouwd, terwijl het geven van een (cijfermatige/statistische) onderbouwing wel op haar weg had gelegen. Er zijn meer mogelijkheden dan een maximale vergoeding van € 3.500 óf een ongelimiteerde aansprakelijkheid voor zaakschade, zoals een beperking van de aansprakelijkheid van Stedin overeenkomstig de wet tot het bedrag waarvoor de aansprakelijkheidsverzekering uitkeert. Het is volgens Achmea aan Stedin om te stellen en te bewijzen dat enkel met de huidige exoneratie Stedin zich zou kunnen verzekeren en dat enkel daarmee de tarieven laag kunnen worden gehouden. Achmea heeft betwist dat Stedin een hoog eigen risico heeft bij de door haar afgesloten verzekering voor schades door onrechtmatig handelen van Stedin. Onder verwijzing naar Loos heeft Achmea aangevoerd dat het voor de hand ligt dat bij het vaststellen van de tarieven rekening is gehouden met de noodzaak om reserves aan te leggen voor eventuele schadevergoedingsvorderingen. Volgens Achmea kan Stedin zich verzekeren voor de ‘onderhavige situatie’ en heeft Stedin ook verklaard dat zij voor (aansprakelijkheid voor) de schade zoals die in deze zaak is geleden, is verzekerd (bij de RSA Group te Londen).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.52 Bij memorie van antwoord heeft Stedin aangevoerd dat de door de ACM gemaximeerde tarieven voor de aansluiting slechts rekening houden met een beperkt risico voor de netbeheerder en niet met de doorberekening van de kosten van schades zoals de onderhavige. Als de aansprakelijkheidsbeperking niet zou gelden, dan zou dit leiden tot een aanmerkelijke stijging van de tarieven. Achmea heeft gesteld dat de door Stedin hier bedoelde omstandigheden niet correct zouden zijn en door Stedin niet zouden zijn onderbouwd, maar daarmee heeft Achmea miskend dat Stedin haar stellingen in eerste aanleg uitgebreid heeft gemotiveerd en ook aan de hand van verschillende voorbeelden uit de rechtspraak heeft onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens Stedin is niet serieus te nemen dat een verzekeraar zoals Achmea betwist dat ongelimiteerde aansprakelijkheid niet verzekerbaar is. Aansprakelijkheidsverzekeringen die een ongelimiteerde dekking bieden, zijn absoluut niet gebruikelijk. Een ongelimiteerde (dekkings)limiet is voor verzekeraars bovendien niet of nauwelijks reëel vanwege de solvabiliteitsrichtlijn (‘Solvency II’) die met zich brengt dat verzekeraars een percentage aan kapitaal dienen aan te houden, gelet op het te verzekeren risico. Ook daarom heeft Stedin in eerste aanleg gesteld dat een ongelimiteerde aansprakelijkheid redelijkerwijs niet verzekerbaar is. Verzekeraars stellen de omvang van de dekking in voorkomende gevallen ook afhankelijk van de toepasselijkheid van algemene voorwaarden (naar ik begrijp: door de verzekerde, A-G).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het geval dat het hof van Stedin statistische of cijfermatige onderbouwing mocht verlangen, heeft Stedin aangevoerd dat zij dan graag contact zou opnemen met haar verzekeringsadviseur(s) en/of verzekeraar(s) voor specifiekere informatie over de verzekeringsmogelijkheden. Als er al een verzekeraar te vinden zou zijn die met een andere exoneratie ook bereid is Stedin te verzekeren, dan zou dit “uiteraard” consequenties hebben voor de schadelast en de tarieven, omdat dit in zijn algemeenheid het geval is. Het eigen risico van Stedin bedraagt € 50.000, hetgeen op het eerste verzoek kan worden onderbouwd, aldus nog steeds Stedin.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.53 Bij haar schriftelijk pleidooi heeft Achmea haar standpunt over de verzekerbaarheid van aansprakelijkheid van Stedin herhaald. Zij heeft betwist dat er binnen de door de ACM vastgestelde tarieven geen ruimte zou zijn voor het afsluiten van een aansprakelijkheidsverzekering indien de aansprakelijkheidsbeperking uit artikel 17.4 AV wordt weggedacht. Verder heeft Achmea betoogd (met weglating van voetnoten uit het origineel): “20. Het is aan Stedin om te stellen en te bewijzen dat enkel en alleen met de huidige exoneratie Stedin zich zou kunnen verzekeren en daarmee de tarieven betaalbaar te houden. Waarbij Achmea er eerder op wees dat Stedin tevens reserves dient aan te houden van betaling van schadevergoedingen. (…) 21. Stedin heeft in deze zaak niet bewezen dat als de exoneratie verdwijnt of wordt gewijzigd in een minder vergaande variant van de exoneratie, dit op de eerste plaats zou leiden tot premiestijgingen en op de tweede plaats dat Stedin deze stijging niet zou kunnen dragen althans deze niet kan verdisconteren in de tarieven en op de derde plaats dat de premiestijgingen de beschikbaarheid van energie tegen aanvaardbare maatschappelijke kosten onder druk kunnen zetten. Het is wel aan Stedin om niet enkel bloot te stellen, maar haar stellingen daadwerkelijk (cijfermatig) te onderbouwen om te kunnen aantonen dat de afwijking van het wettelijke regime kennelijk gerechtvaardigd is. (…) 23. De stellingen van Stedin dat vergaande aansprakelijkheid niet te verzekeren is, is tevens onjuist. Dat omvangrijke aansprakelijkheidsverzekeringen afgesloten kunnen worden, volgt alleen al uit de wet. Zo regelt de Wet aansprakelijkheid kernongevallen dat de exploitanten de aansprakelijkheid moeten verzekeren voor ten minste een bedrag van 1,2 miljard euro. Achmea heeft echter bij de memorie al opgemerkt dat het mogelijk is voor Stedin om aansprakelijkheid van Stedin te beperken voor die schades door leveringsonderbrekingen waarop zij niet, of slechts in beperkte mate, invloed heeft en de schade mogelijk niet te overzien is (worst case scenario’s voor netbeheerders). Daarnaast heeft Stedin indirecte schade al uitgesloten onder de algemene voorwaarden. Het staat Stedin ook vrij andere voorwaarden te hanteren bij niet consumenten/ kleine zakelijke gebruikers. Een aansprakelijkheidsverzekering met dekking voor worst cases of een zeer omvangrijke dekking is dus niet aan de orde, waardoor de onderhavige schades voor Stedin goed verzekerbaar zijn. Stedin kan dus nog steeds verantwoordelijkheid nemen voor de schades die binnen haar eigen risicosfeer liggen doordat Stedin dient zorg te dragen voor deugdelijke aansluitingen. Ook van de dakdekker, de monteur en aannemers zullen verzekeringen</p>\n<p class=\"lf-p\">met dekking voor aansprakelijkheid verwacht worden tegen veroorzaking van schade ten gevolge van brand. Waarbij ook deze partijen geen exoneraties in strijd met het consumentenrecht mogen hanteren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.54 Voorts heeft Achmea aangevoerd dat Stedin de hoogte van het eigen risico niet met stukken heeft onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.55 Stedin heeft bij haar schriftelijk pleidooi eveneens volhard in haar standpunt. Volgens haar is het exoneratiebeding gerechtvaardigd en is het door artikel 17.4 AV uitgesloten risico redelijkerwijs niet verzekerbaar, in ieder geval niet tegen huidige of gangbare tarieven. Stedin heeft hierover aangevoerd (met weglating van een voetnoot): “33. Hierbij geldt dat het “risico” [naar ik begrijp: het risico dat zich in de onderhavige zaak heeft verwezenlijkt, A-G] tot slot door Achmea werd verzekerd. Zij genoot daar premie voor. Terwijl de tarieven die Stedin en netbeheerders hanteren niet voorzien in een ongelimiteerde aansprakelijkheid. Integendeel, zie ook r.o. 5.6.7. [van het rechtbankvonnis, A-G] waarin het wettelijk regime of de door de wetgever gemaakte keuzen zijn genoemd. Namelijk dat de Elektriciteitswet 1998 de laagst mogelijke maatschappelijke kosten beoogt. Het behoeft dan ook geen nader bewijs en het is bovendien naar objectieve maatstaven en/of naar maatschappelijke opvattingen voldoende aannemelijk dat een ongelimiteerde aansprakelijkheid consequenties zal (kunnen) hebben voor energietarieven.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.56 Verder heeft Stedin gereageerd op (het hiervoor in randnummer ‎4.53 geciteerde) randnummer 23 uit het schriftelijk pleidooi van Achmea (met weglating van een voetnoot): “39. Inzake randnr. 23. Stedin heeft niet gesteld dat vergaande aansprakelijkheid niet te verzekeren is. Het was Achmea die heeft betwist (…) dat ongelimiteerde aansprakelijkheid niet verzekerbaar is, waar Stedin op heeft gereageerd. Het gaat ook niet om de vraag of Stedin andere voorwaarden kan hanteren. Van belang is (o.a.) dat een wettelijke resp. maatschappelijke keuze is gemaakt om energie(beheer)tarieven laag te houden. Als ongelimiteerde aansprakelijkheid bij netbeheerders, komt te liggen, dan heeft dit (…) logischerwijs gevolg voor de hoogte van premies. Welke verhoogde premies vanzelfsprekend verdisconteerd moeten worden in tarieven. Andersom geredeneerd, geldt dat Achmea niet heeft bewezen dat haar genoten premie niet voorziet in het brandrisico dat zich i.c. heeft geopenbaard.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.57 Na deze uiteenzetting van het partijdebat keer ik terug naar de klachten van subonderdelen 1.6b en 1.7. De subonderdelen betogen in essentie dat het hof genoegen heeft genomen met blote stellingen van Stedin over de aansprakelijkheidsdekking waarin de door de ACM gemaximeerde tarieven voorzien en over de onverzekerbaarheid van ongelimiteerde aansprakelijkheid. In plaats daarvan had het hof, mede gelet op de door Achmea aangevoerde stellingen, van Stedin nadere onderbouwing moeten verlangen van de ruimte die er binnen de tarieven en verzekeringsmogelijkheden wél bestond om aansprakelijkheid te verzekeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.58 Het oordeel van het hof in rov. 6.11 dat van belang is dat de vastgestelde tarieven niet voorzien in dekking van schades als genoemd in artikel 17 AV is noch onjuist noch onbegrijpelijk, omdat Stedin herhaaldelijk heeft gesteld dat de tarieven niet voorzien in dekking voor ongelimiteerde aansprakelijkheid en Achmea dit niet heeft betwist. Hooguit heeft Achmea aangevoerd dat Stedin niet heeft bewezen dat een ruimere aansprakelijkheidsdekking leidt tot een premiestijging en niet heeft bewezen dat Stedin zo’n hogere premie niet kan dragen of kan verdisconteren in de tarieven. Voor zover hierin een betwisting moet worden gelezen, geldt dat geen bewijs behoeft dat de hoogte van de verzekeringspremie verband houdt met de grootte van het verzekerde risico (en dus afhangt van de mate van verzekerde aansprakelijkheid), terwijl het tweede gedeelte van het betoog van Achmea zelf al veronderstelt dat de premies en de tarieven stijgen bij een ruimere verzekeringsdekking. Bij deze stand van zaken hoefde het hof van Stedin geen nadere onderbouwing te verlangen van de aansprakelijkheidsdekking waarin de tarieven voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.59 Het oordeel in rov. 6.13 over de onverzekerbaarheid van ongelimiteerde aansprakelijkheid (het hof spreekt over ‘ongelimiteerde dekking’) geeft evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Anders dan het subonderdeel veronderstelt, heeft Stedin niet slechts de blote stelling ingenomen dat ongelimiteerde aansprakelijkheid (redelijkerwijs) niet verzekerbaar is, maar heeft het hof het verweer van Stedin in rov. 6.13 zo samengevat dat de aansprakelijkheidsbeperkingen uit haar algemene voorwaarden ertoe strekken om de financiële risico’s van netbeheerders op reële wijze te beperken, dat die risico’s in verhouding moeten staan tot de tarieven (die als gezegd niet voorzien in dekking voor ongelimiteerde aansprakelijkheid) en het schaderisico, dat ongelimiteerde aansprakelijkheid redelijkerwijs niet verzekerbaar is gelet op de verhouding tussen de hoogte van de tarieven en de aansprakelijkheidsrisico’s en dat solvabiliteitseisen (zoals Solvency II-richtlijn) eraan in de weg staan dat verzekeraars dekking kunnen bieden voor ongelimiteerde aansprakelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van het hof dat het op de weg van Achmea had gelegen om tegenover deze stellingen van Stedin concreet naar voren te brengen op grond waarvan zij meende dat binnen de door de ACM bepaalde maximumtarieven voldoende ruimte aanwezig was om wél tot ongelimiteerde aansprakelijkheidsdekking te komen, komt erop neer dat Achmea de stellingen van Stedin naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu Achmea in het geheel niet is ingegaan op de strekking van de aansprakelijkheidsbeperking, op de verhouding tussen de omvang van de aansprakelijkheid van Stedin en de door de ACM vastgestelde tarieven en op de solvabiliteitseisen waaraan verzekeraars gebonden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet hierop hoefde het hof van Stedin geen nadere onderbouwing te verlangen van de door haar gestelde onmogelijkheid om ongelimiteerde aansprakelijkheid te verzekeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.60 Ik meen evenwel dat de subonderdelen, indien zij welwillend en onbekrompen worden gelezen, nóg een klacht bevatten. Zakelijk weergegeven is deze klacht dat onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof bij zijn beoordeling van het onredelijk bezwarende karakter van artikel 17.4 AV (althans, bij zijn beoordeling of Stedin het vermoeden uit art. 6:237, aanhef en onder f, BW heeft weerlegd) niet heeft onderzocht of ook een minder vergaande aansprakelijkheidsbeperking had kunnen worden opgenomen in de algemene voorwaarden van Stedin dan de onderhavige aansprakelijkheidsbeperking, met inachtneming van de vastgestelde, gemaximeerde tarieven en bestaande verzekeringsmogelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.61 Ik stel voorop dat het hof wel naar de omvang van de aansprakelijkheidsbeperking uit artikel 17.4 AV heeft verwezen. Aan het begin van rov. 6.13 heeft het hof geoordeeld dat het in de onderhavige zaak gaat om zaakschade en dat de aansprakelijkheid van Stedin voor zaakschade niet geheel is uitgesloten. Daarnaast heeft het hof in rov. 6.16 geoordeeld dat minder ingrijpende bedingen (zoals een minder ingrijpende aansprakelijkheidsbeperking) wellicht mogelijk zouden zijn geweest en dat het beding vatbaar is voor (toekomstige) wijzigingen, maar dat de omstandigheid dat een andere keuze mogelijk was geweest, onvoldoende is om te oordelen dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding. Waar het om gaat, is of in de omstandigheden van dit geval de keuze voor het onderhavige beding tegenover consumenten onredelijk bezwarend moet worden geacht, aldus nog steeds het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.62 Op zichzelf lijkt mij juist dat de enkele omstandigheid dat een minder ingrijpende aansprakelijkheidsbeperking ook mogelijk was geweest, onvoldoende is om te oordelen dat een aansprakelijkheidsbeperking onredelijk bezwarend is. Dat betekent echter niet dat de mate waarin een beding de aansprakelijkheid van de gebruiker van dat beding beperkt, irrelevant is voor de beoordeling van het onredelijk bezwarende karakter van het betreffende beding. Sterker nog, in de literatuur wordt wel opgemerkt dat bij die beoordeling groot gewicht toekomt aan de mate van exoneratie (zie hiervoor in randnummer ‎3.25).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.63 Uit het arrest blijkt mijns inziens niet dat het hof aan de mate waarin artikel 17.4 AV de aansprakelijkheid van Stedin voor zaakschade beperkt, voldoende gewicht heeft toegekend bij de beoordeling van het onredelijk bezwarende karakter van het beding. Om dit punt op scherp te stellen: in de argumentatie die het hof heeft gevolgd, is niet van belang of artikel 17.4 AV de aansprakelijkheid van Stedin voor zaakschade beperkt tot € 3.500 (zoals in werkelijkheid het geval was) of bijvoorbeeld tot € 200.000 of € 2.000.000. Het hof heeft nu enkel het scenario vergeleken waarin Stedin haar aansprakelijkheid heeft beperkt tot € 3.500 met het scenario waarin de aansprakelijkheid van Stedin geheel niet wordt beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mede omdat het hof heeft aangenomen dat ongelimiteerde aansprakelijkheid redelijkerwijs niet verzekerbaar is, heeft het hof vervolgens geoordeeld dat de aansprakelijkheidsbeperking uit artikel 17.4 AV niet onredelijk bezwarend is. Zeker gelet op het betoog van Achmea in de onderhavige zaak (illustratief zijn de stellingen die worden genoemd in subonderdeel 1.7, zie hiervoor in randnummer ‎4.48) meen ik dat het hof hiermee niet had mogen volstaan en de omvang van de aansprakelijkheidsbeperking meer had moeten betrekken in zijn beoordeling van het onredelijk bezwarende karakter van dit beding dan waarvan het bestreden arrest blijk geeft – en meen ik dus ook dat het hof zo nodig van Stedin moest vergen dat zij onderbouwde dat de mate waarin artikel 17.4 AV haar aansprakelijkheid beperkt, gerechtvaardigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bijvoorbeeld echt zo zou zijn dat een beperking van de aansprakelijkheid voor zaakschade tot € 200.000 ook mogelijk was geweest binnen de bestaande verzekeringsmogelijkheden en de door de ACM vastgestelde tarieven, dan vormt dit minst genomen een aanwijzing dat een beding waarin de aansprakelijkheid voor zaakschade wordt beperkt tot € 3.500 onredelijk bezwarend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.64 Ik hecht eraan te benadrukken dat uit het voorgaande niet mag worden afgeleid dat een rechter in elke zaak waarin het onredelijk bezwarende karakter van een aansprakelijkheidsbeperking ter toetsing voorligt, in zijn motivering zou moeten ingaan op het precieze bedrag waartoe de aansprakelijkheid in het beding wordt beperkt, of anderszins op de precieze inhoud van een (net) wel of (net) niet rechtvaardige beperking van aansprakelijkheid. Niet alleen is het antwoord op de vraag waarop een rechter in de motivering van zijn oordeel moet ingaan afhankelijk van het partijdebat, maar een dergelijke verplichting zou ook te zeer uitgaan van de onjuiste veronderstelling dat een rechtvaardige hoogte (of inhoud) van een aansprakelijkheidsbeperking (als ware zij een wiskundige grootheid) tot op de komma nauwkeurig kan worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik onderken ook dat het voor de rechter vaak lastig zal zijn te bepalen welke mate van beperking gerechtvaardigd is. Bij deze beoordeling rijzen vragen als: hoeveel prijsverhoging is acceptabel in ruil voor een ruimere verzekeringsdekking? Welk eigen risico kan de gebruiker dragen? En hoeveel stijgt de premie als de verzekeringsdekking wordt verruimd? Hoewel het op de weg van de gebruiker ligt om de rechter te voorzien van informatie hierover zullen daarmee niet alle moeilijkheden zijn opgelost, althans mogen hier van de rechter geen wonderen worden verwacht. Daarom meen ik dat enige terughoudendheid passend is bij de beoordeling van de motivering van een rechterlijk oordeel met betrekking tot de gerechtvaardigde mate van (of anderszins de gerechtvaardigde inhoud van) een aansprakelijkheidsbeperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar het mij slechts om gaat, is dat die motivering er blijk van moet geven dat de rechter bij zijn beoordeling van het onredelijk bezwarende karakter van een aansprakelijkheidsbeperking (indien het partijdebat daartoe aanleiding geeft) heeft meegewogen of is gekozen voor een ruime aansprakelijkheidsbeperking, terwijl ook had kunnen worden gekozen voor een aansprakelijkheidsbeperking die voor de consument beduidend minder bezwaarlijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.65 De subonderdelen treffen doel (enkel) op de hiervoor in randnummers ‎4.62 en ‎4.63 genoemde gronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.66 Subonderdeel 1.8 klaagt eveneens over het oordeel van het hof in rov. 6.11-6.16, in het bijzonder over het oordeel in rov. 6.16 dat Achmea niet (met stukken) concreet heeft gemaakt dat het huidige bedrag aan schadevergoeding – alle omstandigheden in aanmerking genomen – onredelijk bezwarend moet worden geacht. Dit is oordeel is onjuist of onbegrijpelijk, omdat Achmea heeft aangeboden de stelling dat Stedin zich ook met minder vergaande exoneraties kan verzekeren tegen een redelijke en aanvaardbare premie, te bewijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.67 Het subonderdeel verwijst naar dit bewijsaanbod uit de memorie van grieven: “41. (…) Het is aan Stedin om te stellen en te bewijzen dat enkel en alleen met de huidige exoneratie Stedin zich zou kunnen verzekeren en daarmee de tarieven laag te houden. Hoewel de bewijslast niet op Achmea berust, biedt Achmea expliciet ter bewijs aan zonder onverplicht de bewijslast op zich te nemen dat Stedin zich ook met minder vergaande exoneraties kan verzekeren tegen een redelijke en aanvaardbare premie, waarbij gevallen als het onderhavige gedekt zijn onder een verzekering. Zeker nu gevallen als het onderhavige vallen onder de dekking van normale aansprakelijkheidsverzekeringen voor bedrijven.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.68 Het hof heeft in het arrest geen afzonderlijke overweging gewijd aan Achmea’s bewijsaanbod, maar het ligt in de rede dat het hof dit aanbod heeft gepasseerd, op de grond dat het niet ter zake dienend is. Achmea heeft bewijs aangeboden voor de stelling dat Stedin zich redelijkerwijs tegen aansprakelijkheid kan verzekeren indien zij haar aansprakelijkheid minder vergaand beperkt dan met de aansprakelijkheidsbeperking uit artikel 17.4 AV, terwijl het hof daarover in rov. 6.16 heeft geoordeeld dat het enkele feit dat een minder ingrijpend beding (wellicht) mogelijk zou zijn geweest onvoldoende is voor het oordeel dat artikel 17.4 AV een onredelijk bezwarend beding is. In dit oordeel ligt besloten dat volgens het hof zijn oordeel over het onredelijk bezwarende karakter van artikel 17.4 AV niet anders zou zijn uitgevallen indien Achmea erin zou zijn geslaagd het door haar aangeboden bewijs te leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.69 Uitgaande van deze lezing van het arrest meen ik dat de klacht slaagt in het spoor van wat ik hiervoor in randnummers ‎4.62 en ‎4.63 heb geschreven: de omstandigheid dat een beduidend minder vergaande aansprakelijkheidsbeperking mogelijk zou zijn geweest dan waarvoor in artikel 17.4 AV is gekozen, is mijns inziens wél relevant voor het oordeel over het onredelijk bezwarende karakter van artikel 17.4 AV, anders dan het hof kennelijk heeft verondersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.70 Volgens subonderdeel 1.9 heeft het hof door in rov. 6.14 tot en met 6.16 zwaarwegende betekenis toe te kennen aan de omstandigheid dat een ongelimiteerde dekking niet verzekerbaar is, miskend dat de wettelijke aansprakelijkheidsregeling prima facie een redelijke verdeling van risico’s tussen ondernemers en consumenten bewerkstelligt. Daarom is de genoemde omstandigheid dat ongelimiteerde aansprakelijkheid onverzekerbaar is onvoldoende om een aansprakelijkheidsbeperking te rechtvaardigen, althans kon het hof aan die omstandigheid niet de betekenis toekennen die het hof daaraan heeft toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.71 Het subonderdeel verwijst klaarblijkelijk naar de memorie van toelichting bij art. 6:237, aanhef en onder f, BW. Daarin staat – kort gezegd – dat de wettelijke aansprakelijkheidsregeling kan worden beschouwd als regels die prima facie een redelijke verdeling van risico’s tussen ondernemers en consumenten bewerkstelligen en dat het aan de gebruiker (van algemene voorwaarden) is om aan te tonen dat deze regels in een gegeven geval niet tot behoorlijke resultaten leiden (zie hiervoor in randnummer ‎3.23). Meteen in de volzin erna wordt vermeld dat de gebruiker daarin naar verwachting “gezien de diversiteit van de bovenvermelde factoren” zonder grote problemen zal slagen indien afwijking van de wettelijke regels werkelijk gerechtvaardigd mag worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel niet evident is naar welke factoren hier wordt verwezen, is waarschijnlijk dat wordt gerefereerd aan de vlak daaraan voorafgaande passage dat exoneratiebedingen in allerlei gedaanten voorkomen en dat zij “ten nauwste [kunnen] samenhangen met aspecten van verzekering: de verzekerbaarheid van risico’s, de vraag op wiens weg het sluiten van een verzekering ligt, de kosten daarvan, etc.” Hieruit blijkt dat de onverzekerbaarheid van het aansprakelijkheidsrisico een argument is dat de gebruiker kan inroepen om aan te tonen dat een aansprakelijkheidsbeperking in een concreet geval gerechtvaardigd is. Ook in de literatuur wordt de verzekerbaarheid van risico’s als gezichtspunt genoemd voor de beoordeling van het onredelijk bezwarende karakter van exoneratiebedingen (zie hiervoor in randnummers ‎3.25 en ‎3.26).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.72 Het subonderdeel mist doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.73 Van onderdeel 1 slagen dus per saldo enkele klachten uit subonderdeel 1.6b, 1.7 en 1.8 (zie hiervoor in randnummers ‎4.62-‎4.65 en ‎4.69).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.74 Onderdeel 2 richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 6.19 e.v. over de stelling van Achmea dat de redelijkheid en billijkheid in de weg staan aan een beroep door Stedin op de aansprakelijkheidsbeperking uit artikel 17.4 AV. In het bijzonder richt het zich tegen het oordeel in rov. 6.20 dat, voor zover Achmea aan haar beroep op art. 6:248 lid 2 BW dezelfde gronden ten grondslag heeft gelegd als aan haar beroep op vernietiging van de algemene voorwaarden (wegens hun onredelijk bezwarende of oneerlijke karakter), dit tot eenzelfde afweging leidt, zodat het beroep op art. 6:248 lid 2 BW in zoverre niet slaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.75 Subonderdeel 2.1 bevat een voortbouwklacht. Het subonderdeel betoogt dat, indien een of meer klachten van onderdeel 1 slagen, ook het oordeel over het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet in stand kan blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.76 Omdat het hof in rov. 6.20 heeft voortgebouwd op zijn oordeel over het onredelijk bezwarende karakter van de aansprakelijkheidsbeperking uit artikel 17.4 AV, slaagt het subonderdeel in het verlengde van de slagende klachten van onderdeel 1 (zie hiervoor in randnummer ‎4.73).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.77 Subonderdeel 2.2 klaagt dat het hof in rov. 6.20 heeft miskend dat de toets van art. 6:248 lid 2 BW een weging vergt van alle omstandigheden tezamen. Het hof heeft eerst geoordeeld dat de gronden die Achmea aan haar beroep op vernietiging van de aansprakelijkheidsbeperking ten grondslag heeft gelegd tot eenzelfde afweging leiden in het kader van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, en heeft daarna de overige omstandigheden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.78 Het oordeel van het hof in rov. 6.20 dat, voor zover Achmea aan haar beroep op art. 6:248 lid 2 BW dezelfde gronden ten grondslag heeft gelegd als aan haar beroep op vernietiging van de algemene voorwaarden, dit tot “eenzelfde afweging” leidt, zodat het beroep op art. 6:248 lid 2 BW “in zoverre” niet slaagt, houdt in dat de bewuste gronden niet het oordeel kunnen dragen dat een beroep door Stedin op de aansprakelijkheidsbeperking naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, net zo min als zij het (eerder door het hof gegeven) oordeel konden dragen dat de aansprakelijkheidsbeperking onredelijk bezwarend is en dus voor vernietiging in aanmerking komt. Meteen in de volzin erna in rov. 6.20 heeft het hof overwogen dat Achmea ook omstandigheden heeft aangevoerd die zich na het sluiten van de overeenkomst hebben voorgedaan en die nog niet zijn meegewogen bij de beoordeling van het beroep op vernietiging van de algemene voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 6.26 heeft het hof geconcludeerd dat “alle omstandigheden in aanmerking genomen” het beroep door Stedin op de aansprakelijkheidsbeperking niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Met ‘alle omstandigheden’ heeft het hof verwezen naar de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst (die het hof heeft besproken bij de beoordeling van het beroep op de vernietiging van de algemene voorwaarden) en naar de omstandigheden na het sluiten van de overeenkomst (die het hof heeft besproken bij het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid) gezamenlijk. Het hof heeft dus niet miskend dat bij de beoordeling van een beroep op art. 6:248 lid 2 BW acht moet worden geslagen op alle omstandigheden van het geval (gezamenlijk) die aan dit beroep ten grondslag zijn gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.79 Het subonderdeel is vergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.80 Van onderdeel 2 treft dus uitsluitend de voortbouwklacht uit subonderdeel 2.1 doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.81 Gelet op het slagen van een aantal klachten uit onderdeel 1 en 2 slaagt het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Deze feiten zijn ontleend aan het bestreden arrest: hof Den Haag 10 september 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1518, rov. 3.1-3.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">In eerste aanleg zijn beide partijen uitgegaan van de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van 2008. Stedin heeft de algemene voorwaarden uit 2013 als productie 5 bij haar conclusie van antwoord overgelegd. Een verschil tussen de aansprakelijkheidsbeperking in de versie van 2008 en die in de versie van 2013 is dat de maximaal te vergoeden zaakschade zoals bedoeld in artikel 17 lid 4 in 2013 is verhoogd van € 1.400 naar € 3.500. Omdat Stedin buiten rechte ter beslechting van het geschil een betaling van € 3.500 had aangeboden aan Achmea en Achmea te kennen had gegeven dat de rechtbank bij de beoordeling van haar vordering mocht uitgaan van de versie van 2013, is de rechtbank uitgegaan van die versie. Zie Rb. Rotterdam 27 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7572, rov. 5.5.1. Zoals uit de hoofdtekst blijkt, is ook het hof uitgegaan van de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden uit 2013. In cassatie is de toepasselijkheid van deze voorwaarden niet in geschil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 5 bij de inleidende dagvaarding van Achmea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 7 bij de inleidende dagvaarding van Achmea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 27 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7572, beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 27 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7572, rov. 5.5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 27 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7572, rov. 5.6. en 5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kennelijke verschrijving uit het dictum van het arrest is op verzoek van Achmea verbeterd (op de voet van art. 31 Rv). Deze verschrijving is voor het onderhavige cassatieberoep niet van belang en laat ik daarom onbesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bestreden arrest wordt soms gesproken over ‘artikel 17 lid 4’, maar ik zal steeds de noteerwijze ’17.4’ gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, rov. 6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eindnoot in origineel: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4511, rov. 3.42 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eindnoot in origineel: Methodebesluit regionale netbeheerders elektriciteit 2017-2021 (ACM/DE/2016/205072), onder punt 26, 29-32. [Overgelegd als productie 23 bij het schriftelijk pleidooi van Achmea van 23 januari 2024, A-G] Eindnoot in origineel: Idem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eindnoot in origineel: Zie aanhef Algemene Voorwaarden voor aansluiting en transport elektriciteit en gas voor kleinverbruikers (versie 2013).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 12 (onder rov. 6.32).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder (veel) meer HvJ EU 20 september 2017, C-186/16, ECLI:EU:C:2017:703 (Andriciuc/Banca Românească), punten 53-57 en HvJ EU 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:469 (BNP Paribas Personal Finance/VE), punten 59-66. Onderwerpen die in cassatie in de onderhavige zaak niet aan de orde zijn (zoals de toepasselijkheid van de Richtlijn, het transparantievereiste en het herzieningsverbod) laat ik onbesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. Jac. Hijma, Ars Aequi 2020, p. 179 e.v. m.nt. D. Busch en JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten (Euriborhypotheken), rov. 3.2.1-3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uw Raad heeft recent nog naar de uitgangspunten uit Euriborhypotheken verwezen in HR 4 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1081, NJ 2025/187 m.nt. C.M.D.S. Pavillon en JBPr 2025/51 m.nt. P. Sluijter (Prejudiciële beslissing proceskostenbeding), rov. 3.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. Jac. Hijma, Ars Aequi 2020, p. 179 e.v. m.nt. D. Busch en JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten (Euriborhypotheken), rov. 3.2.1 onder verwijzing naar HvJ EU 20 september 2017, C-186/16, ECLI:EU:C:2017:703 (Andriciuc/Banca Românească), punt 54. Zie voor een nadere uitwerking van wat in de hoofdtekst staat vermeld HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia Nederland), punten 54 en 55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip ‘verkoper’ is in art. 2 onder c van de Richtlijn omschreven als “iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. Jac. Hijma, Ars Aequi 2020, p. 179 e.v. m.nt. D. Busch en JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten (Euriborhypotheken), rov. 3.2.1 onder verwijzing naar HvJ EU 21 april 2016, C-377/14, ECLI:EU:C:2016:283 (Radlinger en Radlingerová/Finway), punt 95 en HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2275, NJ 2017/347, JHV 2017/38 m.nt. D. Briedé en WR 2017/137 m.nt. P.G.A. van der Sanden, rov. 3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. Jac. Hijma, Ars Aequi 2020, p. 179 e.v. m.nt. D. Busch en JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten (Euriborhypotheken), rov. 3.2.3 onder verwijzing naar HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1800, NJ 2020/68 m.nt. S.D. Lindenbergh, Ars Aequi 2020, p. 60 e.v. m.nt. W.H. van Boom en JA 2018/176 m.nt. E.J. Wervelman (AOV-polis), rov. 3.8.2 en 3.8.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. Jac. Hijma, Ars Aequi 2020, p. 179 e.v. m.nt. D. Busch en JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten (Euriborhypotheken), rov. 3.2.3 onder verwijzing naar HvJ EU 14 maart 2013, C‑415/11, ECLI:EU:C:2013:164 (Aziz/Catalunyacaixa), punt 68 en HvJ EU 16 januari 2014, C‑226/12, ECLI:EU:C:2014:10 (Constructora Principado/Menéndez Álvarez), punten 22 en 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. Jac. Hijma, Ars Aequi 2020, p. 179 e.v. m.nt. D. Busch en JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten (Euriborhypotheken), rov. 3.2.3 onder verwijzing naar HvJ EU 14 maart 2013, C‑415/11, ECLI:EU:C:2013:164 (Aziz/Catalunyacaixa), punt 69.</p>\n<p class=\"lf-p\">Considerans van de Richtlijn, PbEU 1993, L 95/30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het in de onderhavige zaak om ‘zaakschade’ gaat, vermeld ik in de hoofdtekst niet (ook) het beding als bedoeld in de Bijlage onder 1.a) van de Richtlijn, namelijk een beding dat tot doel of tot gevolg heeft “de wettelijke aansprakelijkheid van de verkoper uit te sluiten of te beperken bij overlijden of lichamelijk letsel van de consument ten gevolge van een doen of nalaten van deze verkoper”. De reikwijdte van 1.b) van de Bijlage bij de Richtlijn (een beding dat onder meer het recht op schadevergoeding van de consument “op ongepaste wijze” uitsluit of beperkt) lijkt dus beperkter te zijn dan de reikwijdte van het hierna in randnummers 3.20 e.v. te bespreken art. 6:237, aanhef en onder f, BW (een beding dat de gebruiker of een derde geheel of ten dele bevrijdt van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. Jac. Hijma, Ars Aequi 2020, p. 179 e.v. m.nt. D. Busch en JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten (Euriborhypotheken), rov. 3.3 onder verwijzing naar HvJ EU 26 april 2012, zaak C-472/10, ECLI:EU:C:2012:242 (Nemzeti Fogyasztóvédelmi Hatóság/Invitel Távközlési), punt 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. Jac. Hijma, Ars Aequi 2020, p. 179 e.v. m.nt. D. Busch en JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten (Euriborhypotheken), rov. 3.3 onder verwijzing naar HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:769, NJ 2018/41 m.nt. H.B. Krans, TBR 2016/193 m.nt. C.M.D.S. Pavillon en F.J. Vonck en JIN 2016/133 m.nt. E.E. van der Kamp (SEBA e.a./Gemeente Amsterdam I), rov. 5.1.6. Ook het oordeel dat een beding geen aanzienlijke en ongerechtvaardigde verstoring oplevert, moet een rechter uiteraard – net zoals elk ander oordeel – naar behoren motiveren. Die motivering moet er mijns inziens blijk van geven dat de rechter heeft getoetst aan de hiervoor in randnummers 3.6 en 3.7 genoemde maatstaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. Jac. Hijma, Ars Aequi 2020, p. 179 e.v. m.nt. D. Busch en JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten (Euriborhypotheken), rov. 3.2.2 onder verwijzing naar HvJ EU 1 april 2004, C‑237/02, ECLI:EU:C:2004:209 (Freiburger Kommunalbauten/Hofstetter &amp; Hofstetter), punt 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser Vermogensrecht algemeen/A.S. Hartkamp, Deel 3-I. Europees recht en Nederlands vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 156, p. 149.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 288 lid 3 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. Zie ook Asser Vermogensrecht algemeen/A.S. Hartkamp, Deel 3-I. Europees recht en Nederlands vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 154, p. 147.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1731, NJ 2020/305 m.nt. H.J. Snijders en TBR 2019/177 m.nt. C.M.D.S. Pavillon (Intermaris), rov. 2.5.4 en HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, NJ 2023/177 m.nt. C.M.D.S. Pavillon en JOR 2025/225 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Kinderopvang), rov. 3.8.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1081, NJ 2025/187 m.nt. C.M.D.S. Pavillon en JBPr 2025/51 m.nt. P. Sluijter (Prejudiciële beslissing proceskostenbeding), rov. 3.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1081, NJ 2025/187 m.nt. C.M.D.S. Pavillon en JBPr 2025/51 m.nt. P. Sluijter (Prejudiciële beslissing proceskostenbeding), rov. 3.1.2 onder verwijzing naar HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, NJ 2023/177 m.nt. C.M.D.S. Pavillon en JOR 2025/225 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Kinderopvang), rov. 3.8.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, NJ 2023/177 m.nt. C.M.D.S. Pavillon en JOR 2025/225 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Kinderopvang), rov. 3.8.3 onder verwijzing naar HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1731, NJ 2020/305 m.nt. H.J. Snijders en TBR 2019/177 m.nt. C.M.D.S. Pavillon (Intermaris), rov. 2.5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 m.nt. H.B. Krans, Ars Aequi 2014, p. 358 e.v. m.nt. W.H. van Boom, JBPr 2014/2 m.nt. F.J.H. Hovens, JIN 2013/179 m.nt. F. Oostlander, TvC 2013, p. 262 e.v. M.B.M. Loos en R.R.M. de Moor en TvPP 2014, p. 81 e.v. m.nt. C.M.D.S. Pavillon ([…]/[…]), rov. 3.9.1. Zie in vergelijkbare zin (in een zaak over de beoordeling van een verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis) HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1731, NJ 2020/305 m.nt. H.J. Snijders en TBR 2019/177 m.nt. C.M.D.S. Pavillon (Intermaris), rov. 2.5.4-2.5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 m.nt. H.B. Krans, Ars Aequi 2014, p. 358 e.v. m.nt. W.H. van Boom, JBPr 2014/2 m.nt. F.J.H. Hovens, JIN 2013/179 m.nt. F. Oostlander, TvC 2013, p. 262 e.v. M.B.M. Loos en R.R.M. de Moor en TvPP 2014, p. 81 e.v. m.nt. C.M.D.S. Pavillon ([…]/[…]), rov. 3.6.3. Zie in gelijke zin onder meer HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:340, NJ 2017/214 m.nt. H.B. Krans, JOR 2016/116 m.nt. A.S. Hartkamp, JBPr 2016/36 m.nt. D.F.H. Stein en WR 2016/58 m.nt. F. van der Hoek (Trudo), rov. 3.4.2 en 3.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 m.nt. H.B. Krans, Ars Aequi 2014, p. 358 e.v. m.nt. W.H. van Boom, JBPr 2014/2 m.nt. F.J.H. Hovens, JIN 2013/179 m.nt. F. Oostlander, TvC 2013, p. 262 e.v. M.B.M. Loos en R.R.M. de Moor en TvPP 2014, p. 81 e.v. m.nt. C.M.D.S. Pavillon ([…]/[…]), rov. 3.9.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, NJ 2023/177 m.nt. C.M.D.S. Pavillon en JOR 2025/225 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Kinderopvang), rov. 3.8.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, NJ 2023/177 m.nt. C.M.D.S. Pavillon en JOR 2025/225 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Kinderopvang), rov. 3.8.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2022:678) vóór HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, NJ 2023/177 m.nt. C.M.D.S. Pavillon en JOR 2025/225 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Kinderopvang), randnummer 5.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2022:678) vóór HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, NJ 2023/177 m.nt. C.M.D.S. Pavillon en JOR 2025/225 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Kinderopvang), randnummers 5.37 en 5.38 (met weglating van een voetnoot).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1731, NJ 2020/305 m.nt. H.J. Snijders en TBR 2019/177 m.nt. C.M.D.S. Pavillon (Intermaris), rov. 2.5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1081, NJ 2025/187 m.nt. C.M.D.S. Pavillon en JBPr 2025/51 m.nt. P. Sluijter (Prejudiciële beslissing proceskostenbeding), rov. 3.1.2 onder verwijzing naar HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, NJ 2023/177 m.nt. C.M.D.S. Pavillon en JOR 2025/225 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Kinderopvang), rov. 3.8.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de considerans van de Richtlijn, PbEU 1993, L 95/30: “Overwegende evenwel dat bij de huidige stand van de nationale wetgevingen slechts een gedeeltelijke harmonisatie in aanmerking komt; (…) dat het van belang is de Lid-Staten de mogelijkheid te geven met inachtneming van het Verdrag in een hoger beschermingsniveau voor de consument te voorzien door middel van nationale voorschriften die strenger zijn dan die van deze richtlijn”.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.v.T., Parl. Gesch. Boek 6 (Inv.), p. 1650.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.L. Valk, commentaar op art. 6:237 BW, in R.J.B. Boonekamp en W.L. Valk (red.), Stelplicht en bewijslast, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 373-374 en W.D.H. Asser, Bewijslastverdeling, Deventer: Kluwer 2004, nr. 38, p. 91 en 92 (te lezen in samenhang met nr. 40, p. 95 over het vermoeden in art. 6:237 BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie W.L. Valk, commentaar op art. 6:237 BW, in R.J.B. Boonekamp en W.L. Valk (red.), Stelplicht en bewijslast, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 373-374. Sieburgh heeft zonder nadere toelichting de terminologie uit de geciteerde passage uit de memorie van toelichting (‘bewijslast van het tegendeel’) overgenomen. Zie Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 493, p. 457.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.M.D.S. Pavillon, ‘De Europese lijst van verdachte bedingen: oranje, blauw of toch een tint van grijs?’, in W.H. van Boom e.a. (red.), Een kwart eeuw (H.J. Snijders-bundel), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 344 en M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, Den Haag: Boom juridisch 2024, nr. 178, p. 178.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Deel 3. Bewijs, Deventer: Kluwer 2013, nr. 266, p. 293-295.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.D.H. Asser, Bewijslastverdeling, Deventer: Kluwer 2004, nr. 40, p. 95 en Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Deel 3. Bewijs, Deventer: Kluwer 2013, nr. 292, p. 321.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook mijn beschouwingen over de toetsing van exoneratiebedingen in de conclusie (ECLI:NL:PHR:2022:442) vóór HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1434, RvdW 2022/972, JA 2023/1 m.nt. L.E. Warendorf en TBR 2023/35 m.nt. P. Vermeij (ELN Kunststoftechniek Montage BV), randnummers 3.27 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze algemene voorwaarden zijn te vinden op de website van de Sociaal-Economische Raad: https://www.ser.nl/-/media/ser/downloads/algemene-voorwaarden/elektriciteit-gas-kleinverbruikers.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.v.T., Parl. Gesch. Boek 6 (Inv.), p. 1734.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.v.T., Parl. Gesch. Boek 6 (Inv.), p. 1734-1735.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk ook M.v.T., Parl. Gesch. Boek 6 (Inv.), p. 1580 waarin de in art. 6:233 onder a BW genoemde factoren worden genoemd en daarna wordt opgemerkt: “Ten slotte zijn ook de andere omstandigheden van het geval van belang.”</p>\n<p class=\"lf-p\">M.v.T., Parl. Gesch. Boek 6 (Inv.), p. 1580.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, Den Haag: Boom juridisch 2024, nr. 290, p. 337.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.H.C. Jongeneel, ‘Aansprakelijkheidsbeperking’, in B. Wessels &amp; R.H.C. Jongeneel (red.), Algemene voorwaarden, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 395-396.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Rb. Midden-Nederland 30 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6231, rov. 3.23. en Rb. Amsterdam 4 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4262 (KPN BV), rov. 4.32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor uitspraken waarin de gebruiker niet was geslaagd in het weerleggen van het vermoeden (naast de uitspraken die zijn genoemd in de vorige voetnoot) bijvoorbeeld Rb. Zeeland-West-Brabant 12 juni 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4181, rov. 6.26., hof Arnhem-Leeuwarden 25 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6286, ([…] BV), rov. 2.9. en Rb. Noord-Holland 28 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:11845, rov. 3.56. Zie voor een uitspraak waarin werd geoordeeld dat de gebruiker het vermoeden wel had weerlegd Rb. Den Haag 19 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5430 (Goed verblijven BV), rov. 4.11. Ik heb op rechtspraak.nl gezocht op ‘aansprakelijkheidsbeperking’ en ‘6:237’ en heb de uitspraken gesorteerd op datum van nieuw naar oud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoeken op de combinatie van ‘exoneratie’ en ‘6:237’ levert een vergelijkbaar beeld op. Voorbeelden van uitspraken waarin de gebruiker er niet in was geslaagd het vermoeden van het onredelijk bezwarende karakter van het litigieuze beding te weerleggen, zijn: Rb. Oost-Brabant 8 oktober 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:6369, rov. 5.14.4.-5.15. (Safer Projects BV), Rb. Gelderland 25 september 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:6423, rov. 4.40.-4.46. en Rb. Midden-Nederland 25 mei 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:6630, rov. 2.11.-2.12. Uitspraken waarin werd geoordeeld dat het vermoeden wél was weerlegd, lijken schaarser te zijn. Zie bijvoorbeeld in deze zin Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 18 oktober 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:110, rov. 2.14 en hof ’s-Hertogenbosch 2 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2686 (Allianz Benelux NV/Eazzypark BV), rov. 3.4.20 (beoordeeld aan de hand van de vraag op de weg van welke partij het had gelegen zich te verzekeren tegen het verwezenlijkte risico).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op deze zaak behandel ik alleen rechtspraak en literatuur over exoneratieclausules die worden gebruikt in overeenkomsten met consumenten en kleinverbruikers (voor wie een beroep op art. 6:237, aanhef en onder f, BW ook openstaat op grond van art. 26a lid 5 Elektriciteitswet 1998) en dus niet ook exoneratieclausules in overeenkomsten met grootverbruikers. Evenmin bespreek ik exoneratieclausules in algemene voorwaarden van energieleveranciers (in plaats van netbeheerders).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit jaartal heb ik gekozen, omdat in de hierna te bespreken literatuur niet meer naar rechtspraak van vóór 2008 wordt verwezen. Zie voor enkele verwijzingen naar oudere rechtspraak bijvoorbeeld wel R.H.C. Jongeneel, ‘Aansprakelijkheidsbeperking’, in B. Wessels &amp; R.H.C. Jongeneel (red.), Algemene voorwaarden, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 656 (voetnoot 266). Het arrest Consumentenbond/EnergieNed van Uw Raad (uit 1997) komt bij de bespreking van subonderdeel 1.6a (zie hierna in randnummers 4.36 e.v.) aan bod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit voetnoot 62 kan dus worden afgeleid dat het in deze zaak ging om een kleinverbruiker. Zie Rb. Arnhem 5 november 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BG4492 ([…] BV/Continuon Netbeheer NV), rov. 4.14. Dit zal ik bij de hierna te bespreken zaken niet herhalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Arnhem 5 november 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BG4492 ([…] BV/Continuon Netbeheer NV), rov. 4.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dezelfde dag als de hiervoor genoemde uitspraak van de kantonrechter in Alkmaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Alkmaar (ktr.) 5 november 2008, ECLI:NL:RBALK:2008:BG5040 (NV Nuon Customer Care Center), rov. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. ’s-Gravenhage 5 augustus 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ5496 (Liander NV), rov. 11.-15. en Rb. Arnhem 14 juni 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BN4320, rov. 4.3-4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. ’s-Gravenhage 5 augustus 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ5496 (Liander NV), rov. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Geschillencommissie Energie 18 oktober 2010, referentiecode 31211 en Geschillencommissie Energie 24 januari 2011, referentiecode 44956. Deze rechtspraak is dus van latere datum dan de in de hoofdtekst genoemde uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4511 (Liander NV/Orange Zest BV), rov. 3.41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4511 (Liander NV/Orange Zest BV), rov. 3.43.-3.49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Oost-Brabant 13 september 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:6120, rov. 4.14.8. (ZT Netherlands BV/Enexis Netbeheer BV) en Rb. Gelderland 28 februari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:1076 (Liander NV), rov. 4.22.-4.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.H.C. Jongeneel, ‘Aansprakelijkheidsbeperking’, in B. Wessels &amp; R.H.C. Jongeneel (red.), Algemene voorwaarden, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 656.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, Den Haag: Boom juridisch 2024, nr. 297, p. 341-342.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eindnoot in origineel: Rechtbank Alkmaar 5 november 2008, ECLI:NL:RBALK:2008:BG5040 (N.V. Nuon Customer Care Center/N). De kantonrechter vernietigde daartoe een bindend advies van de Geschillencommissie Energie en Water, waarin niet expliciet op de door de netbeheerder genoemde argumenten was ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling uit de algemene voorwaarden van 2013 dus die in de onderhavige zaak centraal staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Bijzondere overeenkomsten/I.S.J. Houben, Deel 7-X. Onbenoemde overeenkomsten, Deventer: Wolters Kluwer 2025, nr. 245.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Bijzondere overeenkomsten/I.S.J. Houben, Deel 7-X. Onbenoemde overeenkomsten, Deventer: Wolters Kluwer 2025, nr. 245.</p>\n<p class=\"lf-p\">Consumentenbond, ‘Besluit van de Consumentenbond over consumentenvoorwaarden’, online raadpleegbaar op: https://cloudfront.consumentenbond.nl/binaries/content/assets/cbhippowebsite/over-ons/voorwaarden-en-privacy/uitgebreide-toelichting-op-het-besluit-van-de-consumentenbond.pdf, p. 2. De Consumentenbond acht zich ook partij bij de tweezijdige algemene voorwaarden, zie p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sociaal-Economische Raad, ‘Overzicht Consumentenvoorwaarden (algemene voorwaarden), https://www.ser.nl/nl/thema/consumentenvoorwaarden/overzicht-algemene-voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Consumentenbond, ‘Besluit van de Consumentenbond over consumentenvoorwaarden’, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">SER, ‘Algemene Voorwaarden 2013. Aansluiting en transport elektriciteit en gas voor kleinverbruikers’, https://www.ser.nl/-/media/ser/downloads/algemene-voorwaarden/elektriciteit-gas-kleinverbruikers.pdf, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Consumentenbond, ‘Besluit van de Consumentenbond over consumentenvoorwaarden’, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Consumentenbond, ‘Besluit van de Consumentenbond over consumentenvoorwaarden’, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Consumentenbond, ‘Besluit van de Consumentenbond over consumentenvoorwaarden’, p. 3. Zie over de opzegging door de Consumentenbond ook C.J.W. Baaij, ‘Het einde van de tweezijdige algemene voorwaarden? Niet zo snel’, TvC 2023, p. 246 e.v. Baaij betoogt dat de Consumentenbond in beginsel nog ruim twee jaar na 1 januari 2024 aan de tweezijdigheid van de algemene voorwaarden kan worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk ook de schriftelijke toelichting van Stedin, randnummer 2.3.9. (die dit overigens aanstipt in het kader van subonderdeel 1.4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de schriftelijke toelichting van Achmea, randnummer 1.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, Den Haag: Boom juridisch 2024, nr. 179, p. 178-179.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:750), randnummers 3.16.2 en 3.17, in een zaak waarin Uw Raad nog geen uitspraak heeft gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze klacht kan met enige goede wil worden gelezen in subonderdeel 1.3, maar wordt mijns inziens pas echt ‘in de verf gezet’ in de schriftelijke toelichting van Achmea, randnummer 1.4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al had het mijns inziens meer voor de hand gelegen als het hof zou hebben geoordeeld dat het op de weg van Achmea lag om argumenten aan te voeren waaruit volgt dat de aansprakelijkheidsbeperking toch (dus in weerwil van het volgens het hof door Stedin weerlegde vermoeden als bedoeld in art. 6:237 BW) onredelijk bezwarend is. Verder druk ik mij in de hoofdtekst bewust voorzichtig uit (“lijkt te zijn”). Mijn standpunt is hierdoor ingegeven dat geen van de auteurs die hiervoor in randnummer 3.19 zijn aangehaald, zich onomwonden op het standpunt stelt dat bij art. 6:237, aanhef en onder f, BW sprake is van omkering van de bewijslast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in gelijke zin de schriftelijke toelichting van Stedin, randnummer 3.2.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Rb. Rotterdam 27 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7572, rov. 5.6.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van Achmea, grief 2, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van Achmea, randnummers 50.-55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van Achmea, randnummer 56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van Achmea, randnummer 57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van Achmea, randnummer 59. In de memorie van grieven staat ‘aansprakelijkstelling’, maar dit is een kennelijke verschrijving en heb ik in de hoofdtekst verbeterd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor (de preambule van) deze voorwaarden productie 15 bij de inleidende dagvaarding van Achmea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in principaal appèl/memorie van grieven in incidenteel appèl van Stedin, randnummer 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in principaal appèl/memorie van grieven in incidenteel appèl van Stedin, randnummers 63. en 95.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in principaal appèl/memorie van grieven in incidenteel appèl van Stedin, randnummer 105.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 1 bij de conclusie van antwoord van Stedin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 17.4 van de algemene voorwaarden uit 2008 luidde: Indien en voor zover de netbeheerder jegens de contractant in het kader van deze Algemene Voorwaarden tot schadevergoeding verplicht is, komt schade aan personen en/of zaken slechts voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van ten hoogste € 910.000.- (negenhonderdtienduizend euro) per gebeurtenis voor alle contractanten tezamen, met dien verstande dat de vergoeding van schade aan zaken, ongeacht de omvang van het totaal der schade, is beperkt tot ten hoogste € 1.400,- (éénduizendvierhonderd euro) per contractant. Indien het totaal der schaden aan personen en/of zaken meer bedraagt dan € 910.000,-, is de netbeheerder niet gehouden meer schadevergoeding te betalen dan dit bedrag, waarbij met inachtneming van het eerder in dit lid genoemde maximum voor schade aan zaken van € 1.400.- de aanspraken van de contractanten naar evenredigheid zullen worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijk pleidooi van Achmea, randnummer 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke pleitaantekeningen in het principaal en incidenteel appèl van de zijde van Stedin, randnummers 2. en 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van het partijdebat vind ik ongelukkig dat het hof in (de hier niet bestreden) rov. 6.13 heeft verwezen naar “de in samenwerking met de Consumentenbond vastgestelde limieten en beperkingen”, omdat het hof daar wél lijkt te hebben verondersteld dat de Consumentenbond óók met de aansprakelijkheidsbeperking heeft ingestemd. Dit gaat dus verder dan dat de algemene voorwaarden in overleg met de Consumentenbond tot stand zijn gekomen, zoals het hof in rov. 6.11 heeft aangenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld T&amp;C Rv, commentaar op art. 149 Rv (bijgewerkt tot en met 1 april 2025), aant. 2b (D.J. Beenders).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld de aantekeningen ter zitting van Achmea in eerste aanleg, randnummer 3., p. 4, de memorie van grieven van Achmea, randnummer 36., p. 9 en het schriftelijk pleidooi van Achmea, randnummers 21. en 22., p. 7 en 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.B.M. Loos, Algemene voorwaarden, Den Haag: Boom juridisch 2024, nr. 293, p. 339. Ik verwijs hier overigens naar de vierde druk van dit werk, waar Achmea heeft verwezen naar de tweede druk uit 2013. De conclusie die ik aanhaal in de hoofdtekst, is dus in de vierde druk nog altijd te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest van het hof ’s-Gravenhage van 27 juni 1996 voorafgaand aan HR 16 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2372, kenbaar uit: NJ 2000/1 m.nt C.J.H. Brunner en Ars Aequi 1997, p. 730 e.v. m.nt S.C.J.J. Kortmann (Consumentenbond/EnergieNed), rov. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest van het hof ’s-Gravenhage van 27 juni 1996 voorafgaand aan HR 16 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2372, kenbaar uit: NJ 2000/1 m.nt C.J.H. Brunner en Ars Aequi 1997, p. 730 e.v. m.nt S.C.J.J. Kortmann (Consumentenbond/EnergieNed), rov. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest van het hof ’s-Gravenhage van 27 juni 1996 voorafgaand aan HR 16 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2372, kenbaar uit: NJ 2000/1 m.nt C.J.H. Brunner en Ars Aequi 1997, p. 730 e.v. m.nt S.C.J.J. Kortmann (Consumentenbond/EnergieNed), rov. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2372, NJ 2000/1 m.nt C.J.H. Brunner en Ars Aequi 1997, p. 730 e.v. m.nt S.C.J.J. Kortmann (Consumentenbond/EnergieNed), rov. 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijk pleidooi van Achmea, randnummer 22., p. 8. In cassatie heeft Achmea overigens opnieuw verwezen naar de opvatting van Loos, Consumentenbond/Energiened en Reaal/Gemeente Deventer, zie de schriftelijke toelichting van Achmea, randnummer 1.5.2. en voetnoot 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/368 m.nt. T. Hartlief, AB 2014/228 m.nt. A.H.J. Hofman, JA 2014/78 m.nt. F.T. Oldenhuis &amp; J. Veninga, Gst. 2014/86 m.nt. P.C.M. Heinen en O&amp;A 2015/4 m.nt. J.J. van der Helm (Reaal/Gemeente Deventer), rov. 3.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/368 m.nt. T. Hartlief, AB 2014/228 m.nt. A.H.J. Hofman, JA 2014/78 m.nt. F.T. Oldenhuis &amp; J. Veninga, Gst. 2014/86 m.nt. P.C.M. Heinen en O&amp;A 2015/4 m.nt. J.J. van der Helm (Reaal/Gemeente Deventer), rov. 3.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over dit arrest uitvoerig E.G.A. van der Werf, Overheid en maatschappelijke betamelijkheid. Over ongeschreven zorgvuldigheidsnormen in het delictuele overheidsaansprakelijkheidsrecht, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 4.3.4, p. 128 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 27 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7572, rov. 5.6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 27 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7572, rov. 5.6.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van grieven van Achmea, grief 2, p. 6 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van Achmea, randnummer 36., p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van Achmea, randnummer 40., p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van Achmea, randnummer 41., p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van Achmea, randnummer 43., p. 10-11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van Achmea, randnummer 44., p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van Achmea, randnummer 64. onder f., p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in principaal appèl/memorie van grieven in incidenteel appèl van Stedin, randnummer 20., p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in principaal appèl/memorie van grieven in incidenteel appèl van Stedin, randnummer 21., p. 6. De memorie bevat geen verwijzingen naar gedingstukken uit de eerste aanleg. In de conclusie van antwoord van Stedin vond ik verwijzingen (in randnummer 68.) naar Rb. Alkmaar (ktr.) 5 november 2008, ECLI:NL:RBALK:2008:BG5040 (besproken hiervoor in randnummer 3.30) en (in randnummer 70.) naar Rb. ’s-Gravenhage 5 augustus 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ5496 (besproken hiervoor in randnummer 3.31). Stedin heeft de rechtbank in de onderhavige zaak verzocht om in het kader van haar verweer als ingelast te beschouwen dat ook de gereguleerde tarieven van Stedin geen ruimte laten voor het aanvaarden van volledige aansprakelijkheid en dat onbeperkte aansprakelijkheid onverzekerbaar is. Zie de conclusie van antwoord van Stedin, randnummer 68., p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in principaal appèl/memorie van grieven in incidenteel appèl van Stedin, randnummer 70., p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in principaal appèl/memorie van grieven in incidenteel appèl van Stedin, randnummer 71., p. 15-16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in principaal appèl/memorie van grieven in incidenteel appèl van Stedin, randnummer 72., p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in principaal appèl/memorie van grieven in incidenteel appèl van Stedin, randnummer 73., p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in principaal appèl/memorie van grieven in incidenteel appèl van Stedin, randnummers 74.-76., p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in principaal appèl/memorie van grieven in incidenteel appèl van Stedin, randnummer 77., p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in principaal appèl/memorie van grieven in incidenteel appèl van Stedin, randnummers 84. en 85., p. 17-18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in principaal appèl/memorie van grieven in incidenteel appèl van Stedin, randnummer 86., p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijk pleidooi van Achmea, randnummer 18., p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijk pleidooi van Achmea, randnummers 20.-23., p. 7 en 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijk pleidooi van Achmea, randnummer 35., p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke pleitaantekeningen in het principaal en incidenteel appèl van de zijde van Stedin, randnummer 32., p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke pleitaantekeningen in het principaal en incidenteel appèl van de zijde van Stedin, randnummer 33., p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke pleitaantekeningen in het principaal en incidenteel appèl van de zijde van Stedin, randnummer 39., p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik verwijs hier met name naar subonderdeel 1.7, p. 8-9 van de procesinleiding: “Ook valt in het licht van deze stellingen [zie hiervoor in randnummer 4.48, A-G], zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien dat het hof aan de omstandigheden dat sprake is van door de ACM gemaximeerde tarieven en dat ongelimiteerde dekking onverzekerbaar is, de betekenis kan toekennen die het daaraan toekent, waaronder dat mede daarin een voldoende rechtvaardiging kan worden gevonden voor de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 17.4 AV (rov. 6.14) en dat het beding mede daarom niet onredelijk bezwarend of oneerlijk is (rov. 6.15).” en “Voor zover in de overweging in rov. 6.16 dat de omstandigheid dat een andere keuze mogelijk was geweest onvoldoende is voor de opvatting van Achmea dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding, besloten ligt dat de omstandigheid dat een minder ingrijpende exoneratie (rekening houdend met de gemaximeerde tarieven en verzekering(smogelijkheden)) mogelijk was, niet zou kunnen bijdragen aan het oordeel dat sprake is van een onredelijk bezwarend of oneerlijk beding, is dat onjuist.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van Achmea, randnummer 41., p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit leid ik af uit de formulering van het subonderdeel waarin onder meer de woorden ‘prima facie’ voorkomen, net als in het citaat dat is opgenomen hiervoor in randnummer 3.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.v.T., Parl. Gesch. Boek 6 (Inv.), p. 1735.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.v.T., Parl. Gesch. Boek 6 (Inv.), p. 1734. Zie voor een uitvoeriger citaat hiervoor in randnummer 3.22.</p></div>", "next": 0}