{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Zie J.M. Bruidegom &amp; L. Schuurs, ‘De mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekering’, in: W.M.A. Kolkman, W.G.A. van Gerner &amp; J.L. Zeeman (red.), Compendium Verzekeringsrecht, Den Haag: Sdu 2024, par. 3.4.1 (p. 102) en R. Noordermeer, 'Verduidelijkt de Hoge Raad de kennisgevingsplicht van artikel 7:929 lid 1 BW', VAST 2023/P-031 onder ‘De contouren van de kennisgevingsplicht uit artikel 7:929 lid 1 BW’. Vgl. ook Hof 's-Hertogenbosch 23 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2400, JA 2024/154, m.nt M.W.E. Lohman, r.o. 3.6-3.13. Het hof oordeelt in dit arrest dat de kennisgeving binnen twee maanden na de feitelijke ontdekking is gedaan, maar dat het beroep van de verzekeraar op de gevolgen van schending van de mededelingsplicht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ex art. 6:248 lid 2 BW onaanvaardbaar is, omdat de verzekeraar heeft nagelaten onderzoek te verrichten naar de schending van de mededelingsplicht op een tijdstip waarop hij daartoe voldoende aanwijzingen had. Zie over dit arrest ook R. Noordermeer &amp; S. Koster, 'De kennisgevingsplicht van artikel 7:929 BW - wanneer begint de klok te tikken?', VAST 2025/P-022, par. 3 en R. Noordermeer, ‘De kennisgevingsplicht van artikel 7:929 BW - toepassing van het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2023’, VAST 2024/P-040.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van opzet tot misleiding is sprake in het in voetnoot 7 van deze conclusie genoemde geval. De verzekeraar komt geen recht op opzegging toe indien slechts de tot uitkering gerechtigde heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden. Zie M.L. Hendrikse e.a. (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 7, titel 17 BW, Verzekering, Deventer: Kluwer 2007, p. 30 (MvT). Zie hierover ook M.L. Hendrikse &amp; J.G.J. Rinkes, ‘De mededelingsplicht bij het aangaan van verzekeringen’, in: M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen &amp; J.G.J. Rinkes (red.), Verzekeringsrecht (Recht en Praktijk nr. VR2), Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 6.10.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook K. Engel, De precontractuele mededelingsplicht van de verzekeringnemer in rechtsvergelijkend perspectief (diss. Heerlen), Zutphen: Uitgeverij Paris 2016, par. 8.1 (p. 317). Voor opzegging van de verzekeringsovereenkomst in het tweede geval (dat de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten) is het ten tijde van het sluiten van de verzekeringsovereenkomst geldende acceptatiebeleid van een redelijk handelend verzekeraar bepalend. De verzekeraar die een acceptatiebeleid voert dat afwijkt van dat van een redelijk handelend verzekeraar, kan zich daarop alleen ten nadele van de verzekeringnemer beroepen als hij aantoont dat de verzekeringnemer bij het aangaan van de verzekering wist of behoorde te begrijpen welk acceptatiebeleid de verzekeraar hanteerde. Zie HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1841, NJ 2020/69, m.nt. S.D. Lindenbergh, JA 2019/11, m.nt. J. van de Klashorst, r.o. 3.4.3-3.5 (Delta Lloyd Schadeverzekeringen). Zie hierover ook W.M.A. Kalkman &amp; E.A.L. van Emden, ‘Beëindiging, verlenging en tussentijdse wijziging van de verzekeringsovereenkomst’, in: W.M.A. Kalkman, W.G.A. van Gerner &amp; K.J.L. Verschoor (red.), Compendium Verzekeringsrecht, Den Haag: Sdu 2019, par. 8.3.3 (p. 201-202).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie M.L. Hendrikse e.a. (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 7, titel 17 BW, Verzekering, Deventer: Kluwer 2007, p. 30 (MvT) en GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:929 BW, aant. 9 (P. van Zwieten &amp; K. Engel). Voortzetting heeft ook geen zin als de verzekeringnemer heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden, omdat de verzekeraar ook in dat geval volgens art. 7:930 lid 5 BW geen uitkering is verschuldigd (zie randnummer 4.5 van deze conclusie).</p>\n<p class=\"lf-p\">M.L. Hendrikse e.a. (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 7, titel 17 BW, Verzekering, Deventer: Kluwer 2007, p. 30 (MvT).</p>\n<p class=\"lf-p\">N. van Tiggele-van der Velde, Bewijsrechtelijke verhoudingen in het verzekeringsrecht (diss. Rotterdam), Deventer: Kluwer 2008, p. 141; M.L. Hendrikse &amp; J.G.J. Rinkes, ‘De mededelingsplicht bij het aangaan van verzekeringen’, in: M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen &amp; J.G.J. Rinkes (red.), Verzekeringsrecht (Recht en Praktijk nr. VR2), Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 6.10.3 en GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:929 BW, aant. 12 (P. van Zwieten &amp; K. Engel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een opzegging op grond van art. 7:929 lid 2 BW heeft ex nunc-werking en heeft daarmee, anders dan de vernietigingssanctie van art. 251 WvK (oud), geen terugwerkende kracht. De opzegging brengt op zichzelf dus niet mee dat reeds voor de werking van de opzegging gedane uitkeringen en premiebetalingen moeten worden terugbetaald. Uit de parlementaire geschiedenis volgt echter dat de wetgever in de toelichting op art. 7:930 leden 4-5 BW expliciet heeft opgemerkt dat de verzekeraar een beroep op onverschuldigde betaling toekomt, voor zover de eerder gedane uitkering achteraf bezien alsnog gedeeltelijk of geheel zonder rechtsgrond blijkt te zijn voldaan (M.L. Hendrikse e.a. (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boek 7, titel 17 BW, Verzekering, Deventer: Kluwer 2007, p. 36 (MvT)). Dat er op het moment waarop de eerder gedane uitkering is gedaan, sprake was van een (nog) lopende verzekeringsovereenkomst, doet er niet toe. Het gaat om de situatie waarin de verzekeraar zich op het moment van het doen van de (eerder gedane) uitkering, naar achteraf blijkt, zou hebben kunnen beroepen op een van de artikelleden van art. 7:930 BW die meebrengen dat de verzekeraar in het geheel of gedeeltelijk geen uitkering is verschuldigd. Zie hierover K. Engel, De precontractuele mededelingsplicht van de verzekeringnemer in rechtsvergelijkend perspectief (diss. Heerlen), Zutphen: Uitgeverij Paris 2016, par. 8.2.2 (p. 319-320) en GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:929 BW, aant. 10 (P. van Zwieten &amp; K.</p>\n<p class=\"lf-p\">Engel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er geldt aldus geen opzegtermijn (zie W.M.A. Kalkman &amp; E.A.L. van Emden, ‘Beëindiging, verlenging en tussentijdse wijziging van de verzekeringsovereenkomst’, in: W.M.A. Kalkman, W.G.A. van Gerner &amp; K.J.L. Verschoor (red.), Compendium Verzekeringsrecht, Den Haag: Sdu 2019, par. 8.3.3 (p. 201)). Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de opzegging de verzekeringnemer binnen de in art. 7:929 lid 2 BW vermelde termijn van twee maanden moet hebben bereikt (M.L. Hendrikse e.a. (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 7, titel 17 BW, Verzekering, Deventer: Kluwer 2007, p. 33 (NMvA I)).</p>\n<p class=\"lf-p\">M.L. Hendrikse e.a. (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 7, titel 17 BW, Verzekering, Deventer: Kluwer 2007, p. 29 (RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">M.L. Hendrikse e.a. (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 7, titel 17 BW, Verzekering, Deventer: Kluwer 2007, p. 31 (NvW).</p>\n<p class=\"lf-p\">M.L. Hendrikse, Privaatrechtelijke aspecten van verzekeringsfraude, Deventer: Kluwer 2013, par. 2.5.3.2.3 (p. 40) en W.M.A. Kalkman &amp; E.A.L. van Emden, ‘Beëindiging, verlenging en tussentijdse wijziging van de verzekeringsovereenkomst’, in: W.M.A. Kalkman, W.G.A. van Gerner &amp; K.J.L. Verschoor (red.), Compendium Verzekeringsrecht, Den Haag: Sdu 2019, par. 8.3.3 (p. 202).</p>\n<p class=\"lf-p\">Stelplicht &amp; Bewijslast, art. 7:929 BW (H.M. Wattendorff), onder ‘Opzeggingsbevoegdheid verzekeraar (lid 2)’; F.H.J. Mijnssen &amp; K. Engel, Verzekering (Mon. BW nr. B88), Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. 8.2 (p. 23) en par. 43.6 (p. 182-183) en K. Engel, De precontractuele mededelingsplicht van de verzekeringnemer in rechtsvergelijkend perspectief (diss. Heerlen), Zutphen: Uitgeverij Paris 2016, par. 8.2.3 (p. 323-324).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. F. Stadermann, Enige vraagstukken van verzekeringsdekking (diss. Heerlen), Zutphen: Uitgeverij Paris 2011, par. 4.3.3, voetnoot 286 (p. 112); N. van Tiggele-van der Velde (red.), Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen, Deventer: Wolters Kluwer 2022, par. 405.11 en 3.3 van de conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2023:140) vóór HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1050, NJ 2023/301, m.nt. N. van Tiggele-van der Velde, JA 2023/112, m.nt. T. Riyazi (Sasagar/NN).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzekeraar bij schriftelijke toelichting (hierna: s.t.), randnummer 6.5, p. 16: “Die vraag [wanneer de vervaltermijn van lid 2 aanvangt] is voor deze zaak relevant, wanneer Uw Raad oordeelt dat NN op 19 feb 2021 de verzwijging ontdekte (en de onderdelen 1 t/m 5 falen), maar onderdeel 6 slaagt (omdat de kennisgeving tijdig plaatsvond op 25 mrt 2021). Op 25 mrt 2021 is [Verzekeringnemer] nl. wél op de hoogte gebracht van de mogelijke gevolgen van de schending van zijn mededelingsplicht, maar is de overeenkomst nog niet beëindigd. Het onderzoek naar opzet, was toen nog gaande. De opzegging dateert van 29 apr 2021. Bovenstaande vraag is ook voor de verzekeringspraktijk in het algemeen van belang, zodat NN Uw Raad vraagt daarover sowieso duidelijkheid te geven (desnoods in een overweging ten overvloede)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar conclusie van antwoord in artikel 223 Rv-incident en conclusie van antwoord in hoofdzaak (hierna: cva), randnummer 4.35 (waarmee 4.35 onder NB) bedoeld zal zijn) en mva, randnummer 5.3 (waarmee randnummer 5.2 bedoeld zal zijn, zoals ook door Verzekeringnemer is opgemerkt bij s.t., p. 1, voetnoot 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie cva, randnummers 2.14, 4.35 en 4.35 NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie cva, randnummers 3.14 en 4.36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie mva, randnummer 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummer 4.35 onder NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummer 4.35 onder NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar mva, randnummer 5.2 en cva, randnummer 4.35 onder NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummer 4.35 onder NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie cva, randnummer 4.35 onder NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar 3.21 van de conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2023:140) vóór HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1050, NJ 2023/301, m.nt. N. van Tiggele-van der Velde, JA 2023/112, m.nt. T. Riyazi (Sasagar/NN): “Een ontdekking veronderstelt dat de verzekeraar niet alleen bekend is met de (ware) stand van zaken, maar ook vaststelt (c.q. heeft kunnen vaststellen) dat deze niet overeenkomt met de opgave ten tijde van het sluiten van de verzekering. Dat betekent dat het moment van ontdekking niet zonder meer het moment is waarop gegevens over de ware stand van zaken bij de verzekeraar binnenkomen. Voor de beoordeling of sprake is van ontdekking kan verder relevant zijn in welk kader de gegevens zijn opgevraagd of in beeld zijn gekomen en of deze terecht zijn gekomen bij een medewerker van de verzekeraar die tot taak heeft een schending van de mededelingsplicht te onderzoeken (bijvoorbeeld een dossierbehandelaar). Ook in dit opzicht biedt het begrip ‘ontdekken’ enige ruimte.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar A. Koert, 'De toepassing van de tweemaandentermijn van artikel 7:929 lid 1 BW', VAST 2024/P-038.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar 3.19 en 3.32 van de conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2023:140) vóór HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1050, NJ 2023/301, m.nt. N. van Tiggele-van der Velde, JA 2023/112, m.nt. T. Riyazi (Sasagar/NN) en E. Wervelman, 'Ontdekking in de zin van artikel 7:929 lid 1 BW; het aanvangsmoment van de tweemaandentermijn bij particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen', VAST 2024/P-010: “Voor ‘ontdekking’ in de zin van artikel 7:929 lid 1 BW is een vermoeden van schending van de mededelingsplicht niet voldoende. Het dossier over mogelijke verzwijging moet min of meer rond zijn. De verzekeraar zal bij een vermoeden van schending van de mededelingsplicht niet stil kunnen blijven zitten, maar moet daar nader onderzoek naar doen. De verzekeraar wordt wel ruimte gelaten om een mogelijke schending van de mededelingsplicht eerst nader te (laten) onderzoeken. Dat is ook in het belang van de verzekeringnemer. Nader onderzoek kan immers voorkomen dat hij voorbarig wordt geconfronteerd met een verwijt van de schending van de mededelingsplicht. En dat zal hij dan bij iedere volgende aanvraag tot een financiële dienst desgevraagd moeten vermelden, met alle mogelijke gevolgen van dien.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar dv, productie 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar E. Wervelman, 'Ontdekking in de zin van artikel 7:929 lid 1 BW; het aanvangsmoment van de tweemaandentermijn bij particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen', VAST 2024/P-010: “de wettelijke geheimhoudingsplicht van de medisch adviseur [staat] eraan in de weg (...) dat de verzekeraar kennis kan nemen van de medische gegevens. Daarvoor is vereist dat de medisch adviseur advies uitbrengt aan de verzekeraar die vervolgens de daadwerkelijke ontdekking doet bij of na een vergelijking tussen de opgave door de verzekeringnemer en de ware stand van zaken. De enkele binnenkomst van medische informatie bij de medische dienst zegt op zichzelf dus nog niets over de daadwerkelijke ontdekking door de verzekeraar”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar 3.21 van de conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2023:140) vóór HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1050, NJ 2023/301, m.nt. N. van Tiggele-van der Velde, JA 2023/112, m.nt. T. Riyazi (Sasagar/NN): “Voor de beoordeling of sprake is van ontdekking kan verder relevant zijn in welk kader de gegevens zijn opgevraagd of in beeld zijn gekomen en of deze terecht zijn gekomen bij een medewerker van de verzekeraar die tot taak heeft een schending van de mededelingsplicht te onderzoeken (bijvoorbeeld een dossierbehandelaar). Ook in dit opzicht biedt het begrip ‘ontdekken’ enige ruimte.”</p>\n<p class=\"lf-p\">E. Wervelman, 'Ontdekking in de zin van artikel 7:929 lid 1 BW; het aanvangsmoment van de tweemaandentermijn bij particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen', VAST 2024/P-010, p. 4: “Meer specifiek zal de verzekeraar aldus moeten bewijzen dat voldaan is aan het kennisvereiste, het kenbaarheidsvereiste, het verschoonbaarheidsvereiste en de verzwijging hem als redelijk handelend verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken, kort gezegd, anders had doen oordelen over het ter verzekering aangeboden risico. Deze eisen zijn cumulatief.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummer 2.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummer 2.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummer 2.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummer 2.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de volgende stelling (6), zal bedoeld zijn: 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummer 2.13 3e streepje en dv, productie 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummer 4.35 onder NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummer 4.35 onder NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar mva, randnummer 5.2 en cva, randnummer 4.35 onder NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummer 4.35 onder NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummer 2.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar mva, randnummer 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummer 4.35 onder NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, productie J (bericht van 25 maart 2021) en randnummer 8.1 (het bewijsaanbod) en mva, randnummer 9.3 (het bewijsaanbod).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummer 4.35 onder NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar proces-verbaal eerste aanleg, p. 4 onder ‘ [medisch adviseur] ’, sub 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld zal zijn 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor randnummer 4.17 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie s.t. Verzekeringnemer, randnummer 9.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.t. Verzekeringnemer onder randnummer 9.2.2 met een verwijzing naar het proefschrift van Katan over toerekening van kennis aan rechtspersonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar H.W. Heyman, S.E. Bartels &amp; V. Tweehuysen, Vastgoedtransacties, Den Haag: Boom juridisch 2019, nr. 524 en S.E. Bartels &amp; A.I.M. van Mierlo (m.m.v. H.D. Ploeger), Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 3. Vermogensrecht algemeen. Deel IV. Algemeen goederenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 390.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6241, NJ 2012/196, m.nt. C.E. du Perron, r.o. 3.6 (X/Bemoti).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie s.t. Verzekeringnemer, randnummers 9.2.4-9.2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dit verband ook de JA-noot van Wervelman onder het bestreden arrest onder ‘Uitgangspunt bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen: ‘ontdekking’ na ontvangst medisch advies’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dit verband ook de JA-noot van Wervelman onder ‘Medische dienst brengt advies uit aan verzekeraar die ontdekt’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar r.o. 3.14 van het bestreden arrest (waarmee r.o. 3.15 bedoeld zal zijn) en cva, productie J.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar mvg, randnummer 73 en dv, randnummer 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummers 3.21 en 7.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie cva, randnummers 2.16 en 3.14 en productie J.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummers 3.15 en 7.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummer 3.16. Daarin heeft Verzekeraar, onder verwijzing naar HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:507, NJ 2016/382, m.nt. M.M. Mendel, JA 2016/91, m.nt. C. de Rond, JIN 2016/86, m.nt. M.F. Lameris &amp; J. Ramaker, NTHR 2016, afl. 5, p. 253, m.nt. K. Engel (M/ASR Schadeverzekering), uiteengezet dat onder opzet tot misleiding wordt verstaan dat de verzekeringnemer feiten of omstandigheden niet aan de verzekeraar heeft medegedeeld die hij kent of behoort te kennen en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden hij de verzekering zal willen afsluiten, afhangt of kan afhangen, terwijl de verzekeringnemer aldus heeft gehandeld met de bedoeling de verzekeraar ertoe te bewegen de overeenkomst aan te gaan die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar M.L. Hendrikse, Privaatrechtelijke aspecten van verzekeringsfraude, Deventer: Wolters Kluwer 2013, nr. 2.5.3.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar M.L. Hendrikse e.a. (red.), Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 7, titel 17 BW, Verzekering, Deventer: Kluwer 2007, p. 31 (NvW 1, toelichting): “3. De redactie van het tweede lid is gewijzigd om duidelijker tot uitdrukking te brengen dat de verzekeraar binnen twee maanden na ontdekking de overeenkomst kan opzeggen, en derhalve niet bedoeld is binnen twee maanden na de mededeling, bedoeld in het eerste lid.” Op welk moment een verzekeraar ‘ontdekt dat de verzekeringnemer heeft gehandeld met het opzet hem te misleiden’ volgt daaruit echter niet, aldus het subsubonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummers 2.16 en 4.35 onder NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar r.o. 3.17 van het bestreden arrest en cva, randnummer 2.19 en productie L.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummer 4.35 onder NB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar cva, randnummer 4.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gelijke zin s.t. Verzekeraar, randnummer 6.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. s.t. Verzekeraar, randnummer 6.13 waar Verzekeraar op basis van de wettekst van lid 2 betoogt dat de meest logische uitleg is dat een verzekeraar de verzekering kan beëindigen, twee maanden nádat hij het eerder in de zin genoemde opzet heeft ontdekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. s.t. Verzekeraar, randnummers 6.9 en 6.14-6.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. s.t. Verzekeraar, randnummers 6.11-6.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar het bericht van Speciale Zaken van 25 maart 2021 en het antwoord hierop van Verzekeringnemer van 20 april 2021, beide genoemd in onderdeel 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar mva, randnummer 6 en cva, randnummers 4.25-4.29.</p></div>", "next": 0}