{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In het expertiserapport wordt verder onder andere gewezen op een uitspraak van de High Court of Justice of England and Wales in de zaak AIG Capital Partners Inc v. Kazakhstan (High Court of Justice, Case No: 2004/536, [2005] EWHC 2239 (comm)). De High Court moest zich onder meer buigen over de vraag wat de reikwijdte is van het woord “property” in de zin van de nationale regeling voor immuniteit van staten, in casu art. 14 (4) State Immunity Act 1978. De High Court heeft overwogen dat de term breed moet worden opgevat en “will include all real and personal property and will embrace any right or interest, legal, or contractual in assets that might be held by a State (…) or central bank”. Bsaisou en Spoerr hebben zich echter niet op deze zeer ruimte uitleg van ‘property’ beroepen. Wellicht hangt dit samen met hetgeen Bsaisou in zijn proefschrift schrijft, namelijk dat de uitgebreide bescherming van de vermogens van centrale banken in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk niet het gevolg is van een overtuiging dat het internationale recht dit gebiedt, maar van de politieke wens de eigen landen zo aantrekkelijk mogelijk te maken voor de investeringen van centrale banken, M. Bsaisou, Vollstreckungsimmunität von Zentralbanken, Tübingen: Mohr Siebeck 2020, p. 246 en 247.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij teken ik aan dat in een geval als het onderhavige, waarin geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen kan worden geacht dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is (HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:142 en HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:502.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijvoorbeeld HR 2 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:506 en de daaraan voorafgaande conclusie van AG Frielink ECLI:NL:PHR:2024:143. AG Frielink wijst in zijn conclusie ook op een conclusie van AG Spronken waarin zij stelt dat eigenlijk alleen een redelijk vermoeden dat “volstrekt uit de lucht gegrepen is” kan leiden tot het oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat verbeurdverklaring (of onttrekking aan het verkeer) van het in beslag genomen voorwerp zal volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, rov. 2.4.1-2.4.2. En nadien bijvoorbeeld HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1071, rov. 2.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het arrest van 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1071 was namens de klager - kort gezegd - aangevoerd dat de klager vader is van drie jonge kinderen en kostwinner is van zijn gezin, dat hij in grote financiële problemen verkeert en dat het in het bijzonder van groot belang is dat hij over zijn inbeslaggenomen chauffeurspas beschikt om zijn werkzaamheden uit te voeren en inkomen te genereren. De overweging van de rechtbank dat de voortduring van het beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit volstond naar het oordeel van de Hoge Raad niet.</p></div>", "next": 0}