{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Toevoeging A-G: zie ook Boschma e.a. 2018, p. 130-131: “De bevoegdheid tot vaststelling (ex ante) of sprake is van een tegenstrijdig belang ligt in eerste instantie bij de medebestuurders en kan in de statuten of in een reglement ook ter goedkeuring worden voorgelegd aan de RvC of aan de voorzitter van de RvC. In de literatuur wordt ervan uitgegaan dat ook in de statuten kan worden bepaald dat het bestuur of de voorzitter van het bestuur zelf vaststelt of een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft. Deze vaststelling is echter niet definitief ingeval het tot een gerechtelijke procedure komt. In dat geval zal uiteindelijk de rechter ex post aan de hand van de […]-criteria bindend vaststellen of er in de concrete situatie nu wel of geen sprake was van tegenstrijdig belang.” Zie verder bijv.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.B. Wezeman, ‘Vorm en sanctionering van tegenstrijdigbelangregels’, in: Eenheid en verscheidenheid, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 82; A.F.J.A. Leijten, ‘Besluitvorming bij tegenstrijdig belang naar komend recht’, in: Willems’ wegen, Deventer: Kluwer 2010, par. 24.4-24.5, waaronder: “De conclusie (…) moet zijn, denk ik, dat op de meldingsplicht aan medebestuurders, als die er zijn, geen uitzondering bestaat, ook al is deze niet in de wet zelf opgenomen. (…) In het systeem van het Wetsvoorstel zijn het - behoudens een afwijkende statutaire regeling - kennelijk de bestuurders aan wie het mogelijke tegenstrijdige belang gemeld is die besluiten of werkelijk sprake is van een tegenstrijdig belang en welke bestuurder of bestuurders daardoor geconflicteerd zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Kamerstukken II 2008/09, 31763, 3, p. 8; Kamerstukken I 2010/11, 31763, C, p. 15-16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470, NJ 2018/330, rov. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Illustratief is Kamerstukken II 2008/09, 31763, 3, p. 10-14, waaronder: “De vennootschap dient beschermd te worden tegen het risico dat een bestuurder (…) bij zijn handelen, dat gericht moet zijn op het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming, zich meer gelegen laat liggen aan een persoonlijk belang. (…) Een tegenstrijdig belang regeling dient eerst en vooral de vennootschap en degenen die betrokken zijn bij de door de vennootschap in stand gehouden onderneming. (…) Voorgesteld wordt een regeling die er op neerkomt dat de bestuurder met een tegenstrijdig belang niet meewerkt aan de totstandkoming van het besluit van het bestuur.” Zie verder bijv. Kamerstukken II 2015/16, 34491, 3, p. 5, waaronder: “Deze regeling strekt ter bescherming van de belangen van de rechtspersoon en van degenen die bij die rechtspersoon betrokken zijn.” En Kamerstukken I 2010/11, 31763, C, p. 7 over “een gedragsnorm voor bestuurders; zij moeten zich onthouden van de besluitvorming indien er een tegenstrijdig belang is. De gedragsnorm is geschreven ter bescherming van de vennootschap.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286, rov. 4.1-4.3 en HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, NJ 2018/331, rov. 3.3.6, waaronder: “Het bestuur heeft een eigen verantwoordelijkheid om zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199, NJ 2023/166, rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7972, NJ 2007/434, rov. 4.4-4.5 en HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, NJ 2018/331, rov. 3.3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2018/19, 34491, 6, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2018/19, 34491, 6, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband ook diezelfde minister in Kamerstukken II 2018/19, 34491, 6, p. 22, bij de vraag (vanuit de SGP-fractie) “of de verantwoordelijkheid voor het definiëren van tegenstrijdig belang bij de individuele bestuurder ligt of bij het bestuur als geheel”: “Of sprake is van een tegenstrijdig belang, wordt primair bepaald door de bestuurder zelf. Wanneer hij twijfelt over de aanwezigheid van (de schijn van) een tegenstrijdig belang, doet hij er goed aan om dit te melden en zijn mening te toetsen aan het gevoelen van de andere bestuurders. Deze kunnen hem dan adviseren over hun oordeel ten aanzien van de aanwezigheid van (de schijn van) een tegenstrijdig belang. Uiteindelijk oordeelt de rechter of van een tegenstrijdig belang sprake is geweest.” Daarbij volgt: “Voor een uitgebreider antwoord verwijs ik naar mijn antwoord op een vergelijkbare vraag van de leden van de PvdA-fractie”, wat kennelijk ziet op Kamerstukken II 2018/19, 34491, 6, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt ook voor de in de vorige noot geciteerde opmerking van de minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie D.A.M.H.W. Strik, ‘Onderzoeksplicht bij (potentieel) tegenstrijdig belang?’, in: Het belang van Fons, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 439-440, mede naar aanleiding van Kamerstukken II 2018/19, 34491, 6, p. 11, 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. de Jongh, Twee eeuwen tegenstrijdig belang (oratie EUR), Den Haag: Boom juridisch 2019 merkt op p. 54 op “dat de vaststelling van een tegenstrijdig belang dient te geschieden in samenspraak met medebestuurders en commissarissen”. Op p. 64 schrijft hij, onder verwijzing naar Kamerstukken II 2018/19, 34491, 6, p. 11, kennelijk meer precies naar de onder 3.7.15 hiervoor geciteerde opmerking van de minister: “Nu kan er in de praktijk onzekerheid of onenigheid bestaan over de vraag óf in een concreet geval sprake is van een tegenstrijdig belang. Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat die beslissing wordt genomen door de betrokken bestuurder maar dat hij daartoe overlegt met zijn medebestuurders.” Mogelijk in vergelijkbare zin Asser/G.J.C. Rensen, Overige rechtspersonen (2-III), Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 137 onder c. Ik zou die conclusie dus niet willen verbinden aan de parlementaire geschiedenis, zo moge duidelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie https://www.mccg.nl/documenten/2025/03/corporate-governance-code-2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie evenwel HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544, rov. 4.4.2 onder (iii), waarin de Hoge Raad - kennelijk met een schuin oog kijkend naar art. 3:12 BW - overweegt dat de code (gedoeld wordt op de versies uit 2003 en 2008) “een uiting vormt van de in Nederland heersende algemene rechtsovertuiging welke mede inhoud geeft aan” de eisen van redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW en de eisen die voortvloeien uit een behoorlijke taakvervulling waartoe elke bestuurder ingevolge art. 2:9 BW gehouden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, NJ 2007/420, rov. 3.4-3.7. Zie ook onder 3.7.6 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toevoeging A-G: deze per 1 januari 2013 vervallen bepaling, waarvoor kort gezegd art. 2:239 lid 6 BW toen in de plaats is gekomen, luidde: “Tenzij bij de statuten anders is bepaald, wordt de vennootschap in alle gevallen waarin zij een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders, vertegenwoordigd door de commissarissen. De algemene vergadering is steeds bevoegd een of meer andere personen daartoe aan te wijzen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Kamerstukken II 2008/09, 31763, 3, p. 10-14; Kamerstukken II 2018/19, 34491, 6, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2008/09, 31763, 3, p. 12. Zie bijv. ook Kamerstukken II 2008/09, 31763, 6, p. 18, waaronder: “In aansluiting op de uitspraak van de Hoge Raad inzake […] (HR 29 juni 2007, NJ 2007, 420) volgt uit het wetsvoorstel dat een zuiver kwalitatief belang niet leidt tot de toepassing van de regeling terzake tegenstrijdig belang (artikel 2:129/239 lid 6 BW). De desbetreffende bestuurder mag echter niet een direct of indirect persoonlijk belang hebben bij de besluitvorming (terwijl dat belang tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap). In het laatste geval mag hij niet deelnemen aan de besluitvorming.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoiets valt ook niet te lezen in Kamerstukken II 2018/19, 34491, 6, p. 11, 22, waarover onder 3.7.15-3.7.16 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2008/09, 31763, 3, p. 12. Dit betreft een passage over datgene waartoe een “tegenstrijdig belang regeling” dient (“eerst en vooral de vennootschap en degenen die betrokken zijn bij de door de vennootschap in stand gehouden onderneming”), waarbij “past dat zo’n regeling ook binnen het vennootschappelijke veld vorm krijgt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toevoeging A-G: zie ook NJ-annotator J.M.M. Maeijer in nr. 4 onder HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, NJ 2007/420: “Maar de hierboven onder 1 slot aangeduide gedragsnorm die de HR aan het handelen van de bestuurder stelt, geldt, zoals uit r.o. 3.7 blijkt, in het bijzonder die besluitvorming van de bestuurder. In wezen is die norm een heilzame concretisering van hetgeen ingevolge art. 2:8 en 9 lid 1 BW van de bestuurder in het algemeen mag worden verwacht.” Die verwijzing naar het slot van nr. 1 slaat terug op: “Ingevolge r.o. 3.4 moet worden beoordeeld of de bestuurder bij wie integriteit en objectiviteit mogen worden verwacht, te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend heeft laten leiden (dus niet: of hij zich … heeft kunnen laten leiden) door het belang van de vennootschap en de onderneming. Hierbij is echter niet vereist dat van te verwachten daadwerkelijke benadeling van de vennootschap sprake is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 6 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser/M.P. Nieuwe Weme &amp; T. Salemink, NV en BV - Corporate Governance (2-IIb), Deventer: Wolters Kluwer 2025, nrs. 201-203.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toevoeging A-G: dit een en ander sluit grosso modo aan bij, maar is op onderdelen concludenter dan, Asser/G. van Solinge &amp; M.P. Nieuwe Weme, NV en BV - Corporate Governance (2-IIb), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nrs. 221, 224-225 inzake (melding respectievelijk vaststelling van) tegenstrijdig belang mede in de zin van art. 2:239 lid 6 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is dus aan de orde in de onderhavige zaak. Tot die situatie beperk ik mij hier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit laatste past ook bij het in art. 2:239 lid 6 BW vervatte mechanisme dat als een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft (dus in de zin van die bepaling), hij niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming ter zake van het bestuur. Dit werpt dan de schaduw vooruit naar de situatie waarin door het bestuur moet worden beslist of de betrokken bestuurder daadwerkelijk zo’n tegenstrijdig belang heeft. Zie trouwens ook de systematiek van de Nederlandse corporate governance code, waarover onder 3.7.18 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook onder 3.7.23-3.7.24 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met name M.L. Lennarts, T&amp;C Ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2025 (bijgewerkt t/m 1 september 2025), art. 2:239 BW, aant. 8; J.B. Huizink, GS Rechtspersonen, Deventer: Wolters Kluwer 2025 (bijgewerkt t/m 27 juli 2025), art. 2:239 BW, aant. 17.4.2; E.E.G. Gepken-Jager, Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, Den Haag: Sdu 2025, art. 2:239 BW, aant. 3 in verbinding met art. 2:129 BW, aant. 3.1 (in het bijzonder p. 605, waaronder: “De bevoegdheid tot vaststelling (ex ante) of sprake is van een tegenstrijdig belang ligt in eerste instantie bij de medebestuurders en kan in de statuten of in een reglement ook ter goedkeuring worden voorgelegd aan de RvC of aan de voorzitter van de RvC. Of in een concreet geval daadwerkelijk sprake is van tegenstrijdig belang wordt uiteindelijk definitief vastgesteld door de rechter (ex post) aan de hand van de […]-criteria”);</p>\n<p class=\"lf-p\">M.J. Kroeze, L. Timmerman &amp; J.B. Wezeman, De kern van het ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 127-130; P. van Schilfgaarde/J.W. Winter, J.B. Wezeman &amp; J.D.M. Schoonbrood, Van de BV en de NV, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 42 (in het bijzonder p. 203-204); J.B. Huizink/J.E. Brink-van der Meer &amp; B.H.A. van Leeuwen, Rechtspersoon, vennootschap en onderneming, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 108a; K.H.M. de Roo, Bestuur van rechtspersonen (diss. VU), Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. 3.7; P. van Schilfgaarde, De redelijkheid en billijkheid in het ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, nr. 76; E.E.J. van der Heijden/W.C.L. van der Grinten/P.J. Dortmond e.a., Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, Deventer: Kluwer 2013, nr. 233.1;</p>\n<p class=\"lf-p\">B.F. Assink | W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 1), Deventer: Kluwer 2013, § 51.6 (in het bijzonder p. 975-982). Zie ook noten 26-28 en 39 hiervoor en noten 57-58 hierna.Volgens C.H.C. Overes, T.J. van der Ploeg &amp; W.J.M. van Veen, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 117 “lijkt” de beoordeling of sprake is van een tegenstrijdig belang “in beginsel een verantwoordelijkheid van de bestuurder zelf”. Het is mij niet duidelijk wat zij daarmee precies bedoelen en waarop zij dit dan precies baseren. Zie verder noot 40 hiervoor, te lezen in het licht van 3.7.6-3.7.17 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dus: “R.G.J. Nowak en A.F.J.A. Leijten, 'De nieuwe wettelijke tegenstrijdigbelangregeling', Ondernemingsrecht 2012/92, § 4 en 7”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. nrs. 6-7: “De wet bepaalt zoals gezegd evenmin wie tot vaststelling (ex ante) van een tegenstrijdig belang bevoegd is. De toelichting betoogt dat de statuten ‘uiteraard’ kunnen bepalen dat de raad van commissarissen een goedkeuringsrecht heeft ten aanzien van de (in eerste instantie door de medebestuurders te beantwoorden) vraag of een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft. (…) In de praktijk zal (in statuten of in een reglement) ook verder aansluiting kunnen worden gezocht bij de regeling in de CGC. Indien het orgaan waarvan het geconflicteerde lid deel uitmaakt, vaststelt of er in het concrete geval sprake is van een tegenstrijdig belang, zal dat uiteraard buiten diens aanwezigheid dienen te geschieden.” [onderstreping toegevoegd, zonder verwijzing in het origineel, A-G] Zoals in Assink | Slagter 2013, § 51.6 (p. 980-982, 988-993), mede over het structural bias-fenomeen. Zie bijv. ook Leijten 2010, par. 24.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dus: “Artikel 2:239 lid 6 BW bepaalt dat een bestuurder niet deelneemt aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Daarvan is sprake indien de betrokken bestuurder, gelet op alle omstandigheden van het geval, te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrij naar plv. P-G Mok (ECLI:NL:PHR:2002:AD9857) voor HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857, NJ 2002/296, onder 3.4.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de spreekaantekeningen zijdens [verzoeker] bij de mondelinge behandeling van 24 januari 2025, nrs. 2.10-2.11. [Noot in het origineel, A-G:] HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:409, r.o. 4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toevoeging A-G: ter zake tekent het subonderdeel aan, in de laatste zin van noot 13 aldaar: “Zie voor de wens van Mubadala om de transactie aan te gaan, zonder inwilliging waarvan Mubadala niet langer bereid was om Getir te blijven financieren: verzoekschrift § 3.19, 4.13; proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 5.” [Noot in het origineel, A-G:] Verweerschrift Executive Directors, nr. 123. [Noot in het origineel, A-G:] Productie 5, Schedule 1. [Noot in het origineel, A-G:] Productie 21, art. 2. [Noot in het origineel, A-G:] Idem, Schedule 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toevoeging A-G: ik begrijp voornoemde “beloning van Alix”. [Noot in het origineel, A-G:] Idem, art. 2. [Noot in het origineel, A-G:] Idem, art. 3. [Noot in het origineel, A-G:] Idem, art. 3. [Noot in het origineel, A-G:] Productie 22, onder 6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te weten: (i) dat [verzoeker] (ook) overigens geen concrete feiten en omstandigheden zou hebben aangevoerd waaruit zou blijken dat [betrokkene 1] , kort gezegd, een tegenstrijdig belang had; en (ii) dat [verzoeker] niet zou hebben gesteld dat [betrokkene 1] een persoonlijk belang had bij de aanvaarding van de door Mubadala voorgestelde transactie door Getir. Wat (ii) betreft geldt - aldus het subonderdeel - dat de stellingen van [verzoeker] niet anders kunnen worden begrepen dan dat [betrokkene 1] er, vanwege de door [verzoeker] concreet genoemde feiten en omstandigheden, een persoonlijk belang bij had gehoor te geven aan de wensen van Mubadala, tot welke wensen behoorde het aangaan van de door Mubadala voorgestelde transactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee ontvalt ook reeds de bodem aan het daarop aansluitende beroep in nr. 2.11 op HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:409, NJ 2025/139, rov. 4.7. Overigens was het daar voorliggende feitencomplex een wezenlijk andere dan in de onderhavige zaak, zoals reeds blijkt uit de door de Hoge Raad in rov. 4.7 benadrukte omstandigheid dat de bestuurder in kwestie “op het punt stond zijn (nagenoeg) enige inkomstenbron te verliezen toen zijn positie binnen [de vennootschap, A-G] onhoudbaar was geworden”. Zie ook onder 3.21.1 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook p. 4 van het proces-verbaal: “ [betrokkene 1] , van AlixPartners, is op verzoek van Mubadala, benoemd als (mede)bestuurder van Getir.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit laatste volgt evenmin uit de stelling van [verzoeker] - onder verwijzing naar art. 3 van de Engagement Letter - dat Mubadala meer rechten krijgt dan de overige aandeelhouders, onder meer op het gebied van informatie en assistentie (zie nr. 2.11 onder (iv)). Daarmee heeft hij evenmin gesteld dat “ [betrokkene 1] persoonlijk” een belang zou hebben bij aanvaarding door Getir van de door Mubadala voorgestelde transactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook daarmee heeft [verzoeker] niet gesteld dat “ [betrokkene 1] persoonlijk” een belang zou hebben bij aanvaarding door Getir van de door Mubadala voorgestelde transactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het V6-formulier indiening nadere stukken zijdens Getir van 23 januari 2025, productie 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die “Aanvulling, uitwerking en toelichting” betrek ik uiteraard bij de beoordeling van de subonderdelen 2.1 t/m 2.5, maar vergt geen separate bespreking afgezien van subonderdeel 2.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst hier, in essentie, naar nrs. 4.1 en 4.3 van het verzoekschrift van [verzoeker] en nrs. 1.2, 3.7, 4.1 en 4.2 van diens spreekaantekeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij betrekt de OK dus - kort gezegd - dat bestuurders zich bij de vervulling van hun taak dienen te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, waarvan de inhoud afhangt van de omstandigheden van het geval. Dat bestuurders daarbij voorts - mede op grond van art. 2:8 BW - zorgvuldigheid moeten betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, welke verplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al die betrokkenen niet onnodig of onevenredig worden geschaad. En dat het bestuur bij zijn besluitvorming beoordelingsvrijheid toekomt, waarbij geldt dat de OK in beginsel niet in de merites van bestuurlijke beslissingen treedt wanneer daaraan een gedegen besluitvormingsproces ten grondslag ligt met een behoorlijke afweging van de voor- en nadelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel van dit laatste is: “Mubadala was niet gehouden nog aanvullende financiering te verstrekken en zij had op 31 december 2024 uitdrukkelijk laten weten dat zij daartoe niet bereid zou zijn indien de voorgestelde transactie en de daaraan gestelde voorwaarden niet door Getir werden aanvaard.” Zie ook p. 4-6 van het proces-verbaal, en de vaststelling op p. 8 dat “[m]et de door Mubadala op 30 december 2024 aan [verzoeker] en Getir verzonden brieven duidelijk [was] geworden dat nakoming van de Term Sheet niet meer mogelijk zou zijn, als de door Mubadala voorgestelde transactie met de daaraan verbonden voorwaarden (…) door Getir zou worden aanvaard.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Toevoeging A-G: het subonderdeel verwijst hier, in essentie, naar nrs. 1.2, 1.3, 3.10, 4.1-4.3 en 4.16 van het verzoekschrift van [verzoeker] , nrs. 1.2, 3.7, 4.1 en 4.2 van diens spreekaantekeningen en p. 5, tweede alinea, laatste zin van het proces-verbaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die onder 3.40-3.43 hiervoor bedoelde betogen van [verzoeker] betreffen immers, kort gezegd, kwesties (van wijziging althans aanwending) van zeggenschap in het bestuur en/of de algemene vergadering van Getir.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betreft de door mij onder 3.35 hiervoor onderstreepte stelling van [verzoeker] , dus: “(…) dat Mubadala van haar zijde te kwader trouw en op onjuiste gronden geen uitvoering heeft gegeven aan de Term Sheet (…).” Zie over de Term Sheet ook o.a. p. 4 van het proces-verbaal, waar de OK vaststelt dat “partijen een Term Sheet [zijn] overeengekomen” (in juni 2024) en wat zij daarin onder meer hebben opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De OK gebruikt de woorden “in de kern”. Van Dale (online, 5 december 2025) omschrijft dit, bij “in de /grond/kern/ van de zaak”, als: “in feite, eigenlijk”. Men kan ook zeggen: in wezen, in essentie, dat waar het om draait/op neerkomt. Kortom, volgens de OK gaat het hier om een te onderscheiden geschil van vermogensrechtelijke aard; van een gemengd geschil (slechts deels van die aard) is geen sprake. Ook hier doet trouwens opgeld wat ik schreef onder 3.15 hiervoor over het proces-verbaal en het wegen van woorden op een goudschaaltje.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik begrijp: op basis van de forumkeuze in de Term Sheet. Zie de voor-voorlaatste pagina, achter “Governing Law” (“the courts of England and Wales shall have exclusive jurisdiction”, etc.) Hier speelt dus iets anders dan aan de orde was in bijv. Hof Amsterdam (OK) 21 maart 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BC7530, rov. 3.5. Dit betreft gevallen waarin de OK in een enquêteprocedure, wil zij tot een bepaalde - in de woorden van J.H.M. Willems, ‘Ondernemingsrecht met een eigen karakter?’, in: Eenheid en verscheidenheid, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 173 - “enquêterechtelijke beslissing” kunnen komen, een (voor)vraag moet beantwoorden ten aanzien waarvan de OK niet de absoluut bevoegde rechter is en er geen antwoord van de wel absoluut bevoegde rechter voorhanden is. Willems duidt de positie van de OK in zulke gevallen aldus “dat als een beslissing ter zake van de absoluut bevoegde rechter niet voorhanden is, de OK tot de beslissing dient te komen waartoe naar haar oordeel die rechter zou komen, zou hem het geschil worden voorgelegd.” Daarmee “is die vraag niet met gezag van gewijsde beslist.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook deze cursivering is aangebracht in het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2465, NJ 2006/173, rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5516, NJ 2011/210, rov. 3.2.2-3.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst hier, in essentie, naar nrs. 1.3, 4.1 en 4.3 van het verzoekschrift van [verzoeker] , nrs. 1.2, 3.7, 4.1 en 4.2 van diens spreekaantekeningen en p. 5, tweede alinea, laatste zin van het proces-verbaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel van een verhandeling over subonderdeel 2.2 onder “Aanvulling, uitwerking en toelichting”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het subonderdeel (“anders dan [verzoeker] die uitleggen”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie haar verweerschrift in cassatie, nr. 119: “De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan [verzoeker] stellen, heeft de OK niet geoordeeld c.q. vastgesteld dat de afspraken in juni 2024 over de governance van Getir niet opgenomen waren in de Term Sheet”, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie productie 6 bij het verzoekschrift van [verzoeker]</p></div>", "next": 0}