{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">3.154 Subonderdeel 2.3 bevat enkel een voortbouwklacht: bij het slagen van subonderdeel 2.2 kan ook rov. 3.4, eerste t/m derde zin EV niet in stand blijven, omdat dit voortbouwt op rov. 3.3, derde t/m vijfde zin EV waartegen subonderdeel 2.2 zich richt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.155 Subonderdeel 2.4 klaagt dat indien en voor zover het hof met rov. 3.3, derde zin EV niet doelt op het door het Land aan het in rov. 3.2 EV bedoelde betoog ten grondslag gelegde standpunt “dat het Kadasterbesluit 2000 in strijd is met de Kadasterlandsverordening en onverbindend is”, ‘s hofs verwerping van dat betoog in het licht van dat standpunt onvoldoende is gemotiveerd. Dat “dan” sprake is van een onvoldoende motivering “geldt te meer” nu de legal opinion van prof. Van Rijn steun biedt aan dat standpunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.156 Subonderdeel 2.5 voert nog aan dat rov. 3.2-3.4 EV ook onvoldoende zijn gemotiveerd, omdat het hof bij de verwerping van het in rov. 3.2 EV bedoelde betoog van het Land niet (kenbaar) heeft betrokken het standpunt van het Land, kort gezegd, dat “het Kadasterbesluit 2000” zo moet worden uitgelegd dat het hooguit kan zien op een delegatie van de bevoegdheid tot het stellen van tarieven (en eventueel op inning van de kosten daarvan namens/ten behoeve van het Land), en dus niet kan strekken tot een overdracht van (andere, meeromvattende) taken en bevoegdheden van het Land aan de Stichting. Dat sprake is van een onvoldoende motivering “geldt te meer” nu de legal opinion van prof. Van Rijn “in dit opzicht”, anders dan het hof blijkens rov. 3.4, vierde t/m zesde zin EV aanneemt, meer dan beperkte steun biedt aan het in rov. 3.2 EV bedoelde betoog van het Land.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.157 De subonderdelen falen, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.158 Te beginnen met subonderdeel 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.159 Blijkens rov. 3.3-3.4 EV gaat volgens het hof het in rov. 3.2 EV weergegeven betoog van het Land ervan uit dat het (lagere) Kadasterbesluit uit 2000, zoals gewijzigd in 2006, in strijd is met de (hogere) Kadasterlandsverordening uit 1938/deze doorkruist, en aldus onverbindend is. Dit is niet onbegrijpelijk, want strookt met het procesdossier in feitelijke instanties. Daaruit blijkt ook dat het Land na het tussenvonnis erop heeft gewezen dat het hof hierop nog niet had gerespondeerd en het hof heeft verzocht, kort gezegd, dit alsnog te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.160 Dit laatste doet het hof dus in rov. 3.2-3.4 EV, waarin het ermee opent dat het Land aan zijn vorderingen “ook” het in rov. 3.2 EV weergegeven betoog ten grondslag heeft gelegd. Uit rov. 3.3 EV maak ik op dat volgens het hof voornoemde onverbindendheid, indien al juist, om de aan het slot van rov. 3.3 EV uiteengezette redenen niet tot rechtsgevolg kan hebben dat het op de voet van art. 3 van de statuten van de Stichting gevormde vermogen niet toekomt aan haar, maar aan het Land als bedoeld in rov. 3.2 EV. In rov. 3.4 EV legt het hof nog uit dat en waarom dit niet anders wordt door de legal opinion van prof. Van Rijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.161 Het Land heeft na het tussenvonnis ook nog verzocht aan het hof terug te komen van rov. 2.7, tweede alinea TV inzake de uitleg van het Kadasterbesluit uit 2000, zoals gewijzigd in 2006. Dit onder verwijzing naar voornoemde legal opinion. Dit verzoek van het Land bestrijkt het hof dus niet met rov. 3.2-3.4 EV, want die passages gaan over iets anders (zie onder 3.159-3.160 hiervoor), maar al eerder in het tussenvonnis. Specifiek in rov. 3.1, eerste zin EV, waarin het hof opent met de overweging dat het blijft bij hetgeen is overwogen in het tussenvonnis. Dat het hof dit verzoek (behandeld in rov. 3.1, eerste zin EV) en het onder 3.159 hiervoor bedoelde verzoek (behandeld in rov. 3.2-3.4 EV) zo uit elkaar houdt, is niet onbegrijpelijk. Ook dit strookt met het procesdossier in feitelijke instanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.162 Wat betekent dit nu voor het subonderdeel? Dit heeft slechts feitelijke grondslag, voor zover het uitgaat van hetgeen het hof daadwerkelijk doet in rov. 3.2-3.4 EV als samengevat onder 3.159-3.161 hiervoor. Wat er verder zij van ’s hofs overwegingen in rov. 3.3-3.4 EV, de uitkomst die het bereikt - verwerping van het in rov. 3.2 EV bedoelde betoog - is juist. En wel reeds omdat hier géén sprake is van strijd met/doorkruising van de Kadasterlandsverordening uit 1938 via het Kadasterbesluit uit 2000, zoals gewijzigd in 2006, dus evenmin van daarop gebaseerde onverbindendheid van dit besluit. Zie onder 3.85-3.93 hiervoor. Aldus kan géén sprake zijn - anders dan het subonderdeel in de kern poneert - van ‘miskenning’ door het hof dat voornoemde betoog wel opgaat, oftewel dat het op de voet van art. 3 van de statuten van de Stichting gevormde vermogen (althans de door de Stichting geïnde gelden) niet aan haar toekomt (toekomen), maar aan het Land.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.163 Bij deze stand van zaken kan ik daarlaten of het subonderdeel wel voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.164 Dan subonderdeel 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.165 Dit strandt in lijn met 3.162 hiervoor, bij gebrek aan het vereiste belang. Kort en goed: de uitkomst die het hof bereikt - verwerping van het in rov. 3.2 EV bedoelde betoog - is juist, wat er verder zij van ’s hofs overwegingen in rov. 3.3-3.4 EV. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.166 Dan subonderdeel 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.167 Dit bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van subonderdeel 2.2, dat faalt. Zie onder 3.164-3.165 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.168 Dan subonderdeel 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.169 Dit strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis, omdat het hof met rov. 3.3, derde zin EV dus wel doelt op het in het subonderdeel bedoelde standpunt van het Land. Zie onder 3.159-3.160 hiervoor. Overigens draait rov. 3.4 EV erom dat zo de daar bedoelde rechtsopvatting als voorgestaan door prof. Van Rijn al juist is, dit onverlet laat dat zijn legal opinion onvoldoende steun biedt aan het in rov. 3.2 EV bedoelde, verdergaande betoog van het Land. De daarop door het hof gegeven toelichting strookt met die legal opinion en is prima te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.170 Tot slot subonderdeel 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.171 Dit loopt erop vast dat blijkens rov. 3.3-3.4 EV het in rov. 3.2 EV weergegeven betoog van het Land volgens het hof niet (ook) uitgaat van een om uitleg (van het Kadasterbesluit uit 2000, zoals gewijzigd in 2006) draaiend standpunt als bedoeld in het subonderdeel, en dat dit niet onbegrijpelijk is. Zie onder 3.159 en 3.161 hiervoor. Kortom, bij de verwerping van dat betoog betrekt het hof dit standpunt niet en hoefde het dat ook niet te doen. Het hof gaat in rov. 3.4, vierde t/m zesde zin EV dus ook niet uit van passages in de legal opinion van prof. Van Rijn die zien op zo’n uitlegkwestie. En het hof hoefde, gezien het voorgaande, die passages ook niet te betrekken bij diens verwerping in rov. 3.3-3.4 EV van voornoemde betoog. Zie overigens ook onder 3.169 hiervoor over rov. 3.4 EV. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.172 Dit betekent dat onderdeel 2 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3 (“Uitleg art. 4 Kadasterbesluit 2000”) 3.173 Onderdeel 3 begint met een inleiding zonder klachten en bevat vervolgens twee subonderdelen (3.1-3.2), gericht tegen het oordeel in rov. 2.7 TV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.174 Subonderdeel 3.1 klaagt dat ’s hofs uitleg van het Kadasterbesluit uit 2000, zoals gewijzigd in 2006, rechtens onjuist is. Art. 4 van dit besluit moet, conform zijn tekst en gelet op de inhoud en strekking van (art. 3 van) de Kadasterlandsverordening uit 1938, zo worden uitgelegd dat aanvragers de bedoelde betalingen voor grensuitzettingen bij voortuitbetaling aan het Land verschuldigd zijn en niet aan de Stichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.175 Subonderdeel 3.2 klaagt over rov. 2.7, laatste alinea TV. Zij komt erop neer dat indien en voor zover het hof dit mede ten grondslag heeft gelegd aan zijn bevestiging van de afwijzing van de vorderingen van het Land, het hof miskent wat bij grief 5 door het Land is aangevoerd en dat voor toewijzing van die vorderingen niet is vereist dat het Land het bedrag noemt dat volgens hem zonder grondslag is geïnd. In ieder geval is dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onvoldoende gemotiveerd “in het licht van het voorgaande en van hetgeen het Land achter II heeft gevorderd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.176 De subonderdelen falen, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.177 Te beginnen met subonderdeel 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.178 Dit strandt op basis van 3.48 hiervoor (inzake de Kadasterlandsverordening uit 1938), 3.54-3.56 hiervoor (inzake art. 4 van het Kadasterbesluit uit 2000, zoals gewijzigd in 2006) en 3.85-3.89 hiervoor (inzake de verbindendheid van dit besluit). Bij deze stand van zaken valt niet in te zien dat wat het subonderdeel opmerkt de conclusie rechtvaardigt dat het hof in rov. 2.7 TV blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door art. 4 van dit besluit uit te leggen zoals het daar doet, welke uitleg dus een redelijke is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.179 Tot slot subonderdeel 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.180 Dit loopt reeds erop vast dat het bestreden oordeel m.i. ziet op een door het hof in rov. 2.7 TV gegeven overweging ten overvloede (“Overigens”, etc.) die, kort gezegd, niet dragend is voor ’s hofs verwerping van grief 5 van het Land of bevestiging van de afwijzing van de in rov. 2.2 TV bedoelde vorderingen van het Land “[i]n deze rechtszaak”. Het subonderdeel strandt aldus reeds op een gebrek aan het vereiste belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.181 Dit betekent dat onderdeel 3 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 4 (“Ongerechtvaardigde verrijking”) 3.182 Onderdeel 4 begint met een inleiding zonder klachten en bevat vervolgens twee subonderdelen (4.1-4.2), gericht tegen rov. 2.6 TV en rov. 3.1 EV inzake het door het Land gedane beroep op ongerechtvaardigde verrijking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.183 Volgens subonderdeel 4.1 is ’s hofs oordeel in rov. 2.6 TV, waarbij het vervolgens blijft in rov. 3.1, eerste zin EV, rechtens onjuist en/of niet naar behoren gemotiveerd op de gronden vermeld in de onderdelen 2 en 3. De daarin opgenomen klachten over de uitleg en onverbindendheid van “het Kadasterbesluit 2000” zijn (mutatis mutandis) van overeenkomstige toepassing op dat oordeel. Uit het in die onderdelen gestelde volgt dat indien de reservevorming bij de Stichting als een verrijking ten koste van het Land kan worden aangemerkt, wat het Land heeft gesteld en het hof in het midden laat, die verrijking haar rechtvaardiging niet, ook niet in beginsel, vindt in “de combinatie van het Kadasterbesluit 2000 en de statuten van de Stichting”.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.184 Subonderdeel 4.2 bestrijdt vanuit diverse invalshoeken het oordeel in rov. 3.1, tweede zin EV dat voor zover het hof in rov. 2.6 TV ruimte heeft gelaten voor het oordeel dat de vorderingen in dit geval met succes kunnen worden gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking, het hof nu overweegt dat het Land onvoldoende heeft gesteld om te kunnen aannemen dat zijn vorderingen met succes op die grondslag kunnen worden gebaseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.185 De subonderdelen falen, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.186 Te beginnen met subonderdeel 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.187 Dit bouwt voort op en deelt daarom in het lot van de onderdelen 2 en 3, die falen. Zie, concluderend, onder 3.172 en 3.181 hiervoor. Kort en goed: waar de klachten in deze onderdelen doel missen, baten zij het Land evenmin waar het gaat om het bestreden oordeel als bedoeld in het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.188 Tot slot subonderdeel 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.189 Dit klaagt vooreerst dat het bestreden oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. En wel omdat de in de tweede t/m vierde alinea van subonderdeel 1.3 opgenomen klachten over “de innerlijke tegenstrijdigheid en/of het niet concludent zijn en/of de onbegrijpelijkheid van de vonnissen van het hof en over de gegeven ontoelaatbare verrassingsbeslissing” (mutatis mutandis) van overeenkomstige toepassing zijn op het bestreden oordeel. Dit bouwt voort op en deelt daarom in het lot van subonderdeel 1.3, dat faalt. Zie onder 3.138-3.149 hiervoor. Kort en goed: waar de desbetreffende klachten in subonderdeel 1.3 doel missen, baten zij het Land evenmin waar het gaat om het bestreden oordeel als bedoeld in het onderhavige subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.190 Het subonderdeel klaagt verder dat het bestreden oordeel in ieder geval onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof daarin duidelijk had moeten maken waarom dat wat het Land heeft gesteld onvoldoende is om te kunnen aannemen dat zijn vorderingen met succes op ongerechtvaardigde verrijking kunnen worden gebaseerd. Daartoe wijst de klacht op (i) rov. 2.9, eerste t/m vijfde zin TV en (ii) hetgeen het Land aan die vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Aldus zou ook het bestreden oordeel niet voldoen aan het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging. M.i. gaat ook dit een en ander niet op. Naar volgt uit 3.141 hiervoor komt het voor het hof wat betreft ongerechtvaardigde verrijking in het eindvonnis (specifiek rov. 3.1, tweede zin EV) dus aan op de vraag of dat wat het Land heeft aangevoerd na het tussenvonnis, specifiek in het kader van de mondelinge behandeling in hoger beroep, aanleiding kan geven voor het oordeel dat de in rov. 2.9, eerste zin TV bedoelde situatie zodanig in de lijn der verwachting ligt dat deze niet langer slechts hypothetisch-toekomstig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof beantwoordt deze vraag dus ontkennend in rov. 3.1, tweede zin EV. Dit oordeel moet uiteraard tevens worden bezien in het licht van het partijdebat na het tussenvonnis. Lezing daarvan bevestigt dat dit oordeel ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk is. Bij die stand van zaken gaf noch (i) noch (ii) het hof reden het bestreden oordeel nader te motiveren. Daaraan ziet het subonderdeel voorbij.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.191 Vervolgens voert het subonderdeel nog aan dat het hof bovendien te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van het Land in dit verband, zodat zijn oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de in een geval als het onderhavige aan die stelplicht te stellen eisen. Als deze klacht zelfstandig is bedoeld, voldoet zij evident niet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. De klacht loopt ook vast als deze voortbouwt op het voorgaande in het subonderdeel, nu al die klachten falen. Zie onder 3.189-3.190 hiervoor. De klacht loopt eveneens vast als deze moet worden bezien in samenhang met wat nog volgt aan het slot van het subonderdeel, omdat ook die laatste klacht faalt. Daarover nog het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.192 De slotklacht komt erop neer dat indien en voor zover het hof in rov. 3.1, tweede zin EV van oordeel is dat 3.190 onder (i)-(ii) hiervoor niet meebrengt en/of kan meebrengen dat de (door het Land gestelde, door het hof in het midden gelaten) verrijking van de Stichting in dit geval ongerechtvaardigd is (en gehele of gedeeltelijke afdracht van de reserves redelijk is), dat getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien die verrijking in de door het Land gestelde omstandigheden wél ongerechtvaardigd is althans kan zijn (en gehele of gedeeltelijke afdracht van de reserves redelijk is althans kan zijn). M.i. strandt de klacht reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis, omdat het hof in het bestreden oordeel iets anders doet dan de klacht veronderstelt. Zie onder 3.190 hiervoor. De klacht behoeft geen verdere behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.193 Dit betekent dat ook onderdeel 4 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 3.194 Het cassatiemiddel van het Land is derhalve vergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Zie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 4 juli 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:112. Rov. 2.1.1-2.1.5, 2.1.7-2.1.8 en 2.1.10 bevatten overwegend uiteenzettingen inzake toepasselijke wet- en regelgeving. Dit e.e.a. kom ik nog uitgebreid te bespreken en laat ik daarom hier achterwege.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtsvoorganger van het Land. Zie ook rov. 3.3 van het bestreden eindvonnis: “Het Land is rechtsopvolger van zowel het eilandgebied Curaçao als (voor zover van belang voor deze zaak) het land de Nederlandse Antillen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 1 van het bestreden eindvonnis: “De Stichting is in 2002 opgericht bij de privatisering van de Dienst Kadaster en Hypotheekwezen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs erop dat nadien aan de Stichting een dwangschrift is uitgebracht waarmee de Ontvanger van het Land heeft getracht de factuur te innen. De Stichting heeft zich hiertegen verzet via een kort geding. Met succes. Want het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao heeft, kort gezegd, de Ontvanger van het Land verboden het dwangschrift ten uitvoer te leggen. Zie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 24 april 2020, ECLI:NL:OGEAC:2020:109. Het verzet van de Stichting tegen de invordering heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao gegrond verklaard. Zie Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 8 november 2021, ECLI:NL:OGEAC:2021:198.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs er nog op dat het hof in rov. 2.4 TV uiteenzet, samengevat, dat het met het gerecht van oordeel is dat niet kan worden aangenomen dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen waarop een afdrachtverplichting van de Stichting jegens (een rechtsvoorganger van) het Land zou kunnen worden gebaseerd. Daarbij overweegt het hof o.a. dat de Stichting uit art. 3 van haar statuten “redelijkerwijs [mocht] afleiden dat met de geïnde gelden haar eigen vermogen zou worden gevormd. Dat staat er immers uitdrukkelijk.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs verder erop dat het hof in rov. 2.5 TV uiteenzet, samengevat, dat op overeenkomstige gronden niet kan worden aangenomen dat tussen partijen een overeenkomst van bewaarneming tot stand is gekomen waarop een afdrachtverplichting van de Stichting jegens (een rechtsvoorganger van) het Land zou kunnen worden gebaseerd. Daaruit blijkt ook dat volgens het hof de Landsverordening openbare registers (PB 2001, 25, zoals gewijzigd) evenmin grondslag biedt voor toewijzing van ‘s Lands vorderingen, gelijk de omstandigheid dat het Land ingevolge art. 3:30 BWC aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door in strijd met de wet geweigerde of gedane inschrijvingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens dit proces-verbaal (p. 7) heeft de voorzitter aan het slot van de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat het hof mogelijk bij het wijzen van vonnis zal beoordelen of het gewenst is dat SOAB een advies uitbrengt aan het hof over de mogelijkheden met betrekking tot afdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 23 januari 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toevoeging A-G: overgelegd door het Land als productie C ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie uitgebreid over dit beginsel K. Frielink, Kort begrip van het Nederlands Caribisch en Surinaams rechtspersonenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 1.6. Zie verder bijv. A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2018:742) voor HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1104, NJ 2019/394, onder 3.28, waaronder: “Ik stel voorop dat als regelingen concordant bedoeld zijn, zij concordant moeten worden uitgelegd. Het concordantiebeginsel is een belangrijk uitgangspunt van wetgeving en rechtspraak. (…) Of een regeling concordant is bedoeld kan blijken uit de inhoud van de desbetreffende regeling en uit de totstandkomingsgeschiedenis ervan.” [zonder verwijzing, A-G] De Curaçaose regeling kent, anders dan het Nederlandse rechtspersonenrecht, ook de - van de rechtsvorm ‘stichting’ te onderscheiden - rechtsvorm ‘stichting particulier fonds’. In deze zaak is dat niet relevant, nu tussen partijen niet in geschil is dat de Stichting zo’n ‘stichting’ is. Hierna doel ik met “stichting” op de rechtsvorm ‘stichting’. Zie nader over de rechtsvorm ‘stichting particulier fonds’ bijv. Frielink 2023, nr. 7.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie M.F. Murray, Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 373-400 (algemeen), p. 404 (art. 2:3 BWC), p. 406-407 (art. 2:7 BWC), p. 447-449 (art. 2:50 BWC). Zie ik het goed, dan werpt de Curaçaose trust (titel 3.6 BWC), die als eigensoortige figuur juist losstaat van de stichting als rechtspersoontype, hier ook geen ander licht op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs ook nog op art. 2:1 lid 3 BWC. Daaruit volgt, kort gezegd, dat van de bepalingen in Boek 2 BWC slechts kan worden afgeweken in de statuten, een vennootschappelijke overeenkomst of een reglement, en dit alleen voor zover dat uit de wet blijkt. Dit komt overeen met art. 2:25 BW, aldus de totstandkomingsgeschiedenis van eerstgenoemde bepaling. Zie Murray 2016, p. 401-403 (art. 2:1 BWC).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/M.J. Kroeze, De rechtspersoon (2-I), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nrs. 55-56 (bij art. 2:5 BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Murray 2016, p. 404.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader Murray 2016, p. 404. Zie bijv. ook Frielink 2023, nr. 1.3, mede over art. 2:3 lid 1-2 BWC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klaarblijkelijk niet te begrijpen in boekhoudkundige zin (kort gezegd: balanstotaal minus schulden), maar als: aan de Stichting toebehorend vermogen in juridische zin. Dit eerste speelt in deze zaak niet. Daarvan blijf ik weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Murray 2016, p. 406-407.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461, rov. 3.4.3 volgt dat “dat de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader Murray 2016, p. 649 (art. 3:12 BWC). Zie bijv. ook P. van Schilfgaarde, De redelijkheid en billijkheid in het ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2016, nrs. 6-8, 51 en L. Timmerman, ‘Een paar opmerkingen over open normen in het ondernemingsrecht oftewel hoe maak je van een open norm een halfopen norm?’, in: De rol van open normen in het ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 1.9, uitgaande van art. 3:12 BW. De redactie van art. 3:12 BW (“in Nederland”) en art. 3:12 BWC (“hier te lande”) brengt overigens mee dat de redelijkheid en billijkheid in het land Nederland en in het Land een verschillende inhoud kan hebben. Zie bijv. P.S. Bakker, ‘De redelijkheid en billijkheid in art. 3:12 BW en het concordantiebeginsel’, NTBR 2017, p. 46 e.v. en P.S. Bakker, ‘Het liefdesnest en artikel 3:12 BW’, CJB 2018, p. 278 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor e.e.a. inzake art. 2:7 lid 1 BWC bijv. Van Schilfgaarde 2016, nr. 42 (bij art. 2:8 BW); Asser/Kroeze 2021, nrs. 226-228, 230 (bij art. 2:8 BW); en L. Timmerman, Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, Den Haag: Sdu 2024, art. 2:8 BW, aant. 3-6. Uit HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283, NJ 2024/22, rov. 3.8 volgt overigens dat ook buiten art. 2:8 lid 1 BW concrete zorgvuldigheidsnormen kunnen voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid en uit hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Zie bijv. ook Frielink 2023, nr. 2.3.3, mede over art. 2:7 lid 1 BWC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie L. Timmerman, ‘De regulering van stichtingen’, WPNR 2024/7460, p. 312-313.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook, en eveneens instemmend, Chr.M. Stokkermans, ‘De stichting, een onbegrensde rechtsvorm?’, WPNR 2024/7471, p. 514.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/Kroeze 2021, nrs. 226 (bij art. 2:8 BW) en Timmerman 2024 (Sdu), art. 2:8 BW, aant. 5. Zie bijv. ook Frielink 2023, nr. 2.3.3, mede over art. 2:7 lid 2 BWC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7122, NJ 2011/167, rov. 3.8; HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5695, NJ 2012/396, rov. 4.2.1; HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:729, NJ 2018/376, rov. 3.8.1; en HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1845, NJ 2018/401, rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie C.H.C. Overes, GS Rechtspersonen, Deventer: Wolters Kluwer 2022, art. 2:285 BW, aant. 5. Zie over het begrip ‘vermogen’ bijv. P.H.N. Quist, ‘Het vermogen van de stichting’, in: De stichting, een onbegrensde rechtsvorm?, Den Haag: Sdu 2024, p. 107-111. Op p. 107 wijst hij erop dat het vermogen in de definitie van de stichting in art. 2:285 lid 1 BW, anders dan bij andere rechtspersonen, centraal staat. Dat weliswaar de stichting zich heeft ontwikkeld van doelvermogen tot doelorganisatie (zij is geen doelvermogen meer, zij heeft dit), maar haar vermogen “in de stichtingswetgeving nog altijd centraal [staat].” En dat “het vermogen van de stichting kennelijk als een essentieel onderdeel van haar identiteit wordt gezien.” Op p. 125 duidt hij art. 2:285 lid 1 BW als “de essentie van de stichting en in dat licht moet alles wat zij doet worden bezien. Het is de toetssteen van alle bestuurshandelen.” Door o.a. Timmerman 2024 (WPNR), p. 315 is erop gewezen dat afzondering van vermogen geen voorwaarde is voor een rechtsgeldige oprichting van een stichting. “Er behoeft slechts - tegenwoordig of toekomstig - vermogen te worden aangewezen, dat bestemd zal zijn tot verwezenlijking van het doel; er behoeven geen goederen te worden afgezonderd”, zo schrijft hij daar. Zie over deze materie bijv. ook T.F.H. Reijnen, ‘De stichting als organisatievorm’, Ondernemingsrecht 2021/47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 1953/54, 3463, 3, p. 6 en Kamerstukken II 1955/56, 3463, 100b, p. 3, waarover bijv. E. Schmieman, ‘De stichting als juridische Barbapapa: (bijna) elke gedaante is mogelijk’, in: De stichting, een onbegrensde rechtsvorm?, Den Haag: Sdu 2024, p. 35 (bij “het (doel)vermogen” en materiële kenmerken van de stichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Quist 2024, p. 112-114 (uitgaande van de Nederlandse regeling), bij zijn analyse van het doel van de stichting in relatie tot haar vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook Stokkermans 2024, p. 514, die o.a. erop wijst (uitgaande van de Nederlandse regeling, daarbij ook Timmerman 2024 (WPNR), p. 312-313 noemend) dat bestuurders van de stichting zich dienen te richten naar haar belang, “dat sterk door het dan geldende statutaire stichtingsdoel wordt gekleurd”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199, NJ 2023/166, rov. 3.4.2, 3.4.4, met een onderliggende Curaçaose casus. Daaruit blijkt ook dat de rechtspersoon een zelfstandig belang erbij heeft dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:7 BWC, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd. Dat er intussen wel grenzen zijn aan wat art. 2:7 BWC in procedureel-normatief opzicht vermag, wordt geïllustreerd door HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461, rov. 3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286, rov. 4.2.1-4.3 en HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, NJ 2018/331, rov. 3.3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook Timmerman 2024 (WPNR), p. 312-313, die op p. 313 o.a. ingaat op de betekenis van HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199, NJ 2023/166 voor de stichting. En, eveneens instemmend, Stokkermans 2024, p. 514. Dit e.e.a. wordt niet anders indien het belang van de stichting blijkens haar doelomschrijving (mede) is gelegen in een overheidsbelang. Zie bijv. P.J. Huisman &amp; F.J. van Ommeren, Hoofdstukken van privaatrechtelijk overheidshandelen. Publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen op de grens van publiek- en privaatrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 254-259, 334-336, mede over “de privaatrechtelijke overheidsrechtspersoon (…) zoals de overheidsstichting” (zij plaatsen daar ook hier niet ter zake doende kanttekeningen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Stokkermans 2024, p. 513 spreekt van de uit art. 2:285 lid 1 BW volgende “doelbestemming” van dit vermogen van de stichting. K.A.M. van Vught, ‘Onbegrensd uitkeren? De bestemming van het liquidatiesaldo in de vereniging en stichting’, Ondernemingsrecht 2025/4, par. 5, 6.2, 7, in verhelderende analyses, van “doelgebondenheid” van dit vermogen. Zij bedoelen daarmee m.i. niet iets anders dan ik met doelverbondenheid van dit vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook Overes 2022, art. 2:285 BW, aant. 5, verwijzend naar art. 2:301 lid 1, aanhef en onder a BW. Dit art. 2:57 BWC is grotendeels ontleend aan art. 2:301 BW, aldus Murray 2016, p. 452-453.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader Murray 2016, p. 421-423 (art. 2:13 BWC), p. 449-450 (art. 2:51 BWC), p. 451 (art. 2:53 BWC), p. 593-595 (art. 2:300 BWC). Zie bijv. ook Frielink 2023, nrs. 2.3.7, 7.2, 11.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/G.J.C. Rensen, Overige rechtspersonen (2-III), Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 348 onder b (bij art. 2:285 BW) zegt het zo: “De stichting mag (…) niet dienen ter duplicering van de persoon van de stichter of van de beheerders van de stichting. De stichting mag niet ten doel hebben met haar activiteiten winst te maken, uitkeerbaar aan haar oprichters, aan haar bestuurders of aan belanghebbenden bij de stichting. Zij mag niet een verkapte vennootschap zijn.” Zie ook onder a aldaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Murray 2016, p. 449. Frielink 2023, nr. 7.2 duidt deze regel als “een wezenlijk kenmerk” van de stichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv., uitgaande van art. 2:285 lid 3 BW en art. 2:23b lid 1 BW, Asser/Kroeze 2021, nr. 422; Asser/Rensen 2022, nr. 348 onder f; en Van Vught 2025, i.h.b. par. 3, 5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/Rensen 2022, nr. 349 (bij art. 2:285 lid 3 BW). C.H.C. Overes, T.J. van der Ploeg &amp; W.J.M. van Veen, Van vereniging en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 2.2.4 menen daarom (bij art. 2:285 lid 3 BW) dat “contractuele arrangementen die aanspraak geven op een aandeel in een positief resultaat van de stichting (…) op gespannen voet staan met het uitkeringsverbod.” [zonder verwijzing, A-G] Zie bijv. Asser/Rensen 2022, nr. 348 onder c (bij art. 2:285 lid 3 BW) met nadere uitwerking en G.J.C. Rensen, Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, Den Haag: Sdu 2024, art. 2:285 BW, aant. 5. Overigens zijn uitkeringen die voortvloeien uit pensioenrechten geen uitkeringen als bedoeld in art. 2:50 lid 4 BWC (art. 2:50 lid 5 BWC).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is ook niet voor niets dat blijkens art. 2:291 lid 3 BW de bestuurders zich bij de vervulling van hun taak richten naar “het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/Rensen 2022, nr. 348 onder b (bij art. 2:285 lid 3 BW); Overes 2022, art. 2:285 BW, aant. 7; en Schmieman 2024, p. 39 (bij art. 2:285 lid 3 BW). Zie nader voor pogingen tot een preciezere grensafbakening bij art. 2:285 lid 3 BW bijv. Reijnen 2021, par. 5; Overes, Van der Ploeg &amp; Van Veen 2021, nr. 2.2.4; Asser/Rensen 2022, nr. 348 onder b-f; Schmieman 2024, p. 40; en Van Vught 2025, i.h.b. par. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iets anders is dat voor een stichting particulier fonds art. 2:50 lid 4 BWC niet geldt, nu deze bepaling ziet op “een stichting die niet is een stichting particulier fonds”. Zie nader Murray 2016, p. 447-449. Dit e.e.a. mist relevantie in de onderhavige zaak, zie ook noot 10 hiervoor. Voor zelfstandige bestuursorganen die onderdeel zijn van een publiekrechtelijke rechtspersoon - wat voor de Stichting ook niet opgaat - geldt deze uitkeringsbeperking evenmin. Bij dergelijke zelfstandige bestuursorganen is het evenwel ongebruikelijk in de constituerende regeling te bepalen dat reserves aan de (‘hogere’) overheid worden afgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 1992, 282.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Kamerstukken II 1990/91, 22029, 3, p. 22-23.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het land Nederland is er bijv. zo waar een ‘Kader voor Stichtingen en Verenigingen. Beleidskader voor betrokkenheid van het Rijk bij het oprichten van stichtingen en verenigingen’. Zie, voor de laatste stand van zaken dienaangaande, https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-1172109.pdf. Zie bijv. ook Overes, Van der Ploeg &amp; Van Veen 2021, nr. 2.5.4 en Asser/Rensen 2022, nr. 348 onder a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ABRvS 30 november 1995, ECLI:NL:RVS:1995:ZF1850, AB 1996/136.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is voor publiekrechtelijke rechtspersonen met een specifieke taakstelling, zoals de Dienst voor het kadaster en de openbare registers in het land Nederland, naast eindeloos veel andere voorbeelden, natuurlijk niet anders. Dat deze rechtspersonen per definitie opereren in het algemeen belang, betekent niet dat hun vermogen integraal ten dienste staat aan alle activiteiten die het algemeen belang (kunnen) dienen. Zo werkt het niet, althans niet zonder daartoe strekkende wetgeving. In zoverre hangt het lot van deze zaak m.i. ook niet af van het rechtskarakter van een stichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader bijv. G. Snijders, Overheidsprivaatrecht. Bijzonder deel, Deventer: Wolters Kluwer 2016, nr. 2f.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. M. Scheltema &amp; M.W. Scheltema, Gemeenschappelijk recht: wisselwerking tussen publiek- en privaatrecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 78 en Snijders 2016, nr. 2f.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus bijv. Snijders 2016, nr. 2f. Zie verder bijv. Huisman &amp; Van Ommeren 2019, hoofdstukken 5-7. Indicatief in dit verband is ook dat in het in noot 45 hiervoor genoemde ‘kader’ op p. 10 als volgt wordt opgemerkt: “Stelregel (…) is dat als de minister veel invloed wil hebben op de uitvoering van de taken van een organisatie, de keuze voor een stichting niet de juiste rechtsvorm is.” Volgens dat kader is dan een publiekrechtelijke rechtspersoon aangewezen, in welk verband het Rijk gedwongen is om de invloed van de minister bij wet te regelen (zie p. 3, 7-8). Ik merk daarbij op dat dit laatste (een wettelijke regeling) in het geval van een stichting ook kán, maar volgens dat kader dus in beginsel niet wenselijk voorkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Overes 2022, art. 2:285 BW, aant. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband art. 2 lid 1 van de Landsverordening administratieve rechtspraak, PB 2001, 79 (hierna: de Lar). Waarover bijv. L.J.J. Rogier, Beginselen van het Curaçaose Bestuursrecht, Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 32-35. Zie ook noot 46 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat dan in Lar-terminologie om een beschikking. Zie art. 3 lid 1 Lar. Waarover bijv. Rogier 2018, p. 43-52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 2006, 587.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie PB 2014, 3 en PB 2022, 133. Vóór 10 oktober 2010 bekend als Eilandsverordening corporate governance, AB 2009, 92. Zie bijv. ook Frielink 2023, nr. 13.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Land onderkent dit laatste ook, zie p. 8 (noot 12) van de procesinleiding. Indien een stichting kwalificeert als een ‘stichting’ in de zin van die landsverordening brengt dit met zich dat zij haar statuten in overeenstemming moet brengen met die landsverordening. Overigens begrijp ik dat de Stichting weigert dit te doen. Zie het advies van de Stichting Bureau Toezicht en Normering Overheidsentiteiten van 16 oktober 2024 (te vinden op https://sbtno.org/wp-content/uploads/2024/11/SBTNO-Statutenwijziging-Kadaster-2024-040078-24102024-website.pdf). Zie bijv. ook J. Sybesma, ‘Overheidsstichting of gesubsidieerde stichting’, CJB 2014, p. 28-35. Dit e.e.a. is voor deze zaak niet relevant en laat ik verder rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie PB 1938, 100. Deze verordening is nadien gewijzigd, zie hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 2.1.1 TV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie PB 1945, 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 1955, 136 en PB 1955, 32 (hierna: de Staatsregeling NA).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 1, aanhef en onder a Staatsregeling NA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het eilandgebied Curaçao een rechtspersoon was, is geen discussiepunt. Dit volgde uit de Staatsregeling NA. Zie bijv. ook A-G Wuisman (ECLI:NL:PHR:2008:BF1027) voor HR 31 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1027, NJ 2008/568, onder 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 1951, 64 en PB 1951, 39 (hierna: de Eilandenregeling).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 2.1.2 TV: “Van oudsher droeg het land de Nederlandse Antillen zorg voor de regeling van het hypotheekwezen en het kadasterwezen op zijn grondgebied. Er bestonden een Dienst van het Kadasterwezen, een Dienst Hypotheekwezen en/of (later) een Dienst Kadaster en Hypotheekwezen. Bij die diensten werkten ambtenaren, die metingen en andere werkzaamheden verrichtten die nodig waren voor het inrichten en instandhouden van het Kadaster.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot in de jaren ’90 van de vorige eeuw was ook de “Rijksdienst van het Kadaster” in het Europese deel van het Koninkrijk geen rechtspersoon. Zie bijv. Kamerstukken II 1992/93, 23007, 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie PB 2001, 5. Zie ook rov. 2.1.5 TV: “Ingevolge een landsbesluit van 26 januari 2001 (PB 2001 no. 5) is de hiervoor onder 2.1.4 bedoelde zorg wat het eilandgebied Curaçao betreft met ingang van 1 februari 2001 aan dat eilandgebied overgedragen.” Ik citeer rov. 2.1.4 TV in noot 75 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie PB 2001, 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie PB 2001, 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie productie 49 bij de memorie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie productie 48 bij de memorie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 2010, 333 en Stb. 2010, 387. Zie ook rov. 2.1.10 TV: “Met ingang van10 oktober 2010 is het land de Nederlandse Antillen opgeheven en het Land (dat wil zeggen: het land Curaçao) opgericht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie AB 2010, 87.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 2010, 355 (Nederlandse Antillen) en AB 2010, 87 (eilandgebied Curaçao).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie PB 1984, 95.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 2.1.4 TV: “Ingevolge art. 1 van de Overdrachtslandsverordening XX (PB 1984 no. 95) is de zorg voor de regeling van het hypotheekwezen en het kadasterwezen overgedragen aan de eilandgebieden. Ingevolge art. 6 van deze landsverordening is art. 3 van de Kadasterlandsverordening 1938 als volgt komen te luiden”, gevolgd door het citaat van het aangepaste art. 3 als hiervoor weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de schriftelijke toelichting zijdens het Land, nrs. 3.10-3.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie PB 1939, 65.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die luidt: “Door den Dienst van het Kadaster wordt, indien na schriftelijke aanmaning op een termijn van een maand niet het noodig geoordeelde bijzonderlijk omschreven onderhoud is geschied, op kosten van den nalatige daarin voorzien.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie PB 1953, 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die luidt: “Landsbesluit houdende algemene maatregelen van de 12de Mei 1953 ter uitvoering van artikel 3 der Kadasterlandsverordening (P.B. 1938, no. 100).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie i.h.b.: “In overweging genomen hebbende, dat ter uitvoering van artikel 3 der Kadasterlandsverordening (P.B. 1938, no. 100) het nodig is, het navolgende vast te stellen; (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 2.1.3 TV: “Art. 3 van de Kadasterlandsverordening 1938 heeft (mede) betrekking op de tarieven die bij aanvragers (belanghebbenden) in rekening worden gebracht voor verrichtingen als hiervoor onder 2.1.2 bedoeld. In 1953 is het Kadasterbesluit 1953 (PB 1953 no. 70) in werking getreden, waarin geregeld was dat aanvragers die betalingen dienden te doen aan ’s Lands kas (dus aan het land de Nederlandse Antillen).” Ik citeerde rov. 2.1.2 TV in noot 64 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie PB 2000, 4. Volledigheidshalve merk ik op dat zowel de Kadasterlandsverordening uit 1938 als het Kadasterbesluit uit 2000 in 2024 in geconsolideerde vorm inclusief wijzigingen is vastgesteld, e.e.a. ingaande per publicatie daarvan (ná het eindvonnis). Zie PB 2024, 21 (uitgegeven op 19 februari 2024) resp. PB 2024, 42 (uitgegeven op 23 mei 2024) i.s.m. art. 1 en 3 Algemeene bepalingen der wetgeving van Curaçao (PB 1868, 16 en AB 2010, 87). Het hof kon en hoefde deze vanzelfsprekend niet in zijn beoordeling te betrekken, zij vallen ook buiten het partijdebat in feitelijke instanties en zijn overigens evenmin voorwerp van het partijdebat in cassatie (met inbegrip van de door het Land aangevoerde cassatieklachten). Bij het opstellen van de onderhavige conclusie liet ik deze dan ook buiten beschouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 2.1.5 TV: “In 2001 is het Kadasterbesluit 1953 ingetrokken en het Kadasterbesluit 2000 (PB 2000 no. 4) ingevoerd. In dat landsbesluit stond opnieuw dat de betalingen voor de verrichtingen ten behoeve van de inrichting van het Kadaster dienden te geschieden aan 's Lands kas (dus nog steeds aan het land de Nederlandse Antillen).” Zie ook rov. 2.1.3 TV (“(…) waarin geregeld was dat aanvragers die betalingen dienden te doen aan ’s Lands kas (dus aan het land de Nederlandse Antillen)”), geciteerd in noot 82 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie AB 2006, 60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgelegd door de Stichting als productie 4 bij de conclusie van antwoord. Zie ook nr. 2.3 van die conclusie van antwoord en nr. 4.4 van de memorie van antwoord. Zie ook rov. 2.1.6 TV. Ik wijs voor de volledigheid ook op nr. 3.5.3 van de schriftelijke toelichting zijdens de Stichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik citeerde rov. 2.1.2 TV in noot 64 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van grieven, nr. 1.5 (p. 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgelegd als productie A bij de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van grieven, nrs. 2.1-2.2 (p. 2-4). Bij schriftelijk pleidooi heeft het Land e.e.a. herhaald. Zie de pleitnota in hoger beroep zijdens het Land van 16 augustus 2022, nrs. 2.7, 3.2 onder k.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van grieven, nr. 2.1 (p. 5). (Let op: de memorie van grieven bevat ook een nr. 2.1 op p. 2-3.) Zie de memorie van grieven, nr. 2.2 (p. 5-6). (Let op: de memorie van grieven bevat ook een nr. 2.2 op p. 3-4.) Zie ook de memorie van antwoord, nr. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van antwoord, nrs. 4.1-4.6, met verwijzingen naar vindplaatsen in gedingstukken in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij wijst ook op de geringe bewijswaarde van de verklaring van [betrokkene 1] . Zie de memorie van antwoord, nr. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een fragment uit het regeerakkoord is door de Stichting overgelegd als productie 2 bij de conclusie van antwoord. Zij heeft ook een uitspraak uit 2000 overgelegd (als productie 3 bij de conclusie van antwoord) waarin e.e.a. wordt geschetst. Zie nrs. 4.3-4.4 en ook nr. 7.6 van de memorie van antwoord. Zie ook al nrs. 2.1-2.2 van die conclusie van antwoord. Ik wijs voor de volledigheid ook op nr. 1.2 van de schriftelijke toelichting zijdens de Stichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van antwoord, nr. 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband ook het door de Dienst Economische Zaken opgestelde memorandum, overgelegd door de Stichting als productie 5 bij de conclusie van antwoord. En nrs. 5.7 en 9.3 van de memorie van antwoord, evenmin noemenswaardig weersproken door het Land. Zie bijv. de pleitnota in hoger beroep zijdens het Land van 16 augustus 2022, nrs. 2.4-2.10, 3.5. Zie verder ook p. 4 van de legal opinion van prof. Van Rijn, aangehecht aan de schriftelijke toelichting zijdens het Land: “Reden voor de privaatrechtelijke verzelfstandiging van de Dienst Kadaster was dat door de decentralisatie geen extra druk zou mogen ontstaan op de eilandelijke begroting. Het Kadaster zou zichzelf moeten bekostigen uit de tarieven en zou kostendekkend moeten zijn. Dit blijkt uit de voorbereidende notitie van de Dienst Economische Zaken van 18 mei 2001 aan het bestuurscollege.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van antwoord, nr. 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een treffende vergelijking in dit verband is de verzelfstandiging van het Nederlandse Kadaster in 1994, waartoe in 1994 de Organisatiewet Kadaster (Stb. 1994, 125) in werking is getreden. Daarbij was financiële verzelfstandiging het uitgangspunt en diende het Kadaster kostendekkend haar werkzaamheden uit te voeren, zonder overheidsbijdrage. In een afdracht van reserves aan de Staat is niet voorzien. Daarentegen geldt als uitgangspunt dat reserves aan de gebruikers ten goede komen, door de tarieven te verlagen. Zie hierover uitgebreid Kamerstukken II 1992/93, 23007, 3, p. 3-4, 20-23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie PB 2000, 137.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie PB 2001, 25, zoals gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te onderscheiden van hetgeen aan bod komt in rov. 2.4-2.9 TV en rov. 3.1-3.4 EV. Zie onder 2.9 en 2.11 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 13 januari 1879, ECLI:NL:HR:1879:1, W. 4330. Zie hierover bijv. M. de Werd, ‘Meerenberg in het Caraïbisch gebied; het democratisch deficit bij rijksregelgeving’, TAR Justicia 1996, p. 162-178 en W.J.M. Voermans, ‘De Tachtigers in het recht: het Meerenberg arrest’, AAe 2009, p. 597-600.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 1887, 187.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de duidelijkheid: de Grondwet geldt (op enkele uitzonderingen na) niet in de Caribische landen van het Koninkrijk. Zie art. 5, 11, 14, 42 lid 1 en 45 Statuut.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. T.C. Borman, ‘De zelfstandige AMvB: hoe staat het daarmee?’, RegelMaat 2013, p. 312-327; D.J. Elzinga, R. de Lange &amp; H.G. Hoogers, Van der Pot. Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 683, 686-687; W.J.M. Voermans, Uitleg van de Grondwet, Den Haag: Boom juridisch 2021, inleiding bij hoofdstuk 5 Gw, aant. 6 en art. 89 Gw, aant. 1-2; A.W. Heringa, L.F.M. Verhey &amp; W. van der Woude, Staatsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 280-284; J.L.W. Broeksteeg, T&amp;C Grondwet en Statuut, Deventer: Wolters Kluwer 2023, art. 89 Gw, aant. 2-3; en P.P.T. Bovend’Eert, Inleiding constitutioneel recht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 175-176.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader de bronnen vermeld in de vorige noot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader de bronnen vermeld in noot 107 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te vinden op https://wetten.overheid.nl/BWBR0005730/2024-07-01.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor (gedeeltelijke) onverbindendheid van regelgeving bijv. ABRvS 5 juni 2006, ECLI:NL:RVS:2002:AE3681, rov. 2.4; CRvB 7 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8205, USZ 2007/100, rov. 4.3.3; CRvB 2 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9652, USZ 2007/92; HR 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ8531, BNB 2010/253, rov. 4.3.1-4.3.2; CRvB 19 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7263, USZ 2012/33, rov. 4.2-4.7; en CRvB 8 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3258, USZ 2021/50, rov. 4.6.2-4.6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie AB 2010, 86 i.v.m. art. 60a Statuut, Stb. 2010, 333 en Stb. 2010, 387.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regering bestaat uit de Koning en de ministers. Zie art. 28 lid 1 Staatsregeling Curaçao.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onder 3.77 hiervoor genoemde beperkingen gelden hier in ieder geval mutatis mutandis. Ook de Staatsregeling Curaçao bevat grondrechten die alleen bij (of krachtens) landsverordening kunnen worden beperkt en onderwerpen die alleen bij (of krachtens) landsverordening kunnen geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie t.a.v. het Antilliaanse recht van destijds bijv. C.E. Dip, ‘De Gouverneur als wetgever. Beschouwingen rond de figuur van het landsbesluit houdende algemene maatregelen’, in: Een decennium later. Opstellen ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van de faculteit der rechtsgeleerdheid, Deventer: Kluwer 1982, p. 55-74, i.h.b. p. 66-70; W.A. Luiten, Een inleiding tot het Antilliaanse staatsrecht, Willemstad: Universiteit van de Nederlandse Antillen 1983, p. 156-157, 159; J.A.B. Janus, ‘De Nederlandse Antillen in zwaar weer - de Landsverordening bijzondere bevoegdheden regering’, in: Karel Bongenaar. Een koninkrijksvriend, Curaçao 2001, p. 76-91, noot 26 (p. 80-81); C. Dip, ‘Over het verschil tussen de materiële kenmerken van de koloniale verordening en die van de landsverordening’, in: Verzamelde geschriften van Carlos Elias Dip, Amsterdam: SWP 2004, p. 357-368, i.h.b. p. 364-365; en D.J.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elzinga &amp; R. de Lange, Van der Pot. Handboek van het Nederlandse staatsrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 990. Zie voor Curaçaos recht bijv. L.J.J. Rogier, Beginselen van het Curaçaose Staatsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2018, p. 154-155 en A.B. van Rijn, Handboek Caribisch Staatsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2019, p. 168, 573-574. Te wijzen is ook op art. 14 lid 1 en 38 lid 2 Statuut voor zelfstandige maatregelen van rijksbestuur - waarover bijv. De Werd 1996, p. 164-166 - die overigens ook het land Nederland kunnen raken. S. Hillebrink &amp; M. Nap, ‘Een paardenmiddel tegen de zelfstandige algemene maatregelen van rijksbestuur’, RegelMaat 2002, p. 99-112 betogen echter (p. 101) dat “inmiddels algemeen [is] aanvaard dat alle ‘landsbesluiten houdende algemene maatregelen’ (…) een wettelijke basis behoeven”, onder verwijzing naar o.a. (eerdere drukken van) de hiervoor vermelde literatuur, die ik - in ieder geval anno nu - toch echt anders lees.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader de bronnen vermeld in de vorige noot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te vinden op https://minfin.cw/wp-content/uploads/2016/05/4._Memorie_van_Toelichting_Staatsregeling_Cura__ao.pdf#page=39.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regering van het Land heeft bijv. in 2020 met zoveel woorden van deze figuur gebruikgemaakt toen zij het Tijdelijk landsbesluit buitengewone bijstand COVID-19 (PB 2020, 95) uitvaardigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 8 mei 1953, ECLI:NL:HR:1953:20, NJ 1953/614.</p>\n<p class=\"lf-p\">En dus niet een zuiver overheidsinterne aangelegenheid betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader de bronnen vermeld in noten 107 en 115 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook art. 4 van de Algemeene bepalingen der wetgeving van Curaçao (PB 1868, 16 en AB 2010, 87).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Dip 1982, p. 55-74, i.h.b. p. 69 en Van Rijn 2019, p. 50-51.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de pleitnota in hoger beroep zijdens het Land van 16 augustus 2022, nr. 2.8. “1. Uit kracht van een eilandsverordening kunnen overeenkomstig bij de Eilandenregeling te stellen regelen belastingen en retributies worden geheven, behoudens de in de Eilandenregeling genoemde belastingen en retributies.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De opbrengsten van de uit kracht van een landsverordening geheven belastingen en retributies worden, volgens bij de Eilandenregeling te stellen regelen, overgedragen aan de besturen der eilandgebieden, voor zover de opbrengst geacht moet worden uit het betrokken eilandgebied afkomstig te zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij de Eilandenregeling kan ten aanzien van bepaalde belastingen en retributies een andere regeling worden getroffen.”</div>\n<p class=\"lf-p\">In het oog springt dat deze lezing van art. 89 Staatsregeling NA door het Land geen steun vindt in de in noot 98 hiervoor bedoelde legal opinion van prof. Van Rijn. Daarin wordt over die bepaling niet gerept. In het oog springt ook dat het Land in cassatie niet kenbaar beroep doet op die bepaling, wat het beeld bestendigt dat het een losse flodder betrof.</p>\n<p class=\"lf-p\">In art. 84 dáárvan is alleen te vinden: “Het opleggen van belastingen en andere heffingen wordt bij landsverordening vastgesteld.” Geen voorwerp van strijd is dat de Kadasterlandsverordening uit 1938 op zichzelf de basis biedt voor de onderhavige heffingen, daargelaten of deze door de Stichting in rekening konden worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965, NJ 1991/393, rov. 3.2; HR 11 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0788, NJ 1994/639, rov. 3.5; HR 22 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1107, NJ 1995/717, rov. 3.3; HR 7 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1473, NJ 1995/719, rov. 4.4; HR 14 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8946, NJ 2006/445, rov. 3.5; HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5613, NJ 2012/61, rov. 3.3.3; HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:497, NJ 2023/273, rov. 3.4; en HR 24 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:742, NJ 2024/183, rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader de rechtspraak vermeld in de vorige noot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie eveneens nader de rechtspraak vermeld in noot 128 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv., in verband met de en/of-rekening, A-G Rank-Berenschot (ECLI:NL:PHR:2012:BX5636) voor HR 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5636, RvdW 2012/1324, onder 2.11-2.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/W.A.K. Rank, Betalingsverkeer (6-V), Deventer: Wolters Kluwer 2024, nrs. 309-316.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit volgt i.h.b. uit de werking van art. 3:109 en 3:119 lid 1 BWC. Zie nader Murray 2016, p. 788-789 (art. 3:109 BWC), p. 800-801 (art. 3:119 BWC). In theorie zou het titelvereiste van art. 3:84 lid 1 BWC in verband met de betalingen van chartale gelden kunnen meebrengen dat de gelden niet in het vermogen van de Stichting vallen indien veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat niet aan de Stichting, maar aan het Land moest worden betaald. Maar nog daargelaten dat dit laatste in de onderhavige zaak niet aan de orde is, kan e.e.a. nooit ertoe leiden dat deze chartale gelden ‘dus’ in het vermogen van het Land vallen. Dit punt kan dus blijven rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 251 Wetboek van Koophandel van de Nederlandse Antillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. https://nu.cw/2021/07/29/banco-di-caribe-vanaf-1-augustus-geen-cheques-meer/.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van chartale gelden is het navolgende in de hoofdtekst op zichzelf mogelijk. Ten aanzien van girale gelden ligt dat aanzienlijk lastiger. We komen dan in het vaarwater van art. 3:107-3:111 BWC. Zie nader Murray 2016, p. 786-793 (art. 3:107-3:111 BWC). Ik kan dit laten rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te onderscheiden van hetgeen aan bod komt in rov. 2.4-2.9 TV en rov. 3.1-3.4 EV. Zie onder 2.9 en 2.11 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. de conclusie van antwoord, nrs. 3.5-3.6 en de pleitnota in hoger beroep zijdens de Stichting van 16 augustus 2022, nr. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. de conclusie van repliek, nr. 4.1 (p. 14) en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader Murray 2016, p. 1517-1519 (art. 6:212 BWC).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt dus voor de hier toepasselijke Curaçaose regeling inzake overheidsstichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat ook past bij (art. 3 lid 1 van) de statuten van de Stichting. Onder 3.65-3.67 hiervoor wees ik ook op ’s hofs overweging in rov. 2.4 TV, kort gezegd, dat de Stichting uit art. 3 van haar statuten redelijkerwijs mocht afleiden dat met de geïnde gelden haar “eigen vermogen” zou worden gevormd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op hetgeen door het Land is aangevoerd in de memorie van grieven, nr. 1.5 (p. 2), nrs. 2.1-2.2 (p. 2-4), nr. 2.2 (p. 5-6) omtrent de oprichting van de Stichting, de bedoeling daarvan en de daarbij beoogde verhouding tussen de Stichting en het Land, dit met een beroep op een verklaring van [betrokkene 1] , ben ik al ingegaan onder 3.58-3.61 hiervoor. Daar merkte ik ook al op dat dit e.e.a. door de Stichting op relevante wijze gemotiveerd is weersproken, waarop zijdens het Land niet meer is ingegaan anders dan door herhaling van een deel van die stellingen in de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 3.60-3.61 hiervoor wees ik er al op dat in feitelijke instanties dit punt door de Stichting ook is gemaakt. En dat dit door het Land niet noemenswaardig is weersproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook onder 3.67 hiervoor, i.h.b. aan het slot daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de mogelijkheid om wettelijk en/of statutair te voorzien in een aanwijzingsbevoegdheid, specifiek in de context van overheidsstichtingen, bijv. Huisman &amp; Van Ommeren 2019, p. 317-320 en F.J. van Ommeren, ‘Van de overheidsvennootschap en de overheidsstichting’, RM Themis 2018, p. 55-57. Ik wijs in dit verband nog op HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286, rov. 4.3. Daarin verwerpt de Hoge Raad de opvatting dat het bestuur van een besloten vennootschap verplicht is, ook bij afwezigheid van een daartoe strekkende statutaire bepaling als bedoeld in art. 2:239 lid 4 BW, de instructies van de algemene vergadering of van een of meer bepaalde aandeelhouders op te volgen. Want “het bestuur van een vennootschap [heeft] bij de vervulling van zijn taak een eigen verantwoordelijkheid om zich te richten naar het belang van de vennootschap en de aan haar verbonden onderneming. Dat is niet anders indien de aandeelhouders op grond van de machtsverhoudingen binnen de vennootschap feitelijke instructiemacht hebben.” Het onderliggende principe laat zich doortrekken naar andere rechtsvormen dan kapitaalvennootschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangenomen dat in theorie zo’n verplichting gebaseerd kan worden op enkel die aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid langs de weg van een verbintenis althans (positieve) rechtsplicht. Of en zo ja in hoeverre dit laatste rechtens zo is, kan ik in deze conclusie laten rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop wijst ook het hof in rov. 2.8, eerste zin TV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik breng nog eens Timmerman 2024 (WPNR), p. 312-313 in herinnering, geciteerd onder 3.15 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 2.8 TV onderkent het hof als gezegd dat het Land valt onder het bereik van art. 2:7 lid 1 BWC, met de Stichting als de daarin bedoelde rechtspersoon. Zie bijv. ook de memorie van grieven, nr. 2.2 (p. 5-6). Met die in art. 2:7 lid 1 BWC verdisconteerde wederkerigheid is bijv. niet zo goed te rijmen dat, ondanks de onderhavige vorderingen, het Land kennelijk géén plannen had de tarieven aan te passen. Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 4: “Wanneer de voorzitter vraagt of de heer Puriel [secretaris-generaal van het ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning van het Land, A-G] van plan is om de tarieven aan te passen, antwoordt de heer Puriel dat er op dit moment geen plannen zijn om dit te doen.” Blijkens p. 5 is daarover zijdens de Stichting nog opgemerkt “dat de opbrengsten van de Stichting eenmalige opbrengsten zijn die de Stichting voor onbepaalde tijd moet waarborgen. Indien de Stichting geen nieuwe klanten kan werven, kan zij haar kosten niet dekken. Wat betreft het aanpassen van het tarief: in 2011 was het eerste jaar waarin het resultaat negatief was. Er is een verzoek ingediend bij de overheid voor het aanpassen van het tarief, zodat het mogelijk wordt om, op basis van het volume, meer opbrengsten te genereren. Dit verzoek is meerdere malen in ongerede geraakt, en tot op heden is er niet op gereageerd. De Stichting heeft een piek meegemaakt waardoor zij voldoende middelen had om verlies te dekken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Te weten die waarin “(dreigt dat) de Stichting tot in lengte van jaren verdere reserves opbouwt zonder die zinvol te investeren en zonder daarvan iets af te dragen aan het Land.” Ik kom daarop nog terug onder 3.140-3.142 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de taakstelling van de Stichting in het algemeen belang is, neemt ook niet weg dat die taakstelling specifiek en dus niet algemeen is, wat de aanwending van haar vermogen dus eveneens raakt. Het hof zegt hiermee - terecht - ook niet dat in die hypothetisch-toekomstige situatie, laat staan in die bestaande situatie, het belang van de Stichting het ter zake ‘dus’ aflegt tegen het belang van het Land. Iets anders blijkt evenmin uit het verdere vervolg in rov. 2.9 TV, integendeel (zie bijv. “of en zo ja, in hoeverre de Stichting gehouden kan worden tot gedeeltelijke afdracht van haar reserves aan het Land”). Overigens is het niet zo bijzonder dat het belang van de Stichting wordt gekleurd door dit algemene deelbelang. Zie bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:385) voor HR 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:820, RvdW 2024/598, onder 3.7.11.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie dus bijv. HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145, NJ 2013/461, rov. 3.4.3. Te wijzen valt verder bijv. op Asser/Kroeze 2021, nr. 308, mede over “de afstandelijkheid, het marginale, in de beoordeling van de rechter.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van antwoord, nr. 9.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de memorie van antwoord, nr. 5.7 waar de Stichting o.a. aanvoert “dat het Kadaster volledig zichzelf moet bedruipen, meestal een negatief bedrijfsresultaat heeft, alle reserves nodig heeft voor zijn (huidige en toekomstige) verplichtingen” en dat het Land “weigert de tarieven voor de kadasterdienstverlening te verhogen.” [zonder verwijzing, A-G] Ik lees zo’n noemenswaardige weerspreking bijv. niet in de pleitnota in hoger beroep zijdens het Land van 16 augustus 2022, nrs. 2.13-2.17, 3.5. Dit wordt niet anders door de (karikaturaal aandoende) opmerkingen in het verzoekschrift, nrs. 1.4, 3.6 en de conclusie van repliek, nr. 4.2 (p. 14-15), nog daargelaten dat deze uit eerste aanleg zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel van de pleitnota in hoger beroep zijdens de Stichting van 16 augustus 2022, nrs. 5-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik lees geen noemenswaardige weerspreking hiervan zijdens het Land in diens akte overlegging productie tevens toelichting mondelinge behandeling na tussenvonnis of het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep. Zie verder bijv. de conclusie van antwoord, nrs. 3.1-3.7; de pleitnota in hoger beroep zijdens de Stichting van 16 augustus 2022, nrs. 17-18; en de spreekaantekeningen t.b.v. de mondelinge behandeling na tussenvonnis zijdens de Stichting, nrs. 3.1-3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vastgesteld door de regering en de staten gezamenlijk, zie art. 74 Staatsregeling Curaçao.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn tal van voorbeelden van dergelijk overheidsingrijpen in het vermogen van (privaatrechtelijke) rechtspersonen met een publieke functie. Zie bijv. de Wet privatisering Spoorwegpensioenfonds (Stb. 1993, 680 en Stb. 1993, 701), de Wijzigingswet Mediawet in verband met het versterken van de organisatie van de landelijke publieke omroep (Stb. 1994, 385 en Stb. 1994, 516) en de Fusiewet De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Pensioen- &amp; Verzekeringskamer (Stb. 2004, 556).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Trb. 1954, 152 en Trb. 1956, 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Stichting dient, tegen de achtergrond van de reikwijdtebepalingen in art. 1 en 34 EVRM en mede gezien 1.1, 3.39 en 3.57-3.61 hiervoor, immers te worden aangemerkt als “governmental organisation”, wat meebrengt dat zij geen bescherming geniet onder het EVRM en het Eerste Protocol daarbij. Zie bijv. ook EHRM 23 september 2003, 53984/00, § 26; EHRM 13 december 2007, 40998/98, § 79-81; en EHRM 27 januari 2009, 23938/05: “In particular, a company is “a non-governmental organisation” if it is governed essentially by company law, does not enjoy any powers beyond those conferred by ordinary private law in the exercise of its activities and is subject to the jurisdiction of the ordinary rather than the administrative courts (…). The term “governmental organisations”, as opposed to “non-governmental organisations” within the meaning of Article 34, includes legal entities which participate in the exercise of governmental powers or run a public service under government control.” Gelet hierop kan er geen twijfel over bestaan dat de Stichting een “governmental organisation” is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van grieven, nr. 2.1 (p. 5), nr. 2.3 (p. 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij dit laatste wordt verwezen naar rov. 4.4 van het vonnis van 8 november 2021. Daarin staat o.a.: “Het is niet onbegrijpelijk, vooral in het licht van de slechte financiële situatie waarin het Land verkeert, dat zij de beschikking wenst te krijgen over de reserves die het Kadaster heeft opgebouwd. Daartoe is wel een juridische grondslag vereist.” Zie bijv. ook het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 4, waar zijdens het Land is opgemerkt: “De overheid heeft destijds niet zonder reden een factuur gestuurd. Bij alle deelname van het Land is gekeken naar waar ruimte is om fondsen te genereren. De Stichting houdt fondsen aan die de overheid goed kan benutten.” In essentie lijkt dit ’s Lands primaire drijfveer te zijn voor diens opstelling jegens de Stichting in de onderhavige zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt dan voor de direct daaropvolgende opmerking in de memorie van grieven, nr. 2.3 (p. 6-7): “Het kan immers niet de bedoeling zijn, noch is met de oprichting van de Stichting door het Land en de attributie van bevoegdheden aan de Stichting door het Land ooit beoogd, dat de Stichting middels de uitvoering van die publieke taken en bevoegdheden en de gelden die zij daarmee int (zelf) een enorme spaarpot aan overtollige reserves opbouwt, terwijl het Land in grote financiële problemen verkeert.” Zie in dit verband ook noot 143 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. ook in diens pleitnota in hoger beroep van 16 augustus 2022, nrs. 1.1, 2.5, 2.12, 2.17, 2.19, 2.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat volgens de Dikke Van Dale - bij het lemma ‘overtollig’ - hetzelfde is als overbodig, onnodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van grieven, nr. 2.2 (p. 6), nr. 2.3 (p. 7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit onderkent het Land zelf ook. Zie de memorie van grieven, nr. 2.3 (p. 7), waarin het opmerkt dat dit “een enorme collateral damage [zou] opleveren (bijvoorbeeld in verband met alle (arbeids-)overeenkomsten van de Stichting waarvoor dan een regeling zou moeten worden getroffen).” Zie ook de memorie van antwoord, nr. 9.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieraan wordt bijv. ook voorbijgezien in ‘s Lands pleitnota in hoger beroep van 16 augustus 2022, nr. 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van grieven, nr. 2.5 (p. 8-9).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van grieven, nr. 2.6 (p. 9).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt dus niet anders door het betoog in de pleitnota in hoger beroep zijdens het Land van 16 augustus 2022, nr. 2.21, onder verwijzing naar de conclusie van repliek, nrs. 7.1-7.4 (p. 19-20), “dat het uitkeringsverbod ex art. 2:50 lid 4 in casu überhaupt niet van toepassing is.” Ik verwijs kortheidshalve naar 3.26-3.32 en 3.99-3.113 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van grieven, nr. 2.4 (p. 7-8).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. de memorie van antwoord, nrs. 9.1, 9.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. de memorie van antwoord, nrs. 9.1-9.3, 9.6-9.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee bedoelt het hof: na de mondelinge behandeling in hoger beroep. Zie bijv. ook rov. 1 EV, waaronder: “Nu, na die mondelinge behandeling [als bevolen bij het tussenvonnis, A-G], wijst het Hof een eindvonnis.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 3.6 EV wijst het hof er nog op dat die mondelinge behandeling wellicht heeft bijgedragen aan een bereidheid van partijen overleg te voeren over de vraag in hoeverre het wenselijk is dat bij reserveopbouw van de Stichting afdracht aan het Land plaatsvindt. Dat het hof daarbij voor zichzelf verder geen taak ziet weggelegd. En dat het daarom evenmin aanleiding ziet om SOAB te verzoeken (nader) advies uit te brengen aan het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">In combinatie met diens verwerping daarin van voornoemde beroep inzake ongerechtvaardigde verrijking, waarna het hof in rov. 3.3-3.4 EV nog de in rov. 3.2 EV bedoelde grondslag betrekt en in rov. 3.5 EV concludeert dat ’s Lands vorderingen bij gebrek aan deugdelijke grondslag dus terecht zijn afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2024, art. 30 Rv, aant. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo komen in de akte overlegging producties tevens toelichting ter comparitie zijdens het Land art. 2:7 BWC en rov. 2.8 TV niet aan bod. Zelfs bij een uiterst welwillende lezing van die akte valt daaruit op dit punt niet meer te destilleren dan een generieke “onverminderd hetgeen het Land hiervoor heeft aangevoerd en de gevolgen daarvan”-opmerking (nr. 7), die niet op enige kenbare en betekenisvolle wijze verband houdt met art. 2:7 BWC en rov. 2.8 TV. Evenmin komt uit die akte concludent naar voren dat voornoemde situatie, dus die waarin “(dreigt dat) de Stichting tot in lengte van jaren verdere reserves opbouwt zonder die zinvol te investeren en zonder daarvan iets af te dragen aan het Land”, zodanig in de lijn der verwachting ligt dat deze niet langer slechts hypothetisch-toekomstig is. Dit blijft in die akte allemaal on(der)belicht. In die akte is wel gewezen op de in rov. 3.2 EV bedoelde grondslag, maar daarop gaat het hof dus ook in, en wel in rov. 3.2-3.4 EV. Het proces-verbaal van die mondelinge behandeling laat hetzelfde beeld zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier wordt verwezen naar de memorie van grieven, nr. 2.5 (p. 8-9) en de pleitnota in hoger beroep zijdens het Land van 16 augustus 2022, nr. 2.15. Deze gedingstukken dateren van vóór het tussenvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarin wijst het hof erop dat het Land als mogelijkheid heeft gesuggereerd SOAB een advies te laten uitbrengen over een mogelijke gedeeltelijke afdracht van de reserves door de Stichting. Het hof gaat niet op dit verzoek als zodanig in, maar gelast een mondelinge behandeling waarbij het Land is verzocht te bevorderen dat iemand van SOAB bij de mondelinge behandeling aanwezig zou zijn. Uit het proces-verbaal van die mondelinge behandeling (p. 2-3, 4) volgt dat een vertegenwoordiger van SOAB bij die mondelinge behandeling aanwezig was en het woord heeft gevoerd inzake voornoemde mogelijkheid. In zoverre is SOAB gehoord op de wijze die het hof voor ogen had in rov. 2.9 TV. Aan het slot van die mondelinge behandeling heeft de voorzitter blijkens het proces-verbaal (p. 7) verder aangegeven, in reactie op het voorstel zijdens het Land SOAB een advies te laten uitbrengen, dat het hof “dit” (dus: dit voorstel) in het te wijzen vonnis zou beoordelen. Wat het doet in rov. 3.6 EV. Zie ook noot 6 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klacht maakt ook niet duidelijk waaruit het tegendeel wel zou blijken in het tussenvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook noot 183 hiervoor. De klacht maakt evenmin duidelijk waaruit het tegendeel wel zou blijken in het proces-verbaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarin concludeert het hof dat ’s Lands vorderingen bij gebrek aan deugdelijke grondslag terecht zijn afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 178 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier wordt i.h.b. verwezen naar de memorie van grieven, grief 1 en de toelichting in nrs. 2.1-2.7 (p. 4-9) en de pleitnota in hoger beroep zijdens het Land van 16 augustus 2022, nrs. 1.2-1.3, 2.1-2.22. Deze gedingstukken dateren van vóór het tussenvonnis. Wat daar staat, vat het subonderdeel samen op p. 7-9 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zal voor het Land niet onverwacht komen. Zie de schriftelijke toelichting zijdens het Land, nr. 2.40, waaruit blijkt dat het Land deze klacht “zekerheidshalve” aanvoert, “voor het onwaarschijnlijke geval” dat het hof hier “een inhoudelijk juridisch oordeel geeft” als bedoeld in de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifiek over art. 2:7 lid 2 BWC i.v.m. art. 2:50 lid 4 BWC, samengevat onder h op p. 9 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier geldt ook wat ik schreef in noot 189 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met daarachter tussen haakjes: “(in het bijzonder de Kadasterlandsverordening en - voor zover verbindend - het Kadasterbesluit 2000).” In noot 22 van de procesinleiding wordt opgemerkt dat met \"Kadasterbesluit 2000\" wordt gedoeld op het Kadasterbesluit uit 2000, zoals gewijzigd in 2006, “tenzij uit de context blijkt dat het gaat om het Kadasterbesluit 2000 van vóór de wijziging door” het Kadasterbesluit uit 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van welke onverbindendheid sprake is “indien en voor zover het (lagere) Kadasterbesluit 2000 met schending van het legaliteitsbeginsel de (hogere) wettelijke vereisten van de Kadasterlandsverordening doorkruist en/of daarmee in strijd is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de akte overlegging productie tevens toelichting mondelinge behandeling na tussenvonnis zijdens het Land, nrs. 2-5, waaronder (nr. 2 onder (i)): “(…) mede gelet op de inhoud en strekking van (art. 3 van) de Kadasterlandsverordening, [kan] het Kadasterbesluit 2006 hooguit zien op een delegatie van de bevoegdheid tot het stellen van tarieven, en dus niet strekken tot een overdracht van (andere, meeromvattende) taken en bevoegdheden van het Land aan de Stichting. Mocht het Kadasterbesluit 2006 dat laatste wel beogen, is het Kadasterbesluit 2006 daarmee in strijd met de Kadasterlandsverordening en onverbindend; (…).” Zie verder ook de spreekaantekeningen t.b.v. de mondelinge behandeling na tussenvonnis zijdens de Stichting, nrs. 2.1-2.3 en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 5 (de eerste drie gedachtestreepjes onder mr. Noordhoek).</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifiek: “Aangenomen moet worden dat het eilandsbesluit uit 2006 de strekking had om overal waar in het Kadasterbesluit 2000 geregeld was dat aanvragers aan het Land moesten betalen, dat te vervangen door een verplichting om aan de Stichting te betalen. (...) Daarom moet het eilandsbesluit uit 2006 worden uitgelegd overeenkomstig die hiervoor omschreven strekking.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de akte overlegging productie tevens toelichting mondelinge behandeling na tussenvonnis zijdens het Land, nr. 6, waaronder: “Voorts heeft uw Hof in r.o. 2.7 (ten aanzien van grief 5) overwogen (…). Op basis van de opinie van prof. dr. van Rijn is deze overweging niet meer houdbaar. (…) Het Land verzoekt uw Hof derhalve ook eerbiedig om ook deze ovenwegingen ter heroverwegen en daarop terug te komen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de vorige noot i.v.m. noot 194 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op die inhoud en strekking “(i) kan en mag niet worden aangenomen dat het eilandsbesluit uit 2006 de strekking had om overal waar in het Kadasterbesluit 2000 geregeld was dat aanvragers aan het Land moesten betalen, dat te vervangen door een verplichting om aan de Stichting te betalen en (ii) moet het eilandsbesluit uit 2006 in ieder geval niet worden uitgelegd overeenkomstig die (door het hof aangenomen) strekking. Zie ook onderdeel 2.5 en de verwijzing naar de legal opinion van prof. Van Rijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 177 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier wordt i.h.b. verwezen naar de conclusie van repliek, nr. 2.9 (p. 11); de memorie van grieven, grief 3 en de toelichting in nrs. 2.12-2.13 (p. 13-14); en de pleitnota in hoger beroep zijdens het Land van 16 augustus 2022, nrs. 4.1-4.2. Deze gedingstukken dateren van vóór het tussenvonnis. Wat daar staat, vat het subonderdeel samen op p. 16-17 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dus die waarin “(dreigt dat) de Stichting tot in lengte van jaren verdere reserves opbouwt zonder die zinvol te investeren en zonder daarvan iets af te dragen aan het Land.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In combinatie met diens verwerping daarin van het beroep op de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:7 BWC, waarna het hof in rov. 3.3-3.4 EV nog de in rov. 3.2 EV bedoelde grondslag betrekt en in rov. 3.5 EV concludeert dat ’s Lands vorderingen bij gebrek aan deugdelijke grondslag dus terecht zijn afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 180 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 181 hiervoor.</p></div>", "next": 0}