{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt dat bij de vaststelling van een geldboete rekening wordt gehouden met de draagkracht van de verdachte in de mate waarin dat nodig is met het oog op een passende bestraffing van de verdachte zonder dat deze in zijn inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen. Dit draagkrachtbeginsel is op grond van art. 33(2) Sr ook van toepassing op verbeurdverklaringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader D.J. Harris (e.a.)(red.), Law of the European Convention on Human Rights, Oxford University Press 2023, p. 777-778.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook onderdeel 5.6 van mijn conclusie van 14 juni 2013 bij de zaak 12/03630, ECLI:NL:PHR:2013:BZ7875.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld EHRM 5 september 2017, zaak 78117/13, Fábián/Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2017: 0905JUD007811713, r.o. 112-115 en EHRM 11 mei 2021, zaken 18592/15 en 43863/15, Ganeva/Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2021:0511JUD001859215, r.o. 100-101.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 8.</p></div>", "next": 0}