{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">146.</span>De onrechtmatigheid van de gedragingen van Kingspan kan worden gevonden in de feitelijke stellingen zoals hiervóór reeds toegelicht. Daarbij wijst ROCKWOOL specifiek op de (uitvoering van de) strategische beleidskeuzes van Kingspan – ook binnen Nederland – om een marketing- en lobbycampagne te baseren op onwaarheden, misleiding en het structureel (op onjuiste gronden) zwart maken van isolatiematerialen van minerale wol, specifiek die van ROCKWOOL. Dit alles, op zichzelf en in onderling verband bezien, is in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijke verkeer betaamt. Zeker nu Kingspan commerciële belangen boven veiligheidsbelangen plaats; zij misleidt het publiek over producten die levens kunnen redden of kosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">147.</span>De maatschappelijke onzorgvuldigheid wordt versterkt doordat Kingspan alles op alles heeft gezet om met misleidende brandtests de producten van ROCKWOOL zwart te kunnen maken. Binnen een vrije economie en met vrije mededinging is veel aanvaardbaar, maar met een dusdanig structureel misleidende handelswijze heeft Kingspan de grens (ver) overschreden. Dit geldt zeker waar Kingspan denigrerende mededelingen over ROCKWOOL-producten heeft gedaan, wetende dat deze onjuist zijn en/of dat geen enkel bewijs voor haar mededelingen bestond en/of zij juist bekend was met bewijs van het tegendeel (maar dit verzweeg).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">148.</span>De onrechtmatigheid van het handelen van Kingspan wordt vervolmaakt doordat zij bij haar strategie structureel de onvolkomenheden van haar eigen producten heeft verzwegen. Kingspan heeft vele mislukte brandtests verzwegen en alle rapporten van brandtests in de doofpot gestopt.”</div>\n<p class=\"lf-p\">4.51 Vervolgens wordt in de randnummers 149. tot en met 151. ingegaan op afzonderlijke voorwaarden voor aansprakelijkheid op de voet van art. 6:162 BW, in het bijzonder toerekening, relativiteit, schade en causaal verband.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.52 Rockwool heeft aan die onrechtmatige gedraging dezelfde eerder ingenomen feitelijke stellingen ten grondslag gelegd (zie in dit verband randnummers 146. e.v. van de inleidende dagvaarding). Indien na vernietiging, in verband met het slagen van klachten uit onderdeel 1, het verwijzingshof toch tot het oordeel komt dat sprake is van ongeoorloofde vergelijkende reclame, zal het verwijzingshof niet meer toekomen aan de beoordeling van de vordering op de voet van art. 6:162 BW. Indien het verwijzingshof de vordering op de voet van art. 6:194 BW en art. 6:194a BW evenwel afwijst, deelt de vordering gegrond op art. 6:162 BW in hetzelfde lot, omdat dezelfde feiten en omstandigheden aan beide vorderingen ten grondslag zijn gelegd en er voor het overige geen feitelijke grondslag is aangevoerd waarop zelfstandig een onrechtmatige gedraging kan worden gegrond. In zoverre heeft subonderdeel 1.15 geen zelfstandige betekenis en faalt het bij gebrek aan belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.53 De eindbalans wat betreft onderdeel 1 is dat verschillende klachten van onderdeel 1 tegen het oordeel van het hof dat de mededelingen tijdens de NEN Studiedagen niet kwalificeren als ongeoorloofde vergelijkende reclame, slagen. Het verwijzingshof zal opnieuw moeten beoordelen of de in de mededelingen besloten liggende vergelijkende reclame al dan niet geoorloofd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2 4.54 Onderdeel 2 richt zich tegen het oordeel van het hof dat de mededelingen op de website www.kingspan.com (zie randnummers 1.23 tot en met 1.25) niet aan Kingspan Holding kunnen worden toegerekend, omdat niet kan worden gezegd dat Kingspan Holding de mededelingen openbaar heeft laten maken in de zin van art. 6:194 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.55 Subonderdeel 2.1 bevat geen cassatieklachten maar omschrijft het oordeel van het hof in rov. 5.21. van het bestreden arrest en het oordeel van de rechtbank in rov. 4.11. van het eindvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.56 Subonderdeel 2.2 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.21., dat Kingspan Holding de desbetreffende mededeling niet openbaar heeft laten maken, onjuist is. Rockwool heeft aangevoerd dat (i) Kingspan Holding enig bestuurder van Kingspan Insulation is, (ii) Kingspan Insulation en Kingspan Holding verbonden zijn in een groep in de zin van art. 2:24b BW en de centrale leiding en aansturing plaatsvindt via Kingspan Holding, (iii) onderaan de webpagina’s “© Kingspan Group” vermeld staat, hetgeen het groepskarakter van de website onderstreept, (iv) Kingspan Holding beslissende invloed op Kingspan Insulation heeft, en (v) Kingspan Holding over de gehele website de (eind)verantwoordelijkheid draagt. Het hof heeft volgens het subonderdeel miskend dat deze omstandigheden relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of sprake is van het laten openbaar maken van een mededeling (door de bestuurde vennootschap) in de zin van art. 6:194 (jo. art. 6:194a) BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.57 Het hof heeft in rov. 5.20. vooropgesteld dat de vraag wie kan worden beschouwd als degene die de (misleidende) mededeling openbaar heeft gemaakt of heeft laten maken, de vraag betreft wie de onrechtmatige daad heeft gepleegd. Die vraag gaat dus vooraf aan de beoordeling of de onrechtmatige daad aan de dader kan worden toegerekend, waarvoor als maatstaf geldt dat de onrechtmatige daad is te wijten aan zijn schuld of aan een oorzaak die volgens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt (art. 6:162 lid 3 BW). Voor zover met de stellingen uit subonderdeel 2.2 is betoogd dat sprake is van toerekening op grond van de verkeersopvattingen op de voet van art. 6:162 lid 3 BW, is dat betoog door het hof dus verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.58 Het hof heeft vervolgens in rov. 5.21. in het bijzonder de volgende feiten van belang geacht voor zijn oordeel dat de onrechtmatige gedraging niet (eveneens) is verricht door Kingspan Holding:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">i)</span>vast staat dat de verschillende entiteiten van Kingspan gebruik maken van de website www.kingspan.com, waarbij zij ieder een eigen onderdeel hebben;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">ii)</span>vast staat dat de mededeling waar het hier om gaat staat op het onderdeel van de website van Kingspan Unidek, onder de vermelding ‘© Kingspan Group’; en iii) vast staat dat dezelfde tekst ook staat op het onderdeel van Kingspan Insulation, waarbij voor verdere informatie wordt verwezen naar Kingspan Insulation.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.59 Volgens het hof kan bij deze opzet niet worden gezegd dat alle Kingspan-entiteiten die gebruik maken van de website de mededelingen in kwestie openbaar hebben gemaakt of laten maken. Dat is volgens het hof wellicht wel het geval bij mededelingen op een algemeen deel van de website, maar niet bij mededelingen op een als zodanig herkenbaar onderdeel van de website van een afzonderlijke Kingspan-entiteit, zoals hier het geval is: die mededelingen worden volgens het hof alleen door de betreffende entiteit gedaan, dan wel gaan alleen van die entiteit uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.60 Het hof heeft voorts uitdrukkelijk in rov. 5.21. overwogen dat de omstandigheid dat de mededeling onderdeel zou zijn van een groepsbrede marketingstrategie en dat ook andere Kingspan-entiteiten ervan zouden profiteren, zijn oordeel niet anders maakt. De omstandigheid dat Kingspan Holding, Kingspan Insulation, Kingspan B.V. en Kingspan Unidek met elkaar in een groep zijn verbonden in de zin van art. 2:24b BW, met Kingspan Holding als topholding, wil volgens het hof ook niet zeggen dat zij, dat is Kingspan Holding, vanwege haar zeggenschap is te beschouwen als degene die de uitingen op de onderdelen van de afzonderlijke entiteiten mede openbaar heeft gemaakt. Het hof heeft zich verder, voor zover het Kingspan Holding betreft, aangesloten bij rov. 4.11. van het eindvonnis van de rechtbank, waarin is overwogen: “4.11. Wat betreft Kingspan Holding Netherlands ligt dit anders. Zij is weliswaar enig aandeelhouder en bestuurder van Kingspan Insulation, maar Rockwool heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat Kingspan Holding als aandeelhouder zich feitelijk gedraagt als bestuurder en feitelijk beleidsbepaler, hetgeen Kingspan ook heeft ontkend. De enkele stelling dat Kingspan Holding de hoogste entiteit van de Kingspan Groep [lees: Group. A-G] in Nederland is, kan, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet leiden tot de benodigde ‘actieve’ bemoeienis met de inhoud van de mededeling. De vermelding “© Kingspan Group” onderaan de website kan ook niet leiden tot toerekening aan Kingspan Holding, te meer nu Kingspan gemotiveerd heeft gesteld dat ieder van de Kingspan entiteiten een eigen onderdeel heeft op de algemene website van Kingspan. Dit betekent dat ten aanzien van Kingspan Holding niet wordt voldaan aan het vereiste van openbaar maken of openbaar laten maken.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">4.61 Het hof heeft de stellingen uit subonderdeel 2.2 dus in aanmerking genomen bij de beoordeling of Kingspan Holding de mededelingen openbaar heeft gemaakt of openbaar heeft laten maken, en verworpen. Het hof heeft geoordeeld dat Kingspan Insulation de mededelingen op haar websiteonderdeel openbaar heeft gemaakt, waarbij onderaan de tekst voor verdere informatie wordt verwezen naar Kingspan Insulation. In randnummer 3.7 van deze conclusie is ingegaan op de verschillende categorieën aansprakelijke personen in de zin van art. 6:194 BW. Gelet op deze verschillende categorieën is Kingspan Holding voor deze openbaarmaking door Kingspan Insulation, naast Kingspan Insulation, slechts zelfstandig aansprakelijk op grond van art. 6:194 BW in verbinding met art. 6:194a BW, als Kingspan Holding is aan te merken als ‘opdrachtgever’, zoals deze in de literatuur wordt aangeduid (zie randnummer 3.7). In dit kader wijs ik erop dat de Reclamerichtlijn sinds 2006 in art. 6:194 BW is geïmplementeerd en de Reclamerichtlijn geen inhoudelijke wijzigingen meebracht ten opzichte van de voorheen geldende regeling (zie randnummer 3.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.62 Het hof heeft dus niet miskend dat de in subonderdeel 2.2 genoemde omstandigheden relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of sprake is van het laten openbaar maken, maar heeft die stellingen in aanmerking genomen en verworpen. De groepsstructuur is volgens het hof onvoldoende om te kunnen spreken van het laten openbaar maken (zie de stellingen (i) en (ii)), dat ‘© Kingspan Group’ staat vermeldt, heeft het hof in aanmerking genomen, maar het hof wijst er eveneens op dat bij de tekst op het websiteonderdeel van Kingspan Insulation voor verdere informatie wordt verwezen naar Kingspan Insulation en op het feit dat iedere entiteit een eigen websiteonderdeel heeft (zie stelling (iii)), dat Kingspan Holding beslissende invloed op Kingspan Insulation heeft in de zin dat zij feitelijk het beleid bepaalt is onvoldoende gesteld en door Kingspan ontkent (en voor het overige is de enkele groepsstructuur dus onvoldoende om te kunnen spreken van het laten openbaar maken) (zie stelling (iv)), en dat Kingspan Holding over de gehele website de (eind)verantwoordelijkheid draagt, heeft het hof eveneens verworpen waarbij het hof van belang heeft geacht dat iedere entiteit een eigen websiteonderdeel heeft en de mededelingen op die onderdelen alleen uitgaan van de betreffende entiteit, die daarvoor dus alleen verantwoordelijk is (stelling (v)). Deze beoordeling en weging van de omstandigheden is niet onjuist en voor het overige aan het hof. Subonderdeel 2.2 faalt dan ook.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.63 Subonderdeel 2.3 betoogt dat het hof de in subonderdeel 2.2 onder (i) tot en met (v) genoemde omstandigheden ten onrechte niet, althans niet op voldoende begrijpelijke wijze, heeft meegewogen bij de vraag of sprake is van een laten openbaar maken van de mededeling op de website door Kingspan Holding in de zin van art. 6:194 BW in verbinding met art. 6:194a BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.64 Zoals opgemerkt bij de behandeling van subonderdeel 2.2, zijn de stellingen onder (i) tot en met (v) door het hof in aanmerking genomen en verworpen bij de beoordeling of Kingspan Holding de mededelingen op het websiteonderdeel van Kingspan Insulation openbaar heeft gemaakt of heeft laten maken. Dit oordeel is in de omstandigheden van het geval niet onbegrijpelijk en zodanig verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat het in cassatie niet voor verdere toetsing vatbaar is. Subonderdeel 2.2 faalt dan ook.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.65 Volgens subonderdeel 2.3.1 heeft het hof in rov. 5.21. de omstandigheid meegewogen dat Kingspan Holding en Kingspan Insulation met elkaar verbonden zijn in een groep in de zin van art. 2:24b BW met Kingspan Holding als topholding. Het hof heeft die omstandigheid echter enkel meegewogen in het kader van de vraag of de mededeling ook door een afzonderlijke entiteit openbaar is gemaakt. Het hof heeft die omstandigheden ten onrechte, dan wel op onvoldoende gemotiveerde wijze, niet meegewogen bij de vraag of Kingspan Holding als gevolg daarvan de mededeling openbaar heeft laten maken, terwijl die groepsverbondenheid en topholdingpositie juist ook in het kader van dat criterium van gewicht zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.66 Het subonderdeel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 5.21. overwogen dat de omstandigheid dat Kingspan Holding, Kingspan Insulation, Kingspan B.V. en Kingspan Unidek met elkaar in een groep zijn verbonden in de zin van art. 2:24b BW, met Kingspan Holding als topholding, niet wil zeggen dat Kingspan Holding vanwege haar zeggenschap is te beschouwen als degene die de uitingen op de onderdelen van de afzonderlijke entiteiten mede openbaar heeft gemaakt. Het hof bedoelt hier met ‘mede’ dat Kingspan Holding niet naast Kingspan Insulation aansprakelijke (rechts)persoon is voor de mededelingen op het websiteonderdeel van Kingspan Insulation. Mijns inziens dient rov. 5.21. zo te worden uitgelegd dat hiermee eveneens is geoordeeld dat Kingspan Holding de mededeling niet openbaar heeft laten maken via Kingspan Insulation. Subonderdeel 2.3.1 faalt derhalve.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.67 Subonderdeel 2.3.2 klaagt dat bij de vraag of sprake is van een openbaar laten maken het hof geen kenbare aandacht heeft besteed aan de door Rockwool in het kader van het beroep op dat criterium aangevoerde in subonderdeel 2.2 onder (i) tot en met (v) genoemde omstandigheden. Die omstandigheden kunnen evenwel ieder voor zich, dan wel in ieder geval in onderlinge samenhang, tot het oordeel leiden dat Kingspan Holding de mededeling op de website openbaar heeft laten maken, nu daaruit volgt dat Kingspan Holding enig bestuurder was van Kingspan Insulation, zij beslissende invloed op Kingspan Insulation had, en dat zij (eind)verantwoordelijk was voor de website, die blijkens de vermelding ‘© Kingspan Group’ een groepskarakter heeft, waarop de mededeling is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.68 Het subonderdeel is een herhaling van zetten. Het hof heeft in de omstandigheden van het geval niet onbegrijpelijk geoordeeld dat, ondanks de omstandigheden (i) tot en met (v), Kingspan Holding de mededeling niet openbaar heeft laten maken. Het subonderdeel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.69 Volgens subonderdeel 2.3.3 valt in het licht van de in subonderdeel 2.2 onder (i) tot en met (v) genoemde stellingen evenmin in te zien waarom het hof tot het oordeel is gekomen dat Rockwool verder geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat – naast Kingspan Unidek en Kingspan Insulation – ook Kingspan Holding de bedoelde mededelingen openbaar heeft laten maken. Rockwool heeft immers in het kader van die toetsingsgrond op het enig bestuurderschap, de art. 2:24b-groepstructuur, de daarmee samenhangende beslissende invloed, de (eind)verantwoordelijkheid over de website van Kingspan Holding en het uit de vermelding ‘© Kingspan Group’ blijkende groepskarakter van de website gewezen. In ieder geval valt daarom zonder nadere motivering niet in te zien waarom daaruit niet zou kunnen worden afgeleid dat Kingspan Holding de mededeling via Kingspan Insulation openbaar heeft laten maken, aldus het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.70 Het hof heeft de stellingen waarop subonderdeel 2.3.3 zich beroept in rov. 5.21. beoordeeld en verworpen, ook ten aanzien van de vraag of Kingspan Holding de mededelingen op het websiteonderdeel van Kingspan Insulation openbaar heeft laten maken via Kingspan Insulation, waarbij ik ermee volsta te verwijzen naar de bespreking van de voorgaande subonderdelen. Met het oordeel dat Rockwool “verder” geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat Kingspan Holding de bedoelde mededelingen openbaar heeft gemaakt of heeft laten maken, heeft het hof geoordeeld dat Rockwool voor het overige, dus naast de reeds besproken en verworpen stellingen van subonderdeel 2.2 onder (i) tot en met (v), geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die het oordeel kunnen dragen dat Kingspan Holding de mededelingen openbaar heeft laten maken, hetgeen niet onbegrijpelijk is. Subonderdeel 2.3.3 faalt daarom.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.71 Subonderdeel 2.3.4 betoogt dat de in rov. 4.11. en 4.12. te vinden overwegingen van het eindvonnis van de rechtbank, waarbij het hof zich volgens rov. 5.21. heeft aangesloten, evenmin een voldoende begrijpelijke respons vormen op de in subonderdeel 2.2 onder (i) tot en met (v) genoemde stellingen. Ten eerste heeft het hof met de rechtbank ten onrechte verlangd dat Kingspan Holding zich als aandeelhouder feitelijk moet hebben gedragen als bestuurder en feitelijk beleidsbepaler. Dat oordeel vormt een onvoldoende gemotiveerde respons op deze stellingen, omdat Rockwool er juist op heeft gewezen dat Kingspan Holding in haar hoedanigheid van enig bestuurder is opgetreden en aldus Kingspan Insulation de mededeling openbaar heeft laten maken. Ten tweede heeft de rechtbank in rov. 4.11. van haar eindvonnis evenmin aandacht besteed aan de stellingen van Rockwool dat Kingspan Holding beslissende invloed heeft op Kingspan Insulation en dat Kingspan Holding de (eind)verantwoordelijkheid voor de website draagt, die website blijkens de vermelding ‘© Kingspan Group’ een groepskarakter heeft, terwijl die omstandigheden relevant zijn voor de vraag of zij de mededeling openbaar heeft laten maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.72 Het subonderdeel kan niet slagen. Het hof heeft geoordeeld dat Kingspan Insulation de mededelingen op haar websiteonderdeel openbaar heeft gemaakt, waarbij onderaan de tekst voor verdere informatie wordt verwezen naar Kingspan Insulation. Mijns inziens is Kingspan Holding voor de openbaarmaking op het websiteonderdeel van Kingspan Insulation, naast Kingspan Insulation, slechts zelfstandig aansprakelijk op grond van art. 6:194 BW in verbinding met art. 6:194a BW, als Kingspan Holding is aan te merken als ‘opdrachtgever’. De motivering van het hof in rov. 5.21. komt erop neer dat niet kan worden gezegd dat Kingspan Holding heeft opgedragen tot het openbaar maken van de bedoelde mededelingen. Het hof heeft bij deze beoordeling de stellingen van subonderdeel 2.2 onder (i) tot en met (v) in aanmerking genomen en verworpen met een niet-onbegrijpelijke motivering waarom in de omstandigheden van het geval niet kan worden gezegd Kingspan Holding de mededelingen op de website van Kingspan Insulation openbaar heeft laten maken. Subonderdeel 2.3.4 faalt derhalve.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.73 Volgens subonderdeel 2.4 hebben de rechtbank en het hof eraan voorbijgezien dat voor de vraag of een bestuurder een door hem bestuurde vennootschap een mededeling openbaar laat maken in de zin van art. 6:194 BW in verbinding met art. 6:194a BW niet is vereist dat die bestuurder ook als feitelijk beleidsbepaler optreedt. Het gaat erom of die bestuurder de mededeling openbaar heeft laten maken. Bovendien geldt als uitgangspunt dat een bestuurder ook de feitelijk beleidsbepaler van de door hem bestuurde vennootschap is, in ieder geval als het een enig bestuurder betreft, zoals in het onderhavige geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.74 Zoals gezegd komt de motivering van het hof in rov. 5.21. erop neer dat niet kan worden gezegd dat Kingspan Holding opdrachtgever is. Het hof heeft zich in dit kader onder meer aangesloten bij rov. 4.11. van het eindvonnis, waarin, samengevat en voor zover het Kingspan Holding betreft, is geoordeeld dat het feit dat Kingspan Holding de hoogste entiteit van de Kingspan Group in Nederland is, niet leidt tot de benodigde ‘actieve’ bemoeienis met de inhoud van de mededeling. Hiermee is in wezen geoordeeld dat de enkele groepsstructuur onvoldoende concretisering is voor de stelling dat Kingspan Holding aan Kingspan Insulation heeft opgedragen om de bedoelde mededelingen openbaar te maken. Ik begrijp de genoemde rov. 4.11. zo dat het hof niet zozeer heeft geoordeeld dat voor het ‘openbaar laten maken’ altijd is vereist dat de bestuurder als feitelijke beleidsbepaler optreedt, maar dat, als de bestuurder optreedt als feitelijke beleidsbepaler, daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de bestuurder openbaar heeft laten maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rockwool heeft volgens het hof evenwel onvoldoende gemotiveerd gesteld dat Kingspan Holding zich gedraagt als feitelijk beleidsbepaler, hetgeen Kingspan ook heeft ontkend (zie rov. 4.11. van het eindvonnis). Het oordeel van het hof dat niet kan worden gezegd dat Kingspan Holding de mededelingen op het websiteonderdeel van Kingspan Insulation openbaar heeft laten maken, berust dus niet op de rechtsopvatting dat vereist is dat de bestuurder van een vennootschap die een mededeling openbaar maakt, optreedt als feitelijke beleidsbepaler. Subonderdeel 2.4 faalt dan ook.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.75 Subonderdeel 2.5 voert aan dat de rechtbank en het hof hebben miskend dat voor de vraag of sprake is van een openbaar laten maken niet steeds sprake moet zijn van een actieve bemoeienis door de bestuurder met de inhoud van de mededeling. Ook een niet-doen kan leiden tot een openbaar laten maken. Een als (enig) bestuurder optredende rechtspersoon van de vennootschap die de mededeling doet, die op die vennootschap beslissende invloed heeft en/of die (eind)verantwoordelijk is voor het medium waarop de mededeling wordt gedaan, kan dus ook door een niet-doen of een nalaten om in te grijpen een vennootschap een mededeling openbaar laten maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.76 Zoals gezegd heeft het hof geoordeeld dat Kingspan Insulation de mededelingen op haar websiteonderdeel openbaar heeft gemaakt, waarbij onderaan de tekst voor verdere informatie wordt verwezen naar Kingspan Insulation, en is Kingspan Holding voor deze mededelingen, naast Kingspan Insulation, slechts zelfstandig aansprakelijk op grond van art. 6:194 BW in verbinding met art. 6:194a BW, als Kingspan Holding is aan te merken als ‘opdrachtgever’. Het hof heeft niet miskend dat door een niet-doen of nalaten om in te grijpen sprake kan zijn van ‘openbaar laten maken’, maar heeft geoordeeld dat in de omstandigheden van het geval niet kan worden gezegd dat Kingspan Holding in dit kader is aan te merken als ‘opdrachtgever’. Subonderdeel 2.5 faalt daarom.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.77 Subonderdeel 2.6 bevat een voortbouwklacht en faalt, gelet op het falen van de voorgaande subonderdelen van onderdeel 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.78 Nu alle klachten falen, is onderdeel 2 vergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 4.79 De slotsom is dat diverse klachten van onderdeel 1 doel treffen en dat het bestreden arrest daarom moet worden vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De feitenweergave is, met een enkele redactionele aanpassing, ontleend aan het bestreden arrest: hof Arnhem-Leeuwarden 24 september 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6028, rov. 3.1.-3.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij heeft het hof verwezen naar de Beschikking van de Commissie van 9 september 1994 ter uitvoering van artikel 20 van Richtlijn 89/106/EEG inzake voor de bouw bestemde produkten (PbEEG L 1994/241, p. 25).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij heeft het hof verwezen naar de Beschikking van de Commissie van 8 februari 2000 ter uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad wat de indeling van voor de bouw bestemde producten in klassen van materiaalgedrag bij brand betreft (kennisgeving geschied onder nummer C(2000) 133) (Voor de EER relevante tekst) PbEEG L 2000/50, p. 14).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 3 november 2021, zaaknummer C/05/390833 / HA ZA 21-364 (niet gepubliceerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 5 oktober 2022, zaaknummer/rolnummer C/05/390833 / HA ZA 21-364/ 1291 / 167/ 1571/ 876 (niet gepubliceerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 24 september 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6028.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 1.22 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummers 1.23 en 1.24 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummers 1.23 en 1.24 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 1.25 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">EPS wordt gemaakt van polystyreenkorrels, die onder verhitting aan elkaar kleven, en wordt ook wel aangeduid als piepschuim of templex. Zie ook de inleidende dagvaarding van Rockwool van 7 juli 2021, randnummer 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Respectievelijk conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:985) voor HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1662, RvdW 2025/1197 (art. 81 RO) en conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:986) voor HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1663, RvdW 2025/1196 (art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">C.J.J.C. van Nispen, J.L.R.A. Huydecoper &amp; T. Cohen Jehoram, Industriële eigendom. Deel 3. Vormen, namen en reclame, Deventer: Kluwer 2012, par. 5.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-IV. De verbintenis uit de wet, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 316, GS Onrechtmatige daad, art. 6:194 BW, aant. 3.1 (C.J.J.C. van Nispen), GS Onrechtmatige daad, art. 6:194a BW, aant. 9 (C.J.J.C. van Nispen), T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 6:194 BW, aant. 3 (G.H. Lankhorst) en C.J.J.C. van Nispen, J.L.R.A. Huydecoper &amp; T. Cohen Jehoram, Industriële eigendom. Deel 3. Vormen, namen en reclame, Deventer: Kluwer 2012, par. 5.3.2.6. Vergelijk D.W.F. Verkade, Misleidende (B2B) reclame en vergelijkende reclame (Mon. BW B49b), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nrs. 2.22-2.24 en 2.27. Zie ook HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1979, NJ 2011/8, JOR 2011/53 m.nt. J.B.S. Hijink en Ondernemingsrecht 2011/41 m.nt. M.A. Verbrugh (TMF), rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 6:194 BW, aant. 3 en 5 (G.H. Lankhorst).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201 m.nt. C.E. du Perron, Ondernemingsrecht 2010/21 m.nt. H.M. Vletter-van Dort, JOR 2010/43 m.nt. K. Frielink en Ars Aequi 2010, p. 336 e.v. m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (World Online), rov. 4.10.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-IV. De verbintenis uit de wet, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nrs. 316-317, GS Onrechtmatige daad, art. 6:194 BW, aant. 6 en 10 (C.J.J.C. van Nispen), T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 6:194 BW, aant. 3 (G.H. Lankhorst), D.W.F. Verkade, Misleidende (B2B) reclame en vergelijkende reclame (Mon. BW B49b), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 2.30.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.J.J.C. van Nispen, J.L.R.A. Huydecoper &amp; T. Cohen Jehoram, Industriële eigendom. Deel 3. Vormen, namen en reclame, Deventer: Kluwer 2012, par. 5.3.2.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II 1975-1976, 13611, nr. 3, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie D.W.F. Verkade, Misleidende (B2B) reclame en vergelijkende reclame (Mon. BW B49b), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 30 en ook P.W.J. Verbruggen &amp; F. van Dort, ‘Middlemen of marketing: over de juridische verantwoordelijkheden van reclamebureaus in de reclameketen’, NTBR 2025/42, p. 358.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.J.J.C. van Nispen, J.L.R.A. Huydecoper &amp; T. Cohen Jehoram, Industriële eigendom. Deel 3. Vormen, namen en reclame, Deventer: Kluwer 2012, par. 5.3.2.3 en 5.3.2.7. Zie ook MvT, Kamerstukken II 1975-1976, 13611, nr. 3, p. 9: “De aanhef van artikel 1416a is zodanig geredigeerd dat ook degene, die bij voorbeeld als producentenorganisatie collectieve reclame maakt voor een bepaald product ten behoeve van alle tot de betreffende bedrijfstak behorende bedrijfsgenoten, aansprakelijk kan worden gesteld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 6:194 BW, aant. 3.b. (G.H. Lankhorst).</p>\n<p class=\"lf-p\">Oorspronkelijke eiseres in deze zaak was de Stichting Konsumenten Kontakt (art. 6:194 BW was destijds van toepassing op zowel zogenoemde B2B- als B2C-situaties).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4986, NJ 1985/593 m.nt. L. Wichers Hoeth.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201 m.nt. C.E. du Perron, Ondernemingsrecht 2010/21 m.nt. H.M. Vletter-van Dort, JOR 2010/43 m.nt. K. Frielink en Ars Aequi 2010, p. 336 e.v. m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (World Online), rov. 4.10.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitie is gelijk aan die van art. 2, aanhef en onder c, Reclamerichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS Onrechtmatige daad, art. 6:194a BW, aant. 3.2 (C.J.J.C. van Nispen). De Reclamerichtlijn definieert in art. 2, aanhef en onder a, reclame als iedere mededeling bij de uitoefening van een commerciële, industriële of ambachtelijke activiteit of van een vrij beroep ter bevordering van de afzet van goederen of diensten, met inbegrip van onroerende goederen, rechten en verplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 6:194a BW, aant. 5 (G.H. Lankhorst), GS Onrechtmatige daad, art. 6:194a BW, aant. 4 (C.J.J.C. van Nispen) en D.W.F. Verkade, Misleidende (B2B) reclame en vergelijkende reclame (Mon. BW B49b), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 3.87.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaste rechtspraak sinds HvJ EG 16 juli 1998, C-210/96, ECLI:EU:C:1998:369, NJ 2000/374 m.nt. D.W.F. Verkade (Gut Springenheide), punt 31. Zie onlangs in dezelfde zin HvJ EU 14 november 2024, C-646/22, ECLI:EU:C:2024:957, NJ 2025/185 m.nt. D.W.F. Verkade (Compass Banca). Zie ook considerans (18) van de Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijn en 97/7/EG,98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die zin randnummer 2.5 van de conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2021:334) voor HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1040, RvdW 2021/733 (Digital Revolution/Media Concept) (art. 81 RO). Evenzo D.W.F. Verkade, Misleidende (B2B) reclame en vergelijkende reclame (Mon. BW B49b), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 2.35. Zie ook T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 6:194 BW, aant. 5d (G.H. Lankhorst), wiens opmerkingen evenwel vooral op het art. 6:194 BW van vóór 2008 (toen het nog mede op B2C-verhoudingen zag) lijken te zijn toegespitst.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II 1975-1976, 13611, nr. 3, p. 10. Deze passage is ook aangehaald in D.W.F. Verkade, Misleidende (B2B) reclame en vergelijkende reclame (Mon. BW B49b), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 2.33.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 8 februari 2017, C-562/15, ECLI:EU:C:2017:95, NJ 2018/2 en IER 2017/42 m.nt. E.H. Hoogenraad en B.B. Duivenvoorde, punt 31, HvJ EG 19 september 2006, C-356/04, ECLI:EU:C:2006:585, NJ 2007/18 m.nt. M.R. Mok (Lidl/Colruyt), punten 77-79 en HvJ EU 18 november 2010, C-159/09, ECLI:EU:C:2010:696, NJ 2011/53 m.nt. M.R. Mok (Lidl/Vierzon), punten 46-50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo ook D.W.F. Verkade, Misleidende (B2B) reclame en vergelijkende reclame (Mon. BW B49b), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 2.44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 29 maart 2016 tot wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het tegengaan van acquisitiefraude door het doen van misleidende mededelingen jegens diegenen die handelen in de uitoefening van hun beroep, bedrijf of organisatie en wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de strafbaarstelling van acquisitiefraude, Stb. 2016/133.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook MvT, Kamerstukken II 2013-2014, 33712, nr. 6, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling verbindt daaraan niet uitdrukkelijk het gevolg dat deze niet-openbaar gemaakte misleidende mededeling onrechtmatig is. Dat was echter wel de bedoeling van de initiatiefnemers van de wetswijziging. Zie bijvoorbeeld MvT, Kamerstukken II 2013-2014, 33712, nr. 6, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II 2013-2014, 33712, nr. 6, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II 2013-2014, 33712, nr. 6, p. 19. Zie nader T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 6:194 BW, aant. 7.b. (G.H. Lankhorst).</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II 2013-2014, 33712, nr. 6, p. 19. Ook hier geldt dat de regeling vaststelt dat een mededeling door of namens een organisatie een misleidende mededeling kan zijn, maar aan die kwalificatie niet uitdrukkelijk het gevolg verbindt dat de mededelende persoon daarmee onrechtmatig handelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van art. 6:194 lid 4 BW verwijst naar art. 6:193e, onderdeel a. tot en met d., BW. Na de invoering van art. 6:194 lid 4 BW in 2016 is het aangehaalde art. 6:193e BW gewijzigd, waarbij de tekst van het voorheen geldende wetsartikel is terechtgekomen in lid 1 (en aangevuld met een onderdeel f.), waarachter twee artikelleden zijn toegevoegd. De tekst van art. 6:194 BW is aan deze sinds 2022 bestaande situatie niet aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II 2013-2014, 33712, nr. 6, p. 20. Zie D.W.F. Verkade, Oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten (Mon. BW B49a), Deventer: Wolters Kluwer 2016, nr. 38.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II 2013-2014, 33712, nr. 6, p. 20, Sdu Commentaar Vermogensrecht, art. 6:194 BW, aant. 3.5 (B.J.V. Lukaszewicz), T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 6:194 BW, aant. 9.b. (G.H. Lankhorst) en GS Onrechtmatige daad, art. 6:194 BW, aant. 40 (C.J.J.C. van Nispen).</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II 2013-2014, 33712, nr. 6, p. 20, Sdu Commentaar Vermogensrecht, art. 6:194, aant. 3.5 (B.J.V. Lukaszewicz) en GS Onrechtmatige daad, art. 6:194 BW, aant. 40 (C.J.J.C van Nispen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling is vergelijkbaar met art. 6:193j BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-IV. De verbintenis uit de wet, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 320. Dit volgt uit HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201 m.nt. C.E. du Perron, Ondernemingsrecht 2010/21 m.nt. H.M. Vletter-van Dort, JOR 2010/43 m.nt. K. Frielink, Ars Aequi 2010, p. 336 e.v. m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers en BIE 2010/27, p. 163 e.v. m.nt. C.J.J.C. van Nispen (World Online), rov. 4.17.4, maar ook rov. 4.19.2: “In die stellingen ligt derhalve naar het oordeel van het hof niet besloten dat het prospectus onjuiste of onvolledige informatie geeft over (de berekening van) de door de beleggers bij inschrijving in feite te betalen prijs. Dit oordeel is in cassatie op zichzelf niet bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit brengt mee dat de stellingen van VEB met betrekking tot de introductieprijs niet beoordeeld moeten worden aan de hand van de art. 6:194-195 BW, maar aan de hand van de algemene regels inzake onrechtmatige daad. Anders dan onderdeel 8g betoogt, komt VEB dan ook geen beroep toe op de in art. 6:195 voorziene omkering van de bewijslast.” Zie ook reeds HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1562, NJ 1996/246 m.nt. D.W.F. Verkade (ABN AMRO/Coopag Finance), rov. 4.2: “Bij de beoordeling van dit onderdeel moet worden vooropgesteld dat het aan de Vereniging was te stellen dat en waarom de prospectussen tekort schoten in juistheid of volledigheid van de mededelingen die daarin zijn vervat. Heeft zij aan die stelplicht voldaan dan rust vervolgens, ingevolge het bepaalde bij art. 1416b [thans art. 6:195 BW, A-G], in beginsel op de Bank de bewijslast van de juistheid of volledigheid van die mededelingen, aangenomen dat zij inhoud en inkleding van die mededelingen zelf heeft bepaald of doen bepalen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van grieven van Kingspan van 23 mei 2023, randnummer 4.34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de inleidende dagvaarding van Rockwool van 7 juli 2021, randnummers 88., 89. en 131.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.41. van het eindvonnis en randnummers 1.13 en 1.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.42. tot en met 4.45 van het eindvonnis, geciteerd onder randnummer 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van Kingspan van 23 mei 2023, p. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van Kingspan van 23 mei 2023, p. 20-21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld zal zijn slide 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord van Rockwool van 1 augustus 2023, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord van Rockwool van 1 augustus 2023, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van Kingspan van 23 mei 2023, p. 22-23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord van Rockwool van 1 augustus 2023, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inleidende dagvaarding van Rockwool van 7 juli 2021, p. 42 en p. 58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van Kingspan van 13 oktober 2021, p. 25 en p. 51.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de inleidende dagvaarding van Rockwool van 7 juli 2021, randnummer 31. en productie 11, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 4 april 2024, p. 17, 18 en 20 en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 5 april 2022, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de inleidende dagvaarding van Rockwool van 7 juli 2021, randnummers 32.-34. en producties 11 en 12 en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 5 april 2022, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de inleidende dagvaarding van Rockwool van 7 juli 2021, randnummer 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om de uitzending van het televisieprogramma Zembla op 6 mei 2021 (‘Brandende belangen’). In de inleidende dagvaarding van Rockwool van 7 juli 2021, randnummer 11. staat: “(…) De op de website van Zembla gegeven omschrijving hiervan luidt: De vuurzee in Grenfell Tower maakte in 2017 een einde aan het leven van 72 Londenaren. De woontoren was kort daarvoor gerenoveerd. Volgens Britse onderzoekers heeft de gebruikte gevelisolatie bijgedragen aan de brand. Isolatiefabrikanten beweren dat hun producten veilig zijn, maar blijken cruciale gegevens over de brandbaarheid te hebben gemanipuleerd of verzwegen. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de inleidende dagvaarding van Rockwool van 7 juli 2021, randnummer 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de inleidende dagvaarding van Rockwool van 7 juli 2021, randnummer 132.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de inleidende dagvaarding van Rockwool van 7 juli 2021, randnummer 132.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de spreekaantekeningen in hoger beroep van Rockwool van 4 april 2024, randnummer 2., het proces-verbaal van mondelinge behandeling in hoger beroep van 4 april 2024, p. 17 en p. 25, de memorie van antwoord van Rockwool van 1 augustus 2023, randnummers 33., 34. en 37. (voetnoot 39) en de spreekaantekeningen in eerste aanleg van Rockwool van 5 april 2022, randnummer 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wederom wordt verwezen naar de spreekaantekeningen in hoger beroep van Rockwool van 4 april 2024, randnummer 2., het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 4 april 2024, p. 17 en p. 25, de memorie van antwoord van Rockwool van 1 augustus 2023, randnummers 33., 34. en 37. (voetnoot 39) en de spreekaantekeningen in eerste aanleg Rockwool van 5 april 2022, randnummer 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wederom wordt verwezen naar de spreekaantekeningen in hoger beroep van Rockwool van 4 april 2024, randnummer 2., het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 4 april 2024, p. 17 en p. 25, de memorie van antwoord van Rockwool van 1 augustus 2023, randnummers 33., 34. en 37. (voetnoot 39) en de spreekaantekeningen in eerste aanleg Rockwool van 5 april 2022, randnummer 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het subonderdeel laat het hof in het midden of deze door Rockwool gestelde verschillen daadwerkelijk bestaan en kan in cassatie daarom hypothetisch van de juistheid van deze feiten uitgegaan worden. Of de verschillen daadwerkelijk bestaan en relevant zijn voor de testuitslagen, dient het verwijzingshof (alsnog) te onderzoeken, aldus het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van Kingspan, randnummers 4.31-4.41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de spreekaantekeninqen in eerste aanleg van Rockwool van 5 april 2022, randnummers 15. en 16. en de inleidende dagvaarding van Rockwool van 7 juli 2021, randnummers 86. en 114.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de spreekaantekeningen in eerste aanleg van Rockwool van 5 april 2022, randnummers 15. en 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van grieven van Kingspan van 23 mei 2023, randnummers 4.32 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de spreekaantekeningen in eerste aanleg van Rockwool van 5 april 2022, randnummers 15. en 16., de inleidende dagvaarding van Rockwool van 7 juli 2021, randnummer 114. en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 4 april 2024, p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de inleidende dagvaarding van Rockwool van 7 juli 2021, randnummers 145. tot en met 151.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van antwoord van Rockwool van 1 augustus 2023, randnummers 60. en 62. en de spreekaantekeningen in eerste aanleg van Rockwool van 5 april 2022, randnummer 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van antwoord van Rockwool van 1 augustus 2023, randnummer 60. en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 5 april 2022, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de spreekaantekeningen in eerste aanleg van Rockwool van 5 april 2022, randnummer 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van antwoord van Rockwool van 1 augustus 2023, randnummers 60. en 62. en de spreekaantekeningen in eerste aanleg van Rockwool van 5 april 2022, randnummer 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van antwoord van Rockwool van 1 augustus 2023, randnummers 60. en 62., de spreekaantekeningen in eerste aanleg van Rockwool van 5 april 2022, randnummer 52. en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 5 april 2022, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband de definitie van ‘handelaar’ in art. 2, sub d Reclamerichtlijn: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelt voor doeleinden welke betrekking hebben op zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit, alsook eenieder die in naam van of namens een handelaar optreedt (onderstreping van mij, A-G).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de schriftelijke toelichting van Rockwool wordt nog gewezen op de artikelen 6:193a tot en met art. 6:193j BW. Deze bepalingen zijn evenwel van toepassing in B2C-verhoudingen en vormen de implementatie van de richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken, die onder meer een eigen definitie bevat van het begrip ‘handelaar’ in de zin van die richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van antwoord van Rockwool van 1 augustus 2023, randnummers 60. en 62., de spreekaantekeningen in eerste aanleg van Rockwool van 5 april 2022, randnummer 52. en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 5 april 2022, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wederom wordt verwezen naar de memorie van antwoord van Rockwool van 1 augustus 2023, randnummers 60. en 62., de spreekaantekeningen in eerste aanleg van Rockwool van 5 april 2022, randnummer 52. en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 5 april 2022, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wederom wordt verwezen naar de memorie van antwoord van Rockwool van 1 augustus 2023, randnummers 60. en 62., de spreekaantekeningen in eerste aanleg van Rockwool van 5 april 2022, randnummer 52. en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 5 april 2022, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar de memorie van antwoord van Rockwool van 1 augustus 2023, randnummers 60. en 62., de spreekaantekeningen in eerste aanleg van Rockwool van 5 april 2022, randnummer 52. en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 5 april 2022, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhavige zaak verschilt dan ook (onder andere) in dit opzicht van hof ’s-Gravenhage 19 juni 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW8770, waar Rockwool in haar schriftelijke toelichting in randnummer 35 naar verwijst en waarin het hof heeft geoordeeld: “Kubus heeft erop gewezen dat de B.V.’s deel uitmaken van hetzelfde concern en uitwisselbaar zijn, terwijl MBrands blijkens de vermelding in productie 7B bovendien verantwoordelijk is voor de website. MBrands heeft een en ander niet, althans onvoldoende weersproken.” (onderstreping van mij, A-G)</p></div>", "next": 0}