{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De onderdelen doen onder meer een beroep op EHRM 10 juli 2014, nr. 12027/10 (Statileo/Kroatië) en EHRM 5 juli 2016, nr. 38082/07 (Rudolfer/Slowakije). Uit deze rechtspraak kan echter niet worden afgeleid dat het EHRM van oordeel is dat de verhuurder van woonruimte steeds aanspraak kan maken op een decent profit of zelfs een minimal profit. De overwegingen over het niveau van de winst die de verhuurder behaalt, maakten in deze uitspraken van het EHRM immers steeds deel uit van een toetsing op basis van alle omstandigheden van het voorliggende geval. Zo overweegt het EHRM in Statileo/Kroatië (paragraaf 142) weliswaar “[i]n particular, the exercise of State discretion in such situations may not lead to results which are manifestly unreasonable, such as amounts of rent allowing only a minimal profit”, maar uit de verwijzing naar ‘such situations’ volgt reeds dat het EHRM doelt op situaties die vergelijkbaar zijn met het geval dat in die zaak ter beoordeling voorlag. In paragraaf 143 van het arrest volgt – met verwijzing naar eerdere overwegingen – een opsomming van een reeks van omstandigheden die tezamen bepalend waren voor het oordeel dat voor dit geval geen fair balance was getroffen. Daartoe behoort ook de omstandigheid dat de desbetreffende huurovereenkomst van overheidswege aan de verhuurder was opgelegd (paragraaf 124 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in het arrest Rudolfer/Slowakije maken de overwegingen over de hoogte van de huur ten opzichte van de ‘market rental value’ (paragraaf 38 e.v.) deel uit van een beoordeling aan de hand van de omstandigheden van het geval, en dienen die overwegingen vooral als antwoord op het door de Slowaakse overheid gestelde onderscheid met de eerdere zaak Bittó c.s./Slowakije (EHRM 28 januari 2014, nr. 30255/09). In die laatste uitspraak, waarnaar het EHRM verwijst, wordt onder meer betekenis gehecht aan de omstandigheid dat de overheid een huurregime aan een beperkt aantal verhuurders had opgelegd (paragraaf 106 e.v.). Latere arresten van het EHRM over verhuurders in Slowakije (zoals EHRM 27 juni 2017, nrs. 46609/13 en 9892/14 (Bajzík c.s./Slowakije)) bouwen eveneens voort op de overwegingen van het arrest Bittó/Slowakije en daarmee op de omstandigheden die (ook) in die zaak aan de orde waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook uit andere rechtspraak gewezen na het in 3.6.1 vermelde arrest [A] c.s./Nederland blijkt niet dat het EHRM inmiddels de koers volgt – in afwijking van paragraaf 39 van dat arrest – dat art. 1 EP ongeacht de overige omstandigheden van het geval een verhuurder van woonruimte steeds of in beginsel een decent profit of zelfs minimal profit garandeert. De rechtspraak van het EHRM biedt dus geen steun voor de opvatting van het middel dat de Nederlandse wetgever in algemene zin geen fair balance heeft getroffen tussen de door hem nagestreefde doelen en de belangen van particuliere verhuurders.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 De Staatssecretaris wijst verder op uw verwerping van de cassatieberoepen van beide partijen op basis van art. 81(1) Wet RO in een zaak waarin de belanghebbende betoogd had dat de verhuurderheffing 2015 art. 1 Protocol I EVRM zowel op regelniveau als op individueel niveau. Het Hof Den Haag had dat betoog verworpen: “5.6.1. De primaire doelstelling van de verhuurderheffing is het genereren van inkomsten. De wetgever heeft hierbij getracht de uitvoeringskosten en administratieve lasten zo laag mogelijk te houden (Kamerstukken 2012/13, 33 407, nr. 3, p. 2 en 3). Ten aanzien van de effecten van de verhuurderheffing heeft de wetgever het volgende vermeld: [zie 5.5 hierboven] en \"Het CFV geeft wel aan dat de ruimte voor investeringen onder druk komt te staan. Ik constateer echter dat het geraamde eigen vermogen nog voldoende ruimte biedt om het huidige niveau van investeringen de komende jaren voort te zetten. In de periode 2009–2011 is door corporaties jaarlijks € 9 à € 10 miljard aan nieuwe investeringen gepleegd (exclusief circa € 3,5 miljard aan onderhoud). Aangezien de gemiddelde solvabiliteit nog ruim boven het door het CFV vereiste minimale niveau van 15% blijft, kan de sector als geheel een vergelijkbaar niveau aan investeringen tenminste handhaven. Daarnaast merk ik op dat in de doorrekeningen van het CFV nog geen rekening is gehouden met de mogelijkheden die corporaties hebben om het niveau van hun bedrijfslasten te doen dalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook dit kan een significant positief effect hebben op de solvabiliteit (en de kasstromen) van corporaties en daarmee op hun investerings-mogelijkheden. Daarnaast zijn er in het op 13 februari aan uw Kamer voorgelegde pakket aan maatregelen enkele stimulerende maatregelen opgenomen. Woningcorporaties zullen voordeel hebben van het op te richten Energiebesparingsfonds. Er komt een revolverend fonds voor energiebesparing in de gebouwde omgeving van € 150 miljoen, aan te vullen met middelen vanuit de markt, zodat een totale investeringsimpuls van 600 miljoen wordt bereikt. Ongeveer de helft van dit revolverende fonds voor energiebesparing in de gebouwde omgeving komt ten goede aan de verhuurders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de tijdelijke verlaging van de BTW voor verbouwingen en renovatiewerken in de bestaande bouw zal een positief effect op de investeringen hebben.\" (Kamerstukken II 2012/13, 27 926, nr. 193, p. 7).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het voorgaande volgt dat de wetgever rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat de effecten van de verhuurderheffing gemiddeld genomen gecompenseerd kunnen worden door de verruiming van het huurbeleid. Hierbij stond de wetgever voor ogen dat de verhuurderheffing niet noodzakelijk volledig uit huurverhoging zou worden opgebracht; verhuurders hebben ook de mogelijkheid om op andere manieren de heffing in te vullen dan door middel van het maximaliseren van de huuropbrengsten, zoals de verkoop van woningen en efficiencyverbetering (Kamerstukken II 2012/13, 27 926, nr. 193, p. 5-6).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhuurderheffing is verder gebaseerd op de gedachte dat de overheid de markt van gereguleerde woningen met een betaalbare huur heeft gecreëerd en de werking van die markt bevordert. Tegen deze achtergrond heeft de wetgever het redelijk geacht dat de verhuurders die profijt hebben van de aldus bevorderde stabiliteit van de markt en daarmee van gewaarborgde inkomsten, ook op die grond daaraan een financiële bijdrage leveren (Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 3, p. 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit hetgeen hiervoor onder 5.6.1 tot en met 5.6.3 is overwogen, volgt dat de wetgever zich rekenschap heeft gegeven van de mogelijke gevolgen van de verhuurderheffing en de te verwachten effecten voor verhuurders (binnen de corporatiesector). Het Hof is van oordeel dat de wetgever op het niveau van de regelgeving binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge is gebleven bij de beoordeling of sprake is van een redelijke en proportionele verhouding tussen het legitieme doel in het algemeen belang dat met de verhuurderheffing wordt nagestreefd, en de bescherming van individuele rechten van verhuurders (binnen de corporatiesector). Op het niveau van regelgeving is derhalve geen sprake van een schending van artikel 1 EP EVRM.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op individueel niveau had de belanghebbende betoogd dat de verhuurderheffing haar een individuele en buitensporige last had opgelegd doordat zij structureel verlies zou lijden. Het Hof Den Haag achtte haar echter niet geslaagd in het bewijs daarvan: “5.9.1. Belanghebbende heeft gesteld dat zij wordt getroffen door een individuele en buitensporige last omdat de verhuurderheffing voor haar leidt tot een structureel verliesgevende situatie. Zij heeft naar het oordeel van het Hof evenwel niet aannemelijk gemaakt dat dit laatste het geval is. Zo volgt uit het door belanghebbende overgelegde overzicht (…) dat reeds in de jaren 2012, 2013 en 2014 haar resultaat vóór de verhuurderheffing negatief was. Hoewel het positieve resultaat over 2015 teniet wordt gedaan door de verhuurderheffing, volgt uit dit overzicht ook dat sprake is van een stijgende lijn in de door belanghebbende behaalde resultaten. Daarbij komt dat blijkens het genormaliseerde resultatenoverzicht (…) haar operationele kasstroom, na aftrek van de verhuurderheffing, in het onderhavige jaar € 30.641.000 bedraagt en zich in de loop der jaren positief ontwikkeld heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stelling van belanghebbende dat zij de verhuurderheffing eigenlijk alleen kan betalen door meer vreemd vermogen aan te trekken, heeft zij met de door haar overgelegde stukken evenmin aannemelijk gemaakt. Zo volgt uit de overgelegde jaarrekening 2015 (…) dat het bedrag van de langlopende en kortlopende schulden in 2015 lager is dan in 2014. Daarnaast volgt uit het overgelegde resultatenoverzicht dat de rentelasten vanaf 2012 dalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor het overige heeft belanghebbende geen bijzondere, niet voor alle verhuurders geldende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat zij wordt getroffen door een buitensporige last. Uit de door de Inspecteur overgelegde brief van de Autoriteit woningcorporaties, waarbij o.a. het \"omvalrisico\" van belanghebbende is afgezet tegen dat van de corporatiesector als geheel, volgt bovendien dat de Autoriteit woningcorporaties van oordeel is dat de beoordeling van belanghebbende op dit punt geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het Hof van oordeel dat geen sprake van is van een individuele buitensporige last in de zin van artikel 1 EP EVRM.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 Ook in twee andere zaken waarin strijd met het eigendomsrecht als gevolg van een individuele en buitensporige last werd gesteld, heeft u het cassatieberoep ongemotiveerd verworpen. In de ene zaak ging het om een verhuurder van monumentale panden die volgens het Hof Amsterdam de gestelde individuele en buitensporige last niet had bewezen: “4.5.2. Bij de beoordeling van de vraag of zich ten aanzien van belanghebbenden een individuele en buitensporige last voordoet geldt dat een dergelijke situatie zich voordoet indien en voor zover de gestelde last zich ten aanzien van de desbetreffende belanghebbende sterker laat gevoelen dan in het algemeen. Een dergelijke situatie kan zich ten aanzien van die belanghebbende alleen voordoen als bijzondere, niet voor alle verhuurders geldende, feiten en omstandigheden een buitensporige last voor haar teweegbrengen (verg. HR 17 maart 2017, nr. 15/04164, ECLI:NL:HR:2017:442, BNB 2017/115). De bewijslast voor het bestaan van dergelijke feiten en omstandigheden rust op belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband acht het Hof het (mede) van belang dat de wetgever voor ogen heeft gehad dat het bedrijfsresultaat van verhuurders in de gereguleerde huursector niet uitsluitend bestaat uit huurinkomsten, maar ook uit inkomsten uit hoofde van de verkoop van woningen en efficiencyverbetering (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat de stelling van belanghebbende dat zij de verhuurderheffing niet kan opvangen omdat de voor haar realiseerbare huurverhogingen ontoereikend zijn, niet zonder meer steek houdt. Zij zou de verhuurderheffing wellicht gedeeltelijk kunnen opvangen door (in beperkte mate) tot vervreemding van onroerende zaken over te gaan, aan huurders dan wel aan anderen. Het verschil tussen de boekwaarde en de WOZ-waarde van het pandenbezit van belanghebbende laat zien dat in dat bezit vermoedelijk een omvangrijke reserve aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weliswaar heeft belanghebbende ter zitting van het Hof aangevoerd dat voor verkoop splitsing van panden noodzakelijk is en dat die splitsing niet mogelijk is, maar dat heeft het Hof niet ervan overtuigd dat het opvangen van de verhuurderheffing door middel van verkoop van panden in het geheel niet mogelijk zou zijn. Zo is niet duidelijk of dat ook geldt voor de panden van belanghebbende – naar belanghebbende ter zitting heeft verklaard 1/3e van haar vastgoedbezit – die niet zijn verhuurd binnen de gereguleerde huursector. Bovendien acht het Hof aannemelijk dat hierbij de mate van wisseling van huurders per pand een rol speelt. Deze is bij belanghebbende vermoedelijk (veel) lager dan gemiddeld, mede vanwege de – ook voor de gereguleerde huursector – relatief lage huur. (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de gestelde omvang van het negatief bedrijfsresultaat constateert het Hof dat deze in niet geringe mate is beïnvloed door de post afschrijving op onroerende zaken. Zonder te treden in de geoorloofdheid van deze post naar maatstaven van jaarrekeningenrecht of goedkoopmansgebruik (dat is niet in geschil), acht het Hof de verhuurderheffing niet buitensporig in relatie tot het negatief bedrijfsresultaat, nu belanghebbende, gelet op het verschil tussen de boekwaarde en de WOZ-waarde van het bezit aan onroerende zaken zoals dat uit de jaarrekening blijkt, over een omvangrijke stille reserve beschikt en dat resultaat in belangrijke mate is toe te schrijven aan de jaarlijks weerkerende afschrijvingen op de onroerende zaken in combinatie met rechtstreeks ten laste van het resultaat gebrachte kosten van (groot) onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang is voorts dat belanghebbende voor de verhuurderheffing financiering heeft gezocht door verhoging van leningen van de Stichting [b] , in de jaarrekening vermeld als een ‘dochterinstelling’ van belanghebbende, en de Stichting [c] .De lening van de Stichting [b] leidt vermoedelijk slechts voor korte termijn tot een hoger vreemd vermogen, omdat volgens het Jaarverslag 2014 gesproken is over het aangaan van een juridische fusie met die stichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook overigens leidt de verhuurderheffing naar het oordeel van het Hof bij belanghebbende niet tot een individuele en buitensporige last. Zoals ook uit de parlementaire behandeling van de verhuurderheffing is af te leiden, mag van de aan die heffing onderworpen belastingplichtige enig aanpassingsvermogen worden verwacht, teneinde die heffing op te vangen. Het Hof is er niet van overtuigd dat dit aanpassingsvermogen door belanghebbende, in een door de wetgever bedoelde mate, wordt opgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhuurderheffing is, doordat deze is gekoppeld aan de WOZ-waarde, voor belanghebbende relatief hoog. Daar staat tegenover dat – zoals belanghebbende ter zitting is voorgehouden – de huur in relatie tot de WOZ-waarde als erg laag is te kwalificeren. Dat er, zoals belanghebbende heeft betoogd, in het geheel geen mogelijkheden zouden zijn om de verhuurderheffing door middel van huurverhoging op te vangen, acht het Hof niet aannemelijk. De indruk bestaat dat hierbij in enige mate ook een door belanghebbende gemaakte keuze een rol speelt. Het Hof doelt hier op de stelling van belanghebbende dat het verhogen van de huren in strijd kan komen met haar statutaire doelstelling. Voorts –en ook dit aspect ligt meer in de sfeer van de door de wetgever verwachte efficiency- of effectiviteitsverbetering – neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende, naar het Hof begrijpt (…), bij een omvangrijk bestand aan monumentenpanden wel in aanmerking kan komen voor enige vorm van onderhoudssteun, maar dat daarop kennelijk nog geen aanspraak is gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.5.3 tot en met 4.5.7 is overwogen en met inachtneming van de onder 4.5.2 vermelde maatstaf, concludeert het Hof dat de verhuurderheffing in 2014 voor belanghebbende niet leidt tot een individuele en buitensporige last. De verhuurderheffing leidt ten aanzien van belanghebbende derhalve niet tot een schending van artikel 1 EP.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4 De andere zaak betrof de beheersstichting van een hofje. Het Hof Arnhem-Leeuwarden had ook in die zaak een individuele en buitensporige last niet bewezen geacht: “4.2. Het Hof stelt voorop dat van een individuele en buitensporige last alleen sprake kan zijn indien en voor zover de last zich in het geval van de belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen (HR 10 september 2010, nr. 08/04653, ECLI:NL:HR:2010:BK3103 en HR 17 maart 2017, nr. 15/04164, ECLI:NL:HR:2017:442). Of dit laatste zich voordoet, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval (HR 6 april 2018, nr. 17/01852, ECLI:NL:HR:2018:511). Een dergelijke situatie kan zich ten aanzien van die belanghebbende alleen voordoen als bijzondere, niet voor alle verhuurders in het gereguleerde segment geldende, feiten en omstandigheden een buitensporige last voor haar teweegbrengen. De bewijslast voor het bestaan van dergelijke feiten en omstandigheden rust op belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende heeft onder meer betoogd dat de constatering dat sprake is van een individuele en buitensporige last niet kan worden weggenomen door de aanwezigheid van overige activa. De verhuurderheffing moet enkel worden afgezet tegen de door deze heffing getroffen activa, derhalve de woningen, aldus belanghebbende. Bovendien renderen de overige activa amper en houden deze zelfs de inflatie niet bij. Belanghebbende verwijst in dit kader nog naar de uitspraak van het EHRM van 14 mei 2013, nr. 66529/11, N.K.M. tegen Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof is van oordeel dat, nu rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van het geval, in dit geval ook rekening moet worden gehouden met de aanwezige liquide middelen. Zelfs indien de op de balans gepresenteerde voorzieningen voor onderhoud en CV-installaties daarop volledig in mindering worden gebracht, bedragen de resterende liquide middelen voor 2014 (€ 844.745 -/- € 197.708 -/- € 50.523 =) € 596.514 en voor 2015 (€ 874.983 -/- € 202.578 -/- € 49.473 =) € 622.932. Deze (vrij beschikbare) bedragen zijn, afgezet tegen de verschuldigde verhuurheffing van € 8.161 (2014) respectievelijk € 9.258 (2015), dermate hoog dat naar het oordeel van het Hof in dit geval niet kan worden gezegd dat er sprake is van een individuele en buitensporige last. De door belanghebbende genoemde uitspraak van het EHRM van 14 mei 2013 leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat de feiten en omstandigheden in die zaak niet te vergelijken zijn met die in de onderhavige procedure.”</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Het discriminatieverbod 6.5 De Rechtbank Noord-Nederland beoordeelde recent 16 beroepen van verhuurderheffing-plichtigen tegen de verhuurderheffing 2019 t/m 2022. Ook zij stelden dat de verhoging van de vrijstelling per 1 januari 2018 van 10 naar 50 woningen het discriminatieverbod schond omdat dat de totale WOZ-waarde van 50 woningen van één eigenaar (die vrijgesteld is) hoger kan zijn dan de totale WOZ-waarde van 60 woningen van een andere eigenaar (die niet vrijgesteld is). De Rechtbank verwierp dit betoog en achtte de verhoging naar 50 woningen niet evident van redelijke grond ontbloot: “13.3. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de in de Wmw II opgenomen vrijstelling voor verhuurders die niet meer dan 50 huurwoningen in eigendom hebben geen sprake is van een schending van het discriminatieverbod. De rechtbank overweegt daarbij allereerst dat de vrijstelling in feite werkt als een heffingsvrije voet, die voor alle verhuurders geldt. Verder overweegt de rechtbank dat tijdens de parlementaire behandeling van de Wijziging van de Wmw naar aanleiding van de evaluatie van de verhuurderheffing is opgemerkt dat uit het oogpunt van administratieve lasten en uitvoeringskosten de heffingsvrije voet wordt verhoogd. In eerste instantie van 10 naar 25 sociale huurwoningen en later naar 50. De keuze van de wetgever om verhuurders van 50 of minder huurwoningen buiten de verhuurderheffing te laten, is daarmee niet evident van redelijke grond ontbloot. Al bij de invoering van de Wet verhuurderheffing is getracht de uitvoeringskosten van de Belastingdienst en de uitvoeringslasten voor bedrijfsleven en burger zo laag mogelijk te houden. Dat met ingang van 1 januari 2018 wat betreft de hoogte van de voetvrijstelling een andere afweging is gemaakt, brengt ook niet mee dat de wetgever op dat moment buiten zijn ruime beoordelingsvrijheid is getreden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6 U zie voor beschouwingen over de gestelde discriminatie van volle eigenaren ten opzichte van mede-eigenaren in (alleen) het jaar 2019 de conclusie in de bij u aanhangige zaak met nr. 23/03524.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7 In de zaak HR BNB 2013/216 achtte u de met terugwerkende kracht ingevoerde tarief-verlaging in de overdrachtsbelasting voor woningen niet discriminerend jegens degenen die een woning gekocht hadden (vlak) vóór de ingangsdatum van de tariefverlaging: “3.4.1. (…) moet worden vooropgesteld dat wetswijziging naar haar aard meebrengt dat onderscheid wordt gemaakt tussen gevallen die zich hebben voorgedaan vóór dan wel na het tijdstip met ingang waarvan de nieuwe regeling van toepassing is. Een dergelijk onderscheid kan in beginsel niet als discriminatie worden aangemerkt. Anders zou de wetgever de mogelijkheid worden ontnomen om wetten in te voeren of te wijzigen, bijvoorbeeld naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen of gewijzigde beleidsinzichten (vgl. EHRM 8 juli 1986, nr. 9006/80, Lithgow en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, Series A no. 102, punt 187).”</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Het staatssteunverbod 6.8 De zaak Enirisorse voor het Hof van Justitie van de EU (HvJ) betrof een havenbelasting die alle lossende en ladende schepen in de haven van Cagliari moesten betalen en die grotendeels werd doorgegeven aan overheidsondernemingen (Aziende dei mezzi meccanici e dei magazzini) die onder meer het laden en lossen en de opslag in de haven regelden. Enirisorse had in die haven met eigen arbeiders en eigen materieel goederen geladen en gelost, zonder de diensten van de Azienda en was niet van plan de haar opgelegde belasting te betalen. De Corte Suprema di Cassazione stelde het HvJ onder meer de volgende vragen: “3) Kan de toedeling van een aanzienlijk deel van (…) belasting aan (de Azienda) worden aangemerkt als staatssteun (…), en kan zij als zodanig, indien niet bij de Commissie aangemeld of door deze bij beschikking met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar verklaard, (…) rechtvaardigen dat de nationale rechter gebruik maakt van de hem (…) toekomende bevoegdheid om te waarborgen dat een onrechtmatige en/of onverenigbare steunmaatregel geen toepassing vindt?</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4)</span>(…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5)</span>Wanneer de nationale wetgeving in strijd is met het gemeenschapsrecht, tasten de hierboven beschreven gronden voor onrechtmatigheid, afzonderlijk beschouwd, dan de heffing in haar geheel aan of alleen dat deel dat aan de Azienda Mezzi Meccanici wordt toegewezen?”</div>\n<p class=\"lf-p\">Het HvJ antwoordde: “40. (…) wanneer een maatregel waarbij een lidstaat een aanzienlijk deel van een belasting, zoals de litigieuze havenbelasting, toedeelt aan een openbare onderneming, niet is gerelateerd aan een duidelijk omschreven taak van openbare-dienstverlening, en/of de overige voorwaarden ter zake van staatssteun, zoals vermeld in het (…) arrest Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg en in de punten 32 tot en met 35 (…) in herinnering gebracht, niet in acht worden genomen, een dergelijke maatregel als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag moet worden beschouwd, voorzover hij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">41.</span>De verwijzende rechter wenst bovendien te vernemen of in een dergelijk geval enkel de toedeling van een deel van de havenbelasting aan de betrokken onderneming buiten toepassing moet worden gesteld, dan wel het gehele heffingsmechanisme, daaronder begrepen de heffing bij de gebruikers van het deel dat met het op deze wijze toebedeelde bedrag overeenkomt, onverenigbaar met de vereisten van artikel 92 van het Verdrag moet worden verklaard.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">42.</span>Volgens vaste rechtspraak van het Hof vloeit uit de rechtstreekse werking van de laatste volzin van artikel 93, lid 3, van het Verdrag [thans art. 108(3) VwEU; PJW] voort dat de directe toepasbaarheid van het daarin neergelegde verbod tot tenuitvoerlegging zich uitstrekt tot iedere steunmaatregel die zonder kennisgeving tot uitvoering is gebracht (…). Het staat aan de nationale rechterlijke instanties, de rechten van de justitiabelen te beschermen tegenover een eventuele miskenning door de nationale autoriteiten van het verbod op de tenuitvoerlegging van steunmaatregelen, door overeenkomstig hun nationale recht alle consequenties te trekken, zowel wat betreft de geldigheid van de handelingen tot uitvoering van de betrokken steunmaatregelen als wat betreft de terugvordering van de verleende financiële steun (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">43.</span>Het Hof heeft geoordeeld dat het begrip staatssteun zich niet alleen uitstrekt tot bepaalde parafiscale heffingen, naar gelang van het gebruik van de opbrengst van die heffingen (…), maar ook tot de heffing van een bijdrage die een parafiscale heffing vormt (….).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">44.</span>Uit recente rechtspraak van het Hof volgt ook dat, wanneer de wijze waarop de steun wordt gefinancierd, met name door middel van verplichte bijdragen, deel uitmaakt van de steunmaatregel, de Commissie bij het onderzoek van deze maatregel noodzakelijkerwijze met deze wijze van financiering rekening moet houden (zie arrest van 21 oktober 2003, Van Calster e.a., C-261/01 en C-262/01, Jurispr. blz. I-12249, punt 49).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">45.</span>Daaruit volgt dat niet alleen de toekenning van een deel van de havenbelasting aan de betrokken onderneming, maar ook de heffing bij de gebruikers van het deel dat met het aldus toebedeelde bedrag overeenkomt, een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel kan vormen en dat, wanneer deze steun niet is aangemeld, het aan de verwijzende rechter is om overeenkomstig zijn nationale recht alle noodzakelijke maatregelen te nemen teneinde zowel de toedeling van een deel van de belasting aan de begunstigde ondernemingen als de heffing daarvan te voorkomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">46.</span>Daarentegen is de eventuele onrechtmatigheid van de heffing en van de inning en de toedeling van een deel van de belasting, te weten het aan de Azienda betaalde deel, niet van invloed op het aan de schatkist afgedragen overige deel van de belasting.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">47.</span>Op de derde vraag, gelezen in samenhang met de vijfde vraag, dient dus te worden geantwoord dat:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een maatregel waarbij een lidstaat een aanzienlijk deel van een belasting, zoals de litigieuze havenbelasting, toedeelt aan een openbare onderneming, als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag moet worden beschouwd voorzover hij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt, wanneer:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de toedeling van de belasting niet is gerelateerd aan een duidelijk omschreven taak van openbare-dienstverlening, en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de berekening van de compensatie die beweerdelijk noodzakelijk is voor het vervullen van genoemde taak niet is uitgevoerd op basis van vooraf op objectieve en doorzichtige wijze vastgestelde parameters teneinde te vermijden dat deze compensatie een economisch voordeel bevat waardoor de begunstigde onderneming ten opzichte van concurrerende ondernemingen kan worden bevoordeeld;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>niet alleen de toedeling van een deel van de belasting aan de openbare onderneming, maar ook de heffing bij de gebruikers van het deel dat met het aldus toebedeelde bedrag overeenkomt, een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel kan vormen. Wanneer dergelijke steun niet is aangemeld, is het aan de verwijzende rechter is om overeenkomstig zijn nationale recht alle noodzakelijke maatregelen te nemen teneinde zowel de toedeling van een deel van de belasting aan de begunstigde ondernemingen als de heffing daarvan te voorkomen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de eventuele onrechtmatigheid van de heffing en van de toedeling van een deel van de belasting, betreft enkel het deel van de opbrengst van de belasting dat aan de betrokken openbare onderneming wordt betaald en strekt zich niet tot het volle bedrag van deze belasting.”</div>\n<p class=\"lf-p\">6.9 De zaak Streekgewest Westelijk Noord-Brabant betrof een gemeentelijk samenwerkings-lichaam belast met huisvuilophaal, -afvoer en -verwerking. Het bestreed de hem ingevolge art. 18 Wbm opgelegde afvalstoffenbelasting omdat er - voor anderen – een vrijstelling/ teruggaveregeling bestond die gefinancierd werd uit een (kleine) verhoging van het tarief. Deze teruggaafregeling was aangemeld bij de Commissie, maar (nog) niet goedgekeurd als toelaatbare staatssteun, zodat de standstill (implementatieverbod) ex art. (thans) 108(3) VwEU gold en teruggaven dus (nog) niet verleend mochten worden. De vraag was wie zich op het implementatieverbod kon beroepen, maar de prealabele vraag was of de heffing onderdeel uitmaakte van de steunmaatregel en daardoor eveneens getroffen werd door het implementatieverbod. U stelde onder meer de volgende vragen aan het HvJ: ‘1. Kan alleen een beroep worden gedaan op het bepaalde in art. 93 [thans 108; PJW] lid 3 slotzin Verdrag (…) door een justitiabele die als gevolg van een steunmaatregel wordt getroffen door vervalsing van grensoverschrijdende mededinging?</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Moet in een geval waarin een steunmaatregel (…) bestaat in vrijstelling van (…) een belasting waarvan de opbrengst in de algemene middelen vloeit, terwijl daarbij niet is voorzien in een opschorting van de vrijstelling hangende de aanmeldingsprocedure, reeds op grond van de omstandigheid dat de belastingheffing van degenen die geen vrijstelling genieten het middel is waardoor een begunstigend effect wordt bewerkstelligd, die belasting worden aangemerkt als een onderdeel van die steunmaatregel, zodat zolang de uitvoering van die steunmaatregel niet is toegestaan (…), het daarin neergelegde verbod eveneens van toepassing is op (de heffing van) die belasting?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voor het geval de vorige vraag ontkennend beantwoord wordt: Moet in een geval waarin een verband, zoals het feit dat een klein deel van de betrokken belasting (0,70 NLG per ton afvalstoffen) dient ter compensatie van de effecten van de (…) teruggaveregelingen te onderkennen is tussen de verhoging van een bepaalde belasting waarvan de opbrengst in de algemene middelen vloeit, en een voorgenomen steunmaatregel (…), de invoering van die verhoging worden aangemerkt als een (begin van) tot uitvoering brengen (…) van die steunmaatregel? Zo de beantwoording van die vraag afhankelijk is van de intensiteit van dat verband, welke omstandigheden zijn daarbij dan van belang? (…).’ Het HvJ antwoordde: “De eerste vraag 19 Een justitiabele kan er belang bij hebben zich voor de nationale rechter te beroepen op de rechtstreekse werking van het uitvoeringsverbod van art. 93 [thans 108; PJW] lid 3 laatste volzin Verdrag, niet alleen om de negatieve gevolgen ongedaan te laten maken van de door de onrechtmatige steunverlening teweeggebrachte concurrentievervalsing, maar ook om terugbetaling te verkrijgen van een heffing die in strijd met die bepaling was geïnd. In dit laatste geval doet de vraag of de justitiabele wordt geraakt door de concurrentievervalsing die het gevolg is van de steunmaatregel, niet ter zake voor de beoordeling van zijn procesbelang. Er dient enkel rekening te worden gehouden met het feit dat de justitiabele aan een heffing is onderworpen die integrerend deel uitmaakt van een steunmaatregel die in strijd met het in deze bepaling neergelegde verbod tot uitvoering is gebracht.</div>\n<p class=\"lf-p\">De tweede en de derde vraag 22 De tweede en de derde vraag betreffen de omstandigheden waarin er een toereikend verband bestaat tussen een belasting en een steunmaatregel die bestaat in een vrijstelling van die belasting, met het gevolg dat het uitvoeringsverbod van art. 93 [thans 108; PJW] lid 3 laatste volzin EG-Verdrag niet alleen geldt voor de steunmaatregel, maar ook voor de belasting. Deze twee vragen moeten samen worden onderzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">23 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het uitvoerings-verbod (…) geldt voor een belasting wanneer de steunmaatregel in een vrijstelling van deze belasting bestaat. Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen onder welke voorwaarden de [door] belastingverhoging verrichte compensatie van het door de vrijstelling teweeggebrachte verlies in opbrengst een toereikend verband schept tussen de steun en de belasting, zodat het (…) uitvoeringsverbod ook voor de belasting geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">24 (…) het Verdrag voorziet in een precieze afbakening van de stelsels betreffende enerzijds (…) staatssteun, en anderzijds (…) de distorsies die voortvloeien uit dispariteiten tussen wettelijke of bestuursrechtelijke regelingen van de lidstaten, en met name hun belastingmaatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25 Heffingen vallen niet binnen de werkingssfeer van de verdragsbepalingen betreffende staatssteun tenzij zij de wijze van financiering van een steunmaatregel vormen, zodat zij integrerend deel uitmaken van deze maatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">26 Om een heffing of een gedeelte van een heffing als een integrerend onderdeel van een steunmaatregel te kunnen aanmerken, moet er krachtens de relevante nationale regeling noodzakelijkerwijs een dwingend bestemmingsverband bestaan tussen de heffing en de steun, in die zin dat de opbrengst van de heffing noodzakelijkerwijs voor de financiering van de steun wordt bestemd. Indien een dergelijk verband bestaat heeft de opbrengst van de heffing rechtstreekse invloed op de omvang van de steun en bijgevolg op de beoordeling van de verenigbaarheid van deze steun met de gemeenschappelijke markt (zie in die zin arrest van 25 juni 1970, Frankrijk/Commissie, 47/69, Jur. p. 487, punten 17, 20 en 21). Aldus heeft het Hof geoordeeld dat wanneer er een dergelijk verband bestaat tussen de steunmaatregel en de financiering ervan, de (…) aanmelding van de steunmaatregel eveneens de wijze van financiering ervan dient te omvatten, opdat de Commissie haar onderzoek op basis van volledige informatie kan verrichten. Anders kan niet worden uitgesloten dat een steunmaatregel verenigbaar wordt verklaard die, indien de Commissie op de hoogte was geweest van de wijze van financiering ervan, niet verenigbaar had kunnen worden verklaard (arrest Van Calster e.a., reeds aangehaald, punten 49 en 50, en arrest van 15 juli 2004, Pearle e.a., C-345/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 30).</p>\n<p class=\"lf-p\">27 In het hoofdgeding heeft de steun de vorm van een vrijstelling van de afvalstoffenbelasting. Het belastingvoordeel is door de betrokken lidstaat begrotingstechnisch weliswaar gecompenseerd door de verhoging van het tarief van de afvalstoffenbelasting van 28,50 NLG naar 29,20 NLG per 1000 kg afvalstoffen, doch deze omstandigheid is op zich niet toereikend om te bewijzen dat er tussen de heffing en het belastingvoordeel een dwingend verband bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">28 Uit het verwijzingsarrest blijkt immers enerzijds dat de tekst van de Wbm niet aantoont dat er een dwingend bestemmingsverband bestaat tussen de afvalstoffenbelasting en de financiering van de belastingvrijstelling. Anderzijds heeft de opbrengst van deze belasting geen enkele invloed op de hoogte van de steun. De toepassing van de belastingvrijstelling en de omvang ervan zijn namelijk niet afhankelijk van de belastingopbrengst.</p>\n<p class=\"lf-p\">29 Op de tweede en de derde vraag moet dus worden geantwoord dat art. 93 lid 3 laatste volzin Verdrag aldus moet worden uitgelegd dat het daarin neergelegde verbod slechts op een heffing van toepassing is indien er een dwingend bestemmingsverband bestaat tussen de opbrengst van deze heffing en de betrokken steunmaatregel. Dat de steun wordt toegekend in de vorm van een belastingvrijstelling of dat het door deze vrijstelling teweeggebrachte verlies in opbrengst in het kader van de begroting van de betrokken lidstaat wordt gecompenseerd door een belastingverhoging, volstaat op zich niet om een dergelijk verband te doen ontstaan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7Beoordeling A. Discriminatie van volle eigenaren in 2019? - middelen (vii) t/m (ix) 7.1 De middelen (vii) t/m (ix) (discriminatie van volle eigenaren in 2019) lijken mij voldoende behandeld in de conclusie in de bij u aanhangige zaak met nr. 23/03524 en in onderdeel 3.3 hierboven. Ik meen dat zij ongegrond zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Verhoging voetvrijstelling en compenserende tariefverhoging discriminatoir? - middel (x) 7.2 Ik zie niet hoe een (algemene verhoging van een) algemene voetvrijstelling grootverhuurders zou kunnen discrimineren ten opzichte van niet-grootverhuurders. Een box 3-onderworpene die € 4 mio aan box 3-vermogen bezit werd mijns inziens niet gediscrimineerd ten opzichte van een box 3-onderworpene met slechts € 100.000 door de verhoging van het heffingsvrije vermogen van € 30.848 naar € 50.000 in 2021. Evenmin worden grote IB-ondernemers die ruim boven de algemeen geldende ondernemersfaciliteiten uitkomen gediscrimineerd ten opzichte van kleine ondernemers die daar met hun fiscale winst (net) onder blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 Het middel veronachtzaamt dat alle verhuurders, ook (zeer) grote, profiteerden van de hogere voetvrijstelling en dat de compenserende minieme tariefverhoging dat voordeel pas deed omslaan in een klein nadeel bij een zéér omvangrijk woningbezit. Dat volgt alleen al uit het gegeven dat de tariefverhoging tot dekking van de aanvankelijk voorgestelde – veel bescheidener – verhoging naar 25 woningen pas bij een bezit van meer dan 1.000 sociale huurwoningen een (klein) nadelig gevolg had (zie 5.32 hierboven), dus alleen bij zeer grote verhuurders. Dat mensenrechtenverdragen in de weg zouden staan aan een dergelijke minieme Benthamse tariefprogressie naar de waarde van het woningbezit, valt mijns inziens niet in te zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 Dat de medewetgever aanvankelijk met name hofjesstichtingen noemde als te ontziene kleine en ideële verhuurders en dat de Afdeling Wetgevingsadvisering dat niet handig vond, doet daar niets aan af. Ook als hofjesstichtingen wél in de MvT waren blijven staan, zou dat het evident algemene en objectieve karakter van de voetvrijstelling niet wegnemen, evenmin als het gegeven dat de compenserende tariefverhoging pas bij een zeer groot woningbezit nadelig begon te worden. Het zijn bovendien niet alleen of voornamelijk hofjes die geheel onder de voetvrijstelling van 50 woningen blijven, maar ook zeer vele particuliere en andere, al dan niet corporatieve, kleinere verhuurders. Andersom vallen evenmin alle – al dan niet ideële – hofjesverhuurders geheel onder de verhoogde voetvrijstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vermelding van hofjes in de MvT zou evenmin afgedaan hebben aan het evident valide argument van doelmatigheid, kostenbesparing en aanzienlijke verkleining van administratieve lasten. Dat dat argument valide is, blijkt al uit het gegeven dat het tarief met slechts 0,007%-punt extra verhoogd hoefde te worden (naar 0,591% van de WOZ-waarde, i.e. slechts 1,2% hoger dan de eerder voorgestelde verhoging naar 0,584% om verhoging van de vrijstelling naar 25 woningen te financieren) om (i) uiteindelijk maar liefst 70% van de aanvankelijke 3.200 heffingsplichtigen met meer dan 10 woningen geheel uit de heffing- en toezichtinspanning te verwijderen (1.600 + 650 = 2.250; zie 5.32 en 5.34 hierboven) en om (ii) het budgettaire effect van de verhoging van 25 naar 50 van slechts € 23 miljoen op te vangen (op een totaal begrote structurele opbrengst ad € 1,8 à 2 miljard), waarbij bovendien, zoals bleek, alleen zeer grote verhuurders iets meer zouden gaan betalen (zie 5.32 hierboven ter zake van de verhoging van 10 naar 25 woningen); alle andere – de meeste, dus ook grote – verhuurders zouden minder gaan betalen doordat de verhoogde voetvrijstelling voor hen voordeliger was dan de tariefverhoging nadelig was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik herhaal dat niet valt in te zien waarom de allergrootsten niet relatief iets meer zouden mogen betalen. Er lijkt mij niets onrechtmatigs aan een Benthams progressieve vermogensbelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5 Dat deze hoogst doelmatig ogende en zowel macro als individueel tamelijk insignificante ingreep, zoals de belanghebbende stelt, van elke redelijke grond ontbloot zou zijn door discriminatoire, willekeurige en onredelijke aantasting van private eigendom in strijd met mensenrechten, lijkt mij dus geen houdbare stelling. Middel (x) strandt.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Is de verhuurderheffing een discriminatoir willekeurige inkomstenbelasting? - middel (vi) 7.6 Middel (vi) veronderstelt rechtskundig dat de verhuurderheffing ertoe strekt om bepaalde verhuurinkomsten (de IAH) weg te belasten en stelt feitelijk dat dat doel niet bereikt wordt doordat sommige verhuurders veel IAH kunnen genereren en anderen weinig. Net als box 3 faalt de verhuurderheffing in de benadering van de ver van de verhuurderheffingsheffings-grondslag afwijkende feitelijke (IAH-)inkomsten. Dat maakt haar discriminatoir, willekeurig en onredelijk, aldus de belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7 Er kan mijns inziens geen twijfel over bestaan dat de verhuurderheffing geen bepaalde-huurinkomstenbelasting is, maar – ook in concept, vorm en techniek – een WOZ-waardebelasting en daarmee een vermogensbelasting. Voor (al) hun inkomsten – niet alleen hun IAH-inkomsten – zijn de verhuurders daarnaast onderworpen aan de vennootschapsbelasting of de inkomstenbelasting; in die laatste belasting in box 3 als zij niet bedrijfsmatig verhuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8 Anders dan de box 3 heffing, die geacht wordt feitelijke vermogensinkomsten plus ongerealiseerde waardebewegingen te benaderen, is de verhuurderheffing nooit bedoeld of gepresenteerd als – al dan niet forfaitaire – inkomstenbelasting die – ook nog specifieke – nettohuurinkomsten en/of capital gains zou (moeten) benaderen. Integendeel: zoals uit de boven (5.5, 5.29 5.8, 5.12, 5.15, 5.16, 5.20, 5.22, 5.25, 5.28 en 5.29) geciteerde parlementaire behandeling volgt, heeft de wetgever steeds verklaard dat de verhuurderheffing niet gekoppeld is aan bepaalde huurinkomsten van verhuurders, ook niet ‘een-op-een’ aan IAH-inkomsten, laat staan op enig individueel niveau. Hij heeft slechts verklaard dat als de IAH en de verhuurderheffing 2014 e.v. tegelijk zouden worden ingevoerd, wat ook zijn plan al was vóór de motie-Essers, de verhuurderheffing deels of mogelijk zelfs geheel uit die IAH opgebracht zou kunnen worden, alsmede dat als de IAH niet tegelijk ingevoerd zou worden, of weliswaar tegelijk ingevoerd zou worden maar geen of onvoldoende opbrengst zou genereren om de verhuurderheffing (geheel) te dekken, die heffing uit andere middelen opgebracht zou moeten worden, bijvoorbeeld uit vermogenswinsten, kostenverlagingen, aanpassing van het investeringsprogramma en, wat mogelijke inkomsten betreft, ook uit de reguliere (inkomensonafhankelijke) huurverhoging.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.9 Dat wordt niet anders doordat in het wetgevingsproces de term ‘afromen’ van de IAH is gebruikt in verband met de extra inkomsten die verhuurders in de gereguleerde sector zouden kunnen genereren door de deregulering die hen in staat zou stellen huren extra te verhogen. Die term had ook gebruikt kunnen worden in verband met de reguliere huurverhoging van 1,5% boven inflatie en ook in verband met de complete overheids(de)regulering van de sociale huurmarkt. Het was immers volgens de wetgever het complete pakket van overheidsregulering, inclusief huurtoeslag, objectsubsidies, huurbeleidverruimingen en overige maatregelen die de verhuurderheffing rechtvaardigde. De wetgever heeft slechts aangegeven dat er zijns inziens duidelijke rechtvaardigingen en – daarmee overlappend – genoeg financieringsmogelijkheden waren voor de verhuurderheffing, waaronder met name de IAH.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop stuit mijns inziens ook middel (ii) af. Dat wordt niet anders doordat de Eerste Kamer het wenselijk vond dat het samenhangende pakket ook samenhangend en tegelijk zou worden beoordeeld, dus dat alle maatregelen inclusief de IAH tegelijk en in samenhang met de verhuurderheffing 2014 e.v. zouden worden behandeld en ingevoerd. Het lijdt geen twijfel dat er een politiek verband bestaat tussen de verhuurderheffing en de IAH (nl. dat de wetgever het redelijk vond dat windfalls voor verhuurders ten laste van hun huurders als gevolg van overheids-huur(prijs)beleid deels ten goede zou komen aan de gemeenschap die dat beleid heeft bekostigd), maar dat is niet het rechtstreekse ‘bestaansvoorwaardelijke’ financierings-verband dat de belanghebbende stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de regering aangeeft dat een door haar voorgestelde vermogensbelasting mede uit – al dan niet specifiek genoemde – inkomsten of vermogenswinsten als gevolg van ander overheidsbeleid kan worden betaald, ligt het voor de hand dat de andere medewetgever de maatregelen op beide, als samenhangend gepresenteerde, vlakken tegelijk en in samenhang wil kunnen beoordelen; dat leidt mijns inziens geenszins tot de conclusie dat die vermogensbelasting daarmee een belasting op bepaalde inkomsten zou zijn geworden. Een vermogensbelasting moet altijd uit inkomsten en vermogenswinsten betaald worden – of uit het vermogen zelf. Dat dat laatste (aantasting van de vermogens van verhuurders) in casu de bedoeling én het gevolg was, is gesteld noch gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.10 Anders dan de gemachtigde stelt, is de verhuurderheffing dus ook geen ‘gemiddelde’ inkomstenbelasting zoals box 3 dat is. Zij is überhaupt geen inkomstenbelasting, maar een nauwkeurig individueel bepaalde waardebelasting die alleen een – eveneens nauwkeurig individueel bepaald – waardegemiddelde hanteert om de hoogte van de voetvrijstelling van 50 WOZ-waarden per individuele verhuurder te kunnen bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.11 Ik merk ten overvloede op dat als deze stelling rechtskundig al enige deugd zou hebben, de belanghebbende niet haar stelling heeft bewezen dat IAH-inkomsten zeer ongelijk zijn verspreid over (grote) verhuurders met als gevolg structurele over- en onderbelasting. Wie stelt, bewijst. Ook degene die een systemische discriminatie stelt, zal die stelling feitelijk op systeemniveau moeten onderbouwen. Een partij kan haar bewijslast niet ontlopen door te stellen dat zij het alleen over de regel wil hebben op basis van haar (veronder)stellingen. Uw box 3 rechtspraak is dan ook gebaseerd op statistisch en daarmee systemisch bewijs van een ontoelaatbaar grote standaarddeviatie rond het wettelijk veronderstelde gemiddelde, van structureel onderrendement op niet-riskante beleggingen en van een casinokarakter bij riskante beleggingen. Anders dan de belanghebbende suggereert, heeft u box 3 ook niet onverbindend verklaard. Hoe betreurenswaardig ook, box 3 leeft voort; hij blijft slechts buiten toepassing voor zover hij individueel een hogere heffingsgrondslag opeist dan het werkelijke individuele rendement. De belanghebbende heeft geen enkel inzicht gegeven in de beweerdelijke structurele mate waarin op individueel niveau sprake zou zijn van onmogelijkheid om de verhuurderheffing op te brengen uit de combinatie van alle financieringsmogelijkheden die de wetgever genoemd heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.12 Mijns inziens strandt ook middel (vi).</p>\n<p class=\"lf-p\">D. Is de IAH een financiële en rechtskundige bestaansvoorwaarde voor de verhuurder-heffing? – middelen (i) t/m (v) 7.13 Alle resterende middelen (i) t/m (v) zijn in de kern op hetzelfde idee gebaseerd als middel (vi), nl. dat de wetgever, gegeven met name de motie-Essers (zie 5.13 hierboven), het doel van de verhuurderheffing zag in het wegbelasten van de IAH of, andersom, de IAH bedoelde om de verhuurderheffing te financieren, zodat de IAH een financiële ‘bestaansvoorwaarde’ was voor de verhuurderheffing in die zin dat de wetgever geacht moet worden de verhuurderheffing disproportioneel en daarom onbestaanbaar te hebben geacht zonder simultane IAH.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.14 Ik merk op dat als dat al zo zou zijn, dat nog niets zegt over (a) de vraag of de combinatie van de IAH en de verhuurderheffing verboden staatssteun inhoudt, noch over (b) de volkenrechtelijke houdbaarheid van de verhuurderheffing. Dat een nationale wetgever mogelijk een opvatting over een hypothetisch geval zou hebben gehad, wil niet zeggen dat de nationale of de Europese rechter die opvatting zou delen in het niet-hypothetische geval. Dat de wetgever, zoals de belanghebbende stelt, een discriminerende huurverhoging wilde invoeren om daarmee onrechtmatig IAH-gesteunde c.q. gediscrimineerde verhuurders in staat te stellen een volgens diezelfde wetgever – zonder die steun – onrechtmatig confiscatoire c.q. discriminatoire heffing te betalen, klinkt hoe dan ook nogal ver gezocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.15 De middelen (i) t/m (v) zien alle op belanghebbendes ‘gronden’ (i)(a) en (i)(b), die inhouden (zie 2.6 hierboven) dat de verhuurderheffing het eigendomsgrondrecht schendt omdat de IAH die volgens de belanghebbende die heffing financiert: (a) verboden staatssteun is en (b) het discriminatieverbod schendt. De IAH moet volgens haar om beide redenen buiten toepassing blijven, waardoor de alsdan volgens haar ongefinancierde verhuurderheffing volgens haar niet meer aan de eis van een fair balance tussen algemeen en individueel belang voldoet. De vijf middelen/twee gronden pogen daartoe in een ingewikkeld en wijdlopig betoog (a) de IAH als financiële ‘bestaansvoorwaarde’ rechtstreeks aan de verhuurder-heffing te koppelen en vervolgens (b) de IAH als onrechtmatig weg te redeneren om daarmee ook de – daaraan immers financieel rechtstreeks gekoppelde – verhuurderheffing als even onrechtmatig aan te kunnen merken. Zij heeft daar 62 bladzijden voor nodig, maar mijns inziens volgt alleen al uit het boven (6.9) geciteerde arrest Streekgewest Westelijk Noord-Brabant dat deze ingewikkeldheden tot niets kunnen leiden. Ik ga er niettemin op in.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.16 Ter zake van de – in belanghebbendes betoog cruciale – ‘grond’ (1)(a) (de IAH is verboden staatssteun) valt op dat het 130 bladzijden tellende cassatieberoepschrift geen arrest van het Gerecht of het HvJ EU, Commissiebeschikking of literatuur noemt die dat ondersteunt. Het verwijst in een voetnoot naar het beroepschrift in eerste aanleg. Daarin wordt één, voor belanghebbendes geval niet relevante, passage geciteerd uit een HvJ-arrest over een volstrekt ander geval dan dat van de belanghebbende. Het cruciale, in 6.9 hierboven geciteerde arrest Streekgewest van het HvJ wordt nergens geciteerd of zelfs maar genoemd. Of de IAH al dan niet verboden staatssteun is, doet overigens in deze procedure niet ter zake als de IAH niet in rechtstreeks financieringsverband met de verhuurderheffing staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.17 Middel (i) (onderdelen 23 t/m 25 cassatieberoepschrift) is moeilijk te volgen. Het onderscheidt een eerste en een tweede ‘trap’ naast een eerste en tweede ‘grond’ en naast een verschil in ‘niveau’ tussen die twee ‘gronden’ (‘macro’ of ‘individueel’). Ik vermoed dat de belanghebbende het Hof verwijt dat hij volstaan heeft met onderzoek of de IAH en de verhuurderheffing, zoals de belanghebbende stelt, onlosmakelijk (‘bestaansvoorwaardelijk’) financieel verbonden waren, op macro of individueel niveau, terwijl hij volgens de belanghebbende eerst - of ook - iets anders had moeten onderzoeken. Wat dat andere is, is mij niet duidelijk, nu belanghebbendes ‘gronden’ (1)(a) en (i)(b) beide berusten op haar stelling dat de IAH en de verhuurderheffing onlosmakelijk samenhangen, aldus dat de één financieel niet kan bestaan zonder de ander omdat de eerste de laatste financierde of, andersom, de laatste diende om de eerste weg te belasten (‘af te romen’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens beide ‘gronden’ is de IAH onverbindend wegens verboden staatssteun of discriminatie en moet zij daarom weggedacht worden, waardoor de alsdan ongefinancierde verhuurderheffing haar financiële ‘bestaansvoorwaarde’ kwijt is en buiten de marges van de vereiste fair balance tussen algemeen en individueel belang terecht komt. Dat is althans de opvatting die de belanghebbende de wetgever toedicht. Gezien deze strekking van haar ‘gronden’ (i)(a) en (i)(b), heeft het Hof dan juist terecht geconcludeerd dat als dat gestelde verband tussen IAH en verhuurderheffing niet bestaat, beide ‘gronden’ (i)(a) en (i)(b), geen grond hebben. Is de IAH geen financiële bestaansvoorwaarde voor de verhuurderheffing, dan kan eventuele onrechtmatigheid van de IAH de verhuurderheffing niet meeslepen in een eventueel uit die onrechtmatigheid voortvloeiende onverbindendheid van de IAH – nog daargelaten de vraag of de gestelde onrechtmatigheid van de IAH zou leiden tot (complete) onverbindendheid ervan of slechts tot buitentoepassinglating in individuele gevallen voor zover bepaalde verhuurders disproportioneel meer zouden profiteren dan anderen of, andersom, juist zou leiden tot toekenning van méér IAH-fondsen aan de beweerdelijk disproportioneel benadeelde verhuurders.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.18 Aangenomen dat dit de strekking van het middel is, is het onbegrijpelijk in het licht van belanghebbendes bevestiging tijdens de Hofzitting (zie r.o. 3.6 Hofuitspraak en p. 8 zittings-p.-v. Hof van 7 februari 2024) dat als het door haar gestelde onlosmakelijke financiële verband tussen de IAH en de verhuurderheffing niet bestaat, beide door haar aangevoerde ‘gronden’ falen. Het Hof zou dus ontoelaatbaar buiten het geschil zijn gegaan of zinloos werk hebben verricht als hij niet volstaan zou hebben met onderzoek van de stelling dat de wetgever de verhuurderheffing bedoelde om de IAH weg te belasten of, andersom, de IAH bedoelde om de verhuurderheffing te financieren. Bestaat dat verband niet, dan is het rechtskundige lot van de IAH immers ook in belanghebbendes eigen opvatting irrelevant voor de EU- en volkenrechtelijke houdbaarheid van de verhuurderheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.19 Het Hof heeft een dergelijk rechtstreeks en onlosmakelijk financieel verband niet aanwezig geacht, noch in de bedoeling van de wetgever, noch in feite, noch op individueel niveau, noch ‘macro.’ Zoals boven (7.8 en 7.9) al bleek, lijkt dat oordeel mij correct. Ik wijs daartoe met name op de parlementaire geschiedenis geciteerd in 5.5, 5.8, 5.9, 5.11, 5.12, 5.16, 5.19 en 5.20 hierboven voor zover het om de Wvh 2013 gaat en op de citaten in 5,21, 5.22, 5.25, 5.28 en 5.29 voor zover het om de Wmw I en II 2014 e.v. gaat. Met name de citaten in 5.8, 5.12, 5.16, 5.22, 5.25, 5.28 en 5.29 lijken mij onverenigbaar met belanghebbendes stellingen. Dat de twee maatregelen politiek gekoppeld waren – samen met nog diverse andere maatregelen in een volgens de wetgever evenwichtig totaal-woningmarktpakket – in de zin dat de wetgever vond dat al die maatregelen tegelijk en in samenhang moesten worden beoordeeld en ingevoerd, impliceert geenszins dat de verhuurderheffing alleen maar een IAH-wegbelasting was of, andersom, de IAH slechts diende om de verhuurderheffing te financieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Juist omdat het om een evenwichtig totaalpakket ging, kan zelfs politiek niet selectief één huurbeleidverruimingsmaatregel als enige en alleen financieel tegenover de verhuurderheffing gezet worden. Zo’n eng verband is er zelfs politiek niet. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de verhuurderheffing politiek evenzeer gekoppeld is aan de gestegen uitgaven voor huurtoeslag, aan huurwoningmarkt-objectsubsidies, aan de reguliere huurverhogingen boven inflatie, aan een heffingsvermindering voor krimpgebieden en voor woningverhuurders die investeren in bouw of grootschalige verbouw, aan stimulering van efficiencyverbeteringen, aan realisering van grote stille reserves door woningverkoop en aan (overige) overheidsregulering van de huurwoningmarkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.20 Dat de belanghebbende iets anders in de parlementaire geschiedenis wil lezen dan het Hof er in leest, betekent niet dat het Hof er naast zit en te minder dat hij zijn uitspraak gebrekkig gemotiveerd zou hebben, nu de belanghebbende naar eigen zeggen geen feitelijke, maar alleen rechtskundige stellingen aanvoert, zodat zich geen motiveringsgebrek kan voordoen. Rechtsoordelen hoeven niet gemotiveerd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.21 Ook correct lijkt mij ’s Hofs kennelijk door de belanghebbende bestreden observatie dat “de vraag of de verhuurderheffing kan worden opgebracht uit verhoging van huren (verruiming huurbeleid) (…) door de wetgever ook meer (is) bezien op macroniveau dan op het niveau van individuele verhuurders”. Anders dan de belanghebbende suggereert, impliceert deze observatie niet dat het Hof op macro-niveau wél een financieel ‘bestaansvoorwaardelijk’ verband zou hebben geconstateerd tussen de IAH en de verhuurderheffing, maar slechts dat hij constateerde dat de wetgever in het algemeen financieringsmogelijkheden voor gereguleerde verhuurders aangaf, nog daargelaten dat het Hof bij deze observatie niet naar de IAH verwees, maar algemeen naar ‘verhoging van huren (verruiming huurbeleid)’, waaronder in elk geval ook vallen de reguliere inkomensonafhankelijke huurverhogingen van 1,5% boven inflatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.22 Op het bovenstaande stuiten mijns inziens de middelen (ii) t/m (v) af.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.23 Ad middel (iii) merk ik nog op dat de belanghebbende haar stelling dat de parlementaire geschiedenis van de wetsvoorstellen 33 407 (Wvh) en 33 515 (novelle Wvh) niet relevant zou zijn voor de verhuurderheffing 2014 en voor de verhouding IAH/verhuurderheffing achterhaald zou zijn door de parlementaire geschiedenis van de wetsvoorstellen 33 756 (Wmw I) en 33 819 (Wmw II) niet heeft onderbouwd en niet heeft aangewezen welke concrete latere parlementaire uitlatingen welke eerdere uitlatingen in welk opzicht zouden hebben ontkracht. Mijns inziens zegt de MvT bij de Wmw I en Wmw II eerder het tegengestelde, namelijk dat het voorstel voor de Wmw I 2014 ‘voortbouwt’ op de de Wvh 2013 en de novelle Wvh en dat een groot aantal Whv-bepalingen is overgenomen in de Wmw I (zie 5.22 hierboven).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat ligt ook voor de hand, gegeven dat de knip tussen 2013 en 2014 naar aanleiding van de motie-Essers slechts is aangebracht – volgens de regering en kennelijk ook de Tweede Kamer onnodig – omdat de Eerste Kamer de in de Wvh-toelichting aangekondigde huurbeleidsverruimingen in samenhang met de precieze voorstellen voor 2014 e.v. wilde kunnen beoordelen. De Wvh gold als gevolg van die door de Eerste Kamer gewenste novelle/knip formeel alleen voor 2013, maar materieel leefde hij voort, zij het met een hoger tarief en dus een hogere opbrengst, zulks “in relatie tot de mogelijkheden vanuit de vormgeving van het huurbeleid, alsmede door de tijdelijke mogelijkheid voor heffingsvermindering ten behoeve van investeringen” (zie 5.22 hierboven).</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op de Wmw I zegt (zie 5.22 hierboven) dat de verhuurderheffing 2014 e.v. zowel wat betreft vormgeving, als wat betreft achtergrond, als wat betreft reikwijdte, en als wat betreft grondslag ‘voortbouwt’ op de Wvh 2013 en dat een groot aantal bepalingen uit de Wvh 2013 in de Wmw I is overgenomen. In 7.20 hierboven wees ik al op de parlementaire geschiedenis geciteerd in 5.22, 5.25, 5.28 en 5.29 hierboven van ná de motie-Essers, die op de Wmw I en Wmw II 2014 e.v. ziet en die mijns inziens even duidelijk als de parlementaire geschiedenis van vóór die motie (geciteerd in 5.5, 5.8, 5.9, 5.11, 5.12, 5.16, 5.19 en 5.20 hierboven) aangeeft dat het door de belanghebbende gestelde financiële ‘bestaansvoorwaardelijke’ verband tussen de verhuurderheffing en de IAH niet bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verloop van het totale wetgevingsproces wijst er mijns inziens juist op dat voor zover de tekst of de parlementaire geschiedenis van de Wmw I en II niet duidelijk afwijkt van die van de Wvh, de parlementaire geschiedenis van de Wvh ook die van de Wmw I en II is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.24 Het Hof heeft mijns inziens dus terecht ook de parlementaire geschiedenis van de wetsvoorstellen 33 407 en 33 515 van belang geacht, mede gezien de vele verwijzingen ernaar en herhalingen ervan in de parlementaire geschiedenis van de Wmw I en II.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.25 Ad middel (ii) (over ‘afromen’) verwijs ik nog naar het in 7.9 hierboven al opgemerkte.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.26 Ik meen daarom dat ook de middelen (i) t/m (v) stranden, zodat het cassatieberoep ongegrond is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.27 Als het gestelde rechtstreekse financiële ‘bestaansvoorwaardelijke’ verband tussen de verhuurderheffing en de IAH wél zou bestaan, én dat verband bovendien zou meebrengen, zoals de belanghebbende stelt, dat de verhuurderheffing het eventuele EU-rechtelijke of EVRM-rechtelijke lot van de IAH zou moeten delen (dat laatste lijkt mij, zoals boven bleek, bepaald geen gegeven), zou de vraag rijzen waartoe EU-rechtelijke of EVRM-rechtelijke beoordeling van de IAH dan leidt. Ik ga ten overvloede in op belanghebbendes stellingen dat de IAH verboden staatsteun c.q. verboden discriminatie zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. IAH staatssteun?</p>\n<p class=\"lf-p\">7.28 Zoals in 7.16 opgemerkt: het cassatieberoepschrift noemt geen arrest van het Gerecht of het HvJ EU, Commissiebeschikking of literatuur die belanghebbendes opvatting steunt dat een sociale-woningmarktmaatregel zoals de IAH, al dan niet in combinatie met de verhuurderheffing, verboden staatssteun zou zijn. Het cassatieberoepschrift gaat niet in op de staatssteuncriteria. Voetnoot 6 verwijst naar de onderdelen 166 e.v. ‘van het beroep’, waarmee kennelijk het (aanvullende) beroepschrift voor de Rechtbank is bedoeld, dat 194 bladzijden telt. De onderdelen 166 t/m 213 daarvan (40 bladzijden) gaan echter niet in op de vraag of de IAH of de verhuurderheffing of hun combinatie staatssteun is, maar geven een algemene tweedejaarsuiteenzetting over staatssteun – zonder nochtans het cruciale HvJ-arrest Streekgewest (zie 6.9 hierboven) te noemen - en betogen wijdlopig, met veel citaten uit van alles en nog wat, dat scheefhuurders ongelijk verdeeld zijn over het land en dat de verhuurderheffing ineffectief en onjuist overheidsbeleid is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pas vanaf onderdeel 214 worden de criteria van art. 107 VwEU in verband gebracht met de IAH en de verhuurderheffing. Het betoog komt er op neer dat scheefhuurders scheef verdeeld zijn over heffingsplichtige verhuurders en dat daardoor sommige verhuurders meer van de IAH profiteerden dan andere, niet alleen doordat zij de huren meer konden verhogen, maar ook doordat zij daardoor hun huurwoningen eerder geliberaliseerd zagen en daardoor minder verhuurderheffing gingen betalen, nu alleen geheven werd over de WOZ-waarde van niet-geliberaliseerde huurwoningen. In dat beweerdelijke effect (meer of eerdere liberalisering en daardoor minder verhuurderheffing) ziet de belanghebbende een afzien, door de Staat, van belastingmiddelen die anders (zonder de IAH) wél geheven zou zijn, zulks ten gunste van de verhuurders bij wie dat liberaliseringseffect optrad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die verhuurders werden aldus selectief begunstigd uit staatsmiddelen, aldus de belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.29 Se non é vero, é ben trovato. De IAH wordt niet uit staatsmiddelen bekostigd, maar volledig betaald door scheefhuurders. Huurtoeslag wordt wél uit staatsmiddelen bekostigd en zou dus volgens belanghebbendes redenering verboden steun zijn aan corporaties met onevenredig veel laag-inkomenhuurders, die tot tien jaar terug teruggevorderd moet worden. Zelfs als men meegaat in de stelling dat een afzien van belastingopbrengst besloten zou liggen in een heffingsgrondslagversmalling als gevolg van een ongelijk verdeeld liberaliseringseffect van de IAH, dan nog zou alleen staatssteun kunnen bestaan in dat hypothetische niet-geheven bedrag dat zonder liberaliseringseffect beweerdelijk méér geheven zou zijn. Er zou niets veranderen aan het niet-staatssteunkarakter van het wel geheven bedrag aan verhuurderheffing en het zou de belanghebbende dus geen steek verder brengen. Maar het lijkt mij hoe dan ook onzin om te stellen dat als de overheid succesvol antirookbeleid voert door een hoge(re) tabaksaccijns, waardoor meer rokers stoppen of minderen en de accijnsopbrengst daalt (althans niet stijgt), daardoor overheidsgeld naar de tabaksindustrie zou gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.30 Ten overvloede: uit het HvJ-arrest Streekgewest (zie 6.9 hierboven) blijkt dat een belasting alleen dan (onderdeel van) verboden staatsteun kan zijn als “noodzakelijkerwijs een dwingend bestemmingsverband bestaat tussen de heffing en de steun, in die zin dat de opbrengst van de heffing noodzakelijkerwijs voor de financiering van de steun wordt bestemd” waardoor “de heffing rechtstreekse invloed (heeft) op de omvang van de steun”. Daarvan is in belanghebbendes geval geen sprake. Het feit dat Nederland de scheve verdeling (de selectieve teruggaaf) van de afvalstoffenbelasting financierde uit een tariefverhoging van 28,50 naar 29,20 NLG per 1000 kg afval, leverde geen dwingend bestemmingsverband op, nu de wettekst geen verband legde en de toepassing en omvang van de vrijstelling/teruggaaf ook overigens niet afhankelijk waren gemaakt van de opbrengst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de vrijstelling er uiteraard niet geweest zou zijn als de heffing er niet was geweest, was dus geen grond om een dwingend bestemmingsverband aan te nemen. De opbrengst van de afvalstoffenbelasting ging de algemene middelen in en uit die algemene middelen werd de steun gefinancierd. Die route door de algemene middelen heen stond in de weg aan het aannemen van het vereiste rechtstreekse bestemmingsverband tussen de belasting en de steun. In belanghebbendes geval bestaat überhaupt geen financieringsverband: de opbrengst van de verhuurderheffing gaat onmiskenbaar volledig naar de algemene middelen en de IAH wordt onmiskenbaar volledig betaald door de scheefhuurders.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.31 Ook uit de in 6.5 geciteerde zaak Enirisorse volgt dat een overheidsheffing alleen onrechtmatige staatsteun kan zijn indien en voor zover de opbrengst ervan rechtstreeks besteed wordt aan onrechtmatige staatssteun. De opbrengst van de verhuurderheffing wordt direct noch indirect, ook niet deels, aan enige specifieke begunstigde, laat staan enige specifieke verhuurder uitgekeerd. Het primaire doel én effect van de verhuurderheffing was genereren van algemene middelen voor het Rijk, en de IAH is geen bestemming van welke belastingopbrengst dan ook, maar wordt volledig opgebracht door scheefhuurders. De verhuurders hebben de IAH bovendien zelf in de hand: zij zijn niet verplicht om de huren van scheefhuurders te verhogen, maar kunnen een eigen beleid voeren, wat in elk geval sommige ideële (Hofjes)stichtingen kennelijk ook doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.32 Als aan één van de voorwaarde voor staatssteun niet is voldaan, hoeven wij niet verder na te denken, maar ook de vereiste selectiviteit ontbreekt mijns inziens bij de IAH. Als een corporatie veel scheefwoners heeft en daarom de huur verder kan verhogen en eerder kan liberaliseren, dan heeft zij kennelijk een ander woning- of huurderbestand dan corporaties met weinig scheefhuurders. De IAH is algemeen en objectief gericht tegen scheefhuren en past algemeen en objectief de maximaal redelijke huur aan (tot aan de puntengrens) aan het inkomen van de huurder. Een corporatie met veel scheefhuurders is, bezien vanuit doel en strekking van de IAH (tegengaan van scheefhuren), feitelijk noch rechtens in dezelfde positie als een corporatie met geen of weinig scheefwoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontgaat mij hoe een marktpartij die wél aan objectieve en algemene criteria voor liberalisering van prijsbeheersing voldoet begunstigd zou worden ten opzichte van een marktpartij die niet aan diezelfde algemene en objectieve criteria voldoet. Het criterium (de hoogte van het inkomen van de huurder in verhouding tot de maximaal redelijke huurprijs van het gehuurde) is een horizontaal en objectief criterium dat mijns inziens noch direct noch indirect noch materieel selectief is. Dat corporaties met veel scheefwoners meer huurverhogingen kunnen doorvoeren dan corporaties met weinig scheefhuurders, vloeit rechtstreeks voort uit de – gerechtvaardigde – logica van de IAH, die objectief, algemeen en kennelijk effectief een dringend maatschappelijk probleem (scheefhuren) bestrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.33 Ik merk eveneens ten overvloede ook hier op dat de gemachtigde niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zulke grote verschillen in scheefwonertal zijn tussen de belanghebbenden die zij vertegenwoordigt en andere, gunstiger behandelde heffingsplichtigen. Ik herhaal (zie 7.11 hierboven) dat als haar stelling rechtskundig al deugd zou bezitten, zij haar feitelijke stelling niet heeft bewezen dat IAH-inkomsten zeer ongelijk verdeeld zijn én – cruciaal in haar betoog – dat de liberaliseringsmogelijkheden en -effecten zeer ongelijk verdeeld zijn over (grote) verhuurders. Uit haar bepaald uitputtende aanvullende beroepschrift in eerste aanleg kan ik slechts opmaken dat scheefhuur niet gelijk verdeeld is over gemeenten, maar niet hoe de scheefhuur verdeeld is over individuele verhuurders en te minder in welke mate het door de belanghebbende gestelde liberaliseringseffect van de IAH ongelijk verdeeld is over verhuurders. Wie stelt, bewijst. Ook degene die een systemische selectieve begunstiging stelt, zal die selectiviteit feitelijk op systeemniveau moeten bewijzen. Een partij kan haar bewijslast niet ontlopen door te stellen dat zij het alleen over de regel wil hebben op basis van haar (veronder)stellingen. Ik wijs er op dat de bewijslast dat sprake is van verboden staatssteun een zware en een zeer feitelijke is, zoals de Commissie met regelmaat bij het Gerecht en het HvJ ondervindt, met name in belastingzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.34 Ik zie overigens belanghebbendes belang niet bij de stelling dat de IAH verboden staatssteun is, nu de juistheid van die stelling zou meebrengen dat de IAH tot tien jaar terug van haar moet worden teruggevorderd. Ik merk verder op dat niets de belanghebbende belette om bij de Commissie een klacht in te dienen over het beweerdelijke staatssteunkarakter van de IAH of de verhuurderheffing of enige combinatie ervan, noch om de Rechtbank of het Hof te verzoeken om op basis van art. 29(1) Vo. 2015/1589 advies van de Commissie te vragen over de verenigbaarheid van de IAH/de verhuurderheffing met het staatssteunverbod of om de Rechtbank of het Hof te verzoeken daaromtrent prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU te stellen. Uit het procesdossier volgt dat de belanghebbende op die vlakken geen initiatieven heeft ondernomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">F. IAH discriminatie?</p>\n<p class=\"lf-p\">7.35 Als zich geen ongerechtvaardigde bevoordeling voordoet, doet zich, omgekeerd, in beginsel evenmin een ongerechtvaardigde benadeling (discriminatie) voor. Het HvJ ziet verboden staatssteun immers als verboden discriminatie van de niet-begunstigden. Overigens volgt ook uit zelfstandige beoordeling dat de IAH op basis van de rechtspraak van het EHRM op basis van haar evident legitimate doel van bestrijding van maatschappelijk schadelijk scheefhuren, dat ongelijke gevallen (weinig scheefhuurders) naar de mate van die feitelijke ongelijkheid ongelijk worden behandeld. Voor zover verhuurders met veel resp. weinig scheefhuurders vanuit dat legitimate aim van de – evident ook lawful – IAH desondanks als rechtens en feitelijk gelijke gevallen beschouwd zouden moeten worden, bestaat voor de ongelijke behandeling mijns inziens een proportionele rechtvaardiging in het algemeen belang, nl. de maatschappelijk noodzakelijke gezondmaking van de Nederlandse huurwoningmarkt. Het lijkt mij uitgesloten dat het EHRM, gegeven de toestand van de Nederlandse huurwoningmarkt, de IAH zou aanmerken als devoid of any reasonable foundation.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.36 Het is denkbaar dat, zoals de belanghebbende met name in eerste aanleg omstandig heeft betoogd, de in 2023 afgeschafte verhuurderheffing ook in combinatie met de IAH en andere maatregelen geen goed idee was en niet heeft bijgedragen aan de oplossing van de (huur)woningmarktproblemen waar Nederland mee zit. Maar ook als die heffing de (ver)bouw- of verduurzamingsprojecten van woningcorporaties en andere verhuurders bemoeilijkte - ondanks de IAH, de reguliere huurverhogingen, de aftopping van de WOZ-waarde, efficiencyverbetering en heffingsverminderingen voor krimpgebieden en voor investeringen - zegt dat op zichzelf niets over haar (on)rechtmatigheid, met name niet over haar verenigbaarheid met mensenrechten. Dat bepaald overheidsbeleid ineffectief, contraproductief of anderszins betreurenswaardig is, impliceert niet dat het daarmee ook onrechtmatig is. Het is niet in strijd met het eigendomsgrondrecht, het discriminatieverbod of het staatssteunverbod om slecht wet te geven, en de derde staatsmacht heeft de taak noch de bevoegdheid om het beleid van de eerste te verbeteren, maar alleen om eventuele strijd met (rechtstreeks werkend internationaal) recht weg te nemen. Die strijd doet zich niet voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Conclusie Ik geef u in overweging belanghebbendes cassatieberoep ongegrond te verklaren. Mijns inziens kan dat na het bovenstaande met verwijzing naar art. 81 Wet RO, nu het recht niet wordt ontwikkeld, er geen rechtseenheidsprobleem is en de belanghebbende in geen instantie heeft verzocht om haar stelling dat de IAH staatssteun zou zijn voor te leggen aan het HvJ EU.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Het Hof (zie p-v, p. 3) en het cassatieberoepschrift spreken over 57 belanghebbenden. Die ‘extra’ blh. is [A] B.V., een vennootschap wier naam per 4 mei 2021 is gewijzigd in [B] B.V. In cassatie is alleen die laatste vennootschap als belanghebbende geregistreerd (nr. 24/02669). Daarom zijn er bij de Hoge Raad 56 belanghebbenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie https://classactionverhuurderheffing.nl/jeremia en https://classactionverhuurderheffing.nl/about.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467, NLF 2024/1192 met noot De Ruiter; NTFR 2024/914 met noot Van Arnhem; V-N 2024/28.19 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie cassatieberoepschrift, randnr. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 1 van het pro forma beroepschrift in eerste aanleg van J.A.L. Seip, in cassatie nr. 24/02646. Dat noemt 55 verhuurders, dus er is kennelijk daarna nog één bijgekomen, waardoor ook het totale bedrag hoger ligt. De motivering van het hogere beroep (p. 4) noemt een bedrag van € 155.639.007, maar dat is inclusief 2022; dat jaar is niet betrokken in deze procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende wijst op de conclusie van 1 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:655, voor HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705, BNB 2024/85 met noot Heithuis; FED 2024/83 met noot Arts; NLF 2024/1408 met noot Van den Berg; NTFR 2024/1001 met noot Alink; V-N 2024/28.4 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit standpunt is pas ter zitting van het Hof ingenomen (zie r.o. 3.14 van de bestreden uitspraak). Waarschijnlijk heeft het Hof daarom deze grond niet genummerd (zie r.o. 2.2 en 3.14).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 juni 2018, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2018:846, Belastingblad 2018/338 met noot Postema-Van der Koogh; BNB 2018/144 met noot Boer; FED 2019/55 met noot Cornelisse; FutD 2018-1536 met noot Fiscaal up to Date; NLF 2018/1328 met noot De Ruiter; NTFR 2018/1349 met noot Van Haperen; V-N 2018/31.21 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467, NLF 2024/1192 met noot De Ruiter; NTFR 2024/914 met noot Van Arnhem; V-N 2024/28.19 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Gelderland 27 juli 2022, nrs. AWB 21/1288, 21/1289 en 22/604. Zie ook de identieke uitspraak Rechtbank Gelderland 27 juli 2022, nrs. AWB 21/655, 21/679 en 22/615, ECLI:NL:RBGEL:2022:3942, V-N 2022/42.16 met noot Redactie, ter zake van een andere belanghebbende uit dit cluster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: ECLI:NL:GHDHA:2015:404.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 mei 2024, nrs. BK-ARN 22/2044 tot en met 22/2046. Zie ook het identieke arrest Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 mei 2024, nrs. BK-ARN 22/2124 tot en met 22/2126, ECLI:NL:GHARL:2024:3661, ter zake van een andere belanghebbende uit dit cluster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2012/13, 33 407, nr. F; zie 5.13 hieronder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof verwijst naar de conclusie van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467, NLF 2024/1192 met noot De Ruiter; NTFR 2024/914 met noot Van Arnhem; V-N 2024/28.19 met noot Redactie in de bij u anhangige zaak met nr. 23/03524.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die laatse klacht (motiveringsgebrek) staat niet in een middel, maar in randnr. 18 van het cassatieberoepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie cassatieberoepschrift, randnr. 85.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie cassatieberoepschrift, randnr. 117.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie cassatieberoepschrift, randnr. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467, NLF 2024/1192 met noot De Ruiter; NTFR 2024/914 met noot Van Arnhem; V-N 2024/28.19 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 januari 2018 (eerste kamer), na conclusie Wissink, ECLI:NL:HR:2018:109, JHV 2018/8 met noot Gardenbroek en HR 25 juni 2021 (derde kamer), ECLI:NL:HR:2021:1017, V-N 2021/30.20 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleitnota, 2.3.3. Zij verwees naar Handelingen II 2013/14, nr. 22, item 21, p. 1. Ik neem aan dat het gaat om het amendement-Knops/Omtzigt, Kamerstukken II 2013/14, 33 756, nr. 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik neem aan dat bedoeld is dat de Belastingdienst IAH-inkomensgegevens aan verhuurders verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 18 december 2013 tot invoering van een verhuurderheffing over 2014 en volgende jaren alsmede wijziging van enige wetten met betrekking tot de nadere herziening van de fiscale behandeling van de eigen woning (Wet maatregelen woningmarkt 2014 II), Stb. 2013, 583.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge de Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 december 2018 (indexering maximale WOZ-waarde verhuurderheffing 2019), Stcrt. 2018, 69088.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge de Regeling van de Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen van 9 december 2019 (indexering maximum WOZ-waarde verhuurderheffing 2020), Stcrt. 2019, 62396.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge de Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 7 december 2020 (indexering maximum WOZ-waarde verhuurderheffing 2021), Stcrt. 2020, 62458.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toevoeging ‘doch niet verder dan tot nihil’ is per 1 januari 2020 opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 7:265 BW: “Van de bepalingen van deze onderafdeling kan niet worden afgeweken, tenzij uit die bepalingen anders voortvloeit.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 juli 2024 is de huurprijsregeling voor woonruimte ingrijpend gewijzigd door de verlenging van de Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten (Stb. 2024, 108 en 197) en de inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur (Stb. 2024, 193, 197) en de Wet vaste huurcontracten (Stb. 2023, 408, Stb. 2024, 152). Zie Y.A.M. Jacobs in T&amp;C BW, commentaar op onderafdeling 2 Boek 7 BW, Inleidende opmerkingen (online geraadpleegd en actueel t/m 1 juli 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is even zoeken. Zie Y.A.M. Jacobs, T&amp;C BW, commentaar op art. 7:252a BW, par. 2 (online geraadpleegd en actueel t/m 1 september 2021) en S.F. Wolff, Module Vastgoed en wonen, art. 7:252a BW, aant. 1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In werking getreden per 1 juli 2015, Stb. 2015, 231 en laatstelijk gewijzigd per 1 juli 2024, Stb. 2024, 105.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2018, 70669.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2019, 65870.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2020, 66140.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2003, 143 en laatstelijk gewijzigd met Stcrt. 2024, 20855.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2018, 70586.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2019, 65927.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2021, 14322 Kamerstukken II 2020/21, 35 488, nr. 13 (motie lid Beckerman c.s.) en aangenomen door de Tweede Kamer op 9 februari 2021 (Handelingen II 2020/21, nr. 54, Stemmingen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2020/21, 35 488, nr. 17 (Brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 2 (Voorstel van wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamersrtukken I 2012/13, 33 407, nr. F (Motie van het lid Essers c.s.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 515, nr. 2 (Voorstel van wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 3 juli 2013, houdende invoering van een verhuurderheffing (Wet verhuurderheffing), Stb. 2013, 285 en Wet van 3 juli 2013, houdende wijziging van de Wet verhuurderheffing (de novelle), Stb. 2013, 284.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 32 847, nr. 42 (Brief van de Minister voor Wonen en Rijksdienst), p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013/14, 33 756, nr. 2 (Voorstel van wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder onderdeel 4.11 van de conclusie voor de bij u aanhangige zaak nr. 23/03524 van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467, NLF 2024/1192 met noot De Ruiter; NTFR 2024/914 met noot Van Arnhem; V-N 2024/28.19 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013/14, 33 756, nr. 3 (MvT), p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013/14, 33 819, nr. 2 (Voorstel van wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 18 december 2013 tot invoering van een verhuurderheffing over 2014 en volgende jaren alsmede wijziging van enige wetten met betrekking tot de nadere herziening van de fiscale behandeling van de eigen woning (Wet maatregelen woningmarkt 2014 II), Stb. 2013, 583.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013/14, 33 819, nr. 3 (MvT), p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. I, onderdeel B en onderdeel C, onder 2 en art. I, onderdeel A, subonderdelen 1a en 3, van de Wet van 1 februari 2017 tot wijziging van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II naar aanleiding van de evaluatie van de verhuurderheffing, Stb. 2017, 48 en art. 1(2) van het Koninklijk Besluit van 6 maart 2017, Stb. 2017, 88.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 8 juli 2020 tot wijziging van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (reparatie verhuurderheffing bij gedeeld genot huurwoningen), Stb. 2020, 243. Zie voor de parlementaire geschiedenis onderdeel 6 van de conclusie voor de bij u aanhangige zaak nr. 23/03524 van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467, NLF 2024/1192 met noot De Ruiter; NTFR 2024/914 met noot Van Arnhem; V-N 2024/28.19 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 21 december 2022 tot intrekking van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (afschaffing verhuurderheffing), Stb. 2022, 529.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 35 788, nr. 77 (Coalitieakkoord 2021-2025 VVD, D66, CDA en ChristenUnie van 15 december 2021).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2022/23, 36 219, nr. 3 (MvT), p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 3 (MvT), p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 8.10 van de conclusie van 20 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:970, NLF 2016/0419 met noot De Ruiter; NTFR 2016/2659 met noot Van Haperen; V-N 2016/64.14 met noot Redactie, voor HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:846, Belastingblad 2018/338 met noot Postema-Van der Koogh; BNB 2018/144 met noot Boer; FED 2019/55 met noot Cornelisse; FutD 2018-1536 met noot Fiscaal up to Date; NLF 2018/1328 met noot De Ruiter; NTFR 2018/1349 met noot Van Haperen; V-N 2018/31.21 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 3 (MvT), p. 3-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 3 (MvT), p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013), Stb. 2012, 321.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Kamerstukken I 2011/12, 33 129 (Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Kamerstukken I 2011/12, 33 330 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 3 (MvT), p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 3 (MvT), p. 3-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Brief van 26 september 2011 van de minister van BZK aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. [Kamerstukken II 2011/12, 29 453, nr. 206; zie 5.10 hieronder; PJW] Kamerstukken II 2010/11, 29 453, nr. 185 (Brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 3 (MvT), p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 6 (NnavV), p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Bijlage 2 bij de Voorjaarsnota 2012, Kamerstukken II 2011/2012, 33 280, nr. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 6 (NnavV), p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie bijvoorbeeld de CBS-webpublicatie van 3 juli 2012 ter zake (http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/bouwen-wonen/publicaties/artikelen/archief/2012/2012–3652-wm.htm).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie cassatieberoepschrift, randnr, 16(e) op p. 13-14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 410, nr. 15 (Brief van de informateurs), p. 64.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 7 (Nota van wijziging).</p>\n<p class=\"lf-p\">Inmiddels was de primaire verantwoordelijkheid voor het voorstel Wvh overgedragen aan de minister voor Wonen en Rijksdienst; de staatssecretaris van Financiën bleef verantwoordelijk voor de fiscale wetgevingssystematiek en de uitvoeringsaspecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 14 (NnavNV), p. 44. In deze nota werden ook andere fiscale wetsvoorstellen behandeld; vandaar het afwijkende dossiernummer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie Kamerstukken II 2011/12, 29 453, nr. 206.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 14 (NnavNV), p. 57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2012/13, 33 405 en 33 407, nr. C (MvA), p. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2012/13, 33 405 en 33 407, nr. E (NnavV), p. 10-11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen I 2012/13, nr. 12, item 24, p. 133. Dit document noemt als datum van de stemming 17 december 2012, hetgeen verwarrend is omdat dit zou betekenen dat er een dag eerder zou zijn gestemd dan de dag waarop de motie werd ingediend (zie volgende voetnoot). Ik ben daarom uitgegaan van 18 december 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2012/13, 33 407, nr. F (Motie van het lid Essers c.s.). Dit document noemt 18 december 2012 als datum waarop de motie is voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen I 2012/13, nr. 12, item 18, p. 126.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 515, nr. 2 (Voorstel van wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 33 515, nr. 3 (MvT), p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 2012/13, nr. 75, item 9, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2012/13, 33 515, nr. B (MvA), p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2012/13, 33 515, nr. B (MvA), p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen I 2012/13, nr. 33, item 7, p. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 32 847, nr. 42 (Brief van de Minister voor Wonen en Rijksdienst).</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bedragen in miljoenen euro’s komen overeen met de bedragen in tabel 2 van de brief van 28 februari 2013 (zie 5.20 hieronder).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 27 926, nr. 193 (Brief van de Minister voor Wonen en Rijksdienst).</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, p. 4-5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: In deze berekening is enkel de ruimte meegenomen voor huurverhogingen voor verhuurders met meer dan 10 woningen die ook de heffing opbrengen. Zo is een goede vergelijking met de op te brengen bedragen voor de heffing mogelijk. Ook is gerekend met een beperkte extra huurverhoging in het geliberaliseerde segment (1%) omdat indien de huren in het gereguleerde segment boven inflatie stijgen, verwacht mag worden dat dit doorwerkt op de huurprijzen in het geliberaliseerde segment Zie cassatieberoepschrift, p. 65.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2012/13, 27 926, nr. 193 (Brief van de Minister voor Wonen en Rijksdienst), p. 5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toevoeging PJW: ik ga ervan uit dat met “deze cijfers” tabel 3 (niet opgenomen in de conclusie) en tabel 2 (opgenomen in 5.21) worden bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013/14, 33 756, nr. 3 (MvT), p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, p. 5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Stb. 2013, 89 en 90.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 3, blz. 5 [zie 5.6 hierboven; PJW].</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie cassatieberoepschrift, randnr. 58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013/14, 33 756, nr. 3 (MvT), p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013/14, 33 756, nr. 6 (NnavV), p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013/14, 33 756, nr. 29 (Brief van de Minister voor Wonen en Rijksdienst); zie daarover onderdeel 4.11 van de conclusie van 26 april 2024 in de aanhangige zaak nr. 23/03524, ECLI:NL:PHR:2024:467.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013/14, 33 819, nr. 2 (Voorstel van wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013/14, 33 819, nr. 3 (MvT), p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 2013/14, nr. 33, item 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2013/14, 33 819, nr. B (MvA), p. 5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, p. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, p. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, p. 23-24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen I 2013/2014, nr. 14, item 15, p. 97.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, nr. 2 (Voorstel van wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, nr. 3 (MvT), p. 4-5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 34 548, nr. 4 (Advies afdeling advisering Raad van State en nader rapport), p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 34 548, nr. 23 (Amendement van het lid Bashir).</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 2016/17, nr. 35, item 12, p. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 34 548, nr. 31 (Brief van de Minister voor Wonen en Rijksdienst), p. 3-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 2016/17, nr. 37, item 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 2016/17, nr. 39, item 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verslag I 2016/17, nr. 16, item 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 34 548, nr. 12 (Amendement van het lid Albert de Vries).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 34 548, nr. 24 (Gewijzigde motie van het lid Van Vliet ter vervanging van di gedrukt onder nr. 20).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 34 548, nr. 31 (Brief van de Minister voor Wonen en Rijksdienst), p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 34 548, nr. 30 (Gewijzigd amendement van het lid Albert de Vries ter vervanging van dat gedrukt onder nr. 12).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 34 548, nr. 32 (Nader gewijzigd amendement van het lid Albert de Vries ter vervanging van dat gedrukt onder nr. 30).</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 2016/17, nr. 37, item 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 januari 2018, na conclusie A-G Wissink, ECLI:NL:HR:2018:109 (eerste kamer), JHV 2018/8 met noot Gardenbroek.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1017, V-N 2021/30.20 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 3 juli 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1830, NLF 2019/1754 met noot De Ruiter; NTFR 2019/2096 met noot Van Haperen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:704, V-N 2019/31.17 met noot Redactie en NLF 2019/1242 met noot De Ruiter, HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1255, V-N 2019/43.19 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 3 april 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1601, NTFR 2018/1350 m.nt. Van Haperen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 19 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1857, NTFR 2019/752 m.nt. Dinée.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Noord-Nederland 17 december 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:5051.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2016/17, 34548, nr. 3, p. 4 (MvT). [PJW: zie 5.32 hierboven.] Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2016/17, 34548, nr. 23. [PJW: zie 5.34 hierboven.] Voetnoot in origineel: Zie Kamerstukken II 2012/13, 33407, nr. 3, p. 5-6 (MvT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie in gelijke zin gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3661. [PJW: dit is de uitspraak die in onderhavig cassatieberoep-cluster wordt bestreden.] Conclusie van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467, NLF 2024/1192 met noot De Ruiter; NTFR 2024/914 met noot Van Arnhem; V-N 2024/28.19 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 juni 2013 na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2013:BZ7857, BNB 2013/216 met noot Van Amersfoort; V-N 2013/30.18 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 27 november 2003, gevoegde zaken C-34/01 t/m C-38/0, Enirisorse SpA v Ministero delle Finanze, na conclusie Stix-Hackl, ECLI:EU:C:2003:640.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EG 13 januari 2005, Zaak C-174/02, Streekgewest Westelijk Noord-Brabant v. Staatssecretaris, ECLI:EU:C:2005:10, AB 2005/118 m.nt. A.J.C. de Moor-van Vugt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:467, NLF 2024/1192 met noot De Ruiter; NTFR 2024/914 met noot Van Arnhem; V-N 2024/28.19 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 85 cassatieberoepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover nader bijv. A.D.L. Knook, Staatssteun, handboek voor de praktijk, Deventer: Kluwer 2018, p. 55: “Volgens vaste rechtspraak (…) worden heffingen (…) niet als overdracht van overheidsmiddelen gezien, tenzij zij de wijze van financiering van een steunmaatregel vormen, zodat zij integrerend deel uitmaken van deze maatregel”. Hij verwijst naar HvJ EG 13 januari 2005, C-174/02, ECLI:EU:C:2005:10 (Streekgewest), punt 25; HvJ EG 13 januari 2005, C-175/02, ECLI:EU:C:2005:11 (Pape), punt 14, en HvJ EG 27 oktober 2005, C-266/04–C-270/04, C-276/04 en C-321/04–C-325/04, ECLI:EU:C:2005:657 (Distribution Casino France e.a.), punt 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (codificatie), Pb. L 248 van 24 september 2015, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank van 11 mei 2022, p. 4 luidt: “Voorzitter: Is er bij de Europese Commissie iets aanhangig gemaakt? Gemachtigde: Nee.” Het proces-verbaal van de zitting bij het Hof van 7 februari 2024, p. 5, luidt: “Voorts verklaart [de gemachtigde] dat, anders dan uit het proces-verbaal van der echtbankzitting zou kunnen worden opgemaakt, er geen civiele zaak loopt. Evenmin is een zaak aanhangig gemaakt bij de Europese commissie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met name, expliciet, HvJ EU 21 december 2016, gevoegde zaken C-20/15P, World Duty Group en C-21/15P, Banco Santander, ECLI:EU:C:2016:981, r.o. 54, 71, 74, 86, 93, 94 en 110 (‘reverse discrimination’).</p></div>", "next": 0}