{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Bijv. CRvB 12 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:878, rov. 5.10.9: “Weliswaar is niet gebleken van een expliciete toestemming van appellant tot het verzenden van stukken (waaronder besluiten) via e-mail, maar hij heeft met zijn gedrag wel kenbaar gemaakt langs elektronische weg bereikbaar te zijn, ook voor het ontvangen van besluiten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie wel met zoveel woorden bijv. CRvB 12 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:878, rov. 5.10.9, en impliciet bijv. CRvB 24 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4797, rov. 4.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. CRvB 4 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1130, rov. 4.4.4-4.4.5 in contrast met de door hem aangehaalde uitspraak van ABRvS 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3392.</p>\n<p class=\"lf-p\">CBb 24 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:375, rov. 9. Zie CBb 2 juli 2024, ECLI:NL:CBB:2024:541, rov. 2.1 voor een geval waarin de belanghebbende wel kenbaar had gemaakt langs digitale weg bereikbaar te zijn, maar niet voor het besluit waar het in die zaak om ging.</p>\n<p class=\"lf-p\">CBb 22 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:441.</p>\n<p class=\"lf-p\">CBb 26 februari 2021, ECLI:NL:CBB:2021:321. Zie over deze uitspraak bijv. de uitgebreide noot van G.J. Stoepker en M.C. Verviers in JB 2021/95.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een voorbeeld het geval in CBb 21 november 2023, ECLI:NL:CBB:2023:643, rov. 5.2: “Het college stelt vast dat de onderneming op het aanvraagformulier dat zij op 7 mei 2021 heeft ondertekend en ingediend, de vraag “Ik ontvang alleen digitaal bericht over deze aanvraag” met “Ja” heeft beantwoord.”</p>\n<p class=\"lf-p\">T&amp;C Awb, commentaar op art. 2:14 Awb, punt 2a ziet dit overigens als het leidende criterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. M.M. Grootenhuis &amp; S.E.C. Vonk, Modernisering van het elektronisch bestuurlijk verkeer en de positie van de digitaal kwetsbare burger, in: L.W. Verboeket e.a. (red.), Bestuursrecht in het echt (Den Ouden-bundel), Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 483-484.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook C.L.G.F.H. Albers, Elektronisch verkeer met de overheid anno 2025, NTB 2024/425, par. 3.2: “Het nieuwe artikel 2:8 Awb stelt aan de kenbaarmaking duidelijk hogere eisen. Daarin wordt als uitgangspunt genomen dat de geadresseerde de elektronische bereikbaarheid uitdrukkelijk kenbaar moet maken. (…) Het gaat hier om de introductie van een ‘sterker actief instemmingsvereiste’ met als doel de in de rechtspraak ontwikkelde tendens, van het eenvoudig aannemen dat de burger (op impliciete wijze) heeft aangegeven dat de elektronische weg openstaat, een halt toe te roepen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Van Dale online staat bij ‘expliciet’ vermeld: “1 met zoveel woorden (zodat er niets geïmpliceerd is, geen misverstand mogelijk is) ≈ duidelijk, bepaald, expliciet 2 ten stelligste, met klem (teneinde een gewenst resultaat te bereiken) ≈ dringend, nadrukkelijk, stellig”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie uitgebreider M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken, Deventer: Kluwer 2014, par. 2.4.2.6, onder c (p. 104-110).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij komt nog dat, zoals gezien, de tekst van de bepaling waarin het kenbaarmakingsvereiste is neergelegd, per 1 januari 2026 wordt aangescherpt althans gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een voorbeeld het geval in CBb 21 november 2023, ECLI:NL:CBB:2023:643, rov. 5.2: “Het college stelt vast dat de onderneming op het aanvraagformulier dat zij op 7 mei 2021 heeft ondertekend en ingediend, de vraag “Ik ontvang alleen digitaal bericht over deze aanvraag” met “Ja” heeft beantwoord.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij mij kwam de associatie op met de onlangs gegeven beslissing door de civiele kamer in de bol.com-zaak (HR 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1355), overigens in een heel ander juridisch kader. De Hoge Raad overweeg daarin (rov. 4.7.3) dat niet kan worden gezegd dat de tekst ‘bestelling plaatsen’ zowel in de omgangstaal als in de ogen van de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument noodzakelijkerwijs en consistent in verband wordt gebracht met het ontstaan van een betalingsverplichting. Het komt mij voor dat het invullen van een e-mailadres op een formulier door een burger niet noodzakelijkerwijs en consistent in verband wordt gebracht met kenbaarmaking van bereikbaarheid langs elektronische weg voor vervolgberichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. A.M. Klingenberg, Bestuursrecht, e-mail en internet. Bestuursrechtelijke aspecten van elektronische overheidscommunicatie (diss. Groningen), Den Haag: Boom juridische uitgevers 2011, p. 82: “het elektronisch indienen van een verzoek [is] niet hetzelfde (…) als kenbaar maken langs elektronische weg beschikbaar te zijn”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt niet anders indien erbij wordt betrokken de stelling van het College in zijn verweerschrift in cassatie dat bij het digitaal indienen van een bezwaar wordt vermeld dat een ontvangstbevestiging wordt verstuurd per e-mail. Nog ervan afgezien dat dit een nieuwe feitelijke stelling is, zie ik niet in hoe een belanghebbende uit zo’n melding moet begrijpen dat hij met het verplicht invullen van het e-mailadres kenbaar maakt voor het vervolg van de bezwaarprocedure voldoende bereikbaar te zijn per e-mail.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1885, rov. 3.4.2 en HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1337, BNB 2022/140, rov. 2.4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5141, BNB 2000/220, rov. 3.4. Zie nadien ook bijv. HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3985, BNB 2005/51, rov. 3.5 en HR 14 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7189, BNB 2012/277, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960, BNB 2015/132, rov. 2.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 2.1.3 en 2.1.4 van HR BNB 2015/132. Uit het arrest is op te maken dat de Hoge Raad bij de beoordeling van de ontvankelijkheid uitgaat van het moment van feitelijke kennisname van het afschrift van de uitspraak op bezwaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875, BNB 2022/119, rov. 2.7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1337, BNB 2022/140, rov. 2.4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 4 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1130, rov. 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2886, rov. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">CBb 2 juli 2024, ECLI:NL:CBB:2024:541, rov. 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook G.C.D. Grauss in FED 2021/79, punt 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.J.A. Damen in AB 2024/150, punt 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:709, BNB 2021/113.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat lijkt me besloten te liggen in rov. 3.5 en de ongegrondverklaring van het cassatieberoep. Vreemd genoeg ontbreekt, ondanks de bedoelde klacht, een expliciet oordeel van de Hoge Raad over het in de eerste zin van rov. 3.5 vermelde impliciete oordeel van het gerechtshof dat de heffingsambtenaar de verzending aannemelijk heeft gemaakt. De Hoge Raad geeft slechts (in de tweede zin van rov. 3.5) expliciet een oordeel over het daarop volgende oordeel van het gerechtshof. Het lijkt wel of een zin tussen de eerste en tweede zin van rov. 3.5 ontbreekt, namelijk een zin waaruit volgt dat de klacht tegen het bewijsoordeel in de eerste zin faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2021/22.15: “De Hoge Raad noemt in r.o. 3.4 als voorbeeld van door het bestuursorgaan te leveren bewijs van verzending van een mailbericht het overleggen van een logbestand. (…) Maar het is dan wel opvallend dat in de direct daaropvolgende rechtsoverweging de zaak wordt afgedaan zonder dat het bestuursorgaan een dergelijk logbestand heeft hoeven te overleggen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2021/22.15: “Redengevend hiervoor is dat de feitenrechter de betwisting van ontvangst van juist deze specifieke e-mail door de belanghebbende niet geloofwaardig achtte (…). De Hoge Raad meent dat daarin ligt besloten dat de verzending van de e-mail door het bestuursorgaan aannemelijk is gemaakt.” Ook K.M.G. Demandt in NTFR 2021/1614 lijkt het arrest op dit punt zo te lezen.</p></div>", "next": 0}