{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Uit het bestreden arrest kan bovendien worden afgeleid dat het hof oog heeft gehad voor de precaire bewijspositie waarin [eisers] verkeerden. In rov. 3.20. heeft het hof overwogen dat van [eisers] mogelijk niet te veel mag worden verwacht als het gaat om de onderbouwing van hun stellingen over wie wanneer welke werkzaamheden verrichtte. Maar het is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat zij ten minste konden aanvoeren wanneer zij wat hebben gedaan, “nu deze informatie henzelf betreft en zij bij uitstek daarover beschikken”.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.25 Volgens subonderdeel 2.3 is onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.19. heeft geoordeeld dat uit het geanonimiseerde overzicht dat [eisers] hebben overgelegd, niet per individuele geïntimeerde kan worden afgeleid hoe lang, in welke periode, welke werkzaamheden zijn verricht en aan welke gezondheidsklachten elke individuele geïntimeerde lijdt. Voor zover het hof beslissend heeft geacht dat dit overzicht anoniem is en geen namen bevat, is dat onbegrijpelijk omdat (i) NedTrain niet heeft aangevoerd dat zij uit deze lijst geen namen kan afleiden en (ii) het overzicht van [eisers] de kopjes ‘Eiser nr’ en ‘Toev. nr. hoger beroe’ bevatten die overeenstemmen met de vermelding van partijen op het voorblad van de memorie van antwoord van [eisers] in het principaal hoger beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26 [eisers] hebben zelf in hun memorie van antwoord in het principaal appel verwezen naar het overzicht (overgelegd als productie 21 bij die memorie) als “een geanonimiseerde lijst (…) met specifieke gezondheidsklachten behorende bij elk individu”. Verder hebben zij aangevoerd dat het geven van een uitvoerige beschrijving van de gezondheidsschade per individuele benadeelde, bijvoorbeeld met medische verslagen en journaalregels van de huisarts, ondoenlijk is. Dit zou namelijk leiden tot “onderlinge kennisname en zou een rechtstreekse inbreuk vormen op de persoonlijke integriteit”.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.27 Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft NedTrain de juistheid van het overzicht betwist “bij gebreke van objectieve en verifieerbare gegevens”. Zij heeft gereageerd op de stellingname van [eisers] dat het geven van een onderbouwing van de medische klachten per individuele benadeelde ondoenlijk is: “NB Geïntimeerden noemen het geven van een onderbouwing \"ondoenlijk\" (zie MvA/MvG, sub 1.5), maar niet valt in te zien waarom dat zo zou zijn. Geïntimeerden stellen verder dat onderlinge kennisname van medische informatie \"een rechtstreekse inbreuk [...] op de persoonlijke integriteit\" zou vormen (zie eveneens MvA/MvG, sub 1.5), maar het is hun eigen keuze geweest om hun zaken te bundelen in één dagvaarding en zij hebben het bovendien zelf in de hand om afspraken te maken over de wijze waarop medische informatie wordt gedeeld en ingebracht, om zo die onderlinge kennisname desgewenst te voorkomen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.28 Tijdens de mondelinge behandeling in het hoger beroep heeft mr. Bedaux, de advocaat van [eisers] in feitelijke instanties, in reactie op vragen van de voorzitter van de zittingscombinatie bevestigd dat het overzicht geanonimiseerd was: “Mr. Bedaux: (…) Wat ze [ [eisers] , A-G] wel hebben, is enorm duidelijke klachten gerelateerd aan chroom-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzitter:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze worden in de processtukken niet individueel naar voren gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Bedaux:</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar goed, dat doe ik dan. Ik heb een lijst gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzitter:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder naam en toenaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Bedaux:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is niet waar. Ik heb een lijst met naam en toenaam wie wat heeft, dat is productie 21. Deze moet u lezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzitter:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat hebben we gedaan, maar alles is geanonimiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Bedaux:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ja, nu ik het zie heb ik het inderdaad geanonimiseerd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.29 Later op de mondelinge behandeling, tijdens de dupliek namens [eisers] , is nogmaals over het overzicht gesproken. Tot tweemaal toe heeft het hof het anonieme karakter van de gegevens in het overzicht ter sprake gebracht, maar geen van beide keren heeft de advocaat van [eisers] hierop duidelijk geantwoord dat de gegevens voor het hof herleidbaar waren tot de individuele geïntimeerden in de procedure: “Dupliek (geïntimeerde):</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Bedaux:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik hoor de tegenpartij zeggen dat de deelname duidelijk is, maar niet hoe de klachten zich hebben geopenbaard. Deze klachten zijn geopenbaard richting het Schadeloket. De individuele gezondheidsklachten zijn daar aangebracht. Ik wil ook nog vermelden dat er in productie 21 te vinden is welke mensen welke werkzaamheden hebben gedaan en voor welke duur. Ook staat daarin welke klachten ze hebben. Hier is het specifiek uitgewerkt per persoon. Ik heb niet begrepen dat daar specifiek verweer op is gekomen, alleen dat NedTrain niet weet in hoeverre de klachten zich verhouden ten opzichte van de lijst. Maar de klachten zijn dus wel beschikbaar gemaakt bij het Schadeloket. Ik bied u aan dit te bewijzen, maar volgens mij is deze lijst als zodanig niet besproken door NedTrain. Alle 30 eisers zijn dus besproken, bij de rechtbank zijn er drie betrokken uitgefilterd die in de pre-fase hebben gewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">U zegt in de stukken dat de betrokkenen zijn geanonimiseerd, maar nu heeft u ze wel. Is er dan voldoende gesteld wat betreft hoe lang ze hebben gewerkt?</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Bedaux:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ja.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dus betrokkene 24 [in het overzicht, A-G] heeft 1 januari tot 31 december daar gewerkt?</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Bedaux:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ja, ongeveer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof: Stelplicht betekent dat u het voldoende concreet maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Bedaux:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik denk dat het voldoende is als ik aannemelijk maak dat mensen er een behoorlijke tijd hebben gewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is een behoorlijke tijd?</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Bedaux:</p>\n<p class=\"lf-p\">Maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dus vanaf 2 maanden spreken we over een behoorlijke tijd?</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Bedaux:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat kun je in zijn algemeenheid niet zeggen, maar iemand die een maand heeft gewerkt kan al last hebben. We kunnen aannemen dat iedereen die langer dan een maand heeft gewerkt zich aan chroom-6 heeft blootgesteld. Wanneer iemand vijf dagen intensief heeft geschuurd, kan het al zijn dat deze in zo grote mate aan chroom-6 is blootgesteld dat in ieder geval sprake is van aantasting van de persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar wie het is weten we niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Bedaux:</p>\n<p class=\"lf-p\">Jawel, het is individualiseerbaar.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.30 Nadat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in het hoger beroep aan partijen is toegezonden, hebben partijen hierover met het hof gecorrespondeerd. Mr. Bedaux heeft toen opnieuw (zelf) geschreven dat het overzicht geanonimiseerd is: “Twee passages einde pagina 7 en pagina 8 zijn niet juist weergegeven.  Ik heb het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch medegedeeld dat de lijst (prod. 21) geanonimiseerd is. Ik heb de eisers in de lijst niet met naam en toenaam genoemd omdat deze medische gegevens bevatten en ik die lijst naar alle mede-eisers moest toezenden. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.31 Reeds omdat van de zijde van [eisers] zelf herhaaldelijk, namelijk zowel in de memorie van antwoord als ter zitting en ook nog daarna in de correspondentie over het proces-verbaal van die zitting, uitdrukkelijk is gesteld dat het overzicht geanonimiseerde gegevens bevat en in antwoord op vragen van het hof tot tweemaal toe niet is gezegd dat de gegevens uit het overzicht voor het hof herleidbaar waren tot de individuele geïntimeerden in de procedure is niet onbegrijpelijk dat het hof naar het overzicht heeft verwezen als een ‘geanonimiseerd overzicht’ (rov. 3.19.). Of NedTrain het anonieme karakter van het overzicht heeft bevestigd (omstandigheid (i) waarom het oordeel van het hof volgens het subonderdeel onbegrijpelijk zou zijn), doet niet ter zake. NedTrain heeft het anonieme karakter van het overzicht in elk geval ook niet weersproken. De uitleg van gedingstukken is bovendien voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en het hof heeft zelf vastgesteld dat in het overzicht geen namen van geïntimeerden zijn vermeld (rov. 3.19.). Bij deze stand van zaken behoeven de klachten over de beweerdelijk ‘innerlijk tegenstrijdige’ inhoud van het verweer van NedTrain geen bespreking, nu het hof zijn niet onbegrijpelijke oordeel mocht baseren op de expliciete stellingname van [eisers] zelf en de eigen vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.32 Voor de in het subonderdeel genoemde omstandigheid (ii) moet het erop worden gehouden dat zij voor het eerst nu in cassatie is aangevoerd. Dit betreft de omstandigheid dat de nummers die in het overzicht worden vermeld onder het kopje ‘Toev. nr’ (bijvoorbeeld in de eerste regel: ‘1JQ0191’) overeenstemmen met het nummer dat achter elke geïntimeerde staat op het voorblad van de memorie van antwoord in hoger beroep van [eisers] Op die manier kon het hof de gegevens die in het overzicht slechts aan een bepaald nummer (en dus niet aan een naam) waren verbonden, toch koppelen aan één naam binnen de groep van geïntimeerden, zo is de onderliggende redenering van het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.33 Ik schreef hiervoor bewust dat het erop moet worden gehouden dat omstandigheid (ii) voor het eerst in cassatie is aangevoerd, met het oog op de inhoud van correspondentie die tussen partijen en het hof is uitgewisseld nadat het hof aan partijen het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in het hoger beroep had toegezonden. Mr. Bedaux heeft na ontvangst van het proces-verbaal aan het hof geschreven dat dit proces-verbaal volgens hem incompleet was: “Ik heb erop gewezen dat het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch uit de toevoegingsnummers kan opmaken wie wie is.” Mr. Kruitwagen, de advocaat van NedTrain in feitelijke instanties, heeft vervolgens weersproken dat het hof hierop is gewezen. In reactie op deze correspondentie heeft mr. Van Rijkom (de voorzitter van de rechterscombinatie) namens het hof aan partijen geschreven “dat het hof er geen griffiersaantekening of herinnering aan heeft. En waar u beiden van mening verschilt kan niet worden aangenomen dat de opmerking zoals is aangehaald is gemaakt.” Nu omstandigheid (ii) geacht moet worden niet te zijn aangevoerd in feitelijke instanties is het oordeel van het hof reeds daarom niet onbegrijpelijk in het licht van die omstandigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34 Voor zover het subonderdeel veronderstelt dat het hof zelf (als het ware: ambtshalve) had kunnen en daarom ook had moeten constateren dat een link kon worden gelegd tussen de gegevens uit de lijst enerzijds en de individuele geïntimeerden die stonden vermeld op het voorblad van de memorie anderzijds, gaat deze veronderstelling niet op. Van een hof kan in redelijkheid niet worden verlangd dat het zelf probeert om gegevens in een bepaalde productie tot individuele procespartijen te herleiden, als de partijen die deze productie in het geding hebben gebracht zelf niet (althans, niet voldoende duidelijk) hebben aangevoerd dat het mogelijk is om die gegevens te herleiden. Dit geldt eens te meer in deze zaak, waarin namens die partijen zelfs herhaaldelijk en uitdrukkelijk het tegendeel is beweerd (namelijk dat de gegevens geanonimiseerd zijn en dus niet kunnen worden herleid tot individuele personen), althans op zijn minst tegenstrijdige uitlatingen zijn gedaan hierover.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.35 Bij al het voorgaande komt nog dat de veronderstelling waaronder de klachten van het subonderdeel zijn ingesteld (“Voor zover het Hof beslissend acht dat dit overzicht anoniem is en geen namen bevat”) ongegrond is. In rov. 3.20. heeft het hof zijn door het subonderdeel bestreden oordeel uit rov. 3.19. onderbouwd met verschillende andere argumenten dan het argument dat het overzicht geanonimiseerde gegevens bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.36 Verder richt het subonderdeel klachten tegen de vaststelling van het hof dat in het overzicht “per regel slechts summier en globaal een werkperiode, verrichte werkzaamheden en fysieke klachten is vermeld” (rov. 3.19.). De bestreden vaststelling van het hof betreft de uitleg van een gedingstuk en hangt samen met de vraag in welke mate de beoordeelde productie een onderbouwing bevat voor de door [eisers] aangevoerde stellingen. De argumenten die het subonderdeel tegen deze vaststelling aanvoert, gaan echter over een geheel andere vraag, namelijk over de vraag welke mate van onderbouwing van stellingen het hof in redelijkheid van [eisers] mocht vergen. Die argumenten raken het oordeel van het hof dus niet. Hierop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.37 Tot slot betoogt het subonderdeel dat het hof ten onrechte een nadere concretisering van stellingen door [eisers] heeft vereist. In de eerste plaats kunnen [eisers] vanwege het “tijdsverloop en de omstandigheden van het geval” niet (meer) exact duiden wat zij wanneer hebben gedaan. Daar komt bij dat zij met het hiervoor al genoemde overzicht uit productie 21 bij de memorie van antwoord hun stellingen al voldoende hebben geconcretiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.38 Ook deze klachten falen. Uit het arrest kan niet worden afgeleid dat het hof van [eisers] heeft verlangd dat zij exact zouden aanduiden welke werkzaamheden zij op welk moment precies hebben gedaan. Het hof heeft slechts geoordeeld dat de stellingen en onderbouwing daarvan, zoals [eisers] die nu hebben verstrekt, ontoereikend zijn. Dergelijke oordelen behoren typisch tot het domein van de rechter die over de feiten oordeelt. Onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in elk geval niet. Ook met inachtneming van het tijdsverloop en bijvoorbeeld de omstandigheid dat takenpakketten per dag konden wisselen, is een beschrijving van de werkperiode, de duur van de verrichte werkzaamheden en de verrichte taken zoals opgenomen in het als productie 21 overgelegde overzicht (ter illustratie citeert het hof in rov. 3.19. uit dit overzicht onder meer deze elementen: “schuren, servetten opvouwen en fietsen gemaakt – 2010 t/m 2011” en “schuren en administratieve werkzaamheden, keukenwerkzaamheden – 2003/2005”) wel erg summier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slechts als voorbeelden noem ik dat uit een dergelijke omschrijving niet kan worden afgeleid welk van de opgesomde activiteiten de ‘hoofdactiviteit’ was en hoe frequent de desbetreffende deelnemer moest schuren. Wat de jaartalaanduiding betreft is niet duidelijk of iemand bijvoorbeeld slechts één dag in een bepaald jaar heeft gewerkt of juist (vrijwel) het gehele jaar. Die onduidelijkheid wordt nog eens vergroot doordat uit de antwoorden van mr. Bedaux ter zitting in het hoger beroep (geciteerd in randnummer 4.29 hiervoor) niet ondubbelzinnig blijkt dat de vermelding van een jaartal in het overzicht ook betekent dat de bijbehorende persoon ten minste een substantieel gedeelte van dat jaar heeft deelgenomen aan het tROM-project.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft geen onredelijke eisen gesteld doordat het van [eisers] heeft verlangd dat zij hun stellingen over welke werkzaamheden zij in welke periode met welke duur hebben verricht, concreter onderbouwden dan in het overzicht uit productie 21 is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39 Voor zover het subonderdeel erop berust dat NedTrain tegen het overzicht vooral het verweer heeft gevoerd dat NedTrain geen objectieve controlemogelijkheid had, stuiten de klachten erop af dat NedTrain in hoger beroep ook het verweer heeft gevoerd dat “niet iedere geïntimeerde werkzaamheden heeft verricht waarbij directe blootstelling aan chroom-6 heeft kunnen plaatsvinden, of (…) deze werkzaamheden lang genoeg [heeft] verricht om in relevante mate te kunnen zijn blootgesteld aan chroom-6” (rov. 3.16.).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.40 Subonderdeel 2.4 richt nog meer klachten tegen het(zelfde) oordeel van het hof dat [eisers] niet aan hun stelplicht hebben voldaan. Zo zou dit oordeel onjuist of onbegrijpelijk zijn, omdat “NedTrain in ieder geval ten aanzien van eisers 1 t/m 5, 9 t/m 14, 16 t/m 20 en 22 t/m 30 in eerste aanleg (impliciet) heeft erkend c.q. niet heeft betwist dat zij wel werkzaamheden aan treinen hebben verricht”en tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg acht eisers concreet hebben verklaard over de periode waarin zij aan het tROM-project hebben gewerkt en welke werkzaamheden zij hebben verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.41 De eerste klacht mist feitelijke grondslag. Daarin wordt verwezen naar randnummer 43. van de conclusie van antwoord van NedTrain in eerste aanleg. Vanwege de samenhang citeer ik ook het voorafgaande randnummer uit dat processtuk: “42. Uit het onderzoek blijkt dat de mate van blootstelling sterk varieert per deelnemer. Onder meer de aard van de werkzaamheden, de periode van de verrichte werkzaamheden en de daarmee gepaard gaande potentiële blootstelling verschilde sterk per deelnemer.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">43.</span>Het voorgaande geldt ook voor eisers. De gegevens zijn opgenomen in productie 3. Uit deze lijsten volgt dat in ieder geval eisers sub 6 t/m 8 (productiewerkzaamheden respectievelijk administratie respectievelijk werkplaats), sub 15 (pallets), sub 21 (overige werkzaamheden), sub 31 t/m 33 (fietsen respectievelijk overige werkzaamheden resp. catering) geen werkzaamheden aan de treinen hebben verricht. Bovendien werden de werkzaamheden die zij wel uitvoerden (veelal) niet in de treinloods verricht.”</div>\n<p class=\"lf-p\">4.42 Uit deze passage blijkt bepaald niet dat NedTrain heeft erkend dat bepaalde eisers werkzaamheden aan treinen hebben verricht. Het overleggen door NedTrain van een overzicht (productie 3) waaruit in ieder geval blijkt dat sommige eisers geen werkzaamheden aan treinen hebben verricht, houdt vanzelfsprekend geen erkenning van het tegendeel in jegens andere eisers. Bovendien heeft NedTrain in de eerste volzin van randnummer 43. ten aanzien van alle eisers aangevoerd dat de aard en de periode van de verrichte werkzaamheden sterk uiteenliepen net als de daarmee gepaard gaande potentiële blootstelling aan chroom-6. Daarin ligt besloten dat het volgens NedTrain voor alle eisers nog maar de vraag is of zij ook werkzaamheden aan treinen hebben verricht, welke vraag (aldus nog steeds NedTrain) per individuele eiser zal moeten worden onderzocht en beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43 De tweede klacht betoogt dat het oordeel van het hof over de stelplicht onbegrijpelijk is gelet op de verklaringen die acht van de geïntimeerden (in het hoger beroep dus) hebben afgelegd tijdens de zitting in eerste aanleg. Uit die verklaringen blijkt in welke periode die acht geïntimeerden aan het tROM-project hebben gewerkt en welke werkzaamheden zij hebben verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.44 De uitvoerigheid van de verklaringen die op de zitting in eerste aanleg loopt uiteen, maar het totaal van de verklaringen beslaat opgeteld drie pagina’s van het proces-verbaal van de zitting. Bij memorie van grieven heeft NedTrain verweren gevoerd die betrekking hebben op de relevantie en betrouwbaarheid van deze verklaringen: “5.29 Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben negen geïntimeerden nog wel (korter of langer) verklaard over hun respectieve periodes op het tROM-project, maar uit deze verklaringen kan – mede om de hiervoor genoemde redenen – evenmin worden afgeleid of in hun te onderscheiden gevallen blootstelling aan chroom-6 kan hebben plaatsgevonden, laat staan daadwerkelijk hééft plaatsgevonden én tot een (reëel en rechtens relevant) risico op gezondheidsschade heeft geleid, nog daargelaten dat de verklaringen van deze negen niets zeggen over de andere 21 geïntimeerden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.30 Daar komt bij dat de verklaringen niet in het kader van een getuigenverhoor zijn afgelegd en niet worden ondersteund door enig (ander) bewijsmiddel (vgl. artikel 164 lid 2 Rv), terwijl NedTrain bovendien reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen, onder meer omdat (1) de door geïntimeerden sub 2, 7, 8 en 9 genoemde werkzame periodes fors afwijken van de registratie van de Gemeente, (2) geïntimeerde sub 7 beweert dat in 2011 nog aan een museumtrein zou zijn gewerkt, terwijl de laatste trein het tROM-project eind 2010 heeft verlaten en (3) uit de registratie van de Gemeente niet blijkt dat geïntimeerde sub 8 ooit aan treinen heeft gewerkt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.45 In hun memorie van antwoord hebben [eisers] vervolgens niet naar de verklaringen verwezen, laat staan dat zij deze verklaringen aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd. Zij hebben ook niet gereageerd op het door NedTrain gevoerde verweer met betrekking tot de verklaringen. Verder hebben zij in het hoger beroep de “collectiviteit van de vordering” benadrukt en de actie omschreven als een “collectief gerichte actie”. Meer dan een globale vermelding van werktijden en duur per individuele geïntimeerde (zoals opgenomen in het reeds uitvoerig besproken overzicht, overgelegd als productie 21 bij de memorie) hebben [eisers] niet overgelegd. Afgezien van het overzicht, hebben [eisers] verder slechts verwezen naar de gemiddelde werkduur van elk individu binnen [eisers] 4.46 Tijdens de mondelinge behandeling in het hoger beroep is het ontbreken van onderbouwing van stellingen op het niveau van elke individuele geïntimeerde uitvoerig aan de orde gesteld. Dit blijkt niet alleen uit het citaat dat hiervoor in randnummer 4.29 is opgenomen, maar ook uit onderstaand citaat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in het hoger beroep: “Voorzitter:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het blijft staan dat per cliënt duidelijk moet zijn dat er gezondheidsschade is, in concreto. Welke schadeposten dat dan zijn en welke aandoeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Bedaux:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb het allemaal opgeschreven, dit hebben ze allemaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzitter:</p>\n<p class=\"lf-p\">U heeft het opgeschreven in algemene zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">We zien geen onderbouwing per individu. Bijvoorbeeld medisch-specialistische gegevens of het huisartsenjournaal. Die moet je wel overleggen om het goed te onderbouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Bedaux:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze zijn er wel. Ik heb deze overgelegd aan NedTrain. Ik heb deze niet in het geding gebracht, want ik vind dat dat niet kan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzitter:</p>\n<p class=\"lf-p\">Prima. Ik bepaal uw processtrategie niet.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Voor mij is duidelijk dat op het moment dat je met chroom-6 wordt geconfronteerd zonder beschermende middelen, dat je dan biologisch bent aangetast.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorzitter:</p>\n<p class=\"lf-p\">U moet bewijzen dat er per individuele cliënt blootstelling heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Bedaux:</p>\n<p class=\"lf-p\">NedTrain slaat die stap ook over. Als u jarenlang wordt blootgesteld aan chroom-6 heeft u terecht redenen om angstig te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzitter:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb niet gezien wie wanneer is blootgesteld. U roept ”jarenlang” maar een onderbouwing zie ik niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Bedaux:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat in totaal om een periode van vijf jaar, maar het is per persoon verschillend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar we weten niet wie, wat en wanneer. Misschien is dat wel noodzakelijk om tot een beoordeling te komen. We weten niet eens of er buiten de lijst van het RIVM aandoeningen zijn. Misschien komen we er niet eens aan toe omdat we niet weten of er andere schade is. Het gaat om individualisering van de schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Bedaux:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zal dadelijk terugkomen op de meest recente jurisprudentie, daarbij is het niet noodzakelijk. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.47 In (de in cassatie onbestreden) rov. 3.11.1. heeft het hof de keuze van [eisers] om de stellingen bewust niet per geïntimeerde te motiveren en te onderbouwen, vooropgesteld: “3.11.1. De vorderingen van [eisers] zijn ingesteld door (in hoger beroep thans nog) 30 geïntimeerden. De vorderingen zijn uitdrukkelijk niet ingesteld als collectieve actie in de zin van artikel 3:305a BW. [eisers] stellen zich op het standpunt dat de 30 aangebrachte individuele zaken zich desondanks lenen voor collectieve beoordeling en toewijzing van de gezamenlijke vorderingen. Zij hebben hun vorderingen daarom gebaseerd op en toegelicht met algemene stellingen, die volgens hen voor alle geïntimeerden gezamenlijk gelden en zij hebben deze bewust niet per geïntimeerde gemotiveerd en onderbouwd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.48 Nu [eisers] de verklaringen van de acht geïntimeerden nooit ten grondslag hebben gelegd aan de hen betreffende individuele vorderingen, maar er bewust voor hebben gekozen om de vorderingen slechts collectief in te steken en alleen toe te lichten met algemene stellingen over alle geïntimeerden gezamenlijk, is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat [eisers] niet aan hun stelplicht hebben voldaan, óók niet wat betreft die acht geïntimeerden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.49 Verder betoogt het subonderdeel nog dat uit het verweer van NedTrain, volgens welk niet iedere geïntimeerde werkzaamheden heeft verricht waarbij directe blootstelling aan chroom-6 heeft kunnen plaatsvinden, volgt dat NedTrain erkent dat (sommige, A-G) “individuen binnen [eisers]” werkzaamheden hebben verricht met (een kans op) directe blootstelling aan chroom-6. Nog daargelaten dat ik meen dat ook in dit verweer geen erkenning mag worden gelezen, is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk in het licht van dit verweer. Uit het arrest blijkt namelijk genoegzaam dat het hof niet voldoende heeft geacht dat sommige individuen binnen [eisers] zijn blootgesteld aan chroom-6, maar van [eisers] heeft gevergd dat elk individu voor zich stelt en onderbouwt dat hij/zij tijdens de werkzaamheden voor het tROM-project (in relevante mate) is blootgesteld aan chroom-6 (zie bijvoorbeeld rov. 3.15. en 3.17.).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.50 Subonderdeel 2.5 klaagt over het oordeel van het hof in rov. 3.15., 3.17. en 3.19.-3.20. dat [eisers] per individu moeten stellen aan welke gezondheidsklachten hij/zij lijdt. Volgens het subonderdeel heeft het hof hiermee miskend dat blootstelling aan chroom-6 gezondheidsklachten kan veroorzaken die zich niet (direct) openbaren, maar nog in de toekomst kunnen optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.51 Het subonderdeel slaagt niet. In rov. 3.15. heeft het hof overwogen dat elke geïntimeerde (voor zover hier relevant) moet stellen en onderbouwen dat ieder van hen “gezondheidsschade heeft geleden of zal kunnen [onderstreping van mij, A-G] lijden”. Voor zover het hof in de daarop volgende rechtsoverwegingen enkel nog spreekt over gezondheidsklachten waaraan een individuele geïntimeerde “lijdt”, is de desbetreffende overweging kennelijk toegespitst op de vordering van [eisers] tot aanvullende schadevergoeding wegens (reeds geleden) gezondheidsschade. [eisers] hebben in dit verband herhaaldelijk en uitdrukkelijk gesteld dat zij reeds gezondheidsschade hebben opgelopen. Dat het woord ‘kunnen’ niet is teruggekeerd in rov. 3.26. houd ik voor een kennelijke verschrijving, nu de overwegingen uit het arrest ook de verwerping van de vordering tot vergoeding van angstschade kunnen dragen (zie uitvoeriger hiervoor in randnummers 4.5 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.52 Volgens subonderdeel 2.6 is onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.17. heeft geoordeeld dat [eisers] per geïntimeerde moesten stellen en onderbouwen in welke periode(s) hij/zij heeft deelgenomen aan het tROM-project, nu als feit vaststaat dat [eisers] hebben deelgenomen aan het tROM-project en ook volgens het RIVM deelnemers aan het project aan chroom-6 blootgesteld kunnen zijn geweest wanneer zij niet aan de treinen werkten, maar wel aanwezig waren in de treinloods.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.53 Het subonderdeel faalt. Het hof verwijst in de eerste volzin van rov. 3.17. terug naar de gemotiveerde betwistingen door NedTrain. Verschillende van die betwistingen houden verband met de periode waarin de werkzaamheden zijn verricht. Zo is volgens NedTrain niet gedurende de gehele periode van 2004 tot 2010 chroom-6 vrijgekomen, kan na een periode van blootstelling herstel hebben plaatsgevonden en zijn gedurende de looptijd van het project in toenemende mate beschermingsmiddelen gebruikt. Gelet op deze verweren is alleszins begrijpelijk dat het hof ook informatie heeft willen verkrijgen over de periodes waarin elke individuele geïntimeerde aan het tROM-project heeft deelgenomen. Het hof behoefde zijn oordeel hierover ook niet nader te motiveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.54 Subonderdeel 2.7 betoogt dat, voor zover in het oordeel van het hof in rov. 3.15., 3.17. en 3.26. besloten ligt dat [eisers] moeten aantonen dat zij zijn blootgesteld aan chroom-6 tijdens de werkzaamheden bij het tROM-project, het hof heeft miskend dat [eisers] hebben aangevoerd dat ten tijde van het tROM-project geen metingen naar blootstellingen zijn uitgevoerd en die blootstelling daarom niet nauwkeurig kan worden bepaald. De stellingen van [eisers] dat zij in de treinloods hebben gewerkt en daardoor zijn blootgesteld aan chroom-6 bieden voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat zij zijn blootgesteld aan chroom-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.55 Het subonderdeel is ongegrond. Uit niets blijkt dat het hof van [eisers] heeft geëist dat zij de blootstelling aan chroom-6 met behulp van nauwkeurige metingen zouden aantonen. De eisen die het hof aan [eisers] heeft gesteld, zijn beduidend lager. Volgens rov. 3.17. had het op de weg van [eisers] gelegen om per individuele geïntimeerde te stellen en te onderbouwen “in welke periode of periodes hij/zij heeft deelgenomen aan het tROM-project, welke werkzaamheden hij/zij in welke periode heeft verricht en aan welke gezondheidsklachten hij/zij lijdt”. Het ligt in de rede dat het hof, indien die informatie zou zijn overgelegd, de blootstelling aan chroom-6 zou hebben afgeleid uit het RIVM-rapport waarin per type werkzaamheid de aannemelijkheid en mate van blootstelling aan chroom-6 is bepaald (rov. 3.14.5.). Voor het overige is het subonderdeel een herhaling van zetten ten opzichte van subonderdeel 2.2 (besproken en verworpen hiervoor in randnummers 4.20 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.56 Kortom, onderdeel 2 is ongegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3 4.57 Onderdeel 3 richt zich tegen rov. 3.15. en 3.26. voor zover het hof daarin heeft geoordeeld dat [eisers] voor alle grondslagen waarop zij hun vorderingen hebben gebaseerd, ten minste moeten stellen en onderbouwen dat ieder van hen tijdens de werkzaamheden voor het tROM-project is blootgesteld aan chroom-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.58 Volgens subonderdeel 3.1 heeft het hof miskend dat het “in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm (en gevaarzettend) om [eisers] niet te informeren/waarschuwen dat (i) in de verflagen van de bewerkte treinen gevaarlijke stoffen aanwezig waren (chroom-6), terwijl NedTrain hiervan wist althans behoorde te weten, (ii) aan de werkzaamheden aan de treinen gevaren (voor de gezondheid) verbonden waren, (iii) de kans op gevaar voor gezondheidsschade reëel was en (iv) verwezenlijking daarvan tot schade kon leiden, terwijl nagelaten is om voldoende (beschermings)maatregelen te nemen om het ontstaan van schade, althans de mogelijkheid daarvan, te voorkomen.” Het hof heeft dit miskend doordat het hof daadwerkelijke blootstelling aan chroom-6 heeft gehanteerd als voorwaarde voor aansprakelijkheid van NedTrain, terwijl het al onzorgvuldig is om bij bekendheid met een bepaald gevaar (het gevaar van chroom-6) en de dreigende verwezenlijking daarvan [eisers] niet te informeren of te waarschuwen en geen voorzorgsmaatregelen te treffen om dit gevaar te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.59 Het subonderdeel is grotendeels een herhaling van zetten ten opzichte van subonderdeel 1.2 en faalt dus ook (zie hiervoor in randnummers 4.8 e.v.). Opnieuw ziet het subonderdeel eraan voorbij dat het hof geen oordeel heeft gegeven over de onrechtmatigheid, maar heeft geoordeeld dat de vordering van [eisers] al strandt op de vereisten van causaal verband en schade. Verder heeft het hof met juistheid overwogen dat voor het kunnen aannemen van causaal verband tussen gezondheidsschade en de uitoefening van de werkzaamheden (als vereiste voor aansprakelijkheid) potentiële blootstelling aan chroom-6 niet volstaat, maar daadwerkelijke blootstelling is vereist. Uw Raad heeft uitdrukkelijk in deze zin geoordeeld in Weststrate/Koninklijke Schelde Groep (zie hiervoor in randnummer 3.9).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.60 In het verlengde hiervan faalt ook subonderdeel 3.2. Dit subonderdeel klaagt over het oordeel van het hof in rov. 3.26. dat, nu [eisers] niet hebben voldaan aan hun stelplicht, niet is komen vast te staan dat [eisers] in de uitoefening van hun werkzaamheden op het tROM-project gezondheidsschade hebben geleden of zullen lijden door blootstelling aan chroom-6. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat voor verwijzing naar een schadestaatprocedure al voldoende is dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. In het oordeel van het hof in rov. 3.17. dat [eisers] niet per individuele geïntimeerde hebben gesteld en vervolgens hebben onderbouwd in welke periode/periodes hij/zij heeft deelgenomen aan het tROM-project, welke werkzaamheden hij/zij in welke periode heeft verricht en aan welke gezondheidsklachten hij/zij lijdt, ligt onmiskenbaar besloten dat volgens het hof de mogelijkheid van schade (door blootstelling aan chroom-6 tijdens de werkzaamheden in het kader van het tROM-project) niet aannemelijk is gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.61 Overigens is tijdens de mondelinge behandeling in het hoger beroep door het hof een enkele keer gesproken over de aannemelijkheid van individuele schade in plaats van over (de juiste maatstaf van) de aannemelijkheid van de mogelijkheid van individuele schade. Dit houd ik echter voor een onzorgvuldige formulering en vormt geen grond voor cassatie, nu het oordeel van het hof er geen blijk van geeft dat het hof materieelrechtelijk een verkeerde maatstaf heeft toegepast. De steller van het middel gebruikt overigens in het hierna te bespreken subonderdeel 4.1 dezelfde onzorgvuldige formulering (hierna randnummer 4.64).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.62 Ook onderdeel 3 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 4 4.63 Onderdeel 4 klaagt over het oordeel van het hof in rov. 3.28. dat [eisers] vanwege de afwijzing van de gevorderde verklaringen voor recht onder I.a en b. en de onder II. gevorderde (schadevergoedings)vorderingen geen belang meer hebben bij de onder I.c gevorderde verklaring voor recht. Voor het gemak van de lezer citeer ik de vorderingen onder I. hier: “I. een verklaring voor recht dat: a. NedTrain ten aanzien van [eisers] de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee de arbeid is verricht, niet op zodanige wijze heeft ingericht en onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid niet zodanige maatregelen zijn getroffen en aanwijzingen zijn verstrekt als redelijkerwijs nodig was om te voorkomen dat eisers in de uitoefening van hun werkzaamheden schade hebben geleden; b. NedTrain uit dien hoofde jegens [eisers] aansprakelijk is voor de schade die [eisers] in de uitoefening van de werkzaamheden hebben geleden; c. NedTrain door het niet inlichten van de werknemers niet heeft gehandeld als een goed werkgever en ook niet heeft gehandeld met inachtneming van de rechten van de werknemers in het kader van het EVRM en ook onrechtmatig jegens eisers heeft gehandeld (nagelaten) op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW);”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.64 Subonderdeel 4.1 betoogt dat genoemd oordeel onjuist of onbegrijpelijk is, omdat voldoende belang bij een verklaring voor recht “bij aansprakelijkheid (reeds) gegeven is als schade aannemelijk is”. Het subonderdeel verwijst naar het arrest van Uw Raad van 27 maart 2015 waarin Uw Raad heeft overwogen dat, indien een verklaring voor recht wordt gevorderd dat aansprakelijkheid bestaat voor schade, de rechter ervan uit dient te gaan dat de eiser daarbij belang heeft als de mogelijkheid van schade aannemelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.65 Het subonderdeel is ongegrond. Het hof heeft de juiste maatstaf niet miskend, maar heeft geoordeeld dat de mogelijkheid van schade niet aannemelijk is (zie hiervoor in randnummer 4.60).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.66 Subonderdeel 4.2 is ingesteld onder de veronderstelling dat het oordeel van het hof in rov. 3.28. is gebaseerd op de niet-kenbare overweging dat geen sprake is van een normschending in de zin van art. 6:162 BW vanwege het niet-informeren door NedTrain.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.67 Het subonderdeel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn afwijzing van de onder I.c gevorderde verklaring voor recht niet gebaseerd op een inhoudelijk oordeel over die vordering zelf, maar op het ontbreken van belang wegens de afwijzing van de onder I.a en b. gevorderde verklaringen voor recht en de onder II. gevorderde (schadevergoedings)vorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.68 Onderdeel 4 is dus tevergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 5 4.69 Onderdeel 5 richt zich tegen het dictum van het arrest, waarin het hof de vorderingen van [eisers] heeft afgewezen. Volgens het onderdeel had het hof [eisers] in plaats daarvan niet-ontvankelijk moeten verklaren, omdat [eisers] volgens het hof niet aan hun stelplicht hebben voldaan en het hof niet is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van hun vorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.70 Het onderdeel faalt. Voor een niet-ontvankelijkverklaring is slechts plaats in gevallen waarin de rechter op processuele gronden aan een behandeling van de zaak ten principale niet toekomt. De rechter komt dan niet toe aan een inhoudelijk oordeel over de rechtsbetrekking in geschil. Als de rechter, wanneer een niet-ontvankelijkverklaring passend is, een vordering in het dictum afwijst in plaats van de eiser niet-ontvankelijk verklaart in zijn vordering, levert dit niet zonder meer grond voor vernietiging op, omdat een dictum moet worden uitgelegd in het licht van de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.71 In deze zaak heeft het hof de stellingen van partijen over en weer beoordeeld en op grond daarvan geoordeeld dat [eisers] , in het licht van het door NedTrain gevoerde verweer, onvoldoende hebben gesteld (en die stellingen onvoldoende hebben onderbouwd) om aan te tonen dat [eisers] in de uitoefening van hun werkzaamheden op het tROM-project gezondheidsschade hebben geleden of zullen (kunnen) lijden door blootstelling aan chroom-6. Omdat dit niet is komen vast te staan, heeft het hof – kort gezegd – de schadevergoedingsvorderingen en gevorderde verklaringen voor recht dat NedTrain aansprakelijk is voor de schade die [eisers] hebben geleden in de uitoefening van hun werkzaamheden, afgewezen (rov. 3.26.). De afwijzing berust dus op een inhoudelijke behandeling van de zaak ten principale.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.72 Volgens de schriftelijke toelichting van [eisers] is het belang bij dit onderdeel erin gelegen dat aan het oordeel van het hof geen gezag van gewijsde toekomt in een eventuele volgende procedure tussen dezelfde partijen. Art. 236 Rv bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Het artikel beperkt het gezag van gewijsde dus niet tot beslissingen die in het dictum van een vonnis staan. Het gezag van gewijsde omvat mede beslissingen die in het lichaam van het vonnis staan en de eindbeslissing mede dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.73 Uw Raad heeft geoordeeld dat van een beslissing over de rechtsbetrekking (in de zin van art. 236 Rv) geen sprake is “ingeval de rechter het gevorderde niet toewijst op grond van zijn oordeel dat de door de eisende partij daaraan ten grondslag gelegde stellingen onvoldoende zijn om hem in staat te stellen aangaande de rechtsbetrekking in geschil een beslissing te geven”. Aan deze maatstaf was volgens Uw Raad voldaan in de zaak waarin dit oordeel is gegeven. In die zaak had de kantonrechter de vordering aan de eisende partij ‘ontzegd’ op grond van de overweging dat zij te weinig ten grondslag had gelegd aan haar vordering, “nu uit haar stellingen ‘geen inzicht (valt) te putten omtrent de aard van de schade die zij zou hebben geleden, en te minder dan nog waarom daarvoor betaling van het gevorderde bedrag op haar plaats zou zijn’.” Gechargeerd gezegd: er viel geen touw vast te knopen aan het betoog van de eiser, waardoor de rechter zich niet in staat achtte daarover een inhoudelijk oordeel te vellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.74 De onderhavige zaak is van een andere orde. Het hof heeft zich in deze zaak wel in staat geacht een inhoudelijke beslissing te geven over de rechtsbetrekking in geschil en heeft ten nadele van [eisers] beslist. Uw Raad heeft in een arrest van 18 december 2020 verduidelijkt dat in zo’n geval als uitgangspunt heeft te gelden dat de beslissingen over het ontbreken of ontoereikend zijn van de gestelde grondslag voor toewijzing van de vordering, in een ander geding tussen dezelfde partijen gezag van gewijsde hebben (met weglating van voetnoten uit het origineel, A-G): “3.1.3. Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt, ongeacht of wat gevorderd wordt hetzelfde is. Heeft het andere geding (mede) betrekking op andere geschilpunten dan die waarover in het eerdere geding is beslist, dan strekt het gezag van gewijsde van de beslissing in het eerdere geding zich niet uit tot die andere geschilpunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Dat vergt uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak, mede in het licht van de gedingstukken waarop die uitspraak berust.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.4 Indien een vordering met kracht van gewijsde is afgewezen, en de afwijzing erop is gebaseerd dat de voor de vordering aangevoerde grondslag niet is komen vast te staan of dat deze grondslag de vordering niet kan dragen, kan tot uitgangspunt dienen dat de beslissingen aangaande het ontbreken of niet toereikend zijn van deze grondslag, in een ander geding tussen dezelfde partijen gezag van gewijsde hebben. Dit betekent onder meer dat bij een beroep op gezag van gewijsde, feiten en bewijsmiddelen die in de eerdere procedure niet ter staving van de gestelde grondslag zijn aangevoerd, in een ander geding niet alsnog in het kader van dezelfde grondslag aan de vordering ten grondslag kunnen worden gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gezag van gewijsde kan evenwel niet eraan in de weg staan dat in een ander geding dezelfde of een soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit geldt ongeacht of deze andere grondslag ook reeds in de eerdere procedure aangevoerd had kunnen worden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.75 De slotsom is dat ook dit onderdeel faalt. Een afwijzing van de vorderingen van [eisers] is het juiste dictum en die afwijzing heeft gezag van gewijsde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotbeschouwing 4.76 Alle klachten van het cassatieberoep zijn ongegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.77 Mocht Uw Raad mij hierin volgen, dan krijgen [eisers] in deze procedure nul op het rekest: geen verklaring voor recht dat NedTrain aansprakelijk is voor de door hen geleden en nog te lijden schade en geen schadevergoeding. Een dergelijke afloop van deze zaak heeft iets onbevredigends, omdat op zijn minst niet kan worden uitgesloten dat een aantal personen een schadevergoeding misloopt waarop hij/zij recht zou hebben gehad, indien de vordering op individueel niveau voldoende zou zijn onderbouwd. Uit het bestreden arrest en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof leid ik af dat ook het hof hiervoor oog heeft gehad. Omdat [eisers] hun vorderingen echter steeds hebben gebaseerd op en hebben toegelicht met algemene stellingen, heeft een toetsing aan de regels van het aansprakelijkheidsrecht en de bijbehorende regels van stelplicht en bewijslast het hof naar een afwijzend oordeel over die vorderingen geleid. Dat oordeel is wat mij betreft goed navolgbaar – zoals ik heb geschetst, is de rek in het aansprakelijkheidsrecht niet oneindig – maar dat laat onverlet dat de uitkomst teleurstelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Deze feiten zijn, met redactionele aanpassingen, ontleend aan het bestreden arrest: hof ’s-Hertogenbosch 12 maart 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:754, JA 2024/93 m.nt. Chr.H. van Dijk, rov. 3.2.1.-3.2.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 10 bij incidenteel verweer van [eisers] Productie 2 bij vordering in incident tot verwijzing naar de civiele rechter tevens conclusie van antwoord van NedTrain.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2021:494) voor HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1806, NJ 2021/397, JAR 2022/15 m.nt. B. Barentsen en TRA 2022/24 m.nt. M.S.A. Vegter (Defensie-zaak), leader en randnummer 1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">RIVM, Chroom-6 bij het re-integratieproject tROM: gezondheidsrisico’s en verantwoordelijkheden. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen, nr. 2018-0164, 31 januari 2019. Het rapport is overgelegd als productie 20 bij de memorie van grieven van NedTrain. Online raadpleegbaar op: www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2018-0164.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">RIVM, Chroom-6 bij het re-integratieproject tROM: gezondheidsrisico’s en verantwoordelijkheden. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen, 31 januari 2019, nr. 2018-0164, p. 31-32.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst die het hof heeft weggelaten, luidt: “Datzelfde geldt voor trajectbegeleiders van de gemeente Tilburg en andere betrokkenen.” Ongelukkig hieraan is dat in de weergave van het hof de laatste volzin (dus: “De blootstelling is voor hen wel aanmerkelijk geringer geweest.”) lijkt te verwijzen naar deelnemers aan het tROM-project die niet aan de treinen werkten maar wel in de loods aanwezig waren, terwijl ik denk dat het RIVM heeft bedoeld te verwijzen naar trajectbegeleiders van de gemeente en andere betrokkenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">RIVM, Nadelige gezondheidseffecten en ziekten veroorzaakt door chroom-6. Indeling in categorieën van causaliteit in relatie tot chroom-6-blootstelling, 31 januari 2019, nr. 2018-0166, p. 7-8. Online raadpleegbaar op: www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2018-0166.pdf. Dit rapport is in het geding gebracht als productie 23 bij de memorie van grieven van NedTrain. Opmerkelijk is dat het hof niet heeft verwezen naar de geactualiseerde versies van het rapport (nrs. 2020-0021 en 2021-0176), die zijn overgelegd als producties 32 en 33 bij de memorie van antwoord in incidenteel appel van NedTrain. Online raadpleegbaar op: www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2021-0176.pdf. Zie voor de samenvatting van de bevindingen p. 9-10 van dit rapport. In de geactualiseerde versies zijn meer nadelige gezondheidseffecten en ziekten genoemd. Ter illustratie noem ik de eerste twee bevindingen zoals vermeld in de samenvatting van het rapport uit 2021: “• Chroom-6 kan longkanker, neus- en neusbijholtekanker, perforatie van het neustussenschot door chroomzweren, chronische longziekten (zoals COPD, longfibrose), chroom-6 gerelateerde allergische astma, allergische rhinitis en allergisch contacteczeem veroorzaken bij mensen. • Chroom-6 wordt ervan verdacht maagkanker en strottenhoofdkanker te kunnen veroorzaken bij mensen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Tilburg, Regeling tegemoetkoming chroom-6, p. 4-5, online raadpleegbaar op: www.tilburg.nl/fileadmin/files/Gemeente/Actueel/chroom_6/definitieve-regeling-tegemoetkoming-chroom_6-feb-2021.pdf. Deze regeling is overgelegd als productie 7 bij inleidende dagvaarding van [eisers] Toelichting bij Regeling tegemoetkoming chroom-6, opgenomen in Gemeente Tilburg, Regeling tegemoetkoming chroom-6, p. 11-12. Overgelegd als productie 7 bij inleidende dagvaarding van [eisers] Bijlage 2 bij Regeling tegemoetkoming chroom-6, opgenomen in Gemeente Tilburg, Regeling tegemoetkoming chroom-6, p. 9. Deze bijlage is te vinden in productie 7 bij inleidende dagvaarding van [eisers] Deze samengevatte weergave van de vorderingen die [eisers] in eerste aanleg hebben ingesteld, is overgenomen uit het bestreden arrest: hof ’s-Hertogenbosch 12 maart 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:754, JA 2024/93 m.nt. Chr.H. van Dijk, rov. 3.4. In feitelijke instanties was de groep eisers groter dan die van de huidige 27 eisers tot cassatie. Voor de leesbaarheid wordt steeds [eisers] aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering in incident tot verwijzing naar de civiele rechter tevens conclusie van antwoord van NedTrain, p. 10 e.v. Het incident over de vraag of de kantonrechter dan wel de kamer voor andere kantonzaken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevoegd was om over de zaak te oordelen, doet in cassatie niet ter zake en laat ik daarom onbesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Zeeland-West-Brabant 22 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4706, JA 2021/145 m.nt. Y. Bosschaart, dictum. De rechtbank heeft de vordering van drie van de 33 eisers afgewezen. Zij hebben geen hoger beroep ingesteld en behoren niet tot de eisers tot cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Zeeland-West-Brabant 22 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4706, JA 2021/145 m.nt. Y. Bosschaart, rov. 4.6.-4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Zeeland-West-Brabant 22 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4706, JA 2021/145 m.nt. Y. Bosschaart, rov. 4.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Zeeland-West-Brabant 22 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4706, JA 2021/145 m.nt. Y. Bosschaart, rov. 4.28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Zeeland-West-Brabant 22 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4706, JA 2021/145 m.nt. Y. Bosschaart, rov. 4.38. De maatstaf is ontleend aan HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, NJ 2019/162 m.nt. S.D. Lindenbergh, JIN 2019/69 m.nt. M.E. Witting, GZR-Updates.nl GZR-A-2020-0129 m.nt. H.M. Quaak en PS-Updates.nl PS 2019-0469 m.nt. F.M. Ruitenbeek-Bart (EBI), rov. 4.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Zeeland-West-Brabant 22 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4706, JA 2021/145 m.nt. Y. Bosschaart, rov. 4.40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Zeeland-West-Brabant 22 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4706, JA 2021/145 m.nt. Y. Bosschaart, rov. 4.41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld is HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, NJ 2020/391 m.nt J. Spier, AB 2019/519 m.nt C.N.J. Kortmann, JB 2019/158 m.nt D.G.J. Sanderink, JM 2020/1 m.nt H.J. Bos, JM 2022/44 m.nt H.S. de Vries, Gst. 2020/5 m.nt R. Stijnen, JA 2020/1 m.nt M.C. Gozoglu &amp; F.T. Oldenhuis, JIN 2020/32 m.nt D.G.J. Sanderink en Jurisprudentie Grondzaken 2019/204 m.nt. F.M.A. van der Loo (Groningse aardbevingen), rov. 2.12.3 e.v. [eisers] hebben hun vorderingen in hoger beroep deels gewijzigd ten opzichte van die in eerste aanleg, maar die wijzigingen zijn in cassatie niet van belang en laat ik daarom onvermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 12 maart 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:754, JA 2024/93 m.nt. Chr.H. van Dijk, rov. 3.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 12 maart 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:754, JA 2024/93 m.nt. Chr.H. van Dijk, dictum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is het in randnummer 1.10 bedoelde samenvattend hoofdrapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 10 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:871 (Defensie-zaak). Uw Raad liet dit oordeel in stand: HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1806, NJ 2021/397, JAR 2022/15 m.nt. B. Barentsen en TRA 2022/24 m.nt. M.S.A. Vegter. Zie over deze zaak nog hierna randnummers 3.16 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie ook ECLI:NL:PHR:2021:494, 3.44 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:871.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: ECLI:NL:PHR:2021:494.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drie van de 30 geïntimeerden in het hoger beroep hebben geen cassatieberoep ingesteld. Zie ook procesinleiding [eisers] , p. 1, voetnoot 1 waaruit blijkt dat een van deze drie personen is overleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze correspondentie komt aan de orde in randnummers 4.33 e.v. van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De problematiek van beroepsziekten speelt niet alleen binnen de traditionele arbeidsverhouding tussen werkgever en werknemer. De problematiek kan zich voordoen bij een bredere groep van werkenden, zoals (naast de klassieke werknemer) de zelfstandige zonder personeel, kleine ondernemers met personeel, uitzendkrachten, oproepkrachten en payrollers. Spiegelbeeldig hieraan is de werkgever soms veeleer opdrachtgever. Vanwege de leesbaarheid zal ik in deze conclusie toch vaak schrijven over werknemers en werkgevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Preciezer is het te spreken van een ‘beweerdelijke’ beroepsziekte, omdat vaak juist in geschil is of de klachten kunnen worden gerelateerd aan de uitoefening van de werkzaamheden. Vanwege de leesbaarheid laat ik dat ‘beweerdelijke’ steeds weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in verband met problemen op het vlak van bewijs (met betrekking tot de toedracht, de al dan niet naleving van voorzorgsmaatregelen en/of causaliteit) onder meer H.J.W. Alt, ‘Werkgeversaansprakelijkheid voor beroepsziekten ex art. 7:658 BW anno 2023: versterking van de procespositie van de werknemer is gewenst’, AV&amp;S 2023/4, p. 15 e.v. alsmede C.J.M. Klaassen, ‘Bewijs(perikelen) in letselschadeprocedures. Enkele opmerkingen, mede in het licht van de recente ontwikkelingen rond beroepsziekten door gevaarlijke stoffen’, VR 2022/94, p. 199 e.v. en E. Boonzaaijer &amp; A.S. Bloo-Kroes, ‘Het bewijs van causaal verband in beroepsziektezaken. Waar staan we en waar moeten we (vooral niet) naartoe?’, MvV 2022/4, p. 148 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de arbeidsrechtelijke omkeringsregel onder meer HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721, NJ 2014/99 m.nt. T. Hartlief, JA 2013/108 m.nt. J. den Hoed en JAR 2013/178 m.nt. E.M. Hoogeveen ([…]), voor proportionele aansprakelijkheid onder meer HR 31 maart 2006, ECLI:NL:2006:AU6092, NJ 2011/250 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, Ars Aequi 2006, p. 736 m.nt. S.D. Lindenbergh, JA 2006/81 m.nt. W.H. Bouman, AV&amp;S 2006/27 m.nt. M.S.A. Vegter, NTBR 2006/44 m.nt. Chr.H. van Dijk en JB 2006/109 m.nt C.L.G.F.H. Albers (Nefalit BV) en voor de toepassing van art. 6:2 lid 2 BW bij verjaring onder meer HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635, NJ 2000/430 m.nt. A.R. Bloembergen (Koninklijke De Schelde) en HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:494, NJ 2017/313 m.nt. J. Spier, JAR 2017/112 m.nt. B. Barentsen, JA 2017/72 m.nt. J.P. Quist, JIN 2017/108 m.nt. J.C.A. Ettema en TRA 2017/63 m.nt. M.S.A. Vegter (Maersk BV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het eerste gezicht optimistischer, althans bij ernstige schendingen van de zorgplicht, lijkt H.J.W. Alt, ‘Werkgeversaansprakelijkheid voor beroepsziekten ex art. 7:658 BW anno 2023: versterking van de procespositie van de werknemer is gewenst’, AV&amp;S 2023/4, p. 15 e.v. Bij nadere beschouwing heeft hij zijn hoop gevestigd op een verruiming van het vermoeden van de omkeringsregel en daarmee op een omgaan van Uw Raad (par. 3.3), een ruimere toepassing van art. 6:99 BW (par. 4.1), althans op wetgevend ingrijpen (par. 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk T. Hartlief, ‘Aansprakelijkheid &amp; Verzekering anno 2023’, AV&amp;S 2023/32, p. 201.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 7.3 en hoofdstuk 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J.B. Boonekamp &amp; W.L Valk (red.), Stelplicht &amp; Bewijslast, commentaar op art. 7:658 BW, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 519 (A.E.B. ter Heide).</p>\n<p class=\"lf-p\">T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 7:658 BW (bijgewerkt tot en met 1 juli 2024), aant. 3 onder c (I.A. van der Burg).</p>\n<p class=\"lf-p\">S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld de conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2021:494) voor HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1806, NJ 2021/397, JAR 2022/15 m.nt. B. Barentsen en TRA 2022/24 m.nt. M.S.A. Vegter, randnummer 3.19 en de NJ-noot van W.D.H. Asser (onder 5) bij HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8369, NJ 2001/596, AV&amp;S 2001, p. 24 m.nt C.J.M. Klaassen en JAR 2000/261 m.nt D.M. Thierry (Unilever/ […]).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld R.J.B. Boonekamp &amp; W.L Valk (red.), Stelplicht &amp; Bewijslast, commentaar op art. 7:658 BW, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 521 (A.E.B. ter Heide) en S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 1. Zie over psychische overbelasting (burn-out) nog de conclusie van A-G Lindenbergh van 7 februari 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:169) in de zaak die bij Uw Raad aanhangig is onder zaaknummer 24/01034.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nrs. 16 en 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8369, NJ 2001/596 m.nt. W.D.H. Asser, AV&amp;S 2001, p. 24 m.nt. C.J.M. Klaassen en JAR 2000/261 m.nt. D.M. Thierry (Unilever/ […]), rov. 5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9666, NJ 2001/597 m.nt. W.D.H. Asser, AV&amp;S 2001, p. 118 m.nt. C.J.M. Klaassen en JAR 2001/39 m.nt. D.M. Thierry (Weststrate/Koninklijke Schelde Groep), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al kan de voorwaarde dat de werknemer moet stellen en zo nodig bewijzen “dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid” weer worden beschouwd als een mitigatie van de regel dat de werknemer moet stellen dat hij schade lijdt in de uitoefening van de werkzaamheden: voldoende is dat hij werkzaamheden heeft verricht onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt. Zie R.J.B. Boonekamp &amp; W.L Valk (red.), Stelplicht &amp; Bewijslast, commentaar op art. 7:658 BW, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 522 (A.E.B. ter Heide).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:536, NJ 2018/291 m.nt. J. Spier, JA 2018/85 m.nt. J.P. Quist, JIN 2018/110 m.nt. J. Hoekstra &amp; J. van Ittersum en JAR 2018/111 m.nt. E.M. Hoogeveen, rov. 3.3.2. Eerder al in sterk vergelijkbare zin HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717, NJ 2014/98 m.nt. T. Hartlief, JA 2013/128 m.nt. J.P.M. Simons en JAR 2013/177 m.nt. E.M. Hoogeveen (SVB), rov. 4.2.2 en 4.2.3 en HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721, NJ 2014/99 m.nt. T. Hartlief, JA 2013/108 m.nt. J. den Hoed en JAR 2013/178 m.nt. E.M. Hoogeveen ([…]), rov. 4.1.2 en 4.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat laat de mogelijkheid van toepassing van het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid open. Zie het slot van dit randnummer 3.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 18, onder verwijzing naar mijn NJ-noot bij HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721, NJ 2014/99, JA 2013/108 m.nt. J. den Hoed en JAR 2013/178 m.nt. E.M. Hoogeveen ([…]), J.T. van der Kroon, ‘Hoeveel hoop gloort er nog voor de werknemer met een multicausaal ziektebeeld?’, TRA 2013/102, afl. 12, p. 17 e.v., Chr.H. van Dijk &amp; L.L. Veendrick, ‘Zorgplichtschending bij beroepsziekten; bewijsproblemen bij het causaal verband: de arbeidsrechtelijke omkeringsregel en het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid’, TVP 2013/4, p. 127 e.v. en L.E.M. Charlier, ‘Beroepsziekten anno 2014. Je kunt ze maar beter niet hebben’, NJB 2014/621, p. 760 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J.B. Boonekamp &amp; W.L Valk (red.), Stelplicht &amp; Bewijslast, commentaar op art. 7:658 BW, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 523 (A.E.B. ter Heide).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld meer recent E. Boonzaaijer &amp; A.S. Bloo-Kroes, ‘Het bewijs van causaal verband in beroepsziektezaken. Waar staan we en waar moeten we (vooral niet) naartoe?’, MvV 2022/4, p. 148 e.v., Y.R.K. Waterman, ‘De opkomst van compensatieregelingen voor beroepsziekten: pappen en nathouden’, TVP 2022/4, p. 113 e.v., H.J.W. Alt, ‘Werkgeversaansprakelijkheid voor beroepsziekten ex art. 7:658 BW anno 2023: versterking van de procespositie van de werknemer is gewenst’, AV&amp;S 2023/4, p. 15 e.v., A. Kolder, ‘Over de grenzen van werkgeversaansprakelijkheid’, AV&amp;S 2023/14, p. 76 e.v. en A.T.J.M. Jacobs &amp; P.M.M. Massuger, Arbeidsovereenkomst (Mon. BW B85), Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 79. Charlier gebruikte de woorden ‘weinig benijdenswaardig’ al in 2014. Zie L.E.M. Charlier, ‘Beroepsziekten anno 2014. Je kunt ze maar beter niet hebben’, NJB 2014/621, p. 760 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit deze gedachte heeft Van Veen bijvoorbeeld bepleit om het vereiste dat het causaal verband ‘niet te onzeker of te onbepaald’ mag zijn, te beschouwen als een lagere drempel dan het condicio sine qua non-verband: W. van Veen, ‘Discussie over causaliteit bij beroepsziekten’, L&amp;S 2022, afl. 4, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in vergelijkbare zin de conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2020:714) voor HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1996, RvdW 2021/43 ([…]) (art. 81 RO), randnummer 3.5 en mijn NJ-noot (onder 26) bij HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721, NJ 2014/99, JA 2013/108 m.nt. J. den Hoed en JAR 2013/178 m.nt. E.M. Hoogeveen ([…]).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in het bijzonder de conclusie van A-G Spier (ECLI:NL:PHR:2013:BZ1717) voor HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717, NJ 2014/98 m.nt. T. Hartlief, JA 2013/128 m.nt. J.P.M. Simons en JAR 2013/177 m.nt. E.M. Hoogeveen (SVB), randnummers 4.1 e.v. en de conclusie van A-G Spier (ECLI:NL:HR:2013:BZ1721) voor HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721, NJ 2014/99 m.nt. T. Hartlief, JA 2013/108 m.nt. J. den Hoed en JAR 2013/178 m.nt. E.M. Hoogeveen ([…]), randnummers 4.1 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer mijn NJ-noot (onder 13 e.v.) bij HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721, NJ 2014/99, JA 2013/108 m.nt. J. den Hoed en JAR 2013/178 m.nt. E.M. Hoogeveen ([…]) en het vervolg in die zaak die uiteindelijk is uitgemond in een vergoedingsplicht van 25% van de schade van de nabestaanden (van wie uiteindelijk alleen de dochter van de voormalig werknemer de uitkomst van de procedure mocht meemaken): HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1996, RvdW 2021/43 ([…]) (art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 48.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3290, NJ 2006/147 m.nt. C.J.H. Brunner, JBPr 2005/19 m.nt. C.J.M. Klaassen en JA 2005/14 m.nt. W.H. van Boom (Eternit BV), rov. 3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk HR 20 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1996, NJ 2009/610 en Ars Aequi 2009, p. 646 e.v. m.nt. T. Hartlief (M/V Communicatie), rov. 3.5 over de toepassing van het ‘gewone’ regime op het vlak van stelplicht en bewijslast en van eigen schuld van de werknemer bij toepassing van art. 7:611 BW in plaats van het art. 7:658 BW-regime.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 51.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hier weergegeven feiten heb ik ontleend aan HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1806, NJ 2021/397, JAR 2022/15 m.nt. B. Barentsen en TRA 2022/24 m.nt. M.S.A. Vegter, rov. 2.1 e.v., op een enkel punt aangevuld met de feitenweergave uit de voorafgaande conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2021:494), randnummers 1.1-1.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 10 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:871 (Defensie-zaak), dictum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 10 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:871 (Defensie-zaak), rov. 7.1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 10 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:871 (Defensie-zaak), rov. 7.1.6.-7.1.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1806, NJ 2021/397, JAR 2022/15 m.nt. B. Barentsen en TRA 2022/24 m.nt. M.S.A. Vegter. Uw Raad heeft de klachten van het cassatiemiddel afgedaan met toepassing van art. 81 RO (rov. 3.4), met uitzondering van één klacht over de volgende overweging van het hof uit rov. 7.1.7.: “Aldus heeft de Staat in wezen haar [lees: zijn, A-G] aansprakelijkheid jegens [appellanten c.s.] erkend.” Die klacht heeft Uw Raad gemotiveerd verworpen in rov. 3.2-3.3. Zie over deze zaak ook nog B.J. van Ettekoven, T. Hartlief, J.E.M. Polak, B.P.M. van Ravels, R. Rijnhout, R.J.B. Schutgens, M.K.G. Tjepkema &amp; R.J.G.M. Widdershoven, ‘Overheidsaansprakelijkheid anno 2023: de stand van de rechtsontwikkeling’, O&amp;A 2023/27, par. 7.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van de leesbaarheid heb ik witregels geplaatst tussen de delen van de opsomming.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nrs. 1 en 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lijkt mij goed te vermelden dat ik deel uitmaakte van deze commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te raadplegen op https://open.overheid.nl/documenten/ronl-d0ba5d02-6c3b-4c4a-a5e2-4b826a972500/pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bevindingen heb ik ontleend aan de samenvatting van het eindrapport van de commissie-Heerts (commissie vergemakkelijking schadeafhandeling beroepsziekten), Stof tot nadenken. Stap vooruit, maak werk van preventie en erkenning’, Den Haag: maart 2020, p. 9-15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens heeft De Letselschade Raad eind 2020 wel een Leidraad Afwikkeling Beroepsziektezaken gelanceerd. Deze leidraad is online te vinden op https://deletselschaderaad.nl/wp-content/uploads/Leidraad-Afwikkeling-Beroepsziektezaken-1.pdf. Het doel van de Leidraad is om de afhandeling van beroepsziekteclaims te stroomlijnen en te verbeteren. De Leidraad beoogt binnen het aansprakelijkheidsrecht de handelwijzen van bij afwikkeling betrokken professionals beter op elkaar af te stemmen. Rode draad is dat de afhandeling van beroepsziekteclaims verbetert wanneer partijen samenwerken: ‘samen optrekken’ in een gedeeld belang bij helderheid, voortvarendheid en beperking van financiële en emotionele lasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat vooral in de eerste fase van de claimbehandeling winst te behalen is, is voorzien in een stappenplan dat de afhandeling kan verkorten en minder belastend kan maken. In de kern is de lijn: ‘aftikken’ waar men het over eens is en samen vaststellen waarover niet, om vervolgens een daarop gerichte vervolgactie af te spreken, bijvoorbeeld de gezamenlijke benoeming van een deskundige, wiens kosten in eerste instantie dan ook worden gedeeld. Nu het civiele aansprakelijkheidsrecht (met zijn knelpunten) bij die afhandeling centraal blijft staan, ga ik hier in de hoofdtekst niet verder op in. Zie over de Leidraad bijvoorbeeld M.R. Hebly, ‘Compensatie voor beroepsziekten: tijden van verandering’, AV&amp;S 2021/1, p. 1-3 en H. de Hek, ‘De Gedragscode Afhandeling Beroepsziekteclaims: een stap vooruit’, Afwikkeling Personenschade 2021, afl. 2, p. 33 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Commissie-Heerts, Stof tot nadenken. Stap vooruit, maak werk van preventie en erkenning’, Den Haag: maart 2020, p. 23-24. Het inzicht dat fundamentele verbetering niet binnen het aansprakelijkheidsrecht te realiseren is, is wijd verbreid. In dit verband groeit ook de steun voor de figuur van de directe verzekering, waar ik mij bij diverse gelegenheden ook sterk voor heb gemaakt. Zie in dit verband bijvoorbeeld T. Hartlief, ‘Aansprakelijkheidsrecht in de polder’, NJB 2020/569, p. 601, S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nrs. 60 en 61, M.R. Hebly, ‘Compensatie voor beroepsziekten: tijden van verandering’, AV&amp;S 2021/1, p. 3, M.G. Faure, ‘Eindelijk naar een directe beroepsrisicoverzekering in Nederland?’, TPR 2021, p. 1559 e.v., Y.R.K.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterman, ‘De opkomst van compensatieregelingen voor beroepsziekten: pappen en nathouden’, TVP 2022/4, p. 118 e.v., M.R. Hebly, ‘Compensatie voor beroepsziekten: waar staan we?’, AV&amp;S 2023/1, p. 2, C.J.M. Klaassen, ‘De Commissie Heerts: wie, wat, waarom? En waartoe heeft het geleid?’, AV&amp;S 2023/2, p. 10, A. Kolder, ‘Over de grenzen van werkgeversaansprakelijkheid’, AV&amp;S 2023/14, p. 83 e.v., T. Hartlief, ‘Opkomst en ondergang van de schadefondsen voor personenschade?’, TVP 2023/1, p. 10 e.v., T. Hartlief, ‘Aansprakelijkheid &amp; Verzekering anno 2023’, AV&amp;S 2023/32, p. 191-192, T. Hartlief, ‘Ieder draagt zijn eigen schade’, RM Themis 2024, p. 5-6, T. Hartlief, ‘Beretrots op het personenschaderecht anno 2024?’, VR 2024/74, p. 204 e.v. en T.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hartlief, ‘Overheidstegemoetkoming voor zorgmedewerkers met long covid: schaamlap of nieuw begin?’, O&amp;A 2024/1, p. 1-2. Ook de commissie-Heerts ziet, als gezegd, heil in het exploreren van deze optie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Haar aanbevelingen zijn grotendeels door het kabinet overgenomen. Als uitvloeisel van de aanbevelingen van de commissie-Heerts is er nu behalve een Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten ook een Landelijk Expertisecentrum Stoffengerelateerde Beroepsziekten (Lexces) en een Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke stoffen, naast het Instituut Asbestslachtoffers (IAS). Zie over het rapport van de commissie-Heerts en het daarop afgestemde kabinetsbeleid onder meer C.J.M. Klaassen, ‘De Commissie Heerts: wie, wat, waarom? En waartoe heeft het geleid?’, AV&amp;S 2023/2, p. 4 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze thematiek uitgebreider onder meer R.J.B. Schutgens, ‘Afhandeling van schade via schaderegelingen. Over de verhouding van het groeiend aantal (quasi)publiekrechtelijke schaderegelingen tot het traditionele domein van het (overheids)aansprakelijkheidsrecht’, in I. Giesen, E.R. de Jong &amp; R.J.B. Schutgens, De spankracht van de civiele rechter, preadviezen Vereniging voor Burgerlijk Recht, Zutphen: Paris 2022, p. 81 e.v., C. Ruppert, Regelingen voor collectieve schade. Geef slachtoffers erkenning en genoegdoening, Den Haag: Boom juridisch 2023 en ook R. Rijnhout, ‘Bespreking van C. Ruppert, Regelingen voor collectieve schade. Geef slachtoffers erkenning, Den Haag: Boom Juridisch 2021’, O&amp;A 2022/76, p. 163 e.v. Zie verder nog J. Sap, ‘Op weg naar de-escalatie in de letselschaderegeling’, VR 2024/62, p. 162 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten, Stcrt. 2022/31978, laatstelijk gewijzigd op 25 november 2024, Stcrt. 2024/39288. Enigszins gechargeerd gezegd verspreiden de overheidstegemoetkomingsregelingen zich inmiddels als een inktvlek (en steeds sneller) over het terrein van de beroepsziekten: ooit is het in 1993 begonnen met een regeling in de sfeer van mesothelioom en (later) andere asbestgerelateerde ziekten, vervolgens kwam er in 2020 een regeling voor de zogenoemde schildersziekte (OPS), in 2023 werd de al genoemde TSB ingevoerd waarna eind 2023 weer een (in 2024 alweer uitgebreide en qua hoogte van de tegemoetkoming aangepaste) tegemoetkomingsregeling is geïntroduceerd voor zorgmedewerkers die tijdens de coronacrisis long covid hebben opgelopen. Zie T. Hartlief, ‘Overheidstegemoetkoming voor zorgmedewerkers met long covid: schaamlap of nieuw begin?’, O&amp;A 2024/1, p. 1-2 en Kamerstukken II 2023-2024, 25 295, nr. 2181.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover Kamerstukken II 2014-2015, 29 628, nr. 468.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling uitkering chroom-6 Defensie, Stcrt. 2018/31510, laatstelijk gewijzigd op 28 mei 2021, Stcrt. 2021/28073.</p>\n<p class=\"lf-p\">KLM, Collectieve Regeling Uitkering chroom-6 en ondersteuning bij blootstelling, versie van 24 oktober 2022. Online raadpleegbaar op https://assets.foleon.com/eu-central-1/de-uploads-7e3kk3/2171/collectieve_regeling_uitkering_chroom-6_en_ondersteuning_bij_blo.cd76d33eae88.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">NS, Regeling uitkering chroom-6 Nederlandse Spoorwegen. Online raadpleegbaar op www.ns.nl/binaries/_ht_1710335519242/content/assets/ns-nl/over-ons/chroom-6/regeling-chroom-6-ns-1.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook B.J. van Ettekoven, T. Hartlief, J.E.M. Polak, B.P.M. van Ravels, R. Rijnhout, R.J.B. Schutgens, M.K.G. Tjepkema &amp; R.J.G.M. Widdershoven, ‘Overheidsaansprakelijkheid anno 2023: de stand van de rechtsontwikkeling’, O&amp;A 2023/27, p. 104 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schutgens, die zich in zijn onderzoek overigens niet beperkt tot schade als gevolg van beroepsziekten, onderscheidt bijvoorbeeld vier typen schaderegelingen. Zie R.J.B. Schutgens, ‘Afhandeling van schade via schaderegelingen. Over de verhouding van het groeiend aantal (quasi)publiekrechtelijke schaderegelingen tot het traditionele domein van het (overheids)aansprakelijkheidsrecht’, in I. Giesen, E.R. de Jong &amp; R.J.B. Schutgens, De spankracht van de civiele rechter, preadviezen Vereniging voor Burgerlijk Recht, Zutphen: Paris 2022, p. 83. Zie voor een analyse van 52 Nederlandse regelingen voor collectieve schade (die zich ook weer niet beperken tot beroepsziekten maar een veel ruimer bereik kennen) C. Ruppert, Regelingen voor collectieve schade. Geef slachtoffers erkenning en genoegdoening, Den Haag: Boom juridisch 2023 en in verband daarmee ook R. Rijnhout, ‘Bespreking van C. Ruppert, Regelingen voor collectieve schade. Geef slachtoffers erkenning, Den Haag: Boom Juridisch 2021’, O&amp;A 2022/76, p. 163 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk T. Hartlief, ‘Beretrots op het personenschaderecht anno 2024?’, VR 2024/74, p. 197.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel bieden de regelingen soms ruimte voor differentiatie in de hoogte van de tegemoetkoming. Die hoogte wordt dan afhankelijk gesteld van bijvoorbeeld de duur van de blootstelling of de aard van de gezondheidsklachten. Zie over de vraag hoe benadeelden standaardisatie van schadevergoeding in complexe schadezaken ervaren R. Rijnhout &amp; A.M. Overheul, ‘Standaardisering van schadevergoeding in beroepsziektezaken’, in L. Dalhuisen, S. van Deursen, E.R. de Jong, R. Kool &amp; D. van Maurik (red.), Rechtvaardig redresseren. Een verkennend juridisch-empirisch onderzoek naar rechtvaardigheidsopvattingen over remedies bij verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, Den Haag: Boom juridisch 2025, p. 143 e.v. en ook M. Overheul, K. van den Bos &amp; R. Rijnhout, ‘Reactions to no-fault compensation schemes for occupational diseases in the Netherlands: the role of perceived procedural justice, outcome concerns and trust in authorities’, International Journal of Law in Context 2025, p. 1 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld artikel 2 lid 2 van de collectieve regeling van KLM (voetnoot 80) en artikel 2 lid 2 van de Regeling tegemoetkoming chroom-6 uit de onderhavige zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook B. Barentsen, ‘Werkgeversaansprakelijkheid en compensatieregelingen’, O&amp;A 2022/75, p. 101-102 en in vergelijkbare zin de JAR-noot van B. Barentsen alsmede de TRA-noot (onder 3) van M.S.A. Vegter bij HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1806, NJ 2021/397, JAR 2022/15 en TRA 2022/24. Barentsen en Vegter schrijven dat uitkeringen uit hoofde van een uitkerings- of tegemoetkomingsregeling en civiele aansprakelijkheid “in beginsel” respectievelijk “formeel” gescheiden werelden zijn, maar onderkennen dat omstandigheden in het kader van de (toekenning van een) uitkering of tegemoetkoming een rol kunnen spelen in een aansprakelijkheidszaak. Zie ook B.J. van Ettekoven, T. Hartlief, J.E.M. Polak, B.P.M. van Ravels, R. Rijnhout, R.J.B. Schutgens, M.K.G. Tjepkema &amp; R.J.G.M. Widdershoven, ‘Overheidsaansprakelijkheid anno 2023: de stand van de rechtsontwikkeling’, O&amp;A 2023/27, p. 105-106.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo bijvoorbeeld reeds R.J.B. Schutgens, ‘Afhandeling van schade via schaderegelingen. Over de verhouding van het groeiend aantal (quasi)publiekrechtelijke schaderegelingen tot het traditionele domein van het (overheids)aansprakelijkheidsrecht’, in I. Giesen, E.R. de Jong &amp; R.J.B. Schutgens, De spankracht van de civiele rechter, preadviezen Vereniging voor Burgerlijk Recht, Zutphen: Paris 2022, p. 98 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Langs deze lijnen had het hof bijvoorbeeld geoordeeld in de hiervoor besproken Defensie-zaak, zie rov. 7.1.7. van het arrest van het hof (geciteerd in randnummer 3.17).</p>\n<p class=\"lf-p\">Die vraag zal zowel onder de noemer van art. 6:97 BW (schadebegroting) als van art. 6:100 BW (voordeelsverrekening) aan de orde kunnen komen. Zie HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483, NJ 2017/262 m.nt. S.D. Lindenbergh en m.nt. J.S. Kortmann, Ars Aequi 2017, p. 41 e.v. m.nt. W.H. van Boom en JOR 2016/322 m.nt. M.M.C. van de Moosdijk (TenneT/ABB), rov. 4.4.2-4.4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover uitvoeriger R.J.B. Schutgens, ‘Afhandeling van schade via schaderegelingen. Over de verhouding van het groeiend aantal (quasi)publiekrechtelijke schaderegelingen tot het traditionele domein van het (overheids)aansprakelijkheidsrecht’, in I. Giesen, E.R. de Jong &amp; R.J.B. Schutgens, De spankracht van de civiele rechter, preadviezen Vereniging voor Burgerlijk Recht, Zutphen: Paris 2022, p. 100, B. Barentsen, ‘Werkgeversaansprakelijkheid en compensatieregelingen’, O&amp;A 2022/75, p. 161-162 en A.M. Overheul, ‘Compensatieregelingen voor beroepsziekten als alternatieve route voor het aansprakelijkheidsrecht’: twee gedachtes’, AV&amp;S 2023/3, p. 13 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 20 maart 2019 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde de afwikkeling van massaschade in een collectieve actie mogelijk te maken (Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie), Stb. 2019/130. Zie voor het tijdstip van inwerkingtreding Stb. 2019/447.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 119a lid 2 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 6 april 1994 tot regeling van de bevoegdheid van bepaalde rechtspersonen om ter bescherming van de belangen van andere personen een rechtsvordering in te stellen, Stb. 1994/269. Zie voor het tijdstip van inwerkingtreding, Stb. 1994/391.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991-1992, 22 486, nr. 3, p. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 23 juni 2005 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde de collectieve afwikkeling van massaschades te vergemakkelijken, Stb. 2005/340. Zie voor het tijdstip van inwerkingtreding, Stb. 2005/380. Deze wet is later gewijzigd. Zie daarvoor Wet van 26 juni 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet teneinde de collectieve afwikkeling van massavorderingen verder te vergemakkelijken (Wet tot wijziging van de Wet collectieve afwikkeling massaschade), Stb. 2013/255. Zie voor het tijdstip van inwerkingtreding, Stb. 2013/256.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de uitgebreidere formulering art. 7:907 lid 1 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband bijvoorbeeld D.J. Beenders &amp; J.A.M. Gijsbers, ‘Immateriële schadevergoeding in collectieve actie’, MvV 2023/12, p. 421 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof Amsterdam is exclusief bevoegd om kennis te nemen van het verzoekschrift waarmee het verzoek tot verbindendverklaring wordt ingeleid (art. 1013 lid 3 Rv). Zie over de redelijkheidstoetsing nader en met verdere verwijzingen naar literatuur en rechtspraak T&amp;C BW, art. 7:907 BW (actueel tot en met 1 september 2024), aant. 5 onder b (B.J. Broekema-Engelen) en GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:907 BW (actueel tot en met 13 december 2023), aant. 11.1 (C.J.M. van Doorn) Zie in dit verband onder meer T. Hartlief, ‘Massaschade en de regelende rechter’, NJB 2017/2138, p. 2935, J.L. Smeehuijzen &amp; A.J. Verheij, ‘Vergt het wetsvoorstel afwikkeling massaschade een bijzondere wijze van schadeberekening? Nee’, NJB 2018/1241, p. 1794 e.v., C.M.D.S. Pavillon, ‘Leent het materiële privaatrecht zich voor de afwikkeling van massaschade?’, RM Themis 2019, p. 163 e.v., M.A. Loth, ‘Uit de ban van corrigerende rechtvaardigheid. Over de begroting en afwikkeling van massaschade’, NTBR 2020/21, p. 153 e.v. en D.L. Barbiers, ‘Beoordeling van schadevergoedingsvorderingen door de rechter in collectieve actie’, NTBR 2020/35, p. 240 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0357, NJ 2013/219 m.nt. M.M. Mendel (Reaal/Athlon).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk Kamerstukken II 2017/2018, 34 608, nr. 6, p. 18 en HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5756, NJ 2011/473 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2010/30 m.nt. W.P. Wijers (Baas in Eigen Huis/Plazacasa), rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Den Haag 6 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3182, rov. 3.21.-3.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam 25 oktober 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6694, JOR 2023/294 m.nt. T.M.C. Arons, JBP 2024/16 m.nt. Q.R. Pilon en Computerrecht 2024/63 m.nt. J. Doerga, rov. 2.44.4.: “De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het gebruik van de TikTok Dienst een eventuele vordering tot immateriële schadevergoeding van iedere gebruiker zozeer afhangt van de individuele situatie van die gebruiker, dat geen sprake is van een bundelbare (voldoende gelijksoortige) vordering. Het betoog van de stichtingen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen gegeven de aard en de ernst van de privacy schendingen wordt niet gevolgd. Ook daarvoor is nodig dat nadelige gevolgen voor alle gebruikers voor de hand liggen, en daar is in dit geval geen sprake van. Dit geval wijkt wat dat betreft dan ook af van gevallen zoals die eerder in de rechtspraak aan de orde waren, zoals immateriële schade bij aardbeving. De vorderingen tot vergoeding van immateriële schade zijn dus niet voldoende bundelbaar en daarom niet ontvankelijk.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, NJ 2019/162 m.nt. S.D. Lindenbergh, JIN 2019/69 m.nt. M.E. Witting, GZR-Updates.nl GZR-A-2020-0129 m.nt. H.M. Quaak en PS-Updates.nl PS 2019-0469 m.nt. F.M. Ruitenbeek-Bart, rov. 4.2.1-4.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook D.L. Barbiers, ‘Vaststelling van immateriële schadevergoeding voor aardbevingsslachtoffers: collectief of individueel?’, AV&amp;S 2022/13, p. 68 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, NJ 2020/391 m.nt J. Spier, AB 2019/519 m.nt C.N.J. Kortmann, JB 2019/158 m.nt D.G.J. Sanderink, JM 2020/1 m.nt H.J. Bos, JM 2022/44 m.nt H.S. de Vries, Gst. 2020/5 m.nt R. Stijnen, JA 2020/1 m.nt M.C. Gozoglu &amp; F.T. Oldenhuis, JIN 2020/32 m.nt D.G.J. Sanderink en Jurisprudentie Grondzaken 2019/204 m.nt. F.M.A. van der Loo (Groningse aardbevingen), rov. 2.12.3 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1534, NJ 2021/363 m.nt. J. Spier en JM 2022/45 m.nt. H.S. de Vries.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uw Raad verwijst daarbij naar Parl. Gesch. Boek 6, p. 378, 381 en 383. Zie op dit spoor eigenlijk ook nog D.J. Beenders &amp; J.A.M. Gijsbers, ‘Immateriële schadevergoeding in collectieve actie’, MvV 2023/12, p. 421 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, NJ 2020/391 m.nt J. Spier, AB 2019/519 m.nt C.N.J. Kortmann, JB 2019/158 m.nt D.G.J. Sanderink, JM 2020/1 m.nt H.J. Bos, JM 2022/44 m.nt H.S. de Vries, Gst. 2020/5 m.nt R. Stijnen, JA 2020/1 m.nt M.C. Gozoglu &amp; F.T. Oldenhuis, JIN 2020/32 m.nt D.G.J. Sanderink en Jurisprudentie Grondzaken 2019/204 m.nt. F.M.A. van der Loo (Groningse aardbevingen), rov. 2.13.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10717.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie overtuigend S.D. Lindenbergh, ‘Over collectieve afdoening van smartengeldvorderingen’, NJB 2024/1050, p. 1308 e.v. en eerder al S.D. Lindenbergh, Smartengeld, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 519.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo ook J.L. Smeehuijzen &amp; A.J. Verheij, ‘Vergt het wetsvoorstel afwikkeling massaschade een bijzondere wijze van schadeberekening? Nee’, NJB 2018/1241, p. 1798 en C.M.D.S. Pavillon, ‘Leent het materiële privaatrecht zich voor de afwikkeling van massaschade?’, RM Themis 2019, p. 175 en specifiek over gegevensbeschermingszaken M.C. Samsom, ‘Normering van schadevergoeding in gegevensbeschermingszaken’, AV&amp;S 2022/3, p. 15-17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld C.J.M. van Doorn, De mensen achter de grote getallen, Een empirisch-juridisch onderzoek naar de belangen van benadeelden in situaties van massaschade, diss., Den Haag: Boom juridisch 2024, p. 428: “Hoe minder gemakkelijk de schade in euro’s uitgedrukt kan worden, hoe meer het geldbedrag een symbolische rol lijkt te spelen en hoe minder groot de noodzaak van een concrete en volledige schadeberekening daarmee voor benadeelden zelf is.” Zie ook C.J.M. van Doorn, ‘De mensen achter de grote getallen. Over de belangen van benadeelden in situaties van massaschade en hoe recht en praktijk daaraan (meer) tegemoet kunnen komen’, TVP 2024/3, p. 65 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie S.D. Lindenbergh, ‘Over collectieve afdoening van smartengeldvorderingen’, NJB 2024/1050, p. 1316.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding spreekt over ‘immateriële schadevergoeding’, maar die terminologie neem ik bewust niet over, omdat de schadevergoeding als zodanig altijd een materieel karakter heeft. De term ‘immateriële schadevergoeding’ wordt veel gebruikt, maar betekent niet hetzelfde als vergoeding van immateriële schade, terwijl dat wel wordt bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, randnummer 1.1., p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidenteel appèl houdende memorie van grieven in het incident houdende vermindering van eis tevens memorie van antwoord in het principaal appèl van [eisers] , p. 63. Zie in vergelijkbare zin de pleitaantekeningen van de zijde van [eisers] voor de mondelinge behandeling in het hoger beroep van 22 september 2023, p. 5: “De kans op verdere gezondheidsschade in de toekomst geeft voldoende aanleiding voor gegronde angst.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, randnummer 1.2., p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de verhouding tussen art. 7:658 BW en andere aansprakelijkheidsgrondslagen ook hiervoor in randnummers 3.14 en 3.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nrs. 113-115 (B.T.M. van der Wiel) met verwijzingen naar rechtspraak van Uw Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, randnummer 1.2., p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op hoofdlijnen weergegeven in rov. 3.14.1.-3.14.9. uit het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een toepassing hiervan onder (veel) meer HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:987, NJ 2017/372 m.nt. J. Spier, Gst. 2017/187 m.nt. T. Barkhuysen en P.M.J.J. Swagemakers, JB 2017/149 en JIN 2017/203 m.nt. L.J.M. Timmermans, JAR 2017/171 m.nt. B. Barentsen en JOR 2017/263 m.nt. S.A.L. van de Sande &amp; D. van Tilborg, rov. 3.4.5-3.4.6 en HR 15 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1754, RvdW 2024/29 ([…] c.s./ […]), rov. 3.3.2. Zie ook Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Deel 3. Bewijs, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 288: “De tekst van art. 150 Rv die uitgaat van gestelde feiten en een beroep op de rechtsgevolgen daarvan, suggereert dat een partij die zich beroept op bepaalde rechtsgevolgen al aan haar stelplicht zou hebben voldaan. De werkelijkheid is anders, omdat nogal eens een beroep wordt gedaan op een rechtsgevolg (bijvoorbeeld de verplichting van de wederpartij tot vergoeding van schade) terwijl bijvoorbeeld bij gebrek aan (…) feitelijke informatie niet volledig aan de stelplicht is voldaan. Het kan ook zijn dat het verweer van de wederpartij kan meebrengen dat niet kan worden volstaan met wat aanvankelijk was gesteld en de stellingen moeten worden aangevuld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">V. van den Brink, ‘Stellen, betwisten, bewijzen – een handleiding’, Praktisch Procederen 2008-4, p. 91.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, randnummer 2.2., p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie expliciet in dezelfde zin rov. 3.12. van het bestreden arrest: “Het hof is van oordeel dat (…) [eisers] , in het licht van de gemotiveerde stellingen en betwistingen van NedTrain [onderstreping van mij, A-G], onvoldoende hebben gesteld ter onderbouwing van hun vorderingen. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidenteel appèl houdende memorie van grieven in het incident houdende vermindering van eis tevens memorie van antwoord in het principaal appèl van [eisers] , randnummer 1.2, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidenteel appèl houdende memorie van grieven in het incident houdende vermindering van eis tevens memorie van antwoord in het principaal appèl van [eisers] , randnummer 1.5, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in incidenteel appel van NedTrain, randnummer 2.11, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in incidenteel appel van NedTrain, randnummer 2.11, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van mondelinge behandeling van 22 september 2023, p. 7-8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van mondelinge behandeling van 22 september 2023, p. 17-18. De toevoeging ‘duidelijk’ nam ik in deze volzin in de hoofdtekst op, met het oog op de laatste regel uit het citaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">E-mail van mr. Bedaux van 25 juni 2024 aan het hof ’s-Hertogenbosch.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, randnummer 2.3., laatste alinea, p. 8 (met vervolg op p. 9).</p>\n<p class=\"lf-p\">Terzijde: in het subonderdeel wordt ten onrechte vermeld dat de kop van de relevante kolom uit het overzicht (productie 21 bij incidenteel appèl houdende memorie van grieven in het incident houdende vermindering van eis tevens memorie van antwoord in het principaal appèl van [eisers] ) ‘Toev. nr hoger beroe’ is. De woorden ‘hoger beroe’ ontbreken in de kop. Op het voorblad van de memorie van antwoord bevat de kolom met nummers geen kop.</p>\n<p class=\"lf-p\">E-mail van mr. Bedaux van 25 juni 2024 aan het hof ’s-Hertogenbosch.</p>\n<p class=\"lf-p\">E-mail van mr. Kruitwagen van 25 juni 2024 aan het hof ’s-Hertogenbosch en mr. Bedaux.</p>\n<p class=\"lf-p\">E-mail van mr. Van Rijkom van hof ’s-Hertogenbosch van 25 juni 2024 aan mrs. Kruitwagen en Bedaux.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, randnummer 2.3., tweede alinea (tweede helft), p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik doel in dit randnummer op de klachten in het subonderdeel die staan vermeld in de procesinleiding van [eisers] , randnummer 2.3. (slot van de alinea), p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: CvA, § 43 en prod. 3 NedTrain.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, randnummer 2.4., p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering in incident tot verwijzing naar de civiele rechter tevens conclusie van antwoord van NedTrain, randnummers 42. en 43., p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 25 juni 2021, p. 4-7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven van NedTrain, randnummers 5.29 en 5.30, p. 34-35. In dit citaat wordt gesproken over negen geïntimeerden, terwijl in de klacht wordt verwezen naar de verklaringen van (slechts) acht personen. De verklaring voor dit numerieke verschil is dat één persoon die een verklaring ter zitting in eerste aanleg heeft afgelegd, wel behoorde tot de geïntimeerden in het hoger beroep, maar heeft afgezien van het instellen van cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidenteel appèl houdende memorie van grieven in het incident houdende vermindering van eis tevens memorie van antwoord in het principaal appèl van [eisers] Incidenteel appèl houdende memorie van grieven in het incident houdende vermindering van eis tevens memorie van antwoord in het principaal appèl van [eisers] , randnummers 1.4-1.5, p. 5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidenteel appèl houdende memorie van grieven in het incident houdende vermindering van eis tevens memorie van antwoord in het principaal appèl van [eisers] , randnummer 2.9, p. 13: “De werktijden en duur zijn globaal opgenomen per eiser in bijgevoegde lijst van individuele gezondheidsschade.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld incidenteel appèl houdende memorie van grieven in het incident houdende vermindering van eis tevens memorie van antwoord in het principaal appèl van [eisers] , randnummer 2.11, p. 14: “Eisers hebben gemiddeld langer dan 6 maanden en een aantal ook jaren achter elkaar deze werkzaamheden uitgevoerd zonder althans voldoende beschermende middelen van betekenis.” Zie in vergelijkbare zin randnummer 1.2, p. 5 van deze memorie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van mondelinge behandeling van 22 september 2023, p. 8-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het citaat is letterlijk weergegeven. Ik neem aan dat mr. Bedaux deze zin heeft uitgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, randnummer 2.4., p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer incidenteel appèl houdende memorie van grieven in het incident houdende vermindering van eis tevens memorie van antwoord in het principaal appèl van [eisers] , randnummers 1.1 en 1.2, p. 4 en proces-verbaal van mondelinge behandeling van 22 september 2023, dupliek van mr. Bedaux, p. 17: “Ik hoor de tegenpartij zeggen dat de deelname duidelijk is, maar niet hoe de klachten zich hebben geopenbaard. Deze klachten zijn geopenbaard richting het Schadeloket. De individuele gezondheidsklachten zijn daar aangebracht. Ik wil ook nog vermelden dat er in productie 21 te vinden is welke mensen welke werkzaamheden hebben gedaan en voor welke duur. Ook staat daarin welke klachten ze hebben. Hier is het specifiek uitgewerkt per persoon.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondanks het woord ‘onjuist’ in het subonderdeel trof ik daarin geen rechtsklacht aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze weergave van de betwistingen door NedTrain heb ik ontleend aan rov. 3.16. van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, randnummer 3.1., p. 11. Ik heb de voetnoten uit het origineel (met verwijzingen naar vindplaatsen in de gedingstukken) weggelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat dit inderdaad de maatstaf is, is vaste rechtspraak van Uw Raad. Zie voor een recent voorbeeld HR 5 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1028, NJ 2024/222, JIN 2024/130 m.nt. R.J.G. Mengelberg en TBR 2024/119 m.nt. L. Orvini, rov. 4.4: “Voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat is voldoende dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is, hetgeen niet inhoudt dat aannemelijk moet zijn dat enige schade is geleden.” (voetnoot in origineel weggelaten, A-G) Zie bijvoorbeeld proces-verbaal van mondelinge behandeling van 22 september 2023, p. 8: “Dan kan de schadestaat volgen wanneer er aannemelijkheid is van individuele schade.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze weergave van de vorderingen heb ik overgenomen uit rov. 3.7. van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, randnummer 4.1., p. 12 onder verwijzing (‘vergelijk’) in voetnoot 84 naar “het criterium voor een schadestaatprocedure”.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760, NJ 2016/77 m.nt. J.B.M. Vranken, JA 2015/76 m.nt. M.R. Hebly, JBPr 2015/34 m.nt. D.F.H. Stein &amp; J.M. Truijens Martinez en JIN 2015/88 m.nt. J. van Weerden (AIG Europe Limited), rov. 4.1.2. Zie schriftelijke toelichting van [eisers] , randnummer 5.2. en voetnoot 81 op p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, NJ 2012/226 m.nt. H.J. Snijders (Eurofactor (UK) Ltd), rov. 4.1.2. Zie ook W. Hugenholtz &amp; W.H. Heemskerk (voortgezet door W. Heemskerk, M.E.A. Möhring, K. Teuben &amp; A.F. Veldhuis), Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2024, nr. 129: “Voor niet-ontvankelijkverklaring is daarbij aanleiding als de vordering niet kan slagen om een processuele reden, die buiten het materiële geschil is gelegen: de termijn om een vordering of een rechtsmiddel in te stellen is verlopen, of een voogd stelt een eis in zonder de vereiste machtiging van de kantonrechter (art. 1:349 BW). Afwijzing vindt plaats als de vordering (om inhoudelijke redenen) ongegrond of onbewezen is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 13 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:425, NJ 2021/255 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2020/41 m.nt. G.C.C. Lewin (Franken q.q. en Louwerier q.q./Quanser Consumer Finance BV), rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:425, NJ 2021/255 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2020/41 m.nt. G.C.C. Lewin (Franken q.q. en Louwerier q.q./Quanser Consumer Finance BV), rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting van [eisers] , randnummer 6.3., p. 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0356, NJ 2013/377 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 5.3 en 5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1151, NJ 1994/175 (S.H. Beheer BV), rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1151, NJ 1994/175 (S.H. Beheer BV), rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie kritisch over het criterium van een inhoudelijk oordeel, omdat dit criterium zich niet goed zou verhouden tot het gezag van gewijsde dat eveneens toekomt aan het oordeel dat de eiser zijn stelplicht heeft verzaakt Asser Procesrecht/A.C. van Schaick, Deel 2. Eerste aanleg, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 149: “Ik meen dan ook dat de opvatting dat een beslissing alleen gezag van gewijsde kan hebben als zij een inhoudelijk oordeel bevat, moet worden verworpen. (…) Want als de conclusie dat de eiser zijn stelplicht heeft verzaakt, (mede) is gebaseerd op de constatering dat hij het verweer van de gedaagde onvoldoende heeft weersproken, houdt de afwijzing van de vordering wel degelijk een beslissing in over de rechtsbetrekking in geschil. Hetzelfde geldt als de vordering van de eiser wordt toegewezen omdat de gedaagde zijn stelplicht heeft verzaakt.” In de voetnoot bij de één na laatste volzin verwijst Van Schaick naar HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7481, NJ 2001/210 (Nedgoed BV). Het vereiste van een ‘inhoudelijk oordeel’ wordt niet genoemd in het hierna aangehaalde arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, NJ 2022/129 m.nt. H.J. Snijders, JIN 2021/46 m.nt. M.H. Gardien &amp; S.E. Poutsma en JBPr 2021/13 m.nt. T. van Malssen &amp; M. Hengeveld (IV-Groep BV c.s./SRLEV NV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit laat onverlet dat de verstrekte uitkering van € 7.000 uit hoofde van de Regeling blijft staan en dat [eisers] wellicht, onder overlegging van medische onderbouwing, nog aanspraak kunnen maken op een aanvullende tegemoetkoming uit hoofde van diezelfde regeling wegens bepaalde erkende gezondheidsklachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 3.29. van het bestreden arrest: “Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. [eisers] hebben daartoe ook geen ter zake dienende en voldoende geconcretiseerde en gespecificeerde bewijsaanbiedingen gedaan. Voor zover [eisers] meer of andere bewijsstukken willen overleggen, hadden zij dit uit eigen beweging kunnen en moeten doen. Gelet op het stadium van de procedure (arrest na mondelinge behandeling in hoger beroep na memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep) zal het hof daarvoor geen gelegenheid meer geven.” Het hof had weliswaar ook de bevoegdheid om partijen om een aanvullende toelichting of onderbouwing met stukken te vragen (art. 22 Rv), maar was niet gehouden om deze bevoegdheid te gebruiken, eens te minder daar [eisers] bewust hebben gekozen voor een collectieve insteek van hun vorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in commentaren bij het arrest van het hof wordt de uitkomst in verband gebracht met de wijze van procederen aan de zijde van [eisers] Zie bijvoorbeeld de wenk van D. Dankers-Hagenaars in RAV 2024/38: “De vraag rijst hoe dit zo mis heeft kunnen gaan. (…) Het door NedTrain ingestelde hoger beroep had wellicht kunnen worden gepareerd met een incidenteel hoger beroep waarin een uitvoerige onderbouwing zou zijn gegeven van de individuele klachten van de dertig oud-medewerkers in relatie tot de voor NedTrain verrichte werkzaamheden. Het kan zijn dat in hoger beroep teveel is vertrouwd op de uitspraak van de Hoge Raad van 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1534, RAV 2021/103 (Groninger aardbevingsschade) waarin minder hoge eisen werden gesteld aan de stelplicht.” En de noot van Chr.H. van Dijk in JA 2024/93: “De vraag of sprake was van aantasting in de persoon op andere wijze is bij het hof niet meer aan de orde gekomen, omdat de vorderingen van eisers al strandden op de stelplicht. Dat laatste hadden zij wellicht kunnen voorkomen door een uitvoerige onderbouwing te geven van de individuele klachten van de dertig oud-medewerkers in relatie tot de voor NedTrain verrichte werkzaamheden en tevens door een specifiek bewijsaanbod te doen. Ik weet natuurlijk niet in hoeverre deze gegevens nog voorhanden waren. Als ik het goed begrijp stellen eisers dat dit grotendeels niet zo was.”</p></div>", "next": 0}