{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Eindnoot v van het hof: HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0526 (IZA/V.); HR 24 december 1993, NJ 1995, 236 ( […] ); HR 2 juni 1995, NJ 1997, 700-702 ( […] e.a.); HR 3 juni 2005, NJ 2005, 286.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eindnoot vi van het hof: HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0526 (IZA/V.); HR 2 juni 1995, NJ 1997, 700-702 ( […] e.a.); HR 5 december 1997, NJ 1998, 400-402; HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1873.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.2.-4.3. van het vonnis luiden als volgt: “4.2. De omvang van het [bedoeld zal zijn: ‘de’, A-G] schadevergoedingsplicht jegens Menzis wordt primair vastgesteld op basis van de causale afweging. Menzis heeft hieromtrent het volgende aangevoerd. Hoewel [betrokkene 1] het verkeer op de Burgemeester van Veenlaan voorrang had moeten verlenen, zijn er voldoende omstandigheden die aan [verweerder 2] toegerekend kunnen worden. Volgens Menzis is vanaf een geruime afstand zichtbaar dat een T-splitsing wordt genaderd. [verweerder 2] was ter plaatse bekend en op de hoogte van de T-splitsing. Bovendien heeft hij verklaard dat hij de dag van het ongeval goed zicht had. Menzis meent dat [verweerder 2] als bestuurder van een motorrijtuig wist en mocht verwachten dat ter plaatse fietsers, voetgangers of andere motorrijtuigen konden oversteken, mogelijk zonder daarbij voorrang te verlenen aan het verkeer op de Burgemeester van Veenlaan. [verweerder 2] heeft daarop onvoldoende geanticipeerd, waardoor het ongeval heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Menzis heeft zich niet uitgelaten over de vraag welke causale verdeling er dient plaats te vinden. Achmea en [verweerder 2] stellen zich op het standpunt dat causaal gezien het ongeval voor 75% is veroorzaakt door [betrokkene 1] en voor 25% door [verweerder 2] . Ter onderbouwing van dit standpunt wordt aangevoerd dat [betrokkene 1] geen voorrang heeft verleend aan [verweerder 2] , dat [verweerder 2] met aangepaste snelheid reed, maar ondanks remmen en een poging tot ontwijken een aanrijding met de overstekende [betrokkene 1] niet wist te voorkomen. [betrokkene 1] en de getuige Schabbink stonden stil toen [verweerder 2] de kruising naderde, waaruit [verweerder 2] mocht afleiden dat beiden zouden wachten met oversteken totdat de weg vrij zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Helaas was dit niet het geval. Dit kan aan [betrokkene 1] worden toegerekend en niet aan [verweerder 2] . 4.3. De rechtbank stelt vast dat [verweerder 2] op een voorrangsweg reed. [betrokkene 1] heeft bij het oversteken geen voorrang verleend aan [verweerder 2] . Daardoor heeft zij in strijd met artikel 15 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV), en daarmee onrechtmatig, gehandeld. Deze gedraging weegt, vanwege het gevaarzettende karakter daarvan, naar het oordeel van de rechtbank zwaar. De rechtbank weegt ook mee dat [betrokkene 1] , die voorrang moest verlenen aan al het verkeer op de weg, zich ervan had moeten vergewissen of zij de weg veilig kon oversteken. Van de zijde van Menzis is niet (voldoende) weersproken dat getuige Schabbink, die achter [betrokkene 1] stond en ook per fiets aan het verkeer deelnam, blijkens het door de politie opgemaakte proces-verbaal [betrokkene 1] netjes stil zag staan, maar (vervolgens) ineens de weg zag oversteken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat het ongeval naar het oordeel van de rechtbank in verregaande mate aan [betrokkene 1] kan worden toegerekend. Desondanks kan het [verweerder 2] in enige mate worden toegerekend dat hij niet in staat is gebleken te anticiperen op de verkeersfout van [betrokkene 1] , bestaande uit het geen voorrang verlenen van [verweerder 2] . [verweerder 2] heeft zijn snelheid niet zodanig teruggebracht dat hij in staat was om een botsing te vermijden. De aan [verweerder 2] toe te rekenen omstandigheden zijn echter niet zodanig dat zij in verhouding tot de voorrangsfout van [betrokkene 1] in overwegende mate aan de schade hebben bijgedragen of dat de fout van [betrokkene 1] in het niet valt bij deze omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle omstandigheden in ogenschouw nemende is de rechtbank dan ook van oordeel dat deze de conclusie rechtvaardigen dat de (voorrangs)fout van [betrokkene 1] voor 75% heeft bijgedragen aan de door haar geleden schade. In de verhouding tussen Achmea en Menzis betekent de causale verdeling van 25-75% in het nadeel van [betrokkene 1] dat Achmea op basis van de causale verdeling een vergoedingsplicht heeft van 25% jegens Menzis.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 185 lid 1 WVW luidt: Indien een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden, betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan, niet door dat motorrijtuig vervoerde, personen of zaken, is de eigenaar van het motorrijtuig of – indien er een houder van het motorrijtuig is – de houder verplicht om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht, daaronder begrepen het geval dat het is veroorzaakt door iemand, voor wie onderscheidenlijk de eigenaar of de houder niet aansprakelijk is. Zie over dit type verkeersaansprakelijkheid bijvoorbeeld Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-IV. De verbintenis uit de wet, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nrs. 273 e.v., C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 229 e.v. (nrs. 603 e.v.), N. Tiggele-van der Velde (red.), Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen, Deventer: Wolters Kluwer, nr. 220 (online geraadpleegd, bijgewerkt tot en met 21 april 2022) (J.H. Wansink) en T. Hartlief, W.H. van Boom, A.L.M. Keirse &amp; S.D. Lindenbergh, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (SBR deel 5), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 191 e.v. (T. Hartlief).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover recent bijvoorbeeld T. Hartlief, ‘Aansprakelijkheid &amp; Verzekering anno 2023’, AV&amp;S 2023, p. 188 en p. 201 en T. Hartlief, ‘Beretrots op het personenschaderecht anno 2024?’, VR 2024/74, p. 202 en p. 209.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoten 6-8 hiervoor. In navolging van het hof noem ik bij verwijzingen naar deze (en andere) rechtspraak van Uw Raad niet de volledige achternamen van de betrokkenen maar volsta ik met het initiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB7631 (niet gepubliceerd), NJ 1991/720 m.nt. C.J.H. Brunner, Ars Aequi 1991, p. 64 e.v. m.nt. Jac. Hijma, VR 1990/174 m.nt. A.J.O. van Wassenaer van Catwijck, Kwartaalbericht Nieuw BW 1990, p. 127 e.v. m.nt. C.C. van Dam en Advocatenblad 1991, p. 203 e.v. m.nt. J.P. Jordaans ([…]), rov. 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 juni 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6323 (niet gepubliceerd), NJ 1978/685 m.nt. G.J. Scholten en VR 1979/61 m.nt. H.A. Bouman onder VR 1979/62 ([…] . I).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 februari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5545 (niet gepubliceerd), NJ 1987/483 m.nt. C.J.H. Brunner en VR 1987/80 m.nt. H.A. Bouman (Marcel W.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 31 WVW (oud) betreft de voorloper van art. 185 WVW. Zie hierover bijvoorbeeld A.J.O. van Wassenaer van Catwijck, ‘Artikel 185 WVW 1994, het nieuwe artikel 31 WVW’, VR 1995, p. 197 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 31 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0253 (niet gepubliceerd), NJ 1991/721 m.nt. C.J.H. Brunner en VR 1991/119 m.nt. A.J.O. van Wassenaer van Catwijck ([…]).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zesde lid van art. 31 WVW (oud) bepaalde dat de rechter het bedrag van de schadevergoeding kan beperken, wanneer aannemelijk is dat het ongeval mede te wijten is aan de schuld van iemand voor wie de eigenaar of houder van het motorrijtuig niet aansprakelijk is. Het huidige art. 185 WVW kent niet meer een dergelijk lid 6, omdat afdeling 6.1.10 BW (Wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding) – waarin onder meer art. 6:101 BW is opgenomen – ook op de in art. 185 WVW geregelde verkeersaansprakelijkheid van toepassing is. Zie hierover bijvoorbeeld Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-IV. De verbintenis uit de wet, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 292.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9373 (niet gepubliceerd), NJ 1987/482 m.nt. C.J.H. Brunner (Frank van H.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over aan opzet grenzende roekeloosheid HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7863, NJ 2008/64 m.nt. T. Hartlief (P./Noordhollandsche), rov. 4.2 en 4.3. In de onderhavige zaak is opzet of daaraan grenzende roekeloosheid niet aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het procesdossier maak ik op dat [betrokkene 1] ten tijde van het ongeval 65 jaar was. Zie bijvoorbeeld productie 1 (het schadeformulier van [verweerder 2] ) en productie 2 (het politieproces-verbaal) bij de conclusie van antwoord van Achmea en [verweerder 2] .</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0526, NJ 1993/566 m.nt. C.J.H. Brunner, Ars Aequi 1992, p. 497 e.v. m.nt. Jac. Hijma, VR 1992/93 m.nt. H.F. van den Haak, Nieuwsbrief BW 1992, p. 46 e.v. m.nt. T. Hartlief &amp; R.P.J.L. Tjittes, Advocatenblad 1992, p. 277 e.v. m.nt. J.P. Jordaans en Vrb 1992, p. 25 e.v. m.nt. J.H. Wansink (IZA/V.), rov. 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook voetnoot 20 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat dit door Uw Raad gemaakte onderscheid niet uit de lucht kwam vallen, blijkt bijvoorbeeld uit de conclusie van A-G Strikwerda (ECLI:NL:PHR:1992:ZC0526, randnummer 18) voor IZA/V.: “(…) Met Van Wassenaer van Catwijck, VR 1990, p. 300, Bouman, Salomons-bundel, p. 42/43 en Van Regteren Altena, Adv.bl. 1991, p. 178, leid ik uit deze overweging [rov. 5.3. uit […], A-G] af dat de billijkheidscorrectie wegens de jeugdige of juist gevorderde leeftijd van de aangereden persoon niet werkt ten gunste van de regresnemende verzekeraar. Voor deze geldt de schadeverdeling vastgesteld op basis van de causaliteitsafweging als bedoeld in het eerste zinsdeel van art. 6:101 lid 1 NBW, ongeacht of de billijkheid jegens de aangereden persoon een andere schadeverdeling eist. Dit betekent dat aan IZA, als regresnemende verzekeraar, een beroep op de billijkheidscorrectie wegens de extra kwetsbaarheid van het slachtoffer niet toekomt (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in deze zin reeds T. Hartlief &amp; R.P.J.L. Tjittes, ‘Verkeersaansprakelijkheid: Quo Vadis?’, NTBR 1992, p. 119, waar wij concludeerden dat Uw Raad “het beperken van regresacties blijkbaar niet dermate ingrijpend [heeft] gevonden dat hij de beslissing daarover aan de wetgever overlaat.” Zie kritisch over het door Uw Raad gemaakte onderscheid C.J.H. Brunner in zijn annotatie bij IZA/V. in NJ 1993/566 (nr. 8) en ook reeds Jac. Hijma in zijn annotatie bij […] in Ars Aequi 1991, p. 71: “Ik volsta met het weergeven van mijn mening, dat ik het vooralsnog voor verkieslijk houd geen verschil te maken tussen het slachtoffer en diens verzekeraar.” Ook vanuit rechtsvergelijkend perspectief is een onderscheid tussen de positie van de benadeelde zelf en die van een regresnemer, dat Uw Raad mede baseert op eenzelfde onderscheid dat de wetgever bij de toepassing van risicoaansprakelijkheden heeft gemaakt in art. 6:197 BW, opmerkelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld I. Boone, Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, diss., Antwerpen-Oxford: Intersentia 2009, p. 476 e.v. Zie verder over dit door Uw Raad gemaakte onderscheid en over de vraag of het nog verder, naar andere leerstukken dus, moet worden uitgerold onder meer G.E. van Maanen &amp; P.H.J.G. Römers, De Tijdelijke regeling verhaalsrechten. Verhaalsmogelijkheden voor verzekeraars en uitkeringsinstanties, Nijmegen: Ars Aequi Libri 1994, p. 47 e.v., E.F.D. Engelhard, Regres. Een onderzoek naar het regresrecht van particuliere en sociale schadedragers, diss., Deventer: Kluwer 2003, p. 251 e.v. en T. Hartlief, W.H. van Boom, A.L.M. Keirse &amp; S.D. Lindenbergh, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (SBR deel 5), Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 268 (T.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hartlief). Vergelijk buiten de context van verkeersaansprakelijkheid bijvoorbeeld HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1611, NJ 1997/175 m.nt. C.J.H. Brunner (Stichting Ziekenhuis De Heel/Staat c.s.), rov. 2.4.1 waarin Uw Raad in het kader van de toerekening in de zin van art. 6:98 BW geen onderscheid wenste te maken tussen de vordering van de benadeelde zelf en die van de regresnemer en HR 15 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1664, NJ 2005/141 (GTI/Zürich), rov. 3.6 waarin Uw Raad suggereerde dat in het kader van de vraag of een beroep op een contractueel verjaringsbeding (maar het kan net zo goed een exoneratiebeding zijn) afstuit op art. 6:248 lid 2 BW onderscheid tussen de positie van de benadeelde en die van een regresnemer aangewezen kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1196 (niet gepubliceerd), NJ 1995/236 m.nt. C.J.H. Brunner, Ars Aequi 1994, p. 445 e.v. m.nt. Jac. Hijma en VR 1994/52 m.nt. A.J.O. van Wassenaer van Catwijck ([…]), rov. 3.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1196 (niet gepubliceerd), NJ 1995/236 m.nt. C.J.H. Brunner, Ars Aequi 1994, p. 445 e.v. m.nt. Jac. Hijma en VR 1994/52 m.nt. A.J.O. van Wassenaer van Catwijck ([…]), rov. 3.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.E. du Perron &amp; C.J. Verduyn, ‘Eén regel te veel? De Hoge Raad over de betekenis van eigen schuld bij verkeersaansprakelijkheid’, VR 1994, p. 66 e.v. (vergelijk de schriftelijke toelichting van Menzis, randnummer 41.). Zie over deze ‘nieuwe uitleg’ van de 50%-regel bijvoorbeeld ook T. Hartlief, ‘ludex non calculat. Een nieuwe uitleg van de 50%-regel uit het arrest IZA/V(…)!’, NJB 1994, p. 353 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1740, NJ 1997/700 m.nt. C.J.H. Brunner onder NJ 1997/702, Ars Aequi 1996, p. 35 e.v. m.nt. Jac. Hijma en VR 1995/147 m.nt. H.A. Bouman (Klaverblad/IZA). Zie ook HR 2 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1742 (niet gepubliceerd), NJ 1997/701 m.nt. C.J.H. Brunner onder NJ 1997/702 (Zwolsche Algemeene/Ziekenfonds), rov. 3.5-3.6 en HR 2 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1745 (niet gepubliceerd), NJ 1997/702 m.nt. C.J.H. Brunner ([…] /Trias), rov. 3.3-3.5. Zie over deze arresten bijvoorbeeld ook T. Hartlief &amp; R.P.J.L. Tjittes, ‘Verkeersaansprakelijkheid’, NTBR 1996, p. 31 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus ook HR 2 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1740, NJ 1997/700 m.nt. C.J.H. Brunner onder NJ 1997/702, Ars Aequi 1996, p. 35 e.v. m.nt. Jac. Hijma en VR 1995/147 m.nt. H.A. Bouman (Klaverblad/IZA), rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld T. Hartlief, ‘De zwakke verkeersdeelnemer’, TPR 1996, p. 1319-1320. Zie overigens ook voetnoot 24 hiervoor. Ik merk op dat daarbij dan nog wel de vraag zou zijn of bij de causale verdeling het zogenoemde Betriebsgefahr (zie randnummer 3.20 hierna) kan meewegen. Wat mij betreft dient die vraag bevestigend te worden beantwoord; ‘massa en snelheid’ zijn immers een gevaarverhogende factor. Uw Raad lijkt het Betriebsgefahr echter als een billijkheidsfactor te zien. Zie bijvoorbeeld HR 10 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8254, NJ 2000/718 en AV&amp;S 2001, p. 50 e.v. m.nt. T. Hartlief (Levob/Van den B.), rov. 3.3.4: “(…) Voor zover het middel strekt ten betoge dat in de causaliteitsafweging steeds uitdrukkelijk moet worden betrokken dat een aanrijding met een motorrijtuig door zijn massa en snelheid ernstige en verstrekkende gevolgen heeft, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat een motorrijtuig in het verkeer voor andere verkeersdeelnemers een bijzonder gevaar oplevert dient aan de orde te komen als het gaat om de op de verdeling op basis van de causaliteit volgende afweging of de billijkheid een andere verdeling van de aansprakelijkheid eist.” Zie verder ook randnummers 3.19-3.20 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.J.H. Brunner in zijn annotatie bij […] e.a. in NJ 1997/702 (nr. 4.). Zie verder bijvoorbeeld ook T. Hartlief, ‘Subrogatie in zieligheid’, NJB 1996, p. 1049: “Het mooiste zou zijn dat de Hoge Raad terugkeert van de ingeslagen weg van een onderscheid tussen de vordering van het slachtoffer en de vordering van regresnemers. Dat regresnemers zouden profiteren van de billijkheidsregels die de Hoge Raad heeft geformuleerd, zou ik niet betreuren. Met zieligheid hebben deze regels namelijk niet veel te maken. Dat heeft Van Dam al eerder overtuigend betoogd. Ook uit een oogpunt van kostenbeheersing en hanteerbaarheid van het recht zou het aanbeveling verdienen om de vorderingen van slachtoffer en regresnemers over één kam te scheren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik ben echter realistisch genoeg; de Hoge Raad zal niet van dit pad terugkeren. Dat hij de billijkheidsregels niet op de vordering van de regresnemer wil toepassen heeft hij voldoende duidelijk gemaakt. Hetzelfde zou echter naar mijn mening moeten gebeuren met de billijkheidscorrecties op basis van de concrete omstandigheden van het geval. In regresprocedures zou slechts op basis van de causale verdeling moeten worden afgerekend; dat de concrete aspecten van het geval buiten beschouwing blijven is door de wet van de grote getallen niet erg; nu eens profiteert de regresnemer van de zoveel mogelijk geobjectiveerde maatstaf van de causale verdeling, dan weer de WA-verzekeraar.” De verwijzing naar Van Dam in dit citaat betreft C.C. van Dam, ‘Nogmaals: Onrechtmatige daad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen schuld van een kind. Billijkheidscorrectie’, Kwartaalbericht Nieuw BW 1990, p. 129-130.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld N. Tiggele-van der Velde (red.), Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen, Deventer: Wolters Kluwer, nr. 220.7 (online geraadpleegd, bijgewerkt tot en met 21 april 2022) (J.H. Wansink). A-G Spier stelt overigens in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2015:462, voetnoot 35 aldaar) voor HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1873, NJ 2016/26 m.nt. M.M. Mendel en NTHR 2016, p. 18 e.v. m.nt. P. van Zwieten (Achmea/Menzis) terecht: “gezien de uitkomst is Sinterklaas intussen niet zo’n erg gelukkige benaming.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2517 (niet gepubliceerd), NJ 1998/400 m.nt. Jac. Hijma onder NJ 1998/402 (Terminus/ZAO). Zie ook HR 5 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2518 (niet gepubliceerd), NJ 1998/401 m.nt. Jac. Hijma onder NJ 1998/402 (Interpolis/Nuts), rov. 3.5-3.7 en HR 5 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2522 (niet gepubliceerd), NJ 1998/402 m.nt. Jac. Hijma en VR 1998/30 m.nt. H.A. Bouman ([…] /Trias), rov. 3.6-3.8. Zie over deze arresten ook T. Hartlief, ‘Opnieuw: de positie van regresnemers en art. 185 WWV’, Vrb 1998, p. 1 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 31 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1214 (niet gepubliceerd), NJ 1994/275 (ABN AMRO). Dit is in latere rechtspraak van Uw Raad verschillende keren herhaald. Zie bijvoorbeeld HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1426, NJ 2002/214 m.nt. C.J.H. Brunner, rov. 3.7.4, HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6996, NJ 2011/307 (Zürich/Van G.), rov. 3.6, HR 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1628, NJ 2020/392 (Wyeth), rov. 3.1.2 en HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:719, NJ 2024/13 m.nt. J.L. Smeehuijzen (Peterson c.s./EBS), rov. 3.5.2. Op dit punt werd overigens, onder verwijzing naar het arrest van Uw Raad van 31 december 1993, ook reeds gewezen in C.E. du Perron &amp; C.J. Verduyn, ‘Eén regel te veel? De Hoge Raad over de betekenis van eigen schuld bij verkeersaansprakelijkheid’, VR 1994, p. 65 e.v. (in voetnoot 14 aldaar), zie ook het citaat weergegeven in randnummer 3.11 hiervoor. Zie verder ook de annotatie van Jac. Hijma bij de Sinterklaas-arresten in NJ 1998/402 (nr. 9): “Zolang de feitenrechter geen „structuurfout” maakt (…) zijn de cassatiekansen dus gering; de drie besproken procedures vormen hiervan, zeker gezamenlijk bezien, een goede illustratie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over dit convenant bijvoorbeeld ook T. Hartlief, ‘Subrogatie in zieligheid’, NJB 1996, p. 1050 (voetnoot 15 aldaar): “De achtergrond van het convenant is dat bedrijfsverenigingen en verzekeraars verschillen van mening omtrent de vaststelling van de omvang van het door de bedrijfsvereniging te verhalen bedrag als gevolg waarvan de afwikkeling van verhaalsdossiers vertraging oploopt. Het convenant beoogt hiervoor een praktische oplossing te bieden. Bedrijfsverenigingen en verzekeraars kunnen intekenen op het convenant en verplichten zich daarmee tot naleving ervan bij de wederzijdse afwikkeling van ZW-verhaalsdossiers. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">De huidige versie (Convenant Regres Zorg- en Aansprakelijkheidsverzekeraars 2023 t/m 2025) is te raadplegen op de website van het Verbond van Verzekeraars: www.verzekeraars.nl/media/11207/convenant-regres-zorg-en-aansprakelijkheidsverzekeraars.pdf. Uit de eveneens op de website van het Verbond van Verzekeraars gepubliceerde ‘intekenlijsten’ voor aansprakelijkheidsverzekeraars en zorgverzekeraars blijkt dat zowel Achmea als Menzis thans heeft ingetekend op het convenant 2023-2025. Zie www.verzekeraars.nl/branche/zelfreguleringsoverzicht-digiwijzer/convenant-regres-zorgverzekeraars-aansprakelijkheidsverzekeraars. […] (werkzaam bij Menzis) merkte hierover tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep op (kenbaar uit het proces-verbaal, p. 5): “(…) We zijn het er in principe niet mee eens wat er in staat, maar uit praktische overwegingen hebben we getekend en meegedaan. We hebben niet duidelijk kunnen maken dat het niet goed was. Toen zijn we er een tijdje uit geweest. Vanuit praktische overwegingen zitten we er nu weer in. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de schriftelijke toelichting van Achmea en [verweerder 2] , randnummer 2.1.9., met verwijzingen naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties. Het convenant versie 2020 t/m 2022 is overgelegd als productie 3 bij de conclusie van antwoord van Achmea en [verweerder 2] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de schriftelijke toelichting van Achmea en [verweerder 2] , randnummer 2.1.9., met verwijzingen naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties. Dit blijkt uit artikel 3 van het convenant dat in beide versies (zie de twee voorgaande voetnoten) voor zover relevant luidt: “(…) [D]oor de aansprakelijkheidsverzekeraar [zal] op vordering van de zorgverzekeraar worden voldaan: (…) 45% van de door de zorgverzekeraar voldane medische kosten van de zwakke verkeersdeelnemer, die het gevolg zijn van een ongeval dat te wijten is aan fouten van beide betrokken partijen en waarbij de zwakke verkeersdeelnemer op het moment van plaatsvinden van het ongeval de leeftijd van 14 jaar of ouder heeft; (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb mij hierover eerder kritisch uitgelaten. Zie bijvoorbeeld naar aanleiding van de Sinterklaas-arresten T. Hartlief, ‘Opnieuw de positie van regresnemers en art. 185 WVW’, Vrb 1998, p. 4: “Ik vind deze arresten van 5 december 1997 niet overtuigend. Voor regresnemers geldt niet het regime dat voor de slachtoffers geldt, maar het ‘normale’ art. 6:101-regime, hetgeen inhoudt dat ook in regres een billijkheidscorrectie op de causale verdeling kan worden gemaakt. Doch het regime is in die zin toch bijzonder dat niet alle omstandigheden die bij de vordering van het slachtoffer in aanmerking zouden worden genomen ook in regres tot een billijkheidscorrectie aanleiding geven. Bovendien is het gewicht van omstandigheden die ook in regres tot een correctie leiden beperkt: in regres heeft een correctie per definitie een beperkte betekenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mede om die reden vraag ik mij af of een beperking in regres tot het maken van een causale verdeling niet beter ware geweest. Iedere objectivering of standaardisering, juist in regres zo welkom, ontbreekt in de arresten. De suggestie dat aansprakelijkheidsverzekeraars en regresnemers daar zelf wel voor kunnen zorgen, berust op een al te optimistische visie omtrent de mogelijkheden tot zelfregulering op dit punt. Een signaal van de Hoge Raad zou juist een stimulans voor overleg zijn geweest. Een gemiste kans.” Zie later bijvoorbeeld nog T. Hartlief, ‘Positie regresnemer’, TVP 2010, p. 121: “Wat mij betreft zit de kiem van het probleem in de arresten uit 1997. De Hoge Raad heeft het de rechtspraktijk toen lastig gemaakt door aan de ene kant te oordelen dat de bijzondere door hem in het kader van art. 185 WVW ontwikkelde ‘eigen schuld’-regels niet op regresvorderingen worden toegepast met onder meer als argument dat het in verband met de persoonlijke belangen niet nodig is zo ver te gaan, doch aan de andere kant te beslissen dat in het kader van regres niet enkel een causale verdeling aan de orde is, doch wel degelijk ook een eventuele billijkheidscorrectie (…).” Ik merk nog op dat het convenant ook alleen geldt voor zorgverzekeraars en dus niet voor andere regresnemers (waarbij moet worden bedacht dat hun regres soms – ook door afspraken – collectief kan zijn afgekocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is bijvoorbeeld gebeurd, op grondslag van art. 61 lid 2 Algemene Nabestaandenwet (hierna: ‘ANW’), bij het regresrecht van de Sociale Verzekeringsbank ter zake van ANW-uitkeringen in het Convenant inzake collectivering regres Algemene nabestaandenwet (www.verzekeraars.nl/media/8339/2021-convenant-svb-verbond-inzake-anw.pdf) dat tot 31 december 2025 geldt. Ik laat de situatie met betrekking tot andere regresnemers hier verder rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 240 (nr. 608). Vergelijk hierover de schriftelijke toelichting van Menzis, randnummer 11. Voor een goed begrip van de geciteerde passage merk ik op dat daarin wordt voortgebouwd op het voorbeeld genoemd in C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 240 (nr. 607): “Een voorbeeld: een 15-jarig kind steekt in het donker en bij regenachtig weer plotseling een drukke verkeersweg over en wordt aangereden door een automobilist. Omdat deze zijn snelheid onvoldoende had aangepast, is overmacht niet aannemelijk. Als de rechter de causale bijdragen vaststelt op 60% voor het kind en 40% voor de automobilist, heeft het kind in beginsel 60% eigen schuld en krijgt het 40% van zijn schade vergoed. De 50%-regel leidt er dan toe dat het kind niet 40% maar in elk geval 50% van zijn schade vergoed krijgt. De billijkheidscorrectie kan vervolgens nog tot een verdere aanpassing leiden (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nog wel de conclusie van A-G Spier (ECLI:NL:PHR:2005:AT4096, randnummers 3.29-3.30) voor HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4096, NJ 2005/286 en JA 2005/74 m.nt. W.H. Bouman (Gemeente Amsterdam c.s.) (voetnoten niet overgenomen uit het origineel): “3.29 Op het billijkheidsgehalte van bedoelde jurisprudentie [de ‘nieuwe’ uitleg van de 50%-regel in […], A-G] valt wel een en ander af te dingen. Deze leidt er immers toe dat de billijkheidscorrectie gunstiger uitpakt ten opzichte van slachtoffers die een relatief ernstige causale bijdrage hebben geleverd (hetgeen doorgaans zal betekenen dat hen een relatief ernstig verwijt treft) dan ten aanzien van slachtoffers wier causale bijdrage beperkt is. 3.30 Dit soort kritiek is evenwel wat gemakkelijk. Wanneer de rechter een stoot geeft aan de rechtsontwikkeling zijn de marges vaak betrekkelijk smal. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 7 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftelijke toelichting van Menzis, onder meer randnummers 39., 43. en 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6526, NJ 2001/417 m.nt. Jac. Hijma en VR 2000/167 m.nt. G.M. van Wassenaer (HTM c.s.), rov. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4096, NJ 2005/286 en JA 2005/74 m.nt. W.H. Bouman, rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk ook voetnoot 2 hiervoor (“voor verreweg het grootste deel bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus ook de conclusie van A-G Spier (ECLI:NL:PHR:2005:AT4096, randnummers 3.33.1-3.33.2, met verwijzingen) voor HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4096, NJ 2005/286 en JA 2005/74 m.nt. W.H. Bouman (Gemeente Amsterdam c.s.). Zie hierover verder bijvoorbeeld C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 239 (nr. 607-3).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1873, NJ 2016/26 m.nt. M.M. Mendel en NTHR 2016, p. 18 e.v. m.nt. P. van Zwieten (Achmea/Menzis), rov. 3.3 en 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenbaar uit NJ 2016/26 (zonder voetnoot uit het origineel): “1.12 Het oordeel van het hof is immers in strijd met de tendens in het schadevergoedings- en verzekeringsrecht om regresschades tussen verzekeraars onderling zoveel mogelijk te normeren aan de hand van convenanten, waarin met toepassing van objectieve, rekenkundige modellen een algemene afkoopsom voor alle eventuele schadeclaims/regresvorderingen wordt bepaald. Daarin worden (voor de bepaling van de afkoopsom die de aansprakelijke verzekeraar moet betalen) persoonlijke, subjectieve omstandigheden van de benadeelde niet meegewogen. Anders dan ten opzichte van het slachtoffer wordt de schade dus niet afgewikkeld op dossierniveau, maar wordt daarvan geabstraheerd.” Zie hierover ook randnummer 3.15 hiervoor en de conclusie van A-G Spier (ECLI:NL:PHR:2015:462, randnummers 4.1-4.7) voor HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1873, NJ 2016/26 m.nt. M.M. Mendel en NTHR 2016, p. 18 e.v. m.nt. P. van Zwieten (Achmea/Menzis).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor mijn opvattingen hierover voetnoten 32 en 40 hiervoor. Vergelijk over deze kwestie ook A-G Spier (ECLI:NL:PHR:2015:462, randnummers 5.20 e.v., met verwijzingen) voor HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1873, NJ 2016/26 m.nt. M.M. Mendel en NTHR 2016, p. 18 e.v. m.nt. P. van Zwieten (Achmea/Menzis).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld de procesinleiding van Menzis, randnummers 4. en 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit blijkt duidelijk uit de conclusie van A-G Spier (ECLI:NL:PHR:2015:462, randnummers 5.18 en 5.32) voor HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1873, NJ 2016/26 m.nt. M.M. Mendel en NTHR 2016, p. 18 e.v. m.nt. P. van Zwieten (Achmea/Menzis) (zonder voetnoot uit het origineel): “5.18 Eén kwestie kan terstond worden geëcarteerd: hetgeen staat in de laatste volzin van de eerste alinea van rov. 3.7 [van Terminus/ZAO: “De billijkheidscorrectie zal in de onderhavige gevallen doorgaans slechts tot een bijstelling van beperkte omvang van het resultaat van de causaliteitsafweging kunnen leiden.”, A-G]. Immers behelst het middel geen daarop toegespitste klacht; uit de repliek onder 2.24 leid ik af dat dit een bewuste keuze was. (…) 5.32 Behoudens situaties geregeerd door de 50 en 100% regel zou ik voor het overige de gesubrogeerde verzekeraar willen laten profiteren van toepassing van de billijkheidscorrectie, waarbij ik thans niet inga op de door het middel niet ontsloten kwestie van de beperkte omvang van de correctie. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">De JA-annotatie van V. Oskam bij hof ’s-Hertogenbosch 4 februari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:206, JA 2014/39 (Achmea/Menzis) (nr. 6.).</p>\n<p class=\"lf-p\">A.I. Schreuder &amp; M. van Kogelenberg, ‘Aan de billijkheidscorrectie van art. 6:101 BW geen polonaise: ruim baan voor de gesubrogeerde (ziektekosten)verzekeraar’, MvV 2015, p. 270.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. van Zwieten in zijn annotatie bij Achmea/Menzis in NTHR 2016, p. 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in deze zin ook het citaat van Van Dam weergegeven in randnummer 3.16 hiervoor. Hij noemt daar als voorbeeld van een beperkte bijstelling een billijkheidscorrectie van 20% ten opzichte van een causale bijdrage van 40%. Zie ook T. Hartlief, W.H. van Boom, A.L.M. Keirse &amp; S.D. Lindenbergh, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (SBR deel 5), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 205 (T. Hartlief): “In het geschetste geval [een regresprocedure van een ziektekostenverzekeraar tegen een aansprakelijkheidsverzekeraar waarbij het verkeersslachtoffer zich nogal onvoorzichtig heeft gedragen en de causale verdeling is bepaald op 1:2 ten nadele van het verkeersslachtoffer, A-G] zou dan bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan toewijzing van de regresprocedure voor een percentage van 40, 45 of 50 in plaats van 33⅓.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus Jac. Hijma in zijn annotatie bij de Sinterklaas-arresten in NJ 1998/402 (nr. 4). De verwijzing in het citaat naar Ars Aequi 1991, p. 71 betreft zijn annotatie bij […]. Zie daarover voetnoot 25 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook voetnoot 52 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld ook T. Hartlief, W.H. van Boom, A.L.M. Keirse &amp; S.D. Lindenbergh, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (SBR deel 5), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 204 (T. Hartlief). Zie verder bijvoorbeeld de annotatie van Y. Bosschaart in JA 2024/31 bij het vonnis in eerste aanleg in de onderhavige zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 8 maart 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:987, tevens aangehaald in de schriftelijke toelichting van Menzis, randnummer 57., voetnoot 20 aldaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 8 maart 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:987, rov. 4.4.-4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk hierover de opmerkingen van mr. De Jong van Lier (de advocaat van Menzis) kenbaar uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 10-11. Vergelijk in het kader van de onderhavige zaak ook C. Roijackers in Letsel &amp; Schade 2024, afl. 2, p. 84, die in een opmerking bij het bestreden arrest in de onderhavige zaak schrijft dat hij denkt “dat Achmea zich heeft vergist” door niet de (gestandaardiseerde) 50%-regel toe te passen, maar op grond van de billijkheid en zonder toepassing van de 50%-regel een vergoedingsplicht van 75% van de schade met de fietser (minnelijk) overeen te komen (zie ook randnummer 1.5 hiervoor). Mij lijkt van een ‘vergissing’ geen sprake te zijn. Op grond van de 50%-regel bestond immers aanspraak op ten minste 50% van de geleden schade. De feitenrechter had volgens mij in een procedure tussen de fietser en Achmea en [verweerder 2] ook een ‘extra’ billijkheidscorrectie kunnen toepassen op grond waarvan de fietser aanspraak zou hebben gehad op meer dan 50% van de geleden schade. Een dergelijke ‘extra’ billijkheidscorrectie had dan bijvoorbeeld gebaseerd kunnen zijn op de ernst van het letsel. Iets anders is dat het, alleen al gelet op het intuïtieve karakter van de rechterlijke beoordelingen in het kader van art. 6:101 BW (zie randnummer 3.14 hiervoor), geen gegeven is dat een feitenrechter in een procedure tussen de fietser en Achmea en [verweerder 2] in de onderhavige zaak ook op exact 75% zou zijn uitgekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met name de procesinleiding van Menzis, randnummers 3. en 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regresnemer zou in dit voorbeeld dus een fors lagere (minstens 40% lager immers (70% minus 30%)) aanspraak hebben dan het verkeersslachtoffer zelf. Dat laat zich verklaren doordat in de regresprocedure het resultaat van de causale verdeling (van in dit voorbeeld slechts 15%) een sterker ankerpunt vormt dan de billijkheidscorrectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afgezien van eventuele convenantafspraken (vergelijk randnummer 3.15 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk de schriftelijke toelichting van Menzis, randnummer 75.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk hierover ook voetnoten 32 en 40 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk hier nog op dat aldus sprake is van een verdubbeling van het resultaat van de causale verdeling op grond van de billijkheid die wat mij betreft nog net als een ‘beperkte’ bijstelling kan doorgaan (zie randnummer 3.32 hiervoor) en dat het hof daarmee bovendien meer aan Menzis heeft toegekend dan zij op grond van het convenant zou hebben gekregen (zie randnummer 3.15 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de procesinleiding van Menzis, randnummer 16. en de schriftelijke toelichting van Achmea en [verweerder 2] , randnummers 2.3.9., 3.3.1. en 4.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus Jan Renkema, Schrijfwijzer, Amsterdam: Boom 2020, p. 490 (nr. 9.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een voorbeeld de conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2018:1274, randnummers 3.27-3.33) voor HR 25 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:80, NJ 2019/139 m.nt. E. Verhulp, TRA 2019/39 m.nt. M.S.A. Vegter, JAR 2019/57 m.nt. P.A. Hogewind-Wolters, JIN 2019/61 m.nt. R. de Vos en AR-Updates.nl 2019-0102 m.nt. P. Kruit. Zie voor meer voorbeelden uit de rechtspraak van Uw Raad A.G. Castermans, ‘Rechtsontwikkeling tussen haakjes’, NTBR 2018/26, p. 193 e.v. met verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.G. Castermans, ‘Rechtsontwikkeling tussen haakjes’, NTBR 2018/26, p. 194. F.M. Ruitenbeek-Bart, En de veroorzaker dan? Een empirisch-juridisch onderzoek naar de plaats van de veroorzaker in de civiele letselschadepraktijk, diss., Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 205 (voetnoot 12 aldaar) noemt dat – dat de tussen haakjes geplaatste woorden of zinsdelen wel of niet essentieel kunnen zijn – een “nogal verwarrende conclusie”. Die mogelijke verwarring is volgens mij precies waarom Castermans heeft geconcludeerd dat het plaatsen van woorden of zinsdelen tussen haakjes beter vermeden kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.G. Castermans, ‘Rechtsontwikkeling tussen haakjes’, NTBR 2018/26, p. 195.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze varianten Jan Renkema, Schrijfwijzer, Amsterdam: Boom 2020, p. 490-491 (nr. 9.6). Zie hierover ook de conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2018:1274, randnummer 3.30) voor HR 25 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:80, NJ 2019/139 m.nt. E. Verhulp, TRA 2019/39 m.nt. M.S.A. Vegter, JAR 2019/57 m.nt. P.A. Hogewind-Wolters, JIN 2019/61 m.nt. R. de Vos en AR-Updates.nl 2019-0102 m.nt. P. Kruit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst (in voetnoot 7 van de procesinleiding) voor het eveneens tussen haakjes geplaatste woord “hier” naar subonderdeel 1C.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de billijkheidscorrectie – die leidt tot een verdubbeling van de vergoedingsplicht ten opzichte van het resultaat van de causale verdeling (zie ook voetnoot 69 hiervoor) – is, evenals in de procedure tussen Achmea en Menzis uit 2015 (zie randnummer 3.23 hiervoor) in cassatie niet aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst (in voetnoot 10 aldaar) naar HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1873, NJ 2016/26 m.nt. M.M. Mendel en NTHR 2016, p. 18 e.v. m.nt. P. van Zwieten (Achmea/Menzis), rov. 3.4 (weergegeven in randnummer 3.21 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst (in voetnoot 13 van de procesinleiding) naar HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659 m.nt. D.W.F. Verkade en IER 1993/35 m.nt. S. de Wit (Vredo/ […]). Het subonderdeel doelt op rov. 3.4: “(…) [D]e grondbeginselen van een goede procesorde waartoe behoort dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtengang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Deze motiveringsplicht heeft uitdrukking gevonden in de art. 121 Gr. w, 20 RO, 59 en 429k Rv.; hoever zij gaat, hangt af van de omstandigheden van het geval. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de vorige voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 79 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven met eiswijziging van Menzis (aangeduid als ‘conclusie van eis in hoger beroep mede houdende eiswijziging’), p. 24-25. Zie ook de procesinleiding, randnummer 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover bijvoorbeeld de schriftelijke toelichting van Menzis, randnummer 75., waarover ook randnummer 3.37 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van deze bepaling luidt hetzelfde in de versie 2020 t/m 2022 en de huidige versie 2023 t/m 2025 van het convenant (zie voor de vindplaatsen voetnoten 37-38 hiervoor). Vergelijk over een eerdere versie van deze bepaling uit het convenant A-G Spier in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2015:462, randnummers 4.6.1-4.6.2) voor HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1873, NJ 2016/26 m.nt. M.M. Mendel en NTHR 2016, p. 18 e.v. m.nt. P. van Zwieten (Achmea/Menzis), waar hij onder meer opmerkte dat “partijen bij het convenant geen wissel op de jurisprudentiële toekomst hebben willen trekken”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftelijke toelichting van Achmea en [verweerder 2] , randnummer 4.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de procesinleiding, randnummer 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan het zelf veronderstelt, vergelijk randnummer 42. van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de procesinleiding, randnummer 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 79 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de schriftelijke toelichting van Achmea en [verweerder 2] , randnummer 4.4.2., met verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftelijke toelichting van Menzis, randnummer 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk voetnoot 37 hiervoor over “de praktische overwegingen” waarom Menzis nadien wel weer heeft ingetekend op het convenant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk voetnoten 67 en 83 hiervoor. Zie over de totstandkoming van het percentage van 45 in het convenant ook mr. Schoonen (werkzaam als advocaat bij Achmea), kenbaar uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 11: “[D]e praktijk laat zien dat in het gros van de gevallen de eigen causale bijdrage [van de fietser of voetganger die verkeersslachtoffer is geworden, A-G] meer is dan 50%. Dat is ook de reden waarom er in het convenant een vergoeding van 45% is overeengekomen. Dat is de achterliggende gedachte.” Vergelijk over “een vergoedingsplicht van om en nabij de 50%” in gevallen waarin “de causale bijdrage van de automobilist meestal relevant kleiner is” als “vingerwijzing” voor het door Uw Raad bedoelde collectief overleg om te komen tot standaardisering ook reeds Jac. Hijma in zijn annotatie bij de Sinterklaas-arresten in NJ 1998/402 (nr. 8).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk het antwoord van […] (werkzaam bij Menzis) op een vraag van het hof of van de zorgverzekeraars alleen Menzis ontevreden was over het convenant, kenbaar uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 6, bovenaan: “Nee, er zijn er meer die het niet goed genoeg vinden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk bijvoorbeeld A-G Spier over mogelijke premiestijgingen van aansprakelijkheidsverzekeringen voor motorrijtuigen – volgens hem “relatieve luxe” maar daar kan volgens mij ook wel anders over worden gedacht – in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2015:462, randnummer 5.33.2) voor HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1873, NJ 2016/26 m.nt. M.M. Mendel en NTHR 2016, p. 18 e.v. m.nt. P. van Zwieten (Achmea/Menzis). In het algemeen leidt meer regres tot hogere WAM-premies, maar tegelijkertijd zouden daardoor dan lagere premies van de betrokken schadeverzekeringen en sociale verzekeringen (als verzamelbegrip van volks- en werknemersverzekeringen) aan de orde (kunnen) zijn. Degenen die met een eventuele premiestijging op het ene front worden geconfronteerd, profiteren, dat is een niet denkbeeldig scenario, op het andere front (mogelijk) van lagere premies. Op macroniveau vallen de verschillende collectiviteiten in hoge mate samen. Op individueel niveau kunnen de premieconsequenties (denk aan een eventuele malus bij de WAM-verzekering) uiteraard minder een vestzak-broekzak-karakter hebben. Uitbreiding van het regres wordt in het algemeen gerechtvaardigd met redeneringen van het ‘vervuiler betaalt’-type waarachter veelal ook de idee schuil gaat dat een dergelijke, in beleidstermen, ‘zuivere kostenallocatie’ ook positieve effecten heeft in het kader van de preventie van ongevallen. Of dit daadwerkelijk zo uitpakt, is nog maar de vraag.</p></div>", "next": 0}