{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">56.</span>Uw Raad heeft in een arrest van 6 september 2016 overwogen dat art. 341, aanhef en onder 1o, (oud), Sr ‘beoogt te treffen onder meer alle handelingen van de in staat van faillissement verklaarde, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers verricht, waardoor hetgeen rechtens onder het bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorde te komen, buiten diens bereik en beheer wordt gehouden. Daarvan kan geen sprake zijn indien de desbetreffende goederen omdat zij aan een derde toebehoren buiten het faillissement blijven’. In het licht van het voorgaande meen ik dat er ruimte is om in uitzonderlijke omstandigheden aan te nemen dat een goed niet (alleen) aan een rechtspersoon toebehoort, maar (ook) aan de gefailleerde natuurlijk persoon die het daarin feitelijk volledig voor het zeggen heeft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">57.</span>Het hof overweegt dat de verdachte van 3 januari 2011 tot en met 30 september 2015 enig aandeelhouder en formeel bestuurder was van [D] B.V. En dat deze rechtspersoon op 30 september 2015 is ontbonden omdat er sinds 2003 geen jaarrekeningen waren gedeponeerd; bij de belastingdienst was geen omzet, inkomen of enige administratie bekend. Het hof overweegt voorts (onder meer) dat de verdachte ter zitting van het hof heeft bevestigd dat sprake was van een lege B.V. zonder activiteiten en dat hij in 2011 voorafgaand aan zijn persoonlijk faillissement een bankrekening heeft geopend op naam van [D] B.V. En dat verdachte daarmee privé-uitgaven deed en uit naam van de rechtspersoon leningen aanging en/of afloste die met de bedrijfsvoering of activiteiten van de rechtspersoon niets van doen hadden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">58.</span>Inzake [I] B.V. overweegt het hof onder meer dat de belastingdienst in haar controlerapport heeft vastgesteld dat alle (bestuurs)activiteiten voor rekening komen van verdachte, die naar eigen zeggen bij iedere bestuurshandeling gemachtigd is door zijn echtgenote, vanaf 1990 aandeelhouder en enig bestuurder van de B.V. Het hof overweegt voorts dat bij de belastingdienst ‘geen inkomen en geen omzet’ bekend zijn en dat de belastingdienst in een boekenonderzoek heeft vastgesteld ‘dat ontvangen bedragen mede gediend hebben ter financiering van persoonlijke uitgaven van verdachte en zijn partner’ en dat ‘de ontvangen lening van [C] voornamelijk bestemd is geweest voor de aflossing van oude privé schulden van verdachte en zijn partner’. En het hof stelt vast dat in de ten laste gelegde periode geen zakelijke activiteiten werden verricht binnen de rechtspersoon, dat verdachte de beschikking had over de bankrekening van deze rechtspersoon en daarmee privé-uitgaven deed en uit naam van de rechtspersoon leningen aanging en/of afloste die met de bedrijfsvoering of activiteiten van de rechtspersoon niets van doen hadden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">59.</span>Het hof heeft uit in het bijzonder deze feiten en omstandigheden kennelijk in de eerste plaats afgeleid dat de verdachte het in deze beide rechtspersonen in de bewezenverklaarde periode alleen voor het zeggen had. Het hof heeft daaruit, zo begrijp ik, voorts afgeleid dat het geld dat op de bankrekeningen van beide rechtspersonen stond niet tot eigen bedrijfsactiviteiten herleidbaar was. En het hof heeft daaruit in de derde plaats afgeleid dat de verdachte privéuitgaven deed van geld op de bankrekeningen van beide rechtspersonen en van dat geld leningen afloste die niets met de betreffende rechtspersoon van doen hadden. Op basis van deze vaststellingen heeft het hof, zo begrijp ik, niet alleen geoordeeld dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van deze beide rechtspersonen, maar ook dat de bankrekeningen van beide rechtspersonen als bankrekeningen van de verdachte kunnen worden beschouwd en dat beide rechtspersonen in zoverre met de verdachte kunnen worden vereenzelvigd. Dat oordeel is – meen ik − niet onbegrijpelijk. Naar het mij voorkomt past het erkennen van een mogelijkheid van vereenzelviging op basis van deze vaststellingen bij de ‘defensieve’ benadering waar Timmerman over spreekt: de effectiviteit van het uitgesproken faillissement wordt erdoor bevorderd. Ik merk daarbij nog op dat beide rechtspersonen zijn ontbonden door de Kamer van Koophandel en dat (derhalve) geen sprake is van (separate) faillissementen van beide rechtspersonen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">60.</span>Ik merk voorts op dat ingeval de weg van vereenzelviging in een geval als het onderhavige niet begaanbaar wordt geacht, een veroordeling wegens een faillissementsdelict mogelijk blijft als wordt vastgesteld dat bedragen die op de bankrekening van beide rechtspersonen zijn gestort door de verdachte ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers aan de boedel zijn onttrokken. Dat vereist evenwel andere vaststellingen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">61.</span>Ervan uitgaand dat de verdachte de bankrekening van [D] B.V. als een bankrekening van de verdachte heeft kunnen aanmerken, kon het hof het verweer passeren dat van het bedrag van € 70.000,- dat is geleend aan [A] B.V. € 19.000,- door [D] B.V. is verstrekt. Ook kon het hof eraan voorbijgaan dat het bedrag van € 195.000,- aan [betrokkene 4] is afgelost vanaf de bankrekening van [D] B.V. En het hof kon ook het verweer passeren dat op geen enkele wijze inzichtelijk is gemaakt waarom de contante stortingen tot een bedrag van € 481.000,- op de bankrekening van [D] B.V. aan verdachte toekomen en hij daar privé over heeft kunnen beschikken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">62.</span>Ervan uitgaand dat de verdachte de bankrekening van [I] B.V. als een bankrekening van de verdachte heeft kunnen aanmerken, kon het hof het verweer passeren dat bij het (gedeeltelijk) aflossen van de lening aan [betrokkene 3] sprake is van ‘een bijschrijving op de rekening van [betrokkene 3] , afkomstig van [I] , en dus niet vanaf de privérekening’ van verdachte. En dat de omstandigheid dat de lening van € 1 miljoen door [C] B.V. is overgemaakt naar de bankrekening van [I] B.V. er niet aan afdoet dat dit bedrag tot het vermogen van de verdachte is gaan behoren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">63.</span>Inzake [F] B.V. heeft het hof overwogen dat [medeverdachte ] van 18 maart 2014 tot en met 8 maart 2017 als enig bestuurder van [F] B.V. geregistreerd stond. De naam is volgens het hof op 21 maart 2017 gewijzigd in [A] B.V. Met ingang van 8 maart 2017 was [K] enig aandeelhouder en bestuurder. Alle aandelen van [F] B.V. / [A] B.V. waren in handen van [medeverdachte ] en de kinderen van verdachte en medeverdachte, op 8 maart 2017 zijn alle 72 aandelen van [medeverdachte ] verkocht aan [K] , vertegenwoordigd door verdachte. Het hof overweegt voorts dat de verdachte ‘ter zitting van het hof heeft verklaard dat hij de ondernemingen die op naam stonden van zijn vrouw heeft gebruikt en dat hij feitelijk bestuurder was en dat hij “maar marginaal” iets met die ondernemingen heeft gedaan’. Inzake [K] heeft het hof niets naders vastgesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">64.</span>Als ik het goed zie is het hof er bij deze drie rechtspersonen niet vanuit gegaan dat zij met de verdachte kunnen worden vereenzelvigd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij tijdens het faillissement goederen aan de boedel heeft onttrokken door € 70.000,- te lenen aan [A] B.V. Voor zover dit onderdeel van de bewezenverklaring gebaseerd is op het door verdachte verstrekken van een lening van € 51.000,- aan [A] B.V., gaat het van twee afzonderlijke vermogens uit (bewijsmiddel 25, par. 10.4.2). Van de lening van [betrokkene 2] is € 75.000,- gestort op een bankrekening van [A] B.V.; mede in het licht van het voorgaande begrijp ik de bewijsvoering aldus dat dit bedrag niet op grond van vereenzelviging als tot het vermogen van de verdachte behorend is aangemerkt, maar op grond van de aangetroffen leenovereenkomst (bewijsmiddel 25, par. 10.6.1). Inzake het geldbedrag van € 100.000,- dat op een Luxemburgse rekening van de verdachte is ontvangen is aangevoerd dat dit ‘is aangewend voor de bedrijfsactiviteiten van [K] ’; die aanwending doet er evenwel niet aan af dat dit geld op de bankrekening van verdachte is verkregen (bewijsmiddel 25, par. 10.6.2).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">65.</span>Het middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking van het derde middel 66. Het derde middel bevat eveneens een klacht over de bewijsvoering van feit 3. De klacht houdt in dat de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte bij een aantal gedragingen die na de faillietverklaring hebben plaatsgevonden, heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers dan wel terwijl hij wist dat één of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, ontoereikend dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd. De stellers van het middel noemen het bedrag van € 175.000,-, verkregen uit een lening van [betrokkene 2] , het bedrag van € 100.000,- verkregen op een Luxemburgse rekening en het bedrag van € 50.000,- dat door de verdachte contant is ontvangen vanuit een lening van B.V. [B] , alsmede het bedrag van € 1.000.000,- verkregen door een lening van [C] B.V. Zij voeren aan dat deze leningen zijn aangegaan na de datum van het persoonlijke faillissement van de verdachte. Het fixatiebeginsel zou meebrengen dat de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte in verband met deze leningen (voor 1 juli 2016) ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ heeft gehandeld dan wel (na 1 juli 2016) ‘terwijl hij wist dat een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld’ ontoereikend met redenen is omkleed.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">67.</span>Het faillissement omvat het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft (art. 20 Fw). Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen, te rekenen van de dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen (art. 23 Fw). Voor verbintenissen van de schuldenaar, na de faillietverklaring ontstaan, is de boedel niet aansprakelijk dan voor zover deze ten gevolge daarvan is gebaat (art. 24 Fw).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">68.</span>Het fixatiebeginsel brengt mee dat de rechtspositie van alle bij de boedel betrokkenen onveranderlijk wordt bij het begin van het faillissement. Deze fixatie heeft zowel betrekking op de activa (bezittingen) als op de passiva (schulden) van de schuldenaar. Uit de genoemde artikelen, in het bijzonder art. 24 Fw, vloeit voort dat schulden die de schuldenaar na de faillietverklaring aangaat, voor de boedel niet relevant zijn, tenzij de boedel gebaat is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">69.</span>In een zaak waarin Uw Raad op 3 december 1974 arrest wees, was ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij, nadat hij op 21 maart 1968 in staat van faillissement was verklaard, in de periode van 21 maart 1968 tot 1 september 1970 ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers een bate niet had verantwoord of goederen aan de boedel had onttrokken, doordat hij een geldsbedrag ter grootte van 45.000 gulden voor de curator in zijn faillissement had verzwegen. In cassatie werd onder meer geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kon volgen dat de verdachte ter bedrieglijke verkorting van zijn schuldeisers had gehandeld. Uit die bewijsmiddelen volgde dat de verdachte had verklaard dat hij eind maart 1969 bij een zekere Heuserer in Oberhausen 50.000 Duitse Marken had geleend en van dit geld 45.000 gulden had besteed ter voldoening van de koopsom van een hotel-café-restaurant. Uw Raad oordeelde dat ‘gelet op het bepaalde in de artt. 24 Fw. en 1791 BW het enkele door iemand die in staat van faillissement verkeert aan de boedel onttrekken, voor de curator in zijn faillissement verzwijgen of niet aan deze verantwoorden van een door hem na de faillietverklaring geleend geldsbedrag, nog niet leidt tot verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">70.</span>Het middel slaagde. Annotator Wachter was het met die beslissing eens: ‘Wanneer i.c. het door de failliet geleende bedrag bijgeschreven was op een bank- of girorekening, waarover slechts de curator kon beschikken, zou de ontvangst van het geleende bedrag als een bate in de zin van art. 20 Fw. aangemerkt zijn, doch tegelijkertijd zou een boedelschuld tot eenzelfde bedrag ontstaan zijn. Per saldo zouden de faillissementscrediteuren er dus geen cent beter van geworden zijn, zodat van een verkorting van hun rechten geen sprake was. In het onderhavige geval nam de failliet het geleende bedrag zelf in ontvangst, zonder het aan de curator af te dragen. De enige consequentie, welke hieruit voortvloeide, was het niet ontstaan van een boedelschuld ten gunste van de uitlener.’ 71. In een zaak waarin Uw Raad op 12 mei 1992 arrest wees, had het hof vastgesteld dat de gefailleerde met een rechtspersoon was overeengekomen dat hij auto’s voor de rechtspersoon zou verkopen. En dat hij een bedrag van 80.000 gulden dat hij uit hoofde van die verkopen onder zich had, aan de verdachte (zijn raadsman) had overhandigd teneinde dit aan een schuldeiser af te dragen. De verdachte had aan deze opdracht voldaan. Namens de verdachte was het verweer gevoerd dat de activiteiten van de gefailleerde ‘budgettair neutraal’ waren voor de boedel. Het hof overwoog dat dit niet aannemelijk was geworden en het verweer zelfs als dit anders was, nog geen doel trof, nu de inkomsten van de gefailleerde op grond van art. 20 Fw tot de failliete boedel gingen behoren. De verdachte werd veroordeeld wegens medeplichtigheid aan bedrieglijke bankbreuk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">72.</span>Uw Raad oordeelde dat de bewijsvoering in het licht van het gevoerde verweer ontoereikend was. Uit de overweging van het hof werd niet duidelijk of het hof de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten niet aannemelijk geworden achtte dan wel of het die feiten als juist had aanvaard maar niettemin van oordeel was dat de uitkering aan de schuldeiser leidde tot verkorting van de rechten van de schuldeisers in het faillissement. Laatstbedoeld oordeel zou volgens Uw Raad onjuist zijn. Indien de verdachte het bedrag aan de curator in het faillissement zou hebben overhandigd, zou de boedel tot dit bedrag zijn gebaat, waardoor er ingevolge art. 24 Fw tot hetzelfde bedrag een boedelschuld aan de betaalde schuldeiser zou zijn ontstaan, ‘door voldoening waarvan de rechten van de schuldeisers in het faillissement niet kunnen zijn verkort’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">73.</span>In beide arresten is gecasseerd, zo begrijp ik, omdat de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers is gehandeld ontoereikend met redenen is omkleed. Daaruit leid ik af dat wel sprake is van een onttrekking aan de boedel. Dat komt mij ook juist voor. Uit art. 20 Fw volgt dat het faillissement (onder meer) omvat hetgeen de schuldenaar gedurende het faillissement verwerft. Door de bedragen die uit een lening respectievelijk door de verkoop van auto’s verkregen zijn voor de curator te verzwijgen, is hetgeen rechtens onder het bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorde te komen, buiten diens bereik en beheer gehouden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">74.</span>In verband met de vraag of het niet afdragen van de verkregen bedragen tot verkorting van de rechten van schuldeisers kan leiden, is het onderscheid tussen faillissementsschulden en boedelschulden relevant. Van een faillissementsschuld is sprake bij schuldeisers die ‘op het tijdstip van de faillietverklaring iets van de failliet te vorderen hebben’. Ook de – op het moment van de faillietverklaring – niet opeisbare schulden zijn van belang. Schulden die na de faillietverklaring ontstaan, zijn in beginsel geen faillissementsschuld, maar op die regel bestaan uitzonderingen. Schulden die voortvloeien uit vernietiging of ontbinding van overeenkomsten die door de wederpartij vóór de faillietverklaring met de schuldenaar zijn gesloten zijn faillissementsschulden. Dat geldt ook voor schulden die betrekking hebben op schadevergoeding door een tekortschieten in de nakoming van een vóór de faillietverklaring ontstane verbintenis. Een uitzondering geldt ook voor schulden die voortvloeien uit een ten tijde van de faillietverklaring bestaande rechtsverhouding tussen schuldenaar en schuldeiser, mits de vereffening in faillissement op de voldoening van die schuld is gericht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">75.</span>Uw Raad heeft boedelschulden omschreven als ‘die schulden die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel hetzij ingevolge de wet, hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, hetzij omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. Onder het aangaan van een schuld door de curator in deze is te verstaan dat de curator deze schuld op zich neemt bij een rechtshandeling, doordat zijn wil daarop is gericht (art. 3:33 en 35 BW).’ Boedelschulden kunnen voortvloeien uit ‘gedragingen van de schuldenaar na de faillietverklaring zonder instemming van de curator. Hoewel de verplichtingen die hieruit voortvloeien in beginsel de boedel niet raken, wordt dit anders als de boedel daardoor gebaat blijkt te zijn (art. 24). Dan is het in het belang van de boedel om die verplichting na te komen, omdat het per saldo meer oplevert. De daarmee corresponderende schuld vormt dan wel een boedelschuld’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">76.</span>Het is mogelijk dat de curator onvoldoende middelen heeft om alle boedelschulden te voldoen. In dat geval ‘verricht de curator zijn beheer- en vereffeningswerkzaamheden voor de boedelschuldeisers (onder wie hijzelf)’. De boedelschuldeisers hebben in dat geval een recht op uitkering naar rato van hun rangorde. De kosten van executie moeten daarbij als eerste worden voldaan voordat tot uitkering kan worden overgegaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">77.</span>In een en ander ligt besloten dat schuldeisers met een faillissementsvordering er inderdaad (om met Wachter te spreken) geen cent beter van worden als gelden die de gefailleerde verkrijgt uit een lening die hij na de faillietverklaring is aangegaan niet aan de curator worden afgedragen. Tegelijk is het wel mogelijk dat rechten van boedelschuldeisers daardoor verkort worden. Ook het welbewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van boedelschuldeisers volstaat – meen ik – voor een bewezenverklaring van het in art. 341 (oud) Sr vereiste oogmerk. Ik merk daarbij nog op dat Uw Raad in een arrest van 9 februari 2010 heeft geoordeeld dat niet is vereist dat komt vast te staan ‘dat de rechten van schuldeisers als gevolg van zijn handelen daadwerkelijk zijn verkort’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">78.</span>Tegen deze achtergrond mogen de overwegingen van Uw Raad in de arresten van 3 december 1974 en 12 mei 1992 wellicht zo worden begrepen dat in geval gelden die de schuldenaar na de faillietverklaring heeft verworven niet aan de curator zijn afgedragen, voor een bewezenverklaring van handelen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ vereist is dat de bewijsvoering zicht biedt op de afwikkeling van het faillissement. Indien de kans dat rechten van boedelschuldeisers daardoor verkort werden aanmerkelijk was, en de verdachte die kans welbewust heeft aanvaard, behoort een bewezenverklaring dan toch tot de mogelijkheden. In het onderhavige geval biedt de bewijsvoering evenwel geen zicht op de afwikkeling van het faillissement. Daarom ga ik verder aan deze mogelijkheid voorbij.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">79.</span>In het nieuwe strafrechtelijk faillissementsrecht is het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ vervangen door het subjectieve bestanddeel ‘wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld’. Deze formulering sluit volgens de memorie van toelichting nauwer aan ‘bij de standaardwijzen die in het wetboek worden gebruikt om het opzetverband aan te duiden’. Ook de nieuwe formulering omvat voorwaardelijk opzet. De memorie van toelichting merkt op dat anders dan in de huidige strafbepalingen door de nieuwe formulering wordt geëist ‘dat een of meer schuldeisers in het faillissement daadwerkelijk zijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">80.</span>De bewezenverklaring houdt in verband met de eerste beide door de stellers van het middel genoemde verkregen leningen in dat de verdachte terwijl hij wist dat een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, tijdens het faillissement de uit die lening ontvangen bedragen aan de boedel heeft onttrokken. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 10 juli 2012 in staat van faillissement is verklaard (bewijsmiddel 13). Uit een tot het bewijs gebezigd ‘proces-verbaal bedrieglijke bankbreuk’, par. 10.6.1, blijkt dat bij een doorzoeking die op 8 juni 2017 heeft plaatsgevonden een leenovereenkomst d.d. 23 februari 2017 tussen [betrokkene 2] en de verdachte is aangetroffen, waarin verdachte een bedrag van € 175.000,- leent tegen een rente van € 35.000,- per vier weken (bewijsmiddel 25). Daarvan is € 75.000,- gestort op een rekening van [A] (bewijsmiddel 25, par. 10.6.1). Uit ditzelfde proces-verbaal, par. 10.6.2, blijkt dat verdachte blijkens een leenovereenkomst d.d. 24 maart 2017 € 150.000,- heeft geleend van B.V. [B] , tegen 10% rente op jaarbasis. Daarvan is € 100.000,- overgemaakt naar de Luxemburgse bankrekening ten name van verdachte, en € 50.000,- contant aan de verdachte gegeven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">81.</span>Uit de bewijsvoering kan, meen ik, niet worden afgeleid dat de boedel ten gevolge van deze verbintenissen is gebaat. Dat brengt mee dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte door uit deze leningen geld te ontvangen (en niet af te dragen) heeft gehandeld terwijl hij wist dat hierdoor één of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld. Ik merk daarbij op dat de € 75.000,- die in verband met de lening van [betrokkene 2] is binnengekomen op de rekening van [A] naar het mij voorkomt geen actief van de boedel is (vgl. de bespreking van het tweede middel). De bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte handelde terwijl hij wist dat één of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld is in zoverre ook om die reden ontoereikend gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">82.</span>De bewezenverklaring houdt in verband met de derde door de stellers van het middel genoemde lening in dat de verdachte ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers lasten heeft verdicht en/of baten niet heeft verantwoord. Onder de bewijsmiddelen is een schriftelijk bescheid opgenomen, inhoudende een leenovereenkomst, gedateerd 27 augustus 2013, tussen [C] B.V. enerzijds en [I] B.V., [medeverdachte ] en [betrokkene 4] anderzijds (bewijsmiddel 30). Deze leenovereenkomst houdt in dat € 1.000.000,- ter leen is verstrekt, waarvan op 15 augustus 2013 € 250.000,- is gestort, en op 28 augustus 2013 € 750.000,-.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">83.</span>De bewezenverklaring is niet nader toegelicht voor zover zij het verdichten van lasten zou betreffen. Dat de lening een last van de boedel van de verdachte zou zijn die is verdicht, kan zonder nadere toelichting niet uit de bewijsvoering worden afgeleid. De leenovereenkomst is onder de bewijsmiddelen opgenomen en uit de bewijsoverwegingen kan worden afgeleid dat het hof ervan is uitgegaan dat de lening daadwerkelijk is verstrekt. Uit die bewijsoverwegingen volgt dat het hof het oog heeft op het niet verantwoorden van baten; de bewezenverklaring ziet ook op de € 1.000.000,- die is verkregen door de lening. Uit de bewijsvoering kan – meen ik – evenwel niet worden afgeleid dat de verdachte door het op grond van deze lening verkregen bedrag voor de curator te verzwijgen de rechten van de schuldeisers heeft verkort. Uit die bewijsvoering volgt niet dat de boedel ten gevolge van deze verbintenis is gebaat.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">84.</span>Een en ander brengt mee dat het middel slaagt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking van het vierde middel 85. Ook het vierde middel bevat een klacht over de bewijsvoering van feit 3. Deze klacht betreft specifiek de (gedeeltelijke) aflossing van de lening aan [betrokkene 4] ; dat de verdachte door de aflossing van die lening ter gelegenheid van zijn faillissement één of meer schuldeisers op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld en heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers zou onbegrijpelijk dan wel ontoereikend zijn gemotiveerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">86.</span>De tenlastelegging inzake deze aflossing is toegesneden op art. 341, aanhef, onder a, sub 3o, (oud) Sr. Dat hield in dat als schuldig aan bedrieglijke bankbreuk werd gestraft, hij ‘die in staat van faillissement is verklaard, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers: (…) 3o. ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat zijn faillissement niet kon worden voorkomen, een van zijn schuldeisers op enige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">87.</span>Het hof heeft ten laste van de verdachte onder meer bewezenverklaard dat hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers ter gelegenheid van zijn faillissement één of meer van zijn schuldeisers op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld, door zijn lening aan [betrokkene 4] gedeeltelijk af te lossen door aan die [betrokkene 4] € 195.000,- terug te betalen in de periode van 29 augustus 2013 tot en met 13 september 2013. De bewijsmiddelen bevatten inzake deze terugbetaling onder meer een passage uit een verklaring van de verdachte, inhoudend: ‘ [betrokkene 4] moest zijn € 195.000,- hebben. Dat was geen persoonlijke lening van hem aan mij, maar een vergoeding voor zijn borgstelling voor de lening van € 1 miljoen’ (bewijsmiddel 20).</div>\n<p class=\"lf-p\">Inzake die lening van € 1 miljoen houdt het tot het bewijs gebezigde ‘proces-verbaal bedrieglijke bankbreuk’ onder meer in: ‘Op 16 augustus 2013 heeft [C] BV een lening ter grootte van 1 miljoen euro afgesloten met [I] BV, [medeverdachte ] en [betrokkene 4] tegen een rente van 10% per jaar. [betrokkene 4] , oud-accountant van [verdachte] , heeft ten behoeve van de lening een aantal panden als borg verpand aan [C] BV’ (bewijsmiddel 25, par. 10.3.2; zie ook bewijsmiddel 30). Hetzelfde proces-verbaal houdt in dat van deze lening uiteindelijk € 990.000,- naar de bankrekening van [D] B.V. werd overgemaakt, en dat van dat bedrag ‘op vijf verschillende data in totaal 195.000 euro (is) over gemaakt naar een bankrekening op naam van [betrokkene 4] met als bijschrift “aflossing lening” en “aflossing”’ (par. 10.4.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze ‘aflossingen’ zijn gedateerd op 29 en 30 augustus en op 2, 10 en 13 september 2013. Over een lening van [betrokkene 4] aan de verdachte bevatten de bewijsmiddelen geen nadere informatie, wel volgt daaruit dat [betrokkene 4] zekerheid heeft gesteld voor de lening van [C] BV (bewijsmiddel 25, par. 10.3.2) en in verband daarmee het geld heeft gekregen (bewijsmiddel 28).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">88.</span>De stellers van het middel voeren in de eerste plaats aan dat [betrokkene 4] ten onrechte is aangemerkt als ‘schuldeiser’ in de zin van art. 341 (oud) Sr; nu een lening die de failliet aangaat na de datum van zijn faillissement niet op de boedel kan worden verhaald tenzij de boedel daardoor is gebaat, kwalificeert de schuldeiser van een dergelijke lening niet als ‘schuldeiser’ in de zin van art. 341 Sr. Net als de lening van [C] B.V. zou ook de met deze lening samenvallende vordering van [betrokkene 4] buiten de boedel vallen. De stellers van het middel voeren voorts aan dat, nu de lening van [C] B.V. en de vordering van [betrokkene 4] buiten de boedel vallen, niet (zonder meer) valt in te zien hoe het deels aanwenden van deze hoofdsom ter voldoening van de vordering van [betrokkene 4] de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers van de verdachte heeft doen ontstaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">89.</span>In het Wetboek van Strafrecht zoals dat in 1886 in werking trad, was in art. 341 Sr strafbaar gesteld de koopman die in staat van faillissement is verklaard indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten zijner schuldeisers ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, ‘een zijner schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt’. Aanvankelijk was voorgesteld strafbaar te stellen het ‘in het vooruitzigt of ter gelegenheid van’ het faillissement bevoordelen van een schuldeiser. De Raad van State bracht naar voren dat onduidelijk was of ook ‘betaling van eene vervallene schuld’ daaronder viel. De minister meende dat twijfel onmogelijk was als in het oog werd gehouden dat het bevoordelen ‘ter bedrieglijke verkorting van de regten zijner schuldeischers’ moest hebben plaatsgehad. De Tweede Kamer dacht daar anders over: ‘Immers men zou ook kunnen beweren, dat de volledige uitbetaling aan een crediteur bij onvoldoend vermogen om ook de anderen te voldoen, verkorting meebrengt van de regten dier crediteuren’. In nader overleg is de redactie daarop ‘verduidelijkt’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">90.</span>Deze discussie illustreert dat de wetgever bij deze strafbaarstelling vooral oog had voor de bevoordeling van een schuldeiser boven andere schuldeisers die in het faillissement ‘rechten’ hadden. Tegelijk volgt daaruit niet dwingend dat de schuldeiser die bevoordeeld is, een vordering dient te hebben die voor de faillietverklaring is ontstaan. Dat volgt ook niet uit de redactie van art. 341 (oud) Sr.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">91.</span>Bij de bespreking van het vorige middel bleek dat Uw Raad de vraag of het door de gefailleerde aan de boedel onttrekken van een na de faillietverklaring geleend geldbedrag strafbaar is als faillissementsdelict, beoordeelt in het kader van de bewijsvoering van het subjectieve bestanddeel. Daar bleek ook dat er uitzonderingen zijn op de regel dat een schuld die na de faillietverklaring is ontstaan geen faillissementsschuld is. En dat boedelschulden, die door of na het faillissement ontstaan, verschillende oorzaken kunnen hebben. Mede tegen deze achtergrond ligt het niet voor de hand om door een restrictieve interpretatie van het begrip ‘schuldeiser’ onderscheid te maken tussen bevoordelen dat wel of niet een faillissementsdelict oplevert. Ik merk daarbij nog op dat ook een faillissementsschuldeiser er niet van verzekerd is dat zijn vordering deels voldaan wordt. En dat een restrictieve interpretatie van het begrip ‘schuldeiser’ niet afdoet aan de reikwijdte van de strafbaarstelling van het onttrekken van een goed aan de boedel. Schuldeiser in de zin van art. 341 (oud) Sr is – meen ik – elk rechtssubject dat gerechtigd is tot een prestatie waartoe de gefailleerde verplicht is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">92.</span>Dat brengt mee dat de eerste deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">93.</span>Dat daadwerkelijk sprake was van een lening van [betrokkene 4] aan de verdachte kan niet zonder meer uit de bewijsvoering worden afgeleid. De voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte houdt – zo bleek - in: ‘ [betrokkene 4] moest zijn € 195.000,- hebben. Dat was geen persoonlijke lening van hem aan mij, maar een vergoeding voor zijn borgstelling voor de lening van € 1 miljoen’ (bewijsmiddel 20). Zie ik het goed, dan bestrijden de stellers van het middel evenwel niet dat van een vordering sprake was en dat het hof [betrokkene 4] (op die grondslag) als schuldeiser heeft kunnen aanmerken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">94.</span>Waar het de stellers van het middel om gaat, is of de bewijsvoering van het handelen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ toereikend is, nu ‘de lening van [C] BV en de vordering van [betrokkene 4] buiten de boedel vallen’. Aldus wordt een koppeling gelegd tussen de vordering van [C] BV en de vordering van [betrokkene 4] . De enkele omstandigheid dat de betalingen aan [betrokkene 4] verband hielden met (zijn zekerheidstelling in verband met) de verstrekking van de lening door [C] B.V. doet er, meen ik, evenwel niet aan af dat het om afzonderlijk te beoordelen gedragingen gaat. Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen; daartoe behoort ook ‘hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft’ (artikelen 20 en 23 Fw). Door van dat vermogen € 195.000,- aan [betrokkene 4] over te maken heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat rechten van (andere) schuldeisers werden verkort.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">95.</span>Het middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking van het vijfde middel 96. Het vijfde middel bevat de laatste klacht over de bewijsvoering van feit 3. Deze klacht betreft specifiek het bedrag van € 481.000,- aan contante stortingen op de bankrekening van [D] B.V (in de periode van 10 juli 2012 tot en met 11 juni 2014). De bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte daardoor baten niet heeft verantwoord en heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers zou onbegrijpelijk dan wel ontoereikend zijn gemotiveerd. De stellers van het middel voeren aan dat het hof kennelijk heeft aangenomen dat deze stortingen oude vorderingen betroffen van [G] BV, één van de ondernemingen waar de verdachte aan verbonden was voorafgaand aan het uitspreken van zijn persoonlijke faillissement. Daarom zou het oordeel van het hof dat het hier ging om ‘baten’ die in het persoonlijke faillissement van de verdachte vielen (zonder nadere motivering) niet begrijpelijk zijn. In het verlengde daarvan zou niet gezegd kunnen worden dat de verdachte door deze contante stortingen voor de curator te verzwijgen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ heeft gehandeld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">97.</span>Het hof heeft ten laste van de verdachte onder meer bewezenverklaard dat hij, terwijl hij op 10 juli 2012 in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers lasten heeft verdicht en/of baten niet heeft verantwoord, te weten € 481.000,- aan contante stortingen op de bankrekening van [D] B.V., in de periode van 10 juli 2012 tot en met 11 juni 2014. Onder de bewijsmiddelen is de verklaring opgenomen die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, voor zover inhoudend: ‘ [D] B.V. ( [D] ) is een lege rechtspersoon. U houdt mij voor dat in 2011 op naam van [D] een bankrekening is geopend bij ING Bank. Dat was voorafgaand aan het faillissement.</div>\n<p class=\"lf-p\">U, voorzitter, houdt mij voor dat na het faillissement op die rekening een bedrag van € 481.000 is gestort. Ik heb dat niet gemeld bij de curator. Het betrof oude vorderingen van [G] uit 2007 en 2008. De bankrekening van [D] was de enige die ik tot mijn beschikking had. Ik had het geld contant ontvangen, op de rekening gestort en er vervolgens leveranciers mee betaald’ (bewijsmiddel 20). Het ‘proces-verbaal bedrieglijke bankbreuk’ houdt inzake deze stortingen het volgende in: ‘Op naam van [D] BV is in augustus 2011 [rekeningnummer] geopend welke door de ING op 11 juni 2014 werd opgeheven. Na het faillissement van [verdachte] d.d. 10 juli 2012 werd de bankrekening van [D] BV voor ruim 1,8 miljoen euro gevoed, voornamelijk door contante stortingen (481.000 euro)’ (bewijsmiddel 25, par. 10.4).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">98.</span>De enkele omstandigheid dat de verdachte in zijn tot het bewijs gebezigde verklaring heeft verklaard dat de betalingen op de bankrekening van [D] B.V. hun grondslag vonden in oude vorderingen van [G] B.V. doet er – meen ik – niet aan af dat de stortingen van € 481.000 op de bankrekening van [D] B.V. tot het vermogen van de verdachte gerekend kunnen worden, indien er – op grond van de feiten en omstandigheden die het hof in aanmerking heeft genomen en die bij de bespreking van het tweede middel aan de orde zijn geweest – vanuit wordt gegaan dat de bankrekening van [D] B.V. als een bankrekening van de verdachte kan worden aangemerkt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">99.</span>Het middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking van het zesde middel 100. Het zesde middel bevat een klacht over de motivering van de onttrekking aan het verkeer van een geldtelmachine. Aangevoerd wordt dat het oordeel van het hof dat feit 1 is begaan met betrekking tot de aan het verkeer onttrokken geldtelmachine en dat de geldtelmachine van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang onbegrijpelijk althans ontoereikend is gemotiveerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">101.</span>Het hof heeft in het kader van de strafmotivering onder het kopje ‘Beslag’ onder meer het volgende overwogen: ‘Het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten 49 valse biljetten van € 500 en een geldtelmachine. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.’ 102. Ingevolge art. 36c Sr zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer alle voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan. Het onder 1 bewezenverklaarde feit (het opzettelijk 49 bankbiljetten van 500 euro waarvan de valsheid de verdachte toen hij die bankbiljetten ontving bekend was, met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven in voorraad hebben), is niet met betrekking tot de geldtelmachine begaan. En met de stellers van het middel meen ik dat het ongecontroleerd bezit van een geldtelmachine niet in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Dat kan anders liggen als deze voorwerpen onderdeel uitmaken van een gezamenlijkheid van voorwerpen waarvan het ongecontroleerd bezit in strijd is met het algemeen belang, maar dat is door het hof niet vastgesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">103.</span>Het middel slaagt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking van het zevende middel 104. Het zevende middel bevat een klacht over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in de cassatiefase.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">105.</span>Het cassatieberoep is ingesteld op 2 juni 2023. De stukken van het geding zijn op 29 mei 2024 op de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat de termijn van acht maanden met bijna vier maanden is overschreden. In geval Uw Raad de zaak terugwijst kan het met de berechting gemoeide tijdsverloop bij het hof aan de orde worden gesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">106.</span>Het middel slaagt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Afronding 107. Het eerste, tweede, vierde en vijfde middel falen; het eerste en vijfde middel kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Het derde, zesde en zevende middel slagen. Ambtshalve wijs ik erop dat het cassatieberoep op 2 juni 2023 is ingesteld. Ingeval Uw Raad de zaak terugwijst, kan het met de berechting gemoeide tijdsverloop bij het hof aan de orde worden gesteld. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding zouden kunnen geven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">108.</span>De steller van het middel heeft het beroep in cassatie partieel ingetrokken en daarbij de door het hof gegeven vrijspraken ter zake van feit 3 van het cassatieberoep uitgezonderd. Deze vrijspraken betreffen het tijdens het faillissement aan de boedel onttrekken van ‘(de waarde/opbrengst van) 72 aandelen in [F] B.V. verkregen op 8 maart 2017’ en het lasten verdichten en/of baten niet verantwoorden, ‘te weten: - 170.000 euro door een lening van [betrokkene 3] d.d. 23 september 2013’. Naar het mij voorkomt kunnen deze beperkingen in cassatie worden gerespecteerd; het gaat om onderdelen van de tenlastelegging waarin een zelfstandig strafrechtelijk verwijt is omschreven. Tegelijk kan de verwijzingsopdracht bij feit 3 – meen ik − worden beperkt tot de onderdelen waarvan de bewezenverklaring niet in stand kan blijven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">109.</span>Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen inzake het onder 3 ten laste gelegde feit, voor zover deze betreffen de passage ‘- 175.000 euro ontvangen (uit de lening van [betrokkene 2] ) d.d. 23 maart 2017;- 100.000,- euro verkregen op een Luxemburgse rekening (van verdachte) en 50.000,- euro door verdachte contant ontvangen (vanuit de lening van BV [B] (d.d. 24 maart 2017);’ en de passage ‘- 1.000.000,- euro door een lening van [C] BV d.d. 27 augustus 2013);’ alsmede de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Blijkens de ‘akte partieel intrekking cassatie’ van 18 september 2024 strekt het cassatieberoep zich niet uit ’over de door het Hof gegeven vrijspraak ter zake feit 2, voor zover die beslissing betrekking heeft op het hiernavolgende (impliciet) cumulatief/alternatief tenlastegelegde: ten aanzien van het (telkens) opzettelijk gebruik hebben gemaakt van valselijk opgemaakte en/of valse geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware deze echt en onvervalst, te weten: vierde gedachtestreepje, voor zover inhoudende de vrijspraak van: “De valse loonstrook van april 2017 te (laten) sturen aan International Card Services voor het verkrijgen van een creditcard”’ alsmede ‘de door het Hof gegeven vrijspraken ter zake feit 3, voor zover die beslissingen betrekking hebben op het hiernavolgende (impliciet) cumulatief/alternatief ten laste gelegde: ten aanzien van het tijdens faillissement onttrekken van goederen, althans enig goed, aan de boedel (zaak A), te weten: tweede gedachtestreepje, voor zover inhoudende de (impliciete) vrijspraak van: “(de waarde/opbrengst van) 72 aandelen in [F] BV verkregen op 8 maart 2017”; ten aanzien van het verdichten van lasten en/of het niet verantwoorden van baten (zaak C), te weten: - eerste gedachtestreepje, voor zover inhoudende de (impliciete) vrijspraak van: “170.000,- euro door een lening van [betrokkene 3] d.d. 23 september 2013””.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291, NJ 2011/116 m.nt. Mevis.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291, NJ 2011/116 m.nt. Mevis.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:45, NJ 2018/65.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede druk, herzien door J.W. Smidt, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 233-235.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voluit: Richtlijn 2014/62/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de strafrechtelijke bescherming van de euro en andere munten tegen valsemunterij en ter vervanging van Kaderbesluit 2000/383/JB van de Raad, PB L 151 van 21.5.2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kaderbesluit 2000/383/JBZ kende vergelijkbare verplichtingen tot strafbaarstelling (zie de artikelen 3 en 5). De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat dit kaderbesluit implementeerde, gaf aan dat de term ‘bedrieglijk’ ‘in de Nederlandse strafwet tot uitdrukking is gebracht met het in de bepalingen van titel X opgenomen oogmerk’ (Kamerstukken II 2000/01, 27 494, nr. 3, p. 3). In artikel 209 Sr geeft het oogmerk, zo begrijp ik, uitdrukking aan de begrippen ‘teneinde’ en ‘bestemd’. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt aan het oogmerk-vereiste vastgehouden (Kamerstukken II 2000/01, 27 494, nr. 5, p. 6) en aangegeven dat daarmee ‘geen ruimte wordt geboden voor voorwaardelijk opzet’.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3446, NJ 2006/365 m.nt. Reijntjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van A-G Vellinga voor HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9861 (randnummers 19 en 22) alsmede de conclusie van A-G Spronken voor HR 7 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1500 (randnummer 4.5.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1500. https://www.encyclo.nl/begrip/intaglio. https://anw.ivdnt.org/article/diepdruk.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:RBOBR:2020:2396. [medeverdachte ] vorderde in die zaak de afgifte door de curator van ‘onder meer een verzameling barbiepoppen, een verzameling munten en een aantal sieraden’; de curator vorderde in reconventie dat de rechtbank [medeverdachte ] zou veroordelen aan de curator een bedrag van € 75.000,00 te betalen. Voor de beslissingen in de strafzaak zijn deze vonnissen – meen ik – niet rechtstreeks van belang; dat wordt in cassatie ook niet aangevoerd. Het strafprocesrecht kent niet een regel die bepaalt dat een vonnis van de civiele rechter onder nadere voorwaarden dwingend bewijs van een nader omschreven feit oplevert (vgl. art. 161 Rv). Het beginsel van formele rechtskracht ziet op de verhouding tussen het bestuursrecht enerzijds en civiel recht en strafrecht anderzijds (vgl. de conclusie van plv. A-G Van Wees voor HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1621, NJ 2025/40 m.nt. Reijntjes). In het licht van een en ander heb ik dit verder laten rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarvoor laatstelijk gewijzigd door de Wet van 8 september 2005, Stb. 2005, 455.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 8 april 2016, Stb. 2016, 154.</p>\n<p class=\"lf-p\">L. Timmerman, ‘Vereenzelviging als strijdmiddel in vennootschapsrechtelijke aansprakelijkheidsprocedures’, Ondernemingsrecht 2001, p. 294-295.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480, NJ 2000/698 m.nt. Maeijer (Rainbow-arrest).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 juni 1995, NJ 1996/213 (Krijger/Citco).</p>\n<p class=\"lf-p\">Timmerman wijst in dat verband ook op de bespreking in M.L. Lennarts, Concernaansprakelijkheid, Deventer: Kluwer 1999, p. 237 e.v. van HR 19 september 1997, NJ 1997, 255 en 256, m.nt. Maeijer (Gaswacht I en II).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2285, NJ 2017/124 m.nt. Van Schilfgaarde (Maple Leaf). Zie voorts nog HR 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6445, NJ 2009/318 m.nt. Van Schilfgaarde (Aerts e.a./Stichting Waaldijk), waarin de civiele kamer overwoog dat van misbruik van het identiteitsverschil tussen (rechts)personen sprake kan zijn ‘indien iemand een goed waarvan hij alle voordelen geniet met gebruikmaking van dat identiteitsverschil buiten zijn vermogen brengt of houdt zonder daarmee een zelfstandig belang van de betrokken rechtspersoon of – personen te dienen, maar enkel met het oogmerk dat goed aan verhaal van zijn crediteuren te onttrekken’ (rov. 3.3.2.). Annotator Van Schilfgaarde vermeldt dat de vordering van de curator primair was gebaseerd op vereenzelviging, maar dat deze vordering was afgewezen en in hoger beroep en cassatie niet meer aan de orde is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie voor HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1315, randnummer 3.7.5-3.7.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.L.J. Roelvink, Boekbespreking R.C. van Dongen , ‘Identificatie in het rechtspersonenrecht’, WPNR 1996, p. 112.</p>\n<p class=\"lf-p\">Timmerman, a.w, p. 299-300.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over vereenzelviging voorts L. Timmerman, ‘Onderstromen in het privaatrechtelijke rechtspersonenrecht’, in: NJV-Preadviezen, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 154 e.v., waarin hij spreekt over een afweging van ‘het respect voor de rechtspersoonlijkheid en het doel van de in het concrete geval aan de orde zijnde norm’. Zie ook het eerdere preadvies van H.L.J. Roelvink, ‘Door rechtspersonen heen kijken’, in: NJV-preadviezen, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1977, p. 138 e.v., die als ‘waarschijnlijk zelden voorkomende vorm van benadeling’ signaleert ‘het door de enige aandeelhouder aan verhaal door zijn privé crediteuren onttrekken van vermogensbestanddelen door deze over te hevelen naar ‘zijn’ vennootschap’ (p. 147). Zie voorts J. Elbers, Misbruik van het identiteitsverschil en crediteursbenadeling: een onderzoek naar vereenzelviging en klassieke vormen van redres, Zutphen: Uitgeverij Paris 2014, p. 585, die in de context van het ‘wegdenken van het identiteitsverschil als middel tegen crediteursbenadeling die gepaard gaat met misbruik van het identiteitsverschil binnen faillissement’ onderscheid maakt tussen het toerekenen van goederen en verplichtingen van een rechtssubject aan een ander rechtssubject en meent dat de curator ‘exclusief bevoegd (is) in rechte een beroep op vereenzelviging voor de toerekening van goederen te doen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.L.H. Reumers, De insolvente naamloze en besloten vennootschap (Recht &amp; Praktijk, nr. InsR15), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 262 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 september 1987, NJ 1988/136 (Van Kempen en Begeer/Zifa en DCW), m.nt. Van der Grinten. .</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband ook M.L.H. Reumers, Samengevoegde afwikkeling van faillissementen, Deventer: Kluwer 2007, p. 425-430.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.w., p. 265-266.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2021, onder verwijzing naar HR 5 november 1996, NJ 1997/138. Vgl. in dit verband ook HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de bewijsmiddelen 16 en 22 t/m 25 lijkt iets anders te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik ga er hier aan voorbij of de leenovereenkomst daarvoor een toereikende grondslag is. Zie in dat verband de bespreking van de klacht van het derde middel inzake dit onderdeel van de bewezenverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.D. Vriesendorp, Insolventierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vriesendorp, a.w., p. 306.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 december 1974, NJ 1975/229 m.nt Wachter. Zie daarover ook C.M. Hilverda, Faillissementsfraude. Een studie naar de strafrechtelijke handhaving van faillissementsrechtelijke normen, Deventer: Kluwer 2009, onder meer p. 263.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 mei 1992, NJ 1992/630.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vriesendorp, a.w., p. 305-309.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108, NJ 2013/291, m.nt. Verstijlen, (Koot Beheer/Tideman), rov. 3.7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vriesendorp, a.w., p. 321.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vriesendorp, a.w., p. 324-325.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691, NJ 2010/104.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs er daarbij op dat ook in het verband van de strafbaarstelling van het bevoordelen van schuldeisers in art. 341 (oud) Sr volstaat dat ter bedrieglijke verkorting van de rechten van andere schuldeisers is gehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013/14, 33 944, nr. 3, p. 7 en 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede druk, herzien en aangevuld door J.W. Smidt, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, deel III, p. 9-12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vriesendorp, a.w., p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijvoorbeeld HR 3 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1308; HR 6 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1815, NJ 2023/10; HR 8 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1586, NJ 2022/364.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. (de conclusie voorafgaand aan) HR 14 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:63.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, NJ 2018/59 m.nt. Mevis.</p></div>", "next": 0}