{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor vermeld, ontstaat het recht op schadevergoeding (een vergoeding voor immateriële schade inbegrepen) wegens aansprakelijkheid ex art. 6:166 jo. art. 6:162 BW echter op grond van de wet, namelijk wanneer aan alle voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan. Het ontstaan van dat recht is dus niet afhankelijk (gesteld) van de uitoefening van dat recht door de benadeelde. Wel heeft de vordering tot vergoeding van immateriële schade een hoogstpersoonlijk karakter, hetgeen met zich brengt dat in beginsel slechts de benadeelde zelf die vordering kan instellen. Maar dit ziet dus weer op de bevoegdheid tot het instellen van een vordering tot nakoming van de schadevergoedingsverbintenis en niet op het daaraan voorafgaande moment van het ontstaan van die verbintenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.36 Voor zover de klacht veronderstelt dat het hof heeft geoordeeld dat art. 6:2 BW (ik veronderstel dat is bedoeld: art. 6:2 lid 2 BW) een vordering kan doen ontstaan, berust de klacht op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Het hof heeft in de bestreden rechtsoverweging enkel geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (in de zin van art. 6:2 lid 2 BW) dat verdachte zich erop zou kunnen beroepen dat [slachtoffer] geen mededeling aan hem heeft gedaan dat hij aanspraak maakt op vergoeding van immateriële schade, hetgeen volgens art. 6:95 lid 2 BW een voorwaarde is voor overgang onder algemene titel van het recht op die vergoeding. Ook dit oordeel ziet dus op de overgang onder algemene titel van het recht op vergoeding van immateriële schade en niet op het ontstaansmoment van dat recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.37 De klacht is ongegrond. Het bestreden oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.38 Volgens de tweede klacht van middel II is onbegrijpelijk dat het hof kennelijk heeft geoordeeld “dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert”. Uit de inhoud van randnummer 7. van de cassatieschriftuur leid ik af dat deze klacht slechts betrekking heeft op de vordering die de ouders van [slachtoffer] hebben ingesteld tot vergoeding van de door hun zoon geleden immateriële schade. De klacht betoogt dat de vraag op welk moment het recht op vergoeding van die schade ontstaat, heel relevant en niet eenvoudig te beantwoorden is. Deze vraag zou meer bij de civiele rechter thuis horen dan bij de strafrechter, aldus de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39 Deze tweede klacht van middel II faalt in het spoor van de eerste. De vraag naar het ontstaansmoment van het recht op vergoeding van immateriële schade is niet moeilijk te beantwoorden. Het oordeel van het hof geeft ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting hierover (zie hiervoor in randnummers 4.29 e.v.). In feitelijke instanties is ook niet gediscussieerd over deze vraag (zie voor het partijdebat hiervoor in randnummers 2.31-2.39). Bij deze stand van zaken valt niet in te zien waarom beantwoording van deze vraag een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.40 Ook deze tweede klacht van middel II mist dus doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.41 Daarmee zijn we toegekomen aan de klachten van middel III.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middel III: oordeel over vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud 4.42 Middel III richt zich tegen het oordeel van het hof over de vordering van benadeelde partij L.S. [benadeelde 7] , de vriendin van [slachtoffer] , tot vergoeding van gederfd levensonderhoud. Het bestreden oordeel is hiervoor (met citaten) weergegeven in randnummers 2.51-2.55. Voor de leesbaarheid geef ik de kernoverweging waartegen het middel zich richt, hier nogmaals weer: “De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partij voor deze post niet-ontvankelijk wordt verklaard, waarbij een aantal van de gehanteerde uitgangspunten wordt betwist. De verdediging vindt dat gelet op deze aandachtspunten de overlijdensschade alleen is vast te stellen met een nadere onderbouwing of bewijslevering. Verdere behandeling levert een onevenredige belasting op van het strafproces.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de verdediging enkele kanttekeningen en bedenkingen heeft opgeworpen, maakt op zichzelf genomen niet dat daarom de vordering te ingewikkeld is en de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Dat zou het te makkelijk maken om op niet-ontvankelijkheid aan te sturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat – gezien de onderbouwde en verifieerbare uitgangspunten van het rapport gemaakt met de rekentool van De Bureaus - Analyse &amp; Rekenen – aan een deel van de kanttekeningen die de verdediging heeft opgeworpen is tegemoetgekomen door de benadeelde partij. Zo is vanaf 2023 gerekend met een rendementspercentage van 0,5% en is de fiscale component € 0,00 geworden. De verdediging heeft de vordering voor het overige inhoudelijk niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist. Het rekenen met een termijn van tien jaren komt het hof, mede gelet op de levensfase van zowel de benadeelde partij als [slachtoffer] , niet onjuist en niet onredelijk voor. De argumenten van de verdediging die hiertegen zijn ingebracht, zijn niet dermate zwaarwegend dat het hof tot een andersluidend oordeel zou moeten komen. Aldus komt het hof tot de conclusie dat bij de benadeelde partij sprake is van gederfd levensonderhoud voor het bedrag van € 198.057,00. Het hof wijst de vordering dan ook toe.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43 Ik neem de klachten van het middel samen. Volgens het middel is onbegrijpelijk dat het hof het verweer dat namens de verdachte is gevoerd heeft “bestempeld als het enkel opwerpen van wat kanttekeningen en bedenkingen”. Het had op de weg van het hof gelegen om [benadeelde 7] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering “gelet op de ingewikkeldheid van de vordering, de gemotiveerde betwisting door de verdediging en de hoogte van de verzochte schade[vergoeding, A-G]”. Verder heeft het hof zijn oordeel dat de vordering integraal wordt toegewezen, ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft overwogen dat de vordering (op enkele kanttekeningen na, waarin [benadeelde 7] de verdachte is tegemoetgekomen) inhoudelijk niet of niet voldoende gemotiveerd is betwist. Het middel betoogt dat de verdachte de vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud wel gemotiveerd heeft betwist, onder verwijzing naar de verweren die in feitelijke instanties zijn gevoerd. Tot slot voldoet het zojuist genoemde oordeel – kort gezegd – niet aan de eisen die Uw Raad in de 23 april-arresten (zie over deze arresten randnummers 3.32 e.v.) heeft gesteld aan de motivering van het oordeel van de strafrechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.44 Ik stel voorop dat het bestreden arrest in deze zaak dateert van 14 maart 2024. Het hof heeft daarom geen kennis kunnen nemen van de 23 april-arresten, die dateren van ruim een maand later. Als het hof daarvan wel kennis zou hebben genomen, dan zou zijn oordeel over de vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud vast en zeker anders hebben geluid. Hoewel Uw Raad ook in het Overzichtsarrest benadeelde partij al had geoordeeld dat de strafrechter zich bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de benadeelde partij ervan moet vergewissen dat beide partijen (de benadeelde partij en de verdachte) in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen naar voren te brengen, heeft Uw Raad pas in de 23 april-arresten geoordeeld dat deze verplichting bij substantiële vorderingen van complexe aard (zoals hier de vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud) zelfstandige aandacht vraagt van de strafrechter in de motivering van zijn oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het hof in deze zaak oog heeft gehad voor de moeilijke positie waarin de verdachte zich bevond bij het voeren van verweer tegen de vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud, blijkt niet uit de door het hof gegeven motivering voor zijn oordeel. Het hof heeft het verweer van de verdachte slechts gewogen en klaarblijkelijk te licht bevonden (‘enkele kanttekeningen en bedenkingen’, ‘de argumenten zijn niet dermate zwaarwegend’). Daarmee voldoet het bestreden arrest inderdaad niet aan de eisen uit de 23 april-arresten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.45 Ook is onbegrijpelijk dat het hof de verweren die verdachte heeft gevoerd tegen de vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud (zie voor de inhoud van deze verweren randnummers 2.43 en 2.45, welke verweren verdachte heeft gehandhaafd in hoger beroep, zie randnummer 2.49) heeft getypeerd als ‘enkele kanttekeningen en bedenkingen' en deze heeft aangemerkt als onvoldoende gemotiveerde betwistingen. Zoals het middel terecht betoogt, is namens de verdachte gericht verweer gevoerd tegen concrete onderdelen van de schadeberekening, zoals het aantal uren dat [slachtoffer] en [benadeelde 7] werkten, het jaarinkomen waarvan bij de berekening moet worden uitgegaan en de wijze waarop zij hun inkomen besteedden. Namens de verdachte is in dit verband meermaals aangevoerd dat hij niet beschikt over relevante informatie en stukken (die zich bevinden in het domein van [benadeelde 7] ). Bij deze stand van zaken valt niet in te zien wat het hof nog meer van de verdachte verwachtte als het gaat om het voeren van verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.46 Ter voorkoming van misverstanden: ik laat in het midden of de door verdachte gevoerde verweren ook overtuigend zijn, mede in het licht van de stellingen van [benadeelde 7] en haar reactie op de verweren. Een dergelijk oordeel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Ik merk alleen op dat de motivering die het hof voor zijn oordeel heeft gegeven, niet voldoet aan het grondbeginsel van een goede procesorde dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.47 Over de overweging van het hof dat het schadeberekeningsrapport is gebaseerd op “onderbouwde en verifieerbare uitgangspunten”, heeft Uw Raad in de 23 april-arresten geoordeeld dat de aanvaardbaarheid van een rekenmethode nog niet meebrengt dat ook de uitkomsten daarvan aanvaardbaar zijn als niet is vastgesteld dat de eenzijdig aan de berekening ten grondslag gelegde gegevens aanvaardbaar zijn (zie hiervoor in randnummer 3.36). Ook deze overweging kan het oordeel van het hof dus niet dragen. Uit het arrest blijkt niet dat het hof heeft vastgesteld of de gegevens die van de zijde van [benadeelde 7] eenzijdig aan haar schadeberekening ten grondslag zijn gelegd, aanvaardbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.48 Uit het voorgaande volgt dat de klachten van middel III doel treffen, met uitzondering van de klacht die inhoudt dat het op de weg van het hof had gelegen om [benadeelde 7] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. In plaats daarvan zal na terugwijzing moeten worden beoordeeld of, en zo ja in hoeverre [benadeelde 7] ontvankelijk is in haar vordering. Mocht na terugwijzing worden geoordeeld dat [benadeelde 7] ten minste gedeeltelijk ontvankelijk is in haar vordering, zal ook opnieuw moeten worden geoordeeld over de toewijsbaarheid van (dat gedeelte van) de vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Conclusie 5.1 Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7] voor zover daarin een bedrag van € 198.057,00 voor vergoeding van gederfd levensonderhoud is begrepen en de daarmee samenhangende oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 7] , tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht, en tot verwerping voor het overige.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Hof Arnhem-Leeuwarden (zittingsplaats Leeuwarden) 14 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1870.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 5. Hoewel het hof spreekt over bij [A] , leid ik uit de vervolgoverwegingen af dat het geweldsincident (ten minste gedeeltelijk) plaatsvond in [A] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De hierna weergegeven feiten zijn ontleend aan het bestreden arrest, p. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 13-14.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hierna weergegeven bewijsoverwegingen zijn ontleend aan het bestreden arrest, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 15-16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte is vrijgesproken van het onder 1. primair tenlastegelegde (medeplegen van poging tot doodslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 15-16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, beslissing, p. 38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer T&amp;C Strafrecht, art. 36f Sr (actueel tot en met 1 oktober 2024), aant. 1 (E.J. Hofstee) en S.S. Buisman, ‘Schadevergoeding in de strafprocedure. De wederzijdse relatie tussen het strafrecht en het privaatrecht’, DD 2020/36, p. 503 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover onder meer T. Hartlief, W.H. van Boom, A.L.M. Keirse &amp; S.D. Lindenbergh, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (SBR deel 5), Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 6 (S.D. Lindenbergh) en A.J. Verheij, Onrechtmatige daad, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 5.46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel partijen als de rechtbank en het hof verwijzen geregeld uitsluitend naar art. 6:166 BW, maar ik meen dat hier steeds moet worden ingelezen ‘art. 6:166 jo. art. 6:162 BW’. Waar ik niet naar de stellingen of oordelen van anderen verwijs, maar zelf aan het woord ben, vermeld ik steeds deze combinatie van wetsbepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] , randnummer 5.4. en vordering benadeelde partij L.S. [benadeelde 7] , randnummer 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 jo. art. 6:162 BW uitvoeriger randnummers 4.9 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] , randnummer 5.6. en vordering benadeelde partij L.S. [benadeelde 7] , randnummer 5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage bij brief van 22 september 2022 namens verdachte, (ongenummerde) p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aantekeningen vordering benadeelde partijen [benadeelde 5] , [benadeelde 6] en L.S. [benadeelde 7] 13 oktober 2022, randnummers 3.3. e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Midden-Nederland 18 november 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4619, rov. 10.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie brief van 27 oktober 2023 namens de verdachte, (ongenummerde) p. 15 respectievelijk aantekeningen vordering benadeelde partijen [benadeelde 5] , [benadeelde 6] &amp; L.S. [benadeelde 7] 8 december 2023, randnummers 2.2.4 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van 27 oktober 2023 namens de verdachte, (ongenummerde) p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] , randnummer 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">De erfgenamen van [slachtoffer] zijn diens ouders en broer. De ouders van [slachtoffer] hebben aangevoerd dat de vader op grond van boedelvolmacht ook bevoegd is om het erfdeel van de broer te vorderen. Zie vordering benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] , randnummer 6.2.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] , randnummers 6.2.3.3. e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen is naar Rb. Rotterdam 19 december 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:10069 (Insuline), Rb. Midden-Nederland 20 maart 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:1046 (Tramschutter) en A.J. Verheij, ‘Vererft de vordering tot smartengeld van het slachtoffer van verkrachting en moord?’, VR 2018/157, p. 215 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] , randnummer 6.2.3.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage bij brief van 22 september 2022 namens verdachte, (ongenummerde) p. 22-23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aantekeningen vordering benadeelde partijen [benadeelde 5] , [benadeelde 6] en L.S. [benadeelde 7] 13 oktober 2022, randnummers 4.3.2 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Midden-Nederland 18 november 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4619, rov. 10.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van 27 oktober 2023 namens de verdachte, p. 14-15, nadere toelichting vordering benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] ten behoeve van de zitting van 8 december 2023, par. 3.1 en aantekeningen vordering benadeelde partijen [benadeelde 5] , [benadeelde 6] &amp; L.S. [benadeelde 7] 8 december 2023, par. 3.3.3. (randnummers 3.3.3.1.-3.3.3.5.) Bestreden arrest, p. 40-41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de leesbaarheid gebruik ik hierna ‘ [benadeelde 7] ’ om te verwijzen naar de vriendin van [slachtoffer] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering benadeelde partij L.S. [benadeelde 7] , randnummer 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de hierna te bespreken berekening volgt overigens een bedrag van € 197.908. Als ik het goed begrijp, laat het verschil tussen dit bedrag en de hier genoemde hoogte van de vordering (€ 287.652) zich verklaren doordat de kosten van huishoudelijke hulp en verlies van zelfwerkzaamheid zijn inbegrepen in de vordering. In hoger beroep heeft [benadeelde 7] haar vordering verminderd en deze twee posten buiten de vordering gehouden. Zie hierover ook randnummer 2.50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering benadeelde partij L.S. [benadeelde 7] , randnummer 6.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering benadeelde partij L.S. [benadeelde 7] , randnummer 6.2.2. Verwezen wordt naar HR 16 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU6089, NJ 2008/186 m.nt. J.B.M. Vranken, Ars Aequi 2006, p. 281 e.v. m.nt. T. Hartlief, AV&amp;S 2006/20 m.nt. A.J. Verheij en JA 2006/21 m.nt. W.H. van Boom (Organice).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering benadeelde partij L.S. [benadeelde 7] , randnummer 6.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering benadeelde partij L.S. [benadeelde 7] , randnummer 6.2.6. Het vervaardigde rekenrapport is overgelegd als productie 9 bij de vordering. Het RekenProgramma is een rekenmodule waarmee schadeposten zoals het verlies van arbeidsvermogen en het verlies van levensonderhoud kunnen worden berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering benadeelde partij L.S. [benadeelde 7] , randnummer 6.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering benadeelde partij L.S. [benadeelde 7] , randnummer 6.2.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage bij brief van 22 september 2022 namens verdachte, (ongenummerde) p. 8-13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor deze verweren bijlage bij brief van 22 september 2022 namens verdachte, (ongenummerde) p. 8-13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage bij brief van 22 september 2022 namens verdachte, (ongenummerde) p. 8-13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aantekeningen vordering benadeelde partijen [benadeelde 5] , [benadeelde 6] en L.S. [benadeelde 7] 13 oktober 2022, randnummers 5.2.1. e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aantekeningen vordering benadeelde partijen [benadeelde 5] , [benadeelde 6] en L.S. [benadeelde 7] 13 oktober 2022, randnummers 5.2.3. en 5.3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Midden-Nederland 18 november 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4619, rov. 10.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadere toelichting vordering benadeelde partij L.S. [benadeelde 7] ten behoeve van de zitting van 8 december 2023, randnummers 3.4. e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van 27 oktober 2023 namens de verdachte, (ongenummerde) p. 5-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aantekeningen vordering benadeelde partijen [benadeelde 5] , [benadeelde 6] &amp; L.S. [benadeelde 7] 8 december 2023, randnummers 4.1.1. en 4.4.1. en 4.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aantekeningen vordering benadeelde partijen [benadeelde 5] , [benadeelde 6] &amp; L.S. [benadeelde 7] 8 december 2023, randnummers 4.5.1.-4.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voetnoot met bronvermelding is weggevallen in mijn versie van het gedingstuk, maar hier wordt kennelijk verwezen naar de ‘Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken’, zoals opgesteld door het LOVCK (Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton), het LOVCH (Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel Hoven) en de Expertgroep Personenschade. De recentste versie dateert van 1 augustus 2024 en is te raadplegen op www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/aanbevelingen-rekenrente.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor in randnummers 2.44-2.46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 35-36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt niet voor de kanttekeningen die de verdediging had opgeworpen over de gehanteerde rekenrente en de fiscale schade, maar [benadeelde 7] is daaraan tegemoetgekomen in de nieuwe berekening. Zie hiervoor in randnummer 2.50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook in deze zin J.L. Smeehuijzen in zijn NJ-noot (nr. 7) bij HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:646, NJ 2024/356 m.nt. J.M. Reijntjes en J.L. Smeehuijzen en JA 2024/99 m.nt. J. van de Klashorst.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), rov. 2.9.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gijzeling bij niet-betalen conform de opgelegde schadevergoedingsmaatregel is thans geregeld in art. 6:4:20 Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie reeds Kamerstukken II 1989/1990, 21 345, nr. 3, p. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot 1 januari 2020 was de voorschotregeling neergelegd in art. 36f lid 7 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook art. 4:14 Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. Art. 6:4:3 Sv regelt het verhaal door de Staat op de veroordeelde, indien de veroordeelde niet betaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de website van het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: ‘CJIB’), dat verantwoordelijk is voor de inning van betaalde voorschotten, is hierover te lezen: “In 2023 is door het CJIB bijna 38,5 miljoen euro uitgekeerd aan voorschotten aan slachtoffers en nabestaanden. Bijna 33,5 miljoen was voor slachtoffers van zeden- en geweldsmisdrijven, bijna 5 miljoen voor slachtoffers van overige strafbare feiten. (…) In 2022 keerde het CJIB bijna 18 miljoen euro aan voorschotten uit, in 2021 ging het om ruim 25 miljoen euro. Het bedrag in 2023 was met name hoger door de bedragen die zijn toegekend aan de nabestaanden in de strafzaak tegen de daders van de aanslag op de MH17 (in totaal bijna 17 miljoen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het CJIB inde in de jaren 2021 tot en met 2023 in totaal een bedrag van ruim 57 miljoen euro ten behoeve van door de rechter toegewezen schadevergoedingen aan slachtoffers en nabestaanden In zijn algemeenheid geldt dat de kleinere bedragen snel(ler) worden betaald: na 3 jaar is ongeveer 66 procent van alle door de rechter toegewezen schadevergoedingen volledig geïnd bij de daders, na 10 jaar zo’n 80 procent. De door de rechter toegewezen schadevergoedingen verjaren in principe pas vanaf 8 jaar, en in de ernstige zaken helemaal niet. Sinds de invoering van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (in 2020) is het niet meer mogelijk in plaats van betalen vervangende hechtenis te ondergaan en blijft het CJIB proberen de schade bij een dader te innen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eind 2023 waren er nog bijna 31.000 zaken in behandeling.” Zie www.cjib.nl/nieuws/uitgekeerd-schadevergoedingsbedrag-2023-fors-omhoog. Voor 2024 zijn de cijfers vergelijkbaar, zie www.cjib.nl/nieuws/cjib-incasseert-bijna-27-miljoen-aan-schadevergoedingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">T&amp;C Strafvordering, commentaar op art. 6:4:2 Sv (bijgewerkt tot en met 1 september 2024), aant. 9 (M.J.M. Verpalen/S. Meijer).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvankelijk was de voorschotregeling beperkt tot slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven of hun nabestaanden, maar deze regeling werd in 2016 uitgebreid tot slachtoffers van alle misdrijven. Sinds de inwerkingtreding op 1 juli 2024 van de derde tranche van de Wet uitbreiding slachtofferrechten (zie voor de relevante wijziging Stb. 2022/345, p. 15) is in art. 6:4:2 lid 7 Sv het woord ‘misdrijf’ vervangen door ‘strafbaar feit’. De voorschotregeling mag nu dus ook bij overtredingen worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 4:14 lid 2 Besluit USB verwijst specifieker naar de misdrijven als omschreven in de artikelen 141, 239 tot en met 254ba, 273f, 287 tot en met 291, 300 tot en met 303, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een analyse hiervan J. Kuipers &amp; C. van Rij, Evaluatie voorschotregeling voor zeden- en geweldsmisdrijven en de daaraan gerelateerde inning m.b.t. schadevergoedingsmaatregelen, WODC, Den Haag, juni 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.D. Lindenbergh, Smartengeld, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 402 en J. van de Klashorst in haar JA-noot bij HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:646, NJ 2024/356 m.nt. J.M. Reijntjes en J.L. Smeehuijzen en JA 2024/99 m.nt. J. van de Klashorst, p. 1232-1233.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo wees de rechtbank Rotterdam vorig jaar een bedrag van € 400.000 ter vergoeding van immateriële schade toe. Zie Rb. Rotterdam 12 juli 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6787. Zie over deze trend ook E.W. Bosch, ‘Letselschade op de grens van civiel en strafrecht’, in E.W. Bosch e.a., Over de grens?!, LSA, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 121-148 en E.W. Bosch, ‘Begroot de strafrechter de hoogte van het smartengeld anders dan zijn civiele collega?’, VR 2024/14, p. 34 e.v. In deze laatste bijdrage concludeert Bosch dat hij nog geen rechtvaardiging heeft gezien voor het verschil in de hoogte van de maximale smartengeldbedragen die door de strafrechter en de civiele rechter worden toegewezen. Bosch treedt in deze zaak op als advocaat van de ouders en vriendin van [slachtoffer] . Ook volgens Lindenbergh blijkt ‘het markante verschil’ tussen de hoogste door civiele rechters en door strafrechters toegewezen smartengeldbedragen niet uit de motiveringen. Zie S.D. Lindenbergh, Smartengeld, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nrs. 427 en 428.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo wees het hof Amsterdam in een strafzaak € 2.808.555,99 schadevergoeding toe aan een benadeelde partij onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zie hof Amsterdam 16 november 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3077.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.L. Smeehuijzen in zijn NJ-noot (nr. 6) bij HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:646, NJ 2024/356 m.nt. J.M. Reijntjes en J.L. Smeehuijzen en JA 2024/99 m.nt. J. van de Klashorst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit speelt in civiele procedures natuurlijk tot op zekere hoogte ook, maar een belangrijk verschil is dat de aansprakelijkheid in civiele zaken veelal is gedekt onder een aansprakelijkheidsverzekering, waarbij de verzekeraar (en ingeschakelde schade-experts) over relevante kennis en ervaringen beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over dit nadeel expliciet het Overzichtsarrest benadeelde partij dat hierna in randnummers 3.20 e.v. wordt besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook J. van de Klashorst in haar JA-noot bij HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:646, NJ 2024/356 m.nt. J.M. Reijntjes en J.L. Smeehuijzen en JA 2024/99 m.nt. J. van de Klashorst, p. 1233.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over dit nadeel bijvoorbeeld reeds S.D. Lindenbergh &amp; M. Hebly, ‘Schadeverhaal via het strafproces. Het gaat – iets – beter, maar het blijft behelpen’, NJB 2016/1943, p. 2827 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie-Donner (hierna te bespreken) spreekt in dit verband van ‘in de kern gelijke gevallen’. Commissie-Donner, Op verhaal komen. Naar een afgewogen, consistent en betaalbaar stelsel voor compensatie van slachtoffers van een strafbaar feit, Den Haag, 16 april 2021, bijlage bij Kamerstukken II 2020/2021, 33 552, nr. 83, p. 106.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze term is afkomstig uit S.D. Lindenbergh &amp; M. Hebly, ‘Schadeverhaal via het strafproces. Het gaat – iets – beter, maar het blijft behelpen’, NJB 2016/1943, p. 2827 e.v. Zie mijn kritische bijdrage hierover: T. Hartlief ‘Blanco regeringscheques voor strafrechters’, NJB 2023/1619, p. 1885. Ook heb ik de opkomst van de strafrechter bij de behandeling van schadevergoedingsvorderingen besproken in overzichtsartikelen over de stand van zaken in het personenschaderecht. Zie T. Hartlief, ‘Aansprakelijkheid &amp; Verzekering anno 2023’, AV&amp;S 2023/32, p. 197-198 en T. Hartlief, ‘Beretrots op het personenschaderecht, anno 2024?’, VR 2024/74, par. 5, p. 200.</p>\n<p class=\"lf-p\">Commissie-Donner, Op verhaal komen. Naar een afgewogen, consistent en betaalbaar stelsel voor compensatie van slachtoffers van een strafbaar feit, Den Haag, 16 april 2021, bijlage bij Kamerstukken II 2020/2021, 33 552, nr. 83. Zoals al blijkt uit de hiervoor genoemde vraagstelling bestreek dit rapport meer onderwerpen dan alleen de vordering van de benadeelde partij in het strafproces. Ook in de literatuur wordt in bredere zin nagedacht over verbeteringen van het compensatiestelsel voor slachtoffers van strafbare feiten, bijvoorbeeld door herpositionering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven of vernieuwingen in de private verzekeringsmarkt. Zie hierover onder meer A.J.J.G. Schijns, ‘Naar een evenwichtig compensatiestelsel misdrijfschade. Denkrichtingen naar aanleiding van het rapport van de commissie Donner’, AV&amp;S 2023/8, p. 37 e.v. Een uitvoerige bespreking hiervan gaat het bestek van deze conclusie te buiten. Dit geldt ook voor de vraag naar de wenselijkheid van collectieve schadevergoedingsvorderingen in het strafproces. Zie hierover T.M.C. Arons, ‘Collectieve actie voor benadeelde partijen in het strafproces?’, Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht &amp; Handhaving 2023, nr. 6, p. 273-284.</p>\n<p class=\"lf-p\">Commissie-Donner, Op verhaal komen. Naar een afgewogen, consistent en betaalbaar stelsel voor compensatie van slachtoffers van een strafbaar feit, Den Haag, 16 april 2021, bijlage bij Kamerstukken II 2020/2021, 33 552, nr. 83, p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Commissie-Donner, Op verhaal komen. Naar een afgewogen, consistent en betaalbaar stelsel voor compensatie van slachtoffers van een strafbaar feit, Den Haag, 16 april 2021, bijlage bij Kamerstukken II 2020/2021, 33 552, nr. 83, p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2022/2023, 33 552, nr. 111, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2022/2023, 33 552, nr. 111, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe Wetboek van Strafvordering treedt naar verwachting op 1 april 2029 in werking. Zie www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/nieuw-wetboek-van-strafvordering/nieuws/2024/10/18/nieuw-wetboek-van-strafvordering-klaar-voor-parlementaire-behandeling-laatste-twee-boeken-ingediend-bij-tweede-kamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier wordt verwezen naar onderzoek door de Erasmus Universiteit Rotterdam, uitgevoerd door S.D. Lindenbergh en M.R. Hebly en onder begeleiding van een begeleidingscommissie, in opdracht van de (Raad voor de) rechtspraak. Zie hierover het Instellingsbesluit begeleidingscommissie onderzoek normering van schade van 12 februari 2024, Stcrt. 2024/5869. Het eerste deel van dit onderzoek betreft een verkenning van standaardisering bij schadevaststelling ten behoeve van de afhandeling van de vordering van de benadeelde partij in het strafproces. Zeer recent, begin april van dit jaar, is het rapport Doen wat kan verschenen waarin de onderzoekers een groot aantal aanbevelingen doen (zie hierna in randnummers 3.17 e.v. in de hoofdtekst).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede deel betreft een onderzoek naar richtlijnen voor de vaststelling van smartengeld bij letsel en andere persoonsaantastingen. In september 2024 is een eerste concept van de Rotterdamse schaal – een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen – voor consultatie gepubliceerd. Zie www.rotterdamseschaal.nl/wp-content/uploads/2024/09/De-Rotterdamse-schaal-consultatieversie-2024.pdf. Het onderzoek op dit punt, ordening van smartengeldbedragen, wordt in de loop van dit jaar afgerond. Zie in dit verband ook M.R. Hebly &amp; S.D. Lindenbergh, ‘35 jaar smartengeld, tijd voor ordening van bedragen’, in T. Hartlief e.a., Beretrots op 35 jaar LSA, LSA, Den Haag: Boom juridisch 2024, p. 99 e.v., S.D.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lindenbergh, Smartengeld, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 567, T. Hartlief, ‘Strafrechtelijke impulsen voor normering van schadevergoeding’, NJB 2024/555, p. 659 en T. Hartlief, ‘Normering van schadevergoeding, NJB 2024/2133, p. 2715.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2023/2024, 36 327, nr. 11, p. 331-332. Zie over de financiële gevolgen voor de Staat van verschillende varianten van een voorschotregeling, wanneer complexe schadevergoedingsvorderingen in een afzonderlijke procedure zouden worden behandeld L.A. van Dantzig e.a., Varianten voorschotregeling Afzonderlijke behandeling vordering benadeelde partij, Cebeon Centrum Beleidsadviserend Onderzoek, 14 oktober 2022. Het kabinet-Schoof is van plan om per 2027 een plafond voor de voorschotregeling in te voeren om de regeling betaalbaar te houden. Zie Regeerprogramma. Uitwerking van het hoofdlijnenakkoord door het kabinet, 13 september 2024, p. 104.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.R. Hebly &amp; S.D. Lindenbergh, Doen wat kan. Hoe normering kan bijdragen aan betere behandeling van schadevergoedingsvorderingen in het strafproces, Research Memorandum 2025-1, Den Haag: Raad voor de rechtspraak, te raadplegen via https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Wetenschappelijk-onderzoek/Research-Memoranda (hierna: ‘Doen wat kan’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Doen wat kan, par. 1.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Doen wat kan, par. 1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doen wat kan, hoofdstuk 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doen wat kan, hoofdstuk 4 (par. 4.4.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Doen wat kan, hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij profiteren in de huidige situatie immers mogelijk (of dit in een concreet geval daadwerkelijk zo is, hangt af van diverse factoren (is er een verdachte, komt het tot een strafproces, komt het tot een veroordeling?)) van een onbeperkte voorschotregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doen wat kan, par. 6.3.1 en 6.4. Hier zitten de onderzoekers op hetzelfde spoor als eerder al de commissie-Donner, Op verhaal komen. Naar een afgewogen, consistent en betaalbaar stelsel voor compensatie van slachtoffers van een strafbaar feit, Den Haag, 16 april 2021, bijlage bij Kamerstukken II 2020/2021, 33 552, nr. 83, p. 92.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doen wat kan, par. 3.7, par. 5.4 en hoofdstuk 6. Op verschillende plaatsen verzetten de onderzoekers zich dan ook tegen een mogelijk ‘strafrechtelijk schadebegrip’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doen wat kan, par. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), rov. 2.8.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanleiding hiervoor was onder meer dat Uw Raad onderkende dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij in het strafproces de strafrechter voor complexe afwegingen kan stellen: hij moet ervoor zorgen dat zowel de materiële, civielrechtelijke voorschriften als de processuele regels en waarborgen die gelden bij de beoordeling van een vordering van een benadeelde partij in acht worden genomen, terwijl hij daarnaast moet oordelen over de vragen die in de strafzaak zelf aan de orde zijn. Zie HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), rov. 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), rov. 2.1. Het huidige niet-ontvankelijkheidscriterium ‘geen onevenredige belasting van het strafproces’ is een verruiming ten opzichte van het niet-ontvankelijkheidscriterium uit art. 361 lid 3 Sv (oud) dat tot 1 januari 2011 gold (“Indien de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding (…)”).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), rov. 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt gesproken over het niet-ontvankelijk verklaren van een partij in haar vordering of verzoek (zie bijvoorbeeld art. 70 lid 1 Rv). Ook in procesrechtelijke literatuur is het gebruikelijk om te zeggen dat een partij niet-ontvankelijk is in bijvoorbeeld haar vordering of in haar hoger beroep. Zie bijvoorbeeld Asser Procesrecht/A.C. van Schaick, Deel 2. Eerste aanleg, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 165 en Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein &amp; E.M. Wesseling-van Gent, Deel 4. Hoger beroep, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 179. De tekst van art. 361 lid 3 Sv bevat echter een andere formulering, namelijk dat de rechter kan “bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is”. Ik gebruik zelf zoveel mogelijk de eerste formulering, maar ook de laatste formulering komt wel voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), rov. 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), rov. 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), rov. 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), rov. 2.8.1. Zie specifiek over procesrechtelijke aspecten van de vordering benadeelde partij in het strafproces Th.O.M. Dieben &amp; O.S. Pluimer, ‘Procesrechtelijke aspecten van de vordering benadeelde partij in het strafproces: welk wetboek gaat daar eigenlijk over?’, TVP 2021, afl. 1, p. 12-21.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), rov. 2.8.1. Deze stelplicht heeft in het strafproces in het bijzonder betrekking op “feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade [bedoeld zal zijn: schade waarvoor vergoeding wordt gevorderd, A-G]”.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), rov. 2.8.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), rov. 2.8.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), rov. 2.8.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), rov. 2.8.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), rov. 2.8.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens Schipper bestaat ook in gevallen waarin vorderingen (met name vorderingen tot vergoeding van ander nadeel) niet of niet gemotiveerd worden betwist, behoefte aan een nadere motivering. Zie N.A. Schipper, ‘De Hoge Raad over de vordering benadeelde partij; op welke punten is er ruimte over voor verduidelijking en/of heroverweging?’, TPWS 2019/101, p. 254-261.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), rov. 2.8.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4362, NJ 2003/171 m.nt. M. Scheltema, AB 2003/421 m.nt. P.J.J. van Buuren en Gst. 2003/40 m.nt. T.E.P.A. Lam, rov. 7.3. Zie ook in deze zin de conclusie van P-G Silvis (ECLI:NL:PHR:2018:600) voor HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), randnummer 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga, NbSr 2019/200 m.nt. C.W. Noorduyn, SR-Updates.nl 2019-0113 en PS-Updates.nl 2019-0778 m.nt. J.H.J. Verbaan (Overzichtsarrest vordering benadeelde partij), rov. 2.9.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644, RvdW 2024/511, rov. 3.3.2 en HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:646, NJ 2024/356 m.nt. J.M. Reijntjes en J.L. Smeehuijzen en JA 2024/99 m.nt. J. van de Klashorst, rov. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644, RvdW 2024/511, rov. 3.3.3 en HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:646, NJ 2024/356 m.nt. J.M. Reijntjes en J.L. Smeehuijzen en JA 2024/99 m.nt. J. van de Klashorst, rov. 3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644, RvdW 2024/511, rov. 3.3.4 en HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:646, NJ 2024/356 m.nt. J.M. Reijntjes en J.L. Smeehuijzen en JA 2024/99 m.nt. J. van de Klashorst, rov. 3.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644, RvdW 2024/511, rov. 3.4. Zie voor de andere rechtsoverweging HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:646, NJ 2024/356 m.nt. J.M. Reijntjes en J.L. Smeehuijzen en JA 2024/99 m.nt. J. van de Klashorst, rov. 3.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644, RvdW 2024/511, rov. 3.3.5 en HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:646, NJ 2024/356 m.nt. J.M. Reijntjes en J.L. Smeehuijzen en JA 2024/99 m.nt. J. van de Klashorst, rov. 3.3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.L. Smeehuijzen in zijn NJ-noot bij HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:646, NJ 2024/356 m.nt. J.M. Reijntjes en J.L. Smeehuijzen en JA 2024/99 m.nt. J. van de Klashorst, randnummer 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. van de Klashorst in haar JA-noot bij HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:646, NJ 2024/356 m.nt. J.M. Reijntjes en J.L. Smeehuijzen en JA 2024/99 m.nt. J. van de Klashorst, p. 1232 en 1235.</p>\n<p class=\"lf-p\">I. Meijer, ‘De Hoge Raad geeft de (civiele) vordering benadeelde partij een nieuwe wending’, TVP 2024, afl. 4, par. 5, p. 95.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 21 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:104, RvdW 2025/228 waarin Uw Raad de uitgangspunten uit de 23 april-arresten heeft toegepast. Zie rov. 3.4: “Uit zijn (…) overwegingen blijkt niet dat het hof, rekening houdend met de bijzonderheden van het partijdebat over een vordering die strekt tot vergoeding van gederfd levensonderhoud, heeft beoordeeld of de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest haar stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van de) toewijsbaarheid van die vordering genoegzaam naar voren te brengen, en of zich omstandigheden voordeden die meebrachten dat het hof, door eigen onderzoek te doen, compensatie moest bieden voor eventuele tekortkomingen daarin. Tegen die achtergrond is het oordeel van het hof dat “de omvang van de schade voldoende onderbouwd en redelijk [is]”, niet toereikend gemotiveerd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In randnummers 2.2.3. en 2.3.2. van het (gezamenlijke) verweerschrift van [benadeelde 5] en L.S. [benadeelde 7] wordt aangevoerd dat middel I en II zich kennelijk slechts richten tegen de toewijzing van hun vorderingen en niet ook tegen de toewijzing van de vordering van [benadeelde 6] , de moeder van [slachtoffer] . Deze zienswijze onderschrijf ik niet. Dat in die middelen van de cassatieschriftuur slechts naar [benadeelde 5] wordt verwezen, vloeit mijns inziens hieruit voort dat het hof dat in zijn beslissing op pagina 40 van het bestreden arrest ook doet, hoewel het hof daar heeft beslist op de gezamenlijk door [benadeelde 5] en [benadeelde 6] ingestelde vorderingen (zie pagina 24 van het bestreden arrest). Ik meen derhalve dat ‘ [benadeelde 5] ’ in de cassatieschriftuur kan worden gelezen als ‘de ouders van [slachtoffer] ’ en zal in deze conclusie in beginsel steeds spreken over de vordering van de ouders van [slachtoffer] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 25. Het hof heeft in de overweging kennelijk niet alleen verwezen naar het geweld dat verdachte zelf heeft gepleegd, maar ook naar het geweld dat is gepleegd door de groep waartoe verdachte behoorde. Zo wordt in de overweging verwezen naar ‘poging tot doodslag’, terwijl het hof verdachte daarvan (van het onder 1. primair tenlastegelegde) heeft vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieschriftuur, randnummer 6.1., p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de literatuur wordt soms ook gesproken over vier in plaats van drie vereisten. Zie bijvoorbeeld mijn NJ-noot (nr. 3) bij HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914, NJ 2016/194 en Ars Aequi 2016, p. 447 e.v. m.nt. W.H. van Boom (TVM). Het tweede vereiste uit het opgenomen citaat uit de wetsgeschiedenis wordt dan gesplitst, namelijk in de eis dat er sprake is van gedragingen in groepsverband en in de eis dat de kans op het aldus toebrengen van schade zodanig moet zijn geweest dat zij de groepsdeelnemers had moeten weerhouden van hun gedragingen in groepsverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 663.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 662.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS Onrechtmatige daad, art. 6:166 BW (bijgewerkt tot en met 8 februari 2024), aant. A2 (R.J.B. Boonekamp).</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 662-663. Zie kritisch over het begrip ‘psychisch causaal verband’ A.J. Verheij, Onrechtmatige daad, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 21. Volgens hem roept het begrip vooral vragen op en is het zinniger de grondslag van aansprakelijkheid te zoeken in groepssolidariteit (het ‘samen uit, samen thuis’-principe).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914, NJ 2016/194 m.nt. T. Hartlief en Ars Aequi 2016, p. 447 e.v. m.nt. W.H. van Boom (TVM), rov. 3.4.2. Herhaald door de strafkamer in HR 3 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1726, NJ 2020/439 m.nt. W.H. Vellinga en SR-Updates.nl 2020/0349 m.nt. J.H.J. Verbaan, rov. 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914, NJ 2016/194 m.nt. T. Hartlief en Ars Aequi 2016, p. 447 e.v. m.nt. W.H. van Boom (TVM), rov. 3.5.1 en (voor de omschrijving van ‘gedragingen in turba’) rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mijn NJ-noot (nr. 7) bij HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914, NJ 2016/194 en Ars Aequi 2016, p. 447 e.v. m.nt. W.H. van Boom (TVM).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914, NJ 2016/194 m.nt. T. Hartlief en Ars Aequi 2016, p. 447 e.v. m.nt. W.H. van Boom (TVM), rov. 3.5.2 HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914, NJ 2016/194 m.nt. T. Hartlief en Ars Aequi 2016, p. 447 e.v. m.nt. W.H. van Boom (TVM), rov. 3.5.3 HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914, NJ 2016/194 m.nt. T. Hartlief en Ars Aequi 2016, p. 447 e.v. m.nt. W.H. van Boom (TVM), rov. 3.5.3 Zie minder kritisch over het arrest de Ars Aequi-noot van W.H. van Boom bij HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914, NJ 2016/194 m.nt. T. Hartlief en Ars Aequi 2016, p. 447 e.v. (TVM) en J.J. Maarleveld, ‘Groepsaansprakelijkheid bij deelname aan een criminele organisatie’, Bb 2015/82, p. 279 e.v. (die er enkel op wijst dat de feitenrechters een bewijsvermoeden van betrokkenheid hadden kunnen hanteren).</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J.B. Boonekamp, ‘De onrechtmatige daad in groepsverband bij de Hoge Raad: HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914’, AV&amp;S 2016/7, par. 6, p. 50-51 Ook uit het door Lindenbergh gegeven voorbeeld kan worden afgeleid dat volgens hem feitelijke betrokkenheid bij de concrete schadeveroorzakende gedraging niet relevant is voor aansprakelijkheid ex art. 6:166 BW. Zie T. Hartlief, W.H. van Boom, A.L.M. Keirse &amp; S.D. Lindenbergh, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (SBR deel 5), Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 78 (S.D. Lindenbergh): “Een groep baldadige supporters molesteert in een dronken bui een willekeurige voorbijganger. Reeds voor deze mishandeling was er met stenen gegooid en waren onschuldige voorbijgangers lastiggevallen. Toegesnelde omstanders weten slechts één van de supporters in de kraag te vatten. Deze erkent dat hij heeft meegedaan met de groep, maar ontkent dat hij betrokken was bij de bewuste mishandeling. Deze had ook niet zijn goedkeuring, zo zei hij. Onder deze omstandigheden kan hij echter wel op grond van art. 6:166 voor de hele schade aansprakelijk worden gehouden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Mijn NJ-noot (nr. 10) bij HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914, NJ 2016/194 en Ars Aequi 2016, p. 447 e.v. m.nt. W.H. van Boom (TVM).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-IV. De verbintenis uit de wet, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 127.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS Onrechtmatige daad, art. 6:166 BW (bijgewerkt tot en met 8 februari 2024), aant. 6 met uitvoerige verwijzingen naar feitenrechtspraak (R.J.B. Boonekamp). Zie specifiek voor feitenrechtspraak over vechtpartijen en mishandelingen GS Onrechtmatige daad, art. 6:166 BW (bijgewerkt tot en met 8 februari 2024), aant. 10.2 (R.J.B. Boonekamp).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in vergelijkbare zin C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2023, nr. 509 (met weglating van voetnoten, A-G): “Voorts moet er een risico zijn dat iemand in de groep onrechtmatig schade zal toebrengen en dit risico moet groot genoeg zijn om van de deelnemer te eisen dat hij zich van het groepsgedrag distantieert. Een risico is niet groot genoeg als in een vreedzame groep plotseling de vlam in de pan slaat of als iemand uit een zich vreedzaam gedragende groep onverwacht een voorbijganger molesteert. Hetzelfde geldt als de concreet veroorzaakte schade buiten de lijn der verwachting ligt, bijvoorbeeld als bij een opstootje een groep vernielingen aanricht en een van hen plotseling een pistool tevoorschijn haalt en een politieagent neerschiet. Hier is de kans dat aldus schade zou worden toegebracht te gering om te verlangen dat de persoon zich aan de groep had moeten onttrekken. Uiteraard zijn zij wel aansprakelijk voor de vernielingen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J.B. Boonekamp, Onrechtmatige daad in groepsverband, Deventer: Kluwer 2013, par. 7.1.2 en 7.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J.B. Boonekamp, Onrechtmatige daad in groepsverband, Deventer: Kluwer 2013, par. 7.1.3, p. 117. Boonekamp refereert kennelijk aan deze zin uit de parlementaire geschiedenis: “Dit impliceert dat alleen hij aansprakelijk kan zijn, die wist of behoorde te begrijpen dat het groepsoptreden het gevaar schiep voor schade zoals die in concreto is toegebracht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J.B. Boonekamp, Onrechtmatige daad in groepsverband, Deventer: Kluwer 2013, par. 7.1.3, p. 119-120. Zie in vergelijkbare zin R.J.B. Boonekamp, ‘De onrechtmatige daad in groepsverband bij de Hoge Raad: HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914’, AV&amp;S 2016/7, par. 8, p. 52 Zie Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-IV. De verbintenis uit de wet, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 127 (hiervoor in randnummer 4.21) en C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2023, nr. 509 (hiervoor in voetnoot 156). Zie verder A.J. Verheij, Onrechtmatige daad, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 21 en T. Hartlief, W.H. van Boom, A.L.M. Keirse &amp; S.D. Lindenbergh, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (SBR deel 5), Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 78 (S.D. Lindenbergh).</p>\n<p class=\"lf-p\">En zoals hiervoor in randnummer 4.20 is gezegd ook geen rechtspraak waaruit dit voortvloeit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is, zoals hiervoor in randnummer 4.18 is geschreven, in essentie ook de kritiek van Boonekamp en mij op het betrokkenheidsvereiste uit het TVM-arrest, terwijl de eis van waarneming van onrechtmatig toegebrachte schade nog verstrekkender is dan dat vereiste.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eerste aanleg heeft de verdachte dit verweer opgehangen aan het vereiste van toerekenbaarheid, zoals opgenomen aan het slot van art. 6:166 lid 1 BW. Het voert te ver om in deze conclusie ook uitgebreid op dit vereiste in te gaan. Zie hierover uitvoerig R.J.B. Boonekamp, Onrechtmatige daad in groepsverband, Deventer: Kluwer 2013, par. 8.1, p. 147 e.v. Ik volsta ermee op te merken dat ook het vereiste van toerekenbaarheid niet meebrengt dat gedragingen van andere groepsdeelnemers slechts voor rekening van een aangesproken groepsdeelnemer komen indien deze hen ervan heeft kunnen weerhouden die gedragingen te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 16 en 17. Zie hiervoor in randnummers 2.13 en 2.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieschriftuur, randnummer 6., p. 8 en 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld R.W.E. van Leuken, M.M.C. van de Moosdijk &amp; V. Tweehuysen, Hartkamps Compendium van het vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 317, p. 231.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M., Parl. Geschiedenis Boek 6, p. 38: “Het ontwerp neemt als uitgangspunt, dat alleen bij die rechtsplichten, waarmee een subjectief vermogensrecht correspondeert van degene jegens wie de rechtsplicht bestaat, wordt gesproken van verbintenissen. Bij een verbintenis staat tegenover de rechtsplicht van de één een vorderingsrecht van de ander, dat een bestanddeel van diens vermogen is, en in het algemeen overdraagbaar en executabel is. Een verbintenis is derhalve niet aanwezig, wanneer degene jegens wie de rechtsplicht bestaat, niet een met die rechtsplicht corresponderend vermogensrecht heeft.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-I. De verbintenis in het algemeen, eerste gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 33 en T. Hartlief, W.H. van Boom, A.L.M. Keirse &amp; S.D. Lindenbergh, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (SBR deel 5), Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 2 (S.D. Lindenbergh).</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens kan men omgekeerd soms ook op grond van art. 3:296 BW nakoming vorderen van een kale rechtsplicht (een rechtsplicht waarmee geen subjectief vermogensrecht correspondeert). Zie T&amp;C BW, commentaar op boek 6 BW, ‘Inleidende opmerkingen’ (bijgewerkt tot en met 3 maart 2025), aant. 2 (W.L. Valk &amp; J.J. Valk). Dit onderstreept dat aanspraak hebben moet worden onderscheiden van aanspraak maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die voorwaarden zijn dat (1) één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade heeft toegebracht, (2) de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband en (3) de gedragingen aan de groepsdeelnemers kunnen worden toegerekend. Zie over het ontstaan van de schadevergoedingsverbintenis bijvoorbeeld ook T&amp;C BW, commentaar op boek 6 BW, ‘Inleidende opmerkingen’ (bijgewerkt tot en met 3 maart 2025), aant. 2 (W.L. Valk &amp; J.J. Valk): “Géén verbintenis is derhalve de op een ieder rustende rechtsplicht om een ander niet op onrechtmatige wijze schade te berokkenen. Eerst door schending van een dergelijke rechtsplicht ontstaat een verbintenis, namelijk tot schadevergoeding op grond van art. 6:162.” Zie ook R.W.E. van Leuken, M.M.C. van de Moosdijk &amp; V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweehuysen, Hartkamps Compendium van het vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 318B, p. 232 waarin onder meer als bron van verbintenissen wordt genoemd: “Onrechtmatige daad en andere rechtsfeiten waaraan de wet het ontstaan van een schadevergoedingsverplichting verbindt”. Zie verder S.D. Lindenbergh, Smartengeld, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 521: “Het recht op schadevergoeding ontstaat volgens de regels van het aansprakelijkheidsrecht in het vermogen van de benadeelde zodra aan alle vereisten voor aansprakelijkheid is voldaan, hetgeen meestal het geval zal zijn op het moment van het ontstaan van schade.” Dit laatste roept de vraag op wanneer immateriële schade ontstaat. Volgens Lindenbergh (nr. 477) hangt het af van de interpretatie van het begrip ‘ander nadeel dan vermogensschade’ of men aanneemt dat dergelijke schade ineens of in de loop der tijd wordt geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elk geval pijn en verdriet worden volgens hem niet op één specifiek moment geleden, maar in de loop der tijd. Zie in vergelijkbare zin M.R. Hebly, ‘Wettelijke rente over smartengeld wegens letsel’, VR 2019/182, par. 2.2, p. 393-394. Volgens hem ‘ontvouwt’ ander nadeel wegens letsel zich gaandeweg met het verstrijken van de tijd, terwijl dat nadeel in de praktijk vrijwel altijd wordt vergoed in de vorm van een ‘som ineens’ en bijvoorbeeld bij de berekening van de wettelijke rente de gehele immateriële schade wordt geacht te zijn geleden op het tijdstip van het ongeval (waarvoor volgens mij in bredere zin kan worden gelezen: de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis). Ik laat dit verder rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze conclusie volstaat het te zeggen dat er geen goede grond is om aan te nemen dat immateriële schade (pas) ontstaat op het moment waarop de benadeelde mededeelt dat hij voor die schade genoegdoening wenst: het ontstaan van de schade gaat logischerwijs aan de mededeling vooraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieschriftuur, randnummers 5. en 6., p. 8. Verwezen wordt naar HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2149, NJ 2004/112 m.nt. J.B.M. Vranken (Coma) en naar HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5684, NJ 2006/121 en JA 2006/36 m.nt. K. Aantjes (St. Paul).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor de bronnen waarnaar wordt verwezen in voetnoot 4 op pagina 8 van de cassatieschriftuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieschriftuur, randnummer 6., p. 8-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voetnoot 5 van de cassatieschriftuur wordt verwezen naar J.A.C. van Veersen, ‘Beslag op kredietruimte; een uitgemaakte zaak’, O&amp;F 2005, nr. 67, p. 39-43. In dat artikel wordt het volgende arrest besproken: HR 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4504, NJ 2006/203 m.nt. H.J. Snijders, Ars Aequi 2005, p. 846 e.v. m.nt. A.I.M. van Mierlo, JBPr 2004/68 m.nt. A.W. Jongbloed, JOR 2004/338 m.nt. A. van Hees, Ondernemingsrecht 2005/23 m.nt. S.J. Spanjaard en TvI 2005/9 m.nt. F.M.J. Verstijlen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4504, NJ 2006/203 m.nt. H.J. Snijders, Ars Aequi 2005, p. 846 e.v. m.nt. A.I.M. van Mierlo, JBPr 2004/68 m.nt. A.W. Jongbloed, JOR 2004/338 m.nt. A. van Hees, Ondernemingsrecht 2005/23 m.nt. S.J. Spanjaard en TvI 2005/9 m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 381 en HR 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8474, NJ 2003/32 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2003/27 m.nt. B. Wessels en TvI 2003, p. 17-19 m.nt. G.J.P. Molkenboer, rov. 3.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hoogstpersoonlijke karakter van het recht op smartengeld ligt bovendien ten grondslag aan de in art. 6:95 lid 2 BW neergelegde beperkingen voor beslag op en overgang onder algemene titel van het recht op vergoeding voor immateriële schade. Dit laat ik hier verder onbesproken, omdat het middel nadrukkelijk niet klaagt over het oordeel van het hof over de vererving van de smartengeldvordering van [slachtoffer] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieschriftuur, p. 6 bovenaan en randnummer 7., p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik refereer in beginsel aan de ouders van [slachtoffer] in plaats van aan [benadeelde 5] , zie hierover voetnoot 133.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergelijking die in randnummer 7. van de cassatieschriftuur wordt gemaakt met de vraag naar het ontstaan van restitutievorderingen in het kader van faillissement, is te weinig uitgewerkt en betreft naar mijn mening een zodanig andere kwestie dat ik hierop niet verder inga.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, p. 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieschriftuur, randnummer 6., p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieschriftuur, randnummer 6., p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieschriftuur, randnummer 7., p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cassatieschriftuur, randnummer 8., p. 17-18.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bekende Vredo/Veenhuis-maatstaf, uit HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659 m.nt. D.W.F. Verkade en IER 1993/35 m.nt. S. de Wit (Vredo/Veenhuis), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de door Uw Raad uitdrukkelijk genoemde mogelijkheid om de vordering te splitsen, óók wat betreft de vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud. Zie randnummer 3.37.</p></div>", "next": 0}