{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">HR 23 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5590, BNB 1994/135. Zie ook HR 23 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5591, BNB 1994/136, rov. 5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. M.P. van der Burg e.a., Compendium Gemeentelijke belastingen en de Wet WOZ, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 213.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2814, BNB 1999/298.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J. van Leijenhorst in BNB 1999/298 is zeer kritisch op deze redengeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6113, BNB 2000/230. Dit arrest is het vervolg op HR 23 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5591, BNB 1994/136 en de uitspraak na verwijzing van gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHSGR:2000:AS2486, Belastingblad 2002/281 HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5887, BNB 2005/236. Zie een vergelijkbaar oordeel als rov. 3.4 met betrekking tot de werktuigenuitzondering in HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5890, BNB 2005/237, rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5887, BNB 2005/236, rov. 3.4. Zie ook HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5890, BNB 2005/237, rov. 3.5. J.A. Monsma merkt in zijn not bij dit laatste arrest in FED 2005/82 op dat het criterium “oudere criteria zoals het onderscheid tussen onderdelen met een steunfunctie en onderdelen met een (zuivere) productiefunctie heeft vervangen”. .F. Kastelein in NTFR 2000/899 met als toelichting: “hoeveel gedeelten van een werktuig, zijnde een gebouwd eigendom, kun je weghalen zonder dat de uiterlijke herkenbaarheid van het werktuig/gebouwd eigendom (…) als zodanig niet verloren gaat”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. J.A. Monsma in FED 2000/380, punt 3, J.F. Kastelein in NTFR 2000/899, S. Kapoerchan, ‘De werktuigenvrijstelling na het Tankterminalarrest: een nadere beschouwing van de criteria voor installaties in de open lucht’, Belastingblad 2013/453, par. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR7057, BNB 2012/106. Het arrest is veelvuldig becommentarieerd; zie bijv. W.J.N.M Snoijink in BNB 2012/106, J.F. Kastelein in NTFR 2012/332, redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2012/14.26, Chr. J.M. Noordermeer-Van Loo in Belastingblad 2012/134, G. Groenewegen in FED 2012/45 en S. Kapoerchan, ‘De werktuigenvrijstelling na het Tankterminalarrest: een nadere beschouwing van de criteria voor installaties in de open lucht’, Belastingblad 2013/453.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1380, BNB 2014/198 betreffende de einduitspraak van gerechtshof Amsterdam 25 juli 2013 ECLI:NL:GHAMS:2013:2270 na eerdere tussenuitspraak in gerechshof Amsterdam 11 april 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2031. Zie over het arrest S. Kapoerchan, ‘Het Tankterminalarrest II: een nadere beschouwing van het gehele leidingwerk als WOZ-werktuig en op zichzelf gebouwd eigendom!’, Belastingblad 2014/370.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1619, BNB 2014/199. J.A. Monsma constateert in BNB 2014/199 dat de Hoge Raad dit oordeel niet onderbouwt, maar acht het wel juist.</p>\n<p class=\"lf-p\">S. Kapoerchan, ‘De werktuigenvrijstelling na het Tankterminalarrest: een nadere beschouwing van de criteria voor installaties in de open lucht’, Belastingblad 2013/453.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderwerp ‘Zonnepanelen en -parken’, te raadplegen via: https://www.waarderingskamer.nl/voor-gemeenten/niet-woningen/zonnepanelen-en-parken#relevante-jurisprudentie, en via de homepage (www.waarderingskamer.nl/) te vinden via ‘voor gemeenten’ =&gt; ‘niet-woningen’ =&gt; ‘zonnepanelen en – parken’. Voor deze conclusie het laatst bezocht op 18 april 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Gelderland 28 juni 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3469.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Gelderland 28 juni 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3469. De commentaren van P. Kruimel in Belastingblad 2016/357 en R. van den Berg in NTFR 2016/2052 zijn instemmend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Noord-Nederland 25 mei 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:1934. Het commentaar van redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2020/41.20 is instemmend op dit punt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klaarblijkelijk instemmend met in elk geval het laatste deel van de uitspraak M.P. van der Burg e.a., Compendium Gemeentelijke belastingen en de Wet WOZ, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 213.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2879. Zie ook: Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2868.</p>\n<p class=\"lf-p\">S. Bosma in Belastingblad 2024/212.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.S. Kats in Belastingblad 2024/289.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.P. Monsma in Belastingblad 2018/451. Zie ook A.P. Monsma, De modelakte zonnepanelen en de Wet WOZ, Vastgoed Fiscaal en Civiel 2019/4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook expliciet Hof, rov. 4.1.3. Vgl. ook proces-verbaal van de zitting van het Hof, p. 2, waarin als verklaring van de gemachtigde van belanghebbende is opgenomen: “Omdat een recht van opstal is gevestigd op de zonnepanelen is sprake van een zelfstandig object voor de Wet WOZ. Dit is ook niet in geschil.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dit punt was er kennelijk wel sprake van enige frisse tegenzin blijkens het proces-verbaal van de zitting van het Hof, p. 2: “De zonnepanelen zijn niet verenigd met de grond. In het portacabin-arrest was sprake van een onroerende zaak. Daar was sprake van een visuele band met de grond. Visueel vormde de portacabin een geheel met de grond. De PV-installatie vormt visueel geen geheel met de grond. Ook niet als de PV-installatie direct op de grond wordt geplaatst. In onze ogen is dus al twijfelachtig of de PV-installatie wel een onroerende zaak is. De horde dat de PV-installatie een onroerende zaak is, is genomen; daarover bestaat geen geschil meer.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift in cassatie, p. 1 (tweede alinea van de inleiding) en p. 2 (tweede alinea van paragraaf 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift in cassatie, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat getuigt mijns inziens overigens niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ook als het zo zou zijn dat de PV-installatie zelf niet rechtstreeks duurzaam met de grond is verenigd, kan de PV-installatie onroerend zijn op grond van de omstandigheid dat zij door (duurzame) vereniging met het distributiecentrum (vgl. art. 3:3(1) BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift in cassatie, p. 4, laatste alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift in cassatie, p. 3, vijfde en zesde alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR7057, BNB 2012/106, rov. 3.1.1 in combinatie met onderdeel 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift in cassatie, p. 3, vierde en vijfde alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift in cassatie, p. 3, zesde alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. beroepschrift in cassatie, p. 3, laatste alinea.</p></div>", "next": 0}