{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het subonderdeel wijst er verder op dat het hof de vorderingen tegen de 2019-maten heeft afgewezen omdat hun aansprakelijkheid als toetredende maten voor de schulden van de maatschappen niet kon worden vastgesteld (rov. 4.19.-4.20.). Volgens het subonderdeel is daarmee rechtens onjuist en onbegrijpelijk of innerlijk tegenstrijdig dat Mocomar zich voor schulden van de 1999-maten kan verhalen op het huidige afgescheiden vermogen van de maatschappen. Het subonderdeel stelt dat een maatschap rechtspersoonlijkheid ontbeert en geen zelfstandige entiteit is, wat meebrengt dat een maatschap niet zelfstandig draagster is van subjectieve rechten en verplichtingen en dat op haar afgescheiden vermogen uitsluitend maatschapsschulden als gemeenschapsschuld in de zin van art. 3:192 BW kunnen worden verhaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent volgens het subonderdeel dat ‘de maatschappen’ niet (zelf) aansprakelijk kunnen zijn voor schulden van de 1999-maten omdat het aanspreken van ‘de maatschap’ op zich feitelijk en rechtens niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.66 Het subonderdeel faalt. De kwestie waarop dit subonderdeel ziet, werd al even aangeroerd in randnummer 3.59 hiervoor. Het gaat hier om de beslissing van het hof dat “de maatschappen (…) aansprakelijk zijn” voor, kort gezegd, het door de 1999-maten onbetaald gebleven deel van de uittredingsvergoedingsaanspraak van Mocomar. Het dictum berust in zoverre op rov. 4.15.-4.17. van het bestreden arrest, op welke overwegingen het hof ook in rov. 4.25.-4.27. van het bestreden arrest heeft voortgeborduurd. Het subonderdeel wijst er op zichzelf terecht op dat een maatschap rechtspersoonlijkheid ontbeert, geen zelfstandige entiteit is, en dat een maatschap niet zelfstandig draagster van rechten en verplichtingen kan zijn (zie ook randnummer 3.17 hiervoor). Dat heeft het hof echter met het bestreden oordeel niet miskend. Dat moet immers zo worden verstaan dat Mocomar zich voor voldoening van het onbetaald gebleven deel van de uittredingsvergoedingsvorderingen – door het hof terecht aangemerkt als een zaakschuld (zie randnummer 3.38 hiervoor) – kan verhalen op het huidige afgescheiden vermogen van de maatschappen. Voor zover het subonderdeel meer of anders leest in het bestreden oordeel faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Aldus verstaan is het bestreden oordeel dus niet rechtens onjuist en is het ook niet onbegrijpelijk of innerlijk tegenstrijdig met het oordeel in rov. 4.19.-4.20. ten aanzien van de (niet-)aansprakelijkheid van de 2019-maten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.67 Subonderdeel 4.2 stelt verder dat het hof “het vorenstaande” (ook) heeft miskend in rov. 4.17. door te oordelen dat aan verhaal van de door de 1999-maten aan Mocomar verschuldigde uittredingsvergoeding niet afdoet dat de maatschapsvermogens sinds haar uittreding zijn gewijzigd en geen van de 1999-maten nog maat is, omdat de maatschappen (als openbare personenvennootschappen) bij toe- en uittreden van vennoten steeds – volgens ‘het uittredingsbeding’ – zijn voortgezet en aldus hun identiteit hebben behouden, in welke situatie schuldeisers van de vennootschap ook na wisselingen van vennoten zich kunnen (blijven) verhalen op de vennootschappelijke goederengemeenschap. Volgens het subonderdeel miskende het hof niet alleen dat de uittredingsvergoedingsverplichting niet moet worden gekwalificeerd als gemeenschapsschuld/zaakschuld, maar ook dat, buiten voortzetting van de maatschappen onder het verblijvingsbeding, deze schuld voortvloeit uit de partiële ontbinding van de maatschapsovereenkomsten en verdeling van hun gemeenschap en Mocomar, in deze onvoltooide verdeling, intern moet worden gekwalificeerd als (privé)schuldeiser van elk van de 1999-maten. Het subonderdeel verwijst hiertoe naar subonderdeel 4.1, onder a en b.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.68 Voor zover het subonderdeel een herhaling van zetten is van de vorige klacht verwijs ik naar randnummer 3.66 hiervoor. Voor zover het subonderdeel voortbouwt op de subonderdelen 4.1, onder a en b, verwijs ik naar de bespreking van die subonderdelen in randnummers 3.46-3.62 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.69 Subonderdeel 4.2 beroept zich verder op volgens het subonderdeel in hoger beroep onbestreden uitgangspunten die zijn ontleend aan rov. 3.3.7.-3.3.9. van het eindvonnis van de rechtbank, onder verwijzing naar onderdeel 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.70 Het subonderdeel deelt in zoverre het lot van onderdeel 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.71 Subonderdeel 4.2 stelt ten slotte dat althans onbegrijpelijk – innerlijk tegenstrijdig – is dat ‘de maatschappen’ aansprakelijk zijn voor deze schulden van de 1999-maten die op hun vermogen kunnen worden verhaald, terwijl vaststaat dat Mocomar op de maatschappen als gebonden gemeenschap geen vordering heeft en de 2019-maten niet op grond van overeenkomst aansprakelijk zijn, onder welke omstandigheden Mocomar zich niet op hun doelvermogen kan verhalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.72 Deze motiveringsklacht faalt ook op de gronden vermeld in randnummer 3.66 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.73 Subonderdeel 4.3 bevat slechts een klacht die voortbouwt op de subonderdelen 4.1 en 4.2. De klacht houdt in dat gelet op het aangevoerde in de subonderdelen 4.1 en/of 4.2 het hof ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat Mocomar de (resterende) schuld van de 1999-maten op het afgescheiden vermogen van de maatschappen kan verhalen omdat dit (mede) aansprakelijk is voor nakoming van haar verbintenisrechtelijke aanspraak op de uittredingsvergoeding (rov. 4.16.-4.17.) en de maatschappen ook (nog) verhaalsaansprakelijk zijn voor haar vordering op de gefailleerde Behouden Huis tot betaling van de uittredingsvergoeding (rov. 4.26.).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.74 Deze voortbouwklacht deelt het lot van de subonderdelen 4.1 en 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene voortbouwklacht 3.75 Het middel klaagt ten slotte dat gegrondbevinding van (één of meer van) de onderdelen van het middel betekent dat evenmin in stand kan blijven hetgeen het hof op de daarin bestreden oordelen voortbouwend verder heeft geoordeeld (rov. 5.2.-5.7.) en in het dictum van het bestreden arrest heeft beslist (onder 6.2., 6.2.1., 6.2.2. en 6.5.-6.8.) 3.76 Deze algemene voortbouwklacht deelt het lot van de onderdelen 1 tot en met 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Conclusie De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep voor zover het is gericht tegen (mondelinge) oordelen/handelingen blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 december 2023 en tot verwerping van het cassatieberoep voor zover het is gericht tegen het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Deze feiten zijn, met redactionele aanpassingen, ontleend aan: hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3889, JOR 2024/253 m.nt. W.J.M. van Veen, rov. 2.1. (onder het kopje “2. De vast staande feiten” onder verwijzing naar Rb. Gelderland 9 juni 2021, zaak-/rolnrs.: C/05/367463/ HA ZA 20-179 / 546 / 560 (hoofdzaak) en C/05/367470/ HA ZA 20-180 (vrijwaring) (niet gepubliceerd), rov. 3.1.-3.1.13., 3.4.1., 3.4.2., 3.7.1.-3.7.12., 4.1.1. en 4.1.2.), en rov. 3.1.-3.14. (onder het kopje “3. Schets van de zaak”). Ik heb enkele in cassatie minder relevante feiten over depot en beslag (zie ook randnummer 2.1 hierna) weggelaten in deze weergave.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 3 bij de procesinleiding KEI van Mocomar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 3 bij de procesinleiding KEI van Mocomar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 3 bij de procesinleiding KEI van Mocomar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 1 bij de memorie van antwoord tevens incidenteel appel tevens vermeerdering van eis van de maatschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 3 bij de procesinleiding KEI van Mocomar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 4 bij de procesinleiding KEI van Mocomar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 5 bij de procesinleiding KEI van Mocomar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze uitspraak heb ik niet aangetroffen in het procesdossier. Zie hierover Rb. Gelderland 9 juni 2021, zaak-/rolnrs.: C/05/367463/ HA ZA 20-179 / 546 / 560 (hoofdzaak) en C/05/367470/ HA ZA 20-180 (vrijwaring) (niet gepubliceerd), rov. 3.3.7., laatste zin: “Weliswaar hebben partijen deze uitspraken [onder meer het tussenvonnis van 5 juli 2006, A-G] niet in het geding gebracht, maar de rechtbank is er ambtshalve mee bekend, terwijl buiten twijfel is dat ook partijen ermee bekend zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 2 bij de procesinleiding KEI van Mocomar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 3 bij de conclusie van antwoord reconventie van Mocomar. Vergelijk Rb. Gelderland 9 juni 2021, zaak-/rolnrs.: C/05/367463/ HA ZA 20-179 / 546 / 560 (hoofdzaak) en C/05/367470/ HA ZA 20-180 (vrijwaring) (niet gepubliceerd), rov. 3.3.7., laatste zin, waarin de rechtbank ervan uitging dat partijen dit arrest niet in het geding hebben gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wetsvoorstel tot invoering van Titel 7.13 BW is in 2002 bij de Tweede Kamer ingediend (Kamerstukken II 2002-2003, 28 746, nr. 2) en is eind 2011 door de minister van Veiligheid en Justitie ingetrokken (Kamerstukken I 2011-2012, 31 065, D). Zie hierover bijvoorbeeld Chr.M. Stokkermans, Sleutels voor personenvennootschapsrecht, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 4-6. Zie ook randnummer 3.32 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem 27 maart 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:843. Dit eindarrest is overgelegd als productie 1 bij het verweerschrift KEI tevens tegenvorderingen tevens incident tot vrijwaring van de maatschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2013/133 m.nt. J.M. Blanco Fernández, Ars Aequi 2013, p. 662 e.v. m.nt. S.M. Bartman, JBPr 2013/30 m.nt. H.W. Wiersma &amp; W.M.A Malcontent, JIN 2013/91 m.nt. G.C. Vergouwen en OR-Updates.nl 2013-0269 m.nt. H. Koster ([…] Holdings).</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 1 bij de procesinleiding KEI van Mocomar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 24 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2709. Dit tussenarrest is overgelegd als productie 28 van Mocomar ten behoeve van de mondelinge behandeling in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 14 september 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8680. Dit eindarrest is overgelegd als productie 1 bij de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis van Mocomar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform HR 5 november 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB7103 (niet gepubliceerd), NJ 1977/586 m.nt. W.H. Heemskerk ([…]), waarin Uw Raad heeft beslist dat dit mogelijk is: “dat blijkens de toelichting de wetgever, door in de nieuwe redactie niet meer te reppen van de maatschap, weliswaar tot uitdrukking heeft willen brengen dat de maatschap, anders dan de v.o.f., niet als zodanig eisende een verwerende in rechte kan optreden, maar niet heeft beoogd uit te sluiten dat, indien ten behoeve of ten laste van een maatschap – in wezen door of tegen de gezamenlijke vennoten – een vordering in rechte wordt gesteld, in die gevallen waarin die maatschap op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder een bepaalde naam aan het rechtsverkeer deelneemt, in de dagvaarding die naam wordt vermeld in plaats van de namen der afzonderlijke vennoten; dat in toenemende mate maatschappen aangegaan tussen een groot aantal vennoten onder een bepaalde naam aan het verkeer deelnemen, zodat evengenoemde wijze van dagvaarden door en van zodanige maatschappen tegemoet komt aan de behoeften der praktijk; dat na dagvaarding op voren omschreven wijze de tegenpartij, die wenst te weten wie in wezen eisende of verwerende als pp. onder de gevoerde naam optreden, kan verlangen dat namens de maatschap de namen en woonplaatsen van de vennoten worden medegedeeld;”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 17 april 2019 waren de maten van de maatschappen niet meer de 1999-maten, maar: Loro Viking B.V., Monte Rosa B.V., Bluebells B.V., Orikus B.V. en Victoria Beheer B.V. Nadien zijn geen maten uitgetreden. Zie aldus ook randnummer 2.7 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 9 juni 2021, zaak-/rolnrs.: C/05/367463/ HA ZA 20-179 / 546 / 560 (hoofdzaak) en C/05/367470/ HA ZA 20-180 (vrijwaring) (niet gepubliceerd). Aan dit vonnis zijn voorafgegaan een vonnis in incident van 28 augustus 2019 (niet gepubliceerd), waarin de rechtbank heeft toegestaan dat een aantal partijen door de maatschappen in vrijwaring wordt opgeroepen, en een omzettingsvonnis van 10 maart 2020 (niet gepubliceerd), waarin de rechtbank heeft beslist dat zal worden voortgeprocedeerd volgens het procesrecht dat vanaf 1 oktober 2019 landelijk van toepassing is in dagvaardingszaken met verplichte procesvertegenwoordiging. Op 13 november 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank verwijst naar de standpunten van partijen in rov. 3.3.5.-3.3.6.: “3.3.5. De maatschappen beroepen zich er vervolgens op dat de rechtbank Zutphen bij vonnis van 20 augustus 2008 de vorderingen van Mocomar heeft afgewezen voor zover zij zijn gericht tegen de maatschappen, dat het hof Arnhem dat vonnis bij arrest van 27 maart 2012 in zoverre heeft bekrachtigd en dat Mocomar tegen dat arrest geen cassatieberoep heeft ingesteld. Daarom is dat arrest volgens de maatschappen in kracht van gewijsde gegaan, waardoor het ook in deze procedure bindende kracht heeft tussen Mocomar en de maatschappen (artikel 236 Rv) (conclusie van antwoord 3 – 12). In dit verband wijzen de maatschappen ook op wat daarover in het tussenarrest van het hof van 24 maart 2020 r.o[.]v. 2.4 en 2.5 is overwogen[.] 3.3.6. Mocomar brengt hier het volgende tegen in. De oordelen van de rechtbank en van het hof zijn rechtens onjuist. Bovendien heeft het dictum van het arrest van het hof slechts een beperkte strekking. Volgens Mocomar is de afwijzing procestechnisch niet te beschouwen als een beslissing die meebrengt dat de vorderingen van Mocomar materieel zijn afgewezen. Het is volgens Mocomar aan de rechtbank om te beoordelen of het arrest in de onderhavige procedure bindende kracht heeft. Subsidiair betoogt Mocomar dat het beroep op het gezag van gewijsde in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (pleitaantekeningen 37 – 56).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juli 2023, zaaknr.: 200.317.254 (niet-gepubliceerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3889, JOR 2024/253 m.nt. W.J.M. van Veen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eindnoot iv van het hof: HR 5 november 1976, NJ 1977/586.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eindnoot v van het hof: HR 5 november 1976, NJ 1977/586.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eindnoot vi van het hof: Hoge Raad 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eindnoot vii van het hof: Hoge Raad 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eindnoot viii van het hof: Asser/Van Olffen, 7-VII 2022/175, 246, 260 en 262.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, randnummer 4, onder verwijzing naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 15, 17-18, 23 en 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 32-33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook B.T.M. van der Wiel &amp; N.T. Dempsey, ‘Ontvankelijkheid van en belang bij cassatieberoep’, in B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 160.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over mogelijke verwarring van een voorlopig oordeel tijdens de mondelinge behandeling met een mondelinge uitspraak bijvoorbeeld H.M.M. Steenberghe, ‘De mondelinge behandeling en de schikking’, in G. de Groot &amp; H.M.M. Steenberghe (red.), De mondelinge behandeling in civiele zaken, Den Haag: Boom juridisch 2019, nr. 8.8.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie A.E.H. van der Voort Maarschalk, ‘De toetsing in cassatie’, in B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 75, met rechtspraakverwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de oorsprong van de term ‘handelingen’ Asser Procesrecht/E. Korthals Altes &amp; HA Groen, Deel 7. Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 254. Er zijn evenmin aanwijzingen dat de cassatie van rechterlijke handelingen moet worden beschouwd als een van de andere taken in de zin van art. 118 lid 3 Grondwet die op grond van de wet – hier de Wet RO – aan Uw Raad is opgedragen. Zie aldus A.J.A. van Dorst &amp; M.J. Borgers, in Handboek strafzaken (online), nr. 45.3.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.T.M. van der Wiel &amp; N.T. Dempsey, ‘Ontvankelijkheid van en belang bij cassatieberoep’, in B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 160 (voetnoot 94 aldaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel verwijst naar de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis van Mocomar, p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel citeert hier uit rov. 3.3.8. van het eindvonnis van 9 juni 2021, dat volgens het onderdeel in hoger beroep onbestreden is en verwijst daarbij (in voetnoot 1 van de procesinleiding) naar de memorie van antwoord tevens incidenteel appel tevens vermeerdering van eis van de maatschappen, randnummers 13.-14.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een voetnoot wordt op deze plaats verwezen naar: HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:505, NJ 2019/158.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de vorige voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover bijvoorbeeld A-G Snijders (ECLI:NL:PHR:2021:1104, randnummer 3.30, met verwijzingen) voor HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:594, NJ 2022/175 (Logistics Solutions/TSM). Zie ook rov. 3.1.2 van dat arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld ook rov. 4.40. van het bestreden arrest waar het hof als volgt naar de vorderingen onder 4 (de beslissingen over de door Mocomar gelegde en te leggen beslagen) verwijst: “Met deze grief ligt de vraag voor (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over het onderscheid tussen stille en openbare maatschappen bijvoorbeeld Chr.M. Stokkermans, Sleutels voor personenvennootschapsrecht, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 133 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook, maar dan toegespitst op de vennootschap onder firma, mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:97, randnummers 3.3-3.30) voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1315, NJ 2022/224 m.nt. J.L. Smeehuijzen, JOR 2020/227 m.nt. D.F.H. Stein, Ondernemingsrecht 2021/14 m.nt. J.M. Blanco Fernández en JIN 2020/139 m.nt. R.A.G. de Vaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook art. 7A:1655 BW: Maatschap is eene overeenkomst, waarbij twee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen. Zie verder over de maatschap als overeenkomst bijvoorbeeld Chr.M. Stokkermans, Sleutels voor personenvennootschapsrecht, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 65 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over het ontbreken van rechtspersoonlijkheid ook HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2013/133 m.nt. J.M. Blanco Fernández, Ars Aequi 2013, p. 662 e.v. m.nt. S.M. Bartman, JBPr 2013/30 m.nt. H.W. Wiersma &amp; W.M.A Malcontent, JIN 2013/91 m.nt. G.C. Vergouwen en OR-Updates.nl 2013-0269 m.nt. H. Koster ([…] Holdings), rov. 3.4.2. Zie over (het gebrek aan) rechtssubjectiviteit van de maatschap bijvoorbeeld ook Chr.M. Stokkermans, Sleutels voor personenvennootschapsrecht, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 92 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2013/133 m.nt. J.M. Blanco Fernández, Ars Aequi 2013, p. 662 e.v. m.nt. S.M. Bartman, JBPr 2013/30 m.nt. H.W. Wiersma &amp; W.M.A Malcontent, JIN 2013/91 m.nt. G.C. Vergouwen en OR-Updates.nl 2013-0269 m.nt. H. Koster ([…] Holdings), rov. 3.4.2. Zie hierover ook Chr.M. Stokkermans, Sleutels voor personenvennootschapsrecht, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 92 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de samenstelling van het maatschapsvermogen bijvoorbeeld ook Chr.M. Stokkermans, Sleutels voor personenvennootschapsrecht, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 170 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de aspecten van vermogensscheiding bij de maatschap bijvoorbeeld ook Chr.M. Stokkermans, Sleutels voor personenvennootschapsrecht, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 143 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze ondernemingsvormen bijvoorbeeld M.J. Kroeze, L. Timmerman &amp; J.B. Wezeman, De kern van het ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 5-8 en 15 en, over de verschillen tussen kapitaalvennootschappen (nv en bv) en de maatschap, p. 14-15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook W.J.M. van Veen in zijn annotatie bij het bestreden arrest in JOR 2024/253 (nrs. 5-7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de procesinleiding, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel verwijst naar de oordelen en beslissingen in de 65333-procedure geciteerd in rov. 3.1.7.-3.1.10. en 3.1.13. van het vonnis van de rechtbank en rov. 3.8.-3.13. van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel verwijst in voetnoot 3 van de procesinleiding onder meer naar de pleitaantekeningen van Mocomar in eerste aanleg, randnummers 60.-61. en 66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel verwijst naar vaste rechtspraak van Uw Raad, waaronder HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, NJ 2022/12 m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2021/13 m.nt. T. van Malssen &amp; M. Hengeveld en JIN 2021/46 m.nt. M.H. Gardien &amp; S.E. Poutsma (IV-Groep/Zwitserleven). Zie rov. 3.1.3 van dat arrest. Zie nadien bijvoorbeeld ook HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683, NJ 2022/183 en JBPr 2022/52 m.nt. L.V. van Gardingen (Stichting Rederij De Drie Geuzen), rov. 3.1.2, waar het hof in rov. 4.7. van het bestreden arrest, eindnoten vi en vii naar heeft verwezen, en meest recent HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:667 (Klaverblad), rov. 3.2.1, beide onder verwijzing naar het arrest van 18 december 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099, NJ 2022/12 m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2021/13 m.nt. T. van Malssen &amp; M. Hengeveld en JIN 2021/46 m.nt. M.H. Gardien &amp; S.E. Poutsma (IV-Groep/Zwitserleven), rov. 3.1.3 en, meest recent, HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:667 (Klaverblad), rov. 3.2.1, onder verwijzing naar het arrest van 18 december 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 54 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de vindplaatsen uit de gedingstukken in feitelijke instanties genoemd in voetnoot 2 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:667 (Klaverblad), rov. 3.3.3. Zie ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:1131, randnummer 3.14, met verwijzingen) voor dat arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 53 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de titel van het kopje boven de randnummers 60.-61. (“Uiterst subsidiair”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de pleitaantekeningen van Mocomar in eerste aanleg, randnummers 9. e.v. (“Primair standpunt; geen kracht van gewijsde”) en randnummers 30. e.v. (“Gezag van gewijsde?”). Zie over het primaire standpunt van Mocomar bijvoorbeeld ook de conclusie van antwoord reconventie van Mocomar, randnummer 17: “Mocomar is van oordeel, dat het feit dat het eindarrest in het tussentijds appèl in kracht van gewijsde is gegaan niet in de weg staat aan haar onderhavige vordering. (…)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel verwijst naar het verweerschrift KEI tevens tegenvorderingen tevens incident tot vrijwaring van de maatschappen, randnummers 14.-15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de vorige voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 15-34 Wetboek van Koophandel. Zie hierover bijvoorbeeld A.J.S.M. Tervoort, Het Nederlandse personenvennootschapsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 3. Zie ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:97, randnummers 3.3-3.4) voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1315, NJ 2022/224 m.nt. J.L. Smeehuijzen, JOR 2020/227 m.nt. D.F.H. Stein, Ondernemingsrecht 2021/14 m.nt. J.M. Blanco Fernández en JIN 2020/139 m.nt. R.A.G. de Vaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:97, randnummer 3.32) voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1315, NJ 2022/224 m.nt. J.L. Smeehuijzen, JOR 2020/227 m.nt. D.F.H. Stein, Ondernemingsrecht 2021/14 m.nt. J.M. Blanco Fernández en JIN 2020/139 m.nt. R.A.G. de Vaan. Zie nog wel H. Wammes, ‘De betekenis van titel 3.7 voor de maatschap’, TVVS 1993, par. 3, slot, p. 146 (voetnoot niet overgenomen uit het origineel): “Uit de wijzigingen die in de titel Van Maatschap bij gelegenheid van de overbrenging naar Boek 7A zijn aangebracht mag worden afgeleid dat de wetgever zich niet heeft beperkt tot wijzigingen die noodzakelijk waren in verband met de invoering van een nieuw algemeen vermogensrecht. De wetgever heeft deze gelegenheid aangegrepen om oud en dor hout te kappen en hier en daar vooruit te lopen op het nieuwe recht door expliciet aansluiting te zoeken bij het ontwerp voor titel 7.13.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus M.J. Kroeze, L. Timmerman &amp; J.B. Wezeman, De kern van het ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 14. Zie ook Kamerstukken II 2018-2019, 29 752, nr. 12, p. 14: “De huidige regeling stamt uit 1838 en is toe aan vervanging.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover bijvoorbeeld de conclusie van A-G Rank-Berenschot (ECLI:NL:PHR:2019:189, randnummer 2.37, met verwijzingen) voor HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438 m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2019/173 m.nt. N.E.D. Faber, Ars Aequi 2019, p. 991 e.v. m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, Ondernemingsrecht 2019/151 m.nt. V.R. Feenstra, TvI 2019/29 m.nt. J.B. Huizink, JAR 2019/128 m.nt. E. Loesberg, JIN 2019/104 m.nt. E.S. Ebels en TvCu 2019, p. 84 e.v. m.nt. K.M. Sixma (UWV). Zie ook L. Timmerman, ‘Beginselen voor de hervorming van personenvennootschappen’, WPNR 7437 (2023), p. 856 (zonder voetnoten uit het origineel): “Er wordt al meer dan zeventig jaar gewerkt aan een nieuwe wettelijke regeling voor de personenvennootschappen. Het ontbreekt zeker niet aan goede ideeën. Er lijkt bij dit onderwerp een gebrek aan slagkracht en handelingsvermogen te zijn. Het is opmerkelijk dat vennootschappelijke grootheden als de professoren Van der Grinten en Maeijer in het verleden erin zijn vastgelopen. Het gaat hier dus kennelijk om een moeilijke klus.” Voor een studie met goede ideeën verwijst Timmerman naar Chr.M. Stokkermans, Sleutels voor personenvennootschapsrecht, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te raadplegen via www.internetconsultatie.nl/1313.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te raadplegen via www.internetconsultatie.nl/3532.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK007901. Zie ook M.J. Kroeze, L. Timmerman &amp; J.B. Wezeman, De kern van het ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">L. Timmerman, ‘Het Nederlandse vennootschapsrecht tussen 1918 en 2018, enkele schetsmatige opmerkingen’, in H.J. de Kluiver (red.), 100 jaar Handelsrecht. Over heden, toekomst en verleden, Jubileumuitgave Vereeniging ‘Handelsrecht’ 1918-2018, Zutphen: Paris 2018, p. 92. Dit preadvies 2018 is ook opgenomen in het verzamelde werk Ondernemingsrecht volgens Vino Timmerman, Deventer: Wolters Kluwer 2024 (zie voor de geciteerde passage, p. 373-374).</p>\n<p class=\"lf-p\">Timmerman noemt als eerder voorbeeld van deze tendens: HR 5 november 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB7103 (niet gepubliceerd), NJ 1977/586 m.nt. W.H. Heemskerk ([…]).</p>\n<p class=\"lf-p\">Timmerman doelt op: HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2013/133 m.nt. J.M. Blanco Fernández, Ars Aequi 2013, p. 662 e.v. m.nt. S.M. Bartman, JBPr 2013/30 m.nt. H.W. Wiersma &amp; W.M.A Malcontent, JIN 2013/91 m.nt. G.C. Vergouwen en OR-Updates.nl 2013-0269 m.nt. H. Koster ([…] Holdings).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de vennootschap onder firma een afgescheiden vermogen heeft, heeft Uw Raad eind 19e eeuw al uitgemaakt. Zie bijvoorbeeld A.J.S.M. Tervoort, Het Nederlandse personenvennootschapsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 7-8, met rechtspraakverwijzingen in voetnoot 54 aldaar. Zie over de vennootschap onder firma recenter ook HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438 m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2019/173 m.nt. N.E.D. Faber, Ars Aequi 2019, p. 991 e.v. m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, Ondernemingsrecht 2019/151 m.nt. V.R. Feenstra, TvI 2019/29 m.nt. J.B. Huizink, JAR 2019/128 m.nt. E. Loesberg, JIN 2019/104 m.nt. E.S. Ebels en TvCu 2019, p. 84 e.v. m.nt. K.M. Sixma (UWV), rov. 3.4.1 en 3.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Timmerman verwijst naar de bespreking van het […] Holdings-arrest in Chr.M. Stokkermans, Sleutels voor personenvennootschapsrecht, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 111-118. Met “entity shielding” doelt hij op het volgende: “Een voorbeeld van zo’n makkelijke, uit de rechtspersoonlijkheid voortvloeiende regel is de leer dat het vermogen dat aan de rechtspersoon toekomt exclusief verhaalsobject voor de schuldeisers van de rechtspersoon is en privé-schuldeisers van aandeelhouders zich niet op dat vermogen kunnen verhalen (op zijn Engels heet dit fenomeen entity shielding). Met behulp van dit concept kan het vermogen van een rechtspersoon simpel worden afgewikkeld, bijvoorbeeld als deze in financiële problemen is geraakt.” Zie L. Timmerman, ‘Het Nederlandse vennootschapsrecht tussen 1918 en 2018, enkele schetsmatige opmerkingen’, in H.J. de Kluiver (red.), 100 jaar Handelsrecht. Over heden, toekomst en verleden, Jubileumuitgave Vereeniging ‘Handelsrecht’ 1918-2018, Zutphen: Paris 2018, p. 92.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2013/133 m.nt. J.M. Blanco Fernández, Ars Aequi 2013, p. 662 e.v. m.nt. S.M. Bartman, JBPr 2013/30 m.nt. H.W. Wiersma &amp; W.M.A Malcontent, JIN 2013/91 m.nt. G.C. Vergouwen en OR-Updates.nl 2013-0269 m.nt. H. Koster ([…] Holdings), rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat geldt in ieder geval voor openbare maatschappen als in deze zaak aan de orde. Vergelijk over de discussie met betrekking tot de stille maatschap bijvoorbeeld A.J.S.M. Tervoort, Het Nederlandse personenvennootschapsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 157-158, met literatuurverwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk C.E. Drion, ‘HR Watching’, NJB 2014/1172, p. 1597, die in voetnoot 7 opmerkt: “gebruikt de Hoge Raad “vgl.” [bij het verwijzen naar eerdere uitspraken, vandaar mijn “vgl.”, A-G], dan is sprake van een zekere variatie, zodat denkbaar is dat er een stukje rechtsontwikkeling plaatsvindt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus ook H. Wammes, ‘De betekenis van titel 3.7 voor de maatschap’, TVVS 1993, par. 4, begin, p. 146: “De betekenis van titel 3.7 voor de maatschap is beperkt. Dit vloeit voort uit art. 3 : 189 lid 1 ingevolge welke bepaling titel 3.7 niet van toepassing is op de maatschap. Titel 3.7 is alleen van toepassing op de ontbonden maatschap.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Chr.M. Stokkermans, Sleutels voor personenvennootschapsrecht, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 143 en 170.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.J. Kroeze, L. Timmerman &amp; J.B. Wezeman, De kern van het ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 76. Zie ook kernachtig Asser Bijzondere overeenkomsten/M. van Olffen, Deel 7-VII. Maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 191: “[D]e tot de gemeenschap behorende schulden, de maatschapsschulden, [kunnen] op de goederen van de gemeenschap worden verhaald. Zie art. 3:192 BW dat naar mijn inzicht ook geldt voor de niet-ontbonden maatschap en vennootschap.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem 16 december 1914, NJ 1915, p. 537 e.v., op p. 540-541: “O., in conventie: dat waar partijen Sterling en Jansen niet ontkennen eene uitkeering ter zake van de uittreding van partij Roelfsema aan dezen schuldig te zijn, de eerste vraag, welke hier ter beslissing voor ligt, is deze, of dan de vordering daartoe tegen eerstgenoemde partijen terecht als eene hoofdelijke is ingesteld, (…) O. dat die eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord; dat toch elk der vennooten in eene firma wel krachtens art. 18 K. hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk is wegens de verbintenissen der vennootschap, doch dat zulks geldt ten aanzien van hare verbintenissen aan derden, gelijk ook volgt uit het verband met het voorafgaande art. 17 1e lid, en een vennoot, ook als hij uittreedt uit de vennootschap, tegenover de andere vennooten en ten aanzien van de verplichtingen uit de acte van vennootschap geen derde is, zoodat de vennooten onderling slechts aansprakelijk zijn ieder voor het aandeel hetwelk hem in de vennootschap is toegekend of geacht moet worden te zijn toegekend;” Ik neem aan dat W.J.M. van Veen ook doelt op deze uitspraak in zijn annotatie bij het bestreden arrest in JOR 2024/253 (nr. 10) en in GS Personenassociaties, Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 4.1.5.1 (actueel tot en met 7 oktober 2024) (W.J.M. van Veen).</p>\n<p class=\"lf-p\">In beide bronnen wordt kennelijk abusievelijk als datum voor deze uitspraak van hof Arnhem 26 januari 1914 genoemd. Zie onder verwijzing naar deze uitspraak van 16 december 1914 ook Asser Bijzondere overeenkomsten/M. van Olffen, Deel 7-VII. Maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nrs. 144 en 256.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de vindplaatsen genoemd in de vorige voetnoot. Zie echter ook de nuancering in zijn annotatie bij het bestreden arrest in JOR 2024/253 (nr. 11): “Dit laat onverlet dat ik (ook) van mening ben dat financiële aanspraken van (ex-)vennoten die voortvloeien uit het vennootschapscontract in beginsel op het vermogen van de vennootschap verhaalbaar zijn. Zij vloeien voort uit het vennootschapscontract en daarmee is connexiteit met het vennootschapsvermogen gegeven. Dit alles is overigens van regelend recht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie GS Personenassociaties, Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 4.1.5.1 (actueel tot en met 7 oktober 2024) (W.J.M. van Veen). Hij verwijst in voetnoot 9 aldaar onder meer naar B.F. Assink | W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel II), Deventer: Kluwer 2013, § 99.5 (p. 2015). Assink schrijft aldaar, uitgaande van een commanditaire vennootschap, onder meer: “Bij een positief resultaat ontstaat een zaakschuld aan de inmiddels uitgetreden vennoot, die als derde kan worden gezien.” Van Veen verwijst in de genoemde voetnoot verder onder meer naar Asser Bijzondere overeenkomsten/M. van Olffen, Deel 7-VII. Maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 256.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat randnummer, dat de titel “Uittredingsvordering is zaakschuld” draagt, merkt Van Olffen onder meer op: “Het bedrag dat aan de uitgetreden vennoot moet worden uitgekeerd, na overeenkomstig de bepalingen van de vennootschapsovereenkomst te zijn berekend, is een schuld van de vennootschap c.q. de gezamenlijke overblijvende vennoten als zodanig. De schuld is te beschouwen als een (zaak)schuld te voldoen aan de uitgetreden vennoot als derde. Hetzelfde geldt mijns inziens indien de uitgetreden vennoot, inmiddels derde geworden, van de gezamenlijke vennoten die de vennootschap voortzetten, nog een winstaandeel over voorgaande jaren heeft te vorderen. Voor dergelijke schulden kunnen naar mijn inzicht de bestanddelen van de goederengemeenschap in hun geheel worden uitgewonnen, ook bij een stille maatschap. (…).” Van Olffen ontleent steun voor zijn standpunt aan de dissertatie over dit onderwerp van Van der Smit uit 1987. Zie E.J.R. van der Smit, Vermogens- en uitkeringsregelingen bij uittreden van vennoten, diss., Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1987, p. 173 (zonder voetnoten uit het origineel): “In de huidige vennootschapspraktijk komt men vaak uitkeringsregelingen tegen, waarin ‘de overblijvende vennoten’ zich verbinden aan de uittredende vennoot een uitkering te doen. Ik interpreteer deze regeling als volgt: de overblijvende vennoten verbinden zich als de gezamenlijke vennoten in hun vennootschappelijk verband aan de uitgetreden vennoot als derde een bepaalde uitkering te doen. Zodanige gebondenheid van de gezamenlijke overblijvende vennoten kan in mijn opvatting derhalve worden aangeduid als een vennootschapsschuld in juridische zin: (naar huidig recht) een schuld van de gezamenlijke vennoten jegens een derde, verhaalbaar op het afgescheiden vermogen van de vennootschap.” Zie ook op p. 174.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontwerp-Van der Grinten bevatte in art. 7.13.1.15 lid 5 een bepaling over de uittredingsvergoeding: De vennootschap, en bij de stille vennootschap alle vennoten, zijn, tenzij anders is bepaald, gehouden aan de uitgetreden vennoot een bedrag te betalen, gelijk aan de waarde van het deel dat de vennoot in geval van ontbinding der vennootschap zou hebben genoten. (…). De tekst van de bepaling is bijvoorbeeld ook te vinden in Chr.M. Stokkermans, Sleutels voor personenvennootschapsrecht, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 549. Zie over deze bepaling verder E.J.R. van der Smit, Vermogens- en uitkeringsregelingen bij uittreden van vennoten, diss., Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1987, p. 174.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.C.L. van der Grinten merkte in zijn toelichting op deze bepaling onder meer het volgende op: “Om te bereiken dat bij uittreding van een vennoot de vennootschap ongestoord kan worden voortgezet, is het noodzakelijk dat de goederen van de vennootschap onder het vennootschappelijk verband blijven en dat de uittredende vennoot genoegen neemt met de uitkering van een bedrag gelijk aan de waarde van zijn aandeel. In het huidige recht liggen hier vele voetangels en klemmen. Hoe kan worden bereikt dat de uittredende vennoot niet langer gerechtigd zal zijn tot de goederen der vennootschap? De praktijk redt zich met overnemings- en verblijvingsbedingen, die echter vele vragen doen rijzen en tot onzekerheid aanleiding geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het systeem van het ontwerp is de situatie voor de openbare vennootschap eenvoudiger, omdat deze vennootschap rechtspersoon is. De vennootschap is eigenaar van het vennootschappelijk vermogen. De uittreding betekent dat de lidmaatschapsverhouding met een bepaalde vennoot wordt ontbonden. Een wijziging in de juridische eigendomsverhouding is niet noodzakelijk. Het probleem blijft echter bestaan voor de stille vennootschap. De meest eenvoudige oplossing is in de wet te bepalen dat in geval van uittreding het aandeel van de uittredende vennoot van rechtswege overgaat aan de overblijvende vennoten. Het ontwerp kiest voor deze oplossing, (…) Het behoeft geen betoog dat de uittreding van een vennoot niet ten gevolge mag hebben dat er als het ware een onteigening zonder schadeloosstelling plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uittredende vennoot heeft recht op de waarde van zijn deel. Men vergelijke voor het huidige recht artikel 1688, tweede lid, dat in de literatuur gewoonlijk in deze zin wordt verstaan (…). Is de vennootschap rechtspersoon, dan zal de uitkering verschuldigd zijn door de vennootschap; de vennoten persoonlijk zijn voor deze schuld verbonden (artikel 6). Bij de stille vennootschap zijn de vennoten persoonlijk de uitkering verschuldigd. Voor deze schuld is het vennootschapsvermogen aansprakelijk (artikel 7).” Zie Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek van Prof. Mr. E.M. Meijers, ingevolge opdracht van de minister van Justitie opgesteld onder leiding van mr. F.J. de Jong, toelichting, vierde gedeelte (boek 7), Den Haag: Staatsdrukkerij en uitgeverijbedrijf 1972, p. 1103-1104.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het ontwerp-Maeijer was een uittredingsvergoeding geregeld in artikel 7:821 lid 2: De vennootschap is gehouden ten behoeve van de uitgetreden vennoot (…) een bedrag te betalen dat gelijk is aan de waarde van zijn economische deelgerechtigdheid in het vermogen van de vennootschap zoals die nader bij of krachtens de overeenkomst van vennootschap kan zijn bepaald. (…). De tekst van deze bepaling is bijvoorbeeld ook te vinden in Chr.M. Stokkermans, Sleutels voor personenvennootschapsrecht, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 564. Zie over deze bepaling verder de memorie van toelichting, waarin onder meer het volgende is opgenomen: “Lid 2 betreft de financiële compensatie van de uittredende vennoot voor het verlies van zijn aandeel in de vennootschappelijke gemeenschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de huidige wetgeving wordt dit punt niet geregeld; alleen artikel 7A:1688 lid 2 (…) herinnert hieraan. Lid 2 correspondeert met artikel 7.13.1.15 lid 5 Ontwerp-Van der Grinten, doch bevat enige afwijkingen. (…) Het te betalen bedrag is zoals lid 2 tot uitdrukking brengt, een schuld van de (voortgezette) vennootschap c.q. de gezamenlijke (overblijvende) vennoten als zodanig. Het betreft een zaakschuld waarvoor de gemeenschap van die vennootschap kan worden uitgewonnen.” Zie Kamerstukken II 2002-2003, 28 746, nr. 3, p. 35 en 38. In het ontwerp van de werkgroep-Van Olffen wordt in artikel 26 over de uittredingsvergoeding ook weer voortgebouwd op dezelfde bepaling uit het ontwerp-Van der Grinten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de tekst van artikel 26 bijvoorbeeld Chr.M. Stokkermans, Sleutels voor personenvennootschapsrecht, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 591. Zie ook de toelichting op deze bepaling in het rapport van de werkgroep-Van Olffen van september 2016, p. 114, dat is opgenomen als bijlage bij Kamerstukken II 2016-2017, 29 752, nr. 9: “In deze bepaling wordt de financiële compensatie van de uittredende vennoot voor het verlies van zijn aandeel in de vennootschap geregeld. In de huidige wetgeving wordt dit punt niet geregeld; alleen artikel 1688 lid 2 van Boek 7A herinnert hieraan. Lid 2 correspondeert met artikel 7.13.1.15 lid 5 voorontwerp-Van der Grinten, maar bevat enkele afwijkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de vennoten daar zelf niets over zijn overeengekomen is de hoofdregel dat de vennootschap gehouden is een bedrag te betalen dat gelijk is aan de waarde van het aandeel van de uittredende vennoot in de waarde van de vennootschap per de datum van uittreden (lid 2).” In de meest recente wetgevingspoging is ook weer voorzien in een bepaling over de uittredingsvergoeding (artikel 811) (zie ook de concept memorie van toelichting, te vinden via de weblink in voetnoot 69 hiervoor, p. 76-77), maar kwam ik geen verwijzingen tegen naar de zaakschuldkwestie (zie nog wel op p. 42-43).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zulke literatuurverwijzingen komen we niet (heel) vaak tegen. Vergelijk bijvoorbeeld C.J.H. Brunner, ‘Rechtspraak en literatuur’, WPNR 6207 (1996), p. 29: “In de rechtspraak wordt bij ons zelden of nooit op literatuur een beroep gedaan ter motivering van een rechtsoordeel. En als al ooit het woord literatuur (wetenschap, doctrine) wordt gebruikt dan slechts in algemene zin (…) Verwijzing naar geschriften van individuele schrijvers komt bij mijn weten helemaal niet voor.” Brunner lijkt hier het oog te hebben op literatuur(verwijzingen) in rechtspraak van Uw Raad. Zie over het niet rechtstreeks in discussie treden met de doctrine door Uw Raad bijvoorbeeld ook J.F. de Groot &amp; A.E.H. van der Voort Maarschalk, ‘De uitspraak van de Hoge Raad’, in B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 324. In de feitenrechtspraak zijn, zoals het bestreden arrest illustreert, wel voorbeelden van specifieke literatuurverwijzingen te vinden, maar als gezegd komen ze niet veel voor. Zie verder ook L.J.A. Pieterse, ‘Rechtspraak en literatuur’, NTFR 2016/1008, afl. 14, p. 1 e.v. met enkele voorbeelden uit de fiscaalrechtelijke feitenrechtspraak in voetnoot 7 aldaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Bijzondere overeenkomsten/M. van Olffen, Deel 7-VII. Maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nrs. 175, 246, 260 en 262.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.J.M. van Veen in zijn annotatie bij het bestreden arrest in JOR 2024/253 (nrs. 9 en 12).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld H. Wammes, ‘De betekenis van titel 3.7 voor de maatschap’, TVVS 1993, par. 5 (voetnoten niet overgenomen uit het origineel), p. 148-149: “De voortzettingsregeling brengt mede dat de vennootschap blijft voortbestaan en dat zij haar identiteit behoudt. Ten gevolge van het voortzettingsbeding wordt de maatschap derhalve niet ontbonden zoals Perrick terecht stelt. Aldus komen wij aan titel 3.7 niet toe. Deze titel is immers eerst toepasselijk nadat de maatschap is ontbonden. (…) Met de voortzettingsregeling wordt nu juist bereikt dat de maatschap niet wordt ontbonden, althans niet geheel. Hooguit vindt hier een ontbinding plaats ten opzichte van de uitgetreden vennoot. (…) Uit genoemd artikel [art. 3:189 lid 2 BW, A-G] blijkt niet dat titel 3.7 ook van toepassing is wanneer slechts ten opzichte van één vennoot – de uitgetreden vennoot – de maatschap ontbonden is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in deze zin ook de vorige voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 627.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk bijvoorbeeld GS Vermogensrecht, art. 3:192 BW (bijgewerkt tot en met 7 april 2025), Deventer: Wolters Kluwer 2025, aant. 4 (T.J. Mellema-Kranenburg) met verdere verwijzingen, waar als algemene omschrijving van zaakschulden wordt gegeven: “in beginsel die schulden die voor rekening van de gemeenschap komen en waarvan alle deelgenoten, al dan niet door middel van vertegenwoordiging, voor het geheel of voor een gedeelte schuldenaar zijn” en, toegespitst op de maatschap, “schulden die voor de schuldeisers kenbaar voor de maatschap zijn aangegaan; dat zijn derhalve de schulden die een maat mede namens de andere maten is aangegaan en waarvoor zij ieder zijn verbonden”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een regulier voorbeeld M.J. Kroeze, L. Timmerman &amp; J.B. Wezeman, De kern van het ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 76: “Een voorbeeld van een zaaksschuld is de te betalen koopsom voor een computer die een vennoot bevoegdelijk namens de maatschap (…) heeft gekocht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 4 van de procesinleiding, onder verwijzing naar “het overzicht van appelgrieven” in de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis van Mocomar, p. 17 waarover onderdeel 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis van Mocomar, randnummers 2.2.-2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de vindplaats genoemd in de vorige voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een voetnoot op deze plaats wordt verwezen naar Asser Bijzondere overeenkomsten/M. van Olffen, Deel 7-VII. Maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 256 en B.F. Assink | W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel II), Deventer: Kluwer 2013, § 99.5 (p. 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoten 84-85 en 98 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst in voetnoot 5 van de procesinleiding naar rov. 3.1.7. tot en met 3.1.13. van het vonnis in eerste aanleg (zie randnummers 1.13 e.v. hiervoor) en noemt aldaar in het bijzonder rov. 7.19 van het tussenvonnis van 5 juli 2006 in de 65333-procedure: “zo kan ook niet gezegd worden dat de maatschap voor die uittredingssom aansprakelijk is jegens een uittredend lid zoals, in dit geval, Mocomar” (zie ook randnummer 1.13 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de voetnoten 6 en 8 van de procesinleiding. In voetnoot 8 staat overigens “Zie o.m. MvG nrs. 18-19”, maar ik neem aan dat is bedoeld de memorie van antwoord tevens incidenteel appel tevens vermeerdering van eis van de maatschappen. Randnummers 18. en 19. van de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis van Mocomar gaan over iets anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 7, waar mr. De Vries, de advocaat van Mocomar in feitelijke instanties, onder meer het volgende heeft opgemerkt: “6. Het beding is ook verweven in de maatschapsovereenkomst. 7. Als het een nieuwe maatschap is heeft er tussendoor vereffening plaatsgevonden.” De randnummers 6. en 7. verwijzen naar zijn aan het proces-verbaal gehechte pleitnotities, waarin onder meer het volgende is opgemerkt: “Ad 17. Mocomar heeft afstand gedaan van haar aandeel in het afgescheiden vermogen in ruil voor schuldigerkenning. Ad 18. De maatschap is een continuüm. Niet gesteld of bewezen dat de oude maatschap is vereffend.” De randnummers 17. en 18. verwijzen naar de memorie van antwoord tevens incidenteel appel tevens vermeerdering van eis van de maatschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie M.J. Kroeze, L. Timmerman &amp; J.B. Wezeman, De kern van het ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 248-249.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 7A:1683, aanhef en onder 3°, BW: Een maatschap wordt ontbonden (…) 3° Door opzegging van een vennoot aan de andere vennoten;.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voortzettingsbeding ligt kennelijk naar het oordeel van het hof in de maatschapsovereenkomsten besloten. Zie ook voetnoot 102 hiervoor. Het hof spreekt in rov. 4.3. overigens van “een verblijvingsbeding” maar ik denk dat aldaar is bedoeld een voortzettingsbeding. Zie aldus ook W.J.M. van Veen in zijn annotatie bij het bestreden arrest in JOR 2024/253 (nr. 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over verblijvenbedingen ook H. Wammes, ‘De betekenis van titel 3.7 voor de maatschap’, TVVS 1993, par. 5, p. 146-147: “Een verblijvensbeding beoogt te bewerkstelligen dat het aandeel van de voormalige deelgenoot in de gemeenschappelijke goederen zal verblijven aan de overige vennoten die de vennootschap voortzetten. (…) Zolang de regel uit het ontwerp [art. 7.13.1.15 van het ontwerp-Van der Grinten, waarover ook voetnoot 85 hiervoor, A-G] nog geen wet is geworden zullen vennoten in hun voortzettingsregeling gebruik maken van een verblijvensbeding.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 85 hiervoor. Zie ook M.J. Kroeze, L. Timmerman &amp; J.B. Wezeman, De kern van het ondernemingsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 249. Het hof heeft dit in rov. 4.16. van het bestreden arrest ook zo gezien: “Bij het uittreden van Mocomar in 1999 is haar aandeel in de activa van [maatschap 1] en van [maatschap 2] verbleven. Mocomar heeft daarvoor in de plaats op grond van de maatschaps- en clearingsovereenkomsten aanspraak op een uittredingsvergoeding gekregen. De goederenrechtelijke aanspraak van de uittredende maat Mocomar is aldus ‘omgezet ’ in een verbintenisrechtelijke aanspraak. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.14. van het bestreden arrest luidt: “De maatschappen (en daarmee ook de 2019-maten) hebben hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Zij beroepen zich onder meer op de sinds 2003 gebruikte teksten van de maatschapsovereenkomsten en in het bijzonder artikel 3.02 lid 2 en 11.02 van die overeenkomsten. Volgens de maatschappen is in het eerstgenoemde artikel over schulden, een beperking opgenomen voor nieuw toegetreden maten. Op grond van het verblijvingsbeding van artikel 11.02 verblijven de aan de uittreder toebehorende activa aan de verblijvende maten. Dat zijn de maten die in de procedure uit 2004 (3.6 e.v.) zijn betrokken en die zijn veroordeeld om voor die activa te betalen. De verblijvende maten verklaren om de schulden van de maatschap per balansdatum voor hun rekening te nemen. Maar de uittredingsvergoeding behoort niet tot de schulden die op grond van het verblijvingsbeding tot die schulden behoort, omdat voor de balansdatum wordt uitgegaan van een eerdere datum (art 11.01).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 4.10. van het bestreden arrest geciteerd in randnummer 2.9 hiervoor. Zie hierover ook W.J.M. van Veen in zijn annotatie bij het bestreden arrest in JOR 2024/253 (nr. 7). Van Veen merkt aldaar onder meer op: “Aansprakelijk voor de uittreedvergoeding zijn de vennoten ten tijde van het ontstaan van die aanspraak en (het afgescheiden vermogen van) de maatschap, aldus het hof. Uit dit laatste maak ik op dat het heeft geworsteld met de materie. Het afgescheiden vermogen van de maatschap is geen rechtssubject en kan daarom niet als zodanig aansprakelijk zijn. Het hof had nota bene zelf geoordeeld dat de maatschap niet als afzonderlijke entiteit kan worden aangesproken. Wel kan een maatschap in de zin van de gezamenlijke maten in die hoedanigheid aangesproken worden voor schulden van de maatschap.” Zie overigens ook de formulering van W.C.L. van der Grinten in zijn toelichting op art. 7.13.1.15 lid 5 (waarover voetnoot 85 hiervoor), kenbaar uit Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek van Prof. Mr. E.M. Meijers, ingevolge opdracht van de minister van Justitie opgesteld onder leiding van mr. F.J. de Jong, toelichting, vierde gedeelte (boek 7), Den Haag: Staatsdrukkerij en uitgeverijbedrijf 1972, p. 1104: “Bij de stille vennootschap zijn de vennoten persoonlijk de uitkering verschuldigd. Voor deze schuld is het vennootschapsvermogen aansprakelijk (artikel 7).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook W.J.M. van Veen in zijn annotatie bij het bestreden arrest in JOR 2024/253 (nr. 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst onder meer naar HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2013/133 m.nt. J.M. Blanco Fernández, Ars Aequi 2013, p. 662 e.v. m.nt. S.M. Bartman, JBPr 2013/30 m.nt. H.W. Wiersma &amp; W.M.A Malcontent, JIN 2013/91 m.nt. G.C. Vergouwen en OR-Updates.nl 2013-0269 m.nt. H. Koster ([…] Holdings) en HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438 m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2019/173 m.nt. N.E.D. Faber, Ars Aequi 2019, p. 991 e.v. m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, Ondernemingsrecht 2019/151 m.nt. V.R. Feenstra, TvI 2019/29 m.nt. J.B. Huizink, JAR 2019/128 m.nt. E. Loesberg, JIN 2019/104 m.nt. E.S. Ebels en TvCu 2019, p. 84 e.v. m.nt. K.M. Sixma (UWV), rov. 3.4.4. en naar rov. 2.5. van het tussenarrest van 28 juni 2011 in de 65333-procedure: “aansprakelijkheid jegens derden” (zie randnummer 1.16 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bij voetnoot 109 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, p. 8, onderaan.</p></div>", "next": 0}