{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Zie bijv. EHRM 21 januari 1999, nr. 30544/96 (Garcia Ruiz/Spanje), rov. 29; EHRM 15 september 2009, nr. 798/05 (Miroļubovs c.s./Letland), rov. 103.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder meer wijst [eiseres] erop dat een lid van het CCV buiten aanwezigheid van [eiseres] is gehoord door het GCA. Op schending van het recht op hoor en wederhoor wordt ingegaan bij de bespreking van klachten gericht tegen rov. 3.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA, randnr. 45-46. Het verslag van de hoorzitting op 8 oktober 2020 is als productie 37 bij inleidende dagvaarding overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar MvG, randnr. 38, 39, 41 en 48.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie W.A. Zondag, ‘De kerk als werkgever. De spanningsvolle relatie tussen kerkelijk recht en het arbeidsrecht’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2019/1, p. 85.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.L. Waterman, Sdu Commentaar Arbeidsrecht Artikelsgewijs, art. 7:669 BW, aant. 6.7 (bijgewerkt tot 17 september 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 25 februari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:705, AR 2016/571.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie. HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1531, NJ 2020/323 m.nt. G. van Solinge, rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst in deze alinea naar MvG, randnr. 48-49. Op p. 20 van de procesinleiding, eerste alinea, worden ook randnr. 38 en 39 van de MvG genoemd bij de stelling dat de Arboarts mediation adviseerde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel noemt hier ‘GR Rechtspositie van Predikanten’. GR 5 is getiteld ‘Rechtspositie Predikanten’. Het subonderdeel verwijst naar MvG 82-84.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op p. 21, tweede alinea, wordt verwezen naar MvG, randnr. 48. Op p. 20, eerste en tweede alinea, wordt daarnaast ook verwezen naar MvG, randnr. 38, 39 en 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook procesinleiding p. 14, onder iii, waar wordt verwezen naar MvG, randnr. 26 en pleitnota in hoger beroep, randnr. 8 (zie p. 5 van de pleitnota).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Giesen 1 2024/320, voetnoot 5; P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10), Deventer: Kluwer 2008, par. 3.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals omschreven in het arrest Mantovanelli (EHRM 18 maart 1997, ECLI:NL:XX:1997:AD4449, NJ 1998/278, m.nt. H.J. Snijders (Mantovanelli t. Frankrijk). Zie daarover bijv. Asser Procesrecht/Giesen 1 2024/305.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Giesen 1 2024/335, onder verwijzing naar onder meer: EHRM 7 juni 2007, nr. 66941/01, ECLI:CE:ECHR:2007:0607JUD006694101 (Zagorodnikov t. Rusland), rov. 33-35; EHRM 6 november 2018, nr. 55391/13, ECLI:CE:ECHR:2018:1106JUD005539113 (Ramos Nunes de Carvalho e Sá t. Portugal), rov. 192; EHRM 13 oktober 2020, nr. 31885/10, ECLI:CE:ECHR:2020:1013JUD003188510 (Köksoy t. Turkije), zie rov. 36; Council of Europe, Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights, 2022, p. 76 en 98.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Giesen 1 2024/320, onder verwijzing naar: EHRM 6 november 2018, nr. 55391/13, ECLI:CE:ECHR:2018:1106JUD005539113 (Ramos Nunes de Carvalho e Sá t. Portugal), rov. 192. Vgl. ook al EHRM 7 juni 2007, nr. 66941/01, ECLI:CE:ECHR:2007:0607JUD006694101 (Zagorodnikov t. Rusland), rov. 33-35; V.C.A. Lindijer, De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006, p. 285.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover ook rov. 4.18 van het vonnis van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beroepschrift van 16 december 2020 is overgelegd met productie 38 bij inleidende dagvaarding en bevindt zich achter de uitspraak van het GCBG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076; HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662; HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1711, NJ 2022/88, m.nt H.J. Snijders, JIN 2020/177, m.nt N. de Boer, rov. 3.2.1. Zie ook G. van Rijssen, annotatie bij HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, JBPr 2018/30, par. 2; M.J.A.M. Ahsmann, De regierol van de rechter (BPP nr. 26) 2024/1616.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181, m.nt W.D.H. Asser, AA 2016/185, m.nt C.J.M. Klaassen, BR 2014/139, m.nt E.W.J. de Groot, JBPR 2015/18, m.nt Mr &amp; G. van Rijssen, JIN 2014/225, m.nt N. de Boer, rov. 3.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 9 maart 2004, 30508/96, NJ 2005/13 (Pikänen/Finland), rov. 58-65. Zie hierover: Asser Procesrecht/Asser 3 2023/77b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo geeft het hof aan het begin van rov. 3.18 samengevat de strekking van grief VII weer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar MvG, randnr. 65 en 66, alsmede naar productie 72 en pleitnota in hoger beroep, randnr. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleitnota hoger beroep, randnr. 15, 5e opsommingsteken.</p></div>", "next": 0}