{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ja, dat doen we. Indien zich bij een bepaalde gemachtigde een ernstig incident voordoet, een reeks van minder ernstige incidenten of een patroon dat vragen oproept, wijzigen we ons beleid ten aanzien van deze gemachtigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ons algemene beleid is dat we de machtiging in iedere zaak beoordelen. In de meeste gevallen is geen verdere actie nodig. Van één landelijk opererende gemachtigde is bekend dat hij erg slordig is in alles, van zijn processtukken tot zijn machtigingen, en deze worden extra kritisch bekeken. In voorkomende gevallen wordt een nieuwe machtiging opgevraagd (dit gebeurt zo vaak, dat het bijna standaard is, ook vanwege de fouten). Van een andere landelijk opererende gemachtigde is bekend dat hij tien dagen door de FIOD is vastgehouden vanwege verdenking van valsheid in geschrift, en wel het werken met valse of vervalste machtigingen. Deze gemachtigde levert in iedere nieuwe zaak een recente machtiging in. Dat doet hij zonder morren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor drie landelijk opererende gemachtigden (WOZ) hebben we helaas moeten besluiten om in iedere zaak een recente machtiging op te vragen. Dit is gebeurd naar aanleiding van concrete incidenten. De teamvoorzitter heeft aan iedere gemachtigde een persoonlijke brief gestuurd, met deze incidenten als onderbouwing voor het verzoek. Iedere gemachtigde heeft dus een eigen brief gekregen; ze zijn niet over één kam geschoren. De incidenten zijn in 2024 aan het licht gekomen. [vraag 2: aanleiding/incidenten?] Het gaat om een variatie aan incidenten, zoals: ▪ onbekendheid van de gemachtigde met het overlijden van belanghebbende; ▪ als verwerende partij optreden in hoger beroep na het opvragen van het zaaknummer bij de griffie (niet verstrekt) en de wederpartij (wel verstrekt); ▪ belanghebbenden die zich melden en vragen of er soms een zaak loopt naar aanleiding van 1) communicatie met de wederpartij; 2) een verzoek van de gemachtigde na de uitspraak om de vergoeding over te maken; 3) zie hiervoor, de belastingplichtige is verbaasd als hij bericht krijgt dat de wederpartij hoger beroep heeft ingesteld; ▪ twee gemachtigden die over dezelfde beschikking procederen; ▪ veel voorkomende fouten in de machtigingen; ▪ het werken met doorlopende machtigingen, die op een gegeven moment wel erg oud worden; ▪ het werken met ongedateerde machtigingen. [vraag 3: bepaalde groep gemachtigden / type zaken?] Vooral bij kantoren die op no cure, no pay-basis werken. [vraag 4: algemene brieven?] Ja, zie hiervoor. Drie verschillende brieven aan drie kantoren, met uitleg en het verzoek om voortaan een recente machtiging te overleggen. [vraag 5: indicatoren voor nader onderzoek?] Zie de hiervoor genoemde incidenten (onder ‘Aanleiding’). [vraag 6: welke methoden?] Meestal vragen we een recente machtiging op of een ander bewijs dat belanghebbende bekend is met de procedure. Aangezien niet duidelijk is of belanghebbende weet heeft van de procedure, benaderen we hem of haar in beginsel niet. Dat is anders als we een vermoeden hebben van fraude of misbruik. Dat is een paar keer gebeurd. Daarvan is aangifte gedaan bij het OM, nadat bleek dat de belanghebbende de machtiging inderdaad niet had afgegeven. [vraag 7: wat zijn de reacties?] Twee van de gemachtigden hebben een schriftelijke reactie gestuurd, die erop neerkwam dat ze geen recente machtigingen gingen overleggen. De toon van de brieven was niet bepaald vriendelijk. De andere gemachtigde leek eerst inschikkelijk, maar trekt in zijn processtukken en op zitting steviger van leer dan de andere twee. Deze gemachtigde heeft onlangs een brief gestuurd met allerlei insinuaties, bijvoorbeeld dat we hem verdenken van fraude (nee, doen we niet) en dat we in strijd handelen met de AVG. Hij wil inzage in de gegevens die we over hem verzamelen. Dat laatste doen we ook niet. Hij wil ook dat we ons houden aan een notitie die aan de gemeenten is gestuurd. Daarop heb ik geantwoord dat het hof geen gemeente is en zijn eigen beleid bepaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">[vraag 8: handelwijze bij geen reactie?] Dan wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. [vraag 9: rechtskundige vragen?] We willen graag weten welke voorwaarden aan een machtiging gesteld mogen worden. Zoals, mag je eisen dat er een datum van ondertekening of ingang op staat? Een gemachtigde levert standaard machtigingen in zonder datum. Mag je bijvoorbeeld eisen dat er een nauwkeuriger beschrijving van het bestreden besluit op staat? Tegenwoordig is het namelijk eenvoudig om met behulp van de openbare gegevens door te procederen. Begin maart vraagt het kantoor op basis van artikel 40 Wet WOZ de gegevens op bij de wederpartij en start zo een nieuwe ronde.</p>\n<p class=\"lf-p\">En we willen weten op basis van welke omstandigheden we een machtiging kunnen weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is interessant te vernemen hoe we de zaak moeten afwikkelen als er geen (correcte) machtiging is. Is het kantoor dan de belanghebbende, of de belastingplichtige?</p>\n<p class=\"lf-p\">Vormt het toch naar de belanghebbende sturen van verzoeken of stukken een datalek? [Andere relevante informatie?] Naar aanleiding van het vermoeden van fraude of misbruik belde een van de belanghebbenden later op met de vraag of het hof hem kon helpen. Die belanghebbende had wel de machtiging getekend, maar wilde na de misdragingen van de gemachtigde met de procedure stoppen. De gemachtigde heeft toen een gepeperde rekening gestuurd voor de misgelopen vergoedingen. De belanghebbende meldde dat in het contract staat dat de belanghebbende bij tussentijds stoppen de volledige proceskostenvergoeding verschuldigd is, alsof de procedure in hoogste instantie was gewonnen. Daar kwam ook nog een en ander bij. Ook had geen verrekening plaatsgevonden van de vergoeding die de gemachtigde al had ontvangen in bezwaar en beroep. Belastingplichtigen die een dergelijk contract tekenen, durven gewoon niet te stoppen. Met dit soort dreigementen kunnen kwaadwillenden maar verder procederen zonder zich iets aan te trekken van de belangen van de belastingplichtige. We vragen ons af of dit soort bedingen niet onredelijk bezwarend zijn. Als dit zo is en dit breder bekend wordt, durft een belastingplichtige het misschien wel aan te stoppen met de procedure.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7.10 De teamvoorzitter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft als volgt antwoord gegeven: “[vraag 1: kritischer onderzoek dan eerder?] Ja, er wordt kritischer naar de machtigingen gekeken. [vraag 2: aanleiding/incidenten?] Problemen met de machtiging doen zich nu vrijwel alleen voor bij één landelijk opererende (Woz-)gemachtigde. In deze gevallen zijn er (bijna) altijd ook problemen met de in eerste aanleg overgelegde machtiging. Omdat de rechtbanken die machtigingen kritischer bekijken, doen wij dat ook. Het komt voor dat de naam van degene die tekent niet overeenstemt met die van de belanghebbende (bijvoorbeeld de initialen kloppen niet), er is niet door een rechtsgeldig vertegenwoordiger getekend, er is in het geheel niet getekend, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof behandelt sinds enige tijd meer zaken waarin de machtigingen een rol spelen, omdat de rechtbanken er soms niet meer voor kiezen een 8:54 Awb-beslissing te nemen, maar tot een ‘reguliere’ niet-ontvankelijkverklaring over te gaan. Er komen daardoor meer van dit soort zaken bij ons hof terecht. Als de rechtbank dan al heeft beslist dat het aan de machtiging schort, leidt dit tot een (extra) kritische blik op de machtiging in hoger beroep omdat de machtiging dan voorwerp van geschil is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beleid van het hof Arnhem-Leeuwarden is dat we de machtiging per zaak beoordelen. In verreweg de meeste hogerberoepszaken volstaat de machtiging en is geen nader onderzoek nodig. In de zaken van de hiervoor bedoelde gemachtigde wordt vanwege de vele gebreken in de machtigingen kritischer naar de machtigingen gekeken en is vaak nadere actie vereist. [vraag 3: bepaalde groep gemachtigden / type zaken?] De kritischer houding naar machtigingen speelt vooral bij de hiervoor bedoelde (Woz)gemachtigde een rol. In andere zaken zijn er soms ook gebreken aan de machtiging, maar die zijn meestal snel opgelost. Zo is er een ncnp-kantoor met verschillende bedrijfsonderdelen, waarvan niet altijd duidelijk is namens welk bedrijfsonderdeel wordt geprocedeerd en daarmee of de machtiging klopt. In het verleden waren er veel problemen met machtigingen in BPM-zaken, maar dat is niet meer het geval. [vraag 4: algemene brieven?] Nee. Er wordt per zaak beoordeeld of er een machtiging is overgelegd die volstaat en als dat niet het geval is, wordt in die specifieke zaak om een (nieuwe) machtiging gevraagd. [vraag 5: indicatoren voor nader onderzoek?] Er is onder meer aanleiding om nader onderzoek te doen als de naam van de ondertekenaar ontbreekt of niet (volledig) overeenkomt met die van de belanghebbende, als de belanghebbende is overleden, als onduidelijk is of de machtiging (ook) op het hoger beroep ziet, als de machtiging slecht/niet leesbaar is of als uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de ondertekenaar bevoegd is de belanghebbende (niet-natuurlijke persoon) te vertegenwoordigen. We begrijpen dat sommige rechtbanken als vuistregel hanteren dat een doorlopende machtiging niet ouder mag zijn dan een jaar voor de indiening van het bezwaar. Dat doen wij niet, omdat dat in strijd lijkt met de vaste jurisprudentie dat alleen bij gerede twijfel een nieuwe machtiging mag worden geëist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de belanghebbende geen natuurlijke persoon is, wordt gevraagd bij de machtiging KvK-gegevens over te leggen waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt. Soms kan niet worden vastgesteld dat de overgelegde gegevens ten tijde van het verlenen van de machtiging nog of al golden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij controleren niet (steeds) of de handtekening overeenstemt met de gestelde ondertekenaar. Daarvoor zou een kopie van diens identiteitsbewijs moeten worden opgevraagd en dat is geen praktijk. Min of meer toevallig is onlangs geconstateerd dat in een aantal zaken van verschillende belanghebbenden de machtiging met een identieke handtekening is ondertekend. We overwegen nog welke aanpassing in ons werkproces dat gaat hebben. [vraag 6: welke methoden?] Er wordt dan een nieuwe/recente machtiging (of onderbouwende stukken) opgevraagd bij de (verondersteld) gemachtigde, waarbij erop wordt gewezen welk gebrek moet worden hersteld. Wij nemen geen contact op met de belanghebbende. [vraag 7: wat zijn de reacties?] De machtigingenproblematiek houdt bij ons hof vooral verband met de eerder genoemde WOZ-gemachtigde. Als in hoger beroep om een (nieuwe) machtiging wordt verzocht, volstaat hij veelal met een verwijzing naar het rechtbankdossier, ook als de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat een machtiging ontbreekt of niet volstaat. Wanneer daarna nogmaals om een andere machtiging wordt gevraagd, komt er naar schatting in de helft van de gevallen een reactie die meestal bestaat uit het opnieuw opsturen van de al in het dossier aanwezige machtiging die niet volstaat. In slechts enkele gevallen wordt alsnog een nieuwe machtiging opgestuurd. Daarvan is dan een enkeling in orde waardoor alsnog tot ontvankelijkheid in hoger beroep moet worden geconcludeerd. Daarbij worden geen machtigingen overgelegd die gebreken op dat punt in een eerdere fase helen. [vraag 8: handelwijze bij geen reactie?] Het hoger beroep wordt dan niet-ontvankelijk verklaard. [vraag 9: rechtskundige vragen?] Moet bij de ondertekening de datum van ondertekening worden vermeld?</p>\n<p class=\"lf-p\">Is het noodzakelijk dat in de machtiging wordt vermeld op welke aanslag/beschikking de machtiging betrekking heeft of is een algemene of doorlopende machtiging mogelijk? Verliest een dergelijke algemene of doorlopende machtiging niettemin na verloop van tijd zijn gelding?</p>\n<p class=\"lf-p\">Een rechterlijke instantie mag om een nieuwe machtiging vragen als in redelijkheid twijfel bestaat of een overgelegde machtiging ten tijde van de instelling van een rechtsmiddel nog gelding had (vaste jurisprudentie o.a. Hoge Raad 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840). Sommige rechtbanken hanteren als vuistregel dat een doorlopende machtiging niet ouder mag zijn dan een jaar voor de indiening van het bezwaar. Kan redelijke twijfel worden ontleend aan de volgende omstandigheden, al dan niet in combinatie: ▪ de machtiging is (zeer) lang geleden en/of (ver) voor de datum van de bestreden beschikking verleend; ▪ de machtiging heeft geen einddatum; ▪ het gaat om een algemene machtiging, die niet is toegespitst op een bepaalde beschikking of soort van beschikking; ▪ de gemachtigde treedt op ncnp-basis op (omdat onaannemelijk is dat een rechtstreeks door de belanghebbende betaalde gemachtigde zal optreden zonder diens uitdrukkelijke instemming); ▪ de gemachtigde is niet onderworpen aan een vorm van tuchtrecht?</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, wegens het ontbreken van een (voldoende) machtiging, wie is dan partij in de procedure: de gestelde vertegenwoordigde of de gestelde vertegenwoordiger? Wie is bevoegd beroep in te stellen? Hetzelfde kan zich voordoen in latere fasen van de procedure. [Andere relevante informatie?] In incidentele gevallen komt het voor dat de belanghebbende niet op de hoogte is van het feit dat namens hem/haar een procedure wordt gevoerd. Wij doen hiernaar niet actief onderzoek. Op zichzelf betekent dat namelijk nog niet dat de machtiging niet (meer) geldig is. Het schijnt zo te zijn dat bij bepaalde ncnp-bureaus via de website heel makkelijk machtiging kan worden gegeven tot het maken van bezwaar, soms zelfs zo makkelijk dat het onbewust gebeurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook is het wel eens voorgekomen dat de gemachtigde niet op de hoogte bleek te zijn van het overlijden van de belanghebbende. In dat geval is de gelegenheid gegeven een machtiging namens de erfgenamen over te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms wordt verwezen naar een machtiging die in de procedure in eerste aanleg is overgelegd. Controle van de machtiging kan dan pas plaatsvinden nadat het dossier van de rechtbank is ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de machtiging zijn soms bepalingen opgenomen die de intrekking daarvan belemmeren, zoals het in rekening brengen van bepaalde bedragen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 7.11 De teamvoorzitter van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft als volgt antwoord gegeven: “[vraag 1: kritischer onderzoek dan eerder?] Ja, er wordt sinds najaar 2023 kritischer naar de machtigingen gekeken die worden overgelegd door een aantal gemachtigden die werken op basis van no cure no pay (hierna: ncnp-gemachtigden). [vraag 2: aanleiding/incidenten?] [vraag 3: bepaalde groep gemachtigden / type zaken?] Problemen met de machtiging lijken zich alleen voor te doen bij ncnp-gemachtigden. Redenen om daar kritischer naar te kijken zijn gelegen in incidenten die zich hebben voorgedaan: ▪ een belanghebbende die belt met de administratie over dat zij niet wenst dat namens haar wordt doorgeprocedeerd in hoger beroep, ▪ een gemachtigde die procedeert namens een overleden persoon, ▪ een zaak waarin wordt doorgeprocedeerd terwijl belanghebbende al te kennen heeft gegeven de zaak in te trekken, ▪ een aantal zaken van verschillende belanghebbenden waarin eenzelfde machtiging wordt overgelegd met telkens dezelfde handtekening (ECLI:NL:GHSHE:2025:655, 657 en 659), diezelfde machtiging is ook in andere dossiers opgedoken, ▪ machtiging overgelegd van een ander dan belanghebbende (ECLI:NL:GHSHE:2024:3484), ▪ een zaak waarin door wordt geprocedeerd terwijl aan de klant per brief (die ook in het dossier zit) wordt gemeld dat gemachtigde zich neerlegt bij de 8:54-uitspraak van het hof, vervolgens wordt (toch) verzet ingesteld, naar aanleiding daarvan wordt een recente machtiging opgevraagd, waarna de zaak wordt ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat ons inziens geen sprake meer was van incidenten vraagt het hof bij een aantal ncnp-gemachtigden inmiddels standaard een recente machtiging op. Daarbij heeft het hof ook belang gehecht aan zaken die door andere gerechten zijn behandeld (zie de in ECLI:NL:GHSHE:2025:742 genoemde verwijzingen, maar ook ECLI:NL:GHAMS:2024:1648, ECLI:NL:GHAMS:2024:2670, ECLI:NL:GHDHA:2024:1915, ECLI:NL:GHDHA:2024:1916, ECLI:NL:GHDHA:2024:1917 en ECLI:NL:HR:2024:1441). [vraag 4: algemene brieven?] Ja, voor een aantal ncnp-gemachtigden is een algemene brief opgesteld. Geanonimiseerde voorbeelden zijn bijgevoegd. Bij andere ncnp-gemachtigden wordt met zaakspecifieke brieven gewerkt. [vraag 5: indicatoren voor nader onderzoek?] Wij vragen nieuwe machtigingen op als de naam van de ondertekenaar niet (volledig) overeenkomt met die van de belanghebbende, als de belanghebbende is overleden, als onduidelijk is of de machtiging (ook) op het hoger beroep ziet, als uit de overgelegde stukken niet volgt dat de ondertekenaar bevoegd is de belanghebbende (niet-natuurlijke persoon) te vertegenwoordigen, maar ook als er geen geschil meer is over de waarde maar alleen nog over de proceskostenvergoeding, vergoeding griffierecht, wegingsfactor, VIS of als de machtiging bijzonder ruim is geformuleerd (bijvoorbeeld zonder verwijzing naar een bepaald belastingjaar). Bij de genoemde ncnp-gemachtigden vraagt het hof vanwege eerdere incidenten (zie hiervoor) inmiddels standaard een recente machtiging op. [vraag 6: welke methoden?] Wij zijn tot op heden nog niet overgegaan tot het oproepen van belanghebbende zelf en hebben er tot nu toe voor gekozen om een recente machtiging op te vragen. Dat verzoek richten wij aan de gesteld gemachtigde onder verwijzing naar de mogelijke gevolgen van het niet overleggen. [vraag 7: wat zijn de reacties?] Als in hoger beroep om een recente machtiging wordt verzocht, volstaan sommige ncnp-gemachtigden met een verwijzing naar het dossier of met de opmerking dat de machtiging een doorlopende machtiging betreft. Anderen weigeren principieel, al lijkt daar bij sommigen de laatste tijd sprake te zijn van enig ‘leereffect’. In slechts enkele gevallen wordt alsnog tijdig een nieuwe machtiging overgelegd. In een substantieel aantal gevallen volgt zeer kort voor zitting een intrekking. Daarover is recent contact opgenomen met de desbetreffende ncnp-gemachtigde aangezien sprake leek van een patroon van late intrekkingen dat tot gevolg heeft dat schaarse zittingscapaciteit verloren gaat en tot hoge maatschappelijke kosten leidt. Gelet op de mate waarin geen afdoende antwoord wordt ontvangen, zijn wij voorlopig niet voornemens te stoppen met het (standaard) opvragen van recente machtigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">[vraag 8: handelwijze bij geen reactie?] Het hoger beroep wordt dan niet-ontvankelijk verklaard. [vraag 9: rechtskundige vragen?] a. Tot wanneer kan een nieuwe machtiging worden overgelegd: binnen de door het hof gegeven termijn of ook daarna (zie Hoge Raad 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2 en vergelijk Hoge Raad 28 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1558)? b. Als een machtiging wordt gevraagd, is dan een verklaring van belanghebbende of correspondentie tussen belanghebbende en gesteld gemachtigde van na het opvragen van een recente machtiging ook afdoende? c. Moet een machtiging voldoende concreet zijn met bijvoorbeeld vermelding van het belastingjaar of de periode waarop de machtiging ziet? d. Welke omstandigheden zijn bepalend om als gerecht een recente machtiging op te (mogen) vragen? Denk hierbij bijvoorbeeld ook aan de vraag of twijfels mogen worden ontleend aan gevallen die zich bij andere gerechten hebben voorgedaan. Of moeten de twijfels uit het voorliggende dossier rijzen? e. Is er een rangorde te bepalen in de hiervoor bedoelde omstandigheden? [Andere relevante informatie?] De relatie tussen een belanghebbende en een ncnp-gemachtigde lijkt niet te vergelijken te zijn met een ‘normale’ klant-adviseur relatie. In de eerste relatie is kostenminimalisatie door stroomlijning van de dienstverlening een wezenlijk onderdeel. Voor een ncnp-gemachtigde staat een gewonnen zaak tegenover een x-aantal verloren zaken. De proceskostenvergoeding in het bestuursrecht dient echter een tegemoetkoming in de kosten te zijn van die gewonnen zaak (zie ook de aantekening van de redactie van Vakstudienieuws onder het kopje ‘vergaande overdekking’, V-N 2025/20.14). Om dan tot een winstgevend berdrijfsmodel te komen zijn schaal en kostenminimalisatie wezenlijk. Daar hoort niet per se een intensief contact met de klant bij gedurende de procedure. Daarbij is het overigens ook de vraag of die klant zit te wachten op een intensief contact: een ncnp-procedure is voor hem/haar immers een loterij zonder nieten; elke waardevermindering is meegenomen. Des te belangrijker is dat het dossier een recente machtiging bevat: het is en blijft immers de procedure van belanghebbende en die belanghebbende dient op de hoogte te zijn van en actief in te stemmen met uit zijn/haar naam gezette (proces)stappen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.12 Een van de bedoelde (geanonimiseerde) algemene brieven luidt (voor zover hier relevant): “Onderstaand treft u meer in detail de aanleiding(en) en redenen aan waarom het hof aan u een nieuwe machtiging en indien van toepassing een recent Kvk—uittreksel (hierna gezamenlijk: de nieuwe machtiging), beide niet ouder dan de in het verzoek van het hof genoemde termijn, heeft gevraagd:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De door u in bovengenoemde zaaknummers overgelegde machtigingen vermelden niet voor welke beschikking en/of aanslag u en/of [GN(…) gemachtigd is. Dit leidt/ kan leiden tot problemen, bijvoorbeeld in geval van een intrekking van het hoger beroep dan wel (het sluiten van) compromissen voor, tijdens of na zitting. Hierdoor twijfelt het hof aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van u en/of (…) ten tijde van het instellen van het hoger beroep.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>In een eerder hoger beroep (…) heeft het hof u vragen gesteld betreffende de in dat dossier overgelegde machtiging. Daarna heeft het hof u – mede gelet op hetgeen u in dat dossier heeft overgelegd – betreffende zaaknummer (…) gemeld, dat het hof heeft geconstateerd dat u noch (…) ten tijde van het indienen op 5 juni 2023 van het hogerberoepschrift gemachtigd was namens hoger beroep in te stellen. U heeft dit hoger beroep uiteindelijk ingetrokken. Door hetgeen het hof in dit dossier met zaaknummer heeft geconstateerd, en waarover vragen zijn gesteld, twijfelt het hof aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van u en/of (…) ten tijde van het instellen van onderhavige hoger beroepen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Zoals eerder aan u gemeld — zie de brief van het hof van juli 2023 die u aangetekend is toegestuurd — staat (…) niet meer ingeschreven in het Handelsregister van de Kvk en wenst het hof mede daarom van u een recente machtiging te ontvangen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ik wijs u op de volgende jurisprudentie op basis waarvan het hof (mede) heeft besloten van u en (…) een recente machtiging te verlangen: o De uitspraak van 6 maart 2025 van hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2025:413); o De uitspraak van 13 maart 2025 van hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2025:534).”</div>\n<p class=\"lf-p\">De andere bijgevoegde (geanonimiseerde) algemene brief luidt als volgt: “Redenen opvragen recente machtiging (en Kvk—stukken) In uw brieven waarin u het hof meldt geen nieuwe machtiging te zullen overleggen, merkt u op dat het hof niet concreet maakt waarom ineens een nieuwe machtiging wordt gevraagd en dat het voor u onduidelijk is op grond waarvan de oude machtiging niet voldoende is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderstaand treft u meer in detail de aanleiding(en) en redenen aan waarom het hof aan een nieuwe machtiging en indien van toepassing een recent Kvk—uittreksel (hierna gezamenlijk: de nieuwe machtiging), beide niet ouder dan de in het verzoek van het hof genoemde termijn, vraagt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>In de hoger beroepen waarin het hof aan (…) de nieuwe machtiging heeft gevraagd, volgt uit het hogerberoepschrift dat er sprake is van een geschil waarin de WOZ-waarde niet meer wordt bestreden en belanghebbende geen enkel belang meer heeft om met betrekking tot het inhoudelijk geschil (de WOZ-waarde) door te procederen. Het hof twijfelt aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van (…) ten tijde van het instellen van het hoger beroep, omdat enerzijds de vraag rijst of het doel waarvoor de oude machtiging is verleend (verlaging van de WOZ-waarde) nog wordt gediend gelet op het geschil in hoger beroep en anderzijds niet valt uit te sluiten dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid door herroeping van de machtiging door belanghebbende is geëindigd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Zoals eerder aan (…) gemeld, vermeldt de door (…) in bovengenoemde zaaknummers overgelegde machtiging niet voor welke beschikking en/of aanslag (…) gemachtigd is. Dit leidt/kan leiden tot problemen, bijvoorbeeld in geval van een intrekking van het hoger beroep dan wel (het sluiten van) compromissen voor, tijdens of na zitting. Ook hierdoor twijfelt het hof aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van (…) ten tijde van het instellen van het hoger beroep.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Jurisprudentie: o De uitspraak van 18 juni 2024 van hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2024:1648), waarin het hof heeft geoordeeld dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van (…) als gemachtigde ten tijde van het instellen van het hoger beroep niet meer bestond; o De uitspraak van 24 september 2024 van hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2024:2670), waarin het hof als uitgangspunt heeft genomen dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van (…) ten tijde van het instellen van het hoger beroep niet (langer) bestond hetgeen het gerechtshof Amsterdam ertoe heeft gebracht het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. o De uitspraken van 26 september 2024 van hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2024: 1915, ECLI:NL:GHDHA:2024: 1916 en ECLI:NL:GHDHA:2024: 1917), waaruit volgt (eerstgenoemde uitspraak) dat (…) – ondanks het ontbreken en niet overleggen van een recente machtiging – zich ten onrechte als gemachtigde heeft gesteld in hoger beroep, waarop het hof heeft geoordeeld dat (…) geen gemachtigde is en (laatstgenoemde twee uitspraken) dat het gerechtshof (…) heeft verzocht een op naam van (…) gestelde machtiging in te dienen (niet ouder dan 3 maanden) en – omdat (… niet aan dit verzoek heeft voldaan – (…) niet als gemachtigde heeft aangemerkt in deze hoger beroepen. o Het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:144l) waarin de Hoge Raad het cassatieberoep dat door (…) was ingesteld, niet-ontvankelijk verklaart vanwege het niet overleggen van een recente machtiging of verklaring van instemming.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>U heeft in veel van uw reacties gemeld dat belanghebbende op de hoogte is (gebracht) van het ingestelde hoger beroep. Uit niets volgt echter dat dit daadwerkelijk is gebeurd; u heeft uw stelling niet onderbouwd met stukken. Hierdoor valt naar het oordeel van het hof – mede gelet op het voorgaande – niet uit te sluiten dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid door herroeping van de machtiging door belanghebbende is geëindigd. Graag ontvangt het gerechtshof in bovengenoemde zaaknummers alsnog de onderliggende (bewijs)stukken waaruit volgt dat belanghebbende op de hoogte is (gebracht) van het ingestelde hoger beroep.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Informatie vanuit rechtbanken 7.13 De teamvoorzitter van rechtbank Noord-Holland heeft als volgt antwoord gegeven: “Het zwaartepunt van de reactie ziet (…) op de dagelijkse praktijk van het belastingteam van de rechtbank Noord-Holland. De vier overige ‘Rijkbelasting’rechtbanken (Den Haag, Noord-Nederland, Gelderland en Zeeland-West-Brabant) en de rechtbanken Amsterdam en Rotterdam hebben gereageerd op het verzoek om eventueel aanvullende informatie te verstrekken. Deze aanvullende informatie is verwerkt in deze reactie. Uit de verstrekte informatie volgt dat de dagelijkse praktijk in de verschillende rechtbanken in grote lijnen vergelijkbaar en herkenbaar is. Op onderdelen verschilt het van elkaar. Al met al geeft deze reactie een globaal inzicht in wat er zoal speelt in de dagelijkse praktijk van de rechtbanken met betrekking tot de machtiging-problematiek, zonder dat het pretendeert volledig te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Over het algemeen worden machtigingen met de normale kritische blik onderzocht. Dat wil zeggen: volgt uit de machtiging dat de gestelde gemachtigde gemachtigd is om in deze specifieke procedure namens de belastingplichtige/eiser(es) op te treden? In met name de WOZ en BPM zaakstroom zien we problematiek met betrekking tot overgelegde machtigingen. En dan met name als de (gestelde) gemachtigde een no-cure-no-pay (NCNP) kantoor/gemachtigde betreft. Aanleidingen om recente machtigingen op te vragen kunnen bijvoorbeeld zijn dat een (doorlopende) machtiging is afgegeven voordat de aanslag is opgelegd en/of de ouderdom van deze (doorlopende) machtiging. Grof gezegd wordt vanaf ongeveer anderhalf jaar na verstrekken van de machtiging een recente machtiging opgevraagd. Daarnaast hangt het af van de omstandigheden van het geval of er daadwerkelijk een nieuwe machtiging wordt opgevraagd. Er is geen strakke lijn in te herkennen. Rechtbanken lijken hier verschillend mee om te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">WOZ Naar aanleiding van een aantal incidenten met verschillende NCNP gemachtigden worden bij die gemachtigden de overgelegde machtigingen extra kritisch bekeken en worden eventueel recente machtigingen opgevraagd. Een aantal gemachtigden weigert steevast recente machtigingen over te leggen. Soms wordt daarvoor geen reden opgegeven, soms wordt gesteld dat er een algemene (doorlopende) machtiging is en dat het een vaste klant betreft waarvoor jaarlijks wordt geprocedeerd. Ook wordt verwezen naar andere dossiers van dezelfde belastingplichtige. Dit speelt dus met name in die gevallen waar de overgelegde machtiging niet voor een bepaald belastingjaar is verstrekt. Omdat de WOZ-beschikking jaarlijks rond dezelfde datum wordt afgegeven is het voor gemachtigden duidelijk in welke periode bezwaar moet worden gemaakt. Er zijn gevallen waarbij bezwaar wordt gemaakt zonder dat bij het bezwaarschrift de WOZ-beschikking wordt overgelegd en zonder dat in het bezwaarschrift de voor dat jaar vastgestelde waarde wordt genoemd. Ook blijkt regelmatig uit het dossier niet dat er in de procedure tot nu toe contact is geweest tussen de gemachtigde en de belanghebbende. Ook deze omstandigheden worden meestal meegenomen in de beoordeling of getwijfeld moet worden aan de geldigheid van de machtiging en of er dus een recente machtiging wordt opgevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een landelijk opererende NCNP-gemachtigde is bij een rechtbank geconstateerd dat er in 15% van de zaken geen toereikende machtiging is overgelegd nadat deze gemachtigde de gelegenheid is geboden om een nieuwe machtiging over te leggen. De rechtbank Noord-Holland herkent dat beeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het ontbreken van een deugdelijke machtiging wordt, nadat er een herstelmogelijkheid is geboden, het beroep over het algemeen niet-ontvankelijk verklaard. Een ruwe inschatting is dat dit een zo’n 400 keer per jaar voorkomt. Sommige rechtbanken doen deze zaken via de 8:54 procedure af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naheffingsaanslag parkeerbelasting Bij parkeerbelastingen wordt bij in ieder geval één rechtbank regelmatig genoegen genomen met behoorlijk algemene machtigingen, zoals alle “naheffingsaanslagen”, soms zelfs “boetes”, al dan niet met of zonder vorderingsnummer en dat dan weer door gemachtigd. Het ‘doormachtigen’ roept ook vragen op. Vooral als dat bij een ‘algemene’ machtiging gebeurt in algemene bewoordingen. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBROT:2024:3597 BPM Bij één gemachtigde die verantwoordelijk is voor veel BPM zaken zijn onregelmatigheden aangetroffen in de machtigingen. Dezelfde handtekening kwam bijvoorbeeld voor op machtigingen van verschillende eisers. In een aantal van die gevallen is aangifte gedaan bij de Fiod. In lopende zaken worden machtigingen extra kritisch onderzocht. Dat gaat om ongeveer 1.500-2.000 zaken op jaarbasis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er nieuwe machtigingen worden opgevraagd, dan wordt er verschillend op gereageerd:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>zaken worden ingetrokken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>er worden nieuwe machtigingen overgelegd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>er worden geen nieuwe machtigingen overgelegd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het standpunt wordt ingenomen dat het vragen naar een machtiging in strijd is met het EU-recht. Zie hierna.</div>\n<p class=\"lf-p\">Afgelopen jaar was dit naar schatting in ongeveer honderd zaken voorgekomen (rechtbank Noord-Holland). Bij een ondeugdelijke machtiging wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Dat is naar schatting in ongeveer 60 gevallen gebeurd in het afgelopen jaar (rechtbank Noord-Holland).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende informatie Op incidentele basis komt het voor dat belastingplichtigen actief contact opnemen met rechtbanken om expliciet te melden dat een bepaalde gemachtigde uitdrukkelijk niet langer gemachtigd is. Soms wordt ook een beroep ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een rechtbank maakt melding dat een belanghebbende zelf een beroep wilde intrekken maar hier toch op terugkwam na overleg met de gemachtigde gelet op de gemaakte afspraken. Onderdeel daarvan is dat belanghebbende zelf niet mag beslissen om in te trekken, tenzij hij een bedrag aan de gemachtigde betaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtskundige vragen De volgende standpunten worden door een gemachtigde ingenomen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Artikel 3:69, eerste lid, van het BW kan het ontbreken van een machtiging in de bezwaarfase repareren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Er is een ongeoorloofd onderscheid tussen een advocaat en professioneel gemachtigde. Van een advocaat wordt geen machtiging gevraagd, anders dan dat de advocaat stelt dat hij is gemachtigd. Van een niet advocaat wordt een schriftelijke machtiging verlangd. Dat is in strijd met het Europees Recht.</div>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de arresten ECLI:NL:HR:2013:840 en ECLI:NL:HR:2014:346 leeft de vraag wanneer in redelijkheid aanleiding bestaat om te twijfelen aan de bevoegdheid die te ontlenen is aan de overgelegde machtiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooral in die gevallen waarin sprake is van een algemene en doorlopende volmacht, die dateert van (ver) voor de aanslag/beschikking, speelt de vraag onder welke omstandigheden de rechter om een nieuwe/recente volmacht kan verzoeken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan bijvoorbeeld door het (enkele) verloop van een zekere tijd gerechtvaardigde twijfel ontstaan over de geldigheid van een (algemene en doorlopende) machtiging? Zo ja, welk tijdsverloop zou dat dan zijn?</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan bijvoorbeeld de omstandigheid dat zich onregelmatigheden met betrekking tot machtigingen hebben voorgedaan in de dossiers van andere klanten van een bepaalde gemachtigde (en die de rechter ambtshalve bekend zijn) een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van dezelfde gemachtigde in andere zaken (eerder) moet worden getwijfeld (zie ook hiervoor bij het kopje BPM)?</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan bijvoorbeeld de omstandigheid dat uit het dossier geen enkele betrokkenheid blijkt van de belanghebbende bij de procedure een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of aan de geldigheid van een machtiging moet worden getwijfeld?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het komt voor dat een belanghebbende niet langer zelf mag beslissen om een zaak in te trekken, tenzij hij een bedrag aan de gemachtigde betaalt. Levert dit een oneerlijke handelspraktijk op als bedoel in boek 6, titel 3A BW?”</p>\n<p class=\"lf-p\">8Beschouwing Inleiding 8.1 Ik richt me in mijn beschouwing op het gevalstype waarin (i) de gemachtigde een prima facie dekkende machtiging heeft overgelegd aan de bestuursrechter, en (ii) de bestuursrechter niettemin van de gemachtigde een nieuwe machtiging verlangt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2 Ik start hierna met enige inleidende onderwerpen, te weten (a) wat het belang is bij vaststelling of een gemachtigde werkelijk vertegenwoordigingsbevoegd is, (b) wat ik uit de feitenrechtspraak en inlichtingen van feitenrechters afleid over de machtiging-problematiek in de rechtspraktijk, en (c) de behoefte aan duidelijkheid. Daarna volgt het normatieve deel. Eerst motiveer ik waarom ik HR BNB 2013/244 niet als startpunt neem voor mijn analyse. Ik start namelijk bij het begin, namelijk dat een machtiging dient als middel tot bewijs van volmacht. Vanuit die functie van een machtiging doordenk ik de machtiging-problematiek verder in kleine stappen, met hier en daar een terzijde. Bij de uiteenzetting heb ik in het achterhoofd gehouden de (deels overlappende) (rechts)vragen die de feitenrechters hebben opgeworpen bij het verschaffen van hun inlichtingen. Ik verwijs overigens doorgaans niet expliciet naar die vragen. Overigens komen niet alle vragen aan bod, in verband met de omvang van de beschouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belang van vaststelling vertegenwoordigingsbevoegdheid 8.3 Het belang van vaststelling of een gemachtigde werkelijk vertegenwoordigingsbevoegd is, is denk ik vanzelfsprekend, maar ik wil er toch bij stil staan, mede in het kader van de gedachtevorming verderop.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4 Cramwinckel merkt in haar noot bij het in 5.23 behandelde arrest HR BNB 2022/148 op: “De problematiek die in deze zaak centraal staat – het al dan niet moeten overleggen van een recente machtiging aan de rechter – kan op verschillende manieren worden benaderd: enerzijds als ‘formeel geneuzel’, anderzijds als een kwestie met een essentieel juridisch belang.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik meen dat dit een aardige typering is voor het opvragen van een machtiging in het algemeen. Doorgaans zal zowel het opvragen van een machtiging door de rechter als vervolgens het verstrekken ervan door de gemachtigde in de kern niet meer zijn dan een formaliteit in de zin dat het een handeling is die in wezen voor de vorm wordt gedaan omdat de gemachtigde ook werkelijk vertegenwoordigingsbevoegd is. De directe toegevoegde waarde van die handelingen is dan zowel in juridisch als in maatschappelijk opzicht zeer beperkt. Sterker nog, omdat zij geen directe toegevoegde waarde hebben is het op zichzelf bezien in maatschappelijk opzicht inefficiënt dat middelen voor die handelingen worden ingezet. ‘Formeel geneuzel’, dat gedoe met machtigingen, zou men in dat (beperkte) opzicht kunnen zeggen. Het belang van het opvragen van een machtiging is gelegen in de gevallen waarin dat opvragen ertoe leidt dat een gemachtigde die niet werkelijk vertegenwoordigingsbevoegd is (de pseudo-gemachtigde), wordt verhinderd verder te procederen. Het probleem is evenwel dat de rechter niet weet óf een gemachtigde werkelijk vertegenwoordigingsbevoegd is. Om dat te controleren dient het opvragen van een machtiging. Hoewel dus het opvragen van een machtiging doorgaans slechts een formaliteit is, dient het steeds een belang, zij het doorgaans indirect, namelijk niet een belang in de desbetreffende zaak zelf maar in de zaken waarin een pseudo-gemachtigde optreedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5 Het juridisch belang dat een pseudo-gemachtigde wordt verhinderd verder te procederen, hoeft geen uitgebreid betoog. Bezien vanuit het systeem van de wet is het belang evident, nu de bevoegdheid om te procederen tegen een beschikking alleen is toegekend aan een belanghebbende (art. 8:1 Awb). Voor zaken waarop hoofdstuk V AWR van (overeenkomstige) toepassing is, geldt daarbij bovendien dat het belanghebbende-begrip nader is afgebakend (art. 26a AWR). Handhaving van de norm betreffende de beroepsgerechtigheid is zelfs een kwestie van – kort gezegd – openbare orde, met andere woorden: op de rechter rust de taak om ambtshalve te beoordelen of degene die beroep instelt daartoe gerechtigd is. Verder is evident dat de belanghebbende waarvoor de pseudo-gemachtigde stelt op te treden, er belang bij heeft dat hij niet te maken krijgt met de gevolgen van het handelen van de pseudo-gemachtigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6 Mijn ambtgenoot Koopman heeft onlangs ook het privacy-aspect benoemd. Dat doet hij weliswaar specifiek in het kader van een valse machtiging, maar dat aspect kan meer in het algemeen spelen indien een persoon zonder daartoe bevoegd te zijn op naam van de belanghebbende procedeert: “7.7 Juist omdat het recht op toegang tot de rechter zo’n belangrijk grondrecht voor de belastingplichtige is, moet naar mijn mening zwaar getild worden aan misbruik van dit recht van de belastingplichtige door derden die onder een valse machtiging in zijn naam procederen. Ook het privacyaspect van dit misbruik mag niet onbenoemd blijven. Wanneer de op de zaak van de belastingplichtige betrekking hebbende stukken en de daarin opgenomen persoonsgegevens worden gedeeld met degene die zich bedient van een valse machtiging, vormt dit een datalek dat zeer wel een risico kan opleveren voor de rechten en vrijheden van de betrokkene, en dat daarom gemeld moet worden aan de Autoriteit Persoonsgegevens.36 36 Art. 33(1) Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Als er waarschijnlijk een hoog risico is voor de rechten en vrijheden van de belastingplichtige moet het datalek ook onverwijld worden meegedeeld aan de belastingplichtige zelf, zie art. 34(1) AVG.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7 Aan de andere kant van dezelfde medaille staat de geheimhoudingsplicht van (onder meer) de inspecteur (art. 67 AWR). Het weren van een pseudo-gemachtigde voorkomt dat de inspecteur informatie van de belanghebbende bekendmaakt – bijvoorbeeld via inbreng van op de zaak betrekking hebbende stukken – aan de pseudo-gemachtigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8 Naast deze meer particuliere aspecten van het belang dat is gediend met (ambtshalve) handhaving van de norm betreffende de beroepsgerechtigheid, is dat belang niet in het minst ook gelegen in het algemeen belang. Gelet op de schaarse middelen waarover de rechtspraak beschikt, is immers het algemeen belang ermee gediend dat deze middelen niet worden ingezet voor belastingzaken die aanhangig worden gemaakt door een persoon die geen belanghebbende is. Dit belang heeft bovendien niet alleen een economische kant (efficiënte inzet van publieke middelen) maar ook een kant in de rechtsbescherming. Handhaving van de norm dient namelijk op indirecte wijze de rechtsbescherming van anderen die een procedure hebben lopen, omdat behandeling van zaken van een niet-belanghebbende ten koste gaat van de capaciteit van de rechtspraak die had kunnen worden benut voor een (eerdere) behandeling van zaken van degenen die wel belanghebbende zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens geldt hetzelfde mutatis mutandis voor de schaarse middelen waarover de wederpartij, het bestuursorgaan, beschikt: het algemeen belang is ermee gediend dat ook die middelen niet worden besteed aan belastingzaken waarin een niet-belanghebbende de procederende partij is. In dat opzicht heeft de rechterlijke macht dus ook een verantwoordelijkheid jegens het bestuursorgaan waar het gaat om handhaving van de norm betreffende de beroepsgerechtigheid. Tot slot, specifiek voor handhaving van die norm in het geval een ncnp-gemachtigde optreedt zonder werkelijk vertegenwoordigingsbevoegd te zijn, speelt nog het algemeen belang dat geen gemeenschapsgeld (in de vorm van proceskostenvergoedingen, immateriëleschadevergoeding, dwangsommen, etc.) wordt verspild.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.9 Kortom, het belang dat een pseudo-gemachtigde wordt verhinderd verder te procederen kent verschillende aspecten, zowel particuliere als algemene. Ik gebruik hierna ook wel de term ‘het maatschappelijk belang’ als overkoepelende term voor dat belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtspraktijk: er is een probleem 8.10 Uit de in onderdeel 6 aangehaalde feitenrechtspraak en de in onderdeel 7 weergegeven inlichtingen van feitenrechters volgt dat niet steeds op een overgelegde machtiging kan worden vertrouwd. De genoemde incidenten spreken voor zichzelf. Zij variëren in ernst van frauduleus handelen tot lichtzinnig of onzorgvuldig handelen. Het gaat immers om uiteenlopende gevallen zoals (i) het gebruik van een valse machtiging, (ii) het overleggen van eenzelfde machtiging in zaken van verschillende belanghebbenden, (iii) het gebruik van een machtiging die is verleend voor een bepaald jaar, in een procedure voor een volgend jaar, (iv) het overleggen van een machtiging uitgaande van een wel erg ruime interpretatie van de tekst ervan, (v) het overleggen van een machtiging van een ander dan de belanghebbende, (vi) het overleggen van een niet-ondertekende machtiging, (vii) het overleggen van een machtiging hoewel de volmacht inmiddels is beëindigd (bijvoorbeeld door overlijden of door opzegging), etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.11 Daarbij komen nog gevallen waarin de rechter een verzoek om een (nieuwe) machtiging heeft gedaan en daarna een intrekking volgt of niet aan het verzoek wordt tegemoetgekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.12 Ik plaats daarbij de kanttekening dat strikt genomen niet geconcludeerd kan worden dat in al die in 8.10 en 8.11 genoemde gevallen werkelijk zonder volmacht is gehandeld, i.e. dat op naam van de belanghebbende is gehandeld zonder volmacht daartoe. Immers, ontbreken van bewijs van volmacht is nog geen bewijs van het ontbreken van volmacht. Bij een valse machtiging zal doorgaans wel gehandeld zijn zonder volmacht, al hangt dat ook ervan af wat allemaal onder een valse machtiging wordt geschaard. Bij daarentegen bijvoorbeeld een intrekking kan het in theorie goed zijn, dat de gemachtigde wel degelijk vertegenwoordigingsbevoegd was maar er niettemin om bijvoorbeeld inhoudelijke redenen wordt ingetrokken. Het kan echter ook zo zijn dat wordt ingetrokken omdat er in werkelijkheid geen volmacht was. Bij het niet-voldoen aan een verzoek om een (nieuwe) machtiging geldt mutatis mutandis hetzelfde: daarvoor kunnen andere redenen zijn dan het ontbreken van een volmacht (zoals een op HR BNB 2013/244 gebaseerde principiële reden dat de reeds overgelegde machtiging volstaat; vgl. de reactie van de gemachtigde aangehaald in 6.11), maar de werkelijke reden kan ook gelegen zijn in het ontbreken van een volmacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.13 Niettegenstaande de zojuist geplaatste kanttekening meen ik dat, gelet op de in 8.10 en 8.11 bedoelde gevallen, de kritische benadering van de gerechtshoven, met name gerechtshoven Den Haag en ’sHertogenbosch, ten opzichte van overgelegde machtigingen gerechtvaardigd is. Ik merk daarbij op dat de kritische benadering gericht is, namelijk gericht op de ncnp-gemachtigden waarbij zich incidenten hebben voorgedaan. Met ‘gerechtvaardigd’ bedoel ik op deze plaats niet rechtmatig in juridische zin (want de analyse daarover volgt hierna), maar gerechtvaardigd uit oogpunt van het maatschappelijk belang dat ermee is gediend dat een pseudo-gemachtigde wordt verhinderd te procederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoefte aan duidelijkheid op rechtskundig vlak 8.14 Uit de in onderdeel 7 weergegeven inlichtingen van feitenrechters volgt dat behoefte bestaat aan duidelijkheid over de mogelijkheid om een nieuwe machtiging op te vragen indien reeds een machtiging is overgelegd. Een belangrijke vraag is in hoeverre HR BNB 2013/244 daaraan beperkingen stelt. Opmerkingswaardig is in dat verband dat van HR BNB 2013/244 een zeker chilling effect uitgaat. Illustratief is de informatie vanuit gerechtshof Amsterdam: hoewel het daartoe op zich wel aanleiding ziet, vraagt het gerechtshof voorshands geen recente machtigingen op (7.7). De behoefte aan duidelijkheid volgt ook impliciet uit de rechtspraak. Je ziet in de rechtspraak de rechter soms laveren tussen enerzijds HR BNB 2013/244 en anderzijds HR BNB 2022/148, althans ruimte zoeken om ondanks HR BNB 2013/244 een recente machtiging te verlangen (vgl. 6.3 en 6.9).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.15 Overigens is ook voor ncnp-gemachtigden (meer) duidelijkheid van belang. Zij worden ermee geconfronteerd dat feitenrechters een nieuwe machtiging verlangen, ook in situaties waarin de ncnp-gemachtigde van opvatting is dat de overgelegde machtiging afdoende is gelet op HR BNB 2013/244 (bijv. 6.11). De gewenste duidelijkheid betreft wel een andere inhoudelijke richting. Waar de feitenrechters behoefte hebben aan duidelijkheid dat zij (méér) ruimte hebben om een nieuwe machtiging te verlangen, gaat het bij ncnp-gemachtigden om duidelijkheid dat feitenrechters niet meer ruimte hebben dan (in hun opvatting) voortvloeit uit HR BNB 2013/244.</p>\n<p class=\"lf-p\">Invalshoek/startpunt analyse: niet HR BNB 2013/244 8.16 Men zou wellicht verwachten dat ik mijn analyse over de vraag of en, zo ja, onder welke omstandigheden een rechter een nieuwe machtiging mag verlangen, start met of benader vanuit HR BNB 2013/244. Dat doe ik echter niet. Ik heb in 5.13-5.16 wel een korte beschouwing gewijd aan wat uit HR BNB 2013/244 zou kunnen worden afgeleid, en vervolgens in 5.24-5.26 aan hoe HR BNB 2022/148 zich tot het arrest verhoudt. Daar laat ik het echter bij om de volgende redenen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>Hoewel uit HR BNB 2013/244 wel enige rechtsregels lijken te kunnen worden afgeleid, geeft het geen juridisch kader (vgl. 5.13). Het gaat mij hier juist om een juridisch kader.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2)</span>Zo uit HR BNB 2013/244 rechtsregels kunnen worden afgeleid wat betreft de vraag onder welke omstandigheden de rechter een nieuwe machtiging mag verlangen, is de reikwijdte beperkt tot het geval dat uit de tekst van de overgelegde machtiging de bevoegdheid blijkt om namens de belanghebbende het desbetreffende rechtsmiddel aan te wenden. Het gaat mij hier niet alleen om zo’n geval. Anders gezegd: de rechtspraktijk is veelkleuriger c.q. weerbarstiger (vgl. 8.23 hierna). Zo kan een tekst van een machtiging niet duidelijk zijn. Verder was in HR BNB 2013/244 denkelijk het (impliciete) uitgangspunt dat de overgelegde machtiging afkomstig was van de belanghebbende, maar het geval kan zich voordoen dat de rechter (meer) zekerheid wil of de overgelegde machtiging werkelijk afkomstig is van de belanghebbende.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3)</span>Zo uit HR BNB 2013/244 zou kunnen worden afgeleid dat in het geval een machtiging is overgelegd waaruit de vereiste vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt, er slechts grond is voor de rechter om een nieuwe machtiging te verlangen, indien er aanwijzingen zijn dat zich tussen het verlenen van die machtiging en het instellen van het beroep een omstandigheid als bedoeld in art. 3:72 BW heeft voorgedaan waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde zou zijn geëindigd (vgl. 5.14), meen ik dat die regel hoe dan ook bijstelling behoeft. Nog ervan afgezien dat volmacht ook kan zijn geëindigd op grond van een andere omstandigheid dan die zijn genoemd in art. 3:72 BW (zie 3.17), meen ik dat de drempel voor een feitenrechter om een nieuwe machtiging te mogen verlangen, te hoog wordt gelegd. Een feitenrechter moet naar mijn stellige overtuiging – mede gelet op het in 8.5-8.9 uiteengezette maatschappelijke belang – de ruimte hebben om in voorkomende gevallen, ook zonder dat er (concrete) aanwijzingen zijn dát zich een omstandigheid heeft voorgedaan waardoor de volmacht is geëindigd, te verifiëren óf de volmacht nog niet is geëindigd. Dit laatste hangt mede samen met het volgende.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4)</span>De context c.q. het tijdsgewricht is gewijzigd. Ik heb in 5.16 al de vraag opgeworpen of HR BNB 2013/244 niet mede moet worden begrepen in de context van die zaak, met name dat de periode tussen de datum van machtiging en het instellen van het beroep relatief kort was. Op deze plaats gaat het me echter vooral om de context in de zin van het tijdsgewricht. Aan HR BNB 2013/244 ligt wellicht onbewust ten grondslag een zeker basisvertrouwen dat een gemachtigde handelt op basis van een volmacht. Zo dat het geval is, is het tijdsgewricht in die zin gewijzigd dat blijkens de in 8.10 en 8.11 genoemde gevallen een dergelijk basisvertrouwen niet zonder meer gerechtvaardigd is in bepaalde ncnp-gevallen. De vraag naar wat een passend juridisch kader is gegeven een gewijzigd tijdsgewricht, laat zich niet direct beantwoorden door een arrest dat is gewezen onder het eerdere tijdsgewricht. Dat vraagt heroriëntatie aan de hand van de onderliggende uitgangspunten.</div>\n<p class=\"lf-p\">8.17 Ik start mijn analyse dus niet bij HR BNB 2013/244, maar in zeker opzicht bij het begin: namelijk bij waartoe het overleggen van een machtiging dient. Vandaaruit doordenk ik de problematiek verder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Startpunt: machtiging als middel tot bewijs van volmacht 8.18 Of een (toereikende) volmacht is verleend door de belanghebbende aan de gemachtigde voor het aanwenden van een bepaald rechtsmiddel, bevindt zich als uitgangspunt buiten de waarneming van de rechter. Een (schriftelijke) machtiging dient als middel tot bewijs van volmacht en daarmee van de bevoegdheid om het rechtsmiddel aan te wenden. Deze bewijsfunctie van een machtiging komt goed tot uitdrukking in arresten van de Hoge Raad waarin een beroep in cassatie niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien niet een toereikende machtiging is overgelegd. Bij gebrek aan bewijs van volmacht wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de Hoge Raad ervan uitgaat dat het beroep onbevoegdelijk is ingesteld (zie 5.6 en 5.10). Overigens komt de bewijsfunctie van een volmacht ook naar voren in het in 5.8 behandelde arrest HR BNB 2014/44, maar dan via de band van het in art. 6:5(1)(a) Awb gestelde vereiste van ondertekening van het beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.19 De vaststelling dat een machtiging dient als middel tot bewijs van volmacht, is geenszins wereldschokkend maar is in het kader van deze analyse niet onbelangrijk. Die vaststelling impliceert dat, hoewel doorgaans het controleren van een machtiging op administratief niveau gebeurt en mogelijk zal worden ervaren als ‘slechts’ het afvinken van een formeel vereiste, het in wezen een kwestie van waardering en weging van bewijs (hierna: samen bewijswaardering) betreft, te weten of met de overgelegde machtiging het bewijs van volmacht is geleverd. Indien een machtiging afdoende wordt geacht, houdt dit in wezen in dat de machtiging betrouwbaar wordt geacht en er voldoende bewijskracht aan wordt toegekend dat de gemachtigde vertegenwoordigingsbevoegd is voor de desbetreffende proceshandeling. Indien daarentegen een machtiging, om wat voor reden dan ook, niet afdoende wordt geacht, houdt dit in wezen in dat de bewijswaardering negatief uitvalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.20 Dit perspectief dat de beoordeling van een machtiging in wezen een kwestie van bewijswaardering is, brengt naar mijn mening mee dat de beoordeling daarvan door de feitenrechter in cassatie maar beperkt kan worden getoetst, niet alleen in het geval van een positief oordeel maar ook in het geval van een negatief oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmaatstaf?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.21 Als ik het goed overzie heeft de Hoge Raad zich nog niet met zoveel woorden uitgelaten over de maatstaf voor de beoordeling door de feitenrechter of met een machtiging het bewijs is geleverd dat de gemachtigde vertegenwoordigingsbevoegd is. Er zijn aanwijzingen in enige arresten dat de feitenrechter streng mag zijn, nu de Hoge Raad daarin rept over ‘te doen blijken’ van de bevoegdheid tot het indienen van het beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.22 Gegeven het zwaarwegende maatschappelijke belang dat gemoeid is met de vaststelling of bevoegdelijk een rechtsmiddel wordt aangewend (0-8.9) in combinatie met de omstandigheid dat de rechter dit laatste ambtshalve heeft te beoordelen, zou het naar mijn mening in elk geval de rechter vrij moeten staan om geen genoegen te nemen met een machtiging indien de rechter tot de waardering komt dat het bestaan van vertegenwoordigingsbevoegdheid niet met voldoende zekerheid op die machtiging kan worden gebaseerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat bewijs van volmacht eenvoudig te leveren is, namelijk door een recente specifieke machtiging in te brengen, en dat dit bewijsstuk bovendien zelfs nog opgesteld kan worden naar aanleiding van het verzoek om een machtiging. Met andere woorden: het is niet zo – althans niet als uitgangspunt – dat indien de feitenrechter voldoende zekerheid verlangt, bewijsnood ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Twijfel ondanks overgelegde machtiging 8.23 De vraag kan rijzen waarin de twijfel gelegen kan zijn dat een rechter tot de waardering komt dat het bestaan van vertegenwoordigingsbevoegdheid niet met voldoende zekerheid op een overgelegde machtiging kan worden gebaseerd. Als ik kijk naar de gevallen in de feitenrechtspraak, kom ik abstracter geformuleerd tot de volgende punten van twijfel:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>Twijfel of de schriftelijke machtiging wel afkomstig is van de belanghebbende.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>In het bijzonder als de belanghebbende niet een natuurlijk persoon is: twijfel of de schriftelijke machtiging is verleend door een persoon die daartoe bevoegd is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>Uit de tekst van de schriftelijke machtiging blijkt niet de vertegenwoordigingsbevoegdheid om het desbetreffende rechtsmiddel aan te wenden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">d)</span>Twijfel of de volmacht zoals die uit de tekst van de schriftelijke machtiging blijkt, zich ook uitstrekt tot aanwending van het desbetreffende rechtsmiddel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">e)</span>Twijfel of de volmacht zoals die uit de schriftelijke machtiging blijkt, nog niet is beëindigd.</div>\n<p class=\"lf-p\">8.24 Punten a) en b) hebben betrekking op de vraag óf volmacht is verleend door de belanghebbende, punten c) en d) op de inhoud/omvang van de volmacht, en punt e) of de vertegenwoordigingsbevoegdheid nog bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.25 In het kader van deze bijlage is punt c) niet zo interessant. In zo’n geval is het evident dat een feitenrechter geen genoegen hoeft te nemen met de overgelegde machtiging en om een nieuwe machtiging kan verzoeken. Ook punt b) is minder interessant. In zo’n geval is duidelijk dat een feitenrechter om (aanvullend) bewijs kan verzoeken waaruit volgt dat een daartoe bevoegd persoon de volmacht heeft verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.26 Het gaat mij in het kader van deze bijlage vooral om de punten a), d) en e). Dit zijn de punten die maken dat hoewel sprake is van een prima facie dekkende machtiging als bedoeld in 4.4, een feitenrechter soms toch geen genoegen neemt met de overgelegde machtiging. Hoewel deze punten conceptueel zijn te onderscheiden, kan in een concreet geval de twijfel over de volmacht gelegen zijn in meerdere punten, zoals mogelijk het geval was in HR BNB 2022/148 (vgl. 5.28).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisen goede procesorde bij twijfel over volmacht 8.27 In HR BNB 1987/175 overweegt de Hoge Raad: “Indien grond bestaat voor twijfel omtrent het antwoord op de vraag of de door degene die het beroepschrift heeft ingediend, overgelegde machtiging is verleend door degene te wiens name de bestreden uitspraak is gegeven, brengt een goede procesorde mee dat, alvorens uitspraak op het beroep wordt gedaan, de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid wordt gesteld van zijn bevoegdheid alsnog te doen blijken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.28 In dit arrest gaat het om een geval waarin grond voor twijfel bestaat op het punt of de machtiging is verleend door de (beroepsgerechtigde) belanghebbende. Het ligt in de rede dat ook in gevallen waarin grond voor twijfel over volmacht op een ander punt bestaat, als uitgangspunt de rechter de gemachtigde in de gelegenheid moet stellen om de twijfel weg te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.29 In het gevalstype dat in deze beschouwing centraal staat (8.1), handelt een feitenrechter daarmee in overeenstemming: de gemachtigde wordt in de gelegenheid gesteld een nieuwe machtiging over te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intermezzo: andere mogelijkheden dan het verlangen van een nieuwe machtiging?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.30 Een feitenrechter heeft in theorie ook andere mogelijkheden (dan het verlangen van een nieuwe machtiging) om meer zekerheid te krijgen of de gemachtigde werkelijk (nog) vertegenwoordigingsbevoegd is. Zo zou een feitenrechter de belanghebbende kunnen oproepen in persoon te verschijnen zodat de rechter hem/haar kan bevragen over de volmacht (art. 8:27 en 8:58 Awb). Ook zou een feitenrechter de belanghebbende c.q. de gemachtigde kunnen verzoeken om schriftelijke inlichtingen te geven (art. 8:28 Awb). De belanghebbende is verplicht aan de oproeping onderscheidenlijk het verzoek gevolg te geven. Indien de belanghebbende niet aan de verplichting voldoet, kan de rechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen (art. 8:31 Awb). Het lijkt mij dat een feitenrechter zonder schending van een rechtsregel de gevolgtrekking kan maken dat ervan wordt uitgegaan dat de gemachtigde niet vertegenwoordigingsbevoegd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.31 Ik zie af van het uitwerken van deze andere mogelijkheden, omdat uit de inlichtingen van de feitenrechters volgt dat zij deze mogelijkheden niet benutten maar de voorkeur geven aan het verlangen van nieuwe machtiging. Dat ligt ook wel voor de hand. Zo neemt het oproepen van de belanghebbende veel meer tijd en middelen (waaronder begrepen zittingscapaciteit) in beslag dan het opvragen van een nieuwe machtiging. Uit het oogpunt van proceseconomie verdient het de voorkeur dat onderzoek naar de procesbevoegdheid zoveel mogelijk plaatsvindt in de voorfase opdat een afdoening via een vereenvoudigde behandeling op grond van art. 8:54 Awb kan plaatsvinden indien de procesbevoegdheid niet komt vast te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.32 Met betrekking tot de mogelijkheid om schriftelijke inlichtingen te verzoeken merk ik op dat het bestaan van deze mogelijkheid wel in het achterhoofd moet worden gehouden bij de uitleg van art. 8:24(2) Awb. Het ligt immers niet in de rede om dat artikel zo uit te leggen dat de bevoegdheid van een rechter om een schriftelijke machtiging te verlangen beperkter is dan wat de rechter op grond van art. 8:28 Awb van een partij mag vragen teneinde meer helderheid te verschaffen over de vertegenwoordigingsbevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondslag voor opvragen van een nieuwe machtiging?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.33 Het staat, gelet op art. 8:24 Awb, buiten kijf dat de rechter bevoegd is van een gemachtigde een schriftelijke machtiging te verlangen. De vraag kan rijzen of zonder art. 8:24 Awb die bevoegdheid niet zou bestaan, nu immers op de rechter de taak rust om ambtshalve te beoordelen of beroep is ingesteld door een beroepsgerechtigde (8.5). De meerwaarde van art. 8:24 Awb zit er denk ik in dat (i) met dat artikel buiten twijfel is dat de rechter de bevoegdheid heeft om na te gaan of de gemachtigde daadwerkelijk een toereikende volmacht heeft, en (ii) de rechter bevoegd is om een specifieke vorm van bewijs te verlangen namelijk een schriftelijke machtiging (met andere woorden: de rechter kan bewijslevering op andere wijze weigeren).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.34 Ik merk in verband met dit laatste verder op dat de bevoegdheid een schriftelijke machtiging te verlangen nog een belichtingswaardig aspect heeft. Gegeven dat een volmacht niet hoeft te zijn verleend bij (afzonderlijke) schriftelijke machtiging (een volmacht kan ook mondeling zijn verleend of haar grondslag hebben in een overeenkomst), impliceert die bevoegdheid dat van een gemachtigde mag worden verlangd dat een machtiging wordt opgesteld door de belanghebbende indien dat eerder nog niet is gebeurd. Ik kom daarop nog terug (8.39).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.35 De vraag kan rijzen of art. 8:24 Awb ook een grondslag biedt om een nieuwe machtiging te vragen indien de gemachtigde reeds eerder een machtiging heeft verstrekt. Het is evident dat die vraag bevestigend kan worden beantwoord in bijvoorbeeld het geval de vertegenwoordigingsbevoegdheid voor het instellen van het desbetreffende rechtsmiddel niet blijkt uit de tekst van de verstrekte machtiging. Ik meen echter dat ook in het geval er sprake is van een prima facie dekkende machtiging maar er desondanks twijfel over de volmacht bestaat (vgl. 8.26 daarover), art. 8:24 Awb de grondslag biedt voor de rechter om een nieuwe machtiging te verlangen. In de wetsgeschiedenis is weliswaar opgemerkt dat “[m]ocht de machtiging op [het punt tot hoever de bevoegdheid van de gemachtigde zich uitstrekt;</p>\n<p class=\"lf-p\">MP] onvoldoende duidelijk zijn, dan zal op grond van de omstandigheden van het geval en hetgeen op het betreffende terrein gebruikelijk is moeten worden bepaald hoever de bevoegdheid van de gemachtigde zich uitstrekt” (2.3), maar deze passage sluit niet uit het alternatief dat de rechter een nieuwe machtiging verlangt die duidelijkheid schept over – in het geval waarop de passage betrekking heeft: – de omvang van de volmacht. De tekst van art. 8:24 Awb sluit dat evenmin uit. Bovendien past het bij de strekking van art. 8:24 Awb, te weten het bieden aan de rechter van de mogelijkheid om na te gaan of degene die zich als gemachtigde van een bepaalde belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is (zie 5.23 en vgl. 2.3 combinatie met 2.5), dat de rechter bevoegd is een machtiging te verlangen die meer duidelijkheid schept.</p>\n<p class=\"lf-p\">Steun voor de opvatting dat art. 8:24 Awb een grondslag biedt om een nieuwe machtiging op te vragen bij twijfel over de volmacht, vind ik bovendien in het in 5.23 behandelde arrest HR BNB 2022/148, in het bijzonder erop gelet dat daarin aan de orde is dat de rechtbank heeft verzocht om “een recente machtiging” (mijn onderstreping) en de Hoge Raad de voorliggende kwestie expliciet plaatst in de sleutel van art. 8:24 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.36 Tot slot, ik zie ook vanuit een ander perspectief geen aanleiding om art. 8:24 Awb op dit punt eng uit te leggen. Dat perspectief wordt gevormd door de combinatie van het uitgangspunt dat op de rechter de taak rust om ambtshalve te beoordelen of beroep is ingesteld door een beroepsgerechtigde (8.5), en dat uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat bij twijfel van de rechter over de volmacht de goede procesorde meebrengt dat de rechter de gemachtigde in de gelegenheid moet stellen van zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid alsnog te doen blijken (8.27). Het verlangen van een nieuwe machtiging is een specifieke vorm van het bedoelde in gelegenheid stellen om het bewijs van volmacht te leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mag de rechter nadere eisen stellen aan de te overleggen nieuwe machtiging en daarnaast aanvullende gegevens verlangen?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.37 Uit de feitenrechtspraak (en de inlichtingen van de feitenrechters) volgt dat een feitenrechter in voorkomende gevallen nadere eisen stelt aan de verlangde nieuwe machtiging (bijvoorbeeld wat betreft de datum/ouderdom of de inhoud) en/of aanvullende gegevens verlangt (zoals een kopie van een identiteitsbewijs). De vraag kan rijzen of de rechter dergelijke additionele eisen mag stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.38 Ik begin ermee dat ik betwijfel of (het antwoord op) deze vraag wel relevant is. Vanuit het perspectief dat (i) het uiteindelijk erom gaat of naar het oordeel van de rechter het bewijs van volmacht is geleverd en dat (ii) bij twijfel van de rechter of dat bewijs door de overgelegde machtiging is geleverd, de gemachtigde de gelegenheid moet krijgen om zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid alsnog te doen blijken, is immers de goede procesorde juist erbij gebaat indien voor de gemachtigde duidelijk is hoe twijfel kan worden weggenomen of anders gezegd hoe het bewijs van volmacht kan worden geleverd. Stel dat een rechter voorshands het bewijs van vertegenwoordigingsbevoegdheid niet geleverd acht door een overgelegde machtiging omdat hij twijfel heeft gelet op de ouderdom en inhoud van de eerder overlegde machtiging en stel dat er geen wettelijke grondslag is voor de rechter om van de gemachtigde te verlangen een machtiging te overleggen die specifiek betrekking heeft op de bestreden beschikking en die niet ouder is dan […]. Dan kan een gemachtigde om die reden wel weigeren desverlangd om zo’n machtiging over te leggen, maar daarmee blijft nog staan de twijfel die de rechter heeft over de vertegenwoordigingsbevoegdheid. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor verlangen van aanvullende gegevens zoals een kopie van een identiteitsbewijs in het geval de twijfel over de vertegenwoordigingsbevoegdheid erin gelegen is of de overgelegde machtiging wel afkomstig is van de belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.39 Los van de relevantie van de vraag, meen ik dat art. 8:24(2) Awb als grondslag kan dienen voor een verzoek om een nieuwe machtiging waarbij een of meer nadere eisen aan die machtiging worden gesteld. Een aanwijzing daarvoor vind ik in HR BNB 2022/148 (zie 8.35, slot). Ik breng in dit kader ook in herinnering dat in art. 8:24(2) Awb besloten ligt dat van een gemachtigde mag worden verlangd dat een machtiging wordt opgesteld door de belanghebbende indien dat eerder nog niet is gebeurd (8.34). Het is dan slechts een kleine stap verder te verlangen dat een machtiging wordt opgesteld die aan bepaalde ‘eisen’ voldoet opdat elke onduidelijkheid over het bestaan en/of de reikwijdte van de volmacht wordt weggenomen. Ik merk in dit verband ook op dat ik niet goed inzie welk gerechtvaardigd belang wordt aangetast als dat wordt verlangd in een geval waarin er voldoende reden is om een nieuwe machtiging te verlangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhouding tot het civiele recht?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.40 Voor de duidelijkheid: het voorgaande (8.39) houdt geen doorkruising van het civiele recht in. Het voorgaande heeft namelijk geen betrekking op de interne verhouding tussen volmachtgever en gemachtigde, voor welke verhouding het civiele recht leidend is. Het ziet op de externe verhouding van de gemachtigde tot de rechter, welke verhouding door het publiekrecht – het bestuursrecht – wordt beheerst (vgl. voor dit onderscheid Van der Wal in 2.7). De wetgever heeft uitdrukkelijk, namelijk door te voorzien in art. 8:24(2) Awb, de bestuursrechter een instrument in handen gegeven om te kunnen nagaan of een gemachtigde werkelijk vertegenwoordigingsbevoegd is, te weten de bevoegdheid om schriftelijk bewijs van de volmacht te verlangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de waardering van het bewijs dient vanzelfsprekend het civiele recht te worden geaccepteerd. Zo is (ook voor mij) uitgangspunt dat een algemeen of specifiek doorlopende machtiging in beginsel als voldoende bewijs van volmacht kan gelden (vgl. 5.3-5.4). Zo’n machtiging mag dan ook door de bestuursrechter niet categorisch worden afgewezen. Indien er een goede reden voor de bestuursrechter is om een nieuwe schriftelijke machtiging te verlangen, doorkruist het daarentegen niet het civiele recht dat daarbij nadere ‘eisen’ worden gesteld. Dat gebeurt dan immers in de bestuursrechtelijke verhouding, te weten op grond van art. 8:24(2) Awb, met het doel (meer) zekerheid te krijgen over het bestaan van de volmacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk in dit kader ook op dat art. 8:24(2) Awb het enige instrument is waarin de wetgever heeft voorzien voor de bestuursrechter, terwijl in het civiele recht de bescherming van de belangen van de derde/wederpartij is geregeld via diverse bepalingen (vgl. 3.8 en 3.10-3.15). Het ligt ook in dat perspectief voor de hand art. 8:24(2) Awb voldoende flexibel te interpreteren, opdat – in de context van het publieke recht: niet zozeer het belang van de rechter (die heeft immers zelf geen belang) maar – het in 8.5-8.9 omschreven maatschappelijk belang dat is gediend met de controle of een gemachtigde werkelijk vertegenwoordigingsbevoegd is, afdoende kan worden beschermd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.41 Nu ik het hier toch over de verhouding tot het civiele recht heb: waar ik schrijf dat een nieuwe machtiging wordt verlangd, bedoel ik niet dat wordt verlangd dat de belanghebbende in civielrechtelijke zin (opnieuw) volmacht verleent. Met een nieuwe machtiging doel ik op een nieuw geschrift dat als (middel voor) bewijs van volmacht dient (vgl. 4.2). Een dergelijke nieuwe machtiging zou kunnen worden gezien als het bestuursrechtelijke (schriftelijke) equivalent van de in art. 3:71(1) BW genoemde bevestiging door de volmachtgever van de volmacht (zie 3.10).</p>\n<p class=\"lf-p\">Grenzen aan de bevoegdheid ex art. 8:24(2) Awb?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.42 Art. 8:24(2) Awb is een ‘kan’-bepaling. Het artikel geeft daarmee de rechter uitdrukkelijk de bevoegdheid een machtiging te verlangen. Ervan uitgaande dat art. 8:24(2) Awb ook de bevoegdheid aan de rechter geeft om een nieuwe machtiging te verlangen in het geval eerder al een machtiging is overgelegd (8.33-8.36), rijst de vraag of die bevoegdheid nog wordt begrensd. Hiervóór ben ik steeds uitgegaan van het geval waarin twijfel bestaat, maar de vraag rijst of de uitoefening van de bevoegdheid überhaupt wordt begrensd en, zo ja, op welke grond. Art. 8:24(2) Awb zelf stelt immers geen voorwaarden of grenzen aan de (uitoefening van de) bevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.43 Indien het bestuursorgaan – al dan niet op grond van een ‘kan’-bepaling – een bepaalde discretionaire bevoegdheid heeft, wordt de uitoefening van die bevoegdheid begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (naast door de eventuele voorwaarden die de desbetreffende bepaling stelt), waaronder het evenredigheidsbeginsel (vgl. art. 3:4 Awb). Ik zie – zeker nu deze beschouwing toch al erg lang is – af van een algemene beschouwing of en, zo ja, in hoeverre algemene beginselen van behoorlijk bestuur hun equivalent hebben in beginselen van behoorlijke rechtspleging die een rechter normeren bij de hem toegekende procesrechtelijke bevoegdheden. Dát ze een zeker equivalent hebben ligt a priori wel in de rede nu algemene beginselen van behoorlijk bestuur verbijzonderingen zijn van algemene rechtsbeginselen en die laatste beginselen ook de rechter normeren. Verder hangt de mate waarin een rechter vrijheid heeft bij de uitoefening van een bevoegdheid af van het onderwerp. Zo lijkt mij dat de rechter veel vrijheid heeft op terreinen zoals de interne verwijzing van een zaak (art. 8:10 en 8:10a Awb), verwijzing, voeging en splitsing (art. 8:13 en 8:14 Awb) en het (ambtshalve) oproepen van getuigen (art. 8:60(1) Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.44 In het geval de gemachtigde niet zelf direct een machtiging heeft overgelegd, is naar mij voorkomt de rechter als uitgangspunt niet begrensd in de uitoefening van de bevoegdheid een schriftelijke machtiging te verlangen. In het geval de gemachtigde wel reeds een machtiging heeft overgelegd die bovendien prima facie dekkend is, lijken mij noties zoals evenredigheid en gelijke rechtsbedeling relevant. Evenredigheid omdat het verlangen van een machtiging een extra handeling van de gemachtigde vereist en daarmee in beginsel tot meer (proces)kosten voor de belanghebbende leidt. Gelijke rechtsbedeling omdat het op gespannen voet met het gelijkheidsbeginsel staat indien in het ene geval wel een nieuwe machtiging wordt opgevraagd en in het andere geval niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.45 De noties van evenredigheid en gelijke rechtsbedeling leiden al snel tot een ‘in redelijkheid’-norm. Geïnspireerd door de normering van de inspecteur met betrekking tot zijn bevoegdheid ex. art. 47 AWR om gegevens en inlichtingen te verstrekken, zou als meer abstracte norm kunnen gelden of de feitenrechter in redelijkheid ertoe kan komen tot het oordeel dat het verlangen van een nieuwe machtiging nodig is in het kader van de op hem rustende (ambtshalve) taak om te beoordelen of het rechtsmiddel bevoegdelijk is ingesteld. Als de feitenrechter in redelijkheid tot dat oordeel kan komen, is het verzoek naar mijn mening evenredig, in aanmerking genomen dat het verzoek wat betreft zijn omvang geenszins onevenredig belastend is: het gaat ‘slechts’ om een machtiging. En als de feitenrechter in redelijkheid tot dat oordeel kan komen, impliceert dat tevens dat er – in het licht van de notie van een gelijke rechtsbedeling – een rechtvaardiging aanwezig is om in het desbetreffende geval een nieuwe machtiging te verlangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.46 De ‘in redelijkheid’-norm geeft de feitenrechter voldoende ruimte om zijn taak om te beoordelen of het rechtsmiddel bevoegdelijk is ingesteld adequaat te kunnen uitoefenen. Ik benadruk – zo al nodig – nogmaals het belang dat de feitenrechter voldoende ruimte heeft, namelijk het in 8.5-8.9 uiteengezette maatschappelijke belang dat gediend is met handhaving van de norm dat een rechtsmiddel alleen kan worden ingesteld door een daartoe bevoegde.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.47 De andere kant van dezelfde medaille is dat de toets in cassatie van de beslissing van een feitenrechter om een nieuwe machtiging te verlangen beperkt is tot een beoordeling of de feitenrechter in redelijkheid heeft kunnen besluiten een nieuwe machtiging te verlangen. Zo’n beoordeling is naar haar aard in cassatie beperkt tot een toets op begrijpelijkheid en motivering. Zo’n beperkte toets is naar mijn mening niet per se een nadeel. De rechtspraktijk is veelkleurig en het lijkt me in dat opzicht niet in de rede te liggen dat de Hoge Raad zich eraan waagt om rechtskundige sturing te geven via concrete regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in andere gevallen dan bij twijfel?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.48 De feitenrechtspraak leert dat in het geval een nieuwe machtiging wordt verlangd, er doorgaans een zekere mate van twijfel bij de rechter is over de vertegenwoordigingsbevoegdheid ondanks de overgelegde machtiging (vgl. 8.23). Het geval van twijfel lijkt mij ook veruit de belangrijkste categorie van de gevallen waarin een feitenrechter in redelijkheid kan besluiten een nieuwe machtiging te verlangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.49 Toch zou ik niet bij voorbaat willen uitsluiten dat er ook andere gevallen zijn waarin een feitenrechter in redelijkheid daartoe kan besluiten. Zo meen ik dat het niet onredelijk is indien een feitenrechter bij wijze van steekproef om een nieuwe machtiging verzoekt bijvoorbeeld bij een ncnp-gemachtigde die pleegt doorlopende machtigingen over te leggen. Belangrijk is in zo’n geval wel dat de feitenrechter dit transparant motiveert in zijn berichtgeving aan de gemachtigde, zodat deze weet wat de reden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.50 Niettemin concentreer ik me hierna alleen op het geval van twijfel, omdat dit gevalstype aan de orde is in de feitenrechtspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gronden voor twijfel?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.51 Uit de inlichtingen van de feitenrechters volgt dat bij hen in het bijzonder vragen spelen onder welke omstandigheden een nieuwe machtiging mag worden verlangd. Die vragen begrijp ik in het licht van HR BNB 2013/244. Uit het voorgaande volgt echter dat ik meen dat dit niet zozeer een rechtskundige kwestie is maar nagenoeg geheel een feitelijke kwestie is die op het terrein van de feitenrechter is gelegen. Indien de feitenrechter de overgelegde machtiging zo waardeert dat daarmee het bewijs van vertegenwoordigingsbevoegdheid niet is geleverd, althans dat daarmee nog onvoldoende zekerheid bestaat over de vertegenwoordigingsbevoegdheid, kan de feitenrechter een nieuwe machtiging verlangen. Het enige rechtskundige aspect is dat de feitenrechter bij de waardering niet mag uitgaan van een onjuiste civielrechtelijke opvatting, al ligt dat genuanceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.52 In 8.23 heb ik uiteengezet op welk punten er twijfel kan zijn aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid ondanks de overgelegde machtiging. Daarbij heb ik onbesproken gelaten wat de aanleiding kan zijn voor twijfel op de genoemde punten. Naar mijn mening hangt dat namelijk af (van een waardering) van de omstandigheden van het geval, en zijn daarvoor geen algemene regels te geven, nog daargelaten dat dit het terrein van de feitenrechter betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.53 Ik ga niettemin hierna toch in zekere mate in op de vraag welke omstandigheden in aanmerking kunnen worden genomen. Dat doe ik om verschillende redenen. Ten eerste omdat feitenrechters houvast lijken te zoeken. Ten tweede kan in cassatie nog wel worden getoetst op begrijpelijkheid en motivering. Tot slot doe ik het voor het geval de Hoge Raad van opvatting is dat de vraag een sterker rechtskundig karakter heeft dan waarvan ik uitga.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.54 Wat betreft omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor twijfel, kan onderscheid worden gemaakt tussen omstandigheden die in de zaak zelf aan de orde zijn (directe omstandigheden) en omstandigheden die bekend zijn uit andere zaken van de gemachtigde (indirecte omstandigheden). Zo kan twijfel of de overgelegde machtiging wel afkomstig is van de belanghebbende, gelegen zijn in een onduidelijke handtekening op de machtiging (directe omstandigheid) maar ook in het feit dat de desbetreffende gemachtigde in een of meer andere zaken ‘valse’ machtigingen heeft overgelegd (indirecte omstandigheid). En zo kan twijfel of de volmacht zoals die uit de schriftelijke machtiging blijkt, nog niet is beëindigd, gelegen zijn in de ouderdom van de machtiging (directe omstandigheid) maar ook in het feit dat de gemachtigde in een of meer andere zaken heeft doorgeprocedeerd terwijl de desbetreffende belanghebbende de overeenkomst van opdracht reeds had beëindigd (indirecte omstandigheid).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.55 Het staat buiten kijf dat een feitenrechter directe omstandigheden in aanmerking mag nemen. Ik meen dat een feitenrechter als uitgangspunt ook indirecte omstandigheden in aanmerking mag nemen. Ik zie geen enkele reden waarom dat als uitgangspunt niet zou mogen. Sterker nog, ik meen dat een feitenrechter zich juist goed van zijn (ambtshalve) taak kwijt, indien hij bij de weging of er voldoende bewijs voor volmacht is ook acht slaat op onregelmatigheden met de volmacht van de desbetreffende gemachtigde in andere zaken. Wel is van belang dat indien een feitenrechter mede om die reden een nieuwe machtiging verlangt, de feitenrechter dit transparant motiveert in zijn berichtgeving aan de gemachtigde, zodat die niet in het ongewisse wordt gelaten over de reden(en).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.56 Dat een feitenrechter indirecte omstandigheden in aanmerking mag nemen, betekent naar mijn mening ook dat de feitenrechter mag meewegen de meer algemene omstandigheid dat een gemachtigde in veel andere zaken niet een nieuwe machtiging heeft overgelegd of het (hoger) beroep heeft ingetrokken, nadat van hem een nieuwe machtiging is verlangd. Dergelijk gedrag is weliswaar geen bewijs voor afwezigheid van volmacht in de desbetreffende andere zaken, maar het roept – zeker bij grotere aantallen – wel twijfel op of in die andere zaken wel steeds met volmacht is gehandeld. Ik zie evenmin een probleem erin dat een feitenrechter ook in aanmerking neemt wat in zaken van de gemachtigde bij andere feitenrechters is gebeurd. Ook bij dit een en ander geldt dat transparantie van de feitenrechter richting de gemachtigde gewenst is.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.57 Twijfel over de vertegenwoordigingsbevoegdheid kan er zijn op het punt of de volmacht zoals die uit de tekst van de schriftelijke machtiging blijkt, zich ook uitstrekt tot aanwending van het desbetreffende rechtsmiddel (8.23). Aanleiding voor die twijfel kan bijvoorbeeld zijn de omstandigheid dat de tekst voor meerderlei uitleg vatbaar is. Dat lijkt mij zonder meer een omstandigheid die in aanmerking mag worden genomen. Meer concreet wijs ik bij wijze van voorbeeld op de in 6.14 genoemde uitspraak waarin de gemachtigde het standpunt inneemt dat sprake is van een (algemeen) doorlopende machtiging, terwijl die machtiging – in combinatie met de datum van ondertekening – toch ook zo kan worden opgevat dat sprake is van een (specifiek) doorlopende machtiging met betrekking tot een eerder (belasting)jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik meen verder dat in voorkomende gevallen ook twijfel kan rijzen door hetgeen in (hoger) beroep wordt aangevoerd. Dat houdt ermee verband dat een volmacht aan een gemachtigde om rechtsmiddelen in te stellen doorgaans onderdeel is van een meeromvattende overeenkomst van opdracht (3.5), en de rechter doorgaans van die overeenkomst doorgaans geen kennis heeft. Bijvoorbeeld, als een overeenkomst is afgesloten op ncnp-basis en belanghebbende in een eerder stadium van de procedure niet in een betere positie is gebracht, dan is het nog maar de vraag of het binnen die overeenkomst en daarmee binnen het bereik van de verleende volmacht valt, indien hoger beroep wordt ingesteld met louter formele gronden die de belanghebbende niet in een betere positie kunnen brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebrek aan kennis bij de rechter over de overeenkomst van opdracht kan ook op een ander punt spelen. Een (specifiek) doorlopende machtiging kan zijn ondertekend door de belanghebbende, op verzoek van de gemachtigde om de machtiging als bewijsstuk te kunnen inbrengen bij de rechter, maar het kan van de inhoud van de overeenkomst van opdracht afhangen of bijvoorbeeld instemming van de belanghebbende nodig is om namens hem hoger beroep in te stellen. In het verlengde hiervan ook: de omstandigheid dat de belanghebbende niet op de hoogte is van het instellen van een bepaald rechtsmiddel hoeft op zichzelf niet te betekenen dat de gemachtigde niet (langer) vertegenwoordigingsbevoegd is, maar – mede gelet op de informatieverplichtingen die de gemachtigde heeft over de voortgang – zij kan wel aanleiding zijn om te verifiëren of binnen de overeenkomst van opdracht wordt gehandeld in het kader waarvan de volmacht is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.58 De problematiek van informatie-asymmetrie, te weten dat de rechter minder weet dan de gemachtigde over de rechtsverhouding tussen de gemachtigde en de belanghebbende, speelt in het bijzonder ook bij het in 8.23 genoemde punt van twijfel of de volmacht zoals die uit de machtiging blijkt, nog niet is beëindigd. Die problematiek speelt met name bij (algemeen of specifiek) doorlopende machtigingen. Reeds het temporele aspect maakt dat een doorlopende machtiging die is ondertekend op moment t, inherent geen sluitend bewijs is dat op moment t + x (nog) een volmacht bestaat om een bepaald rechtsmiddel aan te wenden. De mogelijkheid bestaat immers dat de volmacht in de tussentijd is beëindigd. Het kan trouwens zijn dat de volmacht is beëindigd zonder dat de gemachtigde dat weet, bijvoorbeeld doordat de volmachtgever is overleden en de gemachtigde daarvan niet op de hoogte is gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan echter ook zijn dat bijvoorbeeld de volmacht is beëindigd in samenhang met de beëindiging van de overeenkomst van opdracht (zoals in de kern het geval was volgens gerechtshof Amsterdam in de in 6.19 behandelde uitspraak) en de gemachtigde niettemin doorprocedeert. Hoe dan ook, gegeven de inherente onzekerheid bij een doorlopende machtiging, is het bij uitstek aan de feitenrechter om aan de hand van de omstandigheden van het geval af te wegen wanneer de onzekerheid dusdanig is dat deze omslaat in zodanige twijfel dat nader onderzoek geboden is of de gemachtigde nog steeds vertegenwoordigingsbevoegd is om het rechtsmiddel aan te wenden. Een relevante omstandigheid is het tijdsverloop sinds het moment waarop de machtiging is ondertekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe langer dat tijdsverloop, hoe groter de kans dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan die tot beëindiging van de volmacht heeft geleid. Gelet daarop kan ook een relevante omstandigheid zijn dat de machtiging geen datum van ondertekening vermeldt. Een andere omstandigheid die naar mijn mening in aanmerking mag worden genomen, is hoe ruim de machtiging is geformuleerd. Verder kan (ook) op dit punt in aanmerking worden genomen de eventuele indirecte omstandigheid dat bij de gemachtigde in andere zaken sprake is geweest van onregelmatigheden met de volmacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.59 Een interessante vraag is nog of de omstandigheid dat een gemachtigde op ncnp-basis werkt, in aanmerking mag worden genomen. Ik meen dat deze omstandigheid op zichzelf bezien onvoldoende is om twijfel op te roepen over de vertegenwoordigingsbevoegdheid indien een prima facie dekkende machtiging is overgelegd. Wel is die omstandigheid in die zin relevant dat een contra-indicatie ontbreekt. Voor een beroepsmatig optredende gemachtigde die niet werkt op ncnp-basis maar werkt tegen een (niet van de cure afhankelijke) vergoeding, bestaat namelijk een sterke prikkel om te zorgen dat een toereikende overeenkomst van opdracht en daarmee samenhangende volmacht bestaat voor de proceshandelingen die hij verricht voor een belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regelt hij dat niet goed, dan loopt hij het risico dat hij geen vergoeding van de belanghebbende voor zijn werkzaamheden ontvangt. De omstandigheid dat een gemachtigde tegen een vergoeding werkt, is daarom een sterke contra-indicatie tegenover bijvoorbeeld de omstandigheid dat een specifiek doorlopende machtiging is overgelegd die al enige jaren oud is. Een dergelijke gemachtigde heeft als uitgangspunt geen enkel belang om werkzaamheden te verrichten zonder werkelijk (nog) een volmacht te hebben. Bij een ncnp-gemachtigde ligt dat anders gelet op zijn verdienmodel en ontbreekt daarom de bedoelde contra-indicatie. Ook speelt bij ncnp-gemachtigden dat deze niet onderworpen zijn aan tuchtrecht, niet aan wettelijk maar ook niet – voor zover ik weet – aan niet-wettelijk (verenigings-)tuchtrecht, zoals wel het geval is bij bijvoorbeeld gemachtigden die lid zijn van de NOB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in dat opzicht ontbreekt bij ncnp-gemachtigde een contra-indicatie. Het belang van tuchtrecht voor het basisvertrouwen in de volmacht van een gemachtigde, vindt a contrario ook steun in art. 8:24(3) Awb. De daarin opgenomen uitzondering voor advocaten houdt verband met de specifiek voor advocaten geldende wettelijke voorschriften waaronder het tuchtrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Relevantie niet-overleggen nieuwe machtiging bij beoordeling ontvankelijkheid?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.60 In het geval de feitenrechter een nieuwe machtiging heeft verlangd, zijn er grofweg twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat de gemachtigde de verlangde nieuwe machtiging inbrengt. De tweede mogelijkheid is dat de gemachtigde de verlangde nieuwe machtiging niet inbrengt. Het gaat mij op deze plaats om die tweede mogelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.61 In dat geval zal de feitenrechter een definitief bewijsoordeel moeten geven over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van het (hoger) beroep. Bij die beoordeling is er dan een extra omstandigheid bijgekomen ten opzichte van het moment waarop de feitenrechter besloot om een nieuwe machtiging te verlangen, te weten dat de gemachtigde daaraan geen gevolg heeft gegeven. Het lijkt mij dat deze omstandigheid in aanmerking mag worden genomen bij de bewijswaardering, nu die omstandigheid als zodanig twijfel oproept over het bestaan van vertegenwoordigingsbevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.62 Sterker nog, de omstandigheid dat een gemachtigde geen gevolg geeft aan de wens van de feitenrechter om een nieuwe machtiging te overleggen, lijkt op zichzelf doorgaans al voldoende twijfel over het bestaan van volmacht te rechtvaardigen dat de feitenrechter kan oordelen dat het bewijs van volmacht niet is geleverd. Zo’n oordeel lijkt in elk geval niet onbegrijpelijk en daarmee in cassatie niet met succes te bestrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.63 Dit roept echter vanuit cassatie-technisch perspectief wel de vraag op of het toezicht van de Hoge Raad – hoe beperkt dat toezicht ook is (vgl. 8.47 en 8.51) – of de feitenrechter in redelijkheid heeft kunnen besluiten om een nieuwe machtiging te verlangen, niet in het gedrang komt. Als namelijk enkel het niet-overleggen van een nieuwe machtiging al voldoende is voor een feitenrechter om te kunnen oordelen dat het bewijs van volmacht niet is geleverd, zou een op zichzelf terecht voorgestelde klacht over de beslissing om een nieuwe machtiging te verlangen niet tot cassatie kunnen leiden, omdat het bewijsoordeel over de volmacht wel stand houdt en daarmee ook het oordeel waar het uiteindelijk om gaat, te weten de niet-ontvankelijkverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.64 Aangenomen dat het gewenst is dat de Hoge Raad wel enig toezicht kan houden, zie ik twee oplossingsrichtingen. De eerste ligt in lijn van het in 5.12 geciteerde arrest HR BNB 2013/244. In dat arrest komt de Hoge Raad tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte de beroepen niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van bewijs van vertegenwoordingsbevoegdheid van de gemachtigden. De Hoge Raad legt aan dat oordeel ten grondslag (‘mitsdien’) dat “de Rechtbank (…) in redelijkheid geen aanleiding [kon] vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid ten tijde van het instellen van de beroepen nog bestond, en op die grond van hen een nieuwe schriftelijke machtiging te verlangen”. Gelet hierop zou een oplossingsrichting kunnen zijn om als uitgangspunt te aanvaarden dat slechts indien de feitenrechter in redelijkheid een nieuwe machtiging kon verlangen, de omstandigheid in aanmerking mag worden genomen dat de gemachtigde niet een nieuwe machtiging heeft overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.65 Een tweede oplossingsrichting is dat geaccepteerd wordt dat op individueel zaaksniveau het toezicht weliswaar niet tot cassatie kan leiden, maar dat op zaaksoverstijgend niveau de Hoge Raad wel toezicht houdt, namelijk door wel klachten te beoordelen over de beslissing van een feitenrechter om een nieuwe machtiging te verlangen. Indien de Hoge Raad zo’n klacht namelijk gegrond acht, gaat van zo’n beslissing immers een normatief signaal uit naar de feitenrechters.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.66 De eerste oplossingsrichting spreekt mij het meest aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wie moet als procespartij worden aangeduid bij ontbreken van bewijs van volmacht?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.67 Enige van de gerechtshoven hebben de vraag opgeworpen wie als procespartij moet worden aangeduid als de feitenrechter tot het oordeel komt dat bewijs van volmacht ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.68 Indien de Hoge Raad zelf een beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat – kort gezegd – bewijs van volmacht ontbreekt, duidt de Hoge Raad in de aanhef van zijn arrest de gemachtigde aan als degene die het beroep in cassatie heeft ingesteld (zie 5.10). Dat de belanghebbende niet als procespartij wordt aangemerkt, lijkt mij voor de hand te liggen, omdat juist niet kan worden vastgesteld óf de gemachtigde wel vertegenwoordigingsbevoegd is. Wel vraag ik me af of het zuiver is om de gemachtigde als partij aan te duiden, nu deze immers niet pretendeert beroep in te stellen voor zichzelf. In dat opzicht is wellicht het meest zuiver om het feitelijk te houden, namelijk dat als degene die het rechtsmiddel heeft aangemerkt wordt aangeduid de gemachtigde op naam van de belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Koopman van 23 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:578.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 109 (en p. 105) in het kader van de toetsing(sintensiteit) van gemengde oordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie specifiek over vertegenwoordiging in belastingzaken uitgebreid P. van der Wal, Vertegenwoordiging en bijstand in belastingzaken: fiscale rechtsbijstandverlening naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2006, alsmede eerder bijv. Rapport van de Commissie ter bestudering van vertegenwoordiging in het belastingrecht, Vertegenwoordiging in belastingrecht, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap no. 206, Deventer: Kluwer 1997.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 46-47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 47-48. In deze passage wordt nog gesproken over ‘belanghebbende’ in overeenstemming met de term ‘een belanghebbende’ in het wetsvoorstel (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nrs. 1-2, p. 3). Bij nota van wijziging is die term vervangen door ‘een ieder’ om te verduidelijken dat de vertegenwoordiging buiten rechte niet is beperkt tot een belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb; zie Kamerstukken II 1990/91, 21 221, nr. 5, p. 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 49-50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 117.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de invoering van de vierde tranche in de Awb is herhaald dat de diverse schakelbepalingen in boek 3 BW een uitdrukkelijke grondslag bieden voor toepassing van privaatrechtelijke regels in het bestuursrecht. Daarbij is ook expliciet art. 3:79 BW genoemd; zie Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. van der Wal, Vertegenwoordiging en bijstand in belastingzaken: fiscale rechtsbijstandverlening naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2006, p. 66 en 68-69.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. van der Wal, Vertegenwoordiging en bijstand in belastingzaken: fiscale rechtsbijstandverlening naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2006, p. 69.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Kortmann 3-III 2017/17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Asser/Kortmann 3-III 2017/8 en 2017/22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hijma, Van Dam, Van Schendel &amp; Valk, Rechtshandeling en Overeenkomst (SBR 3), 2022/94. Vgl. ook Van Schacik, Volmacht (Mon. BW) nr. B5) 2023/13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. art. 7:86(1) BW over de overeenkomst van goederenkrediet: “De overeenkomst van goederenkrediet wordt op papier of op een andere duurzame drager aangegaan. Een volmacht tot het aangaan van een zodanige overeenkomst moet eveneens op papier of op een andere duurzame drager worden verleend.” Er bestaat discussie of indien de wet een vormvereiste stelt aan een handeling, ook een vormvereiste geldt voor een volmacht tot het verrichten van die handeling indien de wet dat niet expliciet bepaalt; zie Van Schaick, Volmacht (Mon. BW) nr. B5) 2023/17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hijma, Van Dam, Van Schendel &amp; Valk, Rechtshandeling en Overeenkomst (SBR 3), 2022/97.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Kortmann 3-III 2017/22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hijma, Van Dam, Van Schendel &amp; Valk, Rechtshandeling en Overeenkomst (SBR 3), 2022/94 en Van Schaick, Volmacht (Mon. BW) nr. B5) 2023/13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Kortmann 3-III 2017/22. Zie ook Van Schaick, Volmacht (Mon. BW) nr. B5) 2023/13, met dien verstande dat deze auteur betoogt dat de volmacht niet tot stand komt indien de beoogd gevolmachtigde de vertegenwoordigingsbevoegdheid afwijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. enerzijds bevestigend Asser/Kortmann 3-III 2017/23 in navolging van parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 253, en anderzijds ontkennend Van Schaick, Volmacht (Mon. BW) nr. B5) 2023/13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Kortmann 3-III 2017/22.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.H.B. den Hartog Jager, Procederen met of zonder procesvertegenwoordiger en andere aspecten van procesvertegenwoordiging, Deventer: Kluwer 2012, randnr. 5 en 7. Vgl. ook Asser/Kortmann 3-III 2017/22 en P. van der Wal, Vertegenwoordiging en bijstand in belastingzaken: fiscale rechtsbijstandverlening naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2006, par. 11.3. Lastgeving behoeft overigens niet noodzakelijkerwijs volmacht in te houden; zie Asser/Kortmann 3-III 2017/29.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9243, NJ 2012/686. Zie ook Asser/Kortmann 3-III 2017/28 en Asser/Kortmann 3-III 2017/32. Tjong Tjin Tai signaleert in zijn noot in NJ 2012/686 dat de Hoge Raad voor de uitleg en het bestaan van een volmacht niet heeft aangesloten bij de Haviltex-formule, maar bij de jurisprudentie over de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Schaick, Volmacht (Mon. BW nr. B5) 2023/6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Schaick, Volmacht (Mon. BW nr. B5) 2023/42.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai in NJ 2012/686.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Van Schaick, Volmacht (Mon. BW nr. B5) 2023/18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Kortmann 3-III 2017/51. Vgl. ook Hijma, Van Dam, Van Schendel &amp; Valk, Rechtshandeling en Overeenkomst (SBR 3), 2022/106: “Art. 3:71 geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om legitimatie te vragen, wanneer iemand zich voordoet als gevolmachtigde.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. Hijma, Van Dam, Van Schendel &amp; Valk, Rechtshandeling en Overeenkomst (SBR 3), 2022/106 Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 284, (T.M.). De ontwerp-tekst waarop deze toelichting ziet (zie Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 284 (O.M.)), is weliswaar nadien gewijzigd (Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 285 (G.O.)), maar uit de toelichting (Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 284 (M.v.A. II) volgt niet dat op dit punt een wijziging is beoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 284 (O.M.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 284 (M.v.A. II).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Kortmann 3-III 2017/51.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Asser/Kortmann 3-III 2017/51 en Hijma, Van Dam, Van Schendel &amp; Valk, Rechtshandeling en Overeenkomst (SBR 3), 2022/106.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1188 (M.v.A. II Inv.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikellid luidt: “Een onmiddellijk belanghebbende kan degene in wiens naam gehandeld is, een redelijke termijn voor de bekrachtiging stellen. Hij behoeft niet met een gedeeltelijke of voorwaardelijke bekrachtiging genoegen te nemen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Kortmann 3-III 2017/90. Zie ook Van Schaick, Volmacht (Mon. BW nr. B5) 2023/18, die zich in het voorstel kan vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met zoveel woorden Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 287 (M.v.A. II), waarin bovendien als voorbeelden worden genoemd: “Zo zal een volmacht ook kunnen eindigen door het verstrijken van de tijd waarvoor zij is verleend, door het in vervulling gaan van een ontbindende voorwaarde, door het voltooid zijn van de rechtshandeling(en) waartoe zij strekt. Deze gevallen spreken echter geheel vanzelf en behoeven geen afzonderlijke vermelding.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Kortmann 3-III 2017/52. Zie daarnaast ook bijv. Hijma, Van Dam, Van Schendel &amp; Valk, Rechtshandeling en Overeenkomst (SBR 3), 2022/116, alsmede Van Schaick, Volmacht (Mon. BW nr. B5) 2023/57, die onder meer opmerkt dat “de volmacht ook [eindigt] als de overeenkomst die aan de volmacht ten grondslag ligt, is geëindigd”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 3:74 BW bevat regels voor de figuur van een onherroepelijke volmacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Kortmann 3-III 2017/53. Het gaat om een eenzijdige gerichte rechtshandeling (bijv. Van Schaick, Volmacht (Mon. BW nr. B5) 2023/60).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Kortmann 3-III 2017/54.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover verder bijv. Asser/Kortmann 3-III 2017/65 en Van Schaick, Volmacht (Mon. BW nr. B5) 2023/62.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. van der Wal, Vertegenwoordiging en bijstand in belastingzaken: fiscale rechtsbijstandverlening naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2006, p. 294 gebruikt daarvoor de term ‘machtiging in algemene bewoordingen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderscheid in art. 3:62 BW tussen een algemene volmacht en een bijzondere volmacht is voor machtigingen voor belastingzaken niet onderscheidend, omdat een tot belastingzaken beperkte machtiging, hoe ruim ook verleend voor die zaken, een bijzondere volmacht is in de zin van art. 3:62 BW. Zie bijv. P. van der Wal, Vertegenwoordiging en bijstand in belastingzaken: fiscale rechtsbijstandverlening naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2006, p. 294.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. HR 12 april 2014, ECLI:NL:HR:2013:BZ6830, BNB 2013/125, rov. 1.3. Vgl. ook ABRvS 16 maart 2005, JB 2005/127.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR2310, BNB 2005/18, rov. 3.2-3.4, en HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0819, BNB 2006/152, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:991 en ECLI:NL:RVS:2016:992.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4885.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 februari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:419, rov. 2.3 en gerechtshof Den Haag 6 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:413, rov. 4.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 april 2014, ECLI:NL:HR:2013:BZ6830, BNB 2013/125.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie mijn noot in FED 2013/45. Zie nadien over de eerste benadering ook bijv. L.M. Koenraad in AB 2014/180, punt 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 13-15 van mijn noot in FED 2013/45. In aanvulling daarop heb ik mijn noot in BNB 2018/34 erop gewezen dat de eerste benadering hoofdbrekens oplevert met betrekking tot de vraag wie als procespartij (als indiener van het beroepschrift) wordt aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.B. Pechler en M.W.C. Feteris, Evaluatie van het herziene fiscale procesrecht, WODC 2004, par. 3.6.3: “Naar onze mening is het ontbreken van een machtiging bij het beroepschrift geen verzuim in de zin van art. 6:6 Awb. Zelfs het achterwege blijven van een schriftelijke machtiging nadat de daarvoor door de rechter gestelde termijn is verstreken, vormt onzes inziens geen verzuim in de zin van art. 6:6 Awb, omdat overlegging van een schriftelijke machtiging geen bij de wet gesteld vereiste is om het (cassatie)beroep in behandeling te nemen. Wel zou de rechter aan de omstandigheid dat geen gehoor wordt gegeven aan een eerste of volgende verzoek om een schriftelijke machtiging over te leggen, de feitelijke conclusie kunnen verbinden dat de indiener van het beroepschrift niet gemachtigd was, en dus niet bevoegd was dat beroepschrift in te dienen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2, BNB 2014/44, met kritische noot Albert ter zake van de in rov. 3.3.4 gegeven argumentatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:957, BNB 2017/256.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter vergelijking: als het cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard op de grond dat het beroepschrift de gronden niet bevat en dat verzuim niet (tijdig) is hersteld, spreekt de Hoge Raad wel over een toepassing van art. 6:6 Awb; zie recent nog bijv. HR 2 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:705.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:919, alsmede meer recent bijv. HR 11 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1441 en HR 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:251.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840, BNB 2013/244.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze overwegingen zijn niet in het arrest terug te vinden, terwijl de uitspraak van de rechtbank – als ik het goed zie – niet op rechtspraak.nl is te vinden. Ik heb de overwegingen overgenomen uit de publicatie van de uitspraak in BNB 2013/244.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het arrest is trouwens aan de orde dat de rechtbank een machtiging daterend van na het in beroep bestreden besluit had verlangd. De vraag zou daarom kunnen opkomen of de overwegingen van de Hoge Raad beperkt zijn tot specifiek zo’n soort nieuwe machtiging. De redenering van de Hoge Raad lijkt voor een bevestigend antwoord niet direct een aanknopingspunt te bieden, maar het kan niet worden uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. gerechtshof Den Haag 3 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:564, rov. 4.1.2: “Als reeds een machtiging is overgelegd, maar aanleiding bestaat om te twijfelen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid ten tijde van het instellen van het (hoger) beroep, kan op die grond een nieuwe machtiging worden verlangd (vgl. HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840, BNB 2013/244).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. P. van der Wal in FED 2018/1, punt 8: “Sterker nog: er moet zelfs sprake zijn van een redelijke twijfel ten aanzien van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de desbetreffende gemachtigde (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:346, BNB 2014/96.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:446, AB 2014/180, met uitgebreide noot van L.M. Koenraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">In HR AB 2014/180 heeft dat overigens tot een oneffenheid in de kernoverweging 3.3 geleid; zie nader R. den Ouden in NTFR 2014/885.</p>\n<p class=\"lf-p\">In HR BNB 2014/96 gaat het om een op 12 augustus 2011 ondertekende machtiging en een uitspraak op bezwaar met dagtekening 22 september 2011. In HR AB 2014/180 gaat het om een op 24 maart 2012 ondertekende machtiging en een uitspraak op bezwaar met dagtekening 31 juli 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2014/11.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/187 (in randnr. 130 wordt kort meer in het algemeen ingegaan op no cure no pay). In een voorgaande bewerking (Asser/Kortmann, De Leede, Thunnissen, 5-III, 1994) stond in dit kader (ook) nog (randnr. 123): “De belastingadviseur die op basis van 'no cure, no pay' op zich heeft genomen mijn belangen te behartigen bij inspecteur en belastingkamer, zal ik toch wel een honorarium verschuldigd zijn indien ik halverwege de opdracht intrek!”.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:957, BNB 2017/256.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over HR BNB 2013/244 bijvoorbeeld M.R.P. de Bruin in Belastingblad 2013/496 (“onnodige bureaucratie [wordt] voorkomen”) en redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2013/50.6. (“De verzetuitspraak (…) heeft een zeer onwelwillend karakter. Terecht maakt de Hoge Raad daar korte metten mee”); over HR BNB 2017/166 bijvoorbeeld E.B. Pechler in BNB 2017/166 (“Maar in dit geval – een natte handtekening alleen omwille van een natte handtekening – ontbreekt een goede grond. Daarom kan ik me het ongenoegen van de gemachtigde wel indenken.”) en P. van der Wal in FED 2018/1 (“De Hoge Raad maakt daarmee – voor de praktijk: gelukkig – korte metten”).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1558, BNB 2022/148.</p>\n<p class=\"lf-p\">Interessant in dit kader – aangezien de Hoge Raad is uitgegaan van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep – is of in cassatie dezelfde machtiging is overgelegd. Daarover heb ik geen informatie kunnen vinden in openbare bronnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2022/48.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redactie Belastingblad in Belastingblad 2022/467.</p>\n<p class=\"lf-p\">S. Verkaik in NLF 2022/2163.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.H.G.M. Blomen in NTFR 2022/3596.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.A. Cramwinckel in FED 2023/96.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende het rechtspraakonderzoek werden steeds nieuwe uitspraken gepubliceerd op rechtspraak.nl. Ik heb de streep voor het onderzoek getrokken bij 1 mei 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een meer recente uitspraak is die van gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 april 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:985, maar die is in dit kader minder relevant omdat daarin aan de orde is dat de twijfel over de volmacht reeds wordt opgeroepen door de omstandigheid dat de machtiging is ondertekend door een persoon die niet als vertegenwoordigingsbevoegde voor de belanghebbende staat vermeld in het overgelegde KvK-uittreksel (rov. 3.9).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:742.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 februari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:419.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 januari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 18 september 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3263. Vgl. eerder ook bijv. gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 maart 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:705.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20 maart 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:937.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor dit laatste ook bijv. gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 november 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3485.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.C. Scherff in Belastingblad 2024/190.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. uitspraken van 30 april 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:798), 10 april 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:633, ECLI:NL:GHDHA:2025:631, ECLI:NL:GHDHA:2025:630, ECLI:NL:GHDHA:2025:629, ECLI:NL:GHDHA:2025:628), 3 april 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:565, ECLI:NL:GHDHA:2025:564, ECLI:NL:GHDHA:2025:563), alsmede (maar minder uitgebreid) de uitspraken van 13 maart 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:539; ECLI:NL:GHDHA:2025:538; ECLI:NL:GHDHA:2025:537; ECLI:NL:GHDHA:2025:536) en 6 maart 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:791).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 3 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:564.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 6 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:413. Zie ook gerechtshof Den Haag 13 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:534 en meer recent uitspraken van 9 april 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:758) en 10 april 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:755).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 7 november 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2286.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 april 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1951. Zie ook gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 april 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1950.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 april 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1949.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:154, gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 september 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5785, en ECLI:NL:GHARL:2024:5786. Vgl. ok gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5088.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:153.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb gezocht op de zoekterm ‘ECLI:NL:HR:2022:1558’ (laatstelijk 14 mei 2025) en dat leverde slechts één treffer op (gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 november 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:9937, rov. 3.1) in welke uitspraak echter het geval aan de orde is dat géén machtiging is overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 18 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1648. Hoewel C.M. Bergman (in Belastingblad 2024/282) en redactie Vakstudie Nieuws (in V-N 2024/40.21) beiden het oordeel onderschrijven, is er enig verschil van opvatting of de inhoud van de e-mail wel zo duidelijk op een herroeping duidt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 24 september 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2670, met kritische noot van R.T. Wiegerink in Belastingblad 2024/387.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2023:574, punt 1.16 voorafgaand aan HR 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1682, NJ 2024/38.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belangrijkste reden is van praktisch aard: het proces van inlichtingeninwinning is eenvoudiger door de beperking tot de vier gerechtshoven. Daarbij komt dat juist bij (enige van) de gerechtshoven een kentering in de jurisprudentie is waar te nemen wat betreft het terrein van machtigingen. Verder zijn het doorgaans de uitspraken van gerechtshoven die in cassatie ter beoordeling voorliggen. Daarnaast is een voordeel van onderzoek bij de gerechtshoven dat zij – in tegenstelling tot een deel van de rechtbanken – zowel rijksbelastingzaken (waaronder bpm-zaken) als decentrale belastingzaken (waaronder WOZ- en parkeerbelastingzaken) behandelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat heb ik overigens afgestemd met de betrokkenen teamleiders.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.A. Cramwinckel in FED 2023/96.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nuancering van de mogelijkheid dat de belanghebbende tot bekrachtiging overgaat, laat ik hier – zoals ook elders in deze beschouwing – onvermeld uit oogpunt van leesbaarheid. Dat neemt niet weg dat waar ik het hier over een pseudo-gemachtigde heb, ik doel op een gemachtigde die zonder toereikende volmacht handelt en wiens handelen evenmin wordt bekrachtigd door de belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:179, rov. 3.1, ABRS 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1703, rov. 5.1 en HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1080, rov. 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. rechtbank Oost-Brabant 2 december 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:5250, waarin de gemachtigde een schikking had getroffen in de beroepsfase terwijl de volmacht niet verder strekte dan de bezwaarfase.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Koopman van 23 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:578.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee wil ik overigens niet zeggen dat indien een pseudo-gemachtigde door de mazen van het controle-net van de bestuursrechter heen glipt, de inspecteur de geheimhoudingsplicht zou schenden door inbreng van op de zaak betrekking hebbende stukken met informatie over de belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook punt 6.8 van mijn – bij twee conclusies horende – bijlage van 22 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:873, over het algemene belang dat de rechter toetst of er een voldoende procesbelang is bij een procedure. ‘Absence of evidence is not evidence of absence’ pleegt een van mijn medewerkers te zeggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als (bijvoorbeeld: mondeling) volmacht is verleend, maar de gemachtigde zet om wat voor reden dan ook zelf de handtekening (zogenaamd van belanghebbende) op de schriftelijke machtiging, dan is de machtiging ‘vals’ in het opzicht dat daarop een valse handtekening staat, maar is niet zonder volmacht gehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie reeds P. van der Wal, Vertegenwoordiging en bijstand in belastingzaken: fiscale rechtsbijstandverlening naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2006, par. 21.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. over het feitelijk karakter van een beslissing door de feitenrechter over het bestaan van een volmacht reeds HR 19 oktober 1955, ECLI:NL:HR:1955:AY4090, BNB 1955/361 “dat de Raad, die dit geschrift als namens belanghebbende ingediend heeft beschouwd, blijkbaar heeft aangenomen, dat belanghebbende genoemd adviesbureau tot het indienen van dat bezwaarschrift had gemachtigd; dat de Raad, zulks aannemende, een feitelijke beslissing heeft gegeven, waartegen in cassatie niet met vrucht kan worden opgekomen (…)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 december 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8385, BNB 1985/45, rov. 4.3, en HR 18 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7731, BNB 1987/175, rov. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een toereikende schriftelijke machtiging wordt opgesteld nadat het rechtsmiddel reeds is aangewend, is strikt genomen niet steeds goed te bepalen of met dat stuk het bewijs is geleverd dat de gemachtigde reeds ten tijde van het aanwenden van het rechtsmiddel vertegenwoordigingsbevoegd was, maar de facto maakt dat niet uit omdat ook als dat niet het geval was dat stuk bewijs van bekrachtiging is, welke rechtsfiguur tot hetzelfde resultaat leidt (art. 3:69(1) BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7731, BNB 1987/175, rov. 3. Vgl. eerder HR 19 december 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8385, BNB 1985/45, rov. 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik laat buiten beschouwing het geval waarin (vaststaat dat) de gemachtigde een valse machtiging heeft overgelegd. Zie daarover conclusie A-G Koopman 23 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:578.</p>\n<p class=\"lf-p\">Let wel, het gaat om een bevoegdheid. De rechter mag ook genoegen nemen met ander bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. P. van der Wal, Vertegenwoordiging en bijstand in belastingzaken: fiscale rechtsbijstandverlening naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2006, p. 317 (over het verschil tussen art. 2:1 Awb en art. 41(1) (oud) AWR op dit punt) en p. 319, waarin na de weergave van art. 8:24(2) Awb wordt opgemerkt: “Sinds hoofdstuk 8 Awb ook voor het belastingrecht geldt, is de belastingrechter derhalve niet langer verplicht een mondelinge machtiging te aanvaarden.” Vgl. ook Rapport van de Commissie ter bestudering van vertegenwoordiging in het belastingrecht, Vertegenwoordiging in belastingrecht, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap no. 206, Deventer: Kluwer 1997, p. 25 waarin wordt gesignaleerd dat “[d]e formalisering die de Awb op dit punt meebrengt (…) als voordeel [heeft] dat chicaneuze bewijsaanboden op dit punt, zo die al voorkwamen, onmogelijk worden gemaakt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:697, rov. 2.4.1: “Bij de uitoefening van de hem op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheid is de inspecteur gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786, rov. 2.4.2: “(…) Het is overgelaten aan de rechter in feitelijke instantie of hij gebruik wil maken van zijn bevoegdheid ambtshalve getuigen te horen. Het staat de rechter dus vrij alleen dan van deze bevoegdheid gebruik te maken indien hem dit in het kader van de op hem rustende taak zinvol voorkomt. (…)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:778, rov. 5.2: “(…) voldoende is dat de inspecteur zich op grond van hetgeen hem reeds bekend is in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat het antwoord op zijn vragen van belang kan zijn voor de belastingheffing ten aanzien van degene tot wie zij zijn gericht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting als ervan wordt uitgegaan dat een volmacht na een bepaalde periode niet meer geldt, maar mag de feitenrechter (naar mijn mening) tijdsverloop wel in aanmerking nemen bij de beoordeling of de machtiging voldoende zekerheid biedt over de vertegenwoordigingsbevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. P. van der Wal, Vertegenwoordiging en bijstand in belastingzaken: fiscale rechtsbijstandverlening naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2006, par. 12.4 en W.H.B. den Hartog Jager, Procederen met of zonder procesvertegenwoordiger en andere aspecten van procesvertegenwoordiging, Deventer: Kluwer 2012, randnr. 73.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover bijv. P. van der Wal, Vertegenwoordiging en bijstand in belastingzaken: fiscale rechtsbijstandverlening naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2006, par. 23.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. P. van der Wal, Vertegenwoordiging en bijstand in belastingzaken: fiscale rechtsbijstandverlening naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2006, par. 21.1.2, HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:157, en L.M. Koenraad in AB 2014/180, punt 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Van Schacik, Volmacht (Mon. BW) nr. B5) 2023/47 en Hijma, Van Dam, Van Schendel &amp; Valk, Rechtshandeling en Overeenkomst (SBR 3), 2022/114.</p></div>", "next": 0}