{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het verdient opmerking dat het de eiser zelf is die op zakelijke gronden de keuze heeft gemaakt om vorderingen te bundelen en te gaan incasseren, in de kennelijke verwachting dat daar een voldoende sterke businesscase voor bestaat, ook als die vorderingen in een betrekkelijk ver verleden zijn ontstaan. De noodzakelijke inspanning om schadevergoedingsvorderingen toereikend te onderbouwen zou geen reden mogen zijn om het bewijs van de geleden schade te verlichten. Voorkomen moet worden dat schade wordt vergoed die niet is geleden. Ook voor gedaagden, en zeker ook voor de rechter die alles moet beoordelen, kunnen dit zeer bewerkelijke zaken zijn waarop vaak regie moet worden gevoerd. Alleen als het niet mogelijk is om de schade te begroten, kan de rechter overgaan tot een schatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doeltreffendheidsbeginsel is voor eiser niet het toverwoord om onder de verplichting tot bewijslevering van geleden schade uit te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.22 Het doeltreffendheidsbeginsel speelt als zodanig geen rol bij de beslissing van de rechter om een zaak wel of niet naar de schadestaatprocedure te verwijzen. De rechter is op grond van dat Unierechtelijke beginsel niet verplicht om het geding naar de schadestaat te verwijzen als de eiser dat heeft gevorderd. De beslissing om niet te verwijzen maakt het voor benadeelden immers niet (praktisch) onmogelijk of uiterst moeilijk om hun recht op schadevergoeding uit te oefenen. In veel gevallen kan de schade ook in de hoofdzaak worden vastgesteld, wat in beginsel tot dezelfde andere financiële uitkomst zou moeten leiden. Men zou zich nog eerder kunnen voorstellen dat het wel verwijzen naar de schadestaat als belastend kan worden gezien voor de eiser omdat hij een nieuwe procedure aanhangig moet maken. Dat eisende partijen niettemin verwijzing naar de schadestaat vorderen zou ermee te maken kunnen hebben dat zij de inspanningen om bewijs van de schade te leveren voor zich uit kunnen schuiven en/of dat zij mogelijk verwachten dat een veroordelend vonnis bij gedaagden ertoe kan bewegen om over een schikking te onderhandelen. Zulke strategische en financiële overwegingen, wat daar verder ook van zij, kunnen geen reden zijn om te beslissen het geding naar de schadestaatprocedure te verwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel II: reikwijdte aansprakelijkheid Kone 4.23 Dit onderdeel keert zich tegen rov. 6.68-6.69. Deze overwegingen luiden als volgt: “6.68 Kone heeft er terecht op gewezen dat zij niet de gehele inbreukperiode in Nederland aan het kartel heeft deelgenomen. Volgens de Beschikking heeft het kartel geduurd van 15 april 1998 tot 5 maart 2004, terwijl Kone van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004 aan het kartel heeft deelgenomen. Kone kan niet hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor de schadelijke gevolgen van gedragingen van de andere liftfabrikanten in kartelverband in de periode vóór haar deelname. Het hof volgt DGL niet in haar andersluidende stelling. De grondslag van de (hoofdelijke) aansprakelijkheid van Kone is haar deelname aan het kartel. Een grondslag voor die aansprakelijkheid ontbreekt in de tijd waarin Kone niet aan het kartel heeft deelgenomen. Anders dan DGL stelt, kan die aansprakelijkheid ook niet worden afgeleid uit artikel 11 lid 1 van de Kartelschaderichtlijn. Afgezien van het feit dat het kartel niet valt binnen de temporele werkingssfeer van de Kartelschaderichtlijn, voorziet artikel 11 lid 1 van deze richtlijn in hoofdelijke aansprakelijkheid voor ondernemingen die door “gemeenschappelijk optreden” inbreuk op het mededingingsrecht hebben gemaakt. In de periode waarin Kone niet aan het kartel heeft deelgenomen, was er geen “gemeenschappelijk optreden” van Kone met de andere karteldeelnemers waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.69 De rechtbank heeft dit ook onderkend. In rechtsoverweging 4.40 van het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat Kone en Otis hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade over de periode dat zij hebben deelgenomen aan het liftenkartel, te weten vanaf 1 juli 1999 respectievelijk 15 april 1998 tot 5 maart 2004. De rechtbank heeft dit echter niet tot uiting gebracht in rechtsoverweging 2.15 van het eindvonnis en in de beslissing. In zoverre slaagt het bezwaar van Kone. Het hof zal de door de rechtbank gegeven verklaring voor recht aanpassen zodat duidelijk is dat Kone alleen aansprakelijk is voor de periode vanaf 1 juli 1999. Voor het overige gaan de bezwaren van Otis en Kone inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid niet op.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.24 In subonderdeel II.1.1 betoogt DGL dat het hof heeft miskend dat (hoofdelijke) aansprakelijkheid van een partij wegens deelname aan een door art. 101 VWEU verboden overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging niet is beperkt tot de periode waarin die partij feitelijk heeft deelgenomen. Een partij zou ook aansprakelijk zijn voor de schadelijke gevolgen van een kartel die dateren van vóór de deelname van die partij daaraan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.25 De klacht gaat niet op. Om vast te stellen dat art. 101 VWEU door een onderneming is overtreden, moet worden aangetoond dat die individuele onderneming (in dit geval: Kone) heeft deelgenomen aan een door dit artikel verboden gedraging. De duur van de deelname is een objectief element van een kartelinbreuk en hangt af van het gedrag van de deelnemers. Deze duur heeft onder meer invloed op de hoogte van de boete die een deelnemer krijgt opgelegd. De Commissie stelt dan ook gewoonlijk in haar beschikkingen per deelnemer vast hoelang de deelname heeft geduurd. Hieruit volgt dat zo lang aan een kartel wordt deelgenomen tijdens deelname sprake is van een overtreding van het Unierechtelijk kartelverbod en daarmee, vertaald naar het nationale civiele recht, van onrechtmatig handelen. Zonder nadere stellingen van DGL over de duur van de deelname van Kone, is de mogelijke aansprakelijkheid van Kone dan ook beperkt tot de periode waarover Kone is beboet door de Commissie. Ook bij een enkele en voortdurende inbreuk moet in temporeel opzicht worden gedifferentieerd tussen de verschillende deelnemers aan een kartel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26 Ook art. 6:166 BW biedt geen soelaas aan DGL. Nodig is dat de benadeelde stelt en zo nodig bewijst dat de aangesprokene heeft deelgenomen aan een groep. De deelnemer is slechts aansprakelijk voor schade die gedurende de tijd van zijn deelneming aan het betreffende groepsoptreden is toegebracht aan een derde; in beginsel dus niet voor schade die is ontstaan vóór het moment waarop hij ging deelnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.27 In subonderdeel II.1.2 beargumenteert DGL dat het hof heeft miskend dat in geval van een enkele en voortdurende inbreuk alle deelnemers daaraan hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade die het gevolg is van die inbreuk. Hierbij is niet relevant wanneer een deelnemer betrokken is geraakt, aldus DGL.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.28 De klacht mist doel omdat DGL uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Bij deelname aan een enkele en voortdurende inbreuk kan een onderneming aansprakelijk zijn voor de gehele duur van haar deelneming aan die inbreuk voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk. De aansprakelijkheid gaat echter niet in vóórdat een onderneming aan het kartel deelneemt en dus bij de inbreuk betrokken raakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.29 De klacht in subonderdeel II.1.3 houdt in dat het hof heeft miskend dat een enkele en voortdurende inbreuk geldt als één enkele en onrechtmatige daad van alle deelnemers, zodat die deelnemers (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor alle schade als gevolg van die onrechtmatige daad. Het is dan niet relevant of op welk moment (vóór of ná deelname) die schade is ontstaan of veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.30 Deze klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting. De door de Commissie vastgestelde enkele voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht kwalificeert weliswaar als een onrechtmatige handeling van Kone, maar dat betekent niet dat daarmee de aansprakelijkheid van Kone vaststaat voor alle daardoor veroorzaakte schade tijdens de gehele duur van die inbreuk, dus met inbegrip van een periode waarin Kone nog niet aan het kartel deelnam.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.31 Volgens de klacht in subonderdeel II.1.4 heeft het hof miskend dat de omstandigheid dat een persoon pas is gaan deelnemen aan/behoren tot een groep toen de onrechtmatige gedraging al een aanvang had genomen, niet maakt dat die persoon niet aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van die gedraging. De aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW strekt zich ook uit tot deze schade, zeker in een geval waarin sprake is van een enkele voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht. De klacht faalt op de gronden als hiervóór bij de bespreking van subonderdeel II.1.1 uiteengezet. Kort gezegd: een deelnemer kan niet op grond van art. 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die voorafgaand aan haar deelname is ingetreden of veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.32 Subonderdeel II.1.5 tot slot bevat twee motiveringsklachten. Ten eerste is het oordeel onbegrijpelijk indien het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat in dit geval geen sprake is van een enkele en voortdurende inbreuk. Ten tweede is het oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd indien het hof heeft geoordeeld dat de gedragingen van Kone niet hebben bijgedragen aan het oordeel dat het kartel kwalificeert als een enkele en voortdurende inbreuk. Beide klachten lopen spaak omdat het hof dit niet tot uitgangspunt heeft genomen (zie de terugverwijzing naar rov. 6.29 in rov. 6.66) respectievelijk dit niet heeft geoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.33 Subonderdeel II.1.6 bevat een voortbouwklacht. Gelet op het voorgaande faalt die klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Slotsom 5.1 De slotsom is dat in de cassatieberoepen over en weer geen van de klachten doel treft.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Ik zie geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. De vraag of een geding naar de schadestaatprocedure kan worden verwezen is een vraag van nationaal recht. Bij toetsing aan het eerste criterium voor verwijzing naar de schadestaat dient naar mijn mening weliswaar te worden aangesloten bij de bindende vaststelling in de Beschikking van de Commissie dat een enkele en voortdurende inbreuk heeft plaatsgevonden, maar ook als daarvan wordt geabstraheerd kon het hof nog steeds, in navolging van de rechtbank, op nationaalrechtelijke gronden oordelen dat naar de schadestaatprocedure kon worden verwezen. De juistheid van deze beslissing hangt dus niet af van de uitleg van het Unierecht. Het lijdt in elk geval geen twijfel dat het Unierecht zich niet verzet tegen de beslissing van het hof om het geding naar de schadestaat te verwijzen 6Conclusie De conclusie strekt tot verwerping, zowel van het principaal cassatieberoep als van het incidenteel cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De feiten zijn gebaseerd op par. 3 van het bestreden arrest: Hof Den Haag 23 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:141.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikking van de Commissie van 21 februari 2007, C (2007) 512 final. Deze beschikking is in de Engelse taal te raadplegen op: https://ec.europa.eu/competition/antitrust/cases/dec_docs/38823/38823_1340_4.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die tijd werd nog gesproken van een ‘beschikking’. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon per 1 december 2009 is deze term vervangen door de term ‘besluit’. Zie art. 288, 4e alinea, VWEU.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze conclusie zal ik consequent verwijzen naar art. 101 VWEU, zoals geldend sinds 1 december 2009. Voordien was deze bepaling genummerd als art. 85 EEG en vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam op 1 mei 1999 als art. 81 EG. Die laatste nummering wordt gebruikt in de Beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pb. C 75 van 26 maart 2008, p. 19–24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerecht 13 juli 2011, T‑151/07, ECLI:EU:T:2011:365 (Kone/Commissie).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 24 oktober 2013, C‑510/11 P, ECLI:EU:C:2013:696 (Kone/Commissie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze brief is door DGL bij akte overlegging producties van 4 december 2013 overgelegd als productie 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het procesverloop is gebaseerd op par. 4 en 5 van het bestreden arrest: Hof Den Haag 23 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:141.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eis is door DGL in eerste aanleg verminderd bij aktes van 7 oktober 2015 en 28 november 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 25 mei 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4164.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 29 mei 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:4441.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 23 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6635.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doorberekeningsverweer (passing-on defence) houdt in dat op de door een directe afnemer betaalde meerprijs (overcharge) in mindering wordt gebracht het gedeelte van de betaalde meerprijs dat kon worden afgewenteld op afnemers verder in de handelsketen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Den Haag 23 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:141.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, Pb L 349 van 5 december 2014, p. 1-19. Deze richtlijn wordt soms aangeduid als ‘Schaderichtlijn’ (Damages Directive). Omdat ‘Schaderichtlijn’ door niet-specialisten mogelijk niet wordt geassocieerd met inbreuken op het mededingingsrecht vind ik de term ‘Kartelschaderichtlijn’ duidelijker. Dat de richtlijn van toepassing is op schadevergoedingsvorderingen na mededingingsinbreuken in het algemeen en niet alleen na kartels, laat onverlet dat de meeste zaken betrekking hebben op schade veroorzaakt door een kartel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook onderdeel I van het incidenteel cassatiemiddel van DGL gaat over deze materie. Voor de overzichtelijkheid van deze conclusie bespreek ik onderdeel 2 (principaal) en onderdeel I (incidenteel) niet gezamenlijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voetnoten in het origineel zijn weggelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over dit onderscheid bestaat veel rechtspraak en een zeer omvangrijke literatuur. Rechtspraakverwijzingen zijn te vinden in de schriftelijke toelichting van Kone, nrs. 2.1.7-2.18 en in de schriftelijke toelichting van DGL, nrs. 16-27. Verder verwijs naar HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1354, NJ 2019/307 m.nt. R. Wesseling, rov. 3.4.2 (SGD/Agib) en naar mijn conclusie in zaak 17/03184, ECLI:NL:PHR:2018:522 (HEM/Jumbo) voorafgaand aan HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1177 (art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HvJEU 11 september 2014, C-67/13 P, ECLI:EU:C:2014:2204 (Cartes Bancaires), punten 49-51.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de schriftelijke toelichting van DGL, nr. 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening 1/2003/EG van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (Pb L 1 van 4 januari 2003, p. 1). Deze verordening is van toepassing vanaf 1 mei 2004. De in art. 16 neergelegde regel vormt een codificatie van HvJ 14 december 2000, C-344/98, ECLI:EU:C:2000:689 (Masterfoods en HB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftelijke toelichting van Kone, nr. 2.1.5. Zie ook BGH 23 september 2020, KZR 35/19, ECLI:DE:BGH:2020:230920UKZR35.19, rov. 24: “[…] Die Bindungs- oder Feststellungswirkung erstreckt sich mithin auf alle Feststellungen tatsächlicher oder rechtlicher Natur, mit denen die Wettbewerbsbehörde einen Verstoß gegen das materielle Wettbewerbsrecht begründet. […]“ Zie de considerans van Verordening 1/2003, punt 22.Vgl. D. Ashton, Competition Damages Actions in the EU and the UK, Cheltenham: Edward Elgar Publishing 2023, p. 250 (par. 10.006): “It should be remembered that the scope of the rule contained in Article 16(1) is that the national court is under a duty to abstain from a decision which conflicts with an actual or intended Commission decision (a negative duty of abstention), rather than that the national court is absolutely bound by a Commission decision (positive binding effect). […]”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens luidt de zin ná het door het hof geciteerde deel van punt 576 van de Beschikking: “By dividing markets and customers, the undertakings did not compete for market shares and customers and succeeded in manipulating the market price and output as well as the structure of competition in the segments for sale and installation, maintenance and modernization of elevators and escalators.” Zie ook rov. 4.30 van het tussenvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:328, RvdW 2024/287, JIN 2024/46 m.nt. F.L.A. Roosmale Nepveu &amp; R.A.G. de Vaan (Solidiam Vorderingen/erfgenamen), rov. 3.2; HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:428, NJ 2023/114, JOR 2023/236 m.nt. F.M.A. ’t Hart, rov. 3.2.4. In dat laatste arrest verwerpt de Hoge Raad het criterium dat de gestelde schade aannemelijk zou moeten zijn. Zie over deze beslissing en de te hanteren drempel: T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 4.4.2 (nr. 422).</p>\n<p class=\"lf-p\">G. de Groot, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 149 Rv, aant. 6.2 (actueel t/m 17 augustus 2024) onder verwijzing naar o.a. Rutgers, Flach &amp; Boon (red.), Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 84 (MvA EK) en HR 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3715, NJ 2006/282 m.nt. M.M. Mendel (London/Aegon), rov. 4.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR (strafkamer) 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522, NJ 2016/249 m.nt. P.A.M. Mevis, AA 2016/753 m.nt. L.G.M. Stevens, rov. 2.4: “[…] De enkele omstandigheid dat een bepaald gegeven aan openbare bronnen op het internet kan worden ontleend, brengt immers op zichzelf nog niet mee dat zo een gegeven daarom een feit of omstandigheid van algemene bekendheid is in de hier bedoelde zin. Overigens is het oordeel van het Hof dat de onderhavige gegevens kunnen worden aangemerkt als feiten of omstandigheden van algemene bekendheid ook niet zonder meer begrijpelijk. Bij dergelijke feiten of omstandigheden gaat het immers in de regel om gegevens die geen specialistische kennis veronderstellen en waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Asser 3 2023/97.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6196, NJ 2008/92 (Bruns e.a./ Golden Anchor Club e.a.), rov. 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/169 en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/80, beide onder verwijzing naar HR 6 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2128, NJ 1998/415 m.nt. C.J.H. Brunner ([…] /Staat), rov. 3.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/169 en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/80, beide onder verwijzing naar HR 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3715, NJ 2006/282, m.nt. M.M. Mendel (London/Aegon), r.o. 4.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit blijkt overigens duidelijker uit de zin ná het door het hof geciteerde deel van punt 576 van de Beschikking: “By dividing markets and customers, the undertakings did not compete for market shares and customers and succeeded in manipulating the market price and output as well as the structure of competition in the segments for sale and installation, maintenance and modernization of elevators and escalators.” Zie ook rov. 4.30 van het tussenvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, COM (2013) 404 final, p. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. G. de Groot, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 149 Rv, aant. 3 (actueel t/m 17 augustus 2024): “Het niet of niet voldoende betwisten van een feit of recht kan diverse vormen aannemen. […] Het komt ook voor dat een partij een door de wederpartij gesteld feit weliswaar met een eigen verhaal weerspreekt, maar die weerspreking in het licht van de ingeroepen rechtsgevolgen, het partijdebat of andere omstandigheden van het geval onvoldoende wordt geacht om als gemotiveerde betwisting te kunnen worden aangemerkt. Ook dit geval kan in beginsel worden geschaard onder het niet voldoende betwisten van een feit als bedoeld in art. 149 lid 1, tweede volzin, Rv. […].”</p>\n<p class=\"lf-p\">Kone verwijst in haar schriftelijke toelichting nr. 3.1.8 naar het tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7089, rov. 2.17-2.18 (Trucks).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepalingen zijn op 1 januari 1992 in werking getreden: Wet van 7 mei 1986, Stb. 1986, 295 en Stb. 1990, 90. Daarvóór gold een regeling die zijn basis had in art. 612-615 van het op 1 oktober 1838 ingevoerde Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Stb. 1828, 36 en Stb. 1838, 12). De geschiedenis van de schadestaatprocedure is te vinden in: J. Spoelder, De schadestaatprocedure (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1966, nr. 81 (p. 150-152) en T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), , par. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J. Knijp, ‘De ruime mogelijkheden van de schadestaatprocedure’, NbBW 1999/2, p. 22; T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 3.3 (nr. 308).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:38, NJ 2021/178 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2021/132 m.nt. G.J.L. Bergervoet, JIN 2021/29 m.nt. R.J.G. Mengelberg (Holding X/Gemeente Eindhoven), rov. 3.2. In datzelfde arrest maakte de Hoge Raad daar overigens een uitzondering op (zie rov. 3.3.1-3.3.3). Zie ook HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, NJ 2008/285 (Romein Staalbouw), rov. 3.5.3: “[…] De schadestaatprocedure van art. 612–615b Rv. sluit aan bij afdeling 6.1.10 BW betreffende de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding en is dan ook een procedure waarin de vaststelling van de inhoud en de omvang van de in de hoofdprocedure vastgestelde verplichting tot schadevergoeding, aan de orde is. De grondslag van die verplichting, zoals in dit geval de wanprestatie, dient bij uitsluiting in de hoofdprocedure te worden vastgesteld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, NJ 2008/285 (Romein Staalbouw).</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.1 (nr. 401), onder verwijzing naar HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246, RvdW 2006/681 (Stichting Juridische Dienstverlening Drenthe/X), rov. 3.5.2. Zie ook: W.H. van Hemel, Sdu commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 612 Rv; N.E. Groeneveld-Tijssens, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 612 Rv, aant. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.2.2 (nr. 407), onder verwijzing naar HR 14 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2676, NJ 2004/49 ([…] / […]), rov. 3.3. Zie ook M. Barendrecht &amp; D.D. Breukers, in: H.M. Storm &amp; J.M. Barendrecht (red.), Berekening van schadevergoeding, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995, p. 343-344: “De schadestaatprocedure dient slechts om de omvang van de schade vast te stellen voor zover die het gevolg is van een in het vonnis in het hoofdgeding vastgestelde handeling waarvoor de gedaagde aansprakelijk is. De schadestaatprocedure is uitdrukkelijk niet bedoeld om de aansprakelijkheid van de gedaagde te beoordelen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:854, NJ 2022/219, rov. 4.1.2; HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1083, RvdW 2020/785 (X/R&amp;R Systems Holding), rov. 3.2.1. Zie voor een geval waarin de Hoge Raad vernietigde omdat in de schadestaatprocedure (gedeeltelijk) werd teruggekomen van een aansprakelijkheidsoordeel in de hoofdprocedure: HR 30 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2383, NJ 1998/381 m.nt. H.J. Snijders ([…] /Van Gastel q.q. c.s.), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:756 (ABN AMRO Clearing), onder verwijzing naar HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, rov. 3.5.3 (Romein Staalbouw).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1071, NJ 2013/69 ([…] / […]). In die zaak was in de hoofdprocedure vastgesteld dat een gekochte installatie in een bepaald tijdvak (juli/augustus 1998) niet voldeed aan de overeengekomen specificaties. Over het functioneren van de installatie in de daaraan voorafgaande periode (1995-1998) was volgens het gerechtshof in die zaak niets vastgesteld. De Hoge Raad achtte dat oordeel in het licht van het partijdebat onbegrijpelijk en oordeelde dat na vernietiging de verwijzingsrechter tot het oordeel zou kunnen komen dat de gestelde schade over de voorafgaande periode voortvloeide uit dezelfde tekortkoming als de schade die zich had voorgedaan in juli/augustus 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:328, genoemd in voetnoot 26..</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.4.2 (nr. 423).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem par. 4.3.2 (nr. 418): “Bij een verzoek tot verwijzing naar de schadestaatprocedure gelden geen aanvullende eisen aan de stelplicht. Integendeel, de op eiser rustende stelplicht is enigszins verlicht: eiser is niet verplicht om in de hoofdzaak direct alle gegevens die op de schade betrekking hebben op tafel te leggen.” De auteur verwijst o.m. naar Reehuis, Slob &amp; Rijpkema (red.), Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw 1992, p. 269.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 12 mei 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2391 (Truckkartel).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:415 (Luchtvrachtkartel) en HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:414 (Truckkartel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het komt ook voor, zij het niet zo vaak, dat een follow-on vordering wordt gebaseerd op een besluit van een nationale mededingingsautoriteit, zoals in Nederland de Autoriteit Consument en Markt. Een voorbeeld is de zaak Macedonian Breweries/Heineken &amp; Athenian Breweries (lopende zaak 21/02116), waarin bij de Nederlandse rechter een zaak aanhangig is gemaakt op basis van de vaststelling van een inbreuk door de Griekse mededingingsautoriteit. Zie HvJEU 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85 (Athenian Breweries).</p>\n<p class=\"lf-p\">De term ‘benadeelden’ reserveer ik voor partijen die zelf nadeel hebben geleden, bijvoorbeeld als contractspartij. In deze zaak zijn dat de betrokken woningcorporaties. Zij worden in de gedingstukken ook aangeduid als ‘de deelnemers’, maar die term vind ik – naast ‘karteldeelnemers’ – hier enigszins verwarrend. Onder ‘benadeelden’ valt niet een claimvehikel dat in rechte optreedt, nadat daaraan (gepretendeerde) vorderingen zijn overgedragen of volmachten zijn verleend door de achterliggende partijen. Die laatsten zijn de benadeelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaste rechtspraak sinds HvJ 20 september 2001, C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465 (Courage/Crehan), punt 26, en HvJ 13 juli 2006, C-295/04 e.a., ECLI:EU:C:2006:461 (Manfredi), punt 61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van A-G Szpunar van 19 september 2024, C-253/23, ECLI:EU:C:2024:767 (ASG 2), punt 85 e.v., onder verwijzing naar de conclusies van A-G Kokott, C-557/12, ECLI:EU:C:2014:45 (Kone e.a.), punt 23, en van A-G Wahl, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:100 (Skanska), punten 40-41.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 28 januari 2020, KZR 24/17, ECLI:DE:BGH:2020:280120UKZR24.17.0 (Schienenkartell II), rov. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204, NJ 2020/58 m.nt. J.S. Kortmann, JOR 2019/151 m.nt. S.A. van Dijk, SEW 2019/11 m.nt. D. Wouters, M&amp;M 2019/3 m.nt. R.M.T.M. Jaspers &amp; T.J. Binder, en Ondernemingsrecht 2019/74 m.nt. B.J. Drijber (Skanska). In die zaak werd het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’ in de zin van economische eenheid, dat is ontwikkeld in het kader van publiekrechtelijke handhaving, doorgetrokken naar privaatrechtelijke handhaving, zoals daarna werd uitgewerkt in HvJ 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800 (Sumal).</p>\n<p class=\"lf-p\">Umbrella pricing is het fenomeen dat aanbieders die niet deelnemen aan een kartel hun prijzen als gevolg van dat kartel op een hoger niveau hebben vastgesteld dan zonder dat kartel het geval zou zijn geweest. De betaalde meerprijs vormt schade. Daarvoor kunnen niet die andere aanbieders aansprakelijk worden gehouden omdat zij geen inbreuk hebben gepleegd en dus niet onrechtmatig hebben gehandeld. Deze schade wordt toegerekend aan de aanbieders die aan het kartel hebben deelgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 5 juni 2014, C-557/12, ECLI:EU:C:2014:1317 (Kone e.a./ÖBB).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 12 december 2019, C-435/18, ECLI:EU:C:2019:1069 (Otis e.a./ Land Oberösterreich).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 28 maart 2019, C-637/17, ECLI:EU:C:2019:263 (Cogeco) inzake Portugese verjaringsregels en HvJ 18 april 2024, C-605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (Heureka/Google) inzake Tsjechische verjaringsregels. In beide zaken was de verjaringstermijn aanzienlijk korter dan de vijfjaarstermijn van art. 3:310 BW en bovendien kon die korte verjaringstermijn niet worden gestuit.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 28 januari 2025, C-253/23, ECLI:EU:C:2025:40 (ASG 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 3 lid 3 Kartelschaderichtlijn luidt: “Volledige vergoeding uit hoofde van deze richtlijn mag niet leiden tot overcompensatie, ongeacht of het punitieve schadevergoeding, meervoudige schadevergoeding of andere vormen van schadevergoeding betreft.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de tussenuitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2025 in de zaak Air Cargo (ECLI:NL:HR:2025:415), rov. 3.1.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HvJ (Grote Kamer) 6 november 2012, C-199/11, ECLI:EU:C:2012:684 (Europese Gemeenschap/Otis e.a.), punt 65.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het liftenkartel, het luchtvrachtkartel en het truckkartel zijn daarvan voorbeelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie T. Kalliokoski &amp; K. Havu, ‘Single infringements of competition law: who is liable for what?’, CMLR 2024 (61), p. 417-448, p. 419.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.a.p. p. 422, met verwijzing naar de reeds aangehaalde zaken C-724/17 (Skanska) en C-882/19 (Sumal).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een soortgelijke vraag naar de impact van materiële mededingingsrechtelijke begrippen op nationale maar ook op andere Unierechtelijke bepalingen doet zich voor op het gebied van het internationaal privaatrecht, getuige onder meer de prejudiciële verwijzingen door de Hoge Raad in de in voetnoot 51 genoemde zaak Heineken (internationale bevoegdheid) en in de in voetnoot 50 genoemde zaken Air cargo en Trucks (toepasselijk recht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:412, NJ 2019/388 m.nt. J.L. Smeehuijzen en JBPr 2019/31 m.nt. I.M.A. Lintel (Parkeergarage Zandvoort), rov. 3.5.2: “[…] Daarom moet in een geval als dit worden aangenomen dat de termijn van twintig jaren begint te lopen zodra de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, is opgehouden te bestaan […].”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een binnenlandse zaak waarin op vergelijkbare gronden naar de schadestaatprocedure is verwezen als in deze zaak: Hof Den Bosch 30 januari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:225 (spanstaalkartel), rov. 9.9.5. Tegen die uitspraak is cassatie ingesteld door Nedri Spanstaal (zaak 24/01745), Arcelor Mittal (zaak 24/01746) en DWK (zaak 24/01748). Verweerster (en eiseres in eerste aanleg) is Deutsche Bahn. Uit het arrest van het hof Den Bosch blijkt dat in die zaak Duits recht van toepassing is op de schadevergoedingsvorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof van Beroep Brussel 18 november 2024, repertoriumnummer 2024/7832 en rolnummer 2015/AR/95.</p>\n<p class=\"lf-p\">In eerste aanleg heeft de rechtbank in die zaak prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Zie HvJ (Grote Kamer) 6 november 2012, C-199/11, ECLI:EU:C:2012:684, NJ 2013/168 m.nt. M.R. Mok, SEW 2013/3, p. 123-127 m.nt. P-A. van Malleghem, EHRC 2013/3 m.nt. C. Mak (Europese Gemeenschap/Otis e.a.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie § 4.2.3 van het arrest op p. 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie § 4.2.5.3 op p. 32. Net als in Nederland kan de rechter de omvang de schade pas gaan schatten als schade aannemelijk is (en niet als alleen de mogelijkheid van schade aannemelijk is).</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 23 september 2020, KZR 35/19, ECLI:DE:BGH:2020:230920UKZR35.19.0 (LKW Kartell I), rov. 40. Het feitelijk vermoeden werd bevestigd in BGH 28 juni 2022, KZR 46/20, ECLI:DE:BGH:280622UKZR46.20.0 (Stahl-Strahlmittel), rov. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 23 september 2020, KZR 35/19,ECLI:DE:BGH:2020:230920UKZR35.19.0 (Schienenkartell V), rov. 73.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 28 juni 2022, KZR 46/20, ECLI:DE:BGH:2022:280622UKZR46.20.0 (Stahl-Strahlmittel), rov. 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 28 januari 2020, KZR 24/17, ECLI:DE:BGH:2020:280120UKZR24.17.0 (Schienenkartell II), rov. 25-27.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 13 april 2021, KZR 19/20, ECLI:DE:BGH:2021:130421UKZR19.20.0 (LKW-Kartell II), rov. 21 en ook (Stahl-Strahlmittel), rov. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 29 november 2022, ECLI:DE:BGH:2022:291122UKZR42.20.0, rov. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die zin ook de schriftelijke toelichting van Kone, voetnoot 43 op p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de hoofdzaak, het causaal verband en tussenliggende feiten: T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.6 (nr. 443). De auteur merkt o.a. op dat het “[…] niet verstandig [is] om als procespartij te weigeren in te gaan op causaliteitsvragen in de aanname dat deze tot de schadestaatprocedure kunnen blijven wachten. Dat is misschien correct voor een deel van de causaliteitsvragen, maar niet voor allemaal.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, NJ 2008/285 (Romein Staalbouw), rov. 3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1071, NJ 2013/69, JA 2013/47 m.nt. M.E. Franke ([…] / […]), rov. 3.4.2: “Bij de beoordeling dient tot uitgangspunt dat volgens vaste rechtspraak de hoofdprocedure ertoe dient om de grondslag van de verplichting tot schadevergoeding, zoals in dit geval de tekortkoming, vast te stellen (HR 16 mei 2008, LJN BD1674, NJ 2008/285). Dat brengt mee dat in de onderhavige schadestaatprocedure slechts die schadeposten aan de orde kunnen komen die zijn veroorzaakt door de in de hoofdprocedure vastgestelde tekortkoming van […] B.V. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201 m.nt. C.E. du Perron, AA 2010/336 m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, JOR 2010/43 m.nt. K. Frielink, Ondernemingsrecht 2010/21 m.nt. H.M. Vletter-van Dort (World Online), rov. 4.4.2: “[…] dat World Online en de Banken er belang bij hebben reeds in de hoofdprocedure verweermiddelen te kunnen aanvoeren tegen de vorderingen van (groepen van) bepaalde beleggers.” Het ging om een nadere onderbouwing van de vorderingsgerechtigdheid van een stichting die vorderingen instelde als cessionaris van bepaalde individuele beleggers van World Online. Zie J. de Bie Leuvelink Tjeenk, ‘De verhouding tussen hoofdprocedure en schadestaatprocedure’, MvV 2010/5, p. 122-123.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 28 juni 2022, KZR 46/20, ECLI:DE:BGH:2022:280622UKZR46.20.0 (Stahl-Strahlmittel), rov. 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie schriftelijke toelichting Kone, nr. 3.1.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de samenvatting van 25 mei 2016 van het Commissie-besluit van 2 april 2014 in zaak AT nr. 39.792, Pb EU 2016, C 366/6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:428, NJ 2023/114, JOR 2023/236 m.nt. F.M.A. ’t Hart, rov. 3.2.4. Zie over deze beslissing en de te hanteren drempel: T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 4.4.2 (nr. 422).</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin bijv. D.J. Beenders, in: T&amp;C Rv, commentaar op art. 149 Rv, aant. 2.c. (actueel t/m 1 oktober 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.4.1 (nr. 421): “[…] Anders gezegd: de rechter moet voldoende reden hebben om te oordelen dat er in het geheel geen schade is geleden. Zo niet, dan blijft de serieuze kans bestaan dat er wel schade is, wat voldoende grond zou opleveren voor verwijzing naar de schadestaatprocedure.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de schriftelijke toelichting van Kone (5.1.5) een andere klacht wordt geformuleerd (namelijk: het hof heeft niet beoordeeld of ten aanzien van één van de tot een groep behorende personen (Kone of een van de andere inbreukplegers) aan alle vereisten van onrechtmatige daad is voldaan) is dat te laat.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 5.6 (nr. 543, achtste streepje): “Dit betekent dat [in de schadestaatprocedure] in het bijzonder aan de orde kunnen komen: […] de vraag of er gronden zijn die in de weg staan aan een verplichting tot betaling van het gehele bedrag aan schadevergoeding, zoals […] het aandeel van een hoofdelijk aansprakelijke partij […].” De auteur verwijst ter adstructie naar HR 23 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD5713, NJ 1989/743 m.nt. J.C. Schultsz &amp; J.H. Nieuwenhuis, AA 1989/874 m.nt. S.C.J.J. Kortmann, RVMR 2014/52 m.nt. A.I.M. van Mierlo, A.J. van der Lely &amp; S.E. Bartels, rov. 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter onderbouwing van deze rechtsopvatting wordt in de procesinleiding in voetnoot 1 verwezen naar punt 2 van de noot van C.J.H. Brunner onder HR 25 maart 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4558, NJ 1984/629 (Steengaassteller).</p>\n<p class=\"lf-p\">W.H. Heemskerk heeft opgemerkt dat deze drempel het absoluut minimum is: noot onder HR 13 juni 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC3099, NJ 1981/185 ([…] /Fargion).</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.4.2 (nr. 423).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van het Nederlands Burgerlijk Procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2024, par. 194 (p. 302).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus ook A-G Wesseling-van Gent in punt 2.5 van haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:209) voor HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:669, RvdW 2018/569 (81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in incidenteel appel, par. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel, nr. 139 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in incidenteel appel, punt 2.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.4.2 (nr. 423). Zie ook al T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘De ambivalente regeling van de schadestaatprocedure’, TCR 2008/1, p. 3-4: “Dat de mogelijkheid van causaal verband met enige schade-elementen aannemelijk moet zijn gemaakt volgt uit het feit dat het nodig is de mogelijkheid van schade als gevolg van de fout aannemelijk te maken.” De auteur verwijst ter vergelijking naar HR 16 januari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4132, NJ 1981/426 m.nt. C.J.H. Brunner ([…] / […]).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in deze zin T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 2.2 (nr. 205).</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in incidenteel appel, punten 2.9-2.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 17 lid 2 van de Kartelschaderichtlijn luidt: “Kartelinbreuken worden geacht schade te berokkenen. De inbreukpleger heeft het recht dit vermoeden te weerleggen.”. Art. 6:193l implementeert deze bepaling en luidt: “Een kartel, dat een inbreuk op het mededingingsrecht vormt, wordt vermoed schade te veroorzaken.”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 22 lid 1 luidt: “De lidstaten zorgen ervoor dat geen terugwerkende kracht wordt gegeven aan de nationale maatregelen die krachtens artikel 21 worden vastgesteld ter naleving van de materiële bepalingen van deze richtlijn.”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat art. 17 lid 2 is aan te merken als een materiële regel als bedoeld in art. 22 lid 1 volgt uit HvJ 22 juni 2022, C-267/20, ECLI:EU:C:2022:494, NJ 2024/187 m.nt. (onder NJ 2024/188) J.S. Kortmann (Volvo &amp; DAF Trucks/RM), punt 90 e.v. Zie naar aanleiding van o.a. dit arrest: S.L. Boersen, ‘De klokken staan gelijk, maar wie weet hoe laat het is?’, MvV 2022/11, p. 398-405.</p>\n<p class=\"lf-p\">K. Lenaerts &amp; P. van Nuffel, Europees recht, Antwerpen: Intersentia 2023, nr. 698 en 855 (p. 561 en p. 694), onder verwijzing naar HvJ 15 april 2008, ECLI:EU:C:2008:223, C-268/06 (Impact), punten 44-45. Zie ook 3.49 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ter illustratie het arrest Heureka (voetnoot 60), punt 57.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn van tien jaar die lid 3 vanaf 1 januari 1994 noemde, is bij Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 184, in werking getreden op 1 juni 1998, vervangen door zeven jaar. Ook de bewaartermijn van art. 52 lid 4 Algemene Wet Rijksbelastingen is overigens met dezelfde wet aangepast van tien naar zeven jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.M. Harmsen, Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 213.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld een rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling: Tax Administration in OECD Countries: Comparative Information Series (2004), p. 52-53 (Table 11). Dit rapport is beschikbaar op: https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/publications/reports/2012/06/tax-administration-in-oecd-countries-comparative-information-series-2004_0feec2c1/abbd5904-en.pdf Een van de eerste dingen die een claimvehikel eigenlijk zou moeten doen als een benadeelde toetreedt tot zijn achterban is hem vragen contracten, facturen en andere documentatie te bewaren en beschikbaar te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de pleitnota namens DGL voor de zitting van 15 juli 2023 in hoger beroep wordt daar op gewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een schatting moet duidelijk zijn wat wordt geschat: de meerprijs t.o.v. van de hypothetische situatie zonder het kartel, of ook het aantal transacties, de in werkelijkheid betaalde prijs (als facturen zouden ontbreken), etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klacht gaat dus niet over schade die zou zijn ontstaan in wat wel wordt aangeduid als de ‘na-ijlperiode’. Daarmee wordt bedoeld het fenomeen dat in sommige gevallen inbreuken op het mededingingsrecht ook nadat zij zijn beëindigd nog enige tijd schade kunnen blijven veroorzaken zo lang de ex-karteldeelnemers in staat zijn om individueel hogere prijzen te hanteren, totdat de ‘normale’ concurrentieverhoudingen zijn hersteld..</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 13 juli 2023, C-757/21 P, ECLI:EU:C:2023:575 (Nichicon Corporation/Commissie), punt 149.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover bijv. J. Koivusalo, ‘It ain’t over until it’s over – when do infringements of EU competition law end?’ European Competition Journal 2024, p. 243-273 (op p. 244-245).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in de beschikking van de Commissie die de aanleiding vormt voor deze kartelschadezaak is vastgesteld wat de duur is van de deelname van Kone (punten 519-522).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit lijkt overigens ook de opvatting van DGL zelf, zie dupliek onder 15: “[…] de norm neergelegd in art. 101 VWEU wordt geschonden op het moment dat een onderneming meedoet aan een totaalplan om de mededinging te beperken (kort gezegd: meedoet aan een kartel). […].”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook in deze zin Hof Arnhem-Leeuwarden 28 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7753 (Alstom c.s./TenneT c.s.), rov. 3.39: “[…] Wel is de aansprakelijkheid van Alstom Holdings voor de door TenneT c.s. daardoor geleden schade beperkt tot de periode waarover Areva T&amp;D Holding SA in de Beschikking is beboet, namelijk 9 januari tot 11 mei 2004. […].”</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J.B. Boonekamp, in: Stelplicht &amp; Bewijslast, commentaar op art. 6:166 BW (actueel t/m 2 oktober 2017).</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J.B. Boonekamp, Onrechtmatige daad in groepsverband, 2013/7.3.2. De auteur nam onder verwijzing naar deze paragraaf ook in 2024 nog dit standpunt in: R.J.B. Boonekamp, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:166 BW, aant. 5.3 (actueel t/m 8 februari 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 26 januari 2017, C-614/13 P, ECLI:EU:C:2017:63 (Masco Corp. c.s. v. Commissie), punt 23 en HvJ 26 januari 2017, C-609/13 P, ECLI:EU:C:2017:46 (Duravit AG c.s. v. Commissie), punt 118. Zie ook M.J. Frese, ‘Civil Liability for Single and Continuous Infringements’, World Competition 41(2), 2018, p. 179-196 (op p. 183, met in voetnoot 19 een verwijzing naar voormelde arresten): “[…] However, an undertaking’s responsibility for a SCI [single and continuous infringement, A-G] is limited to the period of its participation.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In die zin ook de schriftelijke toelichting van Kone, nr. 8.1.19.</p></div>", "next": 0}