{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Hof van Beroep Brussel 18 november 2024, repertoriumnummer 2024/7832 en rolnummer 2015/AR/95.</p>\n<p class=\"lf-p\">In eerste aanleg heeft de rechtbank in die zaak prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Zie HvJ (Grote Kamer) 6 november 2012, C-199/11, ECLI:EU:C:2012:684, NJ 2013/168 m.nt. M.R. Mok, SEW 2013/3, p. 123-127 m.nt. P-A. van Malleghem, EHRC 2013/3 m.nt. C. Mak (Europese Gemeenschap/Otis e.a.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie § 4.2.3 van het arrest op p. 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie § 4.2.5.3 op p. 32. Net als in Nederland kan de rechter de omvang de schade pas gaan schatten als schade aannemelijk is (en niet als alleen de mogelijkheid van schade aannemelijk is).</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 23 september 2020, KZR 35/19, ECLI:DE:BGH:2020:230920UKZR35.19.0 (LKW Kartell I), rov. 40. Het feitelijk vermoeden werd bevestigd in BGH 28 juni 2022, KZR 46/20, ECLI:DE:BGH:280622UKZR46.20.0 (Stahl-Strahlmittel), rov. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 23 september 2020, KZR 35/19,ECLI:DE:BGH:2020:230920UKZR35.19.0 (Schienenkartell V), rov. 73.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 28 juni 2022, KZR 46/20, ECLI:DE:BGH:2022:280622UKZR46.20.0 (Stahl-Strahlmittel), rov. 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 28 januari 2020, KZR 24/17, ECLI:DE:BGH:2020:280120UKZR24.17.0 (Schienenkartell II), rov. 25-27.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 13 april 2021, KZR 19/20, ECLI:DE:BGH:2021:130421UKZR19.20.0 (LKW-Kartell II), rov. 21 en ook (Stahl-Strahlmittel), rov. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 29 november 2022, ECLI:DE:BGH:2022:291122UKZR42.20.0, rov. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de hoofdzaak, het causaal verband en tussenliggende feiten: T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.6 (nr. 443). De auteur merkt o.a. op dat het “[…] niet verstandig [is] om als procespartij te weigeren in te gaan op causaliteitsvragen in de aanname dat deze tot de schadestaatprocedure kunnen blijven wachten. Dat is misschien correct voor een deel van de causaliteitsvragen, maar niet voor allemaal.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, NJ 2008/285 (Romein Staalbouw), rov. 3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1071, NJ 2013/69, JA 2013/47 m.nt. M.E. Franke ([…]/[…]), rov. 3.4.2 en hiervoor voetnoot 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201 m.nt. C.E. du Perron, AA 2010/336 m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, JOR 2010/43 m.nt. K. Frielink, Ondernemingsrecht 2010/21 m.nt. H.M. Vletter-van Dort (World Online), rov. 4.4.2: “[…] dat World Online en de Banken er belang bij hebben reeds in de hoofdprocedure verweermiddelen te kunnen aanvoeren tegen de vorderingen van (groepen van) bepaalde beleggers.” Het ging om een nadere onderbouwing van de vorderingsgerechtigdheid van een stichting die vorderingen instelde als cessionaris van bepaalde individuele beleggers van World Online. Zie J. de Bie Leuvelink Tjeenk, ‘De verhouding tussen hoofdprocedure en schadestaatprocedure’, MvV 2010/5, p. 122-123.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter onderbouwing van deze rechtsopvatting wordt in de schriftelijke toelichting, nr. 68, verwezen naar de noot van C.J.H. Brunner onder HR 25 maart 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4558, NJ 1984/629 (Steengaassteller).</p>\n<p class=\"lf-p\">W.H. Heemskerk heeft opgemerkt dat deze drempel het absoluut minimum is: noot onder HR 13 juni 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC3099, NJ 1981/185 ([…]/Fargion).</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.4.2 (nr. 423).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van het Nederlands Burgerlijk Procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2024, par. 194 (p. 302).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus ook A-G Wesseling-van Gent in punt 2.5 van haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:209) vóór HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:669, RvdW 2018/569 (81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in incidenteel appel, par. 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel, nr. 139 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in incidenteel appel, nr. 2.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.4.2 (nr. 423). Zie ook al T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘De ambivalente regeling van de schadestaatprocedure’, TCR 2008/1, p. 3-4: “Dat de mogelijkheid van causaal verband met enige schade-elementen aannemelijk moet zijn gemaakt volgt uit het feit dat het nodig is de mogelijkheid van schade als gevolg van de fout aannemelijk te maken.” De auteur verwijst ter vergelijking naar HR 16 januari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4132, NJ 1981/426 m.nt. C.J.H. Brunner ([…]/[…]).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in deze zin T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 2.2 (nr. 205).</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in incidenteel appel, nrs. 2.9-2.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 17 lid 2 van de Kartelschaderichtlijn luidt: “Kartelinbreuken worden geacht schade te berokkenen. De inbreukpleger heeft het recht dit vermoeden te weerleggen.”. Art. 6:193l implementeert deze bepaling en luidt: “Een kartel, dat een inbreuk op het mededingingsrecht vormt, wordt vermoed schade te veroorzaken.”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 22 lid 1 luidt: “De lidstaten zorgen ervoor dat geen terugwerkende kracht wordt gegeven aan de nationale maatregelen die krachtens artikel 21 worden vastgesteld ter naleving van de materiële bepalingen van deze richtlijn.”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat art. 17 lid 2 is aan te merken als een materiële regel als bedoeld in art. 22 lid 1 volgt uit HvJ 22 juni 2022, C-267/20, ECLI:EU:C:2022:494, NJ 2024/187 m.nt. (onder NJ 2024/188) J.S. Kortmann (Volvo &amp; DAF Trucks/RM), punt 90 e.v. Zie naar aanleiding van o.a. dit arrest: S.L. Boersen, ‘De klokken staan gelijk, maar wie weet hoe laat het is?’, MvV 2022/11, p. 398-405.</p>\n<p class=\"lf-p\">K. Lenaerts &amp; P. van Nuffel, Europees recht, Antwerpen: Intersentia 2023, nr. 698 en 855 (p. 561 en p. 694), onder verwijzing naar HvJ 15 april 2008, ECLI:EU:C:2008:223, C-268/06 (Impact), punten 44-45. Zie ook 3.47 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ter illustratie het arrest Heureka (voetnoot 57), punt 57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit persbericht is te raadplegen op: https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/nl/ip_07_209.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pb. C 75 van 26 maart 2008, p. 19–24.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn van tien jaar die lid 3 vanaf 1 januari 1994 noemde, is bij Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 184, in werking getreden op 1 juni 1998, vervangen door zeven jaar. Ook de bewaartermijn van art. 52 lid 4 Algemene Wet Rijksbelastingen is overigens met dezelfde wet aangepast van tien naar zeven jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.M. Harmsen, Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 213.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld een rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling: Tax Administration in OECD Countries: Comparative Information Series (2004), p. 52-53 (Table 11). Dit rapport is beschikbaar op: https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/publications/reports/2012/06/tax-administration-in-oecd-countries-comparative-information-series-2004_0feec2c1/abbd5904-en.pdf In de pleitnota namens DGL voor de zitting van 15 juli 2023 in hoger beroep wordt daarop gewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een schatting moet duidelijk zijn wat wordt geschat: de meerprijs t.o.v. van de hypothetische situatie zonder het kartel, of ook het aantal transacties, de in werkelijkheid betaalde prijs, etc.</p></div>", "next": 0}