{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Overigens luidt de zin ná het door het hof geciteerde deel van punt 576 van de Beschikking: “By dividing markets and customers, the undertakings did not compete for market shares and customers and succeeded in manipulating the market price and output as well as the structure of competition in the segments for sale and installation, maintenance and modernization of elevators and escalators.” Zie ook rov. 4.30 van het tussenvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:328, RvdW 2024/287, JIN 2024/46 m.nt. F.L.A. Roosmale Nepveu &amp; R.A.G. de Vaan (Solidiam Vorderingen/erfgenamen), rov. 3.2; HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:428, NJ 2023/114, JOR 2023/236 m.nt. F.M.A. ’t Hart, rov. 3.2.4. In dat laatste arrest verwerpt de Hoge Raad het criterium dat de gestelde schade aannemelijk zou moeten zijn. Zie over deze beslissing en de te hanteren drempel: T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 4.4.2 (nr. 422).</p>\n<p class=\"lf-p\">G. de Groot, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 149 Rv, aant. 6.2 (actueel t/m 17 augustus 2024) onder verwijzing naar o.a. Rutgers, Flach &amp; Boon (red.), Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 84 (MvA EK) en HR 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3715, NJ 2006/282 m.nt. M.M. Mendel (London/Aegon), rov. 4.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR (strafkamer) 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522, NJ 2016/249 m.nt. P.A.M. Mevis, AA 2016/753 m.nt. L.G.M. Stevens, rov. 2.4: “[…] De enkele omstandigheid dat een bepaald gegeven aan openbare bronnen op het internet kan worden ontleend, brengt immers op zichzelf nog niet mee dat zo een gegeven daarom een feit of omstandigheid van algemene bekendheid is in de hier bedoelde zin. Overigens is het oordeel van het Hof dat de onderhavige gegevens kunnen worden aangemerkt als feiten of omstandigheden van algemene bekendheid ook niet zonder meer begrijpelijk. Bij dergelijke feiten of omstandigheden gaat het immers in de regel om gegevens die geen specialistische kennis veronderstellen en waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Asser 3 2023/97.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6196, NJ 2008/92 ([…] e.a./ Golden Anchor Club e.a.), rov. 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/169 en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/80, beide onder verwijzing naar HR 6 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2128, NJ 1998/415 m.nt. C.J.H. Brunner ([…] /Staat), rov. 3.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/169 en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/80, beide onder verwijzing naar HR 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3715, NJ 2006/282, m.nt. M.M. Mendel (London/Aegon), r.o. 4.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit blijkt overigens duidelijker uit de zin ná het door het hof geciteerde deel van punt 576 van de Beschikking: “By dividing markets and customers, the undertakings did not compete for market shares and customers and succeeded in manipulating the market price and output as well as the structure of competition in the segments for sale and installation, maintenance and modernization of elevators and escalators.” Zie ook rov. 4.30 van het tussenvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, COM (2013) 404 final, p. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. G. de Groot, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 149 Rv, aant. 3 (actueel t/m 17 augustus 2024): “Het niet of niet voldoende betwisten van een feit of recht kan diverse vormen aannemen. […] Het komt ook voor dat een partij een door de wederpartij gesteld feit weliswaar met een eigen verhaal weerspreekt, maar die weerspreking in het licht van de ingeroepen rechtsgevolgen, het partijdebat of andere omstandigheden van het geval onvoldoende wordt geacht om als gemotiveerde betwisting te kunnen worden aangemerkt. Ook dit geval kan in beginsel worden geschaard onder het niet voldoende betwisten van een feit als bedoeld in art. 149 lid 1, tweede volzin, Rv. […].”</p>\n<p class=\"lf-p\">Kone verwijst in haar schriftelijke toelichting nr. 3.1.8 naar het tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7089, rov. 2.17-2.18 (Trucks).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepalingen zijn op 1 januari 1992 in werking getreden: Wet van 7 mei 1986, Stb. 1986, 295 en Stb. 1990, 90. Daarvóór gold een regeling die zijn basis had in art. 612-615 van het op 1 oktober 1838 ingevoerde Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Stb. 1828, 36 en Stb. 1838, 12). De geschiedenis van de schadestaatprocedure is te vinden in: J. Spoelder, De schadestaatprocedure (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1966, nr. 81 (p. 150-152) en T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), , par. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J. Knijp, ‘De ruime mogelijkheden van de schadestaatprocedure’, NbBW 1999/2, p. 22; T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 3.3 (nr. 308).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:38, NJ 2021/178 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2021/132 m.nt. G.J.L. Bergervoet, JIN 2021/29 m.nt. R.J.G. Mengelberg (Holding X/Gemeente Eindhoven), rov. 3.2. In datzelfde arrest maakte de Hoge Raad daar overigens een uitzondering op (zie rov. 3.3.1-3.3.3). Zie ook HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, NJ 2008/285 (Romein Staalbouw), rov. 3.5.3: “[…] De schadestaatprocedure van art. 612–615b Rv. sluit aan bij afdeling 6.1.10 BW betreffende de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding en is dan ook een procedure waarin de vaststelling van de inhoud en de omvang van de in de hoofdprocedure vastgestelde verplichting tot schadevergoeding, aan de orde is. De grondslag van die verplichting, zoals in dit geval de wanprestatie, dient bij uitsluiting in de hoofdprocedure te worden vastgesteld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, NJ 2008/285 (Romein Staalbouw).</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.1 (nr. 401), onder verwijzing naar HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246, RvdW 2006/681 (Stichting Juridische Dienstverlening Drenthe/X), rov. 3.5.2. Zie ook: W.H. van Hemel, Sdu commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 612 Rv; N.E. Groeneveld-Tijssens, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 612 Rv, aant. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.2.2 (nr. 407), onder verwijzing naar HR 14 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2676, NJ 2004/49 ([…] / […]), rov. 3.3. Zie ook M. Barendrecht &amp; D.D. Breukers, in: H.M. Storm &amp; J.M. Barendrecht (red.), Berekening van schadevergoeding, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1995, p. 343-344: “De schadestaatprocedure dient slechts om de omvang van de schade vast te stellen voor zover die het gevolg is van een in het vonnis in het hoofdgeding vastgestelde handeling waarvoor de gedaagde aansprakelijk is. De schadestaatprocedure is uitdrukkelijk niet bedoeld om de aansprakelijkheid van de gedaagde te beoordelen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:854, NJ 2022/219, rov. 4.1.2; HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1083, RvdW 2020/785 (X/R&amp;R Systems Holding), rov. 3.2.1. Zie voor een geval waarin de Hoge Raad vernietigde omdat in de schadestaatprocedure (gedeeltelijk) werd teruggekomen van een aansprakelijkheidsoordeel in de hoofdprocedure: HR 30 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2383, NJ 1998/381 m.nt. H.J. Snijders ([…] /Van Gastel q.q. c.s.), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:756 (ABN AMRO Clearing), onder verwijzing naar HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, rov. 3.5.3 (Romein Staalbouw).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1071, NJ 2013/69 ([…] / […]), rov. 3.4.2. In die zaak was in de hoofdprocedure vastgesteld dat een gekochte installatie in een bepaald tijdvak (juli/augustus 1998) niet voldeed aan de overeengekomen specificaties. Over het functioneren van de installatie in de daaraan voorafgaande periode (1995-1998) was volgens het gerechtshof in die zaak niets vastgesteld. De Hoge Raad achtte dat oordeel in het licht van het partijdebat onbegrijpelijk en oordeelde dat na vernietiging de verwijzingsrechter tot het oordeel zou kunnen komen dat de gestelde schade over de voorafgaande periode voortvloeide uit dezelfde tekortkoming als de schade die zich had voorgedaan in juli/augustus 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:328, genoemd in voetnoot 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.4.2 (nr. 423).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem par. 4.3.2 (nr. 418): “Bij een verzoek tot verwijzing naar de schadestaatprocedure gelden geen aanvullende eisen aan de stelplicht. Integendeel, de op eiser rustende stelplicht is enigszins verlicht: eiser is niet verplicht om in de hoofdzaak direct alle gegevens die op de schade betrekking hebben op tafel te leggen.” De auteur verwijst o.m. naar Reehuis, Slob &amp; Rijpkema (red.), Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw 1992, p. 269.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 12 mei 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2391 (Truckkartel).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:415 (Luchtvrachtkartel) en HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:414 (Truckkartel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het komt ook voor, zij het niet zo vaak, dat een follow-on vordering wordt gebaseerd op een besluit van een nationale mededingingsautoriteit, zoals in Nederland de Autoriteit Consument en Markt. Een voorbeeld is de zaak Macedonian Breweries/Heineken &amp; Athenian Breweries (lopende zaak 21/02116), waarin bij de Nederlandse rechter een zaak aanhangig is gemaakt op basis van de vaststelling van een inbreuk door de Griekse mededingingsautoriteit. Zie HvJEU 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85 (Athenian Breweries).</p>\n<p class=\"lf-p\">De term ‘benadeelden’ reserveer ik voor partijen die zelf nadeel hebben geleden, bijvoorbeeld als contractspartij. In deze zaak zijn dat de betrokken woningcorporaties. Zij worden in de gedingstukken ook aangeduid als ‘de deelnemers’, maar die term vind ik – naast ‘karteldeelnemers’ – hier enigszins verwarrend. Onder ‘benadeelden’ valt niet een claimvehikel dat in rechte optreedt, nadat daaraan (gepretendeerde) vorderingen zijn overgedragen of volmachten zijn verleend door de achterliggende partijen. Die laatsten zijn de benadeelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaste rechtspraak sinds HvJ 20 september 2001, C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465 (Courage/Crehan), punt 26, en HvJ 13 juli 2006, C-295/04 e.a., ECLI:EU:C:2006:461 (Manfredi), punt 61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van A-G Szpunar van 19 september 2024, C-253/23, ECLI:EU:C:2024:767 (ASG 2), punt 85 e.v., onder verwijzing naar de conclusies van A-G Kokott, C-557/12, ECLI:EU:C:2014:45 (Kone e.a.), punt 23, en van A-G Wahl, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:100 (Skanska), punten 40-41.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 28 januari 2020, KZR 24/17, ECLI:DE:BGH:2020:280120UKZR24.17.0 (Schienenkartell II), rov. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204, NJ 2020/58 m.nt. J.S. Kortmann, JOR 2019/151 m.nt. S.A. van Dijk, SEW 2019/11 m.nt. D. Wouters, M&amp;M 2019/3 m.nt. R.M.T.M. Jaspers &amp; T.J. Binder, en Ondernemingsrecht 2019/74 m.nt. B.J. Drijber (Skanska). In die zaak werd het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’ in de zin van economische eenheid, dat is ontwikkeld in het kader van publiekrechtelijke handhaving, doorgetrokken naar privaatrechtelijke handhaving, zoals daarna werd uitgewerkt in HvJ 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800 (Sumal).</p>\n<p class=\"lf-p\">Umbrella damage: zie voetnoot 17 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 5 juni 2014, C-557/12, ECLI:EU:C:2014:1317 (Kone e.a./ÖBB).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 12 december 2019, C-435/18, ECLI:EU:C:2019:1069 (Otis e.a./ Land Oberösterreich).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 28 maart 2019, C-637/17, ECLI:EU:C:2019:263 (Cogeco) inzake Portugese verjaringsregels en HvJ 18 april 2024, C-605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (Heureka/Google) inzake Tsjechische verjaringsregels. In beide zaken was de verjaringstermijn aanzienlijk korter dan de vijfjaarstermijn van art. 3:310 BW en kon die korte verjaringstermijn bovendien niet worden gestuit.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 28 januari 2025, C-253/23, ECLI:EU:C:2025:40 (ASG 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 3 lid 3 Kartelschaderichtlijn luidt: “Volledige vergoeding uit hoofde van deze richtlijn mag niet leiden tot overcompensatie, ongeacht of het punitieve schadevergoeding, meervoudige schadevergoeding of andere vormen van schadevergoeding betreft.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de tussenuitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2025 in de zaak Air Cargo (ECLI:NL:HR:2025:415), rov. 3.1.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HvJ (Grote Kamer) 6 november 2012, C-199/11, ECLI:EU:C:2012:684 (Europese Gemeenschap/Otis e.a.), punt 65.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het liftenkartel, het luchtvrachtkartel en het truckkartel zijn daarvan voorbeelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie T. Kalliokoski &amp; K. Havu, ‘Single infringements of competition law: who is liable for what?’, CMLR 2024 (61), p. 417-448, p. 419.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.a.p. p. 422, met verwijzing naar de reeds aangehaalde zaken C-724/17 (Skanska) en C-882/19 (Sumal).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een soortgelijke vraag naar de impact van materiële mededingingsrechtelijke begrippen op nationale maar ook op andere Unierechtelijke bepalingen doet zich voor op het gebied van het internationaal privaatrecht, getuige onder meer de prejudiciële verwijzingen door de Hoge Raad in de in voetnoot 56 genoemde zaak Heineken (internationale bevoegdheid) en in de in voetnoot 55 genoemde zaken Air cargo en Trucks (toepasselijk recht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:412, NJ 2019/388 m.nt. J.L. Smeehuijzen en JBPr 2019/31 m.nt. I.M.A. Lintel (Parkeergarage Zandvoort), rov. 3.5.2: “[…] Daarom moet in een geval als dit worden aangenomen dat de termijn van twintig jaren begint te lopen zodra de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, is opgehouden te bestaan […].”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een binnenlandse zaak waarin op vergelijkbare gronden naar de schadestaatprocedure is verwezen als in deze zaak: Hof Den Bosch 30 januari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:225 (spanstaalkartel), rov. 9.9.5. Tegen die uitspraak is cassatie ingesteld door Nedri Spanstaal (zaak 24/01745), Arcelor Mittal (zaak 24/01746) en DWK (zaak 24/01748). Verweerster (en eiseres in eerste aanleg) is Deutsche Bahn. Uit het arrest van het hof Den Bosch blijkt dat in die zaak Duits recht van toepassing is op de schadevergoedingsvorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof van Beroep Brussel 18 november 2024, repertoriumnummer 2024/7832 en rolnummer 2015/AR/95.</p>\n<p class=\"lf-p\">In eerste aanleg heeft de rechtbank in die zaak prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Zie HvJ (Grote Kamer) 6 november 2012, C-199/11, ECLI:EU:C:2012:684, NJ 2013/168 m.nt. M.R. Mok, SEW 2013/3, p. 123-127 m.nt. P-A. van Malleghem, EHRC 2013/3 m.nt. C. Mak (Europese Gemeenschap/Otis e.a.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie § 4.2.3 van het arrest op p. 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie § 4.2.5.3 op p. 32. Net als in Nederland kan de rechter de omvang de schade pas gaan schatten als schade aannemelijk is (en niet als alleen de mogelijkheid van schade aannemelijk is).</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 23 september 2020, KZR 35/19, ECLI:DE:BGH:2020:230920UKZR35.19.0 (LKW Kartell I), rov. 40. Het feitelijk vermoeden werd bevestigd in BGH 28 juni 2022, KZR 46/20, ECLI:DE:BGH:280622UKZR46.20.0 (Stahl-Strahlmittel), rov. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 23 september 2020, KZR 35/19,ECLI:DE:BGH:2020:230920UKZR35.19.0 (Schienenkartell V), rov. 73.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 28 juni 2022, KZR 46/20, ECLI:DE:BGH:2022:280622UKZR46.20.0 (Stahl-Strahlmittel), rov. 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 28 januari 2020, KZR 24/17, ECLI:DE:BGH:2020:280120UKZR24.17.0 (Schienenkartell II), rov. 25-27.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 13 april 2021, KZR 19/20, ECLI:DE:BGH:2021:130421UKZR19.20.0 (LKW-Kartell II), rov. 21 en ook (Stahl-Strahlmittel), rov. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 29 november 2022, ECLI:DE:BGH:2022:291122UKZR42.20.0, rov. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die zin ook de schriftelijke toelichting van Kone, voetnoot 43 op p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de hoofdzaak, het causaal verband en tussenliggende feiten: T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.6 (nr. 443). De auteur merkt o.a. op dat het “[…] niet verstandig [is] om als procespartij te weigeren in te gaan op causaliteitsvragen in de aanname dat deze tot de schadestaatprocedure kunnen blijven wachten. Dat is misschien correct voor een deel van de causaliteitsvragen, maar niet voor allemaal.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1674, NJ 2008/285 (Romein Staalbouw), rov. 3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1071, NJ 2013/69, JA 2013/47 m.nt. M.E. Franke ([…] / […]), rov. 3.4.2. Zie ook 3.41 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201 m.nt. C.E. du Perron, AA 2010/336 m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, JOR 2010/43 m.nt. K. Frielink, Ondernemingsrecht 2010/21 m.nt. H.M. Vletter-van Dort (World Online), rov. 4.4.2: “[…] dat World Online en de Banken er belang bij hebben reeds in de hoofdprocedure verweermiddelen te kunnen aanvoeren tegen de vorderingen van (groepen van) bepaalde beleggers.” Het ging om een nadere onderbouwing van de vorderingsgerechtigdheid van een stichting die vorderingen instelde als cessionaris van bepaalde individuele beleggers van World Online. Zie J. de Bie Leuvelink Tjeenk, ‘De verhouding tussen hoofdprocedure en schadestaatprocedure’, MvV 2010/5, p. 122-123.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 28 juni 2022, KZR 46/20, ECLI:DE:BGH:2022:280622UKZR46.20.0 (Stahl-Strahlmittel), rov. 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie schriftelijke toelichting Kone, nr. 3.1.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de samenvatting van 25 mei 2016 van het Commissie-besluit van 2 april 2014 in zaak AT nr. 39.792, Pb EU 2016, C 366/6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:428, NJ 2023/114, JOR 2023/236 m.nt. F.M.A. ’t Hart, rov. 3.2.4. Zie over deze beslissing en de te hanteren drempel: T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 4.4.2 (nr. 422).</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin bijv. D.J. Beenders, in: T&amp;C Rv, commentaar op art. 149 Rv, aant. 2.c. (actueel t/m 1 oktober 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 4.4.1 (nr. 421): “[…] Anders gezegd: de rechter moet voldoende reden hebben om te oordelen dat er in het geheel geen schade is geleden. Zo niet, dan blijft de serieuze kans bestaan dat er wel schade is, wat voldoende grond zou opleveren voor verwijzing naar de schadestaatprocedure.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de schriftelijke toelichting van Kone (5.1.5) een andere klacht wordt geformuleerd (namelijk: het hof heeft niet beoordeeld of ten aanzien van één van de tot een groep behorende personen (Kone of een van de andere inbreukplegers) aan alle vereisten van onrechtmatige daad is voldaan) is dat te laat.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure (BPP nr. 14), par. 5.6 (nr. 543, achtste streepje): “Dit betekent dat [in de schadestaatprocedure] in het bijzonder aan de orde kunnen komen: […] de vraag of er gronden zijn die in de weg staan aan een verplichting tot betaling van het gehele bedrag aan schadevergoeding, zoals […] het aandeel van een hoofdelijk aansprakelijke partij […].” De auteur verwijst ter adstructie naar HR 23 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD5713, NJ 1989/743 m.nt. J.C. Schultsz &amp; J.H. Nieuwenhuis, AA 1989/874 m.nt. S.C.J.J. Kortmann, RVMR 2014/52 m.nt. A.I.M. van Mierlo, A.J. van der Lely &amp; S.E. Bartels (Kalimijnen), rov. 3.6.</p></div>", "next": 0}