{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">“In de literatuur is na het arrest BNB 2006/63 gesuggereerd, dat de rechtspraak een zekere subjectivering van het begrip 'opkomen' laat zien. Doordat de rechtspraak van belang acht dat de ontvangst van de voordelen 'buiten het zicht van de fiscus' wordt gehouden, onderscheidenlijk dat de belastingplichtige de bankrekening waarop de voordelen zijn ontvangen, 'in alle openheid naar de Belastingdienst toe aanhield', wordt de intentie van de belastingplichtige (mede) bepalend voor het antwoord op de vraag of de verlengde navorderingstermijn van toepassing is. De Hoge Raad lijkt met dit arrest afstand te nemen van deze (vermeende) subjectivering en zich strikter aan de tekst van art. 16, vierde lid, AWR te houden. In elk geval maakt de Hoge Raad de in het arrest BNB 2006/63 gegeven beperking van gevallen waarvoor de twaalfjaarstermijn niet geldt, niet ruimer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijze van betalen in het buitenland Wij zien overigens niet in dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen enerzijds een storting door een debiteur vanaf een buitenlandse bankrekening naar een Nederlandse bankrekening met als gevolg dat navordering na vijf jaar niet meer mogelijk is, en anderzijds een storting door de belastingplichtige van in het buitenland van debiteuren genoten contante inkomsten op een Nederlandse bankrekening, met als gevolg dat wél gedurende twaalf jaar kan worden nagevorderd. Deze laatste situatie verschilt weinig met de situatie waarin in het buitenland van een debiteur ontvangen contante inkomsten eerst aldaar op een bankrekening van de onderneming worden gestort en vervolgens naar een Nederlandse bankrekening zijn overgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderscheid tussen de buitenlandse debiteur die zelf zijn betaling doet op een Nederlandse bankrekening en de buitenlandse debiteur die in het buitenland contant betaalt, waarna het geld in Nederland door de belanghebbende nu juist 'in alle openheid' (het criterium in het arrest BNB 2006/63) op een Nederlandse bankrekening wordt gestort, is niet zo groot. De Hoge Raad vindt contante geldstromen minder betrouwbaar en verwijst hiervoor naar een passage uit de wetsgeschiedenis: 'de wijze waarop de belastingplichtige zich in het buitenland laat uitbetalen.' Wij plaatsen een vraagteken bij de opvatting die ertoe leidt dat personen die contante geldstromen uit het buitenland binnen het zicht van de fiscus brengen, worden 'beloond' met een verlengde navorderingstermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die verlengde navorderingstermijn is immers bedoeld om te voorkomen dat geld buiten het zicht van de fiscus wordt gehouden. Bovendien:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>voor zover de inspecteur kan bewijzen dat een belastingplichtige niet alle in het buitenland ontvangen contante betalen heeft aangegeven, behoudt hij in zoverre de navorderings-bevoegdheid gedurende twaalf jaar;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>tijdens de parlementaire behandeling van art. 16, vierde lid, AWR is het door de Hoge Raad bedoelde onderscheid wel aan de orde gekomen, maar in de tekst van die bepaling is daarvan niets terug te vinden.</div>\n<p class=\"lf-p\">In deze zaak komt daar nog bij dat de directeur van X bv, zoals door Hof Amsterdam is vastgesteld, met de inspecteur vooraf heeft overlegd over zijn in Polen regelmatig ontvangen opbrengsten in contanten en dat de inspecteur hem schriftelijk heeft meegedeeld: 'Het per kas ontvangen van dividenden uit Polen door [belanghebbende] op zich, is, zolang het bankverkeer in Polen niet is genormaliseerd, acceptabel.' Wij menen dat bij een zo vér gaande maatregel als verlenging van de navorderingstermijn, de tekst van de wet duidelijk moet zijn en de rechter niet ertoe moet nopen invulling te geven aan weinig concrete passages uit de wetsgeschiedenis.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk op dat uit het door de redactie genoemde overleg met de inspecteur blijkt dat de directeur van de BV de inspecteur had voorgespiegeld dat het om ‘dividenden’ zou gaan, maar dat was dus niet het geval: het was omzet, geen vrijgesteld dividend. De belanghebbende had zich dus niet alleen indirect, via omzetting van chartaal naar giraal, in Polen laten betalen op een in alle openheid aangehouden Nederlandse rekening, maar had bovendien de inspecteur niet-bestaande feiten op de mouw gespeld: er was geen ‘dividend’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.16 Volgens Sitzen (noot in NTFR 2010/2436) achtte u in HR BNB 2010/333 niet van belang of de omschrijving van de storting (‘dividend Polen’) correct was: “4. Het meest in het oog springende verschil van HR 7 oktober 2005 [HR BNB 2006/63; PJW] met het onderhavige geval is derhalve de wijze van betaling: rechtstreekse overmaking vanuit het buitenland op een Nederlandse bankrekening of ontvangst in contanten in het buitenland met een opvolgende storting op een Nederlandse bankrekening. Blijkens de overwegingen van de Hoge Raad in het onderhavige arrest is cruciaal dat de oorsprong van de gelden door contante storting op een Nederlandse bankrekening aan het zicht van de fiscus was onttrokken. Daarbij lijkt de Hoge Raad geen onderscheid te maken in gevallen waarin de omschrijving van de storting juist is en gevallen waarin de omschrijving niet juist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dezen immers werd het winstbestanddeel in Polen ontvangen, maar onder een valse benaming als ‘dividend Polen’ op de Nederlandse bankrekening gestort en ook als zodanig – onder toepassing van de deelnemingsvrijstelling – in de aangifte vennootschapsbelasting verwerkt. Het geld werd dus onder een andere noemer overgemaakt op de Nederlandse bankrekening en dáárdoor buiten het bereik van een doelmatige controle van de fiscus gehouden. Hoe zou het oordeel hebben geluid als tussen partijen niet in geschil was dat de omschrijving juist was? De conclusie lijkt te zijn dat een directe storting van een buitenlandse debiteur niet leidt tot toepassing van de verlengde navorderingstermijn en een indirecte storting (met welke omschrijving dan ook) wel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorslaggevend zal steeds zijn of de controlebevoegdheden van de fiscus al dan niet werden gefrustreerd doordat de oorsprong van de gelden wel of niet zichtbaar is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk op dat als de oorsprong van dit voordeel zichtbaar is, ook zichtbaar is of de omschrijving ervan klopt. Met de verhulde ‘oorsprong’ bedoelde u immers niet de locatie van opkomst van het voordeel, want die stond juist wél in de omschrijving (‘Polen’), maar de causa van het voordeel: opbrengst van handelstransacties.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.17 HR BNB 2015/225 betrof een geval omgekeerd aan dat van HR BNB 2004/367 (zie 5.5 hierboven): er werd vermogen in het buitenland aangehouden, maar het beheer ervan bevond zich in Nederland. De belanghebbende meende dat daarom de navorderingstermijn niet werd verlengd. Noch het Hof ’s-Hertogenbosch, noch u ging daarin mee: “2.3.2. Deze middelen steunen ten dele op de stelling dat het beheer van de hiervoor bedoelde beleggingen van erflater plaatsvond in Nederland. De middelen falen in zoverre omdat, wat er zij van de feitelijke grondslag voor die stelling, de enkele omstandigheid dat het beheer van beleggingen plaatsvindt in Nederland niet aan toepassing van artikel 16, lid 4, AWR in de weg staat (vgl. HR 13 augustus 2004, nr. 39287, ECLI:NL:HR:2004:AQ6911, BNB 2004/367).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Grauss (noot in FED 2015/99) achtte wettekst noch rechtspraak duidelijk over de vraag in welke gevallen de navorderingstermijn wel c.q. niet verlengd wordt: “2. (…) roept dit arrest de vraag op waar toepassing van de verlengde navorderingstermijn stopt. Evident lijkt dat het aanhouden van een bankrekening bij een in Nederland gevestigde bank niet onder het toepassingsbereik van art. 16 lid 4 AWR valt. Maar op het moment dat dezelfde bank met het geld en de wetenschap van de belastingplichtige gaat beleggen in Luxemburgs of Zweeds onroerend goed, kan evengoed worden gezegd dat het vermogen in het buitenland wordt gehouden en dat de betreffende bank louter buitenlandse beleggingen van de belastingplichtige beheert (al is het rendement op een bankrekening niet direct hetzelfde als het rendement dat van een beheerder wordt verlangd). Valt dit geval dan opeens onder de tekst van art. 16 lid 4 AWR? Deze situatie zou dan nog worden gered doordat de belastingplichtige de bankrekening in alle openheid aanhoudt richting de Belastingdienst (zie ook BNB 2006/63).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Termijnen in het recht dienen de rechtszekerheid. Dat het recht zeker is, maakt het recht rechtvaardig. Ik zou het toejuichen als de wetgever omwille van de rechtszekerheid bij een eventuele aanpassing van de navorderingstermijnen meer objectiviteit en duidelijkheid aanbrengt in de toepassingsvoorwaarden van deze termijn. De jurisprudentie van de Hoge Raad over dit artikel duidt er ondertussen op dat de wettekst niet uitblinkt in helderheid. In BNB 2003/83, BNB 2004/367, en BNB 2006/63 viel het eindoordeel voor de belanghebbende gunstig uit. Steeds weer dienen deze arresten zorgvuldig te worden gelezen, terwijl een belastingplichtige idealiter zou moeten kunnen volstaan met een blik te werpen op de wettekst om te bezien of hij of zij ‘uit de gevarenzone’ is. Of iemand kwaadwillend is, acht ik daarbij niet van belang. Dat speelt in art. 70 Sr (verjaring van strafbare feiten) evenmin een rol. Het legaliteitsbeginsel behoort mijns inziens voorop te staan in het belastingrecht, zeker als het gaat om navorderingstermijnen.”</div>\n<p class=\"lf-p\">5.18 Op 16 maart 2018 wees u twee arresten over de verlengde navorderingstermijn die de fiscale geschiedenis zijn ingegaan als het IJssalon-arrest en het Interieurwinkel-arrest. De belanghebbenden in het IJssalon-arrest HR BNB 2018/87 exploiteerden – jawel - een IJssalon in Nederland. Zij hadden de contante salonomzet niet aangegeven en gestald in een Nederlandse bankkluis. Later hebben zij de contante bedragen op een Zwitserse bankrekening gestort. U achtte art. 16(4) AWR niet van toepassing omdat de contante omzet in het buitenland was gegenereerd noch ontvangen: “2.4.1. Het middel [van de Staatssecretaris; PJW] betoogt (…) met een beroep op doel en strekking van artikel 16, lid 4, AWR dat nietaangegeven winstbestanddelen als de onderhavige met toepassing van de verlengde navorderingstermijn in de heffing kunnen worden betrokken. Die winstbestanddelen zijn immers, aldus het middel, buiten het zicht van de fiscus gehouden door storting op een buitenlandse bankrekening van de contant ontvangen bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betoog faalt. Uit de (…) vaststelling van het Hof over de oorsprong van de storting, volgt dat het hier gaat om winstbestanddelen waarvan de verwerving en ontvangst geen enkel aanknopingspunt hadden met een ander land dan Nederland. In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat die winstbestanddelen zijn opgekomen in het buitenland in de zin van artikel 16, lid 4, AWR. Dit wordt niet anders indien deze bedragen naderhand buiten het zicht van de Nederlandse belastingdienst op een buitenlandse bankrekening worden gestort. Het tijdsverloop tussen de ontvangst van die bedragen en de storting ervan op de buitenlandse bankrekening is in dit verband niet van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel zoekt (…) tevergeefs steun in rechtsoverweging 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 13 augustus 2004, nr. 39287, ECLI:NL:HR:2004:AQ6911, BNB 2004/367. Met de in die overweging opgenomen verwijzing naar in Nederland verkregen inkomsten die naar een rekening in het buitenland zijn overgeboekt, is niet gedoeld op gevallen als het onderhavige, maar op situaties waarin inkomsten uit in Nederland verrichte activiteiten rechtstreeks worden uitbetaald op een rekening in het buitenland.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Haas annoteerde in BNB 2018/87: “6. De omstandigheid dat een bepaald inkomens- of vermogensbestanddeel niet of moeilijk in het zicht van de Nederlandse fiscus pleegt te komen is op zich uiteraard onvoldoende voor de toepassing van de verlengde navorderingstermijn. In alle gevallen geldt immers dat art. 16 lid 4 AWR alleen in beeld kan komen als er in het geheel van oorsprong en ontvangst een buitenlandse component te onderkennen valt. Het onderhavige arrest maakt duidelijk dat die component er ook onmiddellijk moet zijn. Gaat het – zoals hier – om winst waarvan zowel de oorsprong als de ontvangst geen buitenlands aspect heeft, dan is art. 16 lid 4 AWR niet aan de orde. Gedragingen na de ontvangst (in dit geval het storten van de bedragen op de buitenlandse bankrekening) zijn, ongeacht het tijdsverloop tussen de ontvangst en die gedragingen, niet van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hoge Raad maakt van de gelegenheid gebruik om zijn overweging in BNB 2004/367 dat de wetgever (mede) “het oog heeft gehad (…) op in Nederland verkregen inkomsten die naar een rekening in het buitenland zijn overgeboekt” te verhelderen. Het gaat daarbij om situaties waarin rechtstreeks op een buitenlandse rekening wordt betaald en dus niet om gevallen waarin het overboeken plaatsvindt na de ontvangst in Nederland. Deze benadering van de Hoge Raad lag naar mijn mening voor de hand. In de omgekeerde situatie – uitbetaling van een buitenlandse vordering in contanten, gevolgd door storting op een in de aangifte verantwoorde Nederlandse bankrekening – had hij immers reeds in BNB 2010/333* beslist dat de op de uitbetaling volgende storting niet afdeed aan de bevoegdheid van de inspecteur om met toepassing van de verlengde termijn na te vorderen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.19 Het Interieurwinkel-arrest HR BNB 2018/88 is vergelijkbaar met het IJssalon-arrest: de verwerving en ontvangst van winst van een interieurwinkel speelde zich af in Nederland; de verzwegen winst werd later op een buitenlandse rekening gestort. U overwoog: “3.3. In dit geval, waarin de Inspecteur slechts kon navorderen met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR, diende hij dan ook feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat de stortingen afkomstig waren uit winst van erflater die in het buitenland is opgekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het hiervoor in 2.9 weergegeven oordeel van de Rechtbank ligt het – in cassatie niet bestreden – oordeel besloten dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verwerving en ontvangst door erflater van de bedragen waaruit de stortingen afkomstig zijn, enig aanknopingspunt hadden met een ander land dan Nederland. In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat die winstbestanddelen zijn opgekomen in het buitenland in de zin van artikel 16, lid 4, AWR. Dit wordt niet anders indien deze bedragen naderhand buiten het zicht van de Nederlandse belastingdienst op een buitenlandse bankrekening worden gestort. Het tijdsverloop tussen de ontvangst van die bedragen en de storting ervan op de buitenlandse bankrekeningen is in dit verband niet van belang (zie het heden door de Hoge Raad gewezen arrest in de zaak met nummer 17/01663, ECLI:NL:HR:2018:303).”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.20 HR BNB 2023/92 betrof de Zwitserse casus waarnaar de Staatssecretaris verwijst. Die zaak is door u afgedaan met art. 81 Wet RO (ongemotiveerde verwerping van het cassatieberoep van de belanghebbende). De conclusie in die zaak betrof ook de samenhangende zaak. Het ging om de zaken nrs. 22/03044 (de dga) en 22/03043 (BV A). In de zaak van de dga was in geschil of diens aanmerkelijk-belangvoordeel (verkapt dividend uit de winst van de BV) was ‘opgekomen’ in het buitenland. De dga hield tot eind 2014 50% en daarna 100% van de aandelen in BV A. Op naam van een Zwitserse vennootschap die van niets wist, werden aan BV A gefingeerde kosten berekend. Zij maakte de gefactureerde bedragen over naar een coderekening bij een Zwitserse bank, beheerd door de mede-aandeelhouder van de dga, van waaraf de bedragen werden overgemaakt naar de persoonlijke Zwitserse rekeningen van de dga en diens mede-aandeelhouder. Na mediaberichten dat de fiscus een groepsverzoek om inlichtingen aan de Zwitserse fiscus had gedaan, heeft de dga op 9 oktober 2015 gemeld dat hij vermogen in het buitenland aanhield waarover geen belasting was betaald, maar hij vermeldde niet de betalingen naar en van de Zwitserse (code)rekeningen. Toen de inspecteur daar alsnog achter kwam, heeft hij die betalingen aangemerkt als reguliere inkomsten uit ab van de dga. Het Hof oordeelde dat de ab-voordelen in het buitenland waren opgekomen: “4.2.13. Op grond van het hiervoor geformuleerde toetsingskader [de boven gegeven wetsgeschiedenis en rechtspraak; PJW] is het Hof evenals de rechtbank van oordeel dat de door belanghebbende genoten reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang (middellijke uitdelingen van winst) zijn opgekomen in het buitenland als bedoeld in artikel 16, vierde lid, AWR. De omstandigheden dat de vennootschappen die de (middellijke) winstuitdelingen hebben verricht – [vennootschap A] respectievelijk de houdstervennootschap – in Nederland zijn gevestigd en de genieter van deze winstuitdelingen (belanghebbende) in Nederland woonachtig is, doen daar niet aan af. In het onderhavige geval is beslissend de wijze waarop de middellijke winstuitdelingen zijn verricht, zoals op basis van de door belanghebbende overgelegde bankafschriften is beschreven in de brieven van de inspecteur van 23 oktober 2018 aan belanghebbende respectievelijk [vennootschap A] (…): [vennootschap A] heeft op basis van facturen voor gefingeerde prestaties gelden overmaakt naar een bij [bank] in Zwitserland aangehouden coderekening waarvoor de andere middellijke aandeelhouder in [vennootschap A] , [A] , bevoegd was, waarna vanaf die coderekening de voor belanghebbende bestemde gelden werden overgeboekt naar zijn [bank] -rekening, die eveneens in Zwitserland werd aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op deze wijze van uitbetaling op een buitenlandse bankrekening zijn de middellijke winstuitdelingen naar het oordeel van het Hof opgekomen in het buitenland als bedoeld in artikel 16, vierde lid, AWR. Ook de strekking van deze bepaling leidt tot deze conclusie. Door de versluierde wijze waarop belanghebbende zich deze winstuitdelingen heeft laten uitbetalen via een door [bank] gefaciliteerde coderekening, op basis van facturen voor gefingeerde prestaties door een Zwitserse vennootschap, heeft belanghebbende deze verkapte winstuitdelingen immers buiten het zicht van de Nederlandse fiscus willen houden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.21 In cassatie betoogde de dga dat het voordeel niet in het buitenland is opgekomen omdat (a) vanuit A BV, een Nederlandse entiteit, is betaald, (b) vanaf een Nederlandse bankrekening op naam van A BV en (c) zowel de betalingen als de facturen in de Nederlandse administratie van A BV zijn verwerkt. Uit HR BNB 1959/124 volgt verder dat de dga de uitdelingen genoot op het moment waarop het geld aan de BV werd onttrokken. De onttrekkingen hadden hun oorsprong in Nederland en zij werden bijgevolg evenzeer in Nederland genoten. Ik achtte dit middel ongegrond omdat (i) de inspecteur de valsheid van de facturen en daarmee de verzwijging van ab-voordelen niet op eigen kracht had kunnen vaststellen zonder de Zwitserse fiscus te vragen om bij het Zwitserse bedrijf te gaan kijken en/of te vragen wie er achter de ontvangende bankrekening zat en/of te vragen of er Zwitserse bankrekeningen op naam van de dga of diens mede-aandeelhouder stonden en zo ja, welk verloop die rekeningen hadden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het buitenlandse aspect van de opkomst bij de dga van de ab-voordelen en de Zwitserse omleiding/verhulling van die door hem in Zwitserland ontvangen voordelen leek mij evident. Die uitkomst strookte mijns inziens met de parlementaire geschiedenis, waaruit volgt dat art. 16(4) is ingevoerd om (i) het beperkte zicht van de Nederlandse fiscus op wat zich in het buitenland afspeelt of bevindt en (ii) de tijd en moeite die het kost om daar zicht op te krijgen, te compenseren. Die uitkomst strookt ook met uw rechtspraak. De vergelijking met het IJssalon-arrest HR BNB 2018/87 (zie 5.18) ging mank omdat de ijssalonexploitanten in Nederland de Nederlandse contante omzet van hun Nederlandse ijssalon verzwegen en verstopten in een Nederlandse bankkluis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat zij later besloten dat Nederlandse zwarte geld naar het buitenland te verplaatsen, maakte niet dat de opkomst bij hen van de verzwegen omzet alsnog een niet-Nederlands aspect kreeg. De Zwitsers ogende valse facturen en de rechtstreekse betalingen op de Zwitserse (code)rekening(en) hadden een evident Zwitsers aspect. In deze Zwitserse casus zag ik een spiegelbeeld van HR BNB 2010/333 (zie 5.12 hierboven) over de opbrengsten van buitenlandse handelstransacties die in contanten in Polen waren ontvangen door de directeur ener BV en die met onjuiste omschrijving (‘dividend Polen’) door hem op een Nederlandse bankrekening van die BV werden gestort. Voldoende voor toepasselijkheid van art. 16(4) AWR in die zaak was (i) de buitenlandse bron van de handelsvordering en (ii) de onttrekking aan het oog van de fiscus door de wijze van betaling ervan (contant in Polen).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Zwitserse zaak achtte ik de rechtstreekse Zwitserse ontvangst van het ab-voordeel en de onttrekking aan het oog van de fiscus door de wijze van betaling (op Zwitsers ogende valse facturen naar een Zwitserse coderekening) evenzeer voldoende om de verhulde ab-voordelen onder de verlengde navorderingstermijn te doen vallen. U deed de zaak, zoals gezegd, af met art. 81 Wet RO.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.22 Dat was ook het geval in de recente Cypriotische zaak. Ik bespreek daarom (ook) in die zaak de Hofuitspraak. Vóórdat hij startte met een vestigingsplaatsonderzoek, was de inspecteur bekend (i) dat de belanghebbende BV bestuurd werd door een trustkantoor, dat zij slechts twee bezittingen had, nl. twee omvangrijke vorderingen, waarvan één op de Nederlandse middellijk aandeelhouder en de andere op een in Nederland gevestigde BV, en (iii) dat zij haar vermogen in 2012 aan haar Nederlandse aandeelhouder heeft uitgekeerd. Dat liet volgens het Hof onverlet dat de inspecteur in redelijkheid mocht uitgaan van de juistheid van de namens de BV door een belastingadviseur opgegeven vestigingsplaats op Cyprus. De extra informatie die bij het vestigingsplaatsonderzoek aan het licht kwam, was volgens het Hof het navordering rechtvaardigende nieuwe feit. De tweede vordering betrof een vordering op een in Nederland gevestigde BV 1. Over de toepasbaarheid van de verlengde navorderingstermijn overwoog het Hof: “5.19. De (…) vorderingen betreffen binnenlandse debiteurs. De rente op de leningen wordt echter in de hier relevante jaren (2006 tot en met 2010) bijgeschreven op de hoofdsommen van de vorderingen en de rentebaten zijn opgenomen in de op Cyprus opgemaakte en gehouden administratie van belanghebbende. Wat betreft de lening op [BV 1] geldt bovendien dat de in 2006 door belanghebbende genoten rente afkomstig is van [BV 2], gevestigd in België (…). Gelet op dit een en ander is naar het oordeel van het Hof in de onderhavige jaren voldaan aan de voor toepassing van de verlengde navorderingstermijn vereiste buitenlandse component in het geheel van oorsprong en ontvangst van de onderhavige inkomensbestanddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benodigde informatie om vast te kunnen stellen dat de werkelijke leiding van belang-hebbende werd uitgeoefend in Nederland met als gevolg dat over deze inkomensbestanddelen in Nederland belasting is verschuldigd, behoort tot de buiten Nederland opgemaakte en bewaarde administratie van een Cypriotische vennootschap. Als gevolg daarvan zijn de controlemiddelen van de Nederlandse fiscus beperkt. Artikel 16, lid 4, AWR is daarom ook naar zijn strekking van toepassing. Hieraan kan niet afdoen dat de met de vorderingen corresponderende schulden en de daarbij behorende rentelasten, naar belanghebbende stelt, in Nederland zouden zijn aangegeven. Evenmin is van belang dat de Nederlandse fiscus in 2008 op de hoogte is gebracht van het feit dat de NV een Cypriotische dochtervennootschap (belanghebbende) had en dat deze dochter een vordering had op een in Nederland gevestigde vennootschap ([BV 1]). Verder laat het feit dat uiteindelijk moet worden vastgesteld dat de werkelijke vestigingsplaats van belanghebbende in Nederland is gelegen, onverlet dat de inkomsten in het buitenland zijn opgekomen als bedoeld in artikel 16, lid 4, AWR.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende achtte ’s Hofs oordeel onjuist of onbegrijpelijk omdat (i) de omstandigheden dat de vorderingen binnenlandse debiteuren betroffen en de rente erop werd bijgeschreven bij de hoofdsom, niet kunnen bijdragen aan het oordeel dat de rentebaten in het buitenland zijn opgekomen als bedoeld in art. 16(4) AWR en (ii) de opkomst van de rentebaten in belanghebbendes op Cyprus gevoerde administratie ontoereikend is voor toepassing van art. 16(4) AWR. De strekking van art. 16(4) maakte dat volgens haar niet anders: als het enkele beheer van vermogensbestanddelen in het buitenland de toepassing van art. 16(4) AWR niet rechtvaardigt (zie HR BNB 2004/367 en HR BNB 2015/225 5.17 hierboven), dan doet de enkele administratie ervan in het buitenland dat te minder. U verwierp dat betoog met verwijzing naar art. 81 Wet RO.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Beoordeling Het principale cassatieberoep (Staatssecretaris) 6.1 De Staatssecretaris betoogt dat art. 16(4) AWR, anders dan het Hof heeft geoordeeld, wél grammaticaal van toepassing is op belanghebbendes geval. Ik meen dat ’s Hofs andersluidende oordeel rechtskundig juist is. Als de litigieuze fees aftrekbare kosten zijn, komen ze taalkundig op in Nederland. Als de litigieuze fees verkapte winstuitdelingen zijn, komen ze taalkundig evenzeer op in Nederland, hetgeen alleen al volgt uit het feit dat ze dan inhoudingsplicht van de belanghebbendes voor de Nederlandse dividendbelasting aantrekken. Zowel de oorsprong als het (negatief) ‘genieten’ van de fees lijken mij onmiskenbaar in Nederland te liggen. ’s Hofs oordeel daaromtrent lijkt mij althans geenszins onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Dan de strekking van art. 16(4) AWR. De Staatssecretaris lijkt er, zoals de belanghebbende stelt, vanuit te gaan dat vaststaat dat de factoring fees grotendeels winstuitkeringen aan [B] zijn. Dat heeft het Hof echter niet vastgesteld omdat hij dat niet nodig achtte. Hij zag in de Nederlandse administratie voldoende mogelijkheden voor onderzoek naar de fees als de fiscus daar onderzoek naar zou hebben willen doen, óók als verondersteld zou worden dat de fees inderdaad onzakelijk hoog en daarom deels uitdelingen van winst waren. Het Hof achtte de juiste fiscale kwalificatie van de fees c.q. de aanvaardbare arm’s length range niet van belang omdat hij onderscheid maakte tussen de onderzoekbaarheid van de feiten (het contracten en de betalingen en de TP-documenten) en de fiscale kwalificatie c.q. zakelijkheidsbeoordeling van die feiten. Uw boven geciteerde rechtspraak over verhullende wijzen van uitbetaling ziet volgens het Hof op de onderzoekbaarheid van de feiten; niet op de fiscale kwalificatie of de zakelijkheidsbeoordeling ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 Anders gezegd: mogelijk heeft de belanghebbende een andere fiscale kwalificatie van haar betalingen aan [B] dan als aftrekbare kosten niet willen vergemakkelijken, maar dat doet volgens het Hof niet ter zake omdat de belanghebbende - anders dan de belanghebbenden in de Zwitserse en de Poolse zaken (zie 5.20 en 5.12 hierboven) - de feiten niet heeft verhuld en geen valse omschrijving van de betalingen heeft geadministreerd. De kwalificatie factoring fees volgde uit de receivables purchase agreement, die geen schijnhandeling was, en de hoogte (de zakelijkheid) ervan werd gesteund door een extern memo en een extern TP-rapport, alle opgenomen in belanghebbendes Nederlandse administratie. Volgens het Hof stelden de aanwezigheid in die administratie van [B] ’s maandelijkse facturen voor factoringdiensten, de RPA, een memorandum van PwC en een TP-rapport van PwC de fiscus voldoende in staat om - desgewenst - vragen te kunnen stellen over de - uit die facturen blijkende - hoogte van die facturen en om die hoogte desgewenst in twijfel te trekken, bijvoorbeeld na antwoord verkregen te hebben op de vragen welke inspanningen de gefactureerde diensten van [B] precies inhielden en welke functie de crediteur [B] vervulde in het concern, hoezeer ook de fee-betalingen in de jaarrekeningen en de aangiften ‘ondergedoken’ waren in grotere kostenposten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk op dat een zeer hoge algemeen aangeduide kostenpost (‘verkoopkosten’) ook het verzoek zou kunnen oproepen om een specificatie. Het Hof achtte de administratieve verwerking van de fees ‘niet dermate summier of verhullend’ dat het de fiscus in feite ontbrak aan wat de parlementaire geschiedenis ‘toereikende controlemogelijkheden’ noemt - door het Hof vertaald als: relevante aanknopingspunten voor het instellen van een aangewezen vorm van nader onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4 Dit oordeel verraadt mijns inziens geen verkeerde rechtskundige maatstaf. Het Hof heeft het juiste rechtskader gebruikt, heeft zich gebaseerd op de relevante wetsgeschiedenis, en heeft uw criteria voor ‘aangehouden of opgekomen in het buitenland’ mijns inziens correct toegepast. Het resultaat van die toepassing lijkt mij niet onbegrijpelijk, gegeven de door het Hof vastgestelde en in cassatie niet betwiste aanwezigheid in belanghebbendes administratie van de maandelijkse facturen, de RPA en het memo en het TP-rapport van PwC. Die facturen en dat contract boden de fiscus feitelijke gegevens en het memo en het TP-rapport boden de fiscus zowel feitelijke uitgangspunten als fiscale kwalificaties en zakelijkheids-benchmarks die hij desgewenst had kunnen bestrijden, aldus het Hof, en dat feitelijke oordeel lijkt mij in cassatie onaantastbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.5 Ik merk op dat zich aldus inderdaad een soort pleitbaar-standpunt-doctrine ontwikkelt ter zake van ‘in het buitenland aangehouden of opgekomen’. Spek (zie 5.10 hierboven) signaleerde mijns inziens terecht dat zich een zekere subjectivering voordoet van de toepasselijkheid van de verlengde navorderingstermijn. Doordat die toepasselijkheid mede afhangt van de wijze waarop de belastingplichtige zich uit het buitenland stammende inkomens- of winstbestanddelen laat betalen (zie HR BNB 2006/63 in 5.7 hierboven en de Zwitserse casus in 5.20 hierboven), met name van de vraag of die betaalwijze die bestanddelen ‘buiten het zicht van de Nederlandse fiscus’ doen blijven, is de aan- of afwezigheid van een verhullingsbedoeling althans -effect kennelijk een belangrijk criterium. Dat strookt met de parlementaire geschiedenis, die immers vermeldt (zie 4.4 hierboven; curs. toegevoegd): “Deze rechtvaardigingsgrond geldt naar mijn oordeel ook voor andere in het buitenland opgekomen inkomensbestanddelen die - naar men moet aannemen - met opzet buiten het controlebereik van de Nederlandse fiscus zijn gehouden.” De vraag die in onze zaak rijst, is waarop die verhullingsbedoeling moet zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6 Duidelijk is dat als de verhullingsbedoeling is gericht op feiten (zoals verhulling van oorsprong of ontvangst van betalingen), art. 16(4) AWR van toepassing is als bij die verhulling gebruik gemaakt wordt van het buitenland. De vraag is of een verhullingsbedoeling ook relevant kan zijn als die niet op oorsprong, ontvangst of andere feiten ter zake van een winstbestanddeel ziet, maar op de fiscale kwalificatie van niet-verhulde feiten of op de arm’s length margin van een feitelijk daadwerkelijk gesloten en uitgevoerd intraconcern-contract. De wetgever heeft art. 16(4) AWR niet bedoeld om het los te laten op transfer pricing geschillen over – zoals in casu - een al dan niet aanvaardbare risico-beloning.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7 Ik lees ’s Hofs uitspraak aldus dat hij geen relevante verhullingsbedoeling zag, omdat uw criterium ‘de wijze waarop de belastingplichtige zich heeft doen uitbetalen’ ziet op feiten en niet op de fiscale kwalificatie van niet-verhulde feiten en niet op discutabel maar onverhuld benchmark gebruik bij op zichzelf correct aangeduide intraconcern-transacties (factoring), die het Hof kennelijk zag als iets waarover men honorabel van mening kan verschillen. Belanghebbendes administratie bood de fiscus voldoende feiten voor onderzoek naar de juistheid van haar kwalificatie en TP benchmark-gebruik, zo begrijp ik ’s Hofs uitspraak en nogmaals: dat lijkt mij rechtskundig akkoord en feitelijk voldoende gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8 De Staatssecretaris betoogt dat de Nederlandse fiscus het – zijns inziens - uitdelingskarakter van de fees pas kon ontdekken doordat via of naar aanleiding van Luxleaks gegevens uit een buitenlandse administratie buiten het controlebereik van de fiscus ter beschikking kwamen, dus dat het voor de fiscus niet mogelijk was om de hoogte van de fees ter discussie te stellen zonder buitenlandse informatie, met name het gegeven dat [B] – volgens hem – slechts administratieve werkzaamheden verrichtte. Dat betoog stuit mijns inziens af op het voldoende gemotiveerde andersluidende feitelijke oordeel van het Hof dat de fiscus een eventueel uitdelingskarakter had kunnen ontdekken – althans dat standpunt had kunnen innemen - als hij kennis had genomen van de maandelijkse facturen van [B] , de RPA en het memo en het TP-rapport van PwC en daar vragen over had gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat oordeel lijkt mij niet onbegrijpelijk omdat de fiscus na kennisneming van het contract en de (hoogte) van de facturen had kunnen vragen wat [B] daar precies voor deed en welk fiscaal regime [B] genoot (een Belgisch coördinatiecentrum, waarvan algemeen bekend was dat die aan een fiscaal begunstigend regime onderworpen waren). De feitelijke stelling dat de fiscus niets kon ontdekken zonder kennis te nemen van documenten die alleen in de Belgische fiscale administratie waren opgenomen, kon het Hof mijns inziens zonder schending van zijn motiveringsplicht verwerpen. Die verwerping is niet onbegrijpelijk. Dat [B] volgens de fiscus geen verlies heeft geleden op de factoring en zich van een excess profit ruling van de Belgische fiscus had voorzien, zegt bovendien op zichzelf niets over de zakelijkheid van de hoogte van de factoring fees, noch over de mogelijkheid om in Nederland vragen over hun hoogte te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat [B] – naar de fiscus stelt – in België een ander zakelijkheids-verhaal hield dan in Nederland, zegt op zichzelf evenmin iets over de vraag of de facturen (ver) buiten of (net) binnen de zakelijkheidsmarge zaten, noch over de mogelijkheid om vragen over hun hoogte te stellen in het licht van de RPA. Dat een concern aan weerszijden van de grens twee verschillende verhalen vertelt, laat nog geen conclusie toe over de vraag in welk van de twee landen het flauwe kul vertelt, of aan beide kanten. Dat de inhoud van rulings binnen de EU niet eerder uitgewisseld werd dan vanaf 2017, na het verstrijken van de implementatietermijn van DAC3, en dat Luxleaks dus als geroepen kwam, is spijtig, maar ik zie niet op welke regel gebaseerd zou kunnen worden dat die Belgische ruling tot belanghebbendes Nederlandse administratie had moeten behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof overwoog mijns inziens bovendien terecht dat niet ter zake doet of die ruling of enig ander Belgisch document daartoe had moeten behoren, omdat ook daarzonder voldoende mogelijkheid bestond om desgewenst vragen te stellen over de hoogte van de maandelijkse facturen, over de RPA, over het memo en over het TP-rapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.9 De stelling van de Staatssecretaris dat die documenten in de Nederlandse boekhouding enkel aanleiding gaven om geen onderzoek in te stellen, suggereert dat de fiscus nooit twijfelt aan memo’s en TP-rapporten van belastingadviseurs. Dat lijkt mij sterk. Die stelling lijkt mij bovendien onjuist voor de maandelijkse facturen, die denkelijk niets zeggen over de zakelijkheid van hun hoogte, en ook voor de RPA. De inspecteur heeft in feitelijke instanties niet gesteld dat die RPA een absolute of relatieve schijnhandeling was of anderszins een valse voorstelling van zaken gaf, maar slechts in algemene termen gesteld dat de administratie misleidende informatie bevatte. Een fiscale controleur die een groep als die van de belanghebbende controleert, zou om uitsplitsing van een zeer grote kostenpost (‘verkoopkosten’) kunnen vragen en zal denkelijk enige algemene kennis van dub.deb.-risico’s en dier beprijzing hebben, en wellicht ook branche-specifieke kennis, gegeven de omvang en het fiscale belang van de groep waartoe de belanghebbende behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.10 Dat de belanghebbende ten onrechte steeds ‘nee’ heeft geantwoord op vraag 12 in het aangifteformulier (de vraag of transacties met gelieerde personen hebben plaatsgevonden), is door de Inspecteur in feitelijke instanties niet gesteld. Ik meen dat het daarmee in beginsel om een ontoelaatbaar feitelijk novum gaat, gegeven dat art. 8:69(3) Awb niet van overeenkomstige toepassing is verklaard (zie art. 29 AWR), maar ook als dat anders zou zijn en belanghebbendes aangifte op dat punt dus steeds een onjuiste aangifte geweest zou zijn, doet dat niet af aan het feitelijke oordeel van het Hof dat de vier door hem genoemde (soorten) documenten in belanghebbendes Nederlandse administratie de fiscus voldoende aanknopingspunten boden om op het idee te kunnen komen vragen te stellen over de (hoogte van de beloningen voor de) factoring diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.11 Ik meen daarom dat het cassatieberoep van de Staatssecretaris niet tot cassatie van ’s Hofs uitspraak leidt. In dat geval is de voorwaarde waaronder belanghebbendes incidentele cassatieberoep is ingesteld, niet vervuld en komt dat beroep dus niet meer aan snee. Ik ga er niettemin volledigheidshalve op in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep (belanghebbende) 6.12 Ad incidenteel middel (i) meen ik dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat art. 16(4) AWR ook negatieve bestanddelen van het inkomen of de winst bestrijkt en dus ook van toepassing is op schulden, lasten en kosten die in het buitenland worden gehouden of zijn opgekomen. De term “bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen” omvat grammaticaal ook negatieve bestanddelen van het inkomen of de winst. “Het voorwerp van enige belasting” is in casu het voorwerp van de vennootschapsbelasting. Dat is het saldobegrip winst. De wetsgeschiedenis biedt geen steun aan de opvatting dat de wetgever het anders bedoeld zou hebben dan hij het heeft opgeschreven; eerder integendeel, gegeven dat de wetgever het bereik van de motie Reitsma/De Grave juist te beperkt achtte (hij wilde ook “andere gevallen (arbeidsinkomsten, winst en dergelijke)” bestrijken; zie 4.4 hierboven).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.13 Dat de inspecteur in geval van kostenaftrek veelal een aanknopingspunt in de aangifte of de boekhouding zal hebben en dat de bewijslast ter zake van aftrekposten in beginsel bij de belastingplichtige ligt, maakt dat niet anders. Als dat aanknopingspunt er inderdaad in voldoende mate is, zoals in belanghebbendes geval, aldus het Hof, dan wordt de navorderingstermijn ook niet verlengd. De bewijslast ter zake van aftrekbaarheid doet mijns inziens niet ter zake; het gaat om de vraag waar iets opgekomen is of hoe iets verhuld is. Op die punten ligt de initiële bewijslast bij de inspecteur.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14 Ook incidenteel middel (ii) strandt mijns inziens. Uit uw boven weergegeven rechtspraak volgt dat art. 16(4) AWR naar zijn strekking uitgelegd moet worden en dat het effect daarvan wel degelijk kan zijn dat die bepaling daardoor een ruimer bereik heeft dan dat waartoe een puur tekstuele uitleg zou leiden. Dat komt doordat de term ‘in het buitenland aangehouden of opgekomen’ uitgelegd moet worden in het licht van de duidelijke wens van de wetgever om rekening te houden met de vraag of een voordeel door de (verhullende) wijze waarop de belastingplichtige zich dat voordeel heeft doen toekomen, aan het zicht van de Nederlandse fiscus is onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.15 Incidenteel middel (iii) is mijns inziens onbegrijpelijk of in strijd met uw rechtspraak en de wetsgeschiedenis, want in strijd met de strekking van art. 16(4) AWR. In beide gevallen strandt het middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.16 Incidenteel middel (iv) is mijns inziens ongegrond omdat belanghebbendes uitleg van de toelichting van de Staatssecretaris voor het niet-instellen van cassatieberoep (zie 2.10) onjuist is. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat die toelichting slechts een afweging van cassatiekansen in die specifieke zaak inhield en geen beleidsregel. Het enige beleid dat er uit afgeleid zou kunnen worden, is dat de Staatssecretaris afziet van kansloze cassatieberoepen die kansloos zijn omdat het geen zin heeft om te klagen over voldoende gemotiveerde feitelijke oordelen. Incidenteel middel (iv) zou dan de stelling inhouden dat de belanghebbende er op mocht vertrouwen dat het cassatieberoep van de Staatssecretaris kansloos is. Als dat zo is, heeft zij geen belang bij het middel omdat er dan als gevolg van de voorwaardelijkheid ervan nooit aan toegekomen kan worden. Maar de stelling is ook onjuist: gezien het boven opgenomen lange rechtspraakoverzicht en de moeite die de literatuur heeft met de duiding ervan, kan het principale cassatieberoep niet kansloos genoemd worden. Het staat beide partijen overigens vrij om kansloze cassatieberoepen in te stellen. Daar heeft de wetgever art. 80a Wet RO voor ingevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.17 De stelling in incidenteel middel (v) dat de fiscus niet voortvarend gearbeid zou hebben, is ook in incidenteel hoger beroep aangevoerd, zij het niet in het verband van de navorderingsbevoegdheid, maar slechts in verband met de proceskostenvergoeding. Op zichzelf is juist belanghebbendes stelling dat als het Hof zou hebben geoordeeld dat de fiscus te lang op zijn handen was blijven zitten, dat ook van belang was geweest voor de navorderings(on)bevoegdheid. Het Hof heeft echter tegengesteld geoordeeld, en aangezien de eventuele betekenis van HvJ Passenheim-Van Schoot in het verband van de navorderingsbevoegdheid in hoger beroep geen voorwerp van partijdebat was, hoefde het Hof daar mijns inziens in dat verband dan ook niet op in te gaan. Overigens meen ik dat ’s Hofs feitelijke oordeel dat de fiscus zijn handen voldoende heeft laten wapperen, uitgebreid en geenszins onbegrijpelijk is gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.18 De belanghebbende betoogt verder dat het Hof er ten onrechte vanuit gaat dat de Inspecteur geen onderzoek naar de zakelijkheid van de factoring fees hoeft in te stellen als hij over onvoldoende concrete informatie beschikt over de aard van de door [B] in rekening gebrachte fees. Uit HvJ Passenheim-Van Schoot volgt volgens haar dat termijnverlenging naar twaalf jaar disproportioneel is als de fiscus aanwijzingen heeft over het bestaan van in de andere lidstaat aangehouden belastbare bestanddelen. Ik meen dat ook dit betoog doel mist, nu het Hof immers geen in het buitenland opgekomen winstbestanddeel heeft vastgesteld, en onzakelijk hoge fees ook niet naar België zouden wijzen, maar juist naar Nederland als oorsprong van alsdan verkapt uitgedeelde Nederlandse winst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de belanghebbende bedoelt dat ’s Hofs oordeel innerlijk tegenstrijdig is omdat hij enerzijds oordeelde dat er voldoende aanknopingspunten waren voor het instellen van een onderzoek en anderzijds onvoldoende aanwijzingen in de zin van Passenheim-Van Schoot, miskent zij dat ’s Hofs uitspraak inhoudt dat er voldoende aanknopingspunten waren om de vragen te stellen (het onderzoek in te stellen) waarop de antwoorden de aanwijzingen hadden kunnen opleveren die het HvJ in Passenheim-Van Schoot bedoelde. Pas als de Inspecteur (wél) gebruik had gemaakt van de aanknopingspunten om een onderzoek in te stellen, had hij kunnen beschikken over voldoende concrete informatie over de aard van de door [B] in rekening gebrachte fees.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Conclusie Ik geef u in overweging het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren en het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep van de belanghebbende buiten behandeling te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Rechtbank Noord-Holland 3 maart 2021, nr. 18/2159, ECLI:NL:RBNHO:2021:2526.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 8 oktober 2024, nrs. 21/279 t/m 21/28r, ECLI:NL:GHAMS:2024:2844, NLF 2025/0018 met noot Van den Hoek en NTFR 2025/299 met noot Noten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof verwees naar r.o. 3.18-2.19 van de conclusie van A-G Overgaauw bij HR 7 oktober 2005, nr. 40988, ECLI:NL:HR:2005:AT5950.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 oktober 2002, nr. 37089, ECLI:NL:HR:2002:AE8364, BNB 2003/83 met noot Apek, FED 2003/214 met noot Okhuizen, V-N 2002/49.7 met noot redactie en NTFR 2002/1466 met noot Van de Merwe.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 augustus 2004, nr. 39287, ECLI:NL:HR:2004:AQ6911, BNB 2004/367, V-N 2004/42.3 met noot redactie en NTFR 2004/1235 met noot Van Es.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 11 juni 2009, gevoegde zaken C-155/08 en C-157/08, X en Passenheim-Van Schoot, ECLI:EU:C:2009:368, BNB 2009/222 m.nt. Albert, NTFR 2009/1742 m.nt. Barmentlo, V-N 2009/29.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Staatssecretaris verwijst met een vgl. naar uw arrest HR 13 augustus 2004, nr. , ECLI:NL:HR:2004:AQ6911, V-N 2004/42.3 met noot redactie en NTFR 2004/1235 met noot Van Es.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 april 2023, nr. 22/03044, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2023:672, BNB 2023/92 met noot Lubbers, V-N 2023/20.13 met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 augustus 2004, nr. 39287, ECLI:NL:HR:2004:AQ6911, BNB 2004/367, V-N 2004/42.3 met noot redactie en NTFR 2004/1235 met noot Van Es.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Den Haag 3 november 2022, nrs. BK-19/00446 tot en met BK-19/00452, ECLI:NL:GHDHA:2022:2269. U deed deze zaak in HR 14 maart 2025, nr. 22/04814, ECLI:NL:HR:2025:395, met toepassing van art. 81 RO af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting van de Staatssecretaris bij uitspraak Hof Arnhem van 22 januari 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC3257 (V-N 2008/14.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Noord-Holland 4 februari 2022, nr. C/15/324000 / FA RK 22-90, ECLI:NL:RBNHO:2022:893 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Noord-Holland 15 december 2023, nr. 20/4350, ECLI:NL:RBNHO:12635.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Noord-Holland15 december 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:12635, r.o. 1.2 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem 22 januari 2008, nr. 05-00124, ECLI:NL:GHARN:2008:BC3257, V-N 2008/14.7 met noot redactie en NTFR 2008/314 met noot Kors.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof verwijst naar r.o. 4.1 van HR 4 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8364, BNB 2003/83, r.o. 3.4 van HR 13 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ6911, BNB 2004/367, en r.o. 3.3 van HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5950, BNB 2006/63 Gerechtshof Arnhem 22 januari 2008, ECLI:NLGHARHN:2008:BC3257(V-N 2008/14.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 11 juni 2009, gevoegde zaken C-155/08 (X) en C-157/08 (X. en Passenheim-van Schoot), ECLI:EU:2009:368. De belanghebbende verwijst specifiek naar r.o. 63, 74 en 75.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 april 2023, nr. 22/03044, na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2023:672, BNB 2023/92 met noot Lubbers, V-N 2023/20.13 met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet (Verlenging van de in de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervatte termijn van navordering voor vermogens-en inkomensbestanddelen in het buitenland) van 22 mei 1991, Stb. 1991, 264.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1989/90, 21423, nr.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1989/90, 21423, nr.2, p. 1-2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1989/90, 21423, nr. 5, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 1990/91, nr. 14 (Navorderingstermijn buitenland), p. 14-692.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 oktober 2002, nr. 37089, ECLI:NL:HR:2002:AE8364, BNB 2003/83 met noot Spek, FED 2003/214 met noot Okhuizen, NTFR 2002/1466, V-N 2002/49.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 augustus 2004, 39287, ECLI:NL:HR:2004:AQ6911, BNB 2004/367, NTFR 2003/1235 met noot Van Es, V-N 2004/42.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 28 oktober 2002, nr. 01/01297, ECLI:NL:GHAMS:2002:AF0939.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 10 december 2004, nr. 40735, ECLI:NL:HR:2004:AR7431, V-N 2005/34.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 7 oktober 2005, nr. 40988, na conclusie Overgaauw, ECLI:NL:HR:2005:AT5950, BNB 2006/63 met noot Spek, FED 2006/2 met noot Albert, FutD 2005-1915, NTFR 2005/1323 met noot Douma, V-N 2005/48.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 7 oktober 2005, nr. 40889, na conclusie Niessen, ECLI:NL:HR:2005:AT5946, BNB 2006/64 met noot Spek, FED 2005/111 met noot Albert, FutD 2005-1915, NTFR 2005-1322 met noot Douma, V-N 2005/48.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie verder onderdeel 2.4 van de bijlage bij conclusie van de A-G's.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie ook de onderdelen 3.15 e.v. van de bijlage bij de conclusie inzake aanknopingspunten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 8 oktober 2010, nr. 09/04322, ECLI:NL:HR:2010:BN9666, BNB 2010/333 met noot Spek, FED 2011/17 met noot Arts, FutD 2010-2308, NTFR 2010/2436 met noot Sitzen, V-N 2010/53.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie HR 4 oktober 2002, nr. 37 089, BNB 2003/83* en HR 13 augustus 2004, nr. 39 287, BNB 2004/367.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie HR 7 oktober 2005, nr. 40.889, BNB 2006/64c*.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “En de arresten HR 26 februari 2010, nr. 43 050 bis, BNB 2010/199c* en nr. 43 670 bis, BNB 2010/200c*.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Memorie van toelichting bij wetsvoorstel 21 423 (Tweede Kamer, vergaderjaar 1989-1990, 21 423 nr. 3)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie [HvJ EG 11 juni 2009, C-155/08 en C-157/08, X en Passenheim-van Schoot].”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie ook onderdeel 3 van de noot van P.G.H. Albert bij het arrest BNB 2010/199c*.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 9 oktober 2015, nr. 14/06127, ECLI:NL:HR:2015:2991, BNB 2015/225, FED 2015/99 met noot Grauss, NTFR 2015/2708 met noot Huygen van Dyck-Jagersma, V-N 2015/51.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 16 maart 2018, nr. 17/01663, na conclusie IJzerman, ECLI:NL:HR:2018:303, BNB 2018/87 met noot Haas, FED 2018/127 met noot Sanders, FutD 2018-0712, NLF 2018/0760 met noot Berns, NTFR 2018/663 met noot Perdaems, V-N 2018/15.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 16 maart 2018, nr. 16/06097, na conclusie IJzerman, ECLI:NL:HR:2018:359, BNB 2018/88 met noot Haas, FED 2018/128 met noot Haas, FutD 2018-0712, NLF 2018/0761 met noot Berns, NTFR 2018/664 met noot Perdaems, V-N 2018/15.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 april 2023, nr. 22/03044, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2023:672, BNB 2023/92 met noot Lubbers, V-N 2023/20.13 met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 16 juni 2022, nr. 21/00021 t/m 21/00033, ECLI:NL:GHAMS:2022:1790, NTFR 2022/3346 met noot Vermeulen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 maart 2025, nr. 22/04814, ECLI:NL:HR:2025:395.</p>\n<p class=\"lf-p\">Council Directive (EU) 2015/2376 of 8 December 2015 on administrative cooperation, PB L 332 van 18/12/2015, p. 1–10.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 11 juni 2009, gevoegde zaken C-155/08 en C-157/08, X. en Passenheim-Van Schoot, ECLI:EU:C:2009:368, BNB 2009/222 m.nt. Albert, NTFR 2009/1742 m.nt. Barmentlo, V-N 2009/29.6.</p></div>", "next": 0}