{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ook deze klacht kan niet slagen. Het hof heeft in rov. 5.20 de vordering tot opheffing van het beslag beoordeeld en in dat kader overwogen dat niet uitgesloten is dat de inhoud van de Overeenkomst aanleiding geeft tot nadere inzageverzoeken, al dan niet in het kader van een te starten bodemprocedure. Met het oog daarop hebben [verweerders] belang bij het voortduren van het beslag zodat is gewaarborgd dat de documenten niet verloren gaan. Aan de hand van een belangenafweging oordeelt het hof dat dit belang van [verweerders] zwaarder weegt dan het belang van [eiser] bij opheffing. Door het hof is dus niet geoordeeld dat het beslag niet zou vervallen als de inzagevorderingen zijn afgewezen en die afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. Van een ‘eeuwigdurend beslag’ is dus geen sprake. Het hof heeft slechts geoordeeld dat er thans geen grond voor opheffing van het beslag is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.10 Er zijn m.i. geen aanwijzingen dat het hof ervan is uitgegaan dat de inzagevorderingen die [verweerders] op de voet van art. 843a (oud) Rv in de voorliggende kortgedingprocedure hebben ingesteld, niet als ‘eis in de hoofdzaak’ zouden gelden voor het door [verweerders] gelegde bewijsbeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.11 Hiermee faalt ook de klacht onder 1.4, die inhoudt dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd heeft geschonden, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat [verweerders] ook zelf de mening waren toegedaan dat de onderhavige procedure als ‘eis in de hoofdzaak’ geldt. Uit het arrest blijkt niet dat het hof van een andere opvatting is uitgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.12 Onder 1.7 wordt aangevoerd dat een andere lezing van het arrest is dat het hof impliciet van oordeel was dat de afwijzing van de inzagevordering nog geen grond oplevert voor opheffing van het beslag, althans nog niet kon leiden tot verval van het beslag, omdat deze afwijzing naar de aard der zaak niet in kracht van gewijsde kon gaan op het moment dat het arrest werd gewezen. Een dergelijk oordeel is in zoverre juist, dat het rechtsgevolg van artikel 704 lid 2 Rv pas intreedt, zodra de afwijzing van de eis in de hoofdzaak in kracht van gewijsde is gegaan, aldus steeds het middel. Opgemerkt wordt dat [eiser] in dat geval echter alsnog belang heef bij een oordeel over de rechtsvragen die de voorgaande subonderdelen voorleggen, in het bijzonder over de vraag of - kort gezegd - de mogelijkheid dat [verweerder 1] in de toekomst, al dan niet in het kader van een te starten bodemprocedure, nadere inzageverzoeken doet in de weg staat aan verval van het beslag ex art. 704 lid 2 Rv. Daarom wordt verzocht om die vraag, zo nodig bij wijze van overweging ten overvloede te beslechten. Voor het geval dat de Hoge Raad van oordeel is dat de voornoemde rechtsvraag desondanks geen beslechting behoeft in deze cassatieprocedure, verzoekt [eiser] de Hoge Raad om dit gemotiveerd in zijn uitspraak tot uiting te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.13 Voor zover de klacht berust op de lezing dat het hof van oordeel was dat de afwijzing van de inzagevordering nog niet kon leiden tot verval van het beslag omdat deze afwijzing niet in kracht van gewijsde was gegaan op het moment dat het arrest werd gewezen, berust het op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft namelijk geen oordeel gegeven over het verval van het beslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14 Voor zover de klacht berust op de lezing dat het hof van oordeel was dat de afwijzing van de inzagevorderingen (met uitzondering van die ten aanzien van de Overeenkomst) geen grond oplevert voor opheffing van het beslag, omdat deze afwijzing niet in kracht van gewijsde kon gaan op het moment dat het arrest werd gewezen, slaagt de klacht evenmin. Inderdaad heeft het hof de vordering tot opheffing van het beslag afgewezen. De reden daarvoor is echter niet gelegen in de omstandigheid dat de afwijzing van de inzagevorderingen niet in kracht van gewijsde was gegaan, maar is de uitkomst van de door het hof gemaakte belangenafweging. Hiermee faalt de rechtsklacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.15 Ten overvloede is hierbij nog op te merken dat uit de vaste rechtspraak van de Hoge Raad over de opheffing van conservatoire beslagen volgt dat de omstandigheid dat in een rechterlijke uitspraak de vordering waarvoor beslag is gelegd is afgewezen maar de desbetreffende uitspraak nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, op zichzelf niet noodzakelijkerwijs moet leiden tot toewijzing van een verzoek tot opheffing van een conservatoir beslag (zie onder 4.26-4.28).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.16 De slotsom is dat geen van de klachten van onderdeel 1 slaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.17 Onderdeel 2 houdt in de kern in dat het hof bij de beoordeling van het verzoek tot opheffing van het beslag is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel dat het zijn oordeel hierover ontoereikend heeft gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.18 Onder 2.1 wordt aangevoerd dat bij een verzoek tot opheffing van een bewijsbeslag de rechter alleen moet toetsen of nog aan de Molenbeek-criteria is voldaan, en geen nadere belangenafweging moet plaatsvinden. Het hof is van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan door wel een belangenafweging uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.19 De klacht faalt omdat de rechter een verzoek tot opheffing van een bewijsbeslag altijd aan de hand van een belangenafweging zal moeten beoordelen (zie onder 4.28-4.30).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.20 Onder 2.2. wordt aangevoerd dat [verweerders] zowel in hun verlofrekest als in de onderhavige procedure nauwelijks hebben onderbouwd dat aan de eis van vrees voor verduistering is voldaan, maar wordt niet geklaagd over enig oordeel van het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.21 Klacht 2.3 houdt in dat het hof hetzij (a) heeft miskend dat het gehouden was het bewijsbeslag op te heffen indien ten tijde van het arrest niet of niet meer aan de Molenbeek-criteria was voldaan, hetzij (b) een onjuiste, want te lage, lat heeft gelegd voor het voldoen aan deze criteria dan wel zijn oordeel dat aan deze criteria (nog steeds) is voldaan, onvoldoende toereikend heeft gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.22 Zowel de klacht onder (a) als onder (b) berust op de aanname dat er bij de vraag of een bewijsbeslag moet worden opgeheven, geen belangenafweging plaatsvindt maar dat alleen moet worden getoetst aan de Molenbeek-criteria. Als gezegd is die opvatting onjuist. Ook bij afwijzing van een vordering in de hoofdzaak (die nog geen kracht van gewijsde heeft gekregen), kan de rechter op basis van een belangenafweging toch beslissen dat het beslag niet moet worden opgeheven, zij het dat wel veel gewicht toekomt aan de afwijzende beslissing in de hoofdzaak (zie onder 4.26-4.27). Het hof heeft bij zijn beslissing dat het bewijsbeslag niet moet worden opgeheven, meegewogen dat in de hoofdzaak is beslist tot afwijzing van een groot deel van de inzagevorderingen; op grond van een belangenafweging aan de hand van alle omstandigheden van het geval heeft het hof echter geoordeeld dat er toch voldoende belang bestaat bij handhaving van het bewijsbeslag. Die beslissing is noch onjuist noch onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.23 Hiermee faalt ook het tweede onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 6.24 De slotsom is dat het principale cassatieberoep faalt en het incidentele cassatieberoep slaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Conclusie De conclusie strekt in het principale cassatieberoep tot bekrachtiging en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Hof Amsterdam 30 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1166.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam (vzr.) 29 november 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:8885.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bemiddelingsovereenkomst is overgelegd als productie 29 bij de dagvaarding in eerste aanleg. In het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep wordt, onder A.XII, verwezen naar een beslissing van de Raad van Discipline van 8 april 2024, ECLI:NL:TADRSGR:2024:75, waarin, kort gezegd, aan [eiser] een voorwaardelijke schorsing van vier weken is opgelegd. Naar het oordeel van de Raad van Discipline heeft [eiser] met zijn handelswijze rondom de bemiddeling de kernwaarden vertrouwelijkheid, onafhankelijkheid, partijdigheid en integriteit geschonden (zie onder 6.1 van de beslissing).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzoekschrift is overgelegd als productie 2 bij de dagvaarding in eerste aanleg. Zie p. 41-42 en randnrs. 98 en 112 van het verzoekschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschikking is overgelegd als productie 3 bij de dagvaarding in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het proces-verbaal is overgelegd als productie 5 bij de dagvaarding in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam 26 juli 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:4716.</p>\n<p class=\"lf-p\">In randnr. 133 tot en met 135 van de dagvaarding stellen [verweerders] voor, samengevat, dat de voorzieningenrechter beveelt i) dat [eiser] aan de voorzieningenrechter een volledige en ongeclausuleerde selectie van de bescheiden aanlevert waarover [eiser] direct of indirect kan beschikken (zie onder A) en [eiser] beveelt om de gerechtelijk bewaarder opdracht te geven om een complete set van de in beslag genomen bescheiden (onder B), voor zover deze vallen binnen de door de gerechtelijk bewaarder te maken selectie, te verstrekken aan de voorzieningenrechter en aan [eiser] en ii) [eiser] beveelt om van de bescheiden onder A en van de beslagen bescheiden onder B afzonderlijk een set te verstrekken aan de voorzieningenrechter en (de advocaten van) [verweerder 1] waarin alle delen zijn zwartgemaakt die volgens [eiser] geprivilegieerd zijn. Vervolgens kan de voorzieningenrechter, de landelijk deken of een ander door de voorzieningenrechter aangewezen deskundige ten aanzien van de zwartgemaakte delen in sets A en B beoordelen of [eiser] zich terecht op het standpunt stelt dat die onderdelen geprivilegieerde informatie bevatten. Daarbij verzoekt [verweerder 1] de voorzieningenrechter te bepalen dat alle informatie over de samenwerking tussen [de zakenpartner] en [verweerder 1] met betrekking tot de steengroeven niet kwalificeert als geprivilegieerde informatie, omdat [eiser] in deze aangelegenheid niet optrad als advocaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.1 en 4.2 van het vonnis van de voorzieningenrechter van 14 februari 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.3 t/m 4.5 van het vonnis van de voorzieningenrechter van 14 februari 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.10 t/m 4.13 van het vonnis van de voorzieningenrechter van 14 februari 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzieningenrechter verwijst hierbij in voetnoot 3 naar hof Arnhem-Leeuwarden 22 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3377 en hof Arnhem-Leeuwarden 15 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3098. [verweerders] hebben gesteld dat het gaat om een aantal (beperkte, niet-materiële) wijzigingen. Zie spoedappeldagvaarding tevens memorie van grieven, randnr. 65 en het dictum. [eiser] heeft gesteld dat de wijzigingen zien op het primair langs andere weg, dan zoals gevorderd in eerste aanleg, de vernietiging van de in beslag genomen bescheiden te bewerkstelligen zodat de medewerking van [verweerders] niet wordt vereist, zie memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel, randnr. 121. [eiser] heeft bij brief (van zijn advocaat) aan het hof Amsterdam van 10 juli 2024 opgemerkt dat het proces-verbaal geen accurate, volledige en eenduidige weergave bevat van het besprokene ter zitting en dat daarin een aantal storende onjuistheden voorkomt. Omdat de inhoud van het proces-verbaal wat betreft [eiser] niet relevant is voor een cassatieprocedure, zag hij geen noodzaak te reageren op het proces-verbaal met een uitputtend overzicht van de daarin volgens hem voorkomende onjuistheden, omissies en verschrijven, zo valt te lezen in de brief.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding is op 17 juni 2024 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 6 maart 2024 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht (Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht), Stb. 2024, 62 en Stb. 2024, 72 (inwerkingtreding).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2021/22, 35 498, nr. 7, p. 3 (Nota van Wijziging).</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens geldt m.i. dat ook op een eventuele verwijzingsprocedure het voor 1 januari 2025 geldende recht van toepassing blijft. Vgl. de noot van G.J. Harryvan in JBPr 2025/5 onder 12, die opmerkt dat het vaste rechtspraak is dat de procedure na cassatie en verwijzing niet een zelfstandige nieuwe instantie vormt, maar de voortzetting van de onvoltooide appelinstantie die voorafging aan de cassatie (met verwijzing naar HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1818 en HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8845).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook rov. 3.6.3 van HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834, NJ 2016/50, m.nt W.D.H. Asser &amp; M.J. Borgers (Schietincident Alphen aan de Rijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook conclusie A-G Snijders 20 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:967 voor HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1773 (Belba), onder 3.3-3.11. Zie over de vereisten van art. 843a lid 1 (oud) Rv ook zijn eerdere conclusie van 8 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:771 voor HR 3 november 2023 (81 RO), onder 3.3-3.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:830, JBPR 2023/60, m.nt. G.J. Harryvan, JOR 2023/256, m.nt. R.L. Ubels (Solid Nature), rov. 3.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1773, JBPR 2025/5, m.nt. G.J. Harryvan, JIN 2025/26, m.nt. P.H. Bossema-De Greef, JOR 2025/75, m.nt C.M. Harmsen (Belba), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Vgl. voor dit laatste Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 53-54.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Vgl. HR 26 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1985, rov. 3.4.2.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834, NJ 2016/50, m.nt. W.D.H. Asser &amp; M.J. Borgers (Schietincident Alphen aan de Rijn), rov. 3.6.4 met verwijzing naar Kamerstukken II, 1999-2000, 26 855, nr. 5, p. 78-79.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, NJ 2022/288, m.nt. H.B. Krans, JIN 2020/138, m.nt. A.F. Veldhuis &amp; J.E. Mink (Semtex), rov. 3.1.4. Eerder had de Hoge Raad al geoordeeld dat deze maatstaf gold voor zaken betreffende intellectuele eigendomsrechten (HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (AIB/Novisem), rov. 4.1.5, en HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834 (Synthon/Astellas), rov. 3.2.1-3.2.2) en bedrijfsgeheimen (HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775 (Organik/Dow), rov. 5.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.1.5 van het arrest Semtex, vindplaats vorige voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2019–2020, 35 498, nr. 3 (MvT), p. 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1985, JIN 2018/211, m.nt N. de Boer, JOR 2019/28, m.nt. J.R. Sijmonsma (Syngenta Seeds), rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2518, NJ 2018/306, m.nt H.B. Krans (Pretium/Tros), rov. 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, NJ 2024/119 m.nt. H.B. Krans (De Staat/X c.s.), rov. 3.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, NJ 2024/119 m.nt. H.B. Krans (De Staat/X c.s.), rov. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het alternatief is dat, op eenzijdig verzoek, een zogeheten ‘voorlopig verlof’ wordt verleend, gevolgd door een zitting op een termijn van enkele dagen na beslaglegging waarop de beide partijen kunnen worden gehoord, zie Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2023/202.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.7.2 van de Molenbeek-uitspraak, onder verwijzing naar de maatstaf van art. 1019b lid 3 Rv. In de Beslagsyllabus wordt in dit verband vermeld dat met het horen op een verzoek tot het leggen van bewijsbeslag ‘uiterste terughoudendheid’ moet worden betracht, zie G.13.4 van de Beslagsyllabus 2023, 2024. Het per 1 januari 2025 geldende art. 205 Rv bepaalt in lid 3 dat op het verzoek de wederpartij, de derde als onder een ander dan de wederpartij beslag wordt gelegd, en andere belanghebbenden niet worden gehoord, tenzij de voorzieningenrechter anders beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.7.3 van de Molenbeek-uitspraak, onder verwijzing naar de maatstaf van art. 1019b lid 4 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.6.2 van de Molenbeek-uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105, NJ 1997/481 m.nt. H.J. Snijders (De Ruiterij/MBO-Ruijters), rov. 3.3 met verwijzing naar Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 314/315, en HR 27 januari 1995, NJ 1995/669 , rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/205. Zie hierover ook A.J. Gieske, T&amp;C Rv, art. 705 Rv, aant. 3b (actueel t/m 01-04-2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook conclusie plv. P-G Langemeijer van 12 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:594, onder 2.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559, NJ 2007/483 ([…] / […]); HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074, NJ 2017/155, m.nt. A.I.M. van Mierlo ([…] /Nidera c.s.) en HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:599, NJ 2020/151 (Eurocom/Intralot). Zie ook Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/209.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/209.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie plv. P-G Langemeijer van 12 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:594 (De Staat/X), onder 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie plv. P-G Langemeijer van 12 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:594, onder 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775, NJ 2019/70, m.nt. C. Gielen &amp; A.I.M. van Mierlo (Organik/Dow).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775, NJ 2019/70, m.nt. C. Gielen &amp; A.I.M. van Mierlo (Organik/Dow).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals in cassatie van de zijde van [verweerders] wordt betoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de noot van A.M. van Mierlo onder Organik/Dow in NJ 2019/70, onder punt 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artt. 1019b-1019d Rv implementeren art. 7 van de IE-Handhavingsrichtlijn inzake het IE-bewijsbeslag. De bepalingen zijn ingevoerd bij Wet van 8 maart 2007, Stb. 2007, 108, zie Kamerstukken 30 302.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3, p. 74.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in de s.t. aan de zijde van [eiser] wordt hierop gewezen, zie noot 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Advies Hoge Raad 22 augustus 2018, bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3, p. 9-10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3, p. 71.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie conclusie plv. P-G Langemeijer van 12 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:594, onder 2.1; T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1019c Rv, aant. 4; R.M. Hermans in zijn noot onder Organik/Dow in JBPr 2019/2, onder 7. Zie anders: T.B.R. Greve, GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 843a, aant. 12.7. Vgl. ook G.J.P. Molkenboer, ‘De bewarende maatregelen in het Wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht’, RM Themis 2020/6, p. 286.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voetnoot 5 van het middel wordt hierbij verwezen naar de spoedappeldagvaarding tevens memorie van grieven, randnrs. 10, 21-22 sub ii en 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5440, NJ 2008/493, m.nt. Jac. Hijma (Savills/B&amp;S), rov. 3.3 en herhaald in HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366, NJ 2018/164, m.nt S.D. Lindenbergh (De Alternatieve). Volgens Dammingh blijkt uit het eerstgenoemde arrest dat spoedig van een belang in de zin van art. 7:418 lid 1 BW en daarmee een op de bemiddelaar rustende mededelingsplicht aanwezig wordt geacht, zie J.J. Dammingh, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:427 BW, aant. 4 (actueel t/m 06-05-2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel verwijst hier naar de spoedappeldagvaarding tevens memorie van grieven, randnrs. 52-57 (grief 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bemiddelingsovereenkomst is een species van de overeenkomst van opdracht, zo volgt uit de definitie van de bemiddelingsovereenkomst in art. 7:425 BW. Zie ook Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/304.</p>\n<p class=\"lf-p\">TM, Parl. Gesch. InvW 7, p. 326, zie ook A.G. Castermans &amp; H.B. Krans, T&amp;C BW, art. 7:403 BW, aant. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV en S.Y.Th. Meijer, Bijzondere overeenkomsten (SBR 6), 2023/239 Zie ook Bosch die art. 7:403 lid 2 BW noemt als voorbeeld van een rechtsverhouding of regeling die recht geeft op inzage waardoor een verdere afweging van een rechtmatig belang in de zin van art. 843a Rv niet meer aan de orde is, L.A. Bosch in: T&amp;C Rv, art. 843a Rv, aant. 3 (2022). Zie in meer algemene zin ook Sijmonsma, die opmerkt dat er bepaalde rechtsverhoudingen zijn waar de aard met zich brengt dat ter controle een vrijwel onbeperkte inzage gevorderd moet kunnen worden. Denk hierbij aan rechtsverhoudingen waarin rekening en verantwoording moet worden afgelegd, maar ook een verhouding als franchise. De aard van de verhouding brengt dan met zich dat een partij de verstrekte informatie moet kunnen controleren of zelfs inzage moet kunnen vragen voordat de wederpartij informatie verstrekt. Ook in rechtsverhoudingen waarin een partij een klantdossier aanlegt, moet ter controle op de belangen van de klant de klant ruime inzage kunnen vorderen, aldus J.R. Sijmonsma, Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2017/8.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/115.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/154 met in voetnoot 2 verwijzing naar onder andere HR 15 december 1995, NJ 1996/509 (Procter &amp; Gamble/KimberleyClark); HR 2 oktober 1998, NJ 1999/682 (De Schelde/ […]); HR 22 maart 2002, NJ 2003/149 (NVM/De Telegraaf); HR 19 maart 2004, NJ 2006/54 (H/Hoerbiger).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met in voetnoot 27 verwijzing naar HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (AIB/Novisem), rov. 4.3.1-4.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met in voetnoot 28 verwijzing naar HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1058 (Finaal Adviesgroep), rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/113 met o.a. verwijzing naar o.a. HR 27 januari 1995, NJ 1995/669 (Bigott/Doucal); HR 14 juni 1996, NJ 1997/481, m.nt. H.J. Snijders (De Ruiterij/MBO-Ruiters) en HR 13 november 2015, NJ 2016/491 (AIB/Novisem).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieraan doet niet af dat [verweerders] in beginsel (in een bodemprocedure) de bewijslast draagt van de stelling van het bestaan van de stukken waar de inzagevordering op ziet indien [eiser] het bestaan van die stukken ontkent. Vgl. HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9244, NJ 2013/220, m.nt. E. Verhulp (Theodoor Gilissen Bankiers), rov. 3.8.4. Zie verder T.R.B de Greve in GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a Rv, aant. 3.5 (actueel t/m 01-01-2024) waarin hij voorbeelden noemt waartoe de ontkenning dat de stukken beschikbaar zijn, kan leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de voetnoten 31 tot en met 35 wordt verwezen naar een groot aantal vindplaatsen in de processtukken in de feitelijke instanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (AIB/Novisem), rov. 4.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voetnoot 37 en 38 verwijst het middel hier naar respectievelijk de spoedappeldagvaarding tevens memorie van grieven, randnr. 43 onder c en naar het petitum, onder A.II.iv.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voetnoot 55 wordt hier verwezen naar de spoedappeldagvaarding tevens memorie van grieven, randnr. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voetnoot 56 wordt o.a. verwezen naar de spoedappeldagvaarding tevens memorie van grieven, randnr. 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voetnoot 57 wordt verwezen naar voetnoot 56 in de memorie van antwoord in principaal appel van [eiser] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Spoedappeldagvaarding tevens memorie van grieven, randnr. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het principale cassatiemiddel, randnr. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het principale cassatiemiddel, randnr. 1.2 De Hoge Raad kan dus niet, zoals gesuggereerd in de s.t. van [eiser] , randnr. 128, zelf de zaak afdoen door voor recht te verklaren dat het beslag van rechtswege is vervallen. Deze vordering is niet ingesteld.</p></div>", "next": 0}