{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Enerzijds heeft de rechtbank namelijk geoordeeld dat [erflater en eiser 2] op 12 april 2012, de datum van openbaarmaking van de jaarrekening 2011 en daarmee de peildatum voor de vordering van Dockwise op grond van art. 2:150 BW, niet wisten of behoorden te weten dat ten aanzien van de Fathom onvoorwaardelijke betalingsverplichtingen waren aangegaan, omdat [erflater en eiser 2] mochten vertrouwen op de juistheid van de mededelingen van het bestuur dat die betalingsverplichtingen er niet waren. Anderzijds heeft de rechtbank [erflater en eiser 2] aansprakelijk geacht voor een misleidende voorstelling in de jaarrekening 2011, omdat in de toelichting niet bleek van deze verplichtingen (die [erflater en eiser 2] dus niet kenden of behoorden te kennen). [erflater en eiser 2] hebben ook uitvoerig uiteengezet dat de RvC er ten tijde van de vaststelling en openbaarmaking op 12 april 2012 van de jaarrekening 2011 gerechtvaardigd van uitgingen dat er geen onvoorwaardelijke verplichtingen voor de Fathom waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is daarom evident dat een eventuele misleidende voorstelling van zaken op dit punt wat betreft [erflater en eiser 2] niet te wijten is aan een tekortkoming in het door hen gehouden toezicht, zodat zij zich kunnen disculperen.iii. [erflater en eiser 2] gingen er gerechtvaardigd van uit dat er geen onvoorwaardelijke verplichtingen voor de Fathom waren, zodat er voor zover zij wisten en konden weten ook geen sprake was van koersgevoelige informatie die op een bepaald moment vóór 19 juli 2012 openbaar gemaakt had moeten worden. [erflater en eiser 2] hebben in dit verband herhaald - zie ook hierna in subonderdeel 3.1 - dat zij tot aan de start van de onderhavige procedure niet bekend waren met het bestaan en de inhoud van het MoA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenmin hadden [erflater en eiser 2] [betrokkene 1] kunnen corrigeren bij zijn mededelingen aan de pers en de aandeelhouders, zoals de rechtbank hen in rov. 4.27 van het vonnis verwijt, omdat zij zich niet bewust waren van beweerdelijk onjuiste en/of misleidende mededelingen met betrekking tot de Fathom. Voor het oordeel in rov. 4.28 van het vonnis, waar de rechtbank heeft geoordeeld dat (ook) [erflater en eiser 2] geen melding hebben gemaakt van het feit dat Fairstar definitieve verplichtingen was aangegaan voor de Fathom, geldt hetzelfde, zodat ook dit oordeel niet in stand kan blijven.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. rov. 6.12: “Terecht is niet in geschil dat de statuten van Fairstar destijds eisten dat voor aankoop van registergoederen, zoals de FATHOM, goedkeuring van de rvc benodigd was. De rvc had toestemming gegeven voor betaling van USD 2 miljoen om het slot voor de FATHOM te reserveren en had als voorwaarde aan het aangaan van verdere verplichtingen met betrekking tot de FATHOM verbonden dat de financiering voor de bouw van de FATHOM rond was. Op 15 oktober 2011 was deze voorwaarde niet vervuld. Daarmee zijn [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] de verplichting van USD 111 miljoen voor de FATHOM aangegaan zonder de statutair vereiste toestemming van de rvc.” En rov. 6.13: “Deze feiten en omstandigheden nemen niet weg dat [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] met hun handelen in strijd met de statuten bewust de niet voor misverstand vatbare voorwaarde die de rvc had verbonden aan toestemming voor de bouw van de FATHOM in de wind hebben geslagen en hun eigen koers hebben gevaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] niet zijn ontgaan dat de rvc alleen toestemming had gegeven voor het tegen betaling van USD 2 miljoen reserveren van een slot voor de bouw van de FATHOM en alleen bereid was verdere verplichtingen aan te gaan als de financiering rond was; dit is bij herhaling uitgebreid besproken in de rvc-vergaderingen. [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] zijn dus tegen de uitdrukkelijke wil van de rvc onvoorwaardelijk verplichtingen aangegaan met betrekking tot de FATHOM.” [onderstrepingen toegevoegd, A-G] Daarbij betrekt het hof HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011, NJ 2003/455 en HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:146, JOR 2023/146. Zie rov. 6.11: “Voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat gehandeld is in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, moet in dit verband als een zwaarwegende omstandigheid worden aangemerkt, die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt. Indien de aldus aangesproken bestuurder echter feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert, dient de rechter deze feiten en omstandigheden uitdrukkelijk in zijn oordeel te betrekken (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst in rov. 6.15 naar art. 2:249 BW, maar zal doelen op art. 2:139 BW. Fairstar is immers een N.V. Zie ook de annotatie onder het arrest van J.G. van de Waerdt in JOR 2024/252, onder 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 6.18 zet het hof nog uiteen dat [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] zich verweert met de stelling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat Cadenza is tekortgeschoten in de nakoming van de Cadenza Service Agreement, waartoe [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] enkel verwijst naar haar grieven betreffende de vordering onder 1. “Uit het voorgaande blijkt echter dat deze grieven niet opgaan, zodat dit verweer faalt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarvoor uitgebreid rov. 6.5-6.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit omvat mede wat staat in noot 3 onder iii hiervoor, betreffende de vordering van Dockwise. Zie voor een vergelijkbaar betoog van [de erven] t.a.v. de vordering van Fairstar bijv. de memorie van grieven nrs. 4.17-4.21, 4.36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit bedoelt het hof m.i. ook, niet art. 2:149 BW (zie daarover de volgende noot). Het hof zal i.h.b. doelen op art. 2:140 lid 2 BW inzake de toezichthoudende taak van de rvc: “De raad van commissarissen heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs erop dat via de schakelbepaling art. 2:149 BW het bepaalde in art. 2:9 BW overeenkomstige toepassing vindt t.a.v. de taakvervulling door de raad van commissarissen. O.b.v. art. 2:9 lid 1, eerste zin BW geldt dan dat elke commissaris tegenover de rechtspersoon is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik begrijp: feiten en omstandigheden die kunnen meebrengen dat [erflater en eiser 2] toch geen ernstig verwijt van onbehoorlijk toezicht treft inzake de in rov. 6.21, eerste alinea uiteengezette gang van zaken. Daarmee is trouwens wat betreft art. 2:9 BW uitgeschakeld de mogelijke toepassing van lid 2, tweede zin daarvan vanaf “tenzij” (“tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk [toezicht, A-G] af te wenden”).</p>\n<p class=\"lf-p\">M.i. sluit dit in (“mede”) dat bevestigende beantwoording van die vraag onverlet zou laten dat [erflater en eiser 2] een ernstig verwijt van onbehoorlijk toezicht treft inzake de in rov. 6.21, eerste alinea uiteengezette gang van zaken. Dat zou, naar ’s hofs oordeel, dus niet zo’n disculperend(e) feit of omstandigheid opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit in het kader van Fairstars statutaire vereiste dat voor aankoop van registergoederen, zoals de FATHOM, goedkeuring van de rvc benodigd was. Zie daarover rov. 6.12, deels geciteerd in noot 4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in het vervolg in rov. 6.21, laatste alinea verwijst het hof naar “Fairstar c.s.”, wat onderstreept dat het daarmee ook in rov. 6.21, laatste alinea, eerste zin doelt op Fairstar én Dockwise, dus conform de definitie van Fairstar c.s. op p. 2 van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. rov. 2.1: “Fairstar is genoteerd aan en valt onder toezicht van de Oslo Stock Exchange in Noorwegen. In Nederland staat Fairstar onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten.” En verder rov. 3.22: “Rond 22 april 2012 had Dockwise, een (veel grotere) concurrent van Fairstar, (deels voorwaardelijk) 54% van de aandelen in Fairstar verworven. Op 22 april 2012 maakte Dockwise een openbaar bod bekend op alle aandelen Fairstar, tegen een prijs van 9,30 Noorse kronen per aandeel. Fairstar heeft het bod van Dockwise als vijandig bestempeld, (mede) omdat zij de biedprijs te laag vond.” En rov. 6.22, waarin het hof memoreert dat “begin mei 2012 (…) duidelijk was dat Dockwise van plan was Fairstar over te nemen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs erop dat blijkens HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21, rov. 5.3, om de aldaar genoemde redenen, de in art. 2:9 BW vervatte “norm voor interne aansprakelijkheid” (de eis van een ernstig verwijt) “overeenkomstig heeft te gelden wanneer een individuele aandeelhouder een bestuurder aansprakelijk stelt”, normaliter uit hoofde van art. 6:162 BW, “voor de wijze waarop deze zijn bestuurstaken heeft uitgeoefend”. Het ligt in de rede dat hetzelfde geldt wanneer het bij de aangesproken persoon gaat niet om een bestuurder, maar om een commissaris. In dat licht laat rov. 6.21, tweede alinea - waar het hof kortweg wijst op art. 2:140 BW i.v.m. art. 2:9 BW, gecombineerd met onbehoorlijk toezicht en ernstig verwijt - zich mede verstaan als betrekking hebbend op die aansprakelijkheid van [erflater en eiser 2] jegens Dockwise. Het komt trouwens wel vaker voor dat de Hoge Raad in de context van externe art. 6:162 BW-aansprakelijkheid ook wijst op art. 2:9 BW. Zie bijv. HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659, rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nergens relateert het hof die aansprakelijkheid van [erflater en eiser 2] jegens Dockwise aan de in rov. 6.15 bedoelde aansprakelijkheid van [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] jegens Dockwise (art. 2:139 BW, inzake de jaarrekening 2011 van Fairstar), of aan het in rov. 6.16 bedoelde ernstig verwijt aan het adres van [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] (inzake de cijfers van het eerste kwartaal van 2012 van Fairstar d.d. 18 mei 2012.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook rov. 1 (“De zaak in het kort”), waaronder: “Het belangrijkste geschilpunt is of Fairstar al in 2011 gebonden was aan financiële verplichtingen voortvloeiende uit de met betrekking tot de bouw van een schip, de FATHOM, gesloten overeenkomsten met een waarde van USD 111 miljoen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook de verklaring van [erflater] in eerste aanleg op p. 8 van het proces-verbaal van 9 februari 2015: “Desgevraagd verklaar ik dat er geen gesprek heeft plaatsgevonden tussen de commissarissen en de directie of er informatie over het vijfde schip [de FATHOM, A-G] met de markt gedeeld moest worden. We hebben eind mei 2012 niet besproken of het tekenen van de MoA met de break fee erin aan de markt moest worden gemeld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband staat in de procesinleiding onder subonderdeel 3.1 dat [de erven] hebben gesteld dat [betrokkene 1] [erflater en eiser 2] op 22 mei 2012 slechts heeft geïnformeerd dat Fairstar haar optie op de bouw van de FATHOM tot eind juli 2012 mocht behouden, mits zij akkoord zou gaan met een termination fee. Dat [de erven] hebben benadrukt dat [erflater en eiser 2] niet bekend was met het bestaan van het MoA en dus ook niet met de inhoud ervan, en dat [de erven] ter onderbouwing daarvan hebben gewezen op de notulen van het overleg op 22 mei 2012. Deze notulen houden volgens het subonderdeel niet in dat [betrokkene 1] met [erflater en eiser 2] heeft besproken wat het hof aanneemt, maar juist dat [betrokkene 1] sprak over het behoud van de optie op de FATHOM (\"an agreement is being drafted whereby FHT retains till end of July 2012 the rights for FATHOM\") en in verband daarmee sprak over een termination fee van USD 37,5 miljoen (\"for already incurred expenses\").</p>\n<p class=\"lf-p\">In de procesinleiding wordt verwezen naar de memorie van grieven, nrs. 3.150-3.153, 3.155.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van grieven, nrs. 3.150-3.153, 3.155.</p>\n<p class=\"lf-p\">De samengevatte stellingen staan op p. 11-13 van de procesinleiding, waarbij wordt verwezen naar vindplaatsen in de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betoog is volgens de procesinleiding uitgewerkt in de samenvatting van de stellingen onder (i) t/m (vi) in de procesinleiding, p. 11-12, waarin wordt verwezen naar vindplaatsen in de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dát is waar het hier om gaat. Zie ook rov. 3.20 van het arrest, ik citeer nogmaals: “ [de erven] betogen, kort samengevat, dat [erflater en eiser 2] in het voorjaar van 2012 niet wisten en ook niet hoefden te weten dat het Shipbuilding Contract inzake de FATHOM onvoorwaardelijk was en dat zij ervan uitgingen en mochten ervan uitgaan dat enkel sprake was van een optie inzake de bouw van de FATHOM.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de hier relevante objectieve maatpersoon waartegen de handelwijze van [erflater en eiser 2] als commissaris van Fairstar afgezet kan worden. Zie voor de bestuurder bijv. HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, NJ 1997/360, rov. 3.3.1 over (het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van) een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. Zie breder bijv. HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, NJ 2006/443, rov. 3.8 over (de wijze waarop) een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris (in de gegeven omstandigheden zijn taak tegenover de rechtspersoon had behoren te vervullen). Zie verder bijv. L. Timmerman, ‘Beginselen van bestuurdersaansprakelijkheid’, WPNR 2016/7105, p. 327 over het “beginsel van de maatman-bestuurder”.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 3.12 stelt het hof al mede vast dat het Shipbuilding Contract (met Fairstar als buyer en GSI en CSTC als sellers) zag op de bouw van de FATHOM, en dat de prijs voor de FATHOM USD 111 miljoen was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het citaat in rov. 3.21 van die paragraaf, waarin de accountant eindigt met het wijzen op indicaties voor “the existence of a material uncertainty which may cast significant doubt about the company’s ability to continue as a going concern. Our opinion is not qualified in respect of this matter.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie i.h.b. art. 2:9 lid 2, tweede zin BW, tot “tenzij” (“Hij [elke commissaris, A-G] is voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijk [toezicht]”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. J.B. Huizink, GS Rechtspersonen, Deventer: Wolters Kluwer 2024 (actueel t/m 20 november 2024), art. 2:149 BW, aant. 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee bedoelt het hof m.i. niet iets anders dan uiteengezet in noot 27 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit in het kader van Fairstars statutaire vereiste dat voor aankoop van registergoederen, zoals de FATHOM, goedkeuring van de rvc benodigd was. Zie daarover rov. 6.12, deels geciteerd in noot 4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">I.h.b. het doen van nader onderzoek naar het al dan niet door Fairstar onvoorwaardelijk zijn aangegaan van het Shipbuilding Contract.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over intensivering van het in art. 2:140 lid 2 BW bedoelde toezicht door de commissarissen bijv. ook Asser/M.P. Nieuwe Weme &amp; T. Salemink, Corporate Governance (2-IIb), Deventer: Wolters Kluwer 2025, nrs. 245, 338; P. van Schilfgaarde/J.W. Winter, J.B. Wezeman &amp; J.D.M. Schoonbrood, Van de BV en de NV, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 68; J.E. Brink-van der Meer &amp; B.H.A. van Leeuwen, Rechtspersoon, vennootschap en onderneming, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 122; en M.M. Stolp, ‘De zorg van een zorgvuldig commissaris’, WPNR 2015/7045, p. 43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:681, JOR 2024/218, rov. 3.2, toegesneden op een bestuurder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21, rov. 5.3, toegesneden op een bestuurder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus bijv. Asser/M.J. Kroeze, De rechtspersoon (2-I), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 200, toegesneden op een bestuurder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286, rov. 4.2.1 en HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199, NJ 2023/166, rov. 3.4.2. In lijn met deze beschikkingen (zie rov. 4.2.2 respectievelijk rov. 3.4.4) valt aan te nemen dat commissarissen bij de vervulling van hun taak zorgvuldigheid dienen te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken en dat deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat commissarissen, in het kader van die taakvervulling, bij het dienen van het belang van de vennootschap ervoor zorgen dat daardoor de belangen van die betrokkenen niet onnodig of onevenredig worden geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/Kroeze 2021, nr. 200, o.v.n. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2015/22 (een zaak betreffende externe bestuurdersaansprakelijkheid uit hoofde van art. 6:162 BW, waarbij ook wordt gewerkt met een ernstigverwijtmaatstaf). In rov. 4.3 aldaar stelt de Hoge Raad voorop: “Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Timmerman 2016, p. 327.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt in de klacht toegeschreven aan Asser/Kroeze 2021, nrs. 199-200, maar dit staat daar niet. Zie ook onder 3.27.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoiets leek zich ook voor te doen in HR 4 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3419, NJ 2003/538, zie rov. 3.5 aldaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is in de klacht als volgt toegelicht. Als financiering van de FATHOM reëel was, was namelijk minstens eveneens reëel dat (inhoudelijk) alsnog zou worden voldaan aan de voorwaarde die de rvc had gesteld voor de bouw van de FATHOM. Als financiering reëel was, zou bovendien het risico minder groot zijn dat Fairstar zou worden geconfronteerd met verplichtingen voor de FATHOM waar zij niet aan kon voldoen of mogelijk USD 37,5 miljoen zou moeten betalen terwijl daar - in de woorden van het hof - geen tegenprestatie van GSI tegenover zou staan. Het verwijt aan [erflater en eiser 2] dat hij niet heeft getwijfeld aan de mededeling van het bestuur dat geen onvoorwaardelijk Shipbuilding Contract was aangegaan, zou dus, als financiering reëel was, in gewicht afnemen. Hierbij is van belang dat ook [erflater en eiser 2] de bouw van de FATHOM op zichzelf in het belang van Fairstar achtte en hij daarom enkel voorbehouden t.a.v. de financiering en het binnenhalen van voldoende opdrachten had gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit slaat kennelijk terug op de verwijzing in rov. 6.13 naar de vraag of de door [betrokkenen 1 en 2 + Cadenza] gevoerde strategie en het daarmee beoogde positieve resultaat voor Fairstar een reële kans van slagen had.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de dagvaarding in eerste aanleg, nr. 260, met name onder a (bestelling FATHOM), b (verzwijgen van FATHOM en onjuiste mededelingen) en e (onverantwoorde handelingen en overeenkomsten in het kader van financiering). [erflater en eiser 2] gaat in zijn conclusie van antwoord alleen in op de schade i.v.m. de ING-faciliteit (nrs. 11.50-11.51) en voert verder slechts aan (nr. 14.1): “ [erflater en eiser 2] volstaan met de opmerking dat Dockwise en Fairstar geen schade hebben geleden en dus geen belang hebben bij deze actie. Dit is belangrijk voor de perceptie van de Rechtbank over de ernst van eventuele onvolkomenheden. [erflater en eiser 2] betwisten alle schadeposten als genoemd in de Fairstar en Dockwise Dagvaarding.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van grieven, nrs. 3.153, 4.59.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 46 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover ik kan lezen in grief 6 en de overige in de procesinleiding aangewezen vindplaatsen, hebben [de erven] niet nader uitgelegd welk belang van Fairstar dan concreet gediend was met deze aanpassingen. Zie de memorie van grieven, nrs. 4.81-4.90, 3.91, 3.185, 4.34, 4.84-4.85, 4.88. De in het subonderdeel aangehaalde stelling van [de erven] dat het personeel van Fairstar, dat voor een groot deel bestond uit mensen die bij Dockwise waren weggesaneerd of vertrokken, allesbehalve gerust was op de situatie na de overname door Dockwise, omdat Dockwise bekend stond als een nietsontziende saneerder, terwijl Dockwise over de positie van het personeel na overname nooit concrete toezeggingen heeft willen doen waardoor [erflater en eiser 2] in de veronderstelling verkeerde dat met gunstige voorwaarden het key personeel van Fairstar kon worden behouden hangende het vijandige overnamebod, acht ik, net als het hof, daarvoor onvoldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De koppeling bestaat uit “Mede in het licht van het voorgaande” (in het subonderdeel). Los van dat “voorgaande” wordt dit vervolg van het subonderdeel niet nader uitgewerkt, in termen van te onderscheiden onderbouwing. In zoverre voldoet het subonderdeel hier niet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie eerder onder 3.31 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toen stond de druk al op de ketel voor [erflater en eiser 2] In rov. 3.33 noteert het hof: “Dockwise had inmiddels bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend om drie nieuwe commissarissen te benoemen. Op 13 juli 2012 heeft zij bij de Ondernemingskamer een verzoek ingediend om [betrokkene 1] en [erflater] te schorsen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders zou [erflater en eiser 2] geen ernstig verwijt te maken zijn geweest. Dat hem wel zo’n verwijt treft, stelt het hof vast in rov. 6.21 en 6.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 6.21 (inzake de FATHOM) gaat het om de periode vanaf 22 mei 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 6.23-6.24 (inzake de aanpassingen in de arbeidsovereenkomsten) gaat het om een daarvóór liggend startpunt in tijd, zoals bijv. ook volgt uit de conclusie van dupliek in conventie, repliek in reconventie, nr. 4.347: “De RvC was op hoofdlijnen geïnformeerd over het door het bestuur uitgestippelde beleid op dit punt [de aanpassingen in de arbeidsovereenkomsten, A-G] en achtte de voorgestelde aanpak redelijk en bovenal in het belang van Fairstar en al haar stakeholders.” In rov. 6.22 stelt het hof voorop dat tussen partijen vaststaat dat begin mei 2012 - toen duidelijk was dat Dockwise van plan was Fairstar over te nemen en er dus al sprake was van een change of control - in diverse arbeidsovereenkomsten bepalingen zijn toegevoegd die erin resulteerden dat bij een change of control vertrekvergoedingen zouden worden betaald en non-concurrentiebedingen zouden komen te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorafgaand aan 22 mei 2012 was dus ook al sprake van zo’n onbehoorlijke taakvervulling door [erflater en eiser 2] jegens Fairstar. Zie de vorige noot inzake de aanpassingen in de arbeidsovereenkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klacht verwijst naar de memorie van grieven, nrs. 4.107-4.120 (dit beslaat zo’n vier pagina’s aan tekst, op p. 91-95) alsook nr. 3.193.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de procesinleiding wordt hier verwezen naar nrs. 4.121-4.124 en 4.135-4.138 van de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het eindvonnis, rov. 4.19: “Fairstar stelt dat zij niet gehouden kan worden aan haar verplichting uit de Combination Agreement om de vaststelling van de jaarrekening 2011, zoals openbaar gemaakt op 12 april 2012, en het verlenen van decharge aan [erflater en eiser 2] voor hun toezicht in het boekjaar 2011 te agenderen, in stemming te brengen en de vaststelling daarvan aan te bevelen. Deze vordering is toewijsbaar nu de jaarrekening zoals die op 12 april 2012 openbaar is gemaakt, is achterhaald door de herziene jaarrekening. Die eerdere jaarrekening kan en hoeft niet meer in stemming te worden gebracht. Dit geldt dan ook voor het agenderen van het bijbehorende voorstel tot decharge van [erflater en eiser 2] Overigens is een daartoe strekkend voorstel in het licht van het voorgaande ook kansloos, zodat de agendering zinloos is.” Zie ook rov. 5 (dictum), aanhef en zesde gedachtestreepje.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de dagvaarding in eerste aanleg, nrs. 326-330; de conclusie van antwoord, nrs. 12.34-12.37 (vgl. nrs. 12.39-12.46 over de vernietiging); de memorie van grieven, nrs. 4.121-4.124; en de memorie van antwoord, nr. 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.34 van het eindvonnis: “De vordering van [erflater en eiser 2] om alsnog hun decharge over de periode van 1 januari 2011 tot en met 29 augustus 2012 op de agenda van een AVA te zetten, zal niet worden toegewezen. Eerder in dit vonnis is immers vastgesteld dat zij in elk geval over een deel van die periode zijn tekortgeschoten in hun toezichthoudende taken. Bovendien is eerder in dit vonnis beslist dat Fairstar niet gehouden is de jaarrekening 2011 en de bijbehorende decharge alsnog op een AVA te agenderen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderstrepingen voegde ik toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van grieven, nrs. 4.121-4.124, 4.135-4.138.</p></div>", "next": 0}