{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het Hof is van oordeel dat uitsluitend de aansluitingen voor de lantaarnpalen rechtens moeten worden gedoogd op grond van de ATO-OV. Deze plicht omvat niet hoofdleidingen voor zulke aansluitingen. Het Hof overweegt daartoe als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwegingen van het Hof 11.23 De ATO-OV is een overeenkomst die voorziet in aansluitingen van de openbare verlichting van de Gemeente op het netwerk van belanghebbende. Dit volgt uit art. 1.1 en art. 1.2 ATO-OV. Volgens art. 1.1 ATO-OV heeft belanghebbende zich verbonden elektrische installatie(s) of openbare verlichtingspunt(en) van de Gemeente aan te sluiten op het net dat zij beheert. Volgens art. 1.2 ATO-OV heeft belanghebbende zich verbonden elektriciteit te transporteren naar het overdrachtspunt. Uit deze bepalingen volgt dat het voorwerp van de ATO-OV ertoe is beperkt aansluitingen tot stand te brengen tussen elektrische installaties (lantaarnpalen) en het hoofdleidingennetwerk dat belanghebbende beheert, en ook elektriciteit te leveren via zulke aansluitingen, aldus het Hof (rov. 4.14-4.15).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.24 Tevens heeft het Hof niet aannemelijk geacht dat de ATO-OV zich uitstrekt tot andere leidingen dan die voor zulke aansluitingen. Immers, bij de totstandkoming van de ATO-OV was al een netwerk van hoofdleidingen aanwezig, waarvan de aansluitingen zijn afgetakt, aldus ook het Hof (rov. 4.17).</p>\n<p class=\"lf-p\">Klachten 11.25 Subonderdelen 2.5(a) en (c) richten klachten tegen deze overwegingen van het Hof. In de kern komen de klachten erop neer dat die overwegingen onbegrijpelijk zijn omdat uit art. 5.1 AV volgt dat de gedoogplicht geldt voor tot stand gebrachte en bestaande leidingen, zoals hoofdleidingen. Daarnaast gaan die overwegingen eraan voorbij dat de gedoogplicht geldt ten behoeve van niet alleen de gemeente maar ook derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling van de klachten 11.26 Het staat in cassatie vast dat de hoofdleidingen al aanwezig waren vóór het aangaan van de ATO-OV (zie ‎2.2). Het lijkt mij dan niet onbegrijpelijk dat het Hof aannemelijk heeft geacht dat de ATO-OV is beperkt tot de aansluitingen voor de lantaarnpalen en zich niet uitstrekt tot andere leidingen (rov. 4.17). Het lijkt mij niet anders voor het daarop voortbouwende oordeel van het Hof dat art. 5.1 AV, die deel uitmaken van de ATO-OV, moet worden uitgelegd met in achtneming van dezelfde beperking (rov. 4.18; vgl. ‎11.19). Het zij toegegeven aan belanghebbende dat deze bepaling spreekt over tot stand gebrachte en bestaande leidingen en over zowel de afnemer als derden. Maar deze omstandigheden wijzen slechts erop dat een andere uitleg van die bepaling evenzeer mogelijk is. En die enkele grond maakt de uitleg van het Hof nog niet onbegrijpelijk (vgl. ‎11.10).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.27 Daarom falen subonderdelen 2.5(a) en (c) eveneens.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.28 Aangezien ik meen dat subonderdelen 2.1-2.3 en 2.5 geheel falen, mist subonderdeel 2.6 belang. Dit subonderdeel is namelijk aangevoerd met het oog op verwijzing, dus voor het geval dat (minstens) één van de subonderdelen 2.1, 2.2, 2.3 of 2.5 slaagt. Dat geval doet zich niet voor, zodat ook dit subonderdeel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">12Conclusie Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Beroepschrift in cassatie, punt 1.2, voetnoot 3 vermeldt dat het gaat om € 550.143,70 per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2015, Gemeenteblad van Hulst 2014, 80111 (hierna: de Verordening 2015) respectievelijk Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2016, Gemeenteblad van Hulst 2015, 105572 (hierna: de Verordening 2016). De Verordening 2015 is in werking getreden met ingang van 1 januari 2015. Zie art. 13(2) daarvan. Met ingang van 1 januari 2016 is de Verordening 2015 ingetrokken en is de Verordening 2016 in werking getreden. Zie art. 13(1)-(2) Verordening 2016. Vervolgens is de Verordening 2016 ingetrokken met ingang van 1 januari 2017. Zie art. 13(1)-(2) Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2017, Gemeenteblad van Hulst 2016, 182895.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Den Haag 15 november 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:14428, NTFR 2017/207 m.nt. Van den Berg, rov. 18-19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 26 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2784, Belastingblad 2017/430 m.nt. Eskes, NTFR 2017/2942 m.nt. De Jong.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gevallen waarin beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan van een gemeente, zoals hier, is de rechtbank bevoegd binnen welks rechtsgebied het bestuursorgaan zijn zetel heeft. Zie art. 8:7(1) Awb. Die bepaling is van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep tegen zo’n besluit. Zie art. 8:108(1) Awb. Dit zou betekenen dat niet de rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag maar de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de relatief competente gerechten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 15 juni 2018, nr. 17/05145, ECLI:NL:HR:2018:926.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 december 2021, nr. 19/1827, ECLI:NL:RBZWB:2021:6348, Belastingblad 2022/83 m.nt. Jansen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 17 april 2024, nr. 22/00082, ECLI:NL:GHSHE:2024:1334, Belastingblad 2024/201 m.nt. Wiegerink.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof verwijst naar HR 22 maart 1972, ECLI:NL:HR:1972:AY4432, BNB 1972/95.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof verwijst naar HR 14 oktober 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY0929, BNB 1959/356.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nuance is dat in de publiekrechtelijke rechtsbetrekking niet de gemeente zelf maar de heffingsambtenaar van de gemeente de betrokken partij is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 353(1) respectievelijk art. 418a Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikellid is in gewijzigde vorm overgebracht van het oude art. 67 Rv. Dit is gebeurd bij de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken. Zie art. I(B) van de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 580. Het artikellid is in werking getreden met ingang van 1 januari 2002. Zie art. 1(1) van het Besluit van 10 december 2001, Stb. 2001, 621. Het is vernummerd van art. 2.11.8(1) tot art. 236(1) Rv met ingang van dezelfde datum. Zie (de bijlage bij) de Beschikking van 14 december 2001, Stb. 2001, 623. Nadien is art. 236(1) Rv niet gewijzigd. Terzijde merk ik op dat gezag van gewijsde eveneens is geregeld in art. 1059 Rv, welke bepaling deel uitmaakt van de wettelijke regeling over arbitrage. In het vervolg van deze conclusie laat ik die bepaling rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met zoveel woorden HR 30 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2759, NJ 1999/83, rov. 3.3 (overeenkomstig de conclusie van A-G de Vries Lentsch-Kostense van 4 september 1998, ECLI:NL:PHR:1998:33, punt 8) met betrekking tot art. 67 (oud) Rv), alsmede met betrekking tot art. 236 Rv bijv. HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3262, NJ 2018/276, rov. 3.3.7 en meer recent HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683, NJ 2022/183, rov. 3.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/140 en de aldaar aangehaalde (buitenlandse) literatuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld reeds EHRM (GK) 28 oktober 1999, ECLI:CE:ECHR:1999:1028JUD002834295 (Brumǎrescu / Roemenië), rov. 61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/140 en de aldaar aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad in burgerlijke zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Heemskerk e.a., Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2024, nr. 132, p. 189. Zie ook Snijders e.a., Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 60, p. 86, en Gras e.a., Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 243.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Heemskerk e.a., Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2024, nr. 132, p. 188. Bestrijdt het gewone rechtsmiddel sommige maar niet alle (eind)beslissingen, dan worden de niet-bestreden (eind)beslissingen onherroepelijk vanaf het moment waarop de termijn voor het aanwenden van dit rechtsmiddel is verstreken. Zie Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/144.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. HR 21 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2106 (Van S./Van S.), NJ 1997/470, rov. 3.8-3.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. HR 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3018 (Invinco/ [verweerder] ), NJ 2018/212, rov. 3.5.5 en 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Snijders e.a., Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 60, p. 87, en Gras e.a., Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 245. Zie ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/148.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 15 mei 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC4156 (Huffel/Van den Hoek), NJ 1988/164, rov. 3.4. Zie ook Heemskerk e.a., Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2024, nr. 132, p. 192, en Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/148.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1885 ( [eiser] /Citco Bank), NJ 1996/283.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7594 ( [eiser] /GKN), NJ 2011/602.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in gelijke zin Snijders e.a., Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 60, p. 86.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099 (IV-Groep/Zwitserleven), NJ 2022/129. Zie ook HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683, (X/Stichting Rederij De Drie Geuzen), NJ 2022/183, rov. 3.1.2. Vgl. ook HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1779, rov 31.3; HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:286, NJ 2023/258, rov. 3.2; en HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1596, NJ 2024/341, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 30 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1462 (Staat/Fasson), NJ 1996/198, rov. 4. Zie ook Heemskerk e.a., Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2024, nr. 132, p. 192, Snijders e.a., Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 60, p. 87, en Gras e.a., Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 245.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0713, NJ 2011/190, rov. 3.5. Vgl. ook HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1171 (Wells/Bariven), rov. 3.1.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrij naar A-G Van Peursem in zijn conclusie van 3 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:673, punt 2.7 voor IV-Groep/Zwitserleven. Vgl. ook Mirzojan in T&amp;C Rv, commentaar op art. 236 Rv (“actueel t/m 01-04-2025”), onderdeel 2b die in dit kader spreekt over “casuïstische, vernuftige, en niet zelden omstreden beslissingen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/148 en Mirzojan in T&amp;C Rv, commentaar op art. 236 Rv (“actueel t/m 01-04-2025”), onderdeel 2b. Zie ook de conclusie van A-G Valk van 10 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:691, punt 3.6. Vgl. ook Beukers, Eenmaal andermaal? Beschouwingen over gezag van gewijsde en ne bis in idem in het burgerlijk procesrecht (diss. Rotterdam), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1994, p. 70-78, en E. Gras, Kracht en gezag van gewijsde. De rechtskracht van einduitspraken van de burgerlijke rechter (diss. UvA), Arnhem: Gouda Quint 1994, p. 291-297.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:810 (Leaseproces/Dexia Nederland), NJ 2021/3, rov. 2.7.1-2.7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 236(2) Rv. Dit artikel vindt op overeenkomstige wijze toepassing op het hoger beroep en het beroep in cassatie in dagvaardingszaken; zie art. 353(1) respectievelijk art. 418a Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij bindt hem evenwel niet ambtshalve. De burgerlijke rechter past gezag van gewijsde namelijk niet ambtshalve toe. Zie art. 236(3) Rv en bijv. HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:784, rov. 3.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Heemskerk e.a., Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2024, nr. 132, p. 189-190; en Gras e.a., Compendium van het burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 243-244; en Snijders e.a., Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 60, p. 88-89. Zie ook Beukers, Eenmaal andermaal? Beschouwingen over gezag van gewijsde en ne bis in idem in het burgerlijk procesrecht (diss. Rotterdam), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1994, p. 1 en p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een treffend (saillant) voorbeeld biedt HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0773 (Aegon/Ontvanger), NJ 1993/570.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/140.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 juni 1921, B. 2799.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de daartoe strekkende voetnoot 1 in B. 2799.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 5 april 1922, B. 2920 (oorlogswinstbelasting); HR 3 april 1929, B. 4489 (personele belasting); HR 11 oktober 1933, B. 5479 (dividendbelasting); HR 14 mei 1941, B. 7329 (inkomstenbelasting); HR 16 januari 1946, B. 8025 (vennootschapsbelasting); HR 17 januari 1951, B. 8914 (vermogensaanwasbelasting); HR 14 januari 1953, ECLI:NL:HR:1953:AY3499, BNB 1953/84 (inkomstenbelasting); HR 20 december 1972, ECLI:NL:HR:1972:AX4805, BNB 1973/27 (inkomstenbelasting); HR 12 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:AX3710, BNB 1976/145 (loonbelasting); HR 14 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2762, BNB 1979/153 (dividendbelasting); HR 6 juli 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW8826, BNB 1983/264 (vennootschapsbelasting). Het beginsel geldt zelfs voor de heffing van premies voor de volksverzekeringen. Zie bijvoorbeeld HR 18 april 1964, ECLI:NL:HR:1964:AX7649, BNB 1964/125 (AOW-premie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 3 januari 1936, NJ 1936/245 (precariobelasting), en HR 29 maart 1939, NJ 1939/340 (straatbelasting).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 oktober 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY0929, BNB 1959/356.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 maart 1964, ECLI:NL:HR:1964:AX7649, BNB 1964/125.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 december 1972, ECLI:NL:HR:1972:AX4805, BNB 1973/27.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 april 1975, ECLI:NL:HR:1975:AX3966, BNB 1975/137.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:AX3710, BNB 1976/145.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 december 1977, ECLI:NL:HR:1977:AX3040, BNB 1978/55.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2806, BNB 1979/86.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 juli 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW8826, BNB 1983/264.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 april 1929, B. 4489, HR 16 januari 1946, B. 8026.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 december 1938, B. 6795.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 mei 1941, B. 7329, en HR 14 januari 1953, ECLI:NL:HR:1953:AY3499, BNB 1953/84.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 februari 1949, B. 8570.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 januari 1951, B. 8914.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 januari 1952, B. 9136, en HR 14 oktober 1953, ECLI:NL:HR:1953:AY3341, BNB 1953/278.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142): Deventer: Kluwer 2014, p. 101-103 en de aldaar aangehaalde literatuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 oktober 1933, B. 5479.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 januari 1946, B. 8025.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 juni 1956, ECLI:NL:HR:1956:AY2108, BNB 1956/252.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 juni 1958, ECLI:NL:HR:1958:AY1174, BNB 1958/232.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2762, BNB 1979/153.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 april 1975, ECLI:NL:HR:1975:AX3966, BNB 1975/137. Zie voordien onder meer HR 6 juni 1956, ECLI:NL:HR:1956:AY2108, BNB 1956/252; HR 18 juni 1958, ECLI:NL:HR:1958:AY1174, BNB 1958/232; en HR 20 december 1972, ECLI:NL:HR:1972:AX4805, BNB 1973/27.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 december 1977, ECLI:NL:HR:1977:AX3040, BNB 1978/55. Zie nadien onder meer HR 3 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2806, BNB 1979/86; HR 14 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2762, BNB 1979/153.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC2432, BNB 1978/136; HR 12 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AM4447; en HR 12 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX3264.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, BNB 1990/119, rov. 4.5; HR 14 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4233, BNB 1990/219, rov. 4.2; HR 22 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5225, BNB 2000/175, rov. 3.3; en HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26, BNB 2023/40, rov. 3.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. punt 2 van de annotatie van Scheltens in BNB 1978/55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 6 juli 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW8826, BNB 1983/264.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0512, BNB 2001/202, rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7636, BNB 2012/122, rov. 3.2: “Een belang bij het beroep in cassatie in het onderhavige geding kan niet zijn gelegen in het lot van andere belastingaanslagen dan de aanslag die aan de orde is, aangezien 's Hofs oordeel over de belastingheffing voor het onderhavige jaar daarvoor niet bindend is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook nog HR 9 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW8762, BNB 1984/226; en HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, BNB 2014/122, rov. 3.4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO7489, BNB 2011/60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Cornelisse, Geruisloze omzetting (Fed Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 53-55 en p. 57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. De Vries in BNB 2011/60, punt 5, Cornelisse in FED 2011/16, punt 7, Van der Burgt, Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Een evaluatie van de Nederlandse winstbelastingregels voor splitsingen ten aanzien van lichamen (Fiscale Monografieën nr. 171), Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 433-434 en p. 545, en Pieterse en IJsselmuiden, Geruisloze terugkeer uit de bv (Fed Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo vermeldt Cornelisse, Geruisloze omzetting (Fed Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 54-55, dat ook nadat een standaardvoorwaarde vergeefs is bestreden bij de belastingrechter, hij niet snel zou willen aannemen dat de beschikking formele rechtskracht heeft, zeker als de omstandigheden waaronder de standaardvoorwaarde toepassing vindt in een later jaar, afwijken van de omstandigheden waarvan is uitgegaan ten tijde van bestrijding van de beschikking. Vgl. ook De Vries in BNB 2011/60, punt 3, zij het niet expliciet over het geval waarin de standaardvoorwaarde eerder wel is bestreden. Stevens, Inkomstenbelasting 2001 (Fiscale Handboeken nr. 2), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 729, meent daarentegen dat er in zoverre gebondenheid aan de standaardvoorwaarden is dat het niet mogelijk is om reeds eerder beslechte geschilpunten bij de aanslagregeling opnieuw aan de orde te stellen, behalve in het geval dat een verschil in uitleg van de voorwaarde tussen partijen aanvankelijk niet is onderkend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo spreekt het arrest in het algemeen over de omstandigheid dat de beschikking rechtens onaantastbaar is geworden – dus: ongeacht de reden waarom zij onherroepelijk is komen vast te staan. Ook spreekt het arrest in het algemeen over de eventuele aanwending van een rechtsmiddel tegen de beschikking – dus: ongeacht of de beschikking wordt bestreden in bezwaar dan wel (hoger) beroep (in cassatie).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130, BNB 2017/92.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1150, BNB 2022/134, rov. 4.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1150, BNB 2022/134, rov. 4.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:192, BNB 2017/93, rov. 2.3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 maart 1972, ECLI:NL:HR:1972:AY4432, BNB 1972/95.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 oktober 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY0929, BNB 1959/356.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van 9 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:571. Meer recent bijv. conclusie van A-G Snijders van 6 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:647, punt 3.2 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van 9 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:571, punten 5.7-5.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de conclusie van 9 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:571, punten 5.7 en 5.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661 (Onteigening SNS), NJ 2015/361, rov. 4.5.2; HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:1 (Chemours/Stedin), NJ 2018/420, rov. 3.4.2, en HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:738 (Gemeente Doesburg/X.), NJ 2019/213, rov. 3.4.2. Zie ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/156.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128 (Staat/S.), NJ 2015/266.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:833 (Gemeente Ridderkerk/Curator), NJ 2021/233.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de conclusie van A-G Valk van 26 februari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:187, punten 1.2-1.4. Dit is de conclusie in de zaak die heeft geleid tot Gemeente Ridderkerk/Curator.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie reeds ABRvS 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801, AB 2003/355, rov. 2.3-2.4; CRvB 12 november 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN9374, AB 2004/206; en CBb 28 februari 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BC6104, AB 2008/139, rov. 8.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om het arrest HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084, BNB 2019/163, rov. 3.3.4 en 3.3.5, waarover F.G.F. Peters, Brummen in fiscalibus: trap niet in de trechter na terugwijzing!, WFR 2020/47 en punt 13-15 van mijn noot in FED 2020/36.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801, AB 2003/355, rov. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Borman in: T&amp;C Algemene wet bestuursrecht, art. 8:69 Awb, aant. 2a (“actueel t/m 01-05-2025”). Zie ook Willemsen, ‘Brummen’, in: Barkhuysen e.a. (red.), AB Klassiek. Standaarduitspraken bestuursrecht, opnieuw en thematisch geannoteerd, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 462.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Polak, ‘De toekomst van formele rechtskracht’, p. 34, in: Polak e.a., De toekomst van de formele rechtskracht (VAR-reeks nr. 162), Den Haag: Boom juridisch 2019, en Stijnen in punt 3 van zijn annotatie in AB 2024/18.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 31 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1779. Vgl. ook ABRvS 20 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7576, AB 2008/130, rov. 2.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 6 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ3741. Vgl. ook ABRvS 15 februari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV1777, AB 2006/125, rov. 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 13 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT9253, AB 2005/320. Zie ook ABRvS 15 maart 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV5040, rov. 2.5.1. Vgl. ook J.C.A. de Poorter, ‘De Brummen-rechtspraak’, JB Select 2014/22, p. 340, die het in hoge mate onbevredigend acht wanneer partijen zich gedwongen voelen in het ene geschil tot in hoogste instantie door te procederen met het oog op toekomstige besluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie CRvB 15 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1372, rov. 4.3; CRvB 8 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3229, rov. 4.4.1; CRvB 29 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2594, AB 2024/17, rov. 4.3.2; en CRvB 1 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1516, AB 2024/16 rov. 4.3. Vgl. ook CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726, AB 2024/196, rov. 4.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 21 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3501, AB 2016/430.</p>\n<p class=\"lf-p\">CBb 17 september 2024, ECLI:NL:CBB:2024:639.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de standpunten van partijen zoals vermeld in rov. 5 en 6 van de uitspraak van de Rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Rechtbank haalt weliswaar twee uitspraken aan, maar doet dat in het kader van haar overweging dat het gezag van gewijsde is beperkt tot beslissingen over de rechtsbetrekking in geschil. De ene uitspraak is het arrest HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1412 waarin is overwogen dat een schadestaatprocedure ten opzichte van een eerdere schadestaatprocedure tussen dezelfde partijen moet worden beschouwd als ‘een ander geding’ in de zin van art. 236 Rv. De andere uitspraak is de uitspraak van ABRvS 12 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1484 betreffende (een verzet tegen een uitspraak over) een verzoek tot herziening op grond van art. 8:119 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Let wel: ik heb het hier alleen over gezag van gewijsde in de door belanghebbende bedoelde zin, namelijk dat een rechterlijke beslissing over een geschilpunt in het kader van een besluit ook bindend is voor de beoordeling van hetzelfde geschilpunt in het kader van een ander besluit. Ik heb het dus niet over gezag van gewijsde in de zin dat als een uitspraak van de rechter onherroepelijk is geworden het desbetreffende dictum bindend is voor partijen. Het gaat hier dus ook niet over de kwestie van herziening van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in titel 8:6 Awb. Het gaat hier evenmin over de formele rechtskracht van een onherroepelijk geworden besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierin bepleit belanghebbende dat de Brummenlijn wordt doorgetrokken naar identieke geschilpunten in besluiten die zien op verschillende tijdvakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting belanghebbende, punt 2.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik kan me ook goed vinden in de kernachtige onderbouwing ervan in punt 3.2-3.3 van het verweerschrift in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Let wel, ik wil daarmee niet zeggen dat het belastingrecht zich op dit punt principieel onderscheidt van het civiele recht – immers bijvoorbeeld in kantonzaken mag ook in persoon worden geprocedeerd (art. 79 Rv). Dat neemt niet weg dat het naar mijn mening om een gewichtsbepalende factor gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het antwoord ontkennend luidt, dan heeft gezag van gewijsde in wezen geen andere betekenis dan dat de beschikking onherroepelijk is geworden. Als daarentegen het antwoord bevestigend luidt, rijst de vraag naar de afbakening van het concept rechtsbetrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie recent HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:238, rov. 4.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683, NJ 2022/183, rov. 3.1.3, en HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:784, rov. 3.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting, punt 2.10.1-2.10.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. subonderdeel 1.3 van de klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. punt 2.8-2.9 van de schriftelijke toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook punt 2.23 van de schriftelijke toelichting van belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punten 1.4(a)-(d) van het beroepschrift in cassatie en punten 2.17-2.22 van de schriftelijke toelichting van belanghebbende respectievelijk punten 3.11-3.15 van het verweerschrift in cassatie Dat begrijp ik zo gelet op enerzijds de slotzin van rov. 4.10 waarin het Hof overweegt dat het Hof het begrip ‘perceel’ beperkt uitlegt en de slotzin van rov. 4.11 waarin het Hof rept over een enge uitleg van dat begrip, en anderzijds rov. 4.8 waarin het Hof het standpunt van de Heffingsambtenaar aldus weergeeft dat deze een enge uitleg van het begrip ‘perceel’ bepleit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook punten 3.1-3.18 van de schriftelijke toelichting van belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook punt 3.21 van de schriftelijke toelichting van belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2451, BNB 2018/4, rov. 2.3.2, en HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2460, rov. 2.3.2. Vgl. HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 (Lundiform/Mexx), NJ 2013/214, rov. 3.4.3; HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:260 (Afvalzorg/Slotereind), NJ 2015/274, rov. 4.2.2; en HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3303, NJ 2015/467, rov. 3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1078 (Lotamblau Investments/Project Partner Search), rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terzijde merk ik op dat het overdrachtspunt deel uitmaakt van de aansluiting (zie ‎2.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook punt 3.23 van de schriftelijke toelichting van belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdeel 2.4 bevat geen zelfstandige klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 3.25 van de schriftelijke toelichting van belanghebbende.</p></div>", "next": 0}