{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Zie bijv. aldus Asser/Rossel &amp; Heisterkamp 7-II 2021/140, en GS Huurrecht, art. 7:216 BW, aant. 26.1 (J.K. Six-Hummel, actueel t/m 18-09-2012). Zie ook in deze zin F.M.J. Verstijlen, E.F. Verheul &amp; M.T.P. van Dijken, Duurzame financieringsstructuur: Obligatoire zekerheid? Rijksuniversiteit Groningen 2021, par. 3.3.1, en T.T. van Zanten, Beschikken over de boedel op basis van een contract, in E.F. Verheul &amp; T.T. van Zanten (red.), Overeenkomst en zekerheid, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 344.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de toelichting bij het ontwerp van titel 7.5 BW, Kamerstukken II 2005/06, 30 448, nr. 3, p. 21-22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 268.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in die zin bijvoorbeeld P. Scholten in Asser Zakenrecht deel II, Zwolle: Tjeenk Willink 1933, zevende druk, p. 218.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor beide citaten Parl. Gesch. Boek 3, p. 451.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zijn de huidige art. 6:103 BW (schadevergoeding in natura) en 3:299 BW (rechterlijke machtiging om zelf te doen waartoe een ander is gehouden). Art. 3.11.5 BW regelde aanvankelijk de dwangsom en is geschrapt. De derde alinea van de toelichting van Meijers bij artikel 3.11.3 zei: “Op duidelijker wijze dan thans geschiedt, doet het ontwerp uitkomen, dat de rechter niet verplicht is de machtiging te verlenen, maar een discretionaire bevoegdheid heeft. Men lette op het woord „kan\". De rechter zal de machtiging weigeren, indien de verplichte door die machtiging onredelijk zou worden benadeeld. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 3, p. 452.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. m.b.t. huur de hiervoor in voetnoot 64 genoemde literatuur. Zie m.b.t. bezit bijv. Asser/Bartels &amp; Van Mierlo 3-IV 2021/190, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Smelt, a.w., par. 6.10, noemt deze uitkomst onwenselijk. Die opvatting berust echter uitsluitend op zijn gedachte dat van een verwijderingsplicht van de boedel geen sprake kan zijn omdat het niet meer gaat om een zaak die tot de boedel behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">De curator heeft wel een beroep gedaan op toestemming van Middelkoop Beheer, maar uitsluitend wat betreft de plaatsing van de containers op het terrein (het ging volgens hem om een stilzwijgende toestemming) en dus niet met betrekking tot de natrekking, én bovendien uitsluitend met betrekking tot de geldigheid van de cessie van de vordering aan [verweerders] Vgl. rov. 5.6 en 5.7 van het eindvonnis van de rechtbank. In hoger beroep heeft de curator e.e.a. niet meer aan de orde gesteld, als ik het goed zie. In het middel wordt dan ook geen beroep gedaan op de toestemming van Middelkoop Beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de discussie die hierover mogelijk is o.m. Smelt 2006, par. 6.2, en de daar genoemde auteurs. Zie ook Tekstra in zijn noot onder het arrest VKP/Curatoren Aldel in JOR 2017/211, onder 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Van der Feltz I, p. 384, en HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3080, NJ 2014/484 (CZ Zorgkantoor/Scholtes q.q.), rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 november 1930, ECLI:NL:HR:1930:42, NJ 1931, p. 253 e.v., m.nt. E.M. Meijers ([…] / […]). Zie ook bijv. Polak/Pannevis, Insolventierecht 2022/17.6.3, p. 446, en Wessels Insolventierecht VII 2021/7083.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 september 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1243, NJ 1991, 305, m.nt. P. van Schilfgaarde (De Ranitz q.q./Ontvanger), rov. 3.4-3.5. Zie ook HR 5 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:199, NJ 2016/187, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/ […]), rov. 3.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inmiddels is er in de (ruime) meerderheid van de gevallen sprake van een negatieve boedel. Zie aldus A. Steneker &amp; A.J. Tekstra, De negatieve boedel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, onder 1.1, en Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/937 (‘circa driekwart’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 26 april 1923, ECLI:NL:HR:1923:176, NJ 1923, p. 833 ([…] /Langeveld q.q.). Zie hierover ook A. Steneker &amp; A.J. Tekstra, De negatieve boedel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, onder 6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3080, NJ 2014/484 (CZ Zorgkantoor/Scholtes q.q.), rov. 3.4.2, en HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3413, NJ 2004/196, m.nt. W.M. Kleijn (Beatrixziekenhuis/ProCall), rov. 4, met verwijzing naar de conclusie van de A-G voor dat arrest, onder 5.41. Deze beslissing is herhaald in het hierna aan te halen arrest Paperlinx, rov. 3.2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1994, NJ 2022/49, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Paperlinx).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat leidt dus eventueel tot een daarop toegesneden dictum. Zie aldus ook Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/943, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus m.b.t. het doorbreken van de rangorde van faillissementsvorderingen de bekende trits HR 20 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4169 NJ 1981/640, C.J.H. Brunner (Veluwse Nutsbedrijven), HR 12 mei 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC249, NJ 1989/613 (Reco/Staat) en HR 24 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1409, NJ 1995/368, m.nt. H.J. Snijders (INB/bewindvoerders). Zie hierover ook A. Steneker &amp; A.J. Tekstra, De negatieve boedel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, onder 5.1.2 en 5.3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in deze zin Wessels Insolventierecht VII 2021/7181, en GS Faillissementswet, art. 180 Fw, aant. 8.2.6, beide met verdere verwijzingen. Zie ook aldus A. Steneker &amp; A.J. Tekstra, De negatieve boedel, Deventer: Wolters Kluwer 2025, onder 5.3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een bespreking van dit soort mogelijkheden voor de curator G.A.J. Boekraad, Afwikkeling van de faillissementsboedel (diss. Nijmegen), Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1997, p. 218-223.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de verdeling buiten faillissement Asser Procesrecht/Steneker 5 2023/780.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 december 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0106, JOR 2024/249, m.nt. N.B. Pannevis (OAR/ABN AMRO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met zoveel woorden de pleitnota van de curator voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg, p. 2 onderaan, p. 3 bovenaan: “Naar verwachting van de curator is de boedel niet toereikend om alle boedelschulden volledig uit te voldoen. In dat geval is de volgorde van voldoening: superboedelschulden, kosten executie en vereffening (o.a. salaris curator), preferente boedelschulden (UWV en belastingdienst) en concurrente boedelschulden (…). Voor zover de vordering van eisers een boedelschuld is, is het een concurrente boedelschuld en zullen eisers de afwikkeling van het faillissement dienen af te wachten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de mondelinge behandeling heeft de curator vervolgens op een vraag van de rechtbank gezegd: “Het zal er om hangen of alle boedelvorderingen betaald kunnen worden. Waarschijnlijk net wel of net niet.” (proces-verbaal van de behandeling, p. 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hun memorie van antwoord onder 47: “Met andere woorden: indien sprake zou zijn geweest van een ontoereikende boedel, zou [verweerders] de afwikkeling van de boedelvorderingen moeten afwachten. Dit is in het faillissement van [verweerders] niet het geval. Er was voldoende boedel om de vordering van [verweerders] te betalen, hetgeen de curator inmiddels ook heeft gedaan. Ook grief 11 faalt dus.” Deze motivering vormt m.i. onmiskenbaar geen weerlegging van de stelling dat de boedel mogelijk onvoldoende actief bevat. Dat de curator na het vonnis van de rechtbank de vordering van [verweerders] (nog) heeft kunnen betalen, weerlegt die stelling immers niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt dit vast onder 2 van zijn arrest, bovenaan p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1812, NJ 2019/267, m.nt. B. Barentsen, rov. 3.4.2, dat niet duidelijk is.</p></div>", "next": 0}