{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 20 september 2022 heeft de verdediging op die zitting verzocht om [betrokkene 7] als getuige te horen. Dit verzoek is in de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota (bijlage 2) uitvoerig toegelicht. Ik zal deze toelichting hier integraal citeren, omdat deze van belang is om de motivering van de afwijzing van dit verzoek door het hof te beoordelen: “Verzoek tot het horen [betrokkene 7] Met een verwijzing naar artikel 328 juncto artikel 315 en 415 Sv verzoekt [medeverdachte 3] uw Hof nogmaals om [betrokkene 7] (hierna [betrokkene 7] ) te mogen horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerder heeft uw Hof dit verzoek afgewezen omdat van “de noodzaak tot het horen van de getuige niet was gebleken. Daarbij merkt het Hof op dat [betrokkene 7] reeds uitgebreid gehoord is door de FIOD en door de Rechter-Commissaris. Het Hof ziet niet in dat het nogmaals horen van deze persoon noodzakelijk is voor de volledigheid van het onderzoek of in het licht van de te beantwoorden vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderstaand zal [medeverdachte 3] nogmaals toelichten, nu mede in het licht van de ontwikkelingen met betrekking tot het incomplete dossier, waarom het horen noodzakelijk is in verband met de taak en de verantwoordelijkheid van uw Hof voor de volledigheid van het onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het klopt dat [betrokkene 7] verhoord is door de FIOD en door de Rechter-Commissaris. Het klopt niet dat dit uitgebreid gebeurd is en voldoende kritisch. De FIOD en de rechtbank zijn daardoor van de onjuiste feiten/conclusies uitgegaan en als gevolg daarvan ook tot een onjuist oordeel gekomen. De antwoorden die [betrokkene 7] geeft kunnen, gezien de feiten/documenten in dossier en met name de na nu gebleken, niet in het dossier aanwezige e-mail correspondentie, niet waarachtig zijn. [betrokkene 7] dient hierover bij een nieuw getuigenverhoor kritisch ondervraagd te worden, zodat hierover meer duidelijkheid komt. Dat is ook de reden dat [medeverdachte 3] wenst dat [betrokkene 7] nogmaals gehoord wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is u bekend dat [medeverdachte 3] aangifte van meineed heeft gedaan tegen [betrokkene 7] op 31 maart 2022. Een afschrift van de aangifte is u op toegezonden bij de e-mail aan uw Hof van 1 april 2022. Uit de aangifte volgt duidelijk dat hetgeen [betrokkene 7] verklaard heeft, niet op alle fronten geloofwaardig is en juist kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belangrijkste punten zal ik kort herhalen. Ik verwijs u echter ook naar de volledige aangifte plus bijlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Getuigenverhoor 10 december 2012 Leningen SGI Vraag:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wist de RvC en/of u persoonlijk en/of als President Commissaris van deze leningen ter hoogte van € 20.300.000 aan dochterondernemingen van SGI ? Wat kunt u over deze leningen verklaren?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: “Dit is ongelofelijk. Nee daar ik was absoluut niet bekend met de verstrekking van deze leningen”. [betrokkene 7] doet het voorkomen alsof hij niet op de hoogte was van de hoogte van de leningen en de sale leaseback constructie. Zoals ook toegelicht bij het beroep op niet ontvankelijkheid van het OM, was [betrokkene 7] voorzitter van de RvC en AvA. In die hoedanigheid heeft hij gezamenlijk met [medeverdachte 3] alle vergaderingen voorbereid en uitgebreid voorbesproken. Er was voorafgaand aan die vergaderingen altijd eerst vooroverleg tussen [medeverdachte 3] en [betrokkene 7] over de concept-agenda die [medeverdachte 3] aan [betrokkene 7] had gestuurd. Tijdens dit overleg op kantoor van [betrokkene 7] werden alle ins en outs van de vergaderstukken, waaronder de kwartaalrapportages en jaarrekeningen besproken, die aan [betrokkene 7] door [medeverdachte 3] steeds per e-mail werden toegezonden. Het ging tijdens de voorbesprekingen van de diverse vergaderingen dus expliciet ook over de hoogte van de leningen en ook over de tegenslagen die SGI in de aanloopfase had (o.a. brand e.d.) en de gevolgen daarvan (namelijk benodigd extra kapitaal).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het was uitdrukkelijk bekend bij [betrokkene 7] dat RENDO in de loop van de jaren extra kapitaal heeft verstrekt aan SGI / SGE in de vorm van achtergestelde leningen met een hoge rente. Dit is namelijk steeds besproken tijdens de voorbereiding van vergaderingen van de RvC en AvA die [medeverdachte 3] met [betrokkene 7] had. Uit de e-mailwisseling tussen [betrokkene 7] en [medeverdachte 3] volgt dit ook. Deze e-mails behoren helaas echter ten onrechte niet tot het procesdossier, zodat [medeverdachte 3] deze e-mails niet als bewijs kan gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het overleg tussen [medeverdachte 3] en [betrokkene 7] paste [medeverdachte 3] de concept-agenda en stukken aan en stuurde hij de concept agenda opnieuw toe. [betrokkene 7] besprak deze vervolgens met zijn collega leden van de RvC en AVA. [betrokkene 7] wilde altijd graag alles van tevoren bespreken en regelen zodat de vergaderingen snel en efficiënt konden verlopen en alleen nog maar sprake was van zogenaamde ‘hamerstukken’. [betrokkene 7] mailde en belde daarna met [medeverdachte 3] om definitief vast te stellen hoe de agenda eruit moest zien en welke stukken bijgevoegd zouden worden. [betrokkene 7] had de ‘lead’. De hoogte van de financiering van SGI / SGE door RENDO kwam dus op de RvC/AvA vergadering zelf minder vaak aan de orde. Dit was namelijk al voorbesproken met de leden door [betrokkene 7] en voorts gaf [betrokkene 7] zelf ook aan dat er 'meer niet dan wel' in de notulen werd opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat [medeverdachte 3] dus de financiering van SGI / SGE wel altijd uitgebreid besproken heeft met [betrokkene 7] en deze weer een en ander weer besprak met de overige leden van de RvC/ AVA, is het dus echt onzin dat [betrokkene 7] niet op de hoogte was van de hoogte van de leningen zoals hij stelt in zijn verhoor. De e-mails tussen [betrokkene 7] en [medeverdachte 3] die kennelijk in het gehele FIOD-dossier ontbreken, kunnen dit ook bevestigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast dat er 6 maal per jaar een vergadering was met de RvC en 6 maal met de AVA waren er ook nog 2 maal per jaar andere vergaderingen, namelijk over de begroting en de financiële stukken. Ook deze werden voorbesproken met [betrokkene 7] . Zoals gezegd, besprak [betrokkene 7] dit weer voor de vergadering met de overige leden RvC en AvA. Ook bij de begroting kwamen de hoogte van de leningen uiteraard aan de orde en werden deze toegelicht. Ook uit de e-mailwisseling rondom deze vergaderingen volgt dat de leningen e.d. wel degelijk zijn besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kwartaalrapportages (financiële overzichten) stonden de leningen met naam en toenaam (dus letterlijk SGI / SGE e.d.) genoemd. Het waren de RvC en AvA zelf die de naam SGI / SGE niet wilden vermelden in jaarrekening. Zij wilden voorkomen dat uit het jaarverslag dat openbaar was de leningen aan SGI / SGE zichtbaar waren. Er liepen namelijk 2 procedures van de omwoners tegen de bouw van de torrefactie centrale. [betrokkene 7] als burgemeester van [plaats ] , wilde hiermee het belang van de gemeente [plaats ] bij het totstand brengen van deze fabriek, buiten het zicht houden. Dit had niets te maken met de stelling van het OM dat [medeverdachte 3] wat wilde verdoezelen. Het was op verzoek van de RvC en AVA zelf, meer specifiek van [betrokkene 7] als burgemeester van [plaats ] , en expliciet niet van [medeverdachte 3] . [betrokkene 7] stelt ook dat hij niet op de hoogte was van de achtergestelde leningen. Zoals hiervoor weergegeven is dit niet juist. Hij spreekt zichzelf ook tegen. “De Raad van Commissarissen wist dat er financiële risico's aan de investering kleefden, namelijk het betrof een achtergestelde lening. De afgesproken rendementen waren aantrekkelijk, ik meen dat het 8% was”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag: Wat is uw reactie op het feit dat het merendeel van deze leningen achtergesteld zijn?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: “Als ik het bedrijfsmatig vanuit Rendo bekijk zouden deze leningen niet als achtergestelde leningen zijn verstrekt”. [betrokkene 7] zou ook geen verantwoordelijkheden hebben ten aanzien van de jaarrekeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft de RvC of de President-Commissaris nog taken of verantwoordelijkheden ten aanzien van het opmaken van deze jaarrekeningen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: “Neen”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is volstrekt ongeloofwaardig. [betrokkene 7] was voorzitter van de RvC en AVA. In die hoedanigheid leidde hij de vergaderingen over de jaarrekening, verleende hij decharge en hield hij toezicht. [betrokkene 7] : “Ik kan niet verklaren dat aan de ondernemingsraad 2 weken later, te weten op 27 sept. 2009, een bedrag is genoemd van 24 miljoen, dat door Rendo zou moeten worden geïnvesteerd. Ik gis nu dat dat bedrag het totale bedrag moet zijn geweest. Zoals ik heb verklaard was ons besluit maximaal 5 miljoen te investeren. Met maximaal is bedoeld dat het ook minder dan 5 miljoen zou kunnen zijn, maar in ieder geval niet meer”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook dit is onzin. De voorzitter van de OR zat bij elke vergadering van de AvA. De tussentijdse financiële kwartaalrapportages vermelden alle leningen met ook de vermelding SGI / SGE . Dat was niet alleen op 27 september 2009 maar 4 maal per jaar. Zij ontvingen een zeer uitgebreide financiële rapportage. Los van het feit dat de hoogte van de leningen in de jaarrekening stond, stonden de leningen dus nog eens zeer uitgebreid in de kwartaalrapportages. Ook om die reden is het volstrekt ongeloofwaardig dat [betrokkene 7] niet op de hoogte was, maar de cijfers wel heeft toegelicht en décharge heeft verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast heeft hij zelf goedkeuring gegeven aan de sale and leaseback constructie, waar alleen al 7 mio mee gemoeid was.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebrekkigheid/leugenachtigheid van zijn verklaringen geldt ook voor het punt over de wetenschap van het aandeelhouderschap van [verdachte] / Marella in SGI . [betrokkene 7] verklaart ook: “Ik ken de naam Trip Advocaten en Notarissen. Dat er een relatie was tussen Trip en Rendo weet ik niet. Mij is niet bekend dat Trip betrokken zou zijn geweest bij de verkoop aan Electrabel.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is dus ook volstrekt ongeloofwaardig en wordt uitgebreid toegelicht in de overgelegde aangifte. Ook hier geldt weer dat als de e-mails tussen [medeverdachte 3] en [betrokkene 7] beschikbaar zouden zijn, [medeverdachte 3] dit met gemak nader zou kunnen onderbouwen, voor zover nodig. Helaas zijn de e-mails tussen [medeverdachte 3] en [betrokkene 7] niet opgenomen in het huidige procesdossier en via inzage in de bestanden bij de FIOD niet traceerbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is onder meer de reden, dat [medeverdachte 3] aangifte heeft gedaan tegen [betrokkene 7] van meineed. Doordat [betrokkene 7] onwaarachtig verklaart wordt de indruk gewekt dat [medeverdachte 3] de RvC en AvA zou hebben misleid en dat beide gremia niet bekend waren met de hoogte van de leningen aan SGI / SGE en dat de leningen niet zouden zijn verstrekt als zij op de hoogte waren van het aandeelhouderschap. Dit is niet juist en werkt voor [medeverdachte 3] nadelig uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inmiddels heeft het Functioneel Parket Amsterdam plotseling (na een krantenbericht in de Stentor) op 16 september besloten geen strafrechtelijk onderzoek in te stellen (productie) \"Beoordeling Ik zie onvoldoende aanknopingspunten om een strafrechtelijk of voorbereidend onderzoek in te stellen. Dat oordeel hangt samen met het feit dat de getuigenverklaring is of gelegd in een lopende strafzaak waarin uw cliënt in eerste aanleg is veroordeeld en waarin in hoger beroep nog geen onherroepelijke uitspraak is gedaan. Binnen het kader van de die lopende strafzaak is er voldoende gelegenheid voor u en uw cliënt om verklaringen die door [betrokkene 7] ten nadele van uw cliënt zijn afgelegd te weerleggen\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van het Functioneel Parket Amsterdam hangt samen met het voorliggende Hoger Beroep en de gelegenheid om verklaringen van [betrokkene 7] te weerleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook dit is reden waarom ik uw Hof vraag de mogelijkheid te bieden [betrokkene 7] opnieuw als getuige te mogen horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De FIOD heeft vanaf de start van het onderzoek alleen [medeverdachte 3] als verdachte in het vizier gehad. Mogelijk in verband met de Electrabel zaak die het beeld over [medeverdachte 3] heeft beïnvloed, (overigens een zaak waar [medeverdachte 3] in eerste aanleg ook steeds om zijn persoonlijke mappen met aantekeningen heeft verzocht, hetgeen nu wellicht in een ander perspectief kan worden geplaatst en waar cassatie is ingesteld).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan RENDO (lees RvC en AvA) is vanaf het begin duidelijk gemaakt dat zij in ieder geval geen verdachte zijn in de Zebra zaak. Bij de aangekondigde FIOD inval bij RENDO werd dus vooraf al aan RENDO meegedeeld dat zij buiten elke verdenking stonden. [medeverdachte 3] stelt zich op het standpunt dat er alle reden was om ook de leden van de RvC en AVA niet op voorhand mede te delen dat zij buiten elke verdenking stonden. Na die mededeling hadden zij er namelijk vooral belang bij in hun getuigenverklaring alle schuld bij [medeverdachte 3] neer te leggen en de gelegenheid hun verklaringen op elkaar af te stemmen, zelfs voorbereid door een advocatenkantoor. Dat zij daardoor (deels) onwaarachtig verklaarden werd ingeschat als een klein risico.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen van de leden van de RvC en AvA zal de behoefte hebben gevoeld het volledige en juiste verhaal te vertellen om daardoor alsnog in het verdachtenbankje terecht te komen. En zij wisten dat [medeverdachte 3] toch niet zou worden geloofd na de Electrabel zaak. Zo is ook geschied. Alle pijlen van de FIOD waren op [medeverdachte 3] gericht en van enige kritische vragen aan de leden van de RvC en AVA was geen sprake. Of hier mee-gespeeld heeft dat de leden van de RvC en AVA openbare ambtsdragers waren (burgemeester en wethouder van de aandeelhoudende gemeenten, sluit [medeverdachte 3] ook zeker niet uit. Zeker nu ook weer blijkt dat het Functioneel Parket zeer lange tijd niets met de aangifte heeft gedaan, echter nadat de Stentor de aangifte tegen [betrokkene 7] in de publiciteit brengt, in staat is binnen 2 dagen een besluit te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is op zijn minst opmerkelijk te noemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het had op de weg van de FIOD gelegen in ieder geval kritisch in te gaan op de ongeloofwaardige antwoorden van o.a. [betrokkene 7] . Als het antwoord op de vraag aan [betrokkene 7] als President-Commissaris van de RvC of er taken zijn voor hem m.b.t. de goedkeuring van de jaarrekening “nee” is, dan zou dat bij iedereen met een klein beetje verstand van de regelgeving onmiddellijk vragen dienen op te roepen. Een vervolgvraag zou geweest moeten zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar u was als voorzitter van de RvC toch verantwoordelijk als toezichthouder. En als voorzitter van de AVA lichtte u de jaarrekening toch toe en diende u toch decharge te verlenen namens het bestuur. Hoe kan het dan dat u zegt geen taken te hebben?</p>\n<p class=\"lf-p\">Een medewerker van de FIOD die zich enigszins had ingelezen in het dossier voor de diverse verhoren van de RvC en AvA leden en met enige kennis van de taken van de RvC en AvA, weet dat het antwoord van [betrokkene 7] niet waarachtig kan zijn. Als men dan niet doorvraagt kan de enige conclusie zijn, dat de pijlen vanaf het allereerste begin van het onderzoek steeds op [medeverdachte 3] waren gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor de antwoorden tijdens het verhoor over de hoogte van de leningen aan SGI / SGE . De vervolgvraag van de FIOD zou geweest moeten zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar de hoogte van de leningen staat toch jaarlijks steeds in de jaarrekening en in e kwartaalrapportages? Hoe kon het dan dat u beweert niet op de hoogte te zijn?</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook dit is niet gebeurd. Hetzelfde geldt overigens voor de verklaring van [betrokkene 17] (als opvolgend President-Commissaris van [betrokkene 7] ). Het is ook niet aannemelijk dat de OR al 5 jaar volledig op de hoogte zou zijn en de RvC en AvA niet. [medeverdachte 3] was verdachte en in dat licht moet worden gezien dat de FIOD niet heeft doorgevraagd; tunnelvisie. De e-mail aan de OR is een van de weinige e-mails die in het door het OM samengestelde strafdossier zit en daar staat, reeds voor aanvang van het uitlenen door RENDO van de eerste euro, direct de hoogte van de leningen vermeld. Dit geldt niet alleen voor deze e-mail, maar ook de vele e-mails die zijn verzonden tussen o.a. [betrokkene 7] en [medeverdachte 3] . In deze e-mails staat alle informatie over wat er besproken is en toegelicht en die kunnen dienen voor [medeverdachte 3] als onderbouwing van zijn standpunten. Niet dus, want deze e-mails ontbreken. Als deze e-mails er wel waren geweest had dit een heel ander licht op de zaak geworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat er überhaupt e-mails bestaan tussen [betrokkene 7] en [medeverdachte 3] en het verloop van het vergaderproces (afstemmen vooraf, hamerstukken op de vergadering) kan [betrokkene 7] bevestigen in een aanvullend getuigenverhoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik verzoek u dan ook namens [medeverdachte 3] om de verdediging de mogelijkheid te bieden [betrokkene 7] te mogen horen. Ik ga ervan uit dat voldoende duidelijk is gemaakt dat het nogmaals horen van [betrokkene 7] noodzakelijk is voor de volledigheid van het onderzoek en in het licht van de te beantwoorden vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Dank voor uw aandacht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.2 Het verzoek wordt ter terechtzitting van 20 september 2022 als volgt afgewezen: “Het hof wijst het verzoek in de zaken van [medeverdachte 3] , [betrokkene 13] en [verdachte] B.V. tot het horen van [betrokkene 7] als getuige in dit stadium af. De centrale vraag in deze strafzaak is of Rendo is opgelicht door haar directie door zonder toestemming met een meerderheidsbelang deel te nemen in SGI . [betrokkene 7] verklaring als getuige over het verstrekken van leningen aan SGI zegt in wezen in directe zin niets over deze vraag. Het hof acht de onderbouwing op dit moment onvoldoende om het verzoek om [betrokkene 7] als getuige te kunnen toe te wijzen, te meer niet omdat [betrokkene 7] reeds als getuige is gehoord door de rechter-commissaris. In de kwartaalrapportage van het 4e kwartaal van 2008 (bijlage 16 bij het door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 8 april 2022 ingebrachte stuk genaamd: ‘voorlopige conclusie’) staat dat deze kwartaalrapportage is verspreid onder de leden van de directie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er staan geen namen van RvC-leden genoemd. In de agenda’s en notulen van 2006, 2007 en 2008 staan bovendien geen directe verwijzingen naar het bespreken van kwartaalcijfers. Het hof heeft in het dossier geen document aangetroffen waaruit volgt dat [betrokkene 7] toestemming zou hebben gegeven voor het verstrekken van de lening van 7 miljoen euro aan SGI . Het hof nodigt de verdediging uit om dit stuk alsnog zo spoedig mogelijk te verstrekken, zodat dit kan worden betrokken bij de beoordeling van deze zaak. De betrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 7] valt naar het oordeel van het hof voldoende te beoordelen aan de hand van de andere getuigenverklaringen en de andere stukken in het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof volgt de beslissing van het functioneel parket op de aangifte tegen [betrokkene 7] van meineed door [medeverdachte 3] in zoverre dat [betrokkene 7] geen verklaringen onder ede heeft afgelegd. Dat er geen vervolging wegens meineed tegen [betrokkene 7] heeft plaatsgevonden is in die zin niet geheel onverwacht. […] Mr. Van Leuveren legt een e-mailbericht over, waaruit volgens hem volgt dat [betrokkene 7] goedkeuring heeft verleend aan een sale and leasebacktransactie waarmee 7 miljoen euro was gemoeid. Deze e-mail met bijlage is aan het hof overgelegd en is als bijlage 3 aan dit proces-verbaal gehecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter merkt ten aanzien van deze e-mail met bijlage het volgende op:</p>\n<p class=\"lf-p\">In het document staat dat [betrokkene 7] als burgermeester van [plaats ] toestemming geeft voor doorverkoop van een perceel grond. Bovendien wordt het bedrag van 7 miljoen euro waaraan u refereert in dit stuk niet vermeld. De e-mail is verstuurd naar de aanhouders van SGI . Het hof blijft nu bij de beslissing om [betrokkene 7] niet als getuige te horen. Mocht het verhandelde ter zitting naderhand daartoe aanleiding geven, dan kan het hof dat verzoek heroverwegen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.3 Op de zitting van 30 september 2022 vraagt de voorzitter naar aanleiding van de pleitnota van de raadsman ten aanzien van welke getuigen de verdediging een voorwaardelijk verzoek tot horen doet. Daarop antwoordt de raadsman: “De advocaat-generaal heeft in het requisitoir ook diverse keren gerefereerd aan het feit dat er geen appelschriftuur is ingediend, maar dat wij het hof wel uitgebreide verzoeken hebben gedaan om getuigen te horen. Het is gemakkelijk om te zeggen dat het hof nog een keer hierover oordeelt. In maart 2022 is duidelijk geworden dat het dossier onvolledig is. Ik verzoek u om het verzoek om de 12 getuigen te horen zoals dat tijdens de regiezitting bij het hof in december 2020 is gedaan, wederom te beoordelen. Ik verzoek het hof om deze eerder gedane verzoeken om 12 getuigen te horen nogmaals te bekijken met de kennis van nu over de volledigheid van het dossier. Uit mijn hoofd zeg ik dat het ging om 12 personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter vraagt ter verduidelijking aan mr. Van Leuveren of hij zijn eerdere verzoeken in het kader van de regiezitting van december 2020 herhaalt als voorwaardelijk verzoek, mits het hof niet tot een vrijspraak komt. Daarnaast is er eerder een voorwaardelijk verzoek gedaan om 4 getuigen te horen. Mr. Van Leuveren bevestigt dit.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.4 In het eindarrest van 21 december 2022 heeft het hof over het voorwaardelijke verzoek om [betrokkene 7] als getuige te horen als volgt beslist: “De verdediging heeft bij pleidooi alsnog een tiental voorwaardelijke verzoeken gedaan om getuigen te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft verzocht om [betrokkene 7] en [betrokkene 17] als getuige te horen. Het hof acht het horen van [betrokkene 7] niet noodzakelijk. De verdediging heeft haar ondervragingsrecht kunnen uitoefenen, aangezien [betrokkene 7] op 8 december 2016 in het bijzijn van de toenmalige raadsman van [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris is gehoord. De verdediging van [medeverdachte 3] heeft de gelegenheid gehad tot het stellen van vragen. Bij die gelegenheid heeft de verdediging deze getuige ook daadwerkelijk vragen gesteld. Het hof ziet in de onderbouwing geen noodzaak tot het opnieuw horen van deze getuige, noch ziet het hof daartoe zelf de noodzaak. […] Het hof wijst deze voorwaardelijke verzoeken af.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Het middel richt zich met name tegen de volgende overweging van het hof, die deel uitmaakt van de motivering van de afwijzing van het getuigenverzoek op de zitting van 20 september 2022: “De centrale vraag in deze strafzaak is of Rendo is opgelicht door haar directie door zonder toestemming met een meerderheidsbelang deel te nemen in SGI . [betrokkene 7] verklaring als getuige over het verstrekken van leningen aan SGI zegt in wezen in directe zin niets over deze vraag.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast wordt gesteld dat het feit dat de verdediging al in een eerder stadium in de gelegenheid is geweest om [betrokkene 7] te horen niet relevant is, kort gezegd omdat de verdediging vragen wilde stellen aan [betrokkene 7] die toentertijd (door de voormalig raadsman van de verdachte) niet gesteld zijn en er aanleiding was om de betrouwbaarheid van de getuige – gelet op de eerder door hem gegeven antwoorden – nader te toetsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 Ik kan uit de toelichting op het middel niet méér opmaken dan dat in zijn algemeenheid wordt betoogd dat het onderzoek niet volledig kan zijn zonder het nogmaals horen van [betrokkene 7] en dat de verwachting was dat de getuige, door hem de juiste vragen te stellen, van een getuige à charge zou kunnen veranderen in een getuige à décharge. Ten aanzien van de hiervoor geciteerde overweging met betrekking tot het zonder toestemming deelnemen van de directie van Rendo met een meerderheidsbelang in SGI , wordt door de steller van het middel slechts naar voren gebracht dat juist met het oog hierop nadere ondervraging van [betrokkene 7] noodzakelijk was.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4 Uit de hiervoor onder 6.1.1 geciteerde onderbouwing van het getuigenverzoek blijkt dat laatste echter niet. Het was de verdediging er vooral te om doen [betrokkene 7] te ondervragen over zijn wetenschap met betrekking tot de omvang van de verstrekte leningen aan SGI en de sale and leasebackconstructie, waarvan [betrokkene 7] eerder had verklaard niet op de hoogte te zijn. Ik kan in dit verzoek niet lezen dat de verdediging [betrokkene 7] ook had willen bevragen over zijn wetenschap van, of instemming met het meerderheidsbelang dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hadden in SGI . Gelet hierop acht ik de overweging van het hof dat [betrokkene 7] verklaring als getuige over de verstrekte leningen nog niets zegt over diens wetenschap dan wel instemming met het meerderheidsbelang van [medeverdachte 3] in SGI volkomen begrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.5 In cassatie wordt niet bestreden dat het hof het juiste toetsingscriterium heeft aangelegd bij de afwijzing van het (voorwaardelijk) verzoek [betrokkene 7] als getuige te horen, namelijk het noodzakelijkheidscriterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6 Het tweede middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Het derde middel 7.1 Het derde middel heeft betrekking op de afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het horen van [getuige 1] , die in 2007 voorzitter van het dagelijks bestuur van TRIP Advocaten Notarissen was. Dit kantoor heeft [medeverdachte 3] geadviseerd met betrekking tot de zogenoemde SGI -constructie. Een van de verweren van de verdachte is erop gebaseerd dat zij op deze adviezen heeft blindgevaren voor wat betreft de geoorloofdheid van haar handelen. De gang van zaken bij dit getuigenverzoek is als volgt geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.1 Het verzoek om [getuige 1] te horen is door de advocaat van [medeverdachte 3] en de verdachte per e-mail d.d. 1 december 2020 voorafgaande aan de eerste regiezitting van het hof gedaan aan de raadsheer-commissaris. In de schriftelijke onderbouwing op deze e-mail wordt kort samengevat naar voren gebracht dat met TRIP is besproken hoe er invulling zou kunnen worden gegeven aan de positie van Rendo in verhouding tot SGI in het kader van de op de op handen zijnde wijzigingen in de energiewet- en regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.2 Het hof heeft de inhoud van deze e-mail kennelijk opgevat als een verzoek dat alleen is gedaan in de zaak van [medeverdachte 3] . Dat leid ik af uit de omstandigheid dat het hof ten aanzien van de verdachte niet op het getuigenverzoek is beslist. Zoals hierna zal blijken, heeft de verdediging op de zitting van 30 september 2022 ook namens de verdachte verzocht om [getuige 1] te horen. Bij de afwijzing van dit verzoek in het arrest van 21 december 2022 verwijst het hof terug naar zijn beslissing op het eerder gedane verzoek in de zaak van [medeverdachte 3] ; dit verzoek is door het hof in het tussenarrest van 23 december 2020 (in de zaak van [medeverdachte 3] ) afgewezen. Voor de volledigheid geef ik daarom hieronder ook de afwijzende beslissing van het hof op het bij e-mail van 1 december 2020 gedane verzoek weer.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.3 In het tussenarrest van 23 december 2020 heeft het hof in de zaak van [medeverdachte 3] als volgt op het verzoek om [getuige 1] te horen beslist: “Oordeel van het hof Het hof stelt allereerst vast dat alle hiervoor genoemde getuigenverzoeken beoordeeld moeten worden aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. […] [getuige 1] Het hof wijst het verzoek tot het horen van deze getuige af. In het licht van de onderbouwing van het verzoek, acht het hof onvoldoende gemotiveerd waarom de getuige gehoord zou moeten worden. Het hof ziet niet in dat het nogmaals horen van deze persoon noodzakelijk is voor de volledigheid van het onderzoek of in het licht van de te beantwoorden vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.4 Op de zitting van 30 september 2022 heeft de verdediging (opnieuw) het voorwaardelijke verzoek gedaan om onder andere [getuige 1] als getuige te horen. De raadsman van de verdachte heeft daartoe het volgende naar voren gebracht (met overneming van voetnoten doorgenummerd in de tekst van deze conclusie): “De advocaat-generaal heeft in het requisitoir ook diverse keren gerefereerd aan het feit dat er geen appelschriftuur is ingediend, maar dat wij het hof wel uitgebreide verzoeken hebben gedaan om getuigen te horen. Het is gemakkelijk om te zeggen dat het hof nog een keer hierover oordeelt. In maart 2022 is duidelijk geworden dat het dossier onvolledig is. Ik verzoek u om het verzoek om de 12 getuigen te horen zoals dat tijdens de regiezitting bij het hof in december 2020 is gedaan, wederom te beoordelen. Ik verzoek het hof om deze eerder gedane verzoeken om 12 getuigen te horen nogmaal ste bekijken met de kennis van nu over de volledigheid van het dossier. Uit mijn hoofd zeg ik dat het ging om 12 personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter vraagt ter verduidelijking aan mr. Van Leuveren of hij zijn eerdere verzoeken in het kader van de regiezitting van december 2020 herhaalt als voorwaardelijk verzoek, mits het hof niet tot een vrijspraak komt. Daarnaast is er eerder een voorwaardelijk verzoek gedaan om 4 getuigen te horen. Mr. Van Leuveren bevestigt dit.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.5 Bij eindarrest van 21 december 2022 heeft het hof dit verzoek afgewezen met de volgende motivering: “Voorwaardelijke getuigenverzoeken De verdediging heeft bij pleidooi alsnog een tiental voorwaardelijke verzoeken gedaan om getuigen te horen. […] Het hof acht het horen van [betrokkene 18] , [betrokkene 19] , [getuige 2] en [getuige 1] niet noodzakelijk voor enige in de zaak op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. De verdediging heeft bij brief van 1 december 2020 ten behoeve van de eerste regiezitting in hoger beroep op 9 december 2020 het hof verzocht om deze getuigen te horen. Bij tussenarrest van 23 december 2020 heeft het hof gemotiveerd waarom het hof het horen van deze getuigen niet noodzakelijk acht voor de volledigheid van het onderzoek of in het licht van de in deze zaak te beantwoorden vragen van artikelen 348 en 350 Sv. De verdediging heeft aan de herhaling van dit verzoek om deze getuigen geen nadere of aanvullende onderbouwing ten grondslag gelegd. Het hof ziet in wat er sinds de regiezitting van 9 december 2020 aan informatie en stukken met het hof is gedeeld geen aanleiding om de eerdere afweging van het hof bij tussenarrest van 23 december 2020 te herzien. Het hof ziet in de onderbouwing geen noodzaak tot het horen van deze getuigen, noch ziet het hof daartoe zelf de noodzaak. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek af.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2 Het gaat bij het verzoek om [getuige 1] te horen om een verzoek tot het oproepen van een getuige à décharge. In dergelijke gevallen geldt een motiveringsplicht voor de verdediging, die inhoudt dat de verdediging zal moeten toelichten waarom het horen van die getuige van belang is voor enige in de strafzaak op grond van artikel 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Op grond van die motivering kan de rechter de relevantie van het verzoek beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter kan het verzoek afwijzen als de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, omdat de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing, of als redelijkerwijs moet worden uitgesloten dat de getuige over de bedoelde punten zou kunnen verklaren. Wordt een verzoek tot het horen van een getuige à décharge pas voor het eerst op de zitting gedaan, zoals in onderhavige zaak het geval is, dan geldt er een strenger criterium, namelijk dat het verzoek alleen wordt ingewilligd als de rechter het verhoor noodzakelijk acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 Het hof heeft het verzoek van de verdediging aan het noodzakelijkheidscriterium getoetst en in cassatie is niet betwist dat dit het juiste criterium is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 Het hof heeft de afwijzing van het (voorwaardelijke) verzoek gebaseerd op de grond dat het horen van [getuige 1] in het licht van de in deze zaak te beantwoorden vragen van artikelen 348 en 350 Sv niet noodzakelijk is en heeft daarbij verwezen naar zijn beslissing in het tussenarrest van 23 december 2020 in de zaak van [medeverdachte 3] . Het hof heeft in wat er nadien aan informatie en stukken is gedeeld met het hof geen aanleiding gezien om op zijn eerdere oordeel in die zaak terug te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5 Aan de motivering van het oorspronkelijke verzoek van de verdediging in de zaak van [medeverdachte 3] is op de zitting van 30 september 2022 niets inhoudelijks toegevoegd en evenmin is betoogd waarom de na het tussenarrest van het hof aan het dossier toegevoegde informatie aanleiding zou moeten geven tot het horen van [getuige 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6 Het lijkt erop dat in de toelichting op het middel gepoogd wordt het gebrek aan onderbouwing van (de handhaving van) het getuigenverzoek op de zitting van 30 september 2022 te repareren, door uitvoerig te verwijzen naar de verweren die de verdediging in de loop van de procedure naar voren heeft gebracht. Daaruit had het hof als het ware ambtshalve duidelijk moeten worden waarom het horen van [getuige 1] belangrijk was. Helaas is het in de cassatiefase voor dit betoog te laat. Ook voor de feitelijke onderbouwing van een getuigenverzoek kan de regel worden gehanteerd dat dit niet voor het eerst in cassatie kan gebeuren, en dat deze onderbouwing ook niet in cassatie kan worden aangevuld. Daaraan kan ik nog toevoegen dat de toelichting op het middel een hoog gehalte van “napleiten” heeft. Ik ben van oordeel dat het hof de afwijzing van het verzoek, gelet op hetgeen de verdediging daaraan ten grondslag heeft gelegd, voldoende heeft gemotiveerd en dat er hierbij geen sprake is van een schending van art. 6 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7 Het derde middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Het vierde middel 8.1 Het vierde middel bevat de klacht dat het hof het verzoek tot het horen van [getuige 2] van de NMa heeft afgewezen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen. Ten aanzien van [getuige 2] is de gang van zaken als volgt geweest:</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.1 Het verzoek [getuige 2] te horen is per e-mail d.d. 1 december 2020 voorafgaande aan de eerste regiezitting van het hof gedaan aan de raadsheer-commissaris. [getuige 2] zou tekst en uitleg aan het hof kunnen geven over de regulering van netbeheerders in Nederland, over de contacten die er vanuit de NMa zijn geweest met Rendo en over de activiteiten die wel en niet door Rendo mochten worden ondernomen op basis van de toenmalige regelgeving van de Dienst Toezicht Energie. [getuige 2] zou eveneens kunnen bevestigen dat het destijds toegestaan was voor Rendo om SGI te financieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.2 Het hof heeft de inhoud van deze e-mail kennelijk opgevat als een verzoek dat enkel is gedaan in de zaak van [medeverdachte 3] . Dat leid ik af uit de omstandigheid dat het hof ten aanzien van de verdachte niet op het getuigenverzoek heeft beslist. Zoals hierna zal blijken, heeft de verdediging op de zitting van 30 september 2022 ook namens de verdachte verzocht om [getuige 2] te horen. Bij de afwijzing van dit verzoek in het arrest van 21 december 2022 verwijst het hof – net als het hof deed ten aanzien van het verzoek om [getuige 1] te horen – terug naar zijn beslissing op het eerder gedane verzoek in de zaak van [medeverdachte 3] ; dit verzoek is door het hof in het tussenarrest van 23 december 2020 afgewezen. Voor de volledigheid geef ik daarom hieronder ook de afwijzende beslissing van het hof op het bij e-mail van 1 december 2020 gedane verzoek in de zaak van [medeverdachte 3] weer.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.3 Bij tussenarrest van 23 december 2020 wijst het hof het verzoek als volgt af: “Oordeel van het hof Het hof stelt allereerst vast dat alle hiervoor genoemde getuigenverzoeken beoordeeld moeten worden aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. […] [getuige 2] Het hof wijst het verzoek tot het horen van deze getuige af. Daarbij merkt het hof op dat de onderbouwing van het verzoek in zeer algemene bewoordingen is gesteld. Met die onderbouwing ziet het hof niet in dat het horen van deze persoon noodzakelijk is voor de volledigheid van het onderzoek of in het licht van de te beantwoorden vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.4 Op de zitting van 30 september 2022 heeft de verdediging het voorwaardelijke verzoek gedaan om onder andere [getuige 2] als getuige te horen. De raadsman van de verdachte heeft daartoe het volgende naar voren gebracht (met overneming van voetnoten doorgenummerd in de tekst van deze conclusie): “De advocaat-generaal heeft in het requisitoir ook diverse keren gerefereerd aan het feit dat er geen appelschriftuur is ingediend, maar dat wij het hof wel uitgebreide verzoeken hebben gedaan om getuigen te horen. Het is gemakkelijk om te zeggen dat het hof nog een keer hierover oordeelt. In maart 2022 is duidelijk geworden dat het dossier onvolledig is. Ik verzoek u om het verzoek om de 12 getuigen te horen zoals dat tijdens de regiezitting bij het hof in december 2020 is gedaan, wederom te beoordelen. Ik verzoek het hof om deze eerder gedane verzoeken om 12 getuigen te horen nogmaal ste bekijken met de kennis van nu over de volledigheid van het dossier. Uit mijn hoofd zeg ik dat het ging om 12 personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter vraagt ter verduidelijking aan mr. Van Leuveren of hij zijn eerdere verzoeken in het kader van de regiezitting van december 2020 herhaalt als voorwaardelijk verzoek, mits het hof niet tot een vrijspraak komt. Daarnaast is er eerder een voorwaardelijk verzoek gedaan om 4 getuigen te horen. Mr. Van Leuveren bevestigt dit.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.5 Bij eindarrest van 21 december 2022 heeft het hof dit verzoek verworpen met de volgende overwegingen: “Voorwaardelijke getuigenverzoeken De verdediging heeft bij pleidooi alsnog een tiental voorwaardelijke verzoeken gedaan om getuigen te horen. […] Het hof acht het horen van [betrokkene 18] , [betrokkene 19] , [getuige 2] en [getuige 1] niet noodzakelijk voor enige in de zaak op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. De verdediging heeft bij brief van 1 december 2020 ten behoeve van de eerste regiezitting in hoger beroep op 9 december 2020 het hof verzocht om deze getuigen te horen. Bij tussenarrest van 23 december 2020 heeft het hof gemotiveerd waarom het hof het horen van deze getuigen niet noodzakelijk acht voor de volledigheid van het onderzoek of in het licht van de in deze zaak te beantwoorden vragen van artikelen 348 en 350 Sv. De verdediging heeft aan de herhaling van dit verzoek om deze getuigen geen nadere of aanvullende onderbouwing ten grondslag gelegd. Het hof ziet in wat er sinds de regiezitting van 9 december 2020 aan informatie en stukken met het hof is gedeeld geen aanleiding om de eerdere afweging van het hof bij tussenarrest van 23 december 2020 te herzien. Het hof ziet in de onderbouwing geen noodzaak tot het horen van deze getuigen, noch ziet het hof daartoe zelf de noodzaak. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek af.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2 Ik vrees dat het middel hetzelfde lot is beschoren als het derde middel. Daarvoor verwijs ik gemakshalve naar wat ik ten aanzien van het derde middel onder 7.2-7.6 heb opgemerkt. Ook ten aanzien van dit middel ben ik van oordeel dat het hof de afwijzing van het verzoek, gelet op hetgeen de verdediging daaraan ten grondslag heeft gelegd, voldoende heeft gemotiveerd en dat er hierbij geen sprake is van een schending van art. 6 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 Het vierde middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Het vijfde middel 9.1 Het vijfde middel houdt in dat het bewezenverklaarde ‘oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen’ onvoldoende steun vind in de bewijsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2 Het hof heeft over de aanwezigheid van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling bij [medeverdachte 3] als volgt overwogen (met overneming van voetnoten doorgenummerd in de tekst van deze conclusie en reeds weergegeven onder 4.4): “Oogmerk Uit de aandeelhoudersovereenkomst SGI van 20 december 2007 blijkt dat het van meet af aan bij alle bij deze overeenkomst betrokken partijen duidelijk was dat Rendo de activiteiten van SGI voor het overgrote deel zou financieren. Daarmee ontstond op 20 december 2007 de situatie dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [betrokkene 10] , als directeuren van Rendo en in het geval van [medeverdachte 3] ook nog met een statutaire bevoegdheid om over het verstrekken van financieringen te beschikken, een rechtstreeks financieel belang hadden gekregen bij de onderneming waarin Rendo een aanzienlijke hoeveelheid geld zou gaan investeren. Dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] dit financieel belang via hun persoonlijke vennootschappen hadden, maakt dat niet anders nu ook in die situatie geen sprake is van een (van Rendo) onafhankelijke derde partij. Een dergelijke constructie leidt tot een zodanig groot risico dat op enig moment de belangen van Rendo en die van de aandeelhoudende directeuren met elkaar in strijd zouden komen – een situatie die zich later ook heeft gerealiseerd – dat ook om deze reden volstrekt onaannemelijk is dat de RvC en de AvA van Rendo dit zouden hebben geweten en toestemming daarvoor zouden hebben gegeven. Daar komt bij dat de uit de WON voortkomende verplichtingen ten aanzien van nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer actueel waren en dat RvC en AvA – daarmee bekend zijnde – hierop al in een vroeg stadium anticipeerden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de eerder aangehaalde verklaringen van de commissarissen en aandeelhouders van Rendo blijkt dat de RvC en de AvA nooit zouden hebben ingestemd met het verstrekken van geld aan SGI als bij hen bekend was geweest dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [betrokkene 10] een belang hadden bij die onderneming. In het licht van de ondubbelzinnige afspraken en het gemaakte voorbehoud in de vergaderingen van 13 september en 20 december 2007 omtrent het uitbesteden van de exploitatie van het project aan een derde partij, bij welke vergaderingen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] aanwezig waren, wisten beiden dat de besluitvorming in de RvC en de AvA anders zou zijn verlopen indien deze van hun belangen bij SGI op de hoogte waren geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij heeft de Rendo-directie zelf in een notitie aan de RvC opgenomen dat Rendo vanwege de WON geen aandeelhouder kon zijn van een dergelijk project betreffende elektriciteitsproductie. Dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] noch op dat moment noch op enig moment nadien, de RvC en de AvA van hun belangen op de hoogte hebben gesteld, maakt dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat zij de RvC en de AvA van Rendo bewust hebben misleid, om zo te bewerkstelligen dat SGI toch door Rendo zou worden (en blijven) gefinancierd. Uit deze conclusie volgt ook dat alle vormen van financiering die Rendo vanaf de oprichting van SGI op 20 december 2007 aan deze onderneming of haar dochters heeft verstrekt, aangemerkt moeten worden als vrucht van deze oplichting, waarmee (in ieder geval) SGI werd bevoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat Rendo hierdoor is benadeeld is evident, nu zij niet uit vrije wil dit geld heeft verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit al het voorgaande volgt ook dat Rendo door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] niet alleen doelbewust is misleid omtrent hun (feitelijke) belang in SGI , maar ook omtrent het doel en de besteding van de financiering die Rendo (in alle gevallen vertegenwoordigd door diezelfde [medeverdachte 3] ) aan SGI en haar dochter SGC heeft verstrekt. Het gaat hierbij om de uitbetaling van [verdachte] en Marella op 23 december 2009 en 29 juni 2010. Op deze wijze hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] bewerkstelligd dat geld, dat in de valselijk gewekte voorstelling van zaken zoals die aan Rendo werd voorgespiegeld voor de warmtekracht- en torrefactiecentrale in Steenwijk was bestemd, is toegevloeid naar haar eigen directeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit nota bene terwijl dat project nog geen moment rendabel was geweest en het voortbestaan daarvan bovendien, ten tijde van de tweede uitbetaling op 29 juni 2010, door het vasthouden aan de betalingen aan [verdachte] en Marella rechtstreeks in gevaar werd gebracht. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hebben zonder zelf enig substantieel eigen vermogen in te brengen (€ 15.000,- voor [medeverdachte 3] en € 5.000,- voor [medeverdachte 4] ) een financieel belang in SGI verkregen. Bij de verkoop van dit belang hebben zij vervolgens aanzienlijk grotere geldbedragen ontvangen (2,5 miljoen euro voor [medeverdachte 3] en € 1.250.000,- voor [medeverdachte 4] ). Zij hebben privé uit eigen financieel gewin gehandeld en hebben naar het oordeel van het hof – alles overziend – daarmee oogmerk gehad op wederrechtelijke bevoordeling van Rendo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Resumerend komt het hof tot het oordeel dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zich vanaf de oprichting van SGI op 20 december 2007 schuldig hebben gemaakt aan oplichting van Rendo door Rendo te misleiden omtrent hun feitelijke deelname aan SGI . Al het geld dat Rendo vanaf die datum aan SGI of haar dochters heeft verstrekt is de vrucht van deze oplichting geweest. Daarnaast is het hof van oordeel dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zich bij de uitbetaling van [verdachte] en Marella op 23 december 2009 en 29 juni 2010 eveneens schuldig hebben gemaakt aan oplichting van Rendo, door Rendo te misleiden omtrent het doel en de besteding van de door Rendo in dit verband aan SGI verstrekte gelden. Op grond van al het voorgaande stelt het hof bovendien vast dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3 Over de toerekening van de door [medeverdachte 3] verrichte strafbare gedragingen aan de verdachte (via het medeplegen en ex art. 51 Sr) heeft het hof overwogen: “De strafbare gedragingen van [medeverdachte 3] kunnen naar het oordeel van het hof aldus redelijkerwijs ook worden toegerekend aan [verdachte] . De oplichting van Rendo door [medeverdachte 3] heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon [verdachte] . De gedragingen van [medeverdachte 3] en [verdachte] vallen zodanig samen dat dit feit redelijkerwijs kan worden toegerekend aan [verdachte] , Zij kan daardoor worden aangemerkt als dader en medepleger van deze gedragingen. Het hof stelt vast dat zij dit feit – naast [medeverdachte 3] – heeft medegepleegd met [medeverdachte 4] en Marella B.V.. De verweren die de verdediging heeft gevoerd in het kader van dit feit in de zaak van [medeverdachte 3] , heeft het hof in dat arrest gemotiveerd verworpen. Nu de strafbare gedragingen van [medeverdachte 3] aan [verdachte] worden toegerekend, geldt dat wat het hof in dat verband heeft overwogen ten aanzien van [medeverdachte 3] mutatis mutandis ook in de zaak van [verdachte] . Op dit punt verwijst het hof naar de betreffende overwegingen van het hof in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 3] .”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4 Volgens de steller van het middel heeft het hof het ‘oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling’ gebaseerd op de veronderstelling dat [medeverdachte 3] , tezamen en in vereniging met onder meer de verdachte, welbewust informatie heeft achtergehouden en welbewust een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven. Uit de toelichting op het middel maak ik op dat het middel zich richt tegen deze ‘veronderstelling’. De steller van het middel voert in dit kader onder meer aan dat [medeverdachte 3] er (op advies van TRIP Advocaten Notarissen ) vanuit is gegaan dat SGI een derde partij was en niet een met Rendo verbonden onderneming, en dat hij handelde met medeweten van [betrokkene 7] , zodat geen sprake was van het achterhouden van informatie of het misleiden van Rendo.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5 Dit door de verdediging geschetste alternatieve scenario is in hoger beroep uitgebreid aan bod gekomen en door het hof onderbouwd terzijde geschoven. Het hof heeft – onder meer op basis van verklaringen van leden van de RvC en de AvA en verslagen van de vergaderingen van de RvC - geoordeeld dat niet blijkt dat de RvC en de AvA wetenschap hadden van het (indirecte) aandeelhouderschap van de Rendo-directie in SGI . In de zaak van [medeverdachte 3] (waarnaar ik verwijs in het licht van hetgeen het hof onder 9.3 heeft overwogen) stelt het hof [medeverdachte 3] niet te volgen in zijn stelling dat hij niet op de hoogte was van, dan wel heeft gedwaald omtrent de verplichting in de jaarrekening te vermelden dat Rendo en SGI als verbonden partijen moesten worden beschouwd. De ten aanzien van deze oordelen geformuleerde klachten – die van zeer feitelijke aard zijn en waaraan een verschil van mening over de waardering van het bewijs ten grondslag ligt – lenen zich niet voor toetsing in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.6 Het vijfde middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Het zesde middel 10.1 Het zesde middel klaagt dat de gedragingen die de verdachte (tezamen en in vereniging met anderen) heeft verricht niet kunnen worden beschouwd als ‘listige kunstgrepen’ en dat uit de bewijsvoering onvoldoende blijkt dat Rendo door deze gedragingen is ‘bewogen tot’ de afgifte van gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2 In de toelichting op het middel wordt per bewezenverklaarde gedraging (in de bewezenverklaring aangeduid met de letters A, B, C, A, B, C, F, H t/m N en P t/m U) betoogd waarom de gedragingen niet zijn aan te merken als listige kunstgrepen, of waarom Rendo door de gedragingen niet is bewogen tot de afgifte van gelden. Bij de bespreking van deze klachten stel ik een viertal zaken voorop. (i) De ten aanzien van de verschillende gedragingen geformuleerde klachten zijn overwegend van (zeer) feitelijke aard. Waar het in cassatie om gaat is of de bewezenverklaring, met inachtneming van de vrijheid van de feitenrechter ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal, toereikend en begrijpelijk is gemotiveerd. Klachten waarin enkel een van het oordeel van hof afwijkende stelling wordt geponeerd (waaraan een verschil van mening over de waardering van het bewijs ten grondslag ligt), lenen zich daarom niet voor toetsing in cassatie. (ii) Bij diverse van de onder A t/m U opgesomde gedragingen wordt ter bestrijding van het oordeel dat sprake is van listige kunstgrepen eenzelfde (soort) argument aangevoerd. Ik bespreek daarom waar mogelijk de klachten ten aanzien van de verschillende gedragingen gezamenlijk. (iii) Ten aanzien van sommige gedragingen worden klachten geformuleerd die bij de bespreking van andere middelen al aan bod zijn gekomen. Wanneer dit het geval, verwijs ik naar de bespreking van die middelen. In enkele gevallen verwijs ik naar de bespreking van een middel in mijn conclusie in de samenhangende zaak [medeverdachte 3] (22/04941; ECLI:NL:PHR:2025:860). De achtergrond daarvan is als volgt. Op grond van art. 51 Sr heeft het hof – zo gaf ik reeds weer onder 9.3 – de strafbare gedragingen van [medeverdachte 3] toegerekend aan de verdachte. Het hof merkte daarbij op dat wat het hof heeft overwogen in reactie op de verweren die de verdediging heeft gevoerd ten aanzien [medeverdachte 3] mutatis mutandis ook geldt in de zaak van [verdachte] . In cassatie wordt in de zaak van [medeverdachte 3] over sommige van deze overwegingen van het hof geklaagd. De middelen die ten aanzien van deze overwegingen zijn geformuleerd, vallen in een aantal gevallen samen met klachten die in de onderhavige zaak zijn geformuleerd. Kortheidshalve verwijs ik voor de bespreking van deze klachten dus naar mijn conclusie in de zaak [medeverdachte 3] . (iv) Ten laste van de verdachte is het medeplegen van de voortgezette handeling van oplichting, begaan door een rechtspersoon bewezenverklaard. Dit brengt met zich mee dat de onder A t/m U verrichte gedragingen niet per se door de verdachte zelf te hoeven zijn verricht: deze kunnen ofwel via het medeplegen, ofwel door toerekening van het strafbare handelen van [medeverdachte 3] (ex art. 51 Sr) aan de verdachte worden toegeschreven. Voor zover de klachten inhouden dat de verdachte de betreffende oplichtingshandeling niet zelf heeft verricht, treffen zij dus geen doel. Evenmin hoefde de verdachte te voldoen aan de in sommige gedragingen omschreven kwaliteit van ‘bestuurder’. Het hof overweegt hierover:</p>\n<p class=\"lf-p\">“Voor zover in de tenlastelegging staat opgenomen dat [verdachte] \"als bestuurder” een bepaalde gedraging heeft verricht, overweegt het hof als volgt. Voor een veroordeling wegens het medeplegen van oplichting van Rendo door [verdachte] in de kwaliteit van bestuurder is voldoende dat één van de deelnemers over die kwaliteit beschikt en dat de anderen daar weet van hadden. In casu was daarvan sprake bij [verdachte] en medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en Marella . Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking om medeplegen wettig en overtuigend te bewijzen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3 De gedragingen A, B, C, A, B, C, H, P en Q 10.3.1 De onder A, B, C, A, B, C, H, P en Q weergegeven gedragingen houden het volgende in: “A. heimelijk onverenigbare functies vervuld door als bestuurder van Rendo indirect aandeelhouder te zijn van SGI ;” “B. de Raad van Commissarissen (hierna “RvC”) van Rendo en de aandeelhouders van Rendo niet geïnformeerd over het belang dat hij en zijn medeverdachten hadden bij SGI en haar dochtervennootschappen;” “C. heimelijk en zonder toestemming van de RvC van Rendo en zonder toestemming van de aandeelhouders van Rendo en door tussenkomst van de besloten vennootschappen [verdachte] B.V. en Marella B.V. en door tussenkomst van [betrokkene 1] en [betrokkene 8] en [betrokkene 3] , een belang verkregen in SGI en haar dochtervennootschappen Stramproy Green Coal B.V. (hierna “ SGC ”) en Stramproy Green Energy B.V. (hierna “ SGE ”) en Stramproy Green Technologie B.V. (hierna “ SGT ”);” “A. heimelijk onverenigbare functies vervuld door als bestuurder van Rendo (indirect) aandeelhouder te zijn van SGI ;” “B. de Raad van Commissarissen (hierna “RvC”) van Rendo en/of de aandeelhouders van Rendo niet geïnformeerd over het belang dat zij en/of haar medeverdachte(n) had(den) bij SGI en/of haar dochtervennootschap(pen);” “C. heimelijk en zonder toestemming van de RvC van Rendo en/of zonder toestemming van de aandeelhouders van Rendo en door tussenkomst van de besloten vennootschap(pen) [verdachte] B.V. en/of Marella B.V. en/of door tussenkomst van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 8] en/of [betrokkene 3] , een belang verkregen in SGI en/of haar dochtervennootschap(pen) Stramproy Green Coal B.V. (hierna “ SGC ”) en/of Stramproy Green Energy B.V. (hierna “ SGE ”) en/of Stramproy Green Technologie B.V. (hierna “ SGT ”), en/of EPC;” “H. de RvC van Rendo niet (volledig) geïnformeerd over nadere met SGI en haar dochtervennootschappen gesloten (achtergestelde) leningen en over de totale omvang van de vorderingen van Rendo op SGI en haar dochtervennootschappen;” “P. niet in de jaarrekeningen en de jaarverslagen over 2007, 2008, 2009 en 2010 van Rendo vermeld en/of laten vermelden aan wie Rendo (achtergestelde) leningen had verstrekt en dat Rendo aan SGE en SGC geld had geleend;” “Q. niet in de jaarrekeningen van Rendo over 2007, 2008, 2009 en 2010 vermeld en/of laten vermelden dat er sprake was van SGI en/ SGE en/of SGC als verbonden partijen;”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.2 De argumenten die de steller van het middel aandraagt ter onderbouwing van het standpunt dat deze gedragingen geen listige kunstgrepen opleveren, kunnen als volgt worden samengevat: (i) De functie van [medeverdachte 3] als bestuurder van Rendo was niet onverenigbaar met die van (indirect) aandeelhouder in SGI , omdat Rendo en SGI geen verbonden partijen waren. De verdachte was in de veronderstelling dat zodoende geen sprake kon zijn van tegengestelde belangen, en zij en [medeverdachte 3] niet verplicht waren het (indirecte) aandeelhouderschap te melden. Subsidiair wordt aangevoerd dat [medeverdachte 3] over de verbondenheid van partijen advies heeft ingewonnen bij TRIP Advocaten en Notarissen, en dat [medeverdachte 3] en de verdachte over de verbondenheid van partijen verontschuldigbaar hebben gedwaald. (ii) Van het heimelijk vervullen van onverenigbare functies kan bovendien geen sprake zijn, omdat de RvC en de AvA ervan op de hoogte waren dat [medeverdachte 3] betrokken was bij de oprichting van SGI en (indirect) als aandeelhouder participeerde in SGI . [medeverdachte 3] heeft de RvC en de AvA daarnaast volledig geïnformeerd over alle leningen, hetgeen de verdachte had willen aantonen aan de hand van de in het ongerede geraakte e-mailcommunicatie. (iii) Niet [medeverdachte 3] , maar de verdachte had een minderheidsbelang in SGI . [medeverdachte 3] hoefde aan de RvC en de AvA van Rendo geen toestemming te vragen voor het aandeelhouderschap van de verdachte in SGI , omdat deze vennootschap in geen relatie stond tot Rendo. (iv) De jaarstukken geven geen onjuiste voorstelling van zaken, omdat niet was vereist daarin de relatie tot SGI , SGC en SGE te vermelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.3 Voor zover het middel (onder ii) klaagt dat de RvC en de AvA op de hoogte waren van het (indirecte) aandeelhouderschap van [medeverdachte 3] in SGI , verwijs ik naar de bespreking van middel 5. Onder 9.5 schreef ik dat dit scenario in hoger beroep uitgebreid aan bod is gekomen en door het hof onderbouwd terzijde is geschoven. Het hof heeft – onder meer op basis van verklaringen van leden van de RvC en de AvA en verslagen van de vergaderingen van de RvC – geoordeeld dat niet blijkt dat de RvC en de AvA wetenschap hadden van het (indirecte) aandeelhouderschap van de Rendo-directie in SGI . Het oordeel vindt zodoende voldoende steun in de bewijsmiddelen, en is niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.4 Het standpunt (onder ii) dat [medeverdachte 3] de RvC en de AvA volledig heeft geïnformeerd over alle leningen, betreft een betwisting van een feitelijke vaststelling van het hof. Voor zover de steller van het middel een beroep doet op in het ongerede geraakte e-mailberichten, heeft het hof – zo besprak ik onder 5.19 – geconstateerd dat niet is gebleken van ontbrekende stukken, en deze vaststelling acht ik niet onbegrijpelijk (zie hierover middel 1). De klacht leent zich niet voor verdere toetsing in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.5 Voor zover het middel klaagt (onder (i) en (iv)) dat geen sprake was van ‘verbonden partijen’ en de relatie tot SGI en haar dochterondernemingen niet in de jaarstukken hoefde te worden vermeld, althans dat de verdachte en [medeverdachte 3] omtrent de verbondenheid van partijen verontschuldigbaar hebben gedwaald, verwijs ik de bespreking van de middelen 7 en 8 in mijn conclusie ten aanzien van [medeverdachte 3] (22/04941, ECLI:NL:PHR:2025:860). In de bespreking van die middelen komen deze klachten uitgebreid aan bod. Ook ten aanzien van de onder (iii) geformuleerde klacht verwijs ik naar de bespreking van middel 7 in de zaak van [medeverdachte 3] , onder 11.4-11.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4 Gedraging F 10.4.1 De onder F bewezenverklaarde gedraging houdt in: “F. er voor zorggedragen dat [betrokkene 3] in de periode van 26 juni 2008 tot 2 december 2009 de aandelen van SGI , die daarvoor (indirect) gehouden werden door verdachte en zijn medeverdachten, heeft gehouden;”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4.2 Ten aanzien van gedraging F voert de steller van het middel aan dat met het houden van aandelen voor een ander niets mis is, en dat dit derhalve niet als listige kunstgreep kan worden gekwalificeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4.3 Ten aanzien van de overdracht van de aandelen naar [betrokkene 3] heeft het hof – aan de hand van diverse e-mails en op basis van de verklaringen van [betrokkene 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] – vastgesteld dat de beslissingen over (de aandelen in) SGI van [betrokkene 3] feitelijk werden gemaakt door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , en dat de overdracht van de aandelen aan [betrokkene 3] tot doel had om te (blijven) verhullen wie de feitelijke zeggenschap in SGI had. Dat oordeel vindt voldoende steun in de bewijsmiddelen en is niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5 De gedragingen I, J, K, L, M 10.5.1 De onder I t/m M genoemde gedragingen houden in: “l. als bestuurder van Rendo opdracht en goedkeuring en toestemming en medewerking gegeven aan het door Rendo verstrekken van leningen aan SGI en haar dochtervennootschappen;” “J. als bestuurder van Rendo opdracht en goedkeuring en toestemming en medewerking gegeven aan het door Rendo aangaan van sale- and leasebackovereenkomsten met SGI en haar dochtervennootschappen;” “K. als bestuurder van Rendo opdracht en goedkeuring en toestemming en medewerking gegeven aan het door Rendo betalen voor investeringen aan SGI en haar andere dochtervennootschappen;” “L. als bestuurder van Rendo opdracht en/of goedkeuring en/of toestemming en/of medewerking gegeven aan het door Rendo kwijtschelden van huur verschuldigd door SGI en/of haar dochtervennootschappen;” “M. als bestuurder van Rendo opdracht en goedkeuring en toestemming en medewerking gegeven aan het door Rendo doen van betalingen aan SGI en haar dochtervennootschappen;”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5.2 Ten aanzien van de onder I t/m M opgesomde gedragingen betoogt de steller van het middel dat geen sprake is geweest van misleidende handelingen die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven riepen, omdat [medeverdachte 3] volledig bevoegd was om de genoemde handelingen te verrichten. Ten aanzien van gedraging L merkt de steller van het middel nog op dat met deze kwijtschelding van huur ook de belangen van Rendo werden gediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5.3 Uit de bewijsoverwegingen van het hof (weergegeven onder 4.4) volgt dat [medeverdachte 3] op grond van de statuten van Rendo bevoegd was om financieringen te verstrekken in het kader van de realisatie van een noodstroomvoorziening in [plaats ] . Door de RvC en de AvA is met het noodstroomproject ingestemd onder de voorwaarde dat de productie van stroom door een derde partij zal plaatsvinden. Deze voorwaarde was ingegeven door de destijds op handen zijnde Wet Onafhankelijk Netbeheer (WON). Het hof heeft vastgesteld dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] van deze voorwaarde op de hoogte waren. Het hof heeft eveneens vastgesteld dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] sinds de oprichting van SGI een financieel belang hebben gehad in SGI , dat zij voor de RvC en de AvA van Rendo geheim hebben gehouden. Uit de verklaringen van leden van de RvC en de AvA maakt het hof op dat de RvC en de AvA niet wisten van het aandeelhouderschap van de directeuren van Rendo in SGI en dat zij – met het oog op de regels die voortvloeiden uit de WON – met dit aandeelhouderschap en de verstrekking van gelden aan SGI niet hadden ingestemd, indien zij daarvan wel op de hoogte waren geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5.4 Voor de strafbaarheid van het handelen van de verdachte is doorslaggevend of Rendo is overgegaan tot de verstrekking van gelden vanwege de door de oplichtingsmiddelen in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken. Uit de wijze waarop de tenlastelegging en bewezenverklaring van feit 1 zijn vormgegeven, leid ik af dat het niet noodzakelijk is dat ieder van de oplichtingshandelingen zelfstandig heeft geleid tot de afgifte van geld door Rendo, maar dat doorslaggevend is of Rendo door de gezamenlijkheid van oplichtingshandelingen is bewogen tot het verstrekken van gelden. De gedragingen I t/m M staan ten opzichte van de andere bewezenverklaarde oplichtingshandelingen in het meest rechtstreekse verband tot de afgifte van gelden door Rendo: doordat [medeverdachte 3] als bestuurder van Rendo verschillende overeenkomsten sloot ter financiering van SGI , ging Rendo over tot de afgifte van geld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat [medeverdachte 3] tot de verstrekking van deze gelden statutair bevoegd was, maakt niet dat de onder I t/m M opgesomde gedragingen niet als oplichtingshandeling kunnen worden beschouwd. Deze gedragingen vonden plaats tegen de achtergrond van de verzwijging van het persoonlijk financieel belang van de Rendo-directeuren in SGI , en de valse voorstelling van zaken over de wijze waarop het geld werd besteed. Het oordeel van het hof dat Rendo door deze onjuiste voorstelling van zaken is bewogen tot de afgifte van gelden, acht ik niet onbegrijpelijk. Dat Rendo mogelijk ook belang heeft gehad bij een of meerdere met SGI aangegane overeenkomsten, doet er niet aan af dat Rendo omtrent (het doel en de besteding van) de verstrekte financiering is misleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6 Gedraging N 10.6.1 De onder N bewezenverklaarde gedraging houdt in: “N. heimelijk gecommuniceerd door voor e-mailcommunicatie tussen hemzelf en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [betrokkene 10] en [medeverdachte 4] aangaande SGI privé e-mailadressen te gebruiken;”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6.2 Ten aanzien van gedraging N stelt de steller van het middel dat deze gedraging niet als oplichtingsmiddel kan worden aangemerkt, aangezien Rendo hierdoor niet bewogen kan zijn tot de afgifte van enig goed of het tenietdoen van een inschuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6.3 Zoals ik onder 10.5.4 schreef, leid ik uit de wijze waarop de tenlastelegging en bewezenverklaring zijn vormgegeven af dat het niet noodzakelijk is dat ieder van de oplichtingshandelingen zelfstandig heeft geleid tot de afgifte van geld door Rendo, maar dat doorslaggevend is of Rendo door de gezamenlijkheid van oplichtingshandelingen is bewogen tot het verstrekken van gelden. Het oordeel van het hof dat het gebruik van privé-emailadressen aan de verhulling van het aandeelhouderschap van de Rendo-directeuren in SGI – hetgeen de basis heeft gevormd van de oplichting van Rendo – een bijdrage heeft geleverd, acht ik niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7 Gedraging R 10.7.1 De onder R bewezenverklaarde gedraging houdt in: “R. de namen van “ Marella ” en “ [verdachte] ” en “Rendo” uit de concept-jaarrekening van SGI over 2009 laten verwijderen;”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7.2 In de toelichting op het middel wordt door de steller van het middel betoogd dat deze namen niet thuishoren in de jaarrekening van SGI , zodat gedraging R niet kan worden gekwalificeerd als listige kunstgreep.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7.3 Dit standpunt wordt door de steller van het middel niet onderbouwd. Ik vermoed dat de steller van het middel, gelet op de andere geformuleerde klachten, hier opnieuw het oog heeft gehad op de kwestie over de verbondenheid van partijen (waarvan volgens de steller van het middel geen sprake zou zijn). Ik verwijs in dit kader opnieuw naar de bespreking van de middelen 7 en 8 in mijn conclusie bij de samenhangende zaak [medeverdachte 3] (22/04941).</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8 Gedragingen S, T en U 10.8.1 De gedragingen S, T en U hangen met elkaar samen en houden in: “S. door Mazars Berenschot Corporate Finance B.V. (hierna “ MBCF ”) en/of [betrokkene 4] een brief laten opstellen om aanvullende financiering van EUR 4.500.000,00 door Rendo aan SGI mogelijk te maken en in deze brief niet te laten vermelden dat de financiering deels gebruikt zou gaan worden voor inkoop van eigen aandelen door SGI ;” “T. de hiervoor vermelde brief met een onjuiste datum op laten maken;” “U. voor de RvC van Rendo en de aandeelhouders van Rendo verhuld dat één of meerdere door Rendo aan SGI verstrekte leningen door SGI aangewend zullen worden voor de inkoop van eigen aandelen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8.2 Ten aanzien van de middelen S, T en U heeft de steller van het middel aangevoerd dat:(i) de brief nooit is gebruikt in de richting van de RvC van Rendo en de brief Rendo (dus) niet heeft gebracht tot het verstrekken van gelden; (ii) de verdachte niet verantwoordelijk is voor de vermelding van de onjuiste datum op de brief; en (iii) in de leningsofferte/leningsovereenkomst geen enkele onjuistheid is vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8.3 Ten aanzien van het onder (i) gegeven argument geldt het volgende. In samenhang beschouwd zien de onder S, T en U (in combinatie met I) omschreven oplichtingshandelingen erop dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] een overeenkomst hebben gesloten ter verstrekking van een nieuwe lening aan SGC , wetende dat het verstrekte geld niet zou worden besteed zoals in de leningsovereenkomst is beschreven. De werkelijke besteding van het geleende geld is verder verhuld door het laten opstellen en antedateren van een brief door MBCF ter verantwoording van de verstrekking van voornoemde lening. Dit complex van gedragingen is – zo blijkt uit het arrest van het hof – deels voorafgegaan aan de verstrekking van de onder S omschreven lening door Rendo aan SGC . Dat de AvA en de RvC niet (voorafgaand aan de verstrekking van de lening) van de brief van MBCF op de hoogte zijn geraakt, doet aan het oordeel dat Rendo door het geheel van oplichtingshandelingen is bewogen tot het verstrekken van die lening mijns inziens niet af. De feitelijke beweging van Rendo vond plaats door de eerder aan bod gekomen oplichtingshandeling I en de verdere verhulling van deze handeling – ter voorkoming van argwaan bij de RvC en de AvA – was gelegen in oplichtingshandelingen S en T. Het oordeel van het hof dat Rendo als gevolg van de door deze handelingen geschapen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot het verstrekken van gelden, is daarmee niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8.4 Ten aanzien van de brief (onder ii) heeft het hof vastgesteld dat deze is opgemaakt op verzoek van [medeverdachte 3] en dat deze brief, die is gereedgekomen na 1 juli 2010, geantedateerd moest worden. Dit heeft het hof onder andere afgeleid uit een e-mail van [medeverdachte 3] aan MBCF d.d. 24 juni 2010, waarin [medeverdachte 3] schrijft “wanneer mag ik jouw adviesrapportje van [betrokkene 16] d.d. 18 juni 2010 tegmoet zien over de door Rendo te verstrekken extra financiering van 4,5 miljoen euro aan Stramproy?” en een intern verstuurde e-mail van een medewerker van MBCF d.d. 25 juni 2010, waarin staat geschreven: “[z]ou jij deze brief willen nalezen, de datum moet 17 juni blijven.” Het op deze e-mails gebaseerde oordeel van het hof dat [medeverdachte 3] de brief opzettelijk op een onjuiste datum heeft laten opmaken, acht ik niet onbegrijpelijk. De stelling dat de verdachte niet verantwoordelijk is voor de vermelding van de onjuiste datum op de brief doet aan de strafbaarheid van haar handelen niet af, gelet op hetgeen ik in 10.2 onder (iv) heb vooropgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8.5 Het geschrift waarop de onder (iii) geformuleerde klacht betrekking heeft, is als volgt opgesteld: “Geachte [medeverdachte 1] , Onderstaand komen wij terug op het recentelijk met u gevoerd gesprek over uw bedrijven zijnde:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Stramproy Green Coal B.V. (verder te noemen SGC );</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Stramproy Green Electricity B.V. (verder te noemen SGE ). aangaande:</div>\n<p class=\"lf-p\">I - een additionele lening die uw bedrijf SGC zou willen aangaan met N.V. RENDO Holding;II - overeen te komen wijzigingen van de voorwaarden voor alle leningen van SGC en SGE . ad. I U gaf aan dat u graag een aanbieding zou willen hebben voor een extra lening van 4,5 miljoen euro bij N.V. RENDO Holding ten behoeve van de financiering van de volgende onroerende en roerende zaken:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Torrefactie machine nummer 1 (zie bijlage 1 voor de facturen);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Biomassa aanvoerinstallatie (zie bijlage 1 voor de facturen);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Silo’s (zie bijlage 1 voor de facturen);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Diverse andere onroerende zaken (zie bijlage 1 voor de facturen);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Diverse roerende zaken (zie bijlage 1 voor de facturen).</div>\n<p class=\"lf-p\">De aanschafwaarde van deze apparaten bedraagt in totaal € 8.330.496,-. Uw accountant heeft dit inmiddels bevestigd (zie bijlage 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderstaand geven wij u aan welk aanbod N.V. RENDO Holding u graag zou willen doen. Tevens gaan wij in op de condities bij dit aanbod. De aanbieding zou op maandag 21 juni 2010 van kracht kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe aanbod voor SGC behelst de volgende zaken:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>alle voorwaarden en condities die al eerder golden voor de eerder verstrekte leningen aan SGC d.d. 21-12-2007 en SGE d.d. 21-12-2007 (zie bijlage 3) zullen ook gelden voor de nu extra te verstrekken lening, tenzij in deze brief expliciet anders wordt vermeld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>afwijkende zaken zijn:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>deze lening kent geen achterstelling t.o.v. andere schuldeisers;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>N.V. RENDO Holding verkrijgt extra zekerheden conform akte van notariskantoor “het notarieel” (zie bijlage 4) met de titel: “Hypotheek op recht van opstal torrefactie — installatie 1, die lagerung und transport von holz, 4 siloaustragschnecken”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De rentevergoeding is hoger i.v.m. het toenemende obligo;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De looptijd van deze lening is korter en loopt tot uiterlijk 15-12-2011.</div>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe lening aan SGC :</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdsom: € 4.500.000,- Rente: - 9 % op jaarbasis tot 1-1-2011 en 11 % op jaarbasis van 1-1-2011 tot 15-12-2011;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>berekening: juist/360;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>betaaldata: per maand.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aflossing: aflossing van deze lening dient uiterlijk te geschieden op 15-12-2011. ad. II Overeengekomen wordt dat de wijzigingen en aanvullingen uit de erratumlijst (zie bijlage 5) van kracht worden op deze nieuwe en alle bestaande leningsovereenkomsten tussen N.V. RENDO Holding, SGC en SGE .</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht u met ons integrale aanbod akkoord gaan, dan zien wij graag z.s.m. twee getekende versies retour komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met vriendelijke groet, N.V. RENDO Holding SGE en SGC [medeverdachte 3] [medeverdachte 1] Algemeen directeur directeur Bio-Coal &amp; Waste BVBA [Handtekening [medeverdachte 3] ] [Handtekening [medeverdachte 1] ] Ondertekend voor akkoord Ondertekend voor akkoord namens N.V. RENDO Holding namens SGC en SGE ”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9 In de brief is puntsgewijs opgesomd voor de financiering van welke roerende en onroerende zaken (gedeeltelijk nader gespecificeerd in de bijlage) de lening is bestemd. De overeenkomst diende in het voorliggende geval niet enkel tot het bewijs dat tussen partijen een lening wordt overeengekomen ter hoogte van 4,5 miljoen euro, maar diende ook tot vastlegging van de bestemming van het te lenen geldbedrag. Wanneer in een overeenkomst ook het doel van de lening is bepaald, kan de valsheid er eveneens in gelegen zijn dat de partijen in de overeenkomst omschrijven dat het geld bestemd is voor doel A, terwijl de partijen weten dat het geld in werkelijkheid zal worden besteed aan doel B. Uit de overwegingen van het hof (weergegeven onder 4.4.) blijkt dat het hof de valsheid van het geschrift op de overeengekomen besteding van het geld heeft gebaseerd. Het hof overweegt: “[d]e lening van Rendo aan SGC van 4,5 miljoen euro is in ieder geval voor dit deel aangegaan met het doel om de uitbetaling van [verdachte] en Marella mogelijk te maken. Noch in de officiële offerte van [medeverdachte 3] van 18 juni 2010, noch in de (geantedateerde) onderbouwende brief van MBCF wordt daarover echter met enig woord gerept. Dit maakt dat de getekende en geaccepteerde offerte op dit punt valselijk is opgemaakt, kennelijk om Rendo omtrent de werkelijk beoogde besteding te misleiden”. Dit oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.10 Geen van de klachten slaagt, zodat het zesde middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">11Het zevende middel 11.1 Het zevende middel houdt in dat het oordeel van het hof dat de strafbare handelingen van [medeverdachte 3] kunnen worden toegerekend aan de verdachte getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, omdat de gedragingen van [medeverdachte 3] niet hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2 Het bestreden oordeel van het hof luidt als volgt (met overneming van voetnoten doorgenummerd in de tekst van deze conclusie en reeds weergegeven onder 4.4): “Toerekening aan de rechtspersoon [verdachte] Bij arrest van heden – waarnaar het hof verwijst – is [medeverdachte 3] door het hof veroordeeld voor het medeplegen van oplichting van Rendo. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of [verdachte] , als rechtspersoon, ook kan worden aangemerkt als dader van deze oplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe overweegt het hof als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een rechtspersoon kan als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt als de strafbare gedraging redelijkerwijs aan deze rechtspersoon kan worden toegerekend. In de rechtspraak (onder meer van de Hoge Raad in het arrest van 21 oktober 2003, NJ 2006, 328) is bepaald dat het bij het toerekenen van de strafbare gedraging aan de betreffende rechtspersoon van belang is of de gedraging heeft plaatsgevonden of is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Gelet op het voorgaande volgt het hof de verdediging niet in diens verweer dat [verdachte] als vennootschap enkel is gebruikt als instrument en daarmee niet als dader aangemerkt zou kunnen worden. Het verweer wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de ten laste gelegde oplichting van Rendo heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon [verdachte] is naar het oordeel van het hof evident. Deze rechtspersoon valt met betrekking tot het handelen ten aanzien van SGI volledig samen met de natuurlijke persoon [medeverdachte 3] . Dit maakt dat strafbare handelingen van [medeverdachte 3] redelijkerwijze kunnen worden toegerekend aan [verdachte] als rechtspersoon. Daarbij is van belang dat [medeverdachte 3] 99,95% van de aandelen van [verdachte] bezat waarmee hij de feitelijke zeggenschap had over deze onderneming. Dat [betrokkene 13] als directeur van [verdachte] was aangesteld maakt dit niet anders, nu [betrokkene 13] slechts 0,05% van de aandelen in handen had en dus op geen enkele wijze bepalende invloed kon uitoefenen. Dit geldt temeer, nu [betrokkene 13] op 6 februari 2008 [medeverdachte 3] heeft gevolmachtigd om namens [verdachte] alle voorkomende (rechts)handelingen te verrichten. Hiermee heeft [betrokkene 13] afstand gedaan van elke inhoudelijke betrokkenheid bij [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook overigens blijkt uit de feitelijke gang van zaken dat [medeverdachte 3] binnen [verdachte] (als enige) besliste wat er met de aandelen SGI gebeurde en dat hij ook degene was die optrad als ware hij aandeelhouder van SGI . Het hof betrekt bij haar oordeel de aard, toon en inhoud van de emailcorrespondentie zoals die vanaf de oprichting van SGI is gevoerd tussen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bij het vaststellen van de feitelijke rolverdeling binnen SGI . Met name leidt het hof uit de e-mails die zien op de overdracht van de aandelen van [verdachte] in SGI aan [betrokkene 3] en de inkoop van de aandelen van onder andere [verdachte] door SGI af, dat het [medeverdachte 3] was die als feitelijke aandeelhouder van SGI optrad. Uit de verslagen van de AvA van SGI en SGT in de periode van 3 maart 2008 tot en met 2 december 2008 volgt bovendien dat [betrokkene 13] nooit aanwezig was bij deze vergaderingen. Het hof concludeert uit het voorgaande dat [betrokkene 13] als stroman heeft gefungeerd voor [medeverdachte 3] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafbare gedragingen van [medeverdachte 3] kunnen naar het oordeel van het hof aldus redelijkerwijs ook worden toegerekend aan [verdachte] . De oplichting van Rendo door [medeverdachte 3] heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon [verdachte] . De gedragingen van [medeverdachte 3] en [verdachte] vallen zodanig samen dat dit feit redelijkerwijs kan worden toegerekend aan [verdachte] , Zij kan daardoor worden aangemerkt als dader en medepleger van deze gedragingen. Het hof stelt vast dat zij dit feit – naast [medeverdachte 3] – heeft medegepleegd met [medeverdachte 4] en Marella B.V.. De verweren die de verdediging heeft gevoerd in het kader van dit feit in de zaak van [medeverdachte 3] , heeft het hof in dat arrest gemotiveerd verworpen. Nu de strafbare gedragingen van [medeverdachte 3] aan [verdachte] worden toegerekend, geldt dat wat het hof in dat verband heeft overwogen ten aanzien van [medeverdachte 3] mutatis mutandis ook in de zaak van [verdachte] . Op dit punt verwijst het hof naar de betreffende overwegingen van het hof in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 3] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de tenlastelegging staat opgenomen dat [verdachte] “als bestuurder” een bepaalde gedraging heeft verricht, overweegt het hof als volgt. Voor een veroordeling wegens het medeplegen van oplichting van Rendo door [verdachte] in de kwaliteit van bestuurder is voldoende dat één van de deelnemers over die kwaliteit beschikt en dat de anderen daar weet van hadden. In casu was daarvan sprake bij [verdachte] en medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en Marella . Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking om medeplegen wettig en overtuigend te bewijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. Het verweer wordt verworpen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In het Drijfmestarrest, waarnaar het hof in onderhavige zaak verwijst, heeft de Hoge Raad invulling gegeven aan de eisen waaraan moet zijn voldaan om een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit te kunnen aanmerken (ex art. 51 Sr). Het arrest houdt in dat bij de vraag of een strafbare gedraging redelijkerwijs aan een rechtspersoon kan worden toegerekend, een belangrijk oriëntatiepunt is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan onder meer sprake zijn als het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.4 Uit de onder 11.2 weergegeven overwegingen van het hof is op te maken dat het hof de gedragingen van [medeverdachte 3] op voornoemde grond heeft toegerekend aan de verdachte. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat hoewel [betrokkene 13] op papier de directeur was van de verdachte, [medeverdachte 3] 99,95% van de aandelen bezat en daarmee de feitelijke zeggenschap kon uitoefenen over de onderneming, in het bijzonder nadat [betrokkene 13] op 6 februari 2009 [medeverdachte 3] had gevolmachtigd om namens de verdachte alle voorkomende (rechts)handelingen te verrichten. Dat [medeverdachte 3] binnen de verdachte feitelijk besliste wat er met de aandelen in SGI gebeurde en ook degene was die optrad als aandeelhouder in SGI , leidt het hof verder af uit de e-mailcorrespondentie die sinds de oprichting van SGI tussen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] is gevoerd. Het oordeel van het hof dat de gedragingen van [medeverdachte 3] zodoende kunnen worden toegerekend aan de verdachte getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">12Het achtste middel 12.1 Het achtste middel klaagt dat de straftoemeting onbegrijpelijk is, omdat het hof op grond van art. 23 lid 7 Sr een geldboete uit de naastgelegen hogere categorie heeft opgelegd, terwijl het hof onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toeliet.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.2 De verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van de voortgezette handeling van oplichting, begaan door een rechtspersoon. Op dit strafbare feit is ex art. 326 Sr een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vijfde categorie gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3 Onder omstandigheden kan bij de veroordeling van een rechtspersoon op grond van art. 23 lid 7 Sr een straf uit een hogere boetecategorie worden opgelegd. Dit lid van de bepaling luidt: “Bij veroordeling van een rechtspersoon kan, indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie. […].”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.4 Het hof heeft in zijn arrest van 21 december 2022 aan de verdachte een geldboete opgelegd van € 450.000,00. Deze strafoplegging is als volgt gemotiveerd: “Meewerken aan fraude van deze aard en omvang rechtvaardigt naar het oordeel van het hof voor een rechtspersoon een aanzienlijke geldboete. Bij het bepalen van de hoogte van de geldboete heeft het hof het volgende in aanmerking genomen. Voor het door verdachte gepleegde strafbare feit kan een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd. Uit artikel 23, vierde lid, Sr, zoals dit artikel luidde ten tijde van het gepleegde strafbare feit, blijkt dat de vijfde categorie correspondeert met een boetebedrag van maximaal € 76.000,-. Op grond van het zevende lid van dit artikel kan bij veroordeling van een rechtspersoon, indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie. Deze naast hogere categorie behelsde ten tijde van het gepleegde feit een bedrag van maximaal € 760.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de ernst en de duur van de strafbare gedragingen en de grote omvang van het bedrag dat verdachte door het strafbare feit gegenereerd heeft, acht het hof het opleggen van de maximale boete van de vijfde categorie onvoldoende passend. Het hof maakt daarom gebruik van de mogelijkheid van artikel 24, zevende lid, Sr, en gaat uit van de naast hogere categorie van maximaal € 760.000,- Alles overwegende en specifiek gelet op de zeer listige wijze waarop de fraude is gepleegd, in combinatie met de jarenlange duur daarvan en de omvang van de benadeling van Rendo, acht het hof in beginsel een geldboete van € 500.000,- passend en geboden. Het hof stelt vast dat sinds de bewezen verklaarde feiten inmiddels geruime tijd is verstreken en dat de redelijke termijn over het geheel van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep genomen, is geschonden, Het hof verdisconteert dit in de op te leggen straf door een geldboete op te leggen van € 450.000,-. De door de advocaat-generaal gevorderde boete doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde. Het hof heeft ook rekening gehouden met de draagdracht van verdachte, voor zover deze ter zitting van het hof is gebleken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.5 In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de aard, de ernst en de duur van het bewezenverklaarde feit onvoldoende reden vormt om te oordelen dat de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat. Daarnaast wordt gesteld dat de omvang van het bedrag dat de verdachte met de oplichting heeft gegenereerd en de omvang van de benadeling van Rendo niet mag meewegen in het bepalen van de hoogte van een passende geldboete; een geldboete dient immers niet ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.6 De vraag is of het hof vanwege het opleggen van een geldboete uit de naastgelegen hogere categorie gehouden was tot een nadere motivering van de strafoplegging. Artikel 23 lid 7 Sr is ingevoerd als onderdeel van de Wet vermogenssancties (Kamerstukken 15012). In de memorie van toelichting wordt over het zevende lid vermeld: “In het zevende lid is ondergebracht de door de commissie als artikel 24 voorgestelde bepaling betreffende de mogelijkheid van overgang naar de naast hogere categorie bij veroordeling van een rechtspersoon de vennootschap (zonder rechtspersoonlijkheid) genoemd. Dit hangt samen met het in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gevolgde systeem. Verder heb ik het door de commissie gekozen criterium voor de overgang, te weten: «de grote omvang van het door de rechtspersoon uitgeoefende bedrijf» niet overgenomen. «Grote omvang» is niet alleen een al te vage aanduiding, zij kan vanuit bedrijfseconomisch oogpunt op uiteenlopende wijzen worden beoordeeld, met telkens verschillende, soms tegengestelde, uitkomsten. Zo kan de omvang van een onderneming worden gemeten naar het geplaatste aandelenkapitaal, het aantal werknemers, de investeringscapaciteit, de gedane investeringen, de omzet, de gemaakte winst enz. Ook wordt de grootte van een onderneming niet altijd bepaald door de mate waarin zij winst behaalt of verlies lijdt. De omvang van het bedrijf kan derhalve bezwaarlijk als leidraad dienen voor de rechter. Omdat ook bij de oplegging van een geldboete aan de rechtspersoon de rechter gehouden is het draagkrachtbeginsel toe te passen, kan het aan hem worden overgelaten om te beoordelen wanneer de voor het strafbare feit gepaalde categorie geen passende bestraffing toelaat.”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.7 In de memorie van antwoord wordt de strafverhoging op grond van het zevende lid als volgt toegelicht: “De leden van de V.V.D-fractie vragen in dit verband of het toekennen van een uitzonderingspositie aan rechtspersonen, en het met het oog daarop instellen van een zesde categorie wel verenigbaar is, met de in de memorie van toelichting uitgesproken wens tot de afschaffing van algemene strafverhogende omstandigheden. Het antwoord daarop luidt bevestigend. Voor strafbare feiten begaan door rechtspersonen bestaat, wanneer deze ernstig zijn, niet de mogelijkheid uit te wijken naar een vrijheidsstraf als de in het concrete geval passende straf. De reikwijdte van de geldboete dient hier dus structureel groter te zijn. Die grotere reikwijdte moet ook in het – hogere – strafmaximum tot uiting komen, daar anders geen passende sanctie op de (ernstiger) strafbare feiten van de (grotere) rechtspersonen voorhanden zou zijn. Deze bij de strekking en in het systeem van het wetsontwerp passende bijzondere regeling voor rechtspersonen is niet te kwalificeren als een algemene, de strafbaarheid verhogende omstandigheid.”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.8 Uit de wetsgeschiedenis volgt niet dat aan de toepassing van art. 23 lid 7 Sr een algemene extra motiveringsplicht verbonden is. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de wetgever de rechter de vrijheid heeft willen geven te beoordelen wanneer uitwijking naar de hogere boetecategorie aangewezen is. De rechter zal daarbij de motiveringseisen die in zijn algemeenheid worden gesteld aan de oplegging van een geldboete in acht moeten nemen. Daarbij volgt uit HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1894, NJ 2000/95 dat onder omstandigheden – met het oog op de begrijpelijkheid van de strafoplegging als geheel – (wel) een extra motivering gevergd kan worden voor de toepassing van art. 23 lid 7 Sr. In de zaak die centraal stond in voornoemd arrest had het hof onder toepassing van art. 23 lid 7 Sr de hoogst mogelijke geldboete opgelegd en tegelijkertijd aangegeven rekening te houden met een tweetal strafmitigerende omstandigheden. De Hoge Raad achtte die strafoplegging ontoereikend gemotiveerd, temeer omdat de bestreden uitspraak geen redengeving voor de toepassing van art. 23 lid 7 en 8 Sr inhield.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.9 Het hof heeft overwogen dat gelet op de ernst van het feit, de duur van het feit en de grote omvang van het bedrag dat de verdachte gegenereerd heeft, de oplegging van een geldboete uit de vijfde categorie onvoldoende passend is en toepassing van art. 23 lid 7 Sr aangewezen is. Het hof heeft daarbij gesteld rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. Deze strafmotivering is niet onbegrijpelijk in aanmerking nemend dat de rechter – binnen de grenzen die de wet stelt – een grote vrijheid toekomt in de keuze van de op te leggen staf en in de keuze en de weging van factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. Het feit dat het hof in dit oordeel ook de omvang van het door de verdachte gegenereerde bedrag heeft meegewogen, maakt eveneens niet dat de strafoplegging onbegrijpelijk is: de omvang van het bedrag dat de verdachte gegenereerd heeft, zegt immers iets over de ernst van het feit en kan zodoende een argument vormen om toepassing te geven aan art. 23 lid 7 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.10 Het achtste middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">13Slotsom 13.1 De middelen 1 tot en met 8 falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 30 december 2022. De redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is in de cassatiefase nu reeds overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Ook Rendo-directeur [betrokkene 10] participeerde (gedurende enige tijd) als aandeelhouder in SGI . Op zijn rol in het geheel gaat het hof niet nader in, omdat hij in deze strafzaak niet als verdachte is gedagvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaak van [medeverdachte 3] (22/04941) is door de raadsman van [medeverdachte 3] (tevens de raadsman van de verdachte) al in een eerder stadium van het proces verzocht om inzage in persoonlijke mappen van [medeverdachte 3] . Het hof heeft in zijn tussenarrest van 23 december 2020 in de zaak van [medeverdachte 3] beslist dat de mappen waarover het hof beschikt digitaal aan de verdediging worden verstrekt. Deze beslissing is niet genomen in de zaak van de verdachte: het hof heeft het verzoek van de raadsman in de zaak van [medeverdachte 3] kennelijk niet opgevat als een verzoek dat tevens betrekking heeft op de zaak van de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleitnota 20 september 2022 p. 4, tweede tot en met vijfde alinea..</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleitnota 20 september 2022 p. 5, derde tot en met vijfde alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 5 en p.16 van de cassatieschriftuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 17 van de cassatieschriftuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 16 en p. 17 van de cassatieschriftuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">AG TS: deze verzoeken – onder meer om de getuige [betrokkene 7] te horen – zijn door de raadsman van de verdachte en [medeverdachte 3] gedaan in de zaak van [medeverdachte 3] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat immers om een getuige ten aanzien waarvan de verdediging reeds het ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen, zie art. 418 Sr, HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m. nt. M.J. Borgers, rov. 2.8-2.9 en 2.36 e.v. en HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 m.nt. Reijntjes, rov. 2.9.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerking griffier: bij e-mailbericht van 30 september 2022 heeft het hof – ter verduidelijking – na afloop van de zitting aan mr. Van Leuveren doorgegeven, ten aanzien van welke 7 personen hij voorafgaand aan de regiezitting van december 2020 het verzoek heeft gedaan om deze als getuige te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1931, rov. 2.5.1. en 2.5.3. Zie ook HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1465, rov. 2.4.2 en 2.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, rov. 2.4 en 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.F. Keulen &amp; G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 496 en p. 500.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerking griffier: bij e-mailbericht van 30 september 2022 heeft het hof – ter verduidelijking – na afloop van de zitting aan mr. Van Leuveren doorgegeven, ten aanzien van welke 7 personen hij voorafgaand aan de regiezitting van december 2020 het verzoek heeft gedaan om deze als getuige te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het arrest van [medeverdachte 3] , p. 57. Deze overweging van het hof heb ik in de conclusie in de zaak van [medeverdachte 3] (22/04941) weergegeven onder 11.3. Het betreft een overweging van het hof met betrekking tot het bewijs van feit 2, maar deze overweging is ook van belang voor de bewezenverklaring van feit 1, omdat het hof in feit 1 heeft bewezenverklaard dat [medeverdachte 3] de verbondenheid van partijen niet heeft vermeld in de jaarrekeningen van Rendo (zie onder P en Q).</p>\n<p class=\"lf-p\">AG TS: de letters A, B en C zijn in de bewezenverklaring tweemaal opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 46-48 van het arrest van het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Invoeging AG TS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Invoeging AG TS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cursiveringen AG TS.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-180, pagina 4298. D-181, pagina 4300. D-182, pagina 4301. D-183, pagina 4303. D-184, pagina 4307. D-185, pagina 4309. D-186, pagina 4311. D-186a, pagina 4313. D-187, pagina 4315.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328, m. nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.4. Zie ook J. de Hullu en P.H.P.H.C.M. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 187 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1977/78, 15012, 3, p. 41-42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1981/82, 15012, 5, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de conclusie van AG Machielse van 25 november 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AM0244, onder 6.2.</p></div>", "next": 0}