{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het tweede middel richt zich tegen de afwijzing van het verzoek van de verdediging om [getuige 1] , de voorzitter van de RvC van Rendo , als getuige te horen. Dit getuigenverzoek is in diverse stadia van de behandeling van de strafzaak in hoger beroep aan de orde geweest. Ik zal de gang van zaken hierna in chronologische volgorde weergeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.1 Voorafgaande aan de eerste regiezitting heeft de verdediging per e-mail d.d. 1 december 2020 het kabinet van de raadsheer-commissaris verzocht om onder andere [getuige 1] , voorzitter van de RvC van Rendo , als getuige te horen. Als onderbouwing van dit verzoek is naar voren gebracht dat [getuige 1] helderheid zou kunnen verschaffen over de precieze organisatiestructuur van Rendo en de positie van de verdachte daarin. Tevens wilde de verdediging [getuige 1] vragen stellen naar aanleiding van tegenstrijdige verklaringen die [getuige 1] tegenover de FIOD en de rechter-commissaris heeft afgelegd over zijn bemoeienis met SGI en zijn wetenschap over de leningen die door Rendo zijn verstrekt aan SGI .</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.2 De raadsman van de verdachte heeft het verzoek om [getuige 1] als getuige te horen op de regiezitting van 9 december 2020 gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.3 In zijn tussenarrest van 23 december 2020 heeft het hof geoordeeld dat het getuigenverzoek moet worden beoordeeld aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. Het verzoek tot het horen van (onder andere) [getuige 1] werd afgewezen met de volgende motivering: “Getuigen [getuige 4] , [getuige 1] en [getuige 5] Het hof wijst het verzoek tot het horen van deze getuigen af. In het licht van de onderbouwing van de verzoeken, is de noodzaak tot het horen van deze getuigen niet gebleken. Daarbij merkt het hof op dat [getuige 1] reeds uitgebreid gehoord is door de FIOD en door de rechter-commissaris. Het hof ziet niet in dat het nogmaals horen van deze personen noodzakelijk is voor de volledigheid van het onderzoek of in het licht van de te beantwoorden vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.4 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 20 september 2022 heeft de verdediging op die zitting wederom verzocht om [getuige 1] als getuige te horen. Dit verzoek is in de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota (bijlage 2) uitvoerig toegelicht. Ik zal deze toelichting hier integraal citeren, omdat deze van belang is om de motivering van de afwijzing van dit verzoek door het hof te beoordelen: “Verzoek tot het horen [getuige 1] Met een verwijzing naar artikel 328 juncto artikel 315 en 415 Sv verzoekt [verdachte] uw Hof nogmaals om [getuige 1] (hierna [getuige 1] ) te mogen horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerder heeft uw Hof dit verzoek afgewezen omdat van “de noodzaak tot het horen van de getuige niet was gebleken. Daarbij merkt het Hof op dat [getuige 1] reeds uitgebreid gehoord is door de FIOD en door de Rechter-Commissaris. Het Hof ziet niet in dat het nogmaals horen van deze persoon noodzakelijk is voor de volledigheid van het onderzoek of in het licht van de te beantwoorden vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderstaand zal [verdachte] nogmaals toelichten, nu mede in het licht van de ontwikkelingen met betrekking tot het incomplete dossier, waarom het horen noodzakelijk is in verband met de taak en de verantwoordelijkheid van uw Hof voor de volledigheid van het onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het klopt dat [getuige 1] verhoord is door de FIOD en door de Rechter-Commissaris. Het klopt niet dat dit uitgebreid gebeurd is en voldoende kritisch. De FIOD en de rechtbank zijn daardoor van de onjuiste feiten/conclusies uitgegaan en als gevolg daarvan ook tot een onjuist oordeel gekomen. De antwoorden die [getuige 1] geeft kunnen, gezien de feiten/documenten in dossier en met name de na nu gebleken, niet in het dossier aanwezige e-mail correspondentie, niet waarachtig zijn. [getuige 1] dient hierover bij een nieuw getuigenverhoor kritisch ondervraagd te worden, zodat hierover meer duidelijkheid komt. Dat is ook de reden dat [verdachte] wenst dat [getuige 1] nogmaals gehoord wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is u bekend dat [verdachte] aangifte van meineed heeft gedaan tegen [getuige 1] op 31 maart 2022. Een afschrift van de aangifte is u op toegezonden bij de e-mail aan uw Hof van 1 april 2022. Uit de aangifte volgt duidelijk dat hetgeen [getuige 1] verklaard heeft, niet op alle fronten geloofwaardig is en juist kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belangrijkste punten zal ik kort herhalen. Ik verwijs u echter ook naar de volledige aangifte plus bijlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Getuigenverhoor 10 december 2012 Leningen SGI Vraag:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wist de RvC en/of u persoonlijk en/of als President Commissaris van deze leningen ter hoogte van € 20.300.000 aan dochterondernemingen van SGI ? Wat kunt u over deze leningen verklaren?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: “Dit is ongelofelijk. Nee daar ik was absoluut niet bekend met de verstrekking van deze leningen”. [getuige 1] doet het voorkomen alsof hij niet op de hoogte was van de hoogte van de leningen en de sale leaseback constructie. Zoals ook toegelicht bij het beroep op niet ontvankelijkheid van het OM, was [getuige 1] voorzitter van de RvC en AvA. In die hoedanigheid heeft hij gezamenlijk met [verdachte] alle vergaderingen voorbereid en uitgebreid voorbesproken. Er was voorafgaand aan die vergaderingen altijd eerst vooroverleg tussen [verdachte] en [getuige 1] over de concept-agenda die [verdachte] aan [getuige 1] had gestuurd. Tijdens dit overleg op kantoor van [getuige 1] werden alle ins en outs van de vergaderstukken, waaronder de kwartaalrapportages en jaarrekeningen besproken, die aan [getuige 1] door [verdachte] steeds per e-mail werden toegezonden. Het ging tijdens de voorbesprekingen van de diverse vergaderingen dus expliciet ook over de hoogte van de leningen en ook over de tegenslagen die SGI in de aanloopfase had (o.a. brand e.d.) en de gevolgen daarvan (namelijk benodigd extra kapitaal).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het was uitdrukkelijk bekend bij [getuige 1] dat RENDO in de loop van de jaren extra kapitaal heeft verstrekt aan SGI / SGE in de vorm van achtergestelde leningen met een hoge rente. Dit is namelijk steeds besproken tijdens de voorbereiding van vergaderingen van de RvC en AvA die [verdachte] met [getuige 1] had. Uit de e-mailwisseling tussen [getuige 1] en [verdachte] volgt dit ook. Deze e-mails behoren helaas echter ten onrechte niet tot het procesdossier, zodat [verdachte] deze e-mails niet als bewijs kan gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het overleg tussen [verdachte] en [getuige 1] paste [verdachte] de concept-agenda en stukken aan en stuurde hij de concept agenda opnieuw toe. [getuige 1] besprak deze vervolgens met zijn collega leden van de RvC en AVA. [getuige 1] wilde altijd graag alles van tevoren bespreken en regelen zodat de vergaderingen snel en efficiënt konden verlopen en alleen nog maar sprake was van zogenaamde ‘hamerstukken’. [getuige 1] mailde en belde daarna met [verdachte] om definitief vast te stellen hoe de agenda eruit moest zien en welke stukken bijgevoegd zouden worden. [getuige 1] had de ‘lead’. De hoogte van de financiering van SGI / SGE door RENDO kwam dus op de RvC/AvA vergadering zelf minder vaak aan de orde. Dit was namelijk al voorbesproken met de leden door [getuige 1] en voorts gaf [getuige 1] zelf ook aan dat er 'meer niet dan wel' in de notulen werd opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat [verdachte] dus de financiering van SGI / SGE wel altijd uitgebreid besproken heeft met [getuige 1] en deze weer een en ander weer besprak met de overige leden van de RvC/ AVA, is het dus echt onzin dat [getuige 1] niet op de hoogte was van de hoogte van de leningen zoals hij stelt in zijn verhoor. De e-mails tussen [getuige 1] en [verdachte] die kennelijk in het gehele FIOD-dossier ontbreken, kunnen dit ook bevestigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast dat er 6 maal per jaar een vergadering was met de RvC en 6 maal met de AVA waren er ook nog 2 maal per jaar andere vergaderingen, namelijk over de begroting en de financiële stukken. Ook deze werden voorbesproken met [getuige 1] . Zoals gezegd, besprak [getuige 1] dit weer voor de vergadering met de overige leden RvC en AvA. Ook bij de begroting kwamen de hoogte van de leningen uiteraard aan de orde en werden deze toegelicht. Ook uit de e-mailwisseling rondom deze vergaderingen volgt dat de leningen e.d. wel degelijk zijn besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kwartaalrapportages (financiële overzichten) stonden de leningen met naam en toenaam (dus letterlijk SGI / SGE e.d.) genoemd. Het waren de RvC en AvA zelf die de naam SGI / SGE niet wilden vermelden in jaarrekening. Zij wilden voorkomen dat uit het jaarverslag dat openbaar was de leningen aan SGI / SGE zichtbaar waren. Er liepen namelijk 2 procedures van de omwoners tegen de bouw van de torrefactie centrale. [getuige 1] als burgemeester van [plaats] , wilde hiermee het belang van de gemeente [plaats] bij het totstand brengen van deze fabriek, buiten het zicht houden. Dit had niets te maken met de stelling van het OM dat [verdachte] wat wilde verdoezelen. Het was op verzoek van de RvC en AVA zelf, meer specifiek van [getuige 1] als burgemeester van [plaats] , en expliciet niet van [verdachte] . [getuige 1] stelt ook dat hij niet op de hoogte was van de achtergestelde leningen. Zoals hiervoor weergegeven is dit niet juist. Hij spreekt zichzelf ook tegen. “De Raad van Commissarissen wist dat er financiële risico's aan de investering kleefden, namelijk het betrof een achtergestelde lening. De afgesproken rendementen waren aantrekkelijk, ik meen dat het 8% was”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag: Wat is uw reactie op het feit dat het merendeel van deze leningen achtergesteld zijn?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: “Als ik het bedrijfsmatig vanuit Rendo bekijk zouden deze leningen niet als achtergestelde leningen zijn verstrekt”. [getuige 1] zou ook geen verantwoordelijkheden hebben ten aanzien van de jaarrekeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft de RvC of de President-Commissaris nog taken of verantwoordelijkheden ten aanzien van het opmaken van deze jaarrekeningen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: “Neen”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is volstrekt ongeloofwaardig. [getuige 1] was voorzitter van de RvC en AVA. In die hoedanigheid leidde hij de vergaderingen over de jaarrekening, verleende hij decharge en hield hij toezicht. [getuige 1] : “Ik kan niet verklaren dat aan de ondernemingsraad 2 weken later, te weten op 27 sept. 2009, een bedrag is genoemd van 24 miljoen, dat door Rendo zou moeten worden geïnvesteerd. Ik gis nu dat dat bedrag het totale bedrag moet zijn geweest. Zoals ik heb verklaard was ons besluit maximaal 5 miljoen te investeren. Met maximaal is bedoeld dat het ook minder dan 5 miljoen zou kunnen zijn, maar in ieder geval niet meer”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook dit is onzin. De voorzitter van de OR zat bij elke vergadering van de AvA. De tussentijdse financiële kwartaalrapportages vermelden alle leningen met ook de vermelding SGI / SGE . Dat was niet alleen op 27 september 2009 maar 4 maal per jaar. Zij ontvingen een zeer uitgebreide financiële rapportage. Los van het feit dat de hoogte van de leningen in de jaarrekening stond, stonden de leningen dus nog eens zeer uitgebreid in de kwartaalrapportages. Ook om die reden is het volstrekt ongeloofwaardig dat [getuige 1] niet op de hoogte was, maar de cijfers wel heeft toegelicht en décharge heeft verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast heeft hij zelf goedkeuring gegeven aan de sale and leaseback constructie, waar alleen al 7 mio mee gemoeid was.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebrekkigheid/leugenachtigheid van zijn verklaringen geldt ook voor het punt over de wetenschap van het aandeelhouderschap van [medeverdachte 3] / Marella in SGI . [getuige 1] verklaart ook: “Ik ken de naam Trip Advocaten en Notarissen . Dat er een relatie was tussen Trip en Rendo weet ik niet. Mij is niet bekend dat Trip betrokken zou zijn geweest bij de verkoop aan Electrabel .”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is dus ook volstrekt ongeloofwaardig en wordt uitgebreid toegelicht in de overgelegde aangifte. Ook hier geldt weer dat als de e-mails tussen [verdachte] en [getuige 1] beschikbaar zouden zijn, [verdachte] dit met gemak nader zou kunnen onderbouwen, voor zover nodig. Helaas zijn de e-mails tussen [verdachte] en [getuige 1] niet opgenomen in het huidige procesdossier en via inzage in de bestanden bij de FIOD niet traceerbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is onder meer de reden, dat [verdachte] aangifte heeft gedaan tegen [getuige 1] van meineed. Doordat [getuige 1] onwaarachtig verklaart wordt de indruk gewekt dat [verdachte] de RvC en AvA zou hebben misleid en dat beide gremia niet bekend waren met de hoogte van de leningen aan SGI / SGE en dat de leningen niet zouden zijn verstrekt als zij op de hoogte waren van het aandeelhouderschap. Dit is niet juist en werkt voor [verdachte] nadelig uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inmiddels heeft het Functioneel Parket Amsterdam plotseling (na een krantenbericht in de Stentor) op 16 september besloten geen strafrechtelijk onderzoek in te stellen (productie) \"Beoordeling Ik zie onvoldoende aanknopingspunten om een strafrechtelijk of voorbereidend onderzoek in te stellen. Dat oordeel hangt samen met het feit dat de getuigenverklaring is of gelegd in een lopende strafzaak waarin uw cliënt in eerste aanleg is veroordeeld en waarin in hoger beroep nog geen onherroepelijke uitspraak is gedaan. Binnen het kader van de die lopende strafzaak is er voldoende gelegenheid voor u en uw cliënt om verklaringen die door [getuige 1] ten nadele van uw cliënt zijn afgelegd te weerleggen\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van het Functioneel Parket Amsterdam hangt samen met het voorliggende Hoger Beroep en de gelegenheid om verklaringen van [getuige 1] te weerleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook dit is reden waarom ik uw Hof vraag de mogelijkheid te bieden [getuige 1] opnieuw als getuige te mogen horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De FIOD heeft vanaf de start van het onderzoek alleen [verdachte] als verdachte in het vizier gehad. Mogelijk in verband met de Electrabel zaak die het beeld over [verdachte] heeft beïnvloed, (overigens een zaak waar [verdachte] in eerste aanleg ook steeds om zijn persoonlijke mappen met aantekeningen heeft verzocht, hetgeen nu wellicht in een ander perspectief kan worden geplaatst en waar cassatie is ingesteld).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan RENDO (lees RvC en AvA) is vanaf het begin duidelijk gemaakt dat zij in ieder geval geen verdachte zijn in de Zebra zaak. Bij de aangekondigde FIOD inval bij RENDO werd dus vooraf al aan RENDO meegedeeld dat zij buiten elke verdenking stonden. [verdachte] stelt zich op het standpunt dat er alle reden was om ook de leden van de RvC en AVA niet op voorhand mede te delen dat zij buiten elke verdenking stonden. Na die mededeling hadden zij er namelijk vooral belang bij in hun getuigenverklaring alle schuld bij [verdachte] neer te leggen en de gelegenheid hun verklaringen op elkaar af te stemmen, zelfs voorbereid door een advocatenkantoor. Dat zij daardoor (deels) onwaarachtig verklaarden werd ingeschat als een klein risico.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen van de leden van de RvC en AvA zal de behoefte hebben gevoeld het volledige en juiste verhaal te vertellen om daardoor alsnog in het verdachtenbankje terecht te komen. En zij wisten dat [verdachte] toch niet zou worden geloofd na de Electrabel zaak. Zo is ook geschied. Alle pijlen van de FIOD waren op [verdachte] gericht en van enige kritische vragen aan de leden van de RvC en AVA was geen sprake. Of hier mee-gespeeld heeft dat de leden van de RvC en AVA openbare ambtsdragers waren (burgemeester en wethouder van de aandeelhoudende gemeenten, sluit [verdachte] ook zeker niet uit. Zeker nu ook weer blijkt dat het Functioneel Parket zeer lange tijd niets met de aangifte heeft gedaan, echter nadat de Stentor de aangifte tegen [getuige 1] in de publiciteit brengt, in staat is binnen 2 dagen een besluit te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is op zijn minst opmerkelijk te noemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het had op de weg van de FIOD gelegen in ieder geval kritisch in te gaan op de ongeloofwaardige antwoorden van o.a. [getuige 1] . Als het antwoord op de vraag aan [getuige 1] als President-Commissaris van de RvC of er taken zijn voor hem m.b.t. de goedkeuring van de jaarrekening “nee” is, dan zou dat bij iedereen met een klein beetje verstand van de regelgeving onmiddellijk vragen dienen op te roepen. Een vervolgvraag zou geweest moeten zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar u was als voorzitter van de RvC toch verantwoordelijk als toezichthouder. En als voorzitter van de AVA lichtte u de jaarrekening toch toe en diende u toch decharge te verlenen namens het bestuur. Hoe kan het dan dat u zegt geen taken te hebben?</p>\n<p class=\"lf-p\">Een medewerker van de FIOD die zich enigszins had ingelezen in het dossier voor de diverse verhoren van de RvC en AvA leden en met enige kennis van de taken van de RvC en AvA, weet dat het antwoord van [getuige 1] niet waarachtig kan zijn. Als men dan niet doorvraagt kan de enige conclusie zijn, dat de pijlen vanaf het allereerste begin van het onderzoek steeds op [verdachte] waren gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor de antwoorden tijdens het verhoor over de hoogte van de leningen aan SGI / SGE . De vervolgvraag van de FIOD zou geweest moeten zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar de hoogte van de leningen staat toch jaarlijks steeds in de jaarrekening en in e kwartaalrapportages? Hoe kon het dan dat u beweert niet op de hoogte te zijn?</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook dit is niet gebeurd. Hetzelfde geldt overigens voor de verklaring van [betrokkene 18] (als opvolgend President-Commissaris van [getuige 1] ). Het is ook niet aannemelijk dat de OR al 5 jaar volledig op de hoogte zou zijn en de RvC en AvA niet. [verdachte] was verdachte en in dat licht moet worden gezien dat de FIOD niet heeft doorgevraagd; tunnelvisie. De e-mail aan de OR is een van de weinige e-mails die in het door het OM samengestelde strafdossier zit en daar staat, reeds voor aanvang van het uitlenen door RENDO van de eerste euro, direct de hoogte van de leningen vermeld. Dit geldt niet alleen voor deze e-mail, maar ook de vele e-mails die zijn verzonden tussen o.a. [getuige 1] en [verdachte] . In deze e-mails staat alle informatie over wat er besproken is en toegelicht en die kunnen dienen voor [verdachte] als onderbouwing van zijn standpunten. Niet dus, want deze e-mails ontbreken. Als deze e-mails er wel waren geweest had dit een heel ander licht op de zaak geworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat er überhaupt e-mails bestaan tussen [getuige 1] en [verdachte] en het verloop van het vergaderproces (afstemmen vooraf, hamerstukken op de vergadering) kan [getuige 1] bevestigen in een aanvullend getuigenverhoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik verzoek u dan ook namens [verdachte] om de verdediging de mogelijkheid te bieden [getuige 1] te mogen horen. Ik ga ervan uit dat voldoende duidelijk is gemaakt dat het nogmaals horen van [getuige 1] noodzakelijk is voor de volledigheid van het onderzoek en in het licht van de te beantwoorden vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Dank voor uw aandacht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.5 Het verzoek wordt ter terechtzitting van 20 september 2022 als volgt afgewezen: “Het hof wijst het verzoek in de zaken van [verdachte] , [betrokkene 8] en [medeverdachte 3] B.V. tot het horen van [getuige 1] als getuige in dit stadium af. De centrale vraag in deze strafzaak is of Rendo is opgelicht door haar directie door zonder toestemming met een meerderheidsbelang deel te nemen in SGI . [getuige 1] verklaring als getuige over het verstrekken van leningen aan SGI zegt in wezen in directe zin niets over deze vraag. Het hof acht de onderbouwing op dit moment onvoldoende om het verzoek om [getuige 1] als getuige te kunnen toe te wijzen, te meer niet omdat [getuige 1] reeds als getuige is gehoord door de rechter-commissaris. In de kwartaalrapportage van het 4e kwartaal van 2008 (bijlage 16 bij het door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 8 april 2022 ingebrachte stuk genaamd: ‘voorlopige conclusie’) staat dat deze kwartaalrapportage is verspreid onder de leden van de directie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er staan geen namen van RvC-leden genoemd. In de agenda’s en notulen van 2006, 2007 en 2008 staan bovendien geen directe verwijzingen naar het bespreken van kwartaalcijfers. Het hof heeft in het dossier geen document aangetroffen waaruit volgt dat [getuige 1] toestemming zou hebben gegeven voor het verstrekken van de lening van 7 miljoen euro aan SGI . Het hof nodigt de verdediging uit om dit stuk alsnog zo spoedig mogelijk te verstrekken, zodat dit kan worden betrokken bij de beoordeling van deze zaak. De betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] valt naar het oordeel van het hof voldoende te beoordelen aan de hand van de andere getuigenverklaringen en de andere stukken in het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof volgt de beslissing van het functioneel parket op de aangifte tegen [getuige 1] van meineed door [verdachte] in zoverre dat [getuige 1] geen verklaringen onder ede heeft afgelegd. Dat er geen vervolging wegens meineed tegen [getuige 1] heeft plaatsgevonden is in die zin niet geheel onverwacht. […] Mr. Van Leuveren legt een e-mailbericht over, waaruit volgens hem volgt dat [getuige 1] goedkeuring heeft verleend aan een sale and leasebacktransactie waarmee 7 miljoen euro was gemoeid. Deze e-mail met bijlage is aan het hof overgelegd en is als bijlage 3 aan dit proces-verbaal gehecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter merkt ten aanzien van deze e-mail met bijlage het volgende op:</p>\n<p class=\"lf-p\">In het document staat dat [getuige 1] als burgermeester van [plaats] toestemming geeft voor doorverkoop van een perceel grond. Bovendien wordt het bedrag van 7 miljoen euro waaraan u refereert in dit stuk niet vermeld. De e-mail is verstuurd naar de aanhouders van SGI . Het hof blijft nu bij de beslissing om [getuige 1] niet als getuige te horen. Mocht het verhandelde ter zitting naderhand daartoe aanleiding geven, dan kan het hof dat verzoek heroverwegen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.6 Op de zitting van 30 september 2022 vraagt de voorzitter naar aanleiding van de pleitnota van de raadsman ten aanzien van welke getuigen de verdediging een voorwaardelijk verzoek tot horen doet. Daarop antwoordt de raadsman: “De advocaat-generaal heeft in het requisitoir ook diverse keren gerefereerd aan het feit dat er geen appelschriftuur is ingediend, maar dat wij het hof wel uitgebreide verzoeken hebben gedaan om getuigen te horen. Het is gemakkelijk om te zeggen dat het hof nog een keer hierover oordeelt. In maart 2022 is duidelijk geworden dat het dossier onvolledig is. Ik verzoek u om het verzoek om de 12 getuigen te horen zoals dat tijdens de regiezitting bij het hof in december 2020 is gedaan, wederom te beoordelen. Ik verzoek het hof om deze eerder gedane verzoeken om 12 getuigen te horen nogmaals te bekijken met de kennis van nu over de volledigheid van het dossier. Uit mijn hoofd zeg ik dat het ging om 12 personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter vraagt ter verduidelijking aan mr. Van Leuveren of hij zijn eerdere verzoeken in het kader van de regiezitting van december 2020 herhaalt als voorwaardelijk verzoek, mits het hof niet tot een vrijspraak komt. Daarnaast is er eerder een voorwaardelijk verzoek gedaan om 4 getuigen te horen. Mr. Van Leuveren bevestigt dit.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.7 In het eindarrest van 21 december 2022 heeft het hof over het voorwaardelijke verzoek om [getuige 1] als getuige te horen als volgt beslist: “De verdediging heeft bij pleidooi alsnog een tiental voorwaardelijke verzoeken gedaan om getuigen te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft verzocht om [getuige 1] en [betrokkene 18] als getuige te horen. Het hof acht het horen van [getuige 1] niet noodzakelijk. De verdediging heeft haar ondervragingsrecht kunnen uitoefenen, aangezien [getuige 1] op 8 december 2016 in het bijzijn van de toenmalige raadsman van [verdachte] bij de rechter-commissaris is gehoord. De verdediging van [verdachte] heeft de gelegenheid gehad tot het stellen van vragen. Bij die gelegenheid heeft de verdediging deze getuige ook daadwerkelijk vragen gesteld. Het hof ziet in de onderbouwing geen noodzaak tot het opnieuw horen van deze getuige, noch ziet het hof daartoe zelf de noodzaak. […] Het hof wijst deze voorwaardelijke verzoeken af.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Het middel richt zich met name tegen de volgende overweging van het hof, die deel uitmaakt van de motivering van de afwijzing van het getuigenverzoek op de zitting van 20 september 2022: “De centrale vraag in deze strafzaak is of Rendo is opgelicht door haar directie door zonder toestemming met een meerderheidsbelang deel te nemen in SGI . [getuige 1] verklaring als getuige over het verstrekken van leningen aan SGI zegt in wezen in directe zin niets over deze vraag.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast wordt gesteld dat het feit dat de verdediging al in een eerder stadium in de gelegenheid is geweest om [getuige 1] te horen niet relevant is, kort gezegd omdat de verdediging vragen wilde stellen aan [getuige 1] die toentertijd (door de voormalig raadsman van de verdachte) niet gesteld zijn en er aanleiding was om de betrouwbaarheid van de getuige – gelet op de eerder door hem gegeven antwoorden – nader te toetsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 Ik kan uit de toelichting op het middel niet méér opmaken dan dat in zijn algemeenheid wordt betoogd dat het onderzoek niet volledig kan zijn zonder het nogmaals horen van [getuige 1] en dat de verwachting was dat de getuige, door hem de juiste vragen te stellen, van een getuige à charge zou kunnen veranderen in een getuige à décharge. Ten aanzien van de hiervoor geciteerde overweging met betrekking tot het zonder toestemming deelnemen van de directie van Rendo met een meerderheidsbelang in SGI , wordt door de steller van het middel slechts naar voren gebracht dat juist met het oog hierop nadere ondervraging van [getuige 1] noodzakelijk was.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4 Uit de hiervoor onder 6.1.4 geciteerde onderbouwing van het getuigenverzoek blijkt dat laatste echter niet. Het was de verdediging er vooral te om doen [getuige 1] te ondervragen over zijn wetenschap met betrekking tot de omvang van de verstrekte leningen aan SGI en de sale and leasebackconstructie, waarvan [getuige 1] eerder had verklaard niet op de hoogte te zijn. Ik kan in dit verzoek niet lezen dat de verdediging [getuige 1] ook had willen bevragen over zijn wetenschap van, of instemming met het meerderheidsbelang dat de verdachte en zijn medeverdachten hadden in SGI . Gelet hierop acht ik de overweging van het hof dat [getuige 1] verklaring als getuige over de verstrekte leningen nog niets zegt over diens wetenschap dan wel instemming met het meerderheidsbelang van de verdachte in SGI volkomen begrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.5 In cassatie wordt niet bestreden dat het hof het juiste toetsingscriterium heeft aangelegd bij de afwijzing van het (voorwaardelijk) verzoek [getuige 1] als getuige te horen, namelijk het noodzakelijkheidscriterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6 Het tweede middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Het derde middel 7.1 Het derde middel heeft betrekking op de afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het horen van de [getuige 2] , die in 2007 voorzitter van het dagelijks bestuur van TRIP Advocaten Notarissen was. Dit kantoor heeft de verdachte geadviseerd met betrekking tot de zogenoemde SGI -constructie. Een van de verweren van de verdachte is erop gebaseerd dat hij op deze adviezen heeft blindgevaren voor wat betreft de geoorloofdheid van zijn handelen. Het verzoek om [getuige 2] te horen als getuige heeft de volgende weg doorlopen:</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.1 Het verzoek is per e-mail op 1 december 2020 voorafgaande aan de eerste regiezitting van het hof gedaan aan de raadsheer-commissaris. In de schriftelijke onderbouwing wordt kort samengevat naar voren gebracht dat met TRIP is besproken hoe er invulling zou kunnen worden gegeven aan de positie van Rendo in verhouding tot SGI in het kader van de op handen zijnde wijzigingen in de energiewet- en regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.2 De raadsman van de verdachte heeft het verzoek om [getuige 2] als getuige te horen op de regiezitting van 9 december 2020 gehandhaafd. De advocaat-generaal heeft hierover op die zitting het volgende standpunt ingenomen: “Voor wat betreft [getuige 2] : bij de rechter-commissaris is een kandidaat-notaris van Trip gehoord. Op een aantal vragen gaf hij antwoord en ten aanzien van een aantal vragen heeft hij zich verschoond. Het is zeer de vraag of [getuige 2] werkelijk inhoudelijk iets weet. Het is een vrij groot kantoor. De verdediging heeft gesteld dat [getuige 2] met [getuige 1] aan tafel zat. Dat kan zo zijn, maar nergens blijkt dat hij juridisch advies heeft gegeven. Er is geen enkele grondslag om [getuige 2] te horen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.3 In het tussenarrest van 23 december 2020 heeft het hof als volgt op het verzoek beslist: “Oordeel van het hof Het hof stelt allereerst vast dat alle hiervoor genoemde getuigenverzoeken beoordeeld moeten worden aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. […] [getuige 2] Het hof wijst het verzoek tot het horen van deze getuige af. In het licht van de onderbouwing van het verzoek, acht het hof onvoldoende gemotiveerd waarom de getuige gehoord zou moeten worden. Het hof ziet niet in dat het nogmaals horen van deze persoon noodzakelijk is voor de volledigheid van het onderzoek of in het licht van de te beantwoorden vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.4 Op de zitting van 30 september 2022 heeft de verdediging het voorwaardelijke verzoek gedaan om onder andere [getuige 2] als getuige te horen. De raadsman van de verdachte heeft daartoe het volgende naar voren gebracht (met overneming van voetnoten doorgenummerd in de tekst van deze conclusie): “De advocaat-generaal heeft in het requisitoir ook diverse keren gerefereerd aan het feit dat er geen appelschriftuur is ingediend, maar dat wij het hof wel uitgebreide verzoeken hebben gedaan om getuigen te horen. Het is gemakkelijk om te zeggen dat het hof nog een keer hierover oordeelt. In maart 2022 is duidelijk geworden dat het dossier onvolledig is. Ik verzoek u om het verzoek om de 12 getuigen te horen zoals dat tijdens de regiezitting bij het hof in december 2020 is gedaan, wederom te beoordelen. Ik verzoek het hof om deze eerder gedane verzoeken om 12 getuigen te horen nogmaal ste bekijken met de kennis van nu over de volledigheid van het dossier. Uit mijn hoofd zeg ik dat het ging om 12 personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter vraagt ter verduidelijking aan mr. Van Leuveren of hij zijn eerdere verzoeken in het kader van de regiezitting van december 2020 herhaalt als voorwaardelijk verzoek, mits het hof niet tot een vrijspraak komt. Daarnaast is er eerder een voorwaardelijk verzoek gedaan om 4 getuigen te horen. Mr. Van Leuveren bevestigt dit.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.5 Bij eindarrest van 21 december 2022 heeft het hof dit verzoek afgewezen met de volgende motivering: “Voorwaardelijke getuigenverzoeken De verdediging heeft bij pleidooi alsnog een tiental voorwaardelijke verzoeken gedaan om getuigen te horen. […] Het hof acht het horen van [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 3] en [getuige 2] niet noodzakelijk voor enige in de zaak op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. De verdediging heeft bij brief van 1 december 2020 ten behoeve van de eerste regiezitting in hoger beroep op 9 december 2020 het hof verzocht om deze getuigen te horen. Bij tussenarrest van 23 december 2020 heeft het hof gemotiveerd waarom het hof het horen van deze getuigen niet noodzakelijk acht voor de volledigheid van het onderzoek of in het licht van de in deze zaak te beantwoorden vragen van artikelen 348 en 350 Sv. De verdediging heeft aan de herhaling van dit verzoek om deze getuigen geen nadere of aanvullende onderbouwing ten grondslag gelegd. Het hof ziet in wat er sinds de regiezitting van 9 december 2020 aan informatie en stukken met het hof is gedeeld geen aanleiding om de eerdere afweging van het hof bij tussenarrest van 23 december 2020 te herzien. Het hof ziet in de onderbouwing geen noodzaak tot het horen van deze getuigen, noch ziet het hof daartoe zelf de noodzaak. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek af.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2 Het gaat bij het verzoek om [getuige 2] te horen om een verzoek tot het oproepen van een getuige à décharge. In dergelijke gevallen geldt een motiveringsplicht voor de verdediging, die inhoudt dat de verdediging zal moeten toelichten waarom het horen van die getuige van belang is voor enige in de strafzaak op grond van artikel 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Op grond van die motivering kan de rechter de relevantie van het verzoek beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter kan het verzoek afwijzen als de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, omdat de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing, of als redelijkerwijs moet worden uitgesloten dat de getuige over de bedoelde punten zou kunnen verklaren. Wordt een verzoek tot het horen van een getuige à décharge pas voor het eerst op de zitting gedaan, zoals in onderhavige zaak het geval is, dan geldt er een strenger criterium, namelijk dat het verzoek alleen wordt ingewilligd als de rechter het verhoor noodzakelijk acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 Het hof heeft het verzoek van de verdediging aan het noodzakelijkheidscriterium getoetst en in cassatie is niet betwist dat dit het juiste criterium is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 Het hof heeft de afwijzing van het (voorwaardelijke) verzoek gebaseerd op de grond dat het horen van [getuige 2] in het licht van de in deze zaak te beantwoorden vragen van artikelen 348 en 350 Sv niet noodzakelijk is en heeft daarbij verwezen naar zijn beslissing in het tussenarrest van 23 december 2020. Het hof heeft in wat er nadien aan informatie en stukken is gedeeld met het hof geen aanleiding gezien om op zijn eerdere oordeel terug te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5 Aan de motivering van het oorspronkelijke verzoek van de verdediging is op de zitting van 30 september 2022 niets inhoudelijks toegevoegd en evenmin is betoogd waarom de na het tussenarrest van het hof aan het dossier toegevoegde informatie aanleiding zou moeten geven tot het horen van [getuige 2] .</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6 Het lijkt erop dat in de toelichting op het middel gepoogd wordt het gebrek aan onderbouwing van de handhaving van het getuigenverzoek op de zitting van 30 september 2022 te repareren, door uitvoerig te verwijzen naar de verweren die de verdediging in de loop van de procedure naar voren heeft gebracht. Daaruit had het hof als het ware ambtshalve duidelijk moeten worden waarom het horen van [getuige 2] belangrijk was. Helaas is het in de cassatiefase voor dit betoog te laat. Ook voor de feitelijke onderbouwing van een getuigenverzoek kan de regel worden gehanteerd dat dit niet voor het eerst in cassatie kan gebeuren, en dat deze onderbouwing ook niet in cassatie kan worden aangevuld. Daaraan kan ik nog toevoegen dat de toelichting op het middel een hoog gehalte van “napleiten” heeft. Ik ben van oordeel dat het hof de afwijzing van het verzoek, gelet op hetgeen de verdediging daaraan ten grondslag heeft gelegd, voldoende heeft gemotiveerd en dat er hierbij geen sprake is van een schending van art. 6 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7 Het derde middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Het vierde middel 8.1 Het vierde middel bevat de klacht dat het hof het verzoek tot het horen van de [getuige 3] van de NMa heeft afgewezen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen. Ten aanzien van de [getuige 3] is de gang van zaken als volgt geweest:</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.1 Het verzoek [getuige 3] te horen is per e-mail d.d. 1 december 2020 voorafgaande aan de eerste regiezitting van het hof gedaan aan de raadsheer-commissaris. [getuige 3] zou tekst en uitleg aan het hof kunnen geven over de regulering van netbeheerders in Nederland, over de contacten die er vanuit de NMa zijn geweest met Rendo en over de activiteiten die wel en niet door Rendo mochten worden ondernomen op basis van de toenmalige regelgeving van de Dienst Toezicht Energie. [getuige 3] zou eveneens kunnen bevestigen dat het destijds toegestaan was voor Rendo om SGI te financieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.2 De raadsman van de verdachte heeft het verzoek om [getuige 3] als getuige te horen op de regiezitting van 9 december 2020 gehandhaafd. Op die zitting reageert de advocaat-generaal als volgt op dit verzoek: “Het verzoek om [getuige 3] van de NMA te horen verbaast mij. Dit is een derde partij, buiten Rendo om. Ik zie de relevantie er niet van en acht de onderbouwing onvoldoende. Dit verzoek dient te worden afgewezen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.3 Bij tussenarrest van 23 december 2020 wijst het hof het verzoek als volgt af: “Oordeel van het hof Het hof stelt allereerst vast dat alle hiervoor genoemde getuigenverzoeken beoordeeld moeten worden aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. […] [getuige 3] Het hof wijst het verzoek tot het horen van deze getuige af. Daarbij merkt het hof op dat de onderbouwing van het verzoek in zeer algemene bewoordingen is gesteld. Met die onderbouwing ziet het hof niet in dat het horen van deze persoon noodzakelijk is voor de volledigheid van het onderzoek of in het licht van de te beantwoorden vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.4 Op de zitting van 30 september 2022 heeft de verdediging het voorwaardelijke verzoek gedaan om onder andere [getuige 3] als getuige te horen. De raadsman van de verdachte heeft daartoe het volgende naar voren gebracht (met overneming van voetnoten doorgenummerd in de tekst van deze conclusie): “De advocaat-generaal heeft in het requisitoir ook diverse keren gerefereerd aan het feit dat er geen appelschriftuur is ingediend, maar dat wij het hof wel uitgebreide verzoeken hebben gedaan om getuigen te horen. Het is gemakkelijk om te zeggen dat het hof nog een keer hierover oordeelt. In maart 2022 is duidelijk geworden dat het dossier onvolledig is. Ik verzoek u om het verzoek om de 12 getuigen te horen zoals dat tijdens de regiezitting bij het hof in december 2020 is gedaan, wederom te beoordelen. Ik verzoek het hof om deze eerder gedane verzoeken om 12 getuigen te horen nogmaal ste bekijken met de kennis van nu over de volledigheid van het dossier. Uit mijn hoofd zeg ik dat het ging om 12 personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter vraagt ter verduidelijking aan mr. Van Leuveren of hij zijn eerdere verzoeken in het kader van de regiezitting van december 2020 herhaalt als voorwaardelijk verzoek, mits het hof niet tot een vrijspraak komt. Daarnaast is er eerder een voorwaardelijk verzoek gedaan om 4 getuigen te horen. Mr. Van Leuveren bevestigt dit.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.5 Bij eindarrest van 21 december 2022 heeft het hof dit verzoek verworpen met de volgende overwegingen: “Voorwaardelijke getuigenverzoeken De verdediging heeft bij pleidooi alsnog een tiental voorwaardelijke verzoeken gedaan om getuigen te horen. […] Het hof acht het horen van [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 3] en [getuige 2] niet noodzakelijk voor enige in de zaak op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. De verdediging heeft bij brief van 1 december 2020 ten behoeve van de eerste regiezitting in hoger beroep op 9 december 2020 het hof verzocht om deze getuigen te horen. Bij tussenarrest van 23 december 2020 heeft het hof gemotiveerd waarom het hof het horen van deze getuigen niet noodzakelijk acht voor de volledigheid van het onderzoek of in het licht van de in deze zaak te beantwoorden vragen van artikelen 348 en 350 Sv. De verdediging heeft aan de herhaling van dit verzoek om deze getuigen geen nadere of aanvullende onderbouwing ten grondslag gelegd. Het hof ziet in wat er sinds de regiezitting van 9 december 2020 aan informatie en stukken met het hof is gedeeld geen aanleiding om de eerdere afweging van het hof bij tussenarrest van 23 december 2020 te herzien. Het hof ziet in de onderbouwing geen noodzaak tot het horen van deze getuigen, noch ziet het hof daartoe zelf de noodzaak. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek af.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2 Ik vrees dat het middel hetzelfde lot is beschoren als het derde middel. Daarvoor verwijs ik gemakshalve naar wat ik ten aanzien van het derde middel onder 7.2-7.6 heb opgemerkt. Ook ten aanzien van dit middel ben ik van oordeel dat het hof de afwijzing van het verzoek, gelet op hetgeen de verdediging daaraan ten grondslag heeft gelegd, voldoende heeft gemotiveerd en dat er hierbij geen sprake is van een schending van art. 6 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 Het vierde middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Het vijfde middel 9.1 Het vijfde middel houdt in dat het bewezenverklaarde ‘oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen’ onvoldoende steun vind in de bewijsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2 Het hof heeft over de aanwezigheid van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling bij de verdachte – mede in reactie op het door de verdediging gevoerde verweer – als volgt overwogen (met overneming van voetnoten doorgenummerd in de tekst van deze conclusie en reeds weergegeven onder 4.4): “Oogmerk Uit de aandeelhoudersovereenkomst SGI van 20 december 2007 blijkt dat het van meet af aan bij alle bij deze overeenkomst betrokken partijen duidelijk was dat Rendo de activiteiten van SGI voor het overgrote deel zou financieren. Daarmee ontstond op 20 december 2007 de situatie dat [verdachte] , [medeverdachte 4] en [betrokkene 3] , als directeuren van Rendo en in het geval van [verdachte] ook nog met een statutaire bevoegdheid om over het verstrekken van financieringen te beschikken, een rechtstreeks financieel belang hadden gekregen bij de onderneming waarin Rendo een aanzienlijke hoeveelheid geld zou gaan investeren. Dat [verdachte] en [medeverdachte 4] dit financieel belang via hun persoonlijke vennootschappen hadden, maakt dat niet anders nu ook in die situatie geen sprake is van een (van Rendo ) onafhankelijke derde partij. Een dergelijke constructie leidt tot een zodanig groot risico dat op enig moment de belangen van Rendo en die van de aandeelhoudende directeuren met elkaar in strijd zouden komen – een situatie die zich later ook heeft gerealiseerd – dat ook om deze reden volstrekt onaannemelijk is dat de RvC en de AvA van Rendo dit zouden hebben geweten en toestemming daarvoor zouden hebben gegeven. Daar komt bij dat de uit de WON voortkomende verplichtingen ten aanzien van nadere regels omtrent een onafhankelijk netbeheer actueel waren en dat RvC en AvA – daarmee bekend zijnde – hierop al in een vroeg stadium anticipeerden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de eerder aangehaalde verklaringen van de commissarissen en aandeelhouders van Rendo blijkt dat de RvC en de AvA nooit zouden hebben ingestemd met het verstrekken van geld aan SGI als bij hen bekend was geweest dat [verdachte] , [medeverdachte 4] en [betrokkene 3] een belang hadden bij die onderneming. In het licht van de ondubbelzinnige afspraken en het gemaakte voorbehoud in de vergaderingen van 13 september en 20 december 2007 omtrent het uitbesteden van de exploitatie van het project aan een derde partij, bij welke vergaderingen [verdachte] en [medeverdachte 4] aanwezig waren, wisten beiden dat de besluitvorming in de RvC en de AvA anders zou zijn verlopen indien deze van hun belangen bij SGI op de hoogte waren geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij heeft de Rendo -directie zelf in een notitie aan de RvC opgenomen dat Rendo vanwege de WON geen aandeelhouder kon zijn van een dergelijk project betreffende elektriciteitsproductie. Dat [verdachte] en [medeverdachte 4] noch op dat moment noch op enig moment nadien, de RvC en de AvA van hun belangen op de hoogte hebben gesteld, maakt dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat zij de RvC en de AvA van Rendo bewust hebben misleid, om zo te bewerkstelligen dat SGI toch door Rendo zou worden (en blijven) gefinancierd. Uit deze conclusie volgt ook dat alle vormen van financiering die Rendo vanaf de oprichting van SGI op 20 december 2007 aan deze onderneming of haar dochters heeft verstrekt, aangemerkt moeten worden als vrucht van deze oplichting, waarmee (in ieder geval) SGI werd bevoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat Rendo hierdoor is benadeeld is evident, nu zij niet uit vrije wil dit geld heeft verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit al het voorgaande volgt ook dat Rendo door [verdachte] en [medeverdachte 4] niet alleen doelbewust is misleid omtrent hun (feitelijke) belang in SGI , maar ook omtrent het doel en de besteding van de financiering die Rendo (in alle gevallen vertegenwoordigd door diezelfde [verdachte] ) aan SGI en haar dochter SGC heeft verstrekt. Het gaat hierbij om de uitbetaling van [medeverdachte 3] en Marella op 23 december 2009 en 29 juni 2010. Op deze wijze hebben [verdachte] en [medeverdachte 4] bewerkstelligd dat geld, dat in de valselijk gewekte voorstelling van zaken zoals die aan Rendo werd voorgespiegeld voor de warmtekracht- en torrefactiecentrale in Steenwijk was bestemd, is toegevloeid naar haar eigen directeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit nota bene terwijl dat project nog geen moment rendabel was geweest en het voortbestaan daarvan bovendien, ten tijde van de tweede uitbetaling op 29 juni 2010, door het vasthouden aan de betalingen aan [medeverdachte 3] en Marella rechtstreeks in gevaar werd gebracht. [verdachte] en [medeverdachte 4] hebben zonder zelf enig substantieel eigen vermogen in te brengen (€ 15.000,- voor [verdachte] en € 5.000,- voor [medeverdachte 4] ) een financieel belang in SGI verkregen. Bij de verkoop van dit belang hebben zij vervolgens aanzienlijk grotere geldbedragen ontvangen (2,5 miljoen euro voor [verdachte] en € 1.250.000,- voor [medeverdachte 4] ). Zij hebben privé uit eigen financieel gewin gehandeld en hebben naar het oordeel van het hof – alles overziend – daarmee oogmerk gehad op wederrechtelijke bevoordeling van Rendo .</p>\n<p class=\"lf-p\">Resumerend komt het hof tot het oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 4] zich vanaf de oprichting van SGI op 20 december 2007 schuldig hebben gemaakt aan oplichting van Rendo door Rendo te misleiden omtrent hun feitelijke deelname aan SGI . Al het geld dat Rendo vanaf die datum aan SGI of haar dochters heeft verstrekt is de vrucht van deze oplichting geweest. Daarnaast is het hof van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 4] zich bij de uitbetaling van [medeverdachte 3] en Marella op 23 december 2009 en 29 juni 2010 eveneens schuldig hebben gemaakt aan oplichting van Rendo , door Rendo te misleiden omtrent het doel en de besteding van de door Rendo in dit verband aan SGI verstrekte gelden. Op grond van al het voorgaande stelt het hof bovendien vast dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. […] Oogmerk Daarnaast was volgens de verdediging geen oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling aanwezig. Het hof heeft ten aanzien van het oogmerk van [verdachte] op wederrechtelijke bevoordeling eveneens in de bewijsoverwegingen vastgesteld dat hiervan sprake was. Het verweer van de verdediging op dit punt wordt weerlegd door de bewijsmiddelen en de overwegingen hierover. Het verweer wordt verworpen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3 Volgens de steller van het middel heeft het hof het ‘oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling’ gebaseerd op de veronderstelling dat de verdachte welbewust informatie heeft achtergehouden en welbewust een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven. Uit de toelichting op het middel maak ik op dat het middel zich richt tegen deze ‘veronderstelling’. De steller van het middel voert in dit kader onder meer aan dat de verdachte er (op advies van TRIP Advocaten Notarissen ) vanuit is gegaan dat SGI een derde partij was en niet een met Rendo verbonden onderneming, en dat hij handelde met medeweten van [getuige 1] , zodat geen sprake was van het achterhouden van informatie of het misleiden van Rendo .</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4 Dit door de verdediging geschetste alternatieve scenario is in hoger beroep uitgebreid aan bod gekomen en door het hof onderbouwd terzijde geschoven. Het hof heeft – onder meer op basis van verklaringen van leden van de RvC en de AvA en verslagen van de vergaderingen van de RvC - geoordeeld dat niet blijkt dat de RvC en de AvA wetenschap hadden van het (indirecte) aandeelhouderschap van de Rendo -directie in SGI . In de overweging van het hof met betrekking tot het bewijs van feit 2 (het opzettelijk openbaar maken van onware jaarstukken) heeft het hof overwogen de verdachte niet te volgen in zijn stelling dat hij niet op de hoogte was van, dan wel heeft gedwaald omtrent de verplichting in de jaarrekening te vermelden dat Rendo en SGI als verbonden partijen moesten worden beschouwd. De ten aanzien van deze oordelen geformuleerde klachten – die van zeer feitelijke aard zijn en waaraan een verschil van mening over de waardering van het bewijs ten grondslag ligt – lenen zich niet voor toetsing in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5 Het vijfde middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Het zesde middel 10.1 Het zesde middel klaagt dat de gedragingen die de verdachte (tezamen en in vereniging met anderen) heeft verricht niet kunnen worden beschouwd als ‘listige kunstgrepen’ en dat uit de bewijsvoering onvoldoende blijkt dat Rendo door deze gedragingen is ‘bewogen tot’ de afgifte van gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2 In de toelichting op het middel wordt per bewezenverklaarde gedraging (in de bewezenverklaring aangeduid met de letters A, B, C, F, H t/m N en P t/m U) betoogd waarom de gedragingen niet zijn aan te merken als listige kunstgrepen, of waarom Rendo door de gedragingen niet is bewogen tot de afgifte van gelden. Bij de bespreking van deze klachten stel ik het volgende voorop. (i) De ten aanzien van de verschillende gedragingen geformuleerde klachten zijn overwegend van (zeer) feitelijke aard. Waar het in cassatie om gaat is of de bewezenverklaring, met inachtneming van de vrijheid van de feitenrechter ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal, toereikend en begrijpelijk is gemotiveerd. Klachten waarin enkel een van het oordeel van hof afwijkende stelling wordt geponeerd (waaraan een verschil van mening over de waardering van het bewijs ten grondslag ligt), lenen zich daarom niet voor toetsing in cassatie. (ii) Bij diverse van de onder A t/m U opgesomde gedragingen wordt ter bestrijding van het oordeel dat sprake is van listige kunstgrepen eenzelfde (soort) argument aangevoerd. Ik bespreek daarom waar mogelijk de klachten ten aanzien van de verschillende gedragingen gezamenlijk. (iii) Ten aanzien van sommige gedragingen worden klachten geformuleerd die bij de bespreking van andere middelen aan bod zijn gekomen/zullen komen. Wanneer dit het geval, verwijs ik naar de bespreking van die middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3 De gedragingen A, B, C, H, P en Q 10.3.1 De onder A, B, C, H, P en Q weergegeven gedragingen houden het volgende in: “A. heimelijk onverenigbare functies vervuld door als bestuurder van Rendo indirect aandeelhouder te zijn van SGI ;” “B. de Raad van Commissarissen (hierna “RvC”) van Rendo en de aandeelhouders van Rendo niet geïnformeerd over het belang dat hij en zijn medeverdachten hadden bij SGI en haar dochtervennootschappen;” “C. heimelijk en zonder toestemming van de RvC van Rendo en zonder toestemming van de aandeelhouders van Rendo en door tussenkomst van de besloten vennootschappen [medeverdachte 3] B.V. en Marella B.V. en door tussenkomst van [betrokkene 1] en [betrokkene 17] en [betrokkene 2] , een belang verkregen in SGI en haar dochtervennootschappen Stramproy Green Coal B.V. (hierna “ SGC ”) en Stramproy Green Energy B.V. (hierna “ SGE ”) en Stramproy Green Technologie B.V. (hierna “ SGT ”);” “H. de RvC van Rendo niet (volledig) geïnformeerd over nadere met SGI en haar dochtervennootschappen gesloten (achtergestelde) leningen en over de totale omvang van de vorderingen van Rendo op SGI en haar dochtervennootschappen;” “P. niet in de jaarrekeningen en de jaarverslagen over 2007, 2008, 2009 en 2010 van Rendo vermeld en/of laten vermelden aan wie Rendo (achtergestelde) leningen had verstrekt en dat Rendo aan SGE en SGC geld had geleend;” “Q. niet in de jaarrekeningen van Rendo over 2007, 2008, 2009 en 2010 vermeld en/of laten vermelden dat er sprake was van SGI en/ SGE en/of SGC als verbonden partijen;”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.2 De argumenten die de steller van het middel aandraagt ter onderbouwing van het standpunt dat deze gedragingen geen listige kunstgrepen opleveren, kunnen als volgt worden samengevat: (i) De functie van de verdachte als bestuurder van Rendo was niet onverenigbaar met die van (indirect) aandeelhouder in SGI , omdat Rendo en SGI geen verbonden partijen waren. De verdachte was in de veronderstelling dat zodoende geen sprake kon zijn van tegengestelde belangen, en hij niet verplicht was zijn indirecte aandeelhouderschap te melden. Subsidiair wordt aangevoerd dat de verdachte over de verbondenheid van partijen advies heeft ingewonnen bij TRIP Advocaten en Notarissen , en dat de verdachte over de verbondenheid van partijen verontschuldigbaar heeft gedwaald. (ii) Van het heimelijk vervullen van onverenigbare functies kan bovendien geen sprake zijn, omdat de RvC en de AvA ervan op de hoogte waren dat de verdachte betrokken was bij de oprichting van SGI en (indirect) als aandeelhouder participeerde in SGI . De verdachte heeft de RvC en de AvA daarnaast volledig geïnformeerd over alle leningen, hetgeen de verdachte had willen aantonen aan de hand van de in het ongerede geraakte e-mailcommunicatie. (iii) Niet de verdachte, maar [medeverdachte 3] B.V. had een minderheidsbelang in SGI . De verdachte hoefde aan de RvC en de AvA van Rendo geen toestemming te vragen voor het aandeelhouderschap van [medeverdachte 3] B.V. in SGI , omdat deze vennootschap in geen relatie stond tot Rendo .(iv) De jaarstukken geven geen onjuiste voorstelling van zaken, omdat niet was vereist daarin de relatie tot SGI , SGC en SGE te vermelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.3 De hiervoor opgesomde klachten zijn door de steller van het middel in diverse andere middelen aangekaart. Voor zover het middel klaagt (onder (i) en (iv)) dat geen sprake was van ‘verbonden partijen’ en de relatie tot SGI en haar dochterondernemingen niet in de jaarstukken hoefde te worden vermeld, althans dat de verdachte omtrent de verbondenheid van partijen verontschuldigbaar heeft gedwaald, verwijs ik vooruit naar de bespreking van de middelen 7 en 8. In de bespreking van die middelen komen deze klachten uitgebreid aan bod. Ook ten aanzien van de onder (iii) geformuleerde klacht verwijs ik naar de bespreking van middel 7, onder 11.4-11.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.4 Voor zover het middel klaagt dat de RvC en de AvA op de hoogte waren van het (indirecte) aandeelhouderschap van de verdachte in SGI , verwijs ik naar de bespreking van middel 5. Onder 9.4 schreef ik dat dit scenario in hoger beroep uitgebreid aan bod is gekomen en door het hof onderbouwd terzijde geschoven. Het hof heeft – onder meer op basis van verklaringen van leden van de RvC en de AvA en verslagen van de vergaderingen van de RvC – geoordeeld dat niet blijkt dat de RvC en de AvA wetenschap hadden van het (indirecte) aandeelhouderschap van de Rendo -directie in SGI . Het oordeel vindt zodoende voldoende steun in de bewijsmiddelen, en is niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.5 Het standpunt dat de verdachte de RvC en de AvA volledig heeft geïnformeerd over alle leningen, betreft een betwisting van een feitelijke vaststelling van het hof. Voor zover de steller van het middel een beroep doet op in het ongerede geraakte e-mailberichten, heeft het hof – zo besprak ik onder 5.22 – geconstateerd dat niet is gebleken van ontbrekende stukken, en deze vaststelling acht ik niet onbegrijpelijk (zie hierover middel 1). De klacht leent zich niet voor verdere toetsing in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4 Gedraging F 10.4.1 De onder F bewezenverklaarde gedraging houdt in: “F. er voor zorggedragen dat [betrokkene 2] in de periode van 26 juni 2008 tot 2 december 2009 de aandelen van SGI , die daarvoor (indirect) gehouden werden door verdachte en zijn medeverdachten, heeft gehouden;”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4.2 Ten aanzien van gedraging F voert de steller van het middel aan dat met het houden van aandelen voor een ander niets mis is, en dat dit derhalve niet als listige kunstgreep kan worden gekwalificeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4.3 Ten aanzien van de overdracht van de aandelen naar [betrokkene 2] heeft het hof – aan de hand van diverse e-mails en op basis van de verklaringen van [betrokkene 2] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] – vastgesteld dat de beslissingen over (de aandelen in) SGI van [betrokkene 2] feitelijk werden gemaakt door de verdachte en [medeverdachte 4] , en dat de overdracht van de aandelen aan [betrokkene 2] tot doel had om te (blijven) verhullen wie de feitelijke zeggenschap in SGI had. Dat oordeel vindt voldoende steun in de bewijsmiddelen en is niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5 De gedragingen I, J, K, L, M 10.5.1 De onder I t/m M genoemde gedragingen houden in: “l. als bestuurder van Rendo opdracht en goedkeuring en toestemming en medewerking gegeven aan het door Rendo verstrekken van leningen aan SGI en haar dochtervennootschappen;” “J. als bestuurder van Rendo opdracht en goedkeuring en toestemming en medewerking gegeven aan het door Rendo aangaan van sale- and leasebackovereenkomsten met SGI en haar dochtervennootschappen;” “K. als bestuurder van Rendo opdracht en goedkeuring en toestemming en medewerking gegeven aan het door Rendo betalen voor investeringen aan SGI en haar andere dochtervennootschappen;” “L. als bestuurder van Rendo opdracht en/of goedkeuring en/of toestemming en/of medewerking gegeven aan het door Rendo kwijtschelden van huur verschuldigd door SGI en/of haar dochtervennootschappen;” “M. als bestuurder van Rendo opdracht en goedkeuring en toestemming en medewerking gegeven aan het door Rendo doen van betalingen aan SGI en haar dochtervennootschappen;”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5.2 Ten aanzien van de onder I t/m M opgesomde gedragingen betoogt de steller van het middel dat geen sprake is geweest van misleidende handelingen die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven riepen, omdat de verdachte volledig bevoegd was om de genoemde handelingen te verrichten. Ten aanzien van gedraging L merkt de steller van het middel nog op dat met deze kwijtschelding van huur ook de belangen van Rendo werden gediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5.3 Uit de bewijsoverwegingen van het hof (weergegeven onder 4.4) volgt dat de verdachte op grond van de statuten van Rendo bevoegd was om financieringen te verstrekken in het kader van de realisatie van een noodstroomvoorziening in Steenwijk . Door de RvC en de AvA is met het noodstroomproject ingestemd onder de voorwaarde dat de productie van stroom door een derde partij zal plaatsvinden. Deze voorwaarde was ingegeven door de destijds op handen zijnde Wet Onafhankelijk Netbeheer (WON). Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en [medeverdachte 4] van deze voorwaarde op de hoogte waren. Het hof heeft eveneens vastgesteld dat de verdachte en [medeverdachte 4] sinds de oprichting van SGI een financieel belang hebben gehad in SGI , dat zij voor de RvC en de AvA van Rendo geheim hebben gehouden. Uit de verklaringen van leden van de RvC en de AvA maakt het hof op dat de RvC en de AvA niet wisten van het aandeelhouderschap van de directeuren van Rendo in SGI en dat zij – met het oog op de regels die voortvloeiden uit de WON – met dit aandeelhouderschap en de verstrekking van gelden aan SGI niet hadden ingestemd, indien zij daarvan wel op de hoogte waren geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5.4 Voor de strafbaarheid van het handelen van de verdachte is doorslaggevend of Rendo is overgegaan tot de verstrekking van gelden vanwege de door de oplichtingsmiddelen in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken. Uit de wijze waarop de tenlastelegging en bewezenverklaring van feit 1 zijn vormgegeven, leid ik af dat het niet noodzakelijk is dat ieder van de oplichtingshandelingen zelfstandig heeft geleid tot de afgifte van geld door Rendo , maar dat doorslaggevend is of Rendo door de gezamenlijkheid van oplichtingshandelingen is bewogen tot het verstrekken van gelden. De gedragingen I t/m M staan ten opzichte van de andere bewezenverklaarde oplichtingshandelingen in het meest rechtstreekse verband tot de afgifte van gelden door Rendo : doordat de verdachte verschillende overeenkomsten sloot ter financiering van SGI , ging Rendo over tot de afgifte van geld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de verdachte tot de verstrekking van deze gelden statutair bevoegd was, maakt niet dat de onder I t/m M opgesomde gedragingen niet als oplichtingshandeling kunnen worden beschouwd. Deze gedragingen vonden plaats tegen de achtergrond van de verzwijging van het persoonlijk financieel belang van de Rendo -directeuren in SGI , en de valse voorstelling van zaken over de wijze waarop het geld werd besteed. Het oordeel van het hof dat Rendo door deze onjuiste voorstelling van zaken is bewogen tot de afgifte van gelden, acht ik niet onbegrijpelijk. Dat Rendo mogelijk ook belang heeft gehad bij een of meerdere met SGI aangegane overeenkomsten, doet er niet aan af dat Rendo omtrent (het doel en de besteding van) de verstrekte financiering is misleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6 Gedraging N 10.6.1 De onder N bewezenverklaarde gedraging houdt in: “N. heimelijk gecommuniceerd door voor e-mailcommunicatie tussen hemzelf en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [betrokkene 3] en [medeverdachte 4] aangaande SGI privé e-mailadressen te gebruiken;”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6.2 Ten aanzien van gedraging N stelt de steller van het middel dat deze gedraging niet als oplichtingsmiddel kan worden aangemerkt, aangezien Rendo hierdoor niet bewogen kan zijn tot de afgifte van enig goed of het tenietdoen van een inschuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6.3 Zoals ik onder 10.5.4 schreef, leid ik uit de wijze waarop de tenlastelegging en bewezenverklaring zijn vormgegeven af dat het niet noodzakelijk is dat ieder van de oplichtingshandelingen zelfstandig heeft geleid tot de afgifte van geld door Rendo , maar dat doorslaggevend is of Rendo door de gezamenlijkheid van oplichtingshandelingen is bewogen tot het verstrekken van gelden. Het oordeel van het hof dat het gebruik van privé-emailadressen aan de verhulling van het aandeelhouderschap van de Rendo -directeuren in SGI – hetgeen de basis heeft gevormd van de oplichting van Rendo – een bijdrage heeft geleverd, acht ik niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7 Gedraging R 10.7.1 De onder R bewezenverklaarde gedraging houdt in: “R. de namen van “ Marella ” en “ [medeverdachte 3] ” en “ Rendo ” uit de concept-jaarrekening van SGI over 2009 laten verwijderen;”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7.2 In de toelichting op het middel wordt door de steller van het middel betoogd dat deze namen niet thuishoren in de jaarrekening van SGI , zodat gedraging R niet kan worden gekwalificeerd als listige kunstgreep.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7.3 Dit standpunt wordt door de steller van het middel niet onderbouwd. Ik vermoed dat de steller van het middel, gelet op de andere geformuleerde klachten, hier opnieuw het oog heeft gehad op de kwestie over de verbondenheid van partijen (waarvan volgens de steller van het middel geen sprake zou zijn). Ik verwijs in dit kader opnieuw naar de bespreking van de middelen 7 en 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8 Gedragingen S, T en U 10.8.1 De gedragingen S, T en U hangen met elkaar samen en houden in: “S. door Mazars Berenschot Corporate Finance B.V. (hierna “ MBCF ”) en/of [betrokkene 4] een brief laten opstellen om aanvullende financiering van EUR 4.500.000,00 door Rendo aan SGI mogelijk te maken en in deze brief niet te laten vermelden dat de financiering deels gebruikt zou gaan worden voor inkoop van eigen aandelen door SGI ;” “T. de hiervoor vermelde brief met een onjuiste datum op laten maken;” “U. voor de RvC van Rendo en de aandeelhouders van Rendo verhuld dat één of meerdere door Rendo aan SGI verstrekte leningen door SGI aangewend zullen worden voor de inkoop van eigen aandelen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de middelen S, T en U heeft de steller van het middel aangevoerd dat: (i) de brief nooit is gebruikt in de richting van de RvC van Rendo en de brief Rendo (dus) niet heeft gebracht tot het verstrekken van gelden; (ii) de verdachte niet verantwoordelijk is voor de vermelding van de onjuiste datum op de brief; en (iii) in de leningsofferte/leningsovereenkomst geen enkele onjuistheid is vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8.2 Ten aanzien van het onder (i) gegeven argument geldt het volgende. In samenhang beschouwd zien de onder S, T en U (in combinatie met I) omschreven oplichtingshandelingen erop dat de verdachte en [medeverdachte 1] een overeenkomst hebben gesloten ter verstrekking van een nieuwe lening aan SGC , wetende dat het verstrekte geld niet zou worden besteed zoals in de leningsovereenkomst is beschreven. De werkelijke besteding van het geleende geld is verder verhuld door het laten opstellen en antedateren van een brief door MBCF ter verantwoording van de verstrekking van voornoemde lening. Dit complex van gedragingen is – zo blijkt uit het arrest van het hof – deels voorafgegaan aan de verstrekking van de onder S omschreven lening door Rendo aan SGC . Dat de AvA en de RvC niet (voorafgaand aan de verstrekking van de lening) van de brief van MBCF op de hoogte zijn geraakt, doet aan het oordeel dat Rendo door het geheel van oplichtingshandelingen is bewogen tot het verstrekken van die lening mijns inziens niet af. De feitelijke beweging van Rendo vond plaats door de eerder aan bod gekomen oplichtingshandeling I en de verdere verhulling van deze handeling – ter voorkoming van argwaan bij de RvC en de AvA – was gelegen in oplichtingshandelingen S en T. Het oordeel van het hof dat Rendo als gevolg van de door deze handelingen geschapen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot het verstrekken van gelden, is daarmee niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8.3 Ten aanzien van de brief (onder ii) heeft het hof vastgesteld dat deze is opgemaakt op verzoek van de verdachte en dat deze brief, die is gereedgekomen na 1 juli 2010, geantedateerd moest worden. Dit heeft het hof onder andere afgeleid uit een e-mail van de verdachte aan MBCF d.d. 24 juni 2010, waarin de verdachte schrijft “wanneer mag ik jouw adviesrapportje van [betrokkene 12] d.d. 18 juni 2010 tegmoet zien over de door Rendo te verstrekken extra financiering van 4,5 miljoen euro aan Stramproy ?” en een intern verstuurde e-mail van een medewerker van MBCF d.d. 25 juni 2010, waarin staat geschreven: “[z]ou jij deze brief willen nalezen, de datum moet 17 juni blijven.” Het op deze e-mails gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte de brief opzettelijk op een onjuiste datum heeft laten opmaken, acht ik niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8.4 Voor zover de steller van het middel (onder iii) betoogt dat in de brief geen enkele onjuistheid is vermeld, verwijs ik naar de bespreking van middel 9, onder de randnummers 13.6 en 13.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9 Geen van de klachten slaagt, zodat het zesde middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">11Het zevende middel 11.1 Het zevende middel keert zich tegen het (in het kader van feit 2 gegeven) oordeel van het hof dat Rendo en SGI verbonden partijen waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2 Ten laste van de verdachte is onder feit 2 bewezenverklaard dat: “2.hij, als bestuurder van N.V. Rendo Holding en Rendo Beheer B.V. en N.V. Rendo en Rendo Energieservice B.V. en Rendo Electriciteitsnetwerken B.V. en Rendo Gasnetwerken B.V. en B.V. Gasfabriek Coevorden voormalig B.V. Gasfabriek Th. Thijssen en Rendo Duurzaam B.V. en/of hun (andere) dochtervennootschappen (hierna gezamenlijk alsook individueel aangeduid met “ Rendo ”), in de periode van 1 juni 2008 tot en met 29 juni 2011, in Nederland, telkens, opzettelijk een onware staat en/of een onware balans en/of winst- en verliesrekening, en/of staat van baten en lasten en/of toelichting op één van deze stukken, openbaar gemaakt, immers heeft verdachte opzettelijk de hiernavolgende documenten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Jaarstukken 2007:</p>\n<p class=\"lf-p\">A. de jaarrekening van het jaar 2007, met daarin meer in het bijzonder onder het onderdeel “Verbonden partijen”, de hierna volgende tekst: “Naast de maatschappijen die onder de groepsverhoudingen zijn vermeld, zijn geen andere maatschappijen verbonden met de rechtspersoon”; en Jaarstukken 2008:</p>\n<p class=\"lf-p\">A. de jaarrekening van het jaar 2008 met daarin meer in het bijzonder onder “Verbonden partijen”, de hierna volgende tekst: “Naast de maatschappijen die onder de groepsverhoudingen zijn vermeld, zijn er op grond van de bestaande regelgeving geen nadere vermeldingen onder dit hoofd te doen”; en Jaarstukken 2009:</p>\n<p class=\"lf-p\">A. de jaarrekening van het jaar 2009, met daarin meer in het bijzonder onder “Verbonden partijen” de hierna volgende tekst: “Naast de maatschappijen die onder de groepsverhoudingen zijn vermeld, zijn er op grond van de bestaande regelgeving geen nadere vermeldingen onder dit hoofd te doen”; en Jaarstukken 2010:</p>\n<p class=\"lf-p\">A. de jaarrekening van het jaar 2010, met daarin meer in het bijzonder onder “Verbonden partijen” de hierna volgende tekst: “Naast de maatschappijen die onder de groepsverhoudingen zijn vermeld, zijn er op grond van de bestaande regelgeving geen nadere vermeldingen onder dit hoofd te doen”; telkens door middel van deponering bij de Kamer van Koophandel en door middel van publicatie op de eigen internetsite van Rendo , [internetsite] , openbaar gemaakt;”</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3 Het hof heeft de bewezenverklaring van feit 2 als volgt gemotiveerd (met overneming van voetnoten doorgenummerd in de tekst van deze conclusie): “Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 2 (opzettelijk openbaar maken onware jaarstukken) Bespreking begrippen Het hof bespreekt eerst twee begrippen die bij dit feit een belangrijke rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbonden partijen In deze strafzaak speelt de vraag of een partij, waarmee (een dochtervennootschap van) Rendo een transactie heeft gesloten, als verbonden partij kan worden aangemerkt. De vraag of een partij als verbonden partij kan worden aangemerkt is relevant, omdat een relatie tussen verbonden partijen invloed kan hebben op de winst of het verlies en op de financiële positie van een entiteit. Transacties en relaties met verbonden partijen moeten worden toegelicht in de jaarrekening. Verder moet bij transacties met verbonden partijen de zakelijkheid van de transactie onderzocht worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de IAS-normen (International Accounting Standards), en meer specifiek IAS 24, volgt dat een verbonden partij een natuurlijke persoon of een entiteit is die verbonden is met de entiteit die haar jaarrekening opstelt. Verder is in deze norm onder meer bepaald: (a) Een natuurlijke persoon of een nauwe verwant van de natuurlijke persoon is met een verslaggevende entiteit verbonden indien deze persoon: (i) zeggenschap of gezamenlijke zeggenschap over de verslaggevende entiteit uitoefent; (ii) invloed van betekenis over de verslaggevende entiteit uitoefent; dan wel (iii) behoort tot de managers op sleutelposities in de verslaggevende entiteit of in een moedermaatschappij van de verslaggevende entiteit. ( b) Een entiteit is met een verslaggevende entiteit verbonden indien: (…) (vi) Een onder (a) bedoelde natuurlijke persoon zeggenschap of gezamenlijke zeggenschap uitoefent over de entiteit. (vii) Een onder (a)(i) bedoelde persoon invloed van betekenis uitoefent over de entiteit of behoort tot de managers op sleutelposities in de entiteit (of in een moedermaatschappij van de entiteit).</p>\n<p class=\"lf-p\">Letter of Representation (LOR) In een Letter of Representation (hierna: LOR) bevestigt het bestuur van een onderneming (en/of eventueel andere betrokkenen), zoals blijkt uit de ondertekening van de LOR, dat zij ervoor verantwoordelijk zijn dat de jaarrekening en/of andere financiële verantwoording een getrouwe weergave bevat in overeenstemming met van toepassing zijnde grondslagen voor verslaggeving. Tevens bevestigt het bestuur dat de accountant inzage is gegeven in de gehele administratie en de daaraan ten grondslag liggende gegevens aan de accountant zijn verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oordeel van het hof [verdachte] was in de hoedanigheid van algemeen directeur van Rendo over de jaren 2007 tot en met 2010 (eind)verantwoordelijk voor het jaarverslag en de jaarrekening van Rendo . Onder verantwoordelijkheid van [verdachte] zijn over de jaren 2007 tot en met 2010 de jaarrekeningen gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel en zodoende openbaar gemaakt in de zin van artikel 336 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft vastgesteld dat [verdachte] vanaf de oprichting van SGI een bepalende rol heeft gespeeld bij SGI . Meer in het bijzonder kan op grond van de stukken worden vastgesteld dat de drie Rendo -directeuren die bij SGI betrokken waren ( [verdachte] , [medeverdachte 4] en [betrokkene 3] ) in wisselende samenstelling vanaf het begin een meerderheidsbelang van 60% in deze onderneming hebben gehad, waarmee vaststaat dat de Rendo -directie doorlopend beleidsbepalende invloed had in SGI en die invloed kon uitoefenen op haar financiële en zakelijke beleid. Dit blijkt onder andere uit de hierboven beschreven gang van zaken bij de besluitvorming over de inkoop door SGI van haar eigen aandelen. Het hof merkt daarbij net zoals de rechtbank op dat de feitelijke situatie daarbij doorslaggevend is en niet de formeel-juridische werkelijkheid, nog daargelaten dat die juridische werkelijkheid in dit geval opzettelijk is opgetuigd om de feitelijke situatie te verhullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat Rendo en SGI over de jaren 2007 tot en met 2011 voor wat betreft de verplichting tot vermelding in de jaarrekening als verbonden partijen moeten worden beschouwd. Of de wet- en regelgeving voor de jaarverslagging correct is toegepast is een oordeel van juridische aard dat het hof toekomt. Daarom zal het hof anders dan de rechtbank bij dit oordeel de rapportages van de deskundigen Brouwer en Langendijk niet betrekken. Nu het hof reeds in het voorgaande heeft geoordeeld dat de transacties tussen Rendo (zowel de Holding als Rendo Duurzaam ) en SGI en haar dochters hebben plaatsgevonden als gevolg van de opzettelijke misleiding van Rendo , waarmee gegeven is dat zij onder niet-normale marktvoorwaarden tot stand zijn gekomen, is daarom al ten onrechte in de ten laste gelegde jaarrekeningen 2007 tot en met 2010 niet vermeld dat Rendo met SGI was verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof volgt [verdachte] niet in zijn verklaring dat hij niet van deze verplichting in de jaarrekening te vermelden dat Rendo en SGI als verbonden partijen moesten worden beschouwd, op de hoogte was en/of op dit punt heeft gedwaald. In de bevestigingsbrieven die aan de verschillende accountants zijn toegezonden (de Letters of Representation) staat vermeld dat alle relevante informatie, waaronder die over het eventueel bestaan van met Rendo verbonden partijen, naar waarheid is verstrekt. Deze bevestigingsbrieven zijn over de jaren 2007 tot en met 2010 getekend door [verdachte] en wat 2011 betreft door [medeverdachte 4] . Nu [verdachte] wist dat hij al die jaren (over 2011 in ieder geval tot de uiteindelijke overname door Horizon ) samen met de andere Rendo -directeur(en) een bepalende invloed uitoefende in SGI , kan niet worden volgehouden dat hij verontschuldigbaar vergeten zou zijn om de accountant daarvan op de hoogte te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is gesteld noch gebleken dat [verdachte] volledige openheid van zaken heeft gegeven tegen de accountant over de constructie met SGI , zodat niet vastgesteld kan worden dat de accountant op basis van alle relevante aangeleverde informatie gedegen onderzoek heeft kunnen doen en een gedegen oordeel heeft kunnen vellen waarop [verdachte] zich volledig kon verlaten. Veeleer moet worden aangenomen dat [verdachte] juist bewust deze informatie heeft verzwegen om het feitelijke belang van de Rendodirecteuren in SGI te (blijven) verhullen. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] opzettelijk onwaarheden in de openbaar gemaakte jaarrekeningen over 2007 tot en met 2010 heeft vermeld. Van medeplegen met een ander, zoals [medeverdachte 4] , is daarbij naar het oordeel van het hof geen sprake geweest, nu uit de stukken volgt dat diens actieve bijdrage er over die jaren slechts uit heeft bestaan dat hij enkele teksten heeft aangeleverd voor jaarverslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de teksten die in de jaarverslagen zijn opgenomen is het hof met de rechtbank van oordeel dat artikel 336 Sr enkel ziet op het openbaar maken van onware financiële stukken. De in dit artikel opgesomde stukken zijn dan ook allemaal van louter financiële aard. Een jaarverslag is dit, gezien de definitie in artikel 2:391 BW, niet. Dat een jaarverslag zo nodig enkele financiële gegevens kan bevatten, maakt dit niet anders. Bovendien ziet de tenlastelegging op dit punt juist op de niet-financiële onderdelen van de jaarverslagen. Nu de in de tenlastelegging opgenomen onderdelen uit de jaarverslagen geen onware staat, onware balans, winst- en verliesrekening, staat van baten en lasten en toelichting op één van deze stukken zijn, kan dit onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen worden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">11.4 In het middel wordt gesteld dat het hof er ten onrechte vanuit is gegaan dat Rendo en SGI verbonden partijen waren. Volgens de steller van het middel heeft het hof een relatie gecreëerd tussen Rendo en SGI die er niet was, en was er geen sprake van een meerderheidsbelang van 60% van de directeuren van Rendo in SGI . De redenering van de steller van het middel kan als volgt worden ontleed: (i) de verdachte was zelf geen aandeelhouder in SGI . Dit was [medeverdachte 3] B.V., met als directeur [betrokkene 8] . [medeverdachte 3] B.V. had een belang van 20% in SGI . Ook [medeverdachte 4] was geen aandeelhouder in SGI . Dat was Marella B.V., met als directeur [betrokkene 9] . De zeggenschap in deze twee BV’s lag dus niet bij de verdachte en [medeverdachte 4] , maar bij de directeuren. (ii) Bovendien nam [medeverdachte 4] als directeur van Rendo Netbeheer B.V., zijnde een onafhankelijke netbeheerder, binnen het Rendo -concern een afgescheiden positie in. Deze BV was onafhankelijk van de andere Rendo -bedrijven en [medeverdachte 4] was niet ondergeschikt aan de verdachte. Hij was wel aandeelhouder van Marella B.V., die een belang van 20% had in SGI .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het belang dat [medeverdachte 3] B.V. in SGI had niet bij de belangen die de andere Rendo -directeuren (indirect) in SGI hadden (ieder 20%), kan worden opgeteld tot een meerderheidsbelang van 60%. Het gaat om afzonderlijke belangen van 20%.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.5 Ten aanzien van de onder (i) aan de orde gestelde relatie tussen de verdachte en [medeverdachte 3] B.V. en [medeverdachte 4] en Marella B.V. heeft het hof het volgende vastgesteld (met overneming van voetnoten doorgenummerd in de tekst van deze conclusie en reeds weergegeven onder 4.4): “ [verdachte] had 99,95% van de aandelen van [medeverdachte 3] in zijn bezit en daarmee de feitelijke zeggenschap over [medeverdachte 3] . Dat [betrokkene 8] per 31 augustus 2007 als directeur van [medeverdachte 3] was aangesteld, maakt dat niet anders nu [betrokkene 8] slechts 0,05% van de aandelen had en daarmee geen (bepalende) invloed kon uitoefenen. Bovendien heeft [betrokkene 8] op 6 februari 2008 [verdachte] gevolmachtigd om namens [medeverdachte 3] alle voorkomende (rechts)handelingen te verrichten. Hiervoor is geen steekhoudende verklaring gegeven door [verdachte] of [betrokkene 8] . Het hof betrekt bij de vaststelling van de feitelijke rolverdeling binnen SGI ook de aard, toon en inhoud van de e-mailcorrespondentie zoals die vanaf de oprichting van SGI is gevoerd tussen [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Met name volgt uit de e-mails die gaan over de overdracht van de aandelen van [medeverdachte 3] in SGI aan [betrokkene 2] en de latere inkoop van de aandelen van onder andere [medeverdachte 3] door SGI , dat [verdachte] als feitelijke aandeelhouder van [medeverdachte 3] optrad in SGI en daar de besluiten nam. Uit de verslagen van de AvA van SGI en SGT in de periode van 3 maart 2008 tot en met 2 december 2008 blijkt bovendien dat [betrokkene 8] nooit aanwezig was bij deze vergaderingen. Het hof concludeert uit het voorgaande dat [betrokkene 8] binnen [medeverdachte 3] als stroman heeft gefungeerd voor [verdachte] . […] Op 26 maart 2009 wordt Marella opgericht. [medeverdachte 4] bezat 99% van de aandelen en had daarmee de feitelijke zeggenschap over Marella . Dat [betrokkene 9] als directeur van Marella was aangesteld, maakt dat niet anders nu [betrokkene 9] slechts 1% van de aandelen had en daarmee geen bepalende invloed kon uitoefenen. Het hof betrekt bij de vaststelling van de feitelijke rolverdeling binnen SGI ook de aard, toon en inhoud van de e-mailcorrespondentie zoals die vanaf de oprichting van SGI is gevoerd tussen [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Daarnaast volgt uit de verslagen van de AvA van SGI en SGT in de periode van 3 maart 2008 tot en met 2 december 2008 dat [betrokkene 9] nooit aanwezig was bij deze vergaderingen. Niet alleen [betrokkene 8] en [betrokkene 1] fungeren als katvanger, hetzelfde geldt voor [betrokkene 9] ten opzichte van zijn broer [medeverdachte 4]</p>\n<p class=\"lf-p\">11.6 Gelet op de hiervoor weergegeven vaststellingen van het hof is het oordeel van het hof dat in de praktijk niet [medeverdachte 3] B.V. en Marella B.V. een belang hadden in SGI , maar de verdachte en [medeverdachte 4] , niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.7 De in 11.4 onder (ii) weergegeven klacht richt zich tegen de overweging van het hof dat: “op grond van de stukken [kan] worden vastgesteld dat de drie Rendo -directeuren die bij SGI betrokken waren ( [verdachte] , [medeverdachte 4] en [betrokkene 3] ) in wisselende samenstelling vanaf het begin een meerderheidsbelang van 60% in deze onderneming hebben gehad, waarmee vaststaat dat de Rendo -directie doorlopend beleidsbepalende invloed had in SGI en die invloed kon uitoefenen op haar financiële en zakelijke beleid.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft daarbij overwogen dat voor de beoordeling of sprake is van verbonden partijen de feitelijke situatie doorslaggevend is, en niet de formeel-juridische werkelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8 Voor de beantwoording van de vraag of de belangen van de verdachte en [medeverdachte 4] (en in de beginperiode van SGI : [betrokkene 3] ) in SGI bij elkaar kunnen worden opgeteld, is doorslaggevend hoe zij zich tot elkaar hebben verhouden als aandeelhouders in SGI . Het hof heeft daarover vastgesteld dat de verdachte en [medeverdachte 4] als aandeelhouders nauw hebben samengewerkt, maar dat het belang van de directeuren feitelijk werd bestierd door de verdachte, vanwege de aan de verdachte ondergeschikte positie van [medeverdachte 4] bij Rendo . De samenwerking is – zo leid ik uit het arrest af – onder meer gelegen in de wijze waarop de verdachte en [medeverdachte 4] gezamenlijk zijn opgetrokken in de verkoop van hun aandelen aan SGI . In het kader van die aandelenverkoop overweegt het hof bijvoorbeeld (zonder overneming van voetnoten): “Op 3 juni 2010 stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 2] per e-mail blijkens het onderwerp een aangepast “spoorboekje”, dat resulteert in een nadere afspraak, waarbij een extra lening wordt verstrekt ad 4,5 miljoen euro, waarvan 1,5 miljoen euro is bedoeld voor aflossing van leningsverplichtingen per 1 juli 2010. Hoewel [verdachte] de afzender is van de e-mail aan [medeverdachte 2] , kan uit de inhoud worden afgeleid dat hij deze e-mail mede uit naam van [medeverdachte 4] schrijft. Er wordt immers meerdere keren over “we” en “wij” gesproken in de context van de uitbetalingen aan [medeverdachte 3] en Marella .”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het aandeelhouderschap van de verdachte en [medeverdachte 4] feitelijk werd bestierd door de verdachte, vanwege de aan de verdachte ondergeschikte positie van [medeverdachte 4] binnen Rendo , betreft een vaststelling van feitelijke aard. Deze vaststelling vind ik niet onbegrijpelijk, gelet op de constatering van het hof dat de N.V. Rendo Holding (waarvan de verdachte bestuurder is) optreedt als moedermaatschappij ten aanzien van de dochtermaatschappijen waarbinnen [medeverdachte 4] werkzaam was. Dat de verdachte in het aandeelhouderschap van de directeuren in SGI de feitelijke leiding had, blijkt ook uit diverse e-mails die het hof als bewijs heeft gebezigd, en waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte bij het gezamenlijk onderbrengen van de aandelen van de directeuren bij [betrokkene 2] en bij de onderhandelingen over de verkoop van de aandelen aan SGI het voortouw nam.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.9 Het oordeel van het hof dat op grond van de stukken kan worden vastgesteld dat de drie Rendo -directeuren die bij SGI betrokken waren (de verdachte, [medeverdachte 4] en [betrokkene 3] ) in wisselende samenstelling vanaf het begin een meerderheidsbelang van 60% in SGI hebben gehad, en dat de Rendo -directie zodoende beleidsbepalende invloed had in SGI , is niet onbegrijpelijk. Het oordeel dat Rendo een verbonden partij was met SGI , is daarmee evenmin onbegrijpelijk en getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.10 Het zevende middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">12Het achtste middel 12.1 Het achtste middel richt zich tegen het (in het kader van de bewezenverklaring van feit 5 gegeven) oordeel van het hof dat de verdachte in de Letters of Representation ten onrechte niet heeft vermeld dat SGI en Rendo verbonden ondernemingen waren. De steller van het middel voert primair aan dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip ‘verbonden onderneming’, althans dat de verbondenheid van partijen niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Subsidiair wordt aangevoerd dat het hof een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudende dat de verdachte omtrent de vraag of sprake was van verbonden partijen is afgegaan en ook mocht afgaan op de adviezen die hij kreeg van zijn juridisch adviseur van TRIP Advocaten Notarissen , heeft genegeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.2 Ten laste van de verdachte is onder feit 5 bewezenverklaard dat: “hij, op 28 mei 2008 en 25 mei 2009 en 9 april 2010, in Nederland, Letters of Representation, elk zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, de valsheid hieruit bestaande dat verdachte valselijk en/of in strijd met de waarheid de Letter of Representation van 2007 en 2008 en 2009 en 2010 heeft ondertekend en daarin heeft opgenomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">2007, 2008, 2009: “Wij bevestigen de volledigheid van de verstrekte informatie met betrekking tot de identificatie van verbonden partijen en aangaande transacties met deze partijen die materieel zijn voor de jaarrekening. De identiteit van, en de balansposten en transacties met, verbonden partijen zijn juist opgenomen, en indien van toepassing adequaat toegelicht in de jaarrekening.” en 2010: “14. Wij hebben de bij ons bekende informatie met betrekking tot de identificatie van verbonden partijen en aangaande transacties met deze partijen volledig aan u verstrekt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">15.</span>De relaties en transacties met verbonden partijen zijn op passende wijze in de jaarrekening verwerkt en toegelicht in overeenstemming met Titel 9 Boek 2 BW.” met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;”</div>\n<p class=\"lf-p\">12.3 Het hof heeft de bewezenverklaring van feit 5 als volgt gemotiveerd: “Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 5 (valsheid in geschrift Letters of Representation) Uit de overwegingen van het hof bij feit 2 over de jaarrekening en de opzettelijk niet nagekomen verplichting om daarin te vermelden dat SGI een met Rendo verbonden partij was, vloeit logischerwijs voort dat de in dat verband al aangehaalde door [verdachte] getekende bevestigingsbrieven bewust niet naar waarheid zijn opgemaakt, door daarin te vermelden dat van een dergelijke verbondenheid nou juist geen sprake was, met als kennelijke doel om ook hier tegenover de buitenwereld te verhullen dat [verdachte] en [medeverdachte 4] een belang in SGI hadden. Het verweer van de verdediging ten aanzien van feit 5 wordt door het hof op dezelfde manier verworpen als het verweer van de verdediging ten aanzien van feit 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit onderdeel van de tenlastelegging kan derhalve wettig en overtuigend bewezen worden, zij het bij zowel [verdachte] als [medeverdachte 4] alleen als plegers ten aanzien van de brieven waarvoor zij verantwoordelijk waren en niet als medeplegers van alle brieven.”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.4 In de toelichting op het middel wordt evenals in middel 7 geklaagd over het oordeel van het hof dat de indirect gehouden aandelen van de verdachte en [medeverdachte 4] in respectievelijk [medeverdachte 3] B.V. en Marella B.V. (vermeerderd met de aandelen van [betrokkene 3] ) leidden tot een meerderheidsbelang van 60% in SGI . Voor zover het middel hierover klaagt, faalt het op grond van de redenen zoals weergegeven bij de bespreking van het zevende middel onder 11.8-11.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.5 In het middel wordt daarnaast aangevoerd dat de verdediging herhaaldelijk heeft onderbouwd dat de verdachte zich over de verbondenheid van partijen heeft laten voorlichten door onder meer TRIP Advocaten en Notarissen en dat hij op deze adviezen mocht vertrouwen. Volgens de steller van het middel heeft het hof dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging genegeerd en zodoende het in art. 359 lid 2, tweede zin, Sv vervatte motiveringsvoorschrift geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.6 Het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt zou volgens de steller van het middel onder meer zijn ingenomen in een door de verdachte opgesteld en aan het hof overgelegd memo, dat – zo is te lezen in de toelichting – geacht wordt deel uit te maken van het pleidooi van de raadsman van de verdachte (bijlage 5) en het laatste woord van de verdachte (bijlage 10). Hoewel in bijlage 10 op sommige plaatsen wordt verwezen naar het memo, lees ik noch in de bijlagen 5 en 10, noch in het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 september 2022, dat het memo moet worden beschouwd als onderdeel van het door de verdediging ter terechtzitting gevoerde verweer. Het bij het hof ingebrachte memo, dat ruim 150 pagina’s beslaat, kan niet zelfstandig dienen als verweer waarin uitdrukkelijk onderbouwde standpunten besloten liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lijkt mij dat een responsieplicht in de zin van art. 359 lid 2, tweede zin, Sv voor het hof alleen bestaat wanneer de verdediging expliciet de aandacht vestigt op bepaalde delen van dit memo en er daarbij – vanzelfsprekend – wordt voldaan aan de eisen die worden gesteld aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Ik beperk mij in het navolgende daarom tot de beoordeling van het standpunt van de verdediging over het advies van TRIP , voor zover dat is opgenomen in het pleidooi van de raadsman van de verdachte: naast het memo is het pleidooi de enige plaats waarnaar de steller van het middel als bron van het ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt (in voetnoten) verwijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.7 De raadsman van de verdachte heeft blijkens zijn pleitnotitie, die als bijlage bij het proces-verbaal van 30 september 2022 is gevoegd, over het advies van TRIP met betrekking tot de verbondenheid van partijen het volgende naar voren gebracht: “Heeft [verdachte] informatie achtergehouden voor de accountant?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.35 [verdachte] is directeur van Rendo Holding N.V. (uitgezonderd Netbeheer) en heeft nooit de juridische en boekhoudkundige kwaliteiten gehad om op een adequate wijze te kunnen beoordelen of er sprake was van een verbonden onderneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.36 Dat de criteria en de toepassing daarvan zeer complex zijn, blijkt wel uit het feit dat de door de rechtbank geraadpleegde deskundigen er heel veel tekst voor nodig hebben om het probleem uit te leggen aan de rechtbank. Sowieso is de vraag aan de orde als het gaat om mogelijke verbondenheid, welke bestuurder van een onderneming/directeur alle criteria kent die Langedijk en Brouwer hanteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.37 Vanwege het feit dat [verdachte] de juridische kwaliteiten mist, heeft [verdachte] zich vanaf het allereerste begin, dus al voordat SGI werd opgericht, laten adviseren door vele adviseurs, waaronder Trip advocaten en notarissen , die van ‘de hoed en de rand’ wisten. Daarmee bedoelt [verdachte] , dat Trip als huisadvocaat en -notaris van Rendo de totale ‘constructie’ kende.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.38 Trip kende - de statuten van Rendo - non concurrentie; beding - de WON;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het getrapte aandeelhouderschap van de Rendo directie in SGI</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>had een volmacht om de RVC te vertegenwoordigen in de AVA en deed dat ook regelmatig 6.39 Het zijn nu juist deze uitgangspunten, op basis waarvan Trip is verzocht om de oprichting van SGI te begeleiden. Dus met als uitgangspunt de WON, het begrip verbonden onderneming en de getrapte aandelen positie via [medeverdachte 3] en Marella en de bekendheid met Rendo . Voorafgaand aan de oprichting is veelvuldig ‘overleg’ geweest in de vorm van e-mailverkeer tussen [verdachte] en [betrokkene 19] van Trip die ook collega's uit de advocatentak van Trip inschakelde voor (intern) advies. 6.40 Hieruit mag men concluderen dat meerdere personen binnen Trip op de hoogte waren van de constructie. De e-mails met de vele vragen/opmerkingen van [betrokkene 19] zijn niet teruggevonden tijdens de zoektocht door de verdediging in de bestanden van de FIOD. Het zou kunnen dat de FIOD die e-mails als ‘geheimhouders e-mails heeft afgezonderd. Voor [verdachte] is de beschikking hierover wel van belang voor zijn verdediging.</div>\n<p class=\"lf-p\">6.41 Op enig moment is er overigens aangifte gedaan tegen Trip . Immers het niet melden van onder meer ongebruikelijke transacties is strafbaar voor advocaten/notarissen. De laatste stand van zaken hierover is vernomen via de AG. De AG heeft in haar PV vermeld, dat door de Deken van Advocaten is onderzocht of er sprake zou zijn van strafbare gedragingen van de advocaten/notarissen van Trip . Dit kon niet door de Deken worden geconstateerd, zodat alleen maar kan worden geconcludeerd, dat de adviezen van Trip aan Rendo / [verdachte] met als uitgangspunten hetgeen hierboven is vermeld en waarop de zogenaamde ‘constructie’ is gebaseerd, alleen maar kunnen leiden tot de conclusie dat de adviseurs van [verdachte] achter de door henzelf geadviseerde ‘constructie’ staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.42 Daar komt bij dat [betrokkene 19] van Trip als 'huisnotaris' van Rendo , de oprichtingsakte van SGI , gelet op de informatie die hij had met name over het doel van de onderneming, alleen zou mogen passeren als hij voldoende zekerheid had over de toestemming vanuit Rendo (zo stond het ook in de LOI). Normaliter gebeurt dit door een besluit van de AvA. Kennelijk had [betrokkene 19] die toestemming, waaruit kan worden geconcludeerd dat door [betrokkene 19] deze ‘constructie’ is afgestemd met Rendo . 6.43 Ook heeft [verdachte] ter zitting verklaard, dat de NMA als toezichthouder van de WON deze constructie ook ‘WON proof’ vond. Dat kan gezien de geëiste scheiding van taken alleen als er geen sprake is van een verbonden onderneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.44 De conclusie van [verdachte] was op basis van alle adviezen en overleggen met de toezichthouder dat er geen sprake was van een verbonden onderneming. Hij hoefde dus geen informatie te overleggen over de indirecte aandeelhouderschappen van hemzelf en [medeverdachte 4] . […] 8Valsheid in geschrifte ten aanzien van de Letters of Representation.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1 Hetgeen [verdachte] heeft gezegd over de opname van SGI als verbonden onderneming is de jaarrekening geldt ook voor de Letters of representation. Er is geen sprake van een verbonden onderneming en als dit wel het geval is; dan is er sprake van verschoonbare dwaling.”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.8 Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat het door de verdediging gevoerde verweer niet in het kader van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan het hof is gepresenteerd en in mijn optiek ook niet als zodanig kan worden aangemerkt. Voor zover in het middel wordt betoogd dat het hof het gevoerde verweer gemotiveerd had moeten verwerpen, gaat het dan ook uit van een onjuiste rechtsopvatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.9 Daarbij merk ik op dat het onder 12.7 weergegeven verweer naar voren is gebracht onder het kopje “Heeft [verdachte] informatie achtergehouden voor de accountant?”. In het kader van de beantwoording van deze vraag heeft de verdediging – aan de hand van de rol van TRIP en diverse andere adviseurs – aangevoerd dat de verdachte heeft gedwaald omtrent de verbondenheid van Rendo en SGI , en zich op het standpunt gesteld dat de verdachte de accountant niet opzettelijk onjuist heeft voorgelicht. Dit bredere verweer heeft het hof bij de bespreking van feit 2 als volgt verworpen (zonder overneming van voetnoten): “Het hof volgt [verdachte] niet in zijn verklaring dat hij niet van deze verplichting in de jaarrekening te vermelden dat Rendo en SGI als verbonden partijen moesten worden beschouwd, op de hoogte was en/of op dit punt heeft gedwaald. In de bevestigingsbrieven die aan de verschillende accountants zijn toegezonden (de Letters of Representation) staat vermeld dat alle relevante informatie, waaronder die over het eventueel bestaan van met Rendo verbonden partijen, naar waarheid is verstrekt. Deze bevestigingsbrieven zijn over de jaren 2007 tot en met 2010 getekend door [verdachte] en wat 2011 betreft door [medeverdachte 4] . Nu [verdachte] wist dat hij al die jaren (over 2011 in ieder geval tot de uiteindelijke overname door Horizon ) samen met de andere Rendo -directeur(en) een bepalende invloed uitoefende in SGI , kan niet worden volgehouden dat hij verontschuldigbaar vergeten zou zijn om de accountant daarvan op de hoogte te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is gesteld noch gebleken dat [verdachte] volledige openheid van zaken heeft gegeven tegen de accountant over de constructie met SGI , zodat niet vastgesteld kan worden dat de accountant op basis van alle relevante aangeleverde informatie gedegen onderzoek heeft kunnen doen en een gedegen oordeel heeft kunnen vellen waarop [verdachte] zich volledig kon verlaten. Veeleer moet worden aangenomen dat [verdachte] juist bewust deze informatie heeft verzwegen om het feitelijke belang van de Rendodirecteuren in SGI te (blijven) verhullen. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.10 Het achtste middel faalt, omdat voor het hof geen plicht bestond te responderen op het onder 12.7 geciteerde verweer, en het hof bovendien het bredere verweer waarvan het onderdeel uitmaakte gemotiveerd heeft verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.11 Het achtste middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">13Het negende middel 13.1 Het negende middel houdt in dat het oordeel van het hof dat de leningsofferte valselijk is opgemaakt getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd, omdat niet blijkt dat in de brief een onjuiste voorstelling van zaken wordt gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.2 Ten laste van de verdachte is onder feit 6 bewezenverklaard dat: “hij, op 18 juni 2010, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een brief afkomstig van N.V. Rendo Holding gericht aan Stramproy Green Coal B.V. en Stramproy Green Electricity B.V., zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, de valsheid hieruit bestaande dat verdachte en zijn mededader valselijk en/of in strijd met de waarheid in deze brief heeft opgenomen / doen opnemen dat: “U gaf aan dat u graag een aanbieding zou willen hebben voor een extra lening van 4,5 miljoen euro bij N.V. RENDO Holding ten behoeve van de financiering van de volgende onroerende en roerende zaken: o Torrefactie machine nummer 1 (zie bijlage 1 voor de facturen); o Biomassa aanvoerinstallatie (zie bijlage 1 voor de facturen); o Silo's (zie bijlage 1 voor de facturen); o Diverse andere onroerende zaken (zie bijlage 1 voor de facturen); o Diverse roerende zaken (zie bijlage 1 voor de facturen).” wetende dat een substantieel deel van de gevraagde financiering bestemd was voor de financiering van de inkoop van eigen aandelen door SGI , met het oogmerk om deze brief als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3 Het hof heeft de bewezenverklaring van feit 6 als volgt gemotiveerd (zonder overneming van voetnoten): “Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 6 (valsheid in geschrift offerte) Uit de overwegingen van het hof bij feit 1 over de oplichting van Rendo volgt reeds dat de offerte van 18 juni 2010 van [verdachte] valselijk is opgemaakt en dat dit is gebeurd om te verhullen dat een deel van deze lening in werkelijkheid gebruikt zou worden voor de uitbetaling van [medeverdachte 3] en Marella .</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze offerte is door [medeverdachte 1] namens SGC en SGE ondertekend in de wetenschap, zoals het hof hierboven heeft aangegeven, dat de inhoud daarvan niet met de werkelijkheid overeenstemt. In zoverre kan dit feit ten aanzien van zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] wettig en overtuigend bewezen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de rechtbank spreekt het hof partieel vrij van het volgende onderdeel van de brief: “Onderstaand komen wij terug op het recentelijk met u gevoerd gesprek over uw bedrijven zijnde: Stramproy Green Coal B.V. (verder te noemen SGC ); Stramproy Green Electricity B.V. (verder te noemen SGE ).”. Het hof stelt vast dat niet te duiden is wie “uw bedrijven” zijn, nu op het moment van opmaken van de brief onduidelijk was wie SGC en SGE bezat. SGC en SGE bevonden zich immers op dat moment in een proces van overdracht en het hof stelt vast dat de juridische en economische eigendomspositie uiteenliepen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4 In het kader van de bewezenverklaring van feit 1 overweegt het hof over het geschrift (zonder overneming van voetnoten en reeds weergegeven onder 4.4):</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 3 juni 2010 stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 2] per e-mail blijkens het onderwerp een aangepast “spoorboekje”, dat resulteert in een nadere afspraak, waarbij een extra lening wordt verstrekt ad 4,5 miljoen euro, waarvan 1,5 miljoen euro is bedoeld voor aflossing van leningsverplichtingen per 1 juli 2010. Hoewel [verdachte] de afzender is van de e-mail aan [medeverdachte 2] , kan uit de inhoud worden afgeleid dat hij deze e-mail mede uit naam van [medeverdachte 4] schrijft. Er wordt immers meerdere keren over “we” en “wij” gesproken in de context van de uitbetalingen, aan [medeverdachte 3] en Marella . Het bijgevoegde document getiteld “Contouren aangaande vereisten voor verdere leningverstrekking aan SGC ” (kennelijk het spoorboekje in kwestie) houdt onder meer de volgende passage in: “ RENDO geeft een extra lening van 4,5 miIjoen; deze wordt gebruikt voor: (...) b. 1,5 miljoen tbv aflossen leningsverplichtingen per 1/7”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lening van Rendo aan SGC van 4,5 miljoen euro is in ieder geval voor dit deel aangegaan met het doel om de uitbetaling van [medeverdachte 3] en Marella mogelijk te maken. Noch in de officiële offerte van [verdachte] van 18 juni 2010, noch in de (geantedateerde) onderbouwende brief van MBCF wordt daarover echter met enig woord gerept. Dit maakt dat de getekende en geaccepteerde offerte op dit punt valselijk is opgemaakt, kennelijk om Rendo omtrent de werkelijk beoogde besteding te misleiden. Het hof komt hier bij de bespreking van feit 6 nog op terug.”</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5 Het geschrift waarop dit middel betrekking heeft, is als volgt opgesteld: “Geachte [medeverdachte 1] , Onderstaand komen wij terug op het recentelijk met u gevoerd gesprek over uw bedrijven zijnde:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Stramproy Green Coal B.V. (verder te noemen SGC );</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Stramproy Green Electricity B.V. (verder te noemen SGE ). aangaande:</div>\n<p class=\"lf-p\">I - een additionele lening die uw bedrijf SGC zou willen aangaan met N.V. RENDO Holding ;II - overeen te komen wijzigingen van de voorwaarden voor alle leningen van SGC en SGE . ad. I U gaf aan dat u graag een aanbieding zou willen hebben voor een extra lening van 4,5 miljoen euro bij N.V. RENDO Holding ten behoeve van de financiering van de volgende onroerende en roerende zaken:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Torrefactie machine nummer 1 (zie bijlage 1 voor de facturen);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Biomassa aanvoerinstallatie (zie bijlage 1 voor de facturen);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Silo’s (zie bijlage 1 voor de facturen);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Diverse andere onroerende zaken (zie bijlage 1 voor de facturen);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Diverse roerende zaken (zie bijlage 1 voor de facturen).</div>\n<p class=\"lf-p\">De aanschafwaarde van deze apparaten bedraagt in totaal € 8.330.496,-. Uw accountant heeft dit inmiddels bevestigd (zie bijlage 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderstaand geven wij u aan welk aanbod N.V. RENDO Holding u graag zou willen doen. Tevens gaan wij in op de condities bij dit aanbod. De aanbieding zou op maandag 21 juni 2010 van kracht kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe aanbod voor SGC behelst de volgende zaken:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>alle voorwaarden en condities die al eerder golden voor de eerder verstrekte leningen aan SGC d.d. 21-12-2007 en SGE d.d. 21-12-2007 (zie bijlage 3) zullen ook gelden voor de nu extra te verstrekken lening, tenzij in deze brief expliciet anders wordt vermeld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>afwijkende zaken zijn:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>deze lening kent geen achterstelling t.o.v. andere schuldeisers;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>N.V. RENDO Holding verkrijgt extra zekerheden conform akte van notariskantoor “het notarieel” (zie bijlage 4) met de titel: “Hypotheek op recht van opstal torrefactie — installatie 1, die lagerung und transport von holz, 4 siloaustragschnecken”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De rentevergoeding is hoger i.v.m. het toenemende obligo;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>De looptijd van deze lening is korter en loopt tot uiterlijk 15-12-2011.</div>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe lening aan SGC :</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdsom: € 4.500.000,- Rente: - 9 % op jaarbasis tot 1-1-2011 en 11 % op jaarbasis van 1-1-2011 tot 15-12-2011;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>berekening: juist/360;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>betaaldata: per maand.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aflossing: aflossing van deze lening dient uiterlijk te geschieden op 15-12-2011. ad. II Overeengekomen wordt dat de wijzigingen en aanvullingen uit de erratumlijst (zie bijlage 5) van kracht worden op deze nieuwe en alle bestaande leningsovereenkomsten tussen N.V. RENDO Holding, SGC en SGE .</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht u met ons integrale aanbod akkoord gaan, dan zien wij graag z.s.m. twee getekende versies retour komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met vriendelijke groet, N.V. RENDO Holding SGE en SGC [verdachte] [medeverdachte 1] Algemeen directeur directeur Bio-Coal &amp; Waste BVBA [Handtekening [verdachte] ] [Handtekening [medeverdachte 1] ] Ondertekend voor akkoord Ondertekend voor akkoord namens N.V. RENDO Holding namens SGC en SGE ”</p>\n<p class=\"lf-p\">13.6 In de toelichting op het middel neemt de steller van het middel het standpunt in dat voor de beoordeling van de echtheid van de brief irrelevant is waaraan het geleende geldbedrag zou worden uitgegeven. De leningsovereenkomst zou alleen valselijk opgemaakt kunnen zijn als, zo begrijp ik de steller van het middel, de lening van Rendo aan SGC en SGE in werkelijkheid niet zou hebben bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.7 Deze stelling getuigt in het licht van de inhoud van de overeenkomst van een onjuiste rechtsopvatting. De overeenkomst diende in het voorliggende geval niet enkel tot het bewijs dat tussen partijen een lening wordt overeengekomen ter hoogte van 4,5 miljoen euro, maar diende ook tot vastlegging van de bestemming van het te lenen geldbedrag. Wanneer in een overeenkomst ook het doel van de lening is bepaald, kan de valsheid er eveneens in gelegen zijn dat de partijen in de overeenkomst omschrijven dat het geld bestemd is voor doel A, terwijl de partijen weten dat het geld in werkelijkheid zal worden besteed aan doel B. Uit de overwegingen van het hof onder 13.4 blijkt dat het hof de valsheid van het geschrift op de overeengekomen besteding van het geld heeft gebaseerd. Het hof overweegt: “[d]e lening van Rendo aan SGC van 4,5 miljoen euro is in ieder geval voor dit deel aangegaan met het doel om de uitbetaling van [medeverdachte 3] en Marella mogelijk te maken. Noch in de officiële offerte van [verdachte] van 18 juni 2010, noch in de (geantedateerde) onderbouwende brief van MBCF wordt daarover echter met enig woord gerept. Dit maakt dat de getekende en geaccepteerde offerte op dit punt valselijk is opgemaakt, kennelijk om Rendo omtrent de werkelijk beoogde besteding te misleiden”.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.8 Het negende middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">14Slotsom 14.1 De middelen 1 tot en met 9 falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 RO ontleende motivering.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 30 december 2022. De redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is in de cassatiefase nu reeds overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Ook Rendo -directeur [betrokkene 3] participeerde (gedurende enige tijd) als aandeelhouder in SGI . Op zijn rol in het geheel gaat het hof niet nader in, omdat hij in deze strafzaak niet als verdachte is gedagvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">AG TS: de afkorting MBCF staat voor Mazars Berenschot Corporate Finance B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleitnota 20 september 2022 p. 4, tweede tot en met vijfde alinea..</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleitnota 20 september 2022 p. 5, derde tot en met vijfde alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 5 en p.16 van de cassatieschriftuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 17 van de cassatieschriftuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 16 en p. 17 van de cassatieschriftuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat immers om een getuige ten aanzien waarvan de verdediging reeds het ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen, zie art. 418 Sr, HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m. nt. M.J. Borgers, rov. 2.8-2.9 en 2.36 e.v. en HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 m.nt. Reijntjes, rov. 2.9.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerking griffier: bij e-mailbericht van 30 september 2022 heeft het hof – ter verduidelijking – na afloop van de zitting aan mr. Van Leuveren doorgegeven, ten aanzien van welke 7 personen hij voorafgaand aan de regiezitting van december 2020 het verzoek heeft gedaan om deze als getuige te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1931, rov. 2.5.1. en 2.5.3. Zie ook HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1465, rov. 2.4.2 en 2.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, rov. 2.4 en 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.F. Keulen &amp; G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 496 en 500.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerking griffier: bij e-mailbericht van 30 september 2022 heeft het hof – ter verduidelijking – na afloop van de zitting aan mr. Van Leuveren doorgegeven, ten aanzien van welke 7 personen hij voorafgaand aan de regiezitting van december 2020 het verzoek heeft gedaan om deze als getuige te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 45-47 van het arrest van het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring van [verdachte] ter terechtzitting van de rechtbank van 27 november 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-453, pagina 5886 (2007). D-455, pagina 5933 (2008). D-457, pagina 5975 (2009). D-459, pagina 6026 (2010).</p>\n<p class=\"lf-p\">D-489, pagina 6273 (2007). D-271, pagina 4811 (2008). D-272, pagina 4814 (2009). D-273, pagina 4817 (2010). D-268, pagina 4799 (2011).</p>\n<p class=\"lf-p\">De stemverhouding bleef ook na het besluit tot inkoop van de aandelen door SGI en tot aan de overname van SGI door Horizon op 22 september 2011 ongewijzigd, zoals blijkt uit de aanvullende aandeelhoudersovereenkomst van 22 december 2009 (D-040, pagina 3408), in het bijzonder punt 2 onder h. [betrokkene 20] en in de beginperiode van SGI : [betrokkene 3] .</p>\n<p class=\"lf-p\">D-180, pagina 4298. D-181, pagina 4300. D-182, pagina 4301. D-183, pagina 4303. D-184, pagina 4307. D- 185, pagina 4309. D-186, pagina 4311. D- 186a, pagina 4313. D-187, pagina 4315.</p>\n<p class=\"lf-p\">D-180, pagina 4298. D-181, pagina 4300. D-182, pagina 4301. D-183, pagina 4303. D-184, pagina 4307. D-185, pagina 4309. D-186, pagina 4311. D-186a, pagina 4313. D-187, pagina 4315.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie pagina 41 van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Invoeging AG TS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Invoeging AG TS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cursiveringen AG TS.</p></div>", "next": 0}