{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">“28 (…) Evenwel wordt door de inaanmerkingneming van andere waardeverminderingsfac(t)oren, zoals merk, model, kilometerstand, type aandrijving, technische staat of staat van onderhoud van het voertuig, gewaarborgd dat de forfaitaire tabel de waardevermindering van voertuigen veel nauwkeuriger weergeeft, waardoor veel gemakkelijker het doel kan worden bereikt van een belasting op ingevoerde gebruikte voertuigen die in geen geval hoger is dan de belasting die nog rust op de waarde van vergelijkbare gebruikte voertuigen die reeds op het nationale grondgebied zijn geregistreerd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.6 Het is juist dat het Hof van Justitie in zijn overwegingen soms schrijft over voertuigen die op het nationale grondgebied zijn geregistreerd. Dat wil echter niet zeggen dat het Hof van Justitie het voor het beoordelen van de door art. 110 VWEU vereiste neutraliteit nodig acht dat een vergelijking wordt gemaakt met voertuigen die zijn geregistreerd. In dat verband dient mijns inziens wel degelijk een vergelijking te worden gemaakt met voertuigen die te koop worden aangeboden op de binnenlandse markt. Ik wijs in dit verband op het arrest Tatu, waarin het Hof van Justitie eerst ook een overweging wijdt aan een voertuig dat reeds in de betrokken lidstaat is geregistreerd, maar vervolgens bij de concrete beoordeling van de neutraliteit aansluit bij voertuigen die te koop worden aangeboden op de binnenlandse markt (cursivering CE): “40 (…) Ter waarborging van de neutraliteit van de heffing moet de als belastbare grondslag gehanteerde waarde van het ingevoerde tweedehands voertuig bijgevolg een weergave zijn van de waarde van een vergelijkbaar voertuig dat reeds op het nationale grondgebied is geregistreerd (arrest Weigel, reeds aangehaald, punt 71, en arrest van 20 september 2007, Commissie/Griekenland, C‑74/06, Jurispr. blz. I‑7585, punt 28). (…) 58 Uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt echter ondubbelzinnig dat door deze regeling, ondanks een aanzienlijke verlaging van het heffingsbedrag om rekening te houden met hun waardevermindering, op bijzonder oude en versleten ingevoerde tweedehands voertuigen een heffing wordt geheven die tot 30 % van hun marktwaarde kan bedragen, terwijl op gelijksoortige voertuigen die te koop worden aangeboden op de binnenlandse markt voor tweedehands voertuigen helemaal geen dergelijke belastingdruk rust. (…) 61 Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 110 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een lidstaat een milieuheffing op de eerste registratie van motorvoertuigen in deze lidstaat invoert, indien deze belastingmaatregel zo is vastgesteld dat hierdoor het in het verkeer brengen in die lidstaat van in andere lidstaten gekochte tweedehands voertuigen wordt ontmoedigd, zonder echter de aankoop op de binnenlandse markt van even oude tweedehands voertuigen met dezelfde slijtage te ontmoedigen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.7 Gezien het voorgaande geef ik de Hoge Raad in overweging de vierde prejudiciële vraag bevestigend te beantwoorden: om tot een schending van art. 110 VWEU te kunnen concluderen, dient de belastingplichtige te bewijzen dat ten minste één van de gelijksoortige auto’s niet enkel geregistreerd staat in het kentekenregister, maar ook op de binnenlandse markt voor gebruikte auto’s te koop is aangeboden ten tijde van de registratie van de gebruikte personenauto uit een andere lidstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">10De vijfde prejudiciële vraag 10.1 De vijfde prejudiciële vraag van het Hof luidt, niet zo heel kort maar wel krachtig: “Mag een tot een lagere kostenvergoeding aanleiding gevende bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden aangenomen enkel op de grond dat rechtsbijstand is verleend tegen een vergoeding die uitsluitend, of althans in hoofdzaak, bestaat uit te vergoeden proceskosten (en eventueel dwangsommen en vergoedingen van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn), een en ander beoordeeld naar het tijdstip van het instellen van het rechtsmiddel, ingeval het desbetreffende geval niet binnen de reikwijdte van de in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM voorziene matiging van het forfait uit het genoemde besluit valt, al dan niet omdat bij een dergelijke beloningsafspraak het vermoeden is gerechtvaardigd dat een forfaitaire kostenvergoeding de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft?”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2 Aan deze vraag heeft het Hof de volgende overwegingen ten grondslag gelegd: “- Vooraf 4.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">De laatste prejudiciële vraag gaat over de proceskosten. Ongeacht het antwoord op de eerste vier vragen, is een kostenveroordeling aan de orde in deze zaak. Het hoger beroep is namelijk al gegrond door het ontbreken van een opdracht aan de inspecteur en de Staat tot het vergoeden van het betaalde griffierecht in de bestreden uitspraak. De vraag rijst daarom welk bedrag aan kosten moet worden vergoed. Opmerking verdient dat dit geval niet valt binnen de reikwijdte van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM, nu de bestreden uitspraak voor 1 januari 2024 is bekendgemaakt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vijfde vraag 4.18.</div>\n<p class=\"lf-p\">Tegen die achtergrond is de vijfde vraag of een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan worden aangenomen op de grond dat rechtsbijstand wordt verleend tegen een vergoeding die uitsluitend, of althans in hoofdzaak, bestaat uit te vergoeden proceskosten (en eventueel dwangsommen en vergoedingen van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn), een en ander beoordeeld naar het tijdstip van het instellen van het rechtsmiddel, wanneer het desbetreffende geval niet binnen de reikwijdte van de in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM voorziene matiging van het forfait uit het Besluit valt. De bijzondere omstandigheid zou - vanzelfsprekend - reden zijn om neerwaarts van het forfait in het Besluit af te wijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inherent aan een verdienmodel in het kader waarvan op basis van een beloningsafspraak als bedoeld in 4.18 rechtsbijstand wordt verleend, is dat de klant niets, of nauwelijks iets, hoeft te betalen voor de rechtsbijstand zolang geen proceskostenvergoeding (of dwangsom of vergoeding van immateriële schade) wordt uitgekeerd. Daarnaast betaalt de klant in beginsel niet meer dan het bedrag dat van het bestuursorgaan of de Staat als kostenvergoeding wordt ontvangen. Op het laatste punt onderscheidt de beloningsafspraak zich ook van klassieke(re) ‘no cure, no pay’-afspraken, waarbij bij winst een hoger uurtarief, een (additioneel) vast bedrag en/of een deel van het belastingvoordeel als vergoeding verschuldigd is. Voor de klant is daardoor sprake van een loterij zonder nieten, terwijl de rechtsbijstandverlener desondanks kennelijk in staat is om uit de toegekende kostenvergoedingen in ‘gewonnen’ zaken (zaken waarin het om welke reden ook tot een kostenveroordeling komt) mede de kosten van andere (echt verloren) zaken te dekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een bevestigend antwoord op de in 4.18 geformuleerde vraag pleit dat aan het forfait van het Besluit het doel ten grondslag ligt om niet méér dan een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten toe te kennen (Kamerstukken II 1992/93, 22 164, nr. 13, blz. 13). Hoewel aan het forfaitair bepalen van de kosten enige grofmazigheid inherent is, zouden verdienmodellen die in de kern berusten op overeenkomstig het forfait van het Besluit toegekende kostenvergoedingen bezien vanuit dat doel niet levensvatbaar moeten kunnen zijn. In die gevallen verwordt het forfait immers tot een integrale kostenvergoeding. Aldus beschouwd zijn de gevallen waarin toch rechtsbijstand wordt verleend op basis van een in 4.18 bedoelde beloningsafspraak bijzondere gevallen. Bovendien kan worden gemeend dat de toegekende kostenvergoedingen in ‘gewonnen’ zaken de in redelijkheid in die zaken gemaakte kosten (verre) moeten overtreffen. Immers, daaruit moeten tevens de kosten van andere, niet-gewonnen, zaken worden gefinancierd, terwijl er ook nog winst moet overblijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een bevestigend antwoord pleit voorts de ongelijkheid die anders blijft bestaan tussen diverse belanghebbenden die met rechtsbijstand procederen bij de belastingrechter. Rechtsbijstand op basis van een in 4.18 bedoelde beloningsafspraak is in de fiscale procespraktijk thans (nagenoeg) uitsluitend beschikbaar voor auto-importeurs (ten aanzien van de bpm), huizenbezitters (ten aanzien van de WOZ-beschikking) en parkeerders (ten aanzien van naheffingsaanslagen parkeerbelasting). Voorzienbaar is dat rechtsbijstand met een dergelijk beloningsmodel tevens beschikbaar komt voor kwijtscheldingsbesluiten van de ontvanger, zodra daarover beroep bij de belastingrechter mogelijk wordt. Verder is denkbaar dat andere typen besluiten zullen worden gevonden waarover grootschalig en in hoge mate gestandaardiseerd kan worden geprocedeerd, of waarbij vergaande automatisering mogelijk is met kunstmatige intelligentie. In de resterende fiscale zaken, waarin meer maatwerk en tijdsbesteding nodig is, zijn kosten daarentegen wél een reële overweging bij het inschakelen van rechtsbijstand en zijn overeenkomstig het forfait toegekende kostenvergoedingen over het algemeen daadwerkelijk slechts een beperkte of zelfs zeer beperkte tegemoetkoming. Zie in dezelfde zin onderdeel 9.13 van de conclusie van de procureur-generaal voor het arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van meer praktische aard is daarnaast dat het forfait tot perverse prikkels leidt wanneer het de kern kan vormen van een verdienmodel. Zo valt het in zaken over bpm op dat zelden gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om te reageren op een voornemen tot naheffing. Dat betekent dat geen poging wordt gedaan (de kosten van) een procedure af te wenden, terwijl in het recht over het algemeen een plicht tot beperking van schade geldt (vgl. artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek). In de bezwaarfase blijven de inspanningen om gelijk te krijgen veelal ook nog behoorlijk beperkt, ofschoon veelal wel alle mogelijkheden tot het verrichten van handelingen waarvoor in het Besluit een punt staat, worden benut (zij het dat veelvuldig een wens tot telefonische hoorzittingen wordt gezien).</p>\n<p class=\"lf-p\">Of dergelijk handelen daadwerkelijk wordt ingegeven door het verdienmodel, zal in individuele gevallen zelden tot nooit zijn vast te stellen, maar daar gaat het op deze plaats niet om. Het punt is dat van het verdienmodel een perverse prikkel uitgaat in de zin dat (pas) ‘winnen’ in beroep of hoger beroep lucratiever is dan succes in de bezwaarschriftprocedure. Ook kan het indienen van zoveel mogelijk bezwaarschriften interessant zijn, zelfs in kansloze zaken. Immers, gemeend kan worden dat termijnoverschrijdingen en (procedurele) fouten door het creëren van massa waarschijnlijker worden, terwijl die termijnoverschrijdingen en fouten later in beroep en hoger beroep als zodanig weer reden kunnen zijn voor een kostenvergoeding, al dan niet enkel in verband met een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een ontkennend antwoord op de in 4.18 geformuleerde vraag pleit daarentegen, onder meer, dat de bedoelde gevallen in de fiscale procespraktijk niet bijzonder (meer) zijn. Zij betreffen het overgrote merendeel van het totale aantal zaken en de vaststelling van de te vergoeden kosten komt open te liggen als een bijzondere omstandigheid wordt aangenomen. Tenminste, voor zover de matiging van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM niet geldt. Dat doet afbreuk aan de doelstelling van eenvoud van het forfait. Daarnaast kunnen kostenvergoedingen in vergelijkbare zaken uiteen gaan lopen. Daarbij past wel de kanttekening dat risico’s op het ontstaan van willekeur zouden kunnen worden ondervangen met een aansporing van feitenrechters om in onderling overleg nadere normen of richtsnoeren vast te stellen, zoals in het verleden is gebeurd voor kosten van taxaties.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Opmerkingen van partijen naar aanleiding van het voornemen tot stellen van vragen 4.24.</div>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende acht het stellen van de vijfde vraag niet nodig. Hij heeft erop gewezen dat in de prejudiciële vraag ligt besloten dat zodra een rechtsbijstandverlener werkt op basis van no cure, no pay, per definitie een lagere proceskostenvergoeding in aanmerking moet worden genomen. Dat acht hij in strijd met de jurisprudentie van de Hoge Raad, waaruit volgt dat de rechter op basis van een eigen waarneming een beslissing moet maken over de hoogte van de proceskosten. Bovendien valt volgens hem niet in te zien waarom een rechtsbijstandverlener die werkt op basis van no cure, no pay per definitie een mindere prestatie zou leveren dan een rechtsbijstandverlener die op uurbasis werkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inspecteur is in zijn reactie op het voornemen tot het stellen van prejudiciële vragen niet op de vijfde vraag ingegaan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Door het Hof voorgestane antwoord en reden prejudiciële vraag 4.26.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft in de opmerkingen van belanghebbende geen reden gezien het stellen van de vijfde prejudiciële vraag achterwege te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof acht daarbij een bevestigend antwoord op de vijfde vraag aangewezen. De argumenten voor een bevestigend antwoord, waaronder die welke zijn genoemd in 4.19 tot en met 4.22, wegen wat het Hof betreft zwaarder dan de argumenten voor een ontkennend antwoord. Een alternatieve benadering met min of meer dezelfde uitkomst is dat een in 4.18 bedoelde beloningsafspraak het vermoeden rechtvaardigt dat een forfaitaire kostenvergoeding de in redelijkheid gemaakte kosten ver zal overtreffen en dat daarin de bijzondere omstandigheid is gelegen. Die alternatieve benadering laat ruimte voor ontzenuwing van het vermoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.28.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reden om de vijfde vraag, in het kielzog van de eerste vier vragen, te stellen, is dat het uitstralingseffect van het door het Hof voorgestane antwoord in potentie groot is. De inwerkingtreding van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM doet daaraan niet zonder meer af, nu die wet niet geldt voor oude gevallen en verder alleen geldt in zaken over WOZ en bpm en bijvoorbeeld niet in zaken over parkeerbelasting. Mede tegen die achtergrond is bovendien een voordeel van de prejudiciële procedure dat ook anderen dan belanghebbende en zijn gemachtigde schriftelijke opmerkingen kunnen indienen bij de Hoge Raad.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3 Volgens art. 8:75(1) Awb is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter redelijkerwijs heeft moeten maken. Bij algemene maatregel van bestuur (AmvB) worden volgens de laatste volzin van art. 8:75(1) Awb nadere regels gesteld over de kosten waarop de veroordeling betrekking kan hebben en de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Art. 8:75 Awb is van overeenkomstige toepassing in hoger beroep en in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4 De in art. 8:75(1) Awb bedoelde AmvB is het Bpb. Daarin staat dat een veroordeling in de kosten onder meer betrekking kan hebben op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (art. 1(1) Bpb) en dat het bedrag van die kosten wordt vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Bpb opgenomen tarief (art. 2(1)(a) Bpb), met dien verstande dat in bijzondere omstandigheden daarvan kan worden afgeweken (art. 2(3) Bpb).</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5 In de nota van toelichting bij het oorspronkelijke Bpb is over deze kostenveroordeling onder meer opgemerkt: “De kostenveroordeling is, naar algemeen is erkend in het civiele recht, niet bedoeld als volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten. (…) Invoering van de onderhavige regeling van een beperkte proceskostenvergoeding berust, behalve op overwegingen van billijkheid en van harmonisatie met het privaatrecht, op de overweging dat het niet invoeren van een regeling, gelet op bovengenoemde jurisprudentie, een te groot en onzeker budgettair beslag zou leggen op de overheidsuitgaven (zoals ook in de parlementaire stukken betreffende artikel 8:75 Awb uitvoerig is besproken). Het onderhavige besluit leidt tot besparingen op de overheidsuitgaven ten opzichte van het ongewijzigd laten voortbestaan van de huidige situatie. De normvergoedingen die de in de kosten veroordeelde bestuursorganen onder het besluit zullen zijn verschuldigd, liggen immers gemiddeld lager dan de op basis van bedoelde jurisprudentie verschuldigde bedragen. Over de omvang van de besparingen voor de bestuursorganen kunnen geen exacte uitspraken worden gedaan vanwege de veelheid van betrokken factoren (aard van de procedure, gewicht van de zaak, gegrondheidspercentage, percentage kostenveroordelingen, percentage ingeschakelde rechtsbijstand). (…) Nogmaals, de proceskostenvergoeding beoogt niet en moet niet beogen een volledige vergoeding te zijn. Dat bepaalde proceskosten voor eigen rekening blijven, behoort tot de normale risico's van het maatschappelijk verkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenslotte zij opgemerkt, dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen belanghebbenden die wel en die niet een particuliere voorziening, zoals een rechtsbijstandverzekering of een rechtsbijstand insluitend lidmaatschap van een vakbond, hebben getroffen. Beide categorieën komen gelijkelijk in aanmerking voor vergoeding van kosten van rechtsbijstand onder het besluit. (…) In uitzonderlijke gevallen kan strikte toepassing van deze regeling onrechtvaardig uitpakken. Daarom is bepaald dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het besluit berekende vergoeding - overigens zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten - kan verlagen of verhogen. Het gaat hier werkelijk om uitzonderingen, bij voorbeeld een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6 Nog geen twee maanden nadat het Hof zijn prejudiciële vragen stelde, zag de Hoge Raad aanleiding om ten overvloede enkele ‘overzichtsoverwegingen’ te geven over de vergoeding voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze overwegingen steunen deels op de hiervoor weergegeven toelichting bij het Bpb. De Hoge Raad overwoog dat de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden terughoudend moet worden toegepast, maar dat die toepassing niet beperkt blijft tot situaties die zich zelden voordoen; voldoende is dat het gaat om omstandigheden die naar hun aard bijzonder zijn: “4.2 Over de toekenning door de bestuursrechter van een vergoeding voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, overweegt de Hoge Raad ten overvloede als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 Op grond van artikel 8:75, lid 1, Awb is de bestuursrechter bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter. Het gaat niet alleen erom dat de kosten zelf redelijk moeten zijn, maar ook dat het inroepen van rechtsbijstand redelijk moet zijn. Een integrale vergoeding van de kosten die aan deze zogenoemde dubbele redelijkheidstoets voldoen, heeft de wetgever echter niet beoogd. De proceskostenvergoedingen zijn naar de bedoeling van de wetgever slechts bedoeld als een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten. De wetgever achtte het verder een te grote werklast voor de bestuursrechter als in ieder individueel geval een beoordeling op grond van de dubbele redelijkheidstoets zou moeten plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4 Met het oog op deze doelstellingen zijn in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) nadere regels opgenomen over de kosten waarop de veroordeling betrekking kan hebben en de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Ter zake van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn tarieven opgenomen in de bijlage bij het Besluit. Op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit kan de rechter in bijzondere omstandigheden naar boven of naar beneden afwijken van die tarieven, of afzien van toekenning van een proceskostenvergoeding. Daarvoor is niet vereist dat het gaat om een situatie die zich zelden voordoet. Voldoende is dat het omstandigheden betreft die naar hun aard bijzonder zijn. De rechter die toepassing geeft aan artikel 2, lid 3, van het Besluit, dient deze beslissing te motiveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5 Bij zijn beslissing om artikel 2, lid 3, van het Besluit toe te passen kan de rechter in aanmerking nemen dat de vergoedingen op grond van het Besluit, zoals hiervoor in 4.4 vermeld, het karakter hebben van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. Ook indien rekening wordt gehouden met de terughoudendheid die bij de toepassing van deze bepaling is geboden, kan de rechter daarom aanleiding vinden tot toepassing daarvan, door toekenning van een lagere vergoeding, indien vasthouden aan het forfaitaire puntensysteem van het Besluit zou leiden tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 Verder staat het de rechter vrij om met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit in het geheel geen proceskostenvergoeding toe te kennen indien het inroepen van beroepsmatige rechtsbijstand in de omstandigheden van het geval niet redelijk is. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien het gaat om herstel van een evidente rekenfout die met een eenvoudige melding kan worden hersteld. Ook kan daarvan sprake zijn indien, zoals in de bezwaarprocedure in dit geval, het geschil betrekking heeft op een zeer gering financieel belang. Dat kan anders zijn indien de beslissing die daarover in de voorliggende zaak wordt genomen, ook van belang kan zijn voor de beslissing in andere – al dan niet toekomstige – zaken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7 In deze overzichtsoverwegingen zwijgt de Hoge Raad over de no cure no pay-praktijk. In eerdere rechtspraak is daarover echter wel al het een en ander geoordeeld. Zo besliste de Hoge Raad al in 2011 dat de omstandigheid dat de rechtsbijstand is verleend op basis van no cure no pay op zichzelf bezien niet in de weg staat aan toekenning van een vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8 Begin dit jaar benadrukte de Hoge Raad het verband tussen de no cure no pay-praktijk en de bij de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv) per 1 januari 2024 ingevoerde beperking van de proceskostenvergoeding in bpm- en WOZ-zaken. Na een uitvoerig overzicht van de parlementaire geschiedenis van de WHpkv overwoog de Hoge Raad: “3.5.1 Uit hetgeen hiervoor in 3.4.1 tot en met 3.4.6 is overwogen, volgt dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ en de bpm het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.2 Gevallen die kennelijk niet de hiervoor in 3.5.1 bedoelde kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de WHpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van de tweede volzin van artikel 19a, leden 1 en 2, van de Wet bpm en artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. Een dergelijke uitleg van het begrip bijzondere gevallen draagt bij aan de verwezenlijking van het in artikel 17, lid 1, van de Grondwet begrepen recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.3 Verder heeft te gelden dat de regeling over de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv niet van toepassing is op de proceskosten die een belanghebbende in hogere instantie heeft gemaakt, als hij zich in die instantie met succes verweert tegen een rechtsmiddel dat is ingesteld door het bestuursorgaan (verzet dan wel principaal of incidenteel hoger beroep of beroep in cassatie). Gelet op doel en strekking van die regeling in de WHpkv, zoals hiervoor in 3.4.1 tot en met 3.4.5 vermeld, kan in zulke gevallen namelijk niet worden gezegd dat de procedure in hogere instantie wordt gevoerd met het oog op het verkrijgen van een proceskostenvergoeding. Daarbij is niet van belang of de procedure in hogere instantie betrekking heeft op een vernietiging of een wijziging van het bestreden besluit.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9 In zijn arrest van 18 juli 2025 heeft de Hoge Raad een nadere invulling gegeven aan de hiervoor weergegeven overwegingen uit het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad overwoog: “3.4.3 De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde kennelijk niet de hiervoor in 3.4.2 [3.5.1 uit het arrest van 17 januari 2025 – RJK] bedoelde drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.4 Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.5 Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor in 3.4.2 onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor in 3.4.2 onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.6 Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel geldt bovendien dat, indien een gemachtigde of diens kantoor verschillende bedrijfsonderdelen heeft waarvan slechts een deel een bedrijfsmodel heeft dat inhoudt dat in procedures wordt opgetreden op basis van no cure no pay, alleen dat deel van de dienstverlening in de beschouwingen moet worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.7 Aangezien het door de belanghebbende te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet alle hiervoor in 3.4.2 bedoelde drie kenmerken heeft, moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat dit bedrijfsmodel een of meer van deze kenmerken niet heeft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.10 Naar mijn mening wordt een praktisch (‎10.14), evenwichtig (‎10.15) en robuust (‎10.16) resultaat bereikt door art. 2(3) Bpb gespiegeld toe te passen ten opzichte van het na inwerkingtreding van de WHpkv geldende regime. Ik bedoel daarmee het volgende. Onder het nieuwe regime voor bpm- en WOZ-zaken wordt het gewone geval gevormd door de no cure no pay-bijstand die voldoet aan de drie kenmerken genoemd in 3.5.1 van het arrest van 17 januari 2025; de daarvan afwijkende gevallen zijn bijzonder in de zin van art. 2(3) Bpb. Gespiegelde toepassing op zaken waarin dat nieuwe regime niet geldt leidt ertoe dat voor die zaken de hiervoor bedoelde no cure no pay-bijstand bijzonder is en de daarvan afwijkende gevallen gewoon zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.11 Die gespiegelde toepassing leidt er wel toe dat ook de stelplicht en de bewijslast omkeren. Terwijl volgens het arrest van 17 januari 2025 de belanghebbende moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken dat er geen rechtsbijstand volgens het no cure no pay-model wordt verleend, zal buiten het nieuwe regime van de WHpkv de inspecteur moeten stellen en aannemelijk maken dat de rechtsbijstand is verleend op basis van een bedrijfsmodel dat de drie kenmerken heeft die zijn genoemd in 3.5.1 van het arrest van 17 januari 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.12 Opmerking verdient dat de inspecteur niet aan zijn bewijslast zal kunnen voldoen door gebruikmaking van de in art. 47 AWR neergelegde bevoegdheden. Het gaat hier immers niet om gegevens die voor de belastingheffing van belang zijn. Bovendien zal een geschil over de toepassing van art. 2(3) Bpb vaak pas in de fase van beroep tot ontwikkeling komen en dan kan de inspecteur geen gebruik meer maken van de in dit wetsartikel toegekende bevoegdheden. Wel is de belanghebbende verplicht om door de rechter gevraagde inlichtingen te verstrekken (art. 8:28 Awb). De inspecteur kan de rechter verzoeken van deze bevoegdheid gebruik te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13 De bewijslast van de inspecteur wordt verlicht door de omstandigheid dat bij een rechtsbijstandverlener die vaak geheel of gedeeltelijk gebruik maakt van gestandaardiseerde tekstblokken in het algemeen zal kunnen worden aangenomen dat het bedrijfsmodel voldoet aan het derde kenmerk (de vergaande overdekking). Het ligt dan op de weg van de belanghebbende (of eigenlijk: van diens rechtsbijstandverlener) om dit vermoeden te ontzenuwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.14 De gespiegelde toepassing is praktisch omdat bij de toepassing ervan geen nieuw normatief kader hoeft te worden gemaakt. Aangesloten kan worden bij het rechtskader dat is neergelegd in de arresten van 17 januari 2025 en 18 juli 2025 en bij de toekomstige rechtsontwikkeling inzake dat rechtskader bij de toepassing van de WHpkv.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.15 De gespiegelde toepassing is evenwichtig omdat daardoor materieel gezien dezelfde normen gaan gelden voor WOZ- en bpm-procedures als in andere procedures. Dat bevordert de rechtsgelijkheid. Wel blijft een verschil bestaan ten aanzien van de bewijslast (‎10.11).</p>\n<p class=\"lf-p\">10.16 En de gespiegelde toepassing is robuust omdat het de rechter een instrument biedt om te reageren op de eventuele verspreiding van excessieve toepassing van het no cure no pay-model naar andere deelgebieden van het bestuursprocesrecht. Te denken valt in dit verband aan de procedures over beslissingen van de ontvanger over uitstel van betaling en kwijtschelding die vanaf 2027 door de belastingrechter worden behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.17 Gezien het voorgaande geef ik de Hoge Raad in overweging de vijfde prejudiciële vraag ontkennend te beantwoorden. Een bijzondere omstandigheid in de zin van art. 2(3) Bpb kan in zaken waarop de WHpkv geen toepassing vindt niet worden aangenomen enkel op grond van de vaststelling dat rechtsbijstand is verleend tegen een vergoeding die uitsluitend, of althans in hoofdzaak, bestaat uit te vergoeden proceskosten (en eventueel dwangsommen en vergoedingen van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn). Het staat de rechter wel vrij een dergelijke bijzondere omstandigheid aan te nemen indien (in de woorden van het arrest van 17 januari 2025) “aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">11Conclusie Wij geven de Hoge Raad in overweging als volgt te antwoorden op de prejudiciële vragen van het Hof:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>Voor de beoordeling of personenauto’s gelijksoortig zijn als bedoeld in het antwoord op de derde vraag van de prejudiciële beslissing van 26 april 2024, is niet vereist dat deze personenauto’s vallen onder dezelfde typegoedkeuring.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2)</span>De ‘essentiële punten’ als bedoeld in het antwoord op de derde vraag in de prejudiciële beslissing van 26 april 2024, zijn de kenmerken die zijn neergelegd in bijlage II, deel B, van Richtlijn 2007/46/EG na de wijziging ervan bij Verordening (EU) nr. 678/2011. De kenmerken die identiek moeten zijn, zijn alle kenmerken van een voertuigtype (onderdeel 1.1.1.), alle kenmerken van een variant (onderdeel 1.2.1.) en de kenmerken van een uitvoering die zijn genoemd in onderdeel 1.3.1. onder a) tot en met f).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3)</span>Indien (i) de te registreren personenauto een voertuig is waarvoor de CO2-uitstoot volgens de WLTP-methode is vastgesteld, terwijl het tussen 1 september 2018 en 1 september 2019 voor het eerst tot de weg is toegelaten in een andere lidstaat, en (ii) in Nederland in die periode minimaal één gelijksoortige personenauto nieuw is geregistreerd waarvoor de CO2-uitstoot nog met toepassing van de NEDC-methode is vastgesteld, hoeft voor een geslaagd beroep op art. 110 VWEU niet tevens te worden bewezen dat van tenminste één van die gelijksoortige personenauto’s de registratie binnen de genoemde periode heeft plaatsgevonden op of na de datum van eerste toelating van de te registreren personenauto.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4)</span>Om tot een schending van art. 110 VWEU te kunnen concluderen moet de belastingplichtige voorts bewijzen dat ten minste één van de in het antwoord op de derde vraag bedoelde gelijksoortige auto’s niet enkel geregistreerd staat in het kentekenregister, maar ook daadwerkelijk op de binnenlandse markt voor gebruikte auto’s is aangeboden ten tijde van de registratie van de gebruikte personenauto uit een andere lidstaat;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5)</span>Een bijzondere omstandigheid in de zin van art. 2(3) Bpb kan in zaken waarop de WHpkv geen toepassing vindt niet worden aangenomen enkel op grond van de vaststelling dat rechtsbijstand is verleend tegen een vergoeding die uitsluitend, of althans in hoofdzaak, bestaat uit te vergoeden proceskosten (en eventueel dwangsommen en vergoedingen van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn). Het staat de rechter wel vrij een dergelijke bijzondere omstandigheid aan te nemen indien aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaten-Generaal A-G Koopman is niet in de gelegenheid deze conclusie mede te ondertekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 april 2024, 23/01021, ECLI:NL:HR:2024:653.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 15 mei 2025, 23/498, ECLI:NL:GHAMS:2025:1252.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik gebruik in deze conclusie uitbreidingsnummer in plaats van uitbreidingsgetal om aan te sluiten bij de terminologie die in de Kaderrichtlijn wordt gebruikt, zoals bijvoorbeeld in art. 14(2). Op de Kaderrichtlijn kom ik later in deze conclusie uitgebreid terug.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Noord-Holland, HAA 22/129, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:GHAMS:2025:1252.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 31 mei 2024, 22/00849, ECLI:NL:HR:2024:567.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2024:653.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof verwijst naar analogie naar HvJ 19 december 2013, X, C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857, punt 33 en naar het bepaalde in art. 10b Wet BPM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof verwijst naar: HvJ (grote kamer) 14 april 2015, Manea, C-76/14, ECLI:EU:C:2015:216, punt 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 19 december 2024, 23/427, ECLI:NL:GHAMS:2024:3707.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 januari 2025, 24/00575, ECLI:NL:HR:2025:46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende verwijst naar HvJ 22 februari 2001, Gomes Valente, C-393/98, ECLI:EU:C:2001:109, punt 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 23 april 2020, Sole-Mizo, gevoegde zaken C-13/18 en C-126/18, ECLI:EU:C:2020:292.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Hogan 11 september 2019, Sole-Mizo, gevoegde zaken C-13/18 en C-126/18, ECLI:EU:C:2019:708, punt 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Ettema 21 juli 2023, 23/01021, ECLI:NL:PHR:2023:696.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.1.1 t/m 5.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie, Pb. 2017, L. 175, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.8.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.8.5 en 5.8.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn), Pb. 2007, L 263, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EG) nr. 1060/2008 van de Commissie van 7 oktober 2008 tot vervanging van de bijlagen I, III, IV, VI, VII, XI en XV bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Pb. 2008, L 292, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) 2015/166 van de Commissie van 3 februari 2015 tot aanvulling en wijziging van Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad teneinde specifieke procedures, beoordelingsmethoden en technische voorschriften toe te voegen, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, en de Verordeningen (EU) nr. 1003/2010, (EU) nr. 109/2011 en (EU) nr. 458/2011 van de Commissie, Pb. 2015, L 28, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor deze periode ook: ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.6.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, Pb. 1970, L 42, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2001/116/EG van de Commissie van 20 december 2001 tot aanpassing aan de stand van de techniek van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad, Pb. 2002, L 18, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook model A van het goedkeuringscertificaat in Bijlage VI van de Kaderrichtlijn, specifiek de laatste regel vóór Deel I, alwaar de reden voor de uitbreiding kan (of moet) worden vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verzoek tot wijziging kan overigens wel leiden tot het besluit dat een geheel nieuwe typegoedkeuring moet worden verleend. Zie art. 13(1), laatste volzin, Kaderrichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Mengozzi 11 april 2018, Commissie/Duitsland, C-668/16, ECLI:EU:C:2018:230. Zie ook HvJ 4 oktober 2018, Commissie/Duitsland, C-668/16, ECLI:EU:C:2018:802, punten 102-103.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 35 in origineel: Zie artikel 13 van de kaderrichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard voor zover fabrikanten in plaats daarvan niet kozen voor het aanvragen van een geheel nieuwe typegoedkeuring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie, Pb. 2017, L. 175, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2024:653.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage II, deel B, onderdeel 1.3.1, Kaderrichtlijn beschrijft de kenmerken van een uitvoering “van een variant”. Dit doet vermoeden dat een bepaalde uitvoering altijd behoort tot dezelfde variant. In die benadering kan een variant meerdere uitvoeringen omvatten, maar kan een uitvoering niet behoren tot meerdere varianten. De praktijk is kennelijk anders. Tijdens het onderzoek voor deze conclusie kwam ik in de datasets van de RDW namelijk ook uitvoeringen tegen die zijn gekoppeld aan verschillende varianten. In de dataset ‘TGK Merk Uitvoering’ (te raadplegen via opendata.rdw.nl) kwam ik bijvoorbeeld de uitvoering OZAA15A2 tegen. Deze uitvoering is in de dataset gekoppeld aan vier varianten, namelijk 274GP2, 274GQ2, 274HP2 en 274HQ2. Ik maak hieruit op dat het kennelijk mogelijk is een variant te wijzigen, zonder dat de daaraan gekoppelde uitvoeringen wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) nr. 678/2011 van de Commissie van 14 juli 2011 tot vervanging van bijlage II en tot wijziging va de bijlagen IV, IX en XI bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn), Pb. 2011, L 185, p. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Noord-Nederland 22 mei 2025, 22/2111 e.a., ECLI:NL:RBNNE:2025:2046.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:PHR:2023:696, onderdelen 4.13 en 4.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2019 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG, Pb. 2018, L 151, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De enige verschillen zijn dat het kenmerk van een voertuigtype in onderdeel 1.1.1.(c) is omgedoopt tot een kenmerk van een variant in (thans) onderdeel 1.2.1.(g) en dat een kenmerk van uitvoeringen in onderdeel 1.3.1.(k), betreffende het bestaan van een uniek pakket innoverende technologie, is komen te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.C.H. Graves en R. Zeldenrust, Het bijlage II-criterium in de BPM vanuit Europeesrechtelijk perspectief bezien, MBB 2024/48.</p>\n<p class=\"lf-p\">X, ECLI:EU:C:2013:857, punt 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">X, ECLI:EU:C:2013:857, punt 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 april 2020, 18/01389, ECLI:NL:HR:2020:561, r.o. 3.4 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 14 in origineel: Zie het arrest van 3 april 2020, rechtsoverweging 3.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 15 in origineel: Zie het arrest van 3 april 2020, rechtsoverwegingen 3.6.1 en 3.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig de verwijzing in art. 9(11) Wet BPM, zoals deze bepaling luidde tot 1 juli 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerecht van de EU 21 december 2022, Landwärme/Commissie, T-626/20, ECLI:EU:T:2022:853, punt 115. Zie ook hetgeen ik hierover schreef in ECLI:NL:PHR:2023:696, onderdeel 6.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.6.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 juni 2025, 23/00966, ECLI:NL:HR:2025:860.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 3 in origineel: Zie het antwoord op de eerste prejudiciële vraag in HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653.</p>\n<p class=\"lf-p\">X, ECLI:EU:C:2013:857, punt 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:EU:C:2013:857, punt 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:EU:C:2013:857, punt 24, laatste volzin.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2025:860.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2025:860, r.o. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.6.6 en 5.6.8. Zie ook: ECLI:NL:HR:2025:860, r.o. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.8.6, r.o. 5.6.6. Zie ook: ECLI:NL:HR:2025:860, r.o. 3.5.2, tweede volzin.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.8.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2025:860, r.o. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. K. Lenaerts en P. Van Nuffel, Europees recht, Antwerpen: Intersentia 2023, nrs. 855 t/m 857.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer Manea, ECLI:EU:C:2015:216, punt 35 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) nr. 540/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende het geluidsniveau van motorvoertuigen en vervangende geluidsdempingssystemen, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van Richtlijn 70/157/EEG, Pb. 2014, L. 158, p. 131.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 7 van de schriftelijke opmerkingen van belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een tolerantie van ± 1 km/u.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken, Pb. 2009, L 140, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband over de NEDC-methode: overweging 8 van de considerans van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 van de Commissie van 25 juli 2011 tot vaststelling van een procedure voor de goedkeuring en certificering van innoverende technologieën ter beperking van de CO2-emissies van personenauto’s uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Pb. 2009, L 194, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband over de WLTP-methode: overweging 1 van de considerans van Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2767 van de Commissie van 13 december 2023 tot vaststelling van een procedure voor de goedkeuring en certificering van innoverende technologieën ter beperking van de CO2-emissies van personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen uit hoofde van Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad, Pb L, 2023/2767.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze procedure is neergelegd in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 van de Commissie van 25 juli 2011 tot vaststelling van een procedure voor de goedkeuring en certificering van innoverende technologieën ter beperking van de CO2-emissies van personenauto’s uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Pb. 2009, L 194, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie overweging 3 t/m 5 van de considerans van Verordening (EU) Nr. 171/2013 van de Commissie van 26 februari 2013 tot wijziging van de bijlagen I en IX en tot vervanging van bijlage VIII bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn), alsmede tot wijziging van de bijlagen I en XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, Pb. 2013, L 55, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:RBNNE:2025:2046, onderdelen 4.4. en 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 26 juni 2024, BK-23/65 t/m BK-23/74, ECLI:NL:GHDHA:2024:1645; gerechtshof Den Haag 26 juni 2024, BK-23/685 t/m BK-23/701, ECLI:NL:GHDHA:2024:1646; gerechtshof Den Haag 23 januari 2025, BK-23/1248 t/m BK-23/1261, ECLI:NL:GHDHA:2025:160; gerechtshof Den Haag 9 april 2025, BK-24/761, ECLI:NL:GHDHA:2025:652.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze zaken zijn bij de Hoge Raad bekend onder de zaaknummers 24/03054, 24/03055, 25/00697 en 25/01864.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 december 2024, 21/3743, ECLI:NL:RBZWB:2024:8297, onderdeel 5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 19 december 2024, 23/427, ECLI:NL:GHAMS:2024:3707.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftelijke opmerkingen van belanghebbende, p. 1-2. Zie tevens ECLI:NL:RBNNE:2025:2046, onderdelen 4.1. t/m 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor alle openbare data van de RDW: https://opendata.rdw.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afbeelding is een schermafdruk van de dataset ‘TGK Merk Uitvoering’. De dataset is geraadpleegd op de datum van deze conclusie. Zie https://opendata.rdw.nl/Typegoedkeuring/Open-Data-RDW-TGK-Merk-Uitvoering/kyri-nuah/about_data.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit volgt uit de dataset ‘TGK Energiebron Uitvoering’, te raadplegen via opendata.rdw.nl. Indien de dataset wordt gefilterd op typegoedkeuringsnummer e1*2001/116*0470*21, dan volgt daaruit dat in alle rijen slechts de kolommen voor de CO2-uitstoot overeenkomstig de WLTP-methode zijn ingevuld. De kolommen voor de CO2-uitstoot overeenkomstig de NEDC-methode bevatten geen data.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit volgt uit de dataset ‘TGK Energiebron Uitvoering’, te raadplegen via opendata.rdw.nl. Indien de dataset wordt gefilterd op typegoedkeuringsnummer e1*2001/116*0470*20, dan volgt daaruit dat in alle rijen slechts de kolommen voor de CO2-uitstoot overeenkomstig de NEDC-methode zijn ingevuld. De kolommen voor de CO2-uitstoot overeenkomstig de WLTP-methode bevatten geen data.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te raadplegen via: ovi.rdw.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te raadplegen via: opendata.rdw.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te raadplegen via opendata.rdw.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk voor de volledigheid op dat ik enkele niet-relevante kolommen in de dataset heb verplaatst zodat deze buiten de hier opgenomen afbeelding vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk voor de volledigheid op dat ik enkele niet-relevante kolommen in de dataset heb verplaatst zodat deze buiten de hier opgenomen afbeelding vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof leidt uit het kentekenregister af dat er wél verschillen bestaan tussen de auto’s wat betreft de assen. Zie onderdeel 2.4 van de bestreden uitspraak. De door het Hof genoemde verschillen wekken evenwel de indruk dat het Hof abusievelijk de vooras van de ene auto heeft vergeleken met de achteras van de andere auto.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij merk ik op dat het al relatief uitzonderlijk is dat personenauto’s meer dan één gestuurde as hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:EU:C:2013:857, punt 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 5 oktober 2006, Nádasdi, gevoegde zaken C-290/05 en C-333/05, ECLI:EU:C:2006:652, punt 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 7 april 2011, Tatu, C-402/09, ECLI:EU:C:2011:219, punt 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:EU:C:2013:857, punten 33-35.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:PHR:2023:696, onderdelen 6.12 e.v., in het bijzonder onderdeel 6.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor dit beoordelingskader onder meer: X, ECLI:EU:C:2013:857, punten 23-24; HvJ 19 september 2002, Tulliasiamies en Siilin, C-101/00, ECLI:EU:C:2002:505, punten 75-76.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.8.3 en 5.8.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De transitieregeling waarop de prejudiciële beslissing betrekking heeft is ingevoerd met ingang van 27 juni 2017 (Stcrt. 2017, nr. 72735) en pas weer gewijzigd op 1 juli 2020 (Stb. 2019, 512). Zie ook ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.6.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:EU:C:2015:216.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer: HvJ 22 februari 2024, Commissie/Malta, C-694/22, ECLI:EU:C:2024:158, punten 43 en 47; HvJ 17 april 2018, Dos Santos, C-640/17, ECLI:EU:C:2018:275, punt 18; HvJ 9 juni 2016, Budișan, C-586/14, ECLI:EU:C:2016:421, punten 24 en 25; X, ECLI:EU:C:2013:857, punt 23; HvJ 9 maart 1995, Nunes Tadeu, C-345/93, ECLI:EU:C:1995:66, punt 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:EU:C:2001:109.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:EU:C:2011:219.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 8:108(1) Awb en art. 29 AWR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 22 december 1993, Stb. 1993/763.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 juli 2025, 24/02417, ECLI:NL:HR:2025:1127.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 2 in origineel: Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 151 en 153.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 3 in origineel: Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 151-152, en nr. 6, blz. 58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 4 in origineel: Kamerstukken II 1992/93, 22 164, nr. 13, blz. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 5 in origineel: Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 153.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 6 in origineel: HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7913, rechtsoverweging 3.2, en HR 13 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3865, rechtsoverweging 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 7 in origineel: Vgl. HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415, rechtsoverweging 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 8 in origineel: Vgl. HR 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2794, rechtsoverweging 2.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 9 in origineel: Kamerstukken II 1999/2000, 27 024, nr. 3, blz. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 oktober 2011, 10/05199, ECLI:NL:HR:2011:BT6841.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023,507.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2025:46.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 juli 2025, 24/01332 bis, ECLI:NL:HR:2025:1175.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 februari 1988, 23.925, ECLI:NL:HR:1988:ZC3761.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de slotzin van 3.5.1 uit het arrest van 17 januari 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. XIII (C) en (D) Fiscale vereenvoudigingswet 2017, Stb. 2016,546. Inwerkingtreding: Besluit van 23 januari 2025, Stb. 2025,23.</p></div>", "next": 0}