{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">SRV heeft aangevoerd dat Ennatuurlijk de aansluitbijdrage twee maal in rekening heeft gebracht (zie in deze zin onder meer de dupliek, randnummers 1.1 en 1.3), maar de juistheid van deze stelling ligt niet besloten in het bestreden arrest van het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pas bij wet van 4 juli 2018 (Stb. 2018/311) is de Warmtewet zo gewijzigd dat ook aansluitbijdragen voor een aansluiting op een nieuw warmtenet zijn gereguleerd. Het kabinet achtte de bestaande onduidelijkheid over de aansluitkosten in die gevallen onwenselijk en zette in op meer transparantie ter bevordering van consumentenbescherming en consumentenvertrouwen. Volgens het kabinet zou “een eventueel financieel tekort in de business-case” niet via de aansluitbijdrage opgelost moeten worden. Doel van de aanpassing van de wet was onder meer om de aansluitbijdrage ook echt eenmalig te laten zijn. Zie Kamerstukken II 2016-2017, 34 723, nr. 3, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Namelijk als steun voor zijn oordeel aan het slot van rov. 5.15.2. dat het op de weg van Ennatuurlijk als professionele partij lag om de door haar gebezigde (leverings)overeenkomst op zodanige wijze in te richten dat deze niet voor misverstand vatbaar zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover uitvoeriger hierna in randnummers ‎3.70 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de opvatting van Ennatuurlijk erop neerkomt dat zij de kosten voor het realiseren van een (nieuwe) aansluiting mocht ‘schuiven’ onder of ‘versleutelen in’ het tarief voor het in stand houden van een (bestaande) aansluiting heeft het hof die opvatting dus verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bewoordingen heb ik ontleend aan het kopje bij onderdeel 4 op pagina 9 van de procesinleiding: “Ten onrechte wilsovereenstemming over berekeningsmethodiek verlangd”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel in de schriftelijke toelichting van Ennatuurlijk (randnummer 6.12.) als in de pleitaantekeningen in cassatie van mrs. Knigge en Van der Kooij namens Ennatuurlijk (randnummers 6.13. en 6.15.) lijkt Ennatuurlijk ook te problematiseren dat het hof wilsovereenstemming heeft verlangd over de elementen die onder het vastrecht worden geschaard. Volgens Ennatuurlijk is dat problematisch, omdat verbruikers ook niet weten van de elementen die conform het NMDA-beginsel onder het vastrecht worden gebracht, wat dan volgens Ennatuurlijk zou betekenen dat in het geheel geen vastrecht meer aan verbruikers kan worden berekend. Dit argument ziet eraan voorbij dat het hof aansluiting heeft gezocht bij de definitie van vastrecht uit de ALV en daaruit heeft afgeleid wat verbruikers in redelijkheid moesten verwachten over de elementen die onder het vastrecht worden geschaard (zie in rov. 5.15.2.). Van wezenlijk belang voor het hof is dus dat een rechtsgrond ontbreekt voor het in rekening brengen van elementen die niet zijn gespecificeerd en waarmee de verbruiker in redelijkheid geen rekening hoefde te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde volzin van art. 5 Richtlijn 93/13 – voor het Nederlandse recht geïmplementeerd in art. 6:240 lid 1 BW – is voor de onderhavige zaak niet van belang en is daarom niet geciteerd in de hoofdtekst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat oneerlijk is, wordt beschreven in art. 3 lid 1 Richtlijn 93/13: Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 6:233, aanhef en onder a, BW: Een beding in algemene voorwaarden is vernietigbaar: a. indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1388, NJ 2022/320 en JOR 2023/40 m.nt. M.H.P. Claassen (Volksbank NV), rov. 3.1.2 en HvJ EU 10 juni 2021, zaak C-609/19, ECLI:EU:C:2021:469 (BNP Paribas Personal Finance SA/VE), punt 62.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. Jac. Hijma, Ars Aequi 2020, p. 179 e.v. m.nt. D. Busch en JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten, rov. 3.4 onder verwijzing naar HvJ EU 28 juli 2016, C-191/15, ECLI:EU:C:2016:612 (Verein für Konsumenteninformation/Amazon), punt 68.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, NJ 2022/204 m.nt. Jac. Hijma, Ars Aequi 2020, p. 179 e.v. m.nt. D. Busch en JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten, rov. 3.4, HvJ EU 10 juni 2021, zaak C-609/19, ECLI:EU:C:2021:469 (BNP Paribas Personal Finance SA/VE), punt 43 en HvJ EU 20 april 2023, zaak C-263/22, ECLI:EU:C:2023:311, punt 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 m.nt. H.B. Krans, Ars Aequi 2014, p. 358 e.v. m.nt. W.H. van Boom, JBPr 2014/2 m.nt. F.J.H. Hovens, JIN 2013/179 m.nt. F. Oostlander, TvC 2013, afl. 6, p. 262 e.v. m.nt. M.B.M. Loos en R.R.M. de Moor en TvPP 2014, afl. 3, p. 81 e.v. m.nt. C.M.D.S. Pavillon, rov. 3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 m.nt. H.B. Krans, Ars Aequi 2014, p. 358 e.v. m.nt. W.H. van Boom, JBPr 2014/2 m.nt. F.J.H. Hovens, JIN 2013/179 m.nt. F. Oostlander, TvC 2013, afl. 6, p. 262 e.v. m.nt. M.B.M. Loos en R.R.M. de Moor en TvPP 2014, afl. 3, p. 81 e.v. m.nt. C.M.D.S. Pavillon, rov. 3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 6 lid 1 Richtlijn 93/13: De Lid-Staten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 30 mei 2013, C-488/11, ECLI:EU:C:2013:341 (Asbeek Grutte en De Man Garabito/Jahani), punten 49 en 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.L. Valk &amp; H.N. Schelhaas, Uitleg van rechtshandelingen – In nationaal en internationaal perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2022, par. 3.4.2, p. 55-56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dezelfde zin, en bovendien uitvoerig over de verhouding tussen het transparantievereiste en uitleg contra proferentem die ‘min of meer complex’ is, de conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2024:639) vóór HR 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1173, RvdW 2024/845 (Unigarant NV) (art. 81 RO), randnummer 3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle duidelijkheid: ook voor verbruikers met een leverings- en een aansluitovereenkomst geldt dat zij op grond van de leveringsovereenkomst geen aansluitbijdrage aan Ennatuurlijk verschuldigd zijn. Voor hen geldt dit zelfs eens te meer gelet op wat hun is geoffreerd, zie hiervoor in randnummer ‎3.58.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de bewoordingen van Ennatuurlijk: van het vastrecht dat aan verbruikers in rekening is gebracht, geldt alleen de tariefcomponent ‘verschil sv/cv’ (het gedeelte van de aansluitbijdrage dat aan verbruikers in rekening is gebracht) als onverschuldigd betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 7:4 BW is immers alleen van toepassing “[w]anneer de koop is gesloten zonder dat een prijs is bepaald”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevorderde verklaringen voor recht noopten immers ‘slechts’ tot een onderzoek naar het bestaan van een rechtsgrond voor de verschuldigdheid van de in rekening gebrachte aansluitbijdrage, zie rov. 5.11. van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Oost-Brabant 26 januari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:207, rov. 7.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nrs. 379 en 385 en W.L. Valk &amp; H.N. Schelhaas, Uitleg van rechtshandelingen – In nationaal en internationaal perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2022, par. 5.4.2, p. 82. Zie ook het Haviltex-arrest zelf, HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 m.nt. C.J.H. Brunner en Ars Aequi 1981, p. 355 e.v. m.nt. P. van Schilfgaarde, rov. 2: “De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld [onderstreping van mij, A-G], kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. (…)” Zie eveneens mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:711), randnummer 3.3 voor HR 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1663, RvdW 2024/1106 en TvHB 2025/08 m.n.t. J. Lankhuijzen &amp; A. de Brabander (WestInvest GmbH/HPG c.s.).</p>\n<p class=\"lf-p\">De woorden ‘onder de gegeven omstandigheden’ gebruikt het hof niet, maar liggen mijns inziens onmiskenbaar besloten in het bestreden oordeel in rov. 5.30.: dat oordeel bouwt namelijk uitdrukkelijk voort op de Haviltex-uitleg van de overeenkomst (zie bijvoorbeeld rov. 5.24. waarin het hof twee keer heeft verwezen naar de omstandigheden van het onderhavige geval) en het oordeel over grief 9. Vergelijk ook rov. 5.29. waarin het hof heeft overwogen dat voor grief 11 (de gewoonte als rechtsgrond) hetzelfde geldt als voor grief 9, namelijk dat wanneer “onder de gegeven omstandigheden” binnen de kaders van de overeenkomst de aansluitbijdrage voor rekening van Ennatuurlijk dient te blijven, een bestaande gewoonte dit niet anders kan maken. Anders dan het subonderdeel lijkt te veronderstellen, lees ik het bestreden oordeel dus niet zo dat volgens het hof voor aanvulling nooit plaats zou kunnen zijn, (dus) bijvoorbeeld ook niet wanneer zou sprake zou zijn geweest van onvoorziene omstandigheden.</p></div>", "next": 0}