{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Tegen de achtergrond van deze gezichtspunten overweegt de CRvB vervolgens (i) dat het (procedurele) zorgvuldigheidsbeginsel en het belang van toegang tot de rechter met zich brengen dat in de in ‎7.5 vermelde situatie het bestuursorgaan controleert of het werkelijk de bedoeling van de belanghebbende is dat hij heeft aangegeven via de berichtenbox bereikbaar te zijn zonder dat hij de optie heeft aangevinkt om een notificatie te willen ontvangen, (ii) dat indien deze controle niet heeft plaatsgevonden, er in het geval van een overschrijding van de bezwaartermijn als uitgangspunt bij de toepassing van art. 6:11 Awb heeft te gelden dat het ontbreken van een notificatie ertoe leidt dat de termijnoverschrijding niet wordt tegengeworpen aan de belanghebbende, mits de belanghebbende binnen zes weken na kennisname van het desbetreffende besluit alsnog bezwaar heeft gemaakt, en (iii) dat het bestuursorgaan aannemelijk kan maken dat er omstandigheden aanwezig zijn waarin aanleiding bestaat voor afwijking van dit uitgangspunt: “4.4.6. Het zorgvuldigheidsbeginsel genoemd in 4.4.4 en het belang van toegang tot de rechter brengen met zich mee dat, in situaties waarin een belanghebbende aangeeft dat hij elektronisch bereikbaar is voor de overheid zonder dat hij de optie heeft aangevinkt een email te willen ontvangen steeds wanneer een bericht in de Berichtenbox is geplaatst, het bestuursorgaan controleert of dit werkelijk de bedoeling van de belanghebbende is. Dit is immers voor redelijke twijfel vatbaar. Zoals volgt uit de rapporten van de Ombudsman en het wetsontwerp genoemd in 4.4.3 ligt het niet voor de hand, en heeft het ook sedert de invoering van het elektronisch verkeer tussen overheid en burger nooit voor de hand gelegen, dat een burger vrijwel wekelijks controleert of van de zijde van de overheid een bericht is ontvangen. Zonder notificatie zou dit wel moeten gebeuren, omdat de overheid niet enkel in reactie op een verzoek van een burger communiceert, maar ook op eigen initiatief voor de burger ingrijpende – vaak ook belastende – beslissingen kan nemen en in de Berichtenbox plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in 4.4.6 genoemde controle kan eenvoudig plaatsvinden, bijvoorbeeld door middel van een brief, eventueel voorafgegaan door een telefoongesprek, waarin het bestuursorgaan de burger éénmalig op de hoogte brengt van de gevolgen van zijn melding en de burger de vraag voorlegt of de melding overeenstemt met zijn bedoeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een situatie dat een controle als bedoeld in 4.4.6 niet heeft plaatsgevonden, is niet voldaan aan de vereiste zorgvuldigheid en moet de rechtsbescherming van de burger prevaleren boven het belang van het bestuursorgaan dat is gemoeid met het vast komen te staan van de rechtsverhouding tussen deze burger en het bestuursorgaan. Artikel 6:11 van de Awb biedt hiertoe ook de mogelijkheid. Als uitgangspunt bij de toepassing van dit artikel heeft – aansluiting zoekend bij wat is neergelegd in het wetsvoorstel genoemd in 4.4.3 – te gelden dat het ontbreken van een notificatie ertoe leidt dat de indiener van een te laat bezwaar de termijnoverschrijding niet wordt tegengeworpen als hij binnen de in de Awb voorgeschreven termijn van zes weken nadat hij kennis heeft genomen van het besluit, alsnog bezwaar maakt. Voor een beperking van de termijn van zes weken tot twee weken als door de Svb bepleit ziet de Raad, gelet op de hiervoor geciteerde toelichting bij het wetsvoorstel Modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer, geen aanleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in 4.4.8 genoemde uitgangspunt laat onverlet dat het bestuursorgaan aannemelijk kan maken dat er omstandigheden aanwezig zijn – zoals het willens en wetens afstand hebben gedaan van de ontvangst van een notificatie, of het geopend hebben van de Berichtenbox zonder het bericht van het bestuursorgaan te hebben gelezen – waarin voor afwijking van dit uitgangspunt aanleiding bestaat.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7 De in rov. 4.4.9 vermelde mogelijkheid dat omstandigheden aanwezig kunnen zijn waarin aanleiding bestaat voor afwijking van het uitgangspunt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, is geen louter theoretische mogelijkheid. De rechtspraak van de CRvB laat daarvan namelijk concrete voorbeelden zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8 CRvB AB 2022/270 is over het algemeen (zeer) goed ontvangen in commentaren, ook in fiscale tijdschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.9 Van den Bogaard is daarentegen kritisch over CRvB AB 2022/270 en de daarmee samenhangende uitspraak van diezelfde dag. De kritiek betreft niet zozeer de benadering van de CRvB wat betreft de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, al meent de auteur dat de CRvB beter een stap verder had gegaan en beter had “geoordeeld dat in alle gevallen waarin geen notificatie heeft plaatsgevonden, de termijnoverschrijding die daarvan het gevolg is, verschoonbaar moet worden geacht”. De kritiek betreft het voorafgaande oordeel dat het desbetreffende besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt door de plaatsing ervan in de berichtenbox. Een eerste kritiekpunt in dit verband is dat de CRvB onvoldoende aandacht eraan besteedt dat art. 2:14 (oud) Awb vereist dat de belanghebbende kenbaar heeft gemaakt ‘voldoende’ bereikbaar te zijn. Daarvan is volgens de auteur namelijk geen sprake indien de belanghebbende bij het activeren van de berichtenbox niet heeft aangegeven van alle nieuwe berichten een notificatie te willen ontvangen: “9. (…). Dat betrokkenen (…) hebben kenbaar gemaakt voor elektronische verrichten van de SVB bereikbaar te zijn, is duidelijk. Maar waar de CRvB helaas geen aandacht aan besteedt, is de vraag of daaruit volgt dat zij voor die berichten ook voldoende bereikbaar zijn. (…) (…) 11. De spelregels voor het gebruik van de Berichtenbox op MijnOverheid zijn te vinden in de Regeling voorzieningen GDI. In art. 2 lid 2 van deze regeling is bepaald dat door het activeren van het MijnOverheid-account de gebruiker kenbaar maakt dat hij “langs elektronische weg bereikbaar is voor het ontvangen van berichten in de Berichtenbox van door hem geselecteerde afnemers (…)”. Let wel: bereikbaar en niet voldoende bereikbaar, zoals is bepaald in art. 2:14 lid 1 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 2:14 lid 1 Awb vraagt dus meer dan alleen het bereikbaar zijn in technische zin: die bereikbaarheid moet zodanig zijn, dat het verantwoord is om het verzenden langs elektronische weg in de plaats te laten komen van verzending per post. En met het enkele kenbaar maken dat de SVB berichten mag plaatsen in de Berichtenbox, is nog niet gegeven dat het ook verantwoord is om die plaatsing volledig in de plaats te stellen van verzending per post. Gelet op het verschil tussen ‘bereikbaar’ als bedoeld in art. 2 lid 2 Regeling voorzieningen GDI en ‘voldoende bereikbaar’ in de zin van art. 2:14 lid 1 Awb, kan pas worden gesteld dat de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is, als hij heeft aangegeven dat hij van iedere plaatsing van een bericht in zijn Berichtenbox een melding wil krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kort en goed:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(1)</span>Activering van de Berichtenbox heeft tot gevolg dat de geadresseerde ‘bereikbaar’ is in de zin van art. 2 lid 2 Regeling voorzieningen GDI.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(2)</span>Om ‘voldoende bereikbaar’ in de zin van art. 2:14 lid 1 Awb moet hij bovendien het verzenden van notificaties hebben geactiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12.</span>Voor onze appellant betekent dit dat hij door het activeren van zijn Berichtenbox kenbaar heeft gemaakt langs elektronische weg bereikbaar te zijn. Maar omdat hij daarbij niet heeft aangegeven van alle nieuwe berichten een notificatie te willen ontvangen, heeft hij niet kenbaar heeft gemaakt langs deze weg ook voldoende bereikbaar te zijn, zodat niet is voldaan aan de in art. 2:14 lid 1 Awb gestelde voorwaarde voor elektronische verzending van berichten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het gevolg daarvan is dat met de enkele plaatsing in de Berichtenbox het besluit niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en de bezwaartermijn niet is aangevangen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">13.</span>Het is jammer dat de CRvB het verschil tussen ‘bereikbaar’ als bedoeld in art. 2 lid 2 Regeling voorzieningen GDI en ‘voldoende bereikbaar’ in de zin van art. 2:14 lid 1 Awb niet in zijn overwegingen heeft betrokken. Het zou een veel eenvoudiger route naar dezelfde uitkomst hebben gegeven.”</div>\n<p class=\"lf-p\">7.10 Een tweede kritiekpunt heeft betrekking op art. 2:17 (oud) Awb. De auteur bepleit in dat verband dat het bestanddeel “het bericht toegankelijk wordt voor de geadresseerde” wordt gekoppeld aan de notificatie dat het bericht is geplaatst: “14. Hoewel art. 2:17 lid 1 Awb een ruimere strekking heeft, valt de Berichtenbox op MijnOverheid onder de omschrijving “indien het bestuursorgaan en de geadresseerde gebruik maken van hetzelfde systeem voor gegevensverwerking”, zodat moet worden vastgesteld op welk tijdstip het bericht voor de geadresseerde toegankelijk is geworden. Ook deze stap bestaat uit twee deelvragen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(2a)</span>wanneer is het bericht (technisch gezien) toegankelijk geworden?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(2b)</span>wanneer is de geadresseerde geïnformeerd dat het bericht toegankelijk is? (…) 16. Ondanks dat (…) niet blijkt dat de betrokkene over de plaatsing in zijn Berichtenbox is geïnformeerd, oordeelt de CRvB dat hieruit volgt dat het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel dit oordeel in overeenstemming lijkt met art. 2:17 lid 1 Awb, valt daar toch wel iets op af te dingen. Immers, hoe toegankelijk is een bericht waarvan de geadresseerde niet weet dat het er is? En hoe wenselijk is het dat de bezwaartermijn gaat lopen zonder dat de betrokkene daarvan op de hoogte is? Ligt het niet meer voor de hand om het toegankelijk worden te koppelen aan de kennisgeving dat er een bericht is geplaatst?”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.11 Een richtinggevende uitspraak van de CBb is CBb AB 2025/22. In die uitspraak is aan de orde dat de bezwaartermijn is overschreden in de situatie waarin de notificatie van het desbetreffende besluit de belanghebbende niet heeft bereikt omdat belanghebbende een e-mailadres heeft opgegeven waarin een fout was geslopen. De CBb zet eerst in rov. 6.2 uiteen wat de plaats van een dergelijke notificatie e-mail is in het juridisch kader: (i) een notificatie e-mail is niet vereist voor een geldige bekendmaking, en (ii) het zorgvuldigheidsbeginsel kan onder omstandigheden voor het bestuursorgaan de verplichting meebrengen om een notificatie e-mail te versturen: “6.2 De termijnoverschrijding is in overwegende mate veroorzaakt doordat, als gevolg van een bij de aanvraag om een subsidie door de onderneming verkeerd opgegeven e-mailadres, de notificatie e-mail de onderneming niet heeft bereikt. Dit roept allereerst, en ook in meer algemene zin, de vraag op naar de betekenis van een dergelijke notificatie e-mail. Daarbij stelt het College voorop dat, gelet op artikel 2:14, eerste lid, van de Awb, een notificatie e-mail niet is vereist voor een geldige bekendmaking. Wel kan onder omstandigheden het zorgvuldigheidsbeginsel, dat een ruimere reikwijdte heeft dan de in artikel 3:2 van de Awb geëxpliciteerde opdracht voor het bestuursorgaan om bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, voor het bestuursorgaan de verplichting meebrengen om de geadresseerde(n) van een besluit door middel van een notificatie e-mail ervan op de hoogte te stellen dat in de digitale omgeving een besluit klaarstaat. (…). Het is dan vervolgens aan de onderneming om kennis te nemen van de notificatie e-mail en daarna van het besluit. Zo kan ook tijdig een rechtsmiddel worden aangewend. In dit stelsel is de notificatie e-mail, anders dan de minister heeft gesteld, dus meer dan een onverplicht servicebericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.12 De CBb signaleert daarna, onder vermelding van diverse voorbeelden, dat de praktijk laat zien dat er situaties zijn waarin rond de verzending of de ontvangst van de notificatie e-mail problemen ontstaan. Het overweegt vervolgens dat een termijnoverschrijding die een gevolg ervan is dat de notificatie e-mail de belanghebbende niet heeft bereikt, verschoonbaar kan zijn op grond van art. 6:11 Awb, afhankelijk van de omstandigheden van het geval: “6.3 De praktijk laat zien dat er situaties zijn waarin rond de verzending of de ontvangst van de notificatie e-mail problemen ontstaan. Zo komt het bijvoorbeeld voor dat de notificatie e-mail is verzonden aan een ander dan het opgegeven e-mailadres, de notificatie e-mail wel is verzonden aan het opgegeven e-mailadres maar de ontvangst ervan wordt betwist, het een verkeerd opgegeven en niet geldig e-mailadres betreft (zoals in het voorliggende geval) of het opgegeven e-mailadres niet meer in gebruik is en geen vervangend e-mailadres is opgegeven. Dergelijke situaties hebben gemeen dat de notificatie e-mail de geadresseerde van het besluit niet bereikt. Dat kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, leiden tot de conclusie dat een overschrijding van de bezwaar- of beroepstermijn die daarvan het gevolg is, verschoonbaar is. Anders dan de minister heeft bepleit, is het feit dat van een onderneming die een aanvraag heeft gedaan en die heeft ingestemd met uitsluitend digitale communicatie daarover, mag worden verwacht dat zij regelmatig het digitale portaal raadpleegt, geen grond om categorisch voorbij te gaan aan (mogelijke) problemen rond de verzending of de ontvangst van de notificatie e-mail. De hiervoor geduide betekenis van de notificatie e-mail staat daaraan in de weg.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.13 In de zaak die voorligt in CBb AB 2025/22 komt de CBb trouwens uiteindelijk tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat de belanghebbende ter zake slechts een gering verwijt treft (rov. 6.4). De rechtspraak van de CBb laat zien dat het inderdaad van de omstandigheden van het geval afhangt of een termijnoverschrijding verschoonbaar wordt geacht in gevallen waarin de notificatie de belanghebbende niet heeft bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.14 Van de ABRvS heb ik niet zo snel een principiële uitspraak kunnen vinden over de juridische status van een notificatiebericht. Vermeldingswaardig is nog wel een uitspraak van 22 januari 2020 inzake een besluit dat is gepubliceerd in de Staatscourant en is bekendgemaakt op www.overheid.nl. Hier is relevant dat dit platform de kennisgevingsservice \"berichten over uw buurt\" kent. Belanghebbenden hadden zich wel aangemeld voor kennisgevingen voor bepaalde categorieën, maar hadden geen e-mail ontvangen over het desbetreffende besluit omdat die was bekendgemaakt in een andere categorie. De ABRvS achtte de termijnoverschrijding verschoonbaar omdat het de belanghebbenden niet kon worden aangerekend dat zij zich niet hadden aangemeld voor de desbetreffende categorie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fiscale feitenrechtspraak algemeen 7.15 De opvatting van bijvoorbeeld de CRvB (‎7.2 en impliciet ‎7.5) en de CBb (‎7.11) dat, kort gezegd, notificatie geen onderdeel van de bekendmaking van een besluit in de zin van art. 3:41 Awb is, wordt naar mijn indruk doorgaans ook in de fiscale feitenrechtspraak gehuldigd. Soms lijkt echter, net zoals in de onderhavige uitspraak, (impliciet) van een andere opvatting te worden uitgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.16 Verder heeft de in ‎7.5-‎7.6 vermelde opvatting van CRvB AB 2022/270 dat op het bestuursorgaan een controleplicht rust in het geval een belanghebbende heeft aangegeven via de berichtenbox bereikbaar te zijn zonder dat de optie is aangevinkt om notificaties te ontvangen, en dat indien deze controle niet heeft plaatsgevonden, een termijnoverschrijding als uitgangspunt verschoonbaar is, navolging gekregen in fiscale feitenrechtspraak. Wel verschilt de formulering soms. Waar de in CRvB AB 2022/270 bedoelde controle erop ziet of het “werkelijk de bedoeling van de belanghebbende is” dat hij heeft aangegeven via de berichtenbox bereikbaar te zijn zonder dat de optie is aangevinkt om notificaties te ontvangen, ziet de controle bij de net wat andere formulering van bijvoorbeeld gerechtshof Arnhem-Leeuwarden strikt genomen niet op de bedoeling maar op het feitelijke element of de belanghebbende heeft gemeld geen notificatie te willen ontvangen: “Het zorgvuldigheidsbeginsel en het belang van toegang tot de rechter vereisen dat de overheid bij gebruik van de Berichtenbox zonder notificatie voldoende zeker stelt dat de burger heeft gemeld geen notificatie te willen ontvangen. Dat laatste is immers voor redelijke twijfel vatbaar (zie de uitspraak van de Centrale Raad voor Beroep van 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk daarbij op dat ik er evenwel niet zeker van ben of het gerechtshof met deze andere formulering ook werkelijk wat anders heeft bedoeld dan de CRvB. Naast de verwijzing naar CRvB AB 2022/270 is een contra-indicatie dat niet goed valt in te zien hoe zeker kan worden gesteld dat de burger heeft gemeld geen notificatie te willen ontvangen, terwijl de berichtenbox destijds nog uitging van een opt-in-systeem (en dus niet van een opt-out-systeem) voor notificaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.17 Hoewel CRvB AB 2022/270 dus navolging heeft gevonden in de fiscale feitenrechtspraak, is dat niet steeds het geval. Soms geeft een uitspraak toch nog blijk van de strenge lijn dat als de belanghebbende niet de optie heeft aangevinkt om een notificatie te ontvangen, het voor risico van de belanghebbende komt dat een bericht niet tijdig wordt opgemerkt en niet tijdig bezwaar wordt gemaakt. En soms geeft een uitspraak er blijk van dat de rechter de reikwijdte van CRvB AB 2022/270 wel zeer eng opvat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fiscale rechtspraak over aanmaningskosten en het niet-ontvangen van een notificatie 7.18 Ik begin met een uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 december 2019. Deze uitspraak is in zeker opzicht een voorloper van CRvB AB 2022/270, in die zin dat zij al een meer burgervriendelijkere benadering laat zien. Aan de orde is dat het gerechtshof aannemelijk acht dat de belanghebbende kenbaar heeft gemaakt om voor berichten van het desbetreffende bestuursorgaan via de berichtenbox bereikbaar te zijn, waarna het tot de conclusie komt dat op basis van de wet de aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht (rov. 4.8). Het oordeelt vervolgens evenwel dat in het voorliggende geval een strikte wetstoepassing moet wijken voor de werking van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (rov. 4.9). Het gerechtshof gebruikt daarbij als aanknopingspunt par. 75.7 Leidraad invordering 2008, hoewel – naar het hof erkent – de daarin vervatte beleidsregel niet rechtstreeks van toepassing in dit (niet-rijksbelasting)geval (rov. 4.11). Het hof is van oordeel dat in de bijzondere omstandigheden van het geval het in rekening brengen van aanmaningskosten onredelijk en onbillijk is, waarbij het hof onder meer in aanmerking neemt de omstandigheden dat het activeren van de berichtenbox niet bewust door belanghebbende is gedaan en dat de belanghebbende geen notificatieberichten met betrekking tot de desbetreffende aanslagen heeft ontvangen (rov. 4.11). De ‘responsieve’ benadering van het hof is overwegend positief ontvangen in commentaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.19 De meer recente fiscale feitenrechtspraak lijkt niettemin streng te zijn met betrekking tot een verweer tegen aanmaningskosten dat erop gegrond is dat geen notificatie is ontvangen. In het bijzonder valt op dat indien vastgesteld wordt dat de belanghebbende zich niet heeft aangemeld voor notificaties, daarmee het doek reeds valt, waarbij dan dus niet een benadering overeenkomstig CRvB AB 2022/270 (voorafgaande controleplicht) wordt gehanteerd. Ter illustratie van de strenge koers behandel ik hierna enige uitspraken. Het gaat dus niet om een uitputtend overzicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.20 Rechtbank Rotterdam acht het in twee uitspraken van 10 juli 2024 klaarblijkelijk überhaupt niet relevant of een notificatie is ontvangen voor het antwoord op de vraag of terecht aanmaningskosten in rekening zijn gebracht bij een aanmaning om een naheffingsaanslag parkeerbelasting te betalen. Nadat de rechtbank overweegt dat voor een geldige bekendmaking via MijnOverheid niet vereist is dat de belanghebbende een notificatie heeft ontvangen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht, dus zonder nog verdere aandacht te besteden aan de stelling van de belanghebbende dat hij geen notificatie heeft ontvangen. Een uitspraak in dezelfde trant – met dezelfde klaarblijkelijke opvatting dus – is gedaan door rechtbank-Zeeland-West-Brabant.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.21 In twee eerdere uitspraken van 23 februari 2023 overweegt rechtbank Rotterdam dat zij “het wel of niet aan hebben staan van notificaties ook niet echt van belang [vindt]”, met een motivering die ik niet helemaal goed kan doorgronden, maar waarin in elk geval kenbaar een rol speelt dat de invorderingsambtenaar niet kan zien of een ontvanger notificaties heeft aangezet en dat bij verzending van een bericht ook niet kan verifiëren: “2.2. (…) Gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangegeven dat eiser geen notificatie had aanstaan voor berichten die hier aan de orde zijn. Gemachtigde heeft echter verder niet kunnen zeggen waarom eiser dit niet heeft gedaan. De rechtbank vindt het wel of niet aan hebben staan van notificaties ook niet echt van belang. Verweerder heeft ter zitting (onbetwist) aangegeven dat hij niet kan zien of een ontvanger in MijnOverheid notificaties heeft aangezet en dat bij verzending van een bericht dus ook niet kan verifiëren. Omdat alleen de ontvanger van berichten in MijnOverheid notificaties kan aanzetten en controleren komt het dus voor zijn risico dat een bericht bij het ontbreken daarvan niet (tijdig) wordt opgemerkt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In een van de twee uitspraken is bovendien nota bene aan de orde dat de belanghebbende had gesteld dat de invorderingsambtenaar “zich ervan moeten verzekeren dat eiseres van een dergelijke notificatie heeft willen afzien”, en dat de rechtbank daarop niet expliciet ingaat, wat toch opmerkelijk is in het licht van de redenering in CRvB AB 2022/270.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.22 Gerechtshof Den Haag is in een uitspraak van 23 oktober 2024 van oordeel dat nu de belanghebbende kennelijk zelf niet de e-mailmeldingen heeft aangezet, de consequenties van het niet met regelmaat bekijken van de inhoud van de digitale berichtenbox voor haar risico komen: “5.3.2. Belanghebbende klaagt verder dat zij geen e-mailnotificatie heeft ontvangen van de naheffingsaanslagen. De Invorderingsambtenaar heeft hierover terecht opgemerkt dat e-mailnotificaties via MijnOverheid uitsluitend door belanghebbende zelf kunnen worden ingesteld en dat hij niet kan zien of belanghebbende in MijnOverheid dergelijke notificaties heeft aangezet. De Invorderingsambtenaar wijst erop dat hij bij verzending van een bericht via MijnOverheid niet kan nagaan of een e-mailnotificatie aan de ontvanger is afgeleverd. Nu belanghebbende zich heeft aangemeld voor het ontvangen van berichten via de digitale berichtenbox op MijnOverheid maar kennelijk niet de e-mailmeldingen heeft aangezet, komen de consequenties van het niet met regelmaat bekijken van de inhoud van de digitale berichtenbox voor haar risico.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.23 Bij rechtbank Amsterdam is ook een strenge lijn te zien in diverse uitspraken. Ik licht een recente uitspraak van 6 november 2025 eruit, omdat daaruit kenbaar is (zie rov. 1) dat de belanghebbende zich expliciet heeft beroepen op zowel de uitspraak CRvB AB 2022/270 als de uitspraak CBb AB 2025/22. De rechtbank overweegt niettemin dat indien de belanghebbende verzuimt om zijn berichtenbox te controleren op nieuwe e-mailberichten (bedoeld zal zijn: berichten) of om de e-mailnotificatie aan te zetten, dat voor zijn rekening en risico komt: “4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de aanslag eiser niet heeft bereikt, omdat de heffingsambtenaar eiser niet van het bestaan van de naheffingsaanslag op de hoogte heeft gebracht via een emailnotificatie of vergelijkbare melding. Zoals verweerder onbetwist heeft toegelicht heeft eiser er namelijk zelf voor gekozen om via de Berichtenbox elektronisch bereikbaar te zijn voor de overheid (de zogenaamde Opt-in). Eiser kan er vervolgens ook zelf in de digitale omgeving voor kiezen om wel of geen emailnotificatie te ontvangen. Het is de verantwoordelijkheid van eiser om, als hij er zelf eenmaal voor kiest zijn berichtenbox open te stellen voor bepaalde berichten, ook zelf te controleren op nieuwe e-mailberichten of de emailnotificatie aan te zetten. Als eiser dat verzuimt, moet dat voor zijn rekening en risico komen.3 3 Vergelijk de uitspraken van het Gerechtshof Den Haag van 23 oktober 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2091, van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 juni 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1546 en van het Gerechtshof Amsterdam van 8 oktober 2020, ECLI:NL:2020:2891.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.24 Uit deze uitspraak volgt niet met zoveel woorden waarom de rechtbank de benadering van CRvB AB 2022/270 (of die van CBb AB 2025/22) niet van dienovereenkomstige toepassing acht. Een uitspraak van een week later geeft daarin wel wat meer inzicht: “14. De uitspraken waarnaar eiser in dit kader verwijst, maken het voorgaande niet anders. Deze uitspraken gaan namelijk over de vraag of termijnoverschrijding in bezwaar verschoonbaar moet worden geacht. De vraag die hier aan de orde is, is of de naheffingsaanslagen op de juiste wijze zijn bekendgemaakt en of er daarom – bij het uitblijven van betaling – aanmaningskosten en betekeningskosten in rekening kunnen worden gebracht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.25 Die laatste uitspraak is bovendien noemenswaardig omdat de rechtbank ook streng is in die zin dat zij van opvatting is dat in het geval de belanghebbende de e-mailnotificaties wél heeft aangezet, op de belanghebbende een onderbouwingslast rust ter zake van zijn stelling dat een notificatie niet is verzonden: “13. (…) Voor zover eiser stelt dat een notificatie niet is verzonden ondanks een door hem gegeven toestemming, had het op zijn weg gelegen om dat standpunt nader te onderbouwen. Dat heeft hij echter niet gedaan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.26 Ik noem tot slot nog een uitspraak van gerechtshof Den Haag van 26 juni 2025. Het gaat mij daarbij niet zozeer om het oordeel van het hof dat de klacht van de belanghebbende faalt dat hij geen e-mailnotificatie heeft ontvangen van de naheffingsaanslag (rov. 5.3.2), maar om het bewijs waarop dat oordeel berust, te weten een door de invorderingsambtenaar van gemeente Rotterdam ingebracht bericht van Logius van 19 januari 2024 over onder meer (i) het e-mailadres dat is ingesteld voor notificaties en (ii) het ontvangen zijn van notificaties per e-mail (rov. 5.3.2 en 2.8). Dit illustreert dat een bestuursorgaan dergelijke gegevens kan verkrijgen van Logius, wat spoort met art. 8 Besluit digitale overheid na de wijziging per 12 juli 2023 (zie ‎5.24-‎5.29).</p>\n<p class=\"lf-p\">8Algemene beschouwing Inleiding 8.1 Voordat ik in het volgende onderdeel ‎9 specifiek inga op de onderhavige uitspraak en de klachten daartegen, geef ik eerst in dit onderdeel een algemene beschouwing over de voorliggende problematiek. De algemene beschouwing gebeurt in de vorm van een stapsgewijze analyse van wat het beoordelingskader is voor geschillen over aanmaningskosten waarbij het verweer van de belanghebbende is dat hij geen notificatie heeft ontvangen van plaatsing van de desbetreffende belastingaanslag in de berichtenbox. Uitgangspunt bij de beschouwing is dat de belanghebbende kenbaar heeft gemaakt voor berichten van het desbetreffende bestuursorgaan bereikbaar te zijn via de berichtenbox.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooraf: maatschappelijke context 8.2 In de (te) lange aanloop tot deze beschouwing heb ik me vooral gericht op de juridische aspecten van de berichtenbox waaronder de betekenis die in diverse bronnen wordt toegekend aan notificatieberichten. Een van de maatschappelijke kernpunten van de problematiek is mooi verwoord door Schlössels en Albers in hun JB-noot bij de uitspraak CRvB AB 2022/270: “Kern van deze problematiek is dat vele burgers, zonder zich de gevolgen hiervan volledig te realiseren, hebben ingestemd met elektronisch verkeer via een zodanig portal. Wanneer dan is nagelaten actief aan te geven (het ‘vinkje’) dat men een notificatie via e-mail wil ontvangen zodra er een bericht in hun ‘box’ wordt geplaatst, kan de zeer onwenselijke situatie ontstaan dat er (ook ‘ambtshalve’) berichten worden geplaatst zonder dat de betrokken burger zich dit realiseert. Hierdoor kunnen belangrijke informatie en ook cruciale rechtsbeschermingsmomenten worden gemist zodra er via de ‘box’ bekendmaking van besluiten plaatsvindt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 Veel meer achtergrondinformatie over problemen met de berichtenbox, waaronder de problematiek rond notificaties, in de praktijk is te vinden in twee rapporten van de Nationale ombudsman uit 2017, te weten het rapport ‘Svb: digitaliseren = informeren’ en het rapport met de veelzeggende titel ‘Hoezo MijnOverheid’. Lezing van beide rapporten is zonder meer aanbevelingswaardig, ook met het oog op de vraag wat het in ‎8.1 bedoelde beoordelingskader zou moeten inhouden. Niettemin heb ik ervan afgezien om deze rapporten hier uitgebreider op te nemen. Dat is niet alleen om de reden dat de conclusie anders (nog) langer zou worden, maar ook om de reden dat de kern van de inhoud van de rapporten wat betreft notificaties al kernachtig is weergegeven in CRvB AB 2022/270 (zie ‎7.5). Bovendien kan een kernpunt van de rapporten – te weten in mijn woorden: dat het doenvermogen van burgers met betrekking tot de berichtenbox is overschat – als een gegeven worden beschouwd. Niet voor niets is de regering bij de totstandkoming van de WMEBV van een mijn inziens veel realistischer burgerbeeld uitgegaan wat betreft (de verantwoordelijkheid voor) kennisname van berichten in de berichtenbox dan eerder bij de parlementaire behandeling van de WEBB (zie bijv. ‎6.36 over enige verschillen).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4 Tot slot maak ik voor de bredere context melding van twee relatief recente berichten. Het eerste is een bericht van Logius van 10 februari 2025. Het bericht vermeldt dat begin 2025 ongeveer 900.000 gebruikers bij het activeren van de berichtenbox nog geen e-mailadres hebben opgegeven, waardoor ze geen e-mailnotificaties ontvangen. Het bericht vermeldt verder dat Logius hen een brief heeft gestuurd om deze gebruikers hierop te wijzen en ze te vragen alsnog een e-mailadres op te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5 Het tweede bericht is een nieuwsbericht van de NOS van 25 augustus 2025 dat specifiek over ‘parkeerboetes’ (naar ik uit de context begrijp: naheffingsaanslagen parkeerbelasting) gaat. Dat bericht vermeldt dat uit eigen onderzoek van de NOS bij gemeenten blijkt dat “[m]ensen die een parkeerboete toegestuurd krijgen in hun digitale inbox van MijnOverheid, (…) twee keer zo vaak een aanmaning [krijgen] om te betalen als mensen die hun boete per post ontvangen”. De reden? “Mensen die digitale boetes missen, weten vaak niet dat boetes via MijnOverheid komen, kijken nooit in de berichtenbox of hebben een oud mailadres opgegeven en ontvangen geen notificaties”, aldus het nieuwsbericht. (Niet-)ontvangst van de notificatie relevant voor bekendmaking in de zin van art. 3:41 Awb?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6 Zoals eerder opgemerkt gaat zowel het Hof als belanghebbende kennelijk uit van de opvatting dat de stelling van belanghebbende over de niet-ontvangst van een notificatie relevant is voor de vraag of de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (zie ‎4.9).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7 Deze opvatting wijkt evenwel af van de opvatting van de CRvB (zie ‎7.2 en impliciet ‎7.5) en de CBb (‎7.11) dat, kort gezegd, een notificatie geen onderdeel is van de bekendmaking van een besluit in de zin van art. 3:41 Awb. Van die laatste opvatting wordt doorgaans ook in de fiscale feitenrechtspraak uitgegaan (zie ‎7.15). Die opvatting heeft bovendien ook de regelgever dan wel de regering consequent uitgedragen (zie ‎6.5-‎6.6; ‎6.9; ‎6.13, ‎6.15 en ‎6.20; zie ook ‎6.39 voor het regime vanaf 1 januari 2026).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8 De opvatting dat een notificatie geen onderdeel is van de bekendmaking van een besluit dat elektronisch is verzonden door plaatsing in de berichtenbox, stoelt op de uitgangspunten (i) dat art. 2:14 Awb van toepassing is en (ii) dat als tijdstip van elektronische verzending als bedoeld in art. 2:17 Awb geldt het tijdstip van plaatsing van het besluit in de berichtenbox. Op beide uitgangspunten is kritiek geleverd door auteurs. Die kritiek heeft weliswaar, naar mijn indruk, geen brede aanhang gekregen in de literatuur, maar ik ga er hierna wel op in – een minderheidsopvatting kan immers ook juist zijn. Wel merk ik op dat in de onderhavige zaak niet in geschil is dat art. 2:14 Awb van toepassing is (zie ‎2.1). Ook merk ik op dat ik uiteindelijk tot de conclusie kom dat de opvatting van de CRvB en de CBb zou moeten worden gevolgd. Degene die meent dat het belang van rechtseenheid daartoe al dwingt, kan de analyse hierna overslaan en verder gaan bij ‎8.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 2:14 Awb niet van toepassing indien niet is aangemeld voor notificaties?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.9 Op grond van art. 2:14(1) Awb (tekst tot 1 januari 2026) kan een bestuursorgaan een bericht langs elektronische weg verzenden, voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar. Van den Bogaard is van opvatting dat in het geval het gaat om verzending van een bericht door plaatsing in de berichtenbox, pas gesproken kan worden van ‘voldoende bereikbaar’ langs die weg, als de belanghebbende “heeft aangegeven dat hij van iedere plaatsing van een bericht in zijn Berichtenbox een melding wil krijgen” (zie ‎7.9).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.10 Begrijp ik het goed dan is het juridische kernpunt in de redenering van Van den Bogaard dat art. 2:14(1) Awb rept over ‘voldoende bereikbaar’, terwijl art. 2(2) Regeling GDI (hier geciteerd in ‎6.8) in de tweede volzin alleen spreekt over ‘bereikbaar’. Ik meen echter dat de regelgever met ‘bereikbaar’ in de zin van art. 2(2) Regeling GDI de in art. 2:14(1) Awb bedoelde bereikbaarheid op het oog heeft gehad, dus ‘voldoende bereikbaar’. Dit vindt steun in de bewoordingen van de tweede volzin van art. 2(2) Regeling GDI, die namelijk voor het overige aansluiten op die in art. 2:14(1) Awb. Het vindt ook steun in de historische context van art. 2 Regeling GDI. Dat artikel is namelijk de opvolger van de Gebruiksvoorwaarden MijnOverheid (zie ‎6.9).</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorganger van de tweede volzin van art. 2(2) Regeling GDI is art. 2(1) van die voorwaarden. Dat artikellid gebruikte wel de terminologie ‘voldoende bereikbaar’ (zie ‎6.5). Uit de in ‎6.9 geciteerde toelichting op art. 2 Regeling GDI kan geenszins worden afgeleid dat een inhoudelijke afwijking is beoogd met het gebruik van alleen de term ‘bereikbaar’ in dat artikel. Eerder integendeel, gelet op de passage in die toelichting luidende “Voor wat betreft de rechtsgevolgen van het plaatsen van een bericht in de Berichtenbox is afdeling 2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Het sturen van notificaties (attenderingen) met betrekking tot plaatsing van berichten in de Berichtenbox naar het e-mailadres van een gebruiker, die hiervoor heeft gekozen bij activering van zijn MijnOverheid-account, is geen (onderdeel van de) bekendmaking in de zin van de Awb (…)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die passage ligt naar mij voorkomt het uitgangspunt besloten dat art. 2:14 Awb van toepassing is zodra de belanghebbende kenbaar heeft gemaakt dat hij langs elektronische weg bereikbaar is voor het ontvangen van berichten in de Berichtenbox van door hem geselecteerde afnemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.11 Dit een en ander vindt bovendien steun in de bredere context van de Regeling GDI, te weten art. X WEBB – dat de grondslag is voor de Regeling GDI – en in het bijzonder de parlementaire behandeling van de WEBB. Uit die parlementaire behandeling volgt onmiskenbaar dat de regering van opvatting was dat een e-mailnotificatie optioneel is en niet van betekenis is voor de bekendmaking van een bericht door plaatsing in de berichtenbox (zie vooral ‎6.13 en ‎6.15). Daarin ligt besloten de opvatting dat het van toepassing zijn van art. 2:14 Awb voor berichtenverkeer via de berichtenbox niet ervan afhankelijk is of de belanghebbende zich heeft aangemeld voor notificaties. Ik merk overigens op dat deze opvatting zelfs bij het in ‎6.17 vermelde amendement van Tweede Kamerlid Omtzigt – dat ertoe strekte een notificatie een formele status te geven – impliciet uitgangspunt was (vgl. ‎6.19).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.12 Het is naar mijn mening niet anders onder de Regeling Wdo, die de Regeling GDI per 1 juli 2023 heeft vervangen (zie ‎5.20). Ook art. 5(2) Regeling Wdo – dat de opvolger is van art. 2(2) Regeling GDI – spreekt weliswaar ‘slechts’ over ‘bereikbaar’ (zie ‎5.21), maar ook ter zake daarvan kan zonder meer worden aangenomen dat de regelgever de in art. 2:14(1) Awb bedoelde bereikbaarheid op het oog heeft gehad. Niet alleen vermeldt de toelichting op art. 5 Regeling Wdo dat het artikel inhoudelijk weinig afwijkt van hetgeen over MijnOverheid is bepaald in de Regeling GDI, ook volgt uit de toelichting dat rekening is gehouden met de (destijds nog: voorgenomen) wijziging van de Awb door de WMEBV (zie ‎5.22).</p>\n<p class=\"lf-p\">En die wijziging houdt op het hier relevante punt juist geen wijziging in. Uit het systeem van afdeling 2.3 Awb na de WMEBV en de parlementaire behandeling van de WMEBV volgt mijns inziens namelijk evident dat nog steeds uitgangspunt is dat het van toepassing zijn van art. 2:8 (nieuw) Awb (de opvolger van art. 2:14 Awb) in het geval van de berichtenbox, niet ervan afhankelijk is of de belanghebbende heeft aangegeven notificaties te willen ontvangen. Met het systeem doel ik met name erop dat de regeling over de notificatieplicht in art. 2:10 (nieuw) Awb, waarvan de opt-out-mogelijkheid onderdeel is, is opgenomen ná art. 2:8 (nieuw) Awb. Wat betreft de parlementaire behandeling doel ik in het bijzonder op de passage waarin expliciet is vermeld dat een notificatie geen deel uitmaakt van de bekendmaking van een besluit (bijv. ‎6.39).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien volgt uit de memorie van toelichting op de WMEVB expliciet dat bij de berichtenbox van MijnOverheid sprake is van kenbaarmaking in de zin van art. 2:8 (nieuw) Awb op grond van het destijds nog geldende art. 2(2) Regeling GDI.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.13 Kortom: met ‘bereikbaar’ in de zin van art. 2(2) Regeling GDI successievelijk art. 5(2) Regeling Wdo is niet iets anders bedoeld dan ‘voldoende bereikbaar’ in de zin van art. 2:14 (oud) Awb en art. 2:8 (nieuw) Awb. Tussen ‘bereikbaar’ en ‘voldoende bereikbaar’ bestaat dus niet een verschil dat is gelegen in de aanmelding om notificaties te ontvangen van plaatsing van een bericht in de berichtenbox. Let wel, óf een belanghebbende kenbaar heeft gemaakt ‘bereikbaar’ te zijn via de berichtenbox, is een feitelijke kwestie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdstip van plaatsing van het besluit in de berichtenbox is tijdstip van elektronische verzending als bedoeld in art. 2:17 Awb?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.14 Art. 2:17(1) Awb (tekst tot 1 januari 2026) regelt wat – voor de toepassing van de Awb – als tijdstip heeft te gelden waarop een bericht door een bestuursorgaan elektronisch is verzonden. Het artikel onderscheidt daarbij tussen (i) het geval dat “het bestuursorgaan en de geadresseerde gebruik maken van hetzelfde systeem voor gegevensverwerking”, en (ii) andere gevallen. In geval (i) geldt als tijdstip van elektronisch verzending “het tijdstip waarop het bericht toegankelijk wordt voor de geadresseerde”. In de andere gevallen geldt als tijdstip “het tijdstip waarop het bericht een systeem voor gegevensverwerking bereikt waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.15 De eerste vraag is of de berichtenbox valt onder geval (i) (hierna ook: “hetzelfde systeem”-geval). Zoals eerder gezien (zie ‎7.4) betoogt Overkleeft-Verburg van niet, althans voor de berichtenbox met de functionaliteiten van destijds. De auteur baseert dat op de uitleg die de CRvB kennelijk aan “gebruik maken van hetzelfde systeem voor gegevensverwerking” heeft gegeven in de in ‎7.2 behandelde uitspraak CRvB AB 2013/328 in het kader van ‘Mijn IB-Groep’.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.16 Het betoog van Overkleeft-Verburg heeft weerklank gevonden bij de wetgever. Ook de WMEBV-wetgever is immers kennelijk van opvatting dat de tekst van 2:17(1) Awb niet helemaal passend was voor een systeem als de berichtenbox, want die tekst is bij de invoering van art. 2:19 (nieuw) Awb aangepast (zie ‎6.27), waarbij de memorie van toelichting bovendien expliciet verwijst naar de opvatting van Overkleeft-Verburg (zie ‎6.28).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.17 Als de berichtenbox niet zou vallen onder “hetzelfde systeem”-geval, is vervolgens de vraag of de berichtenbox is aan te merken als een systeem voor gegevensverwerking waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt (als bedoeld in art. 2:17(1) Awb). Betoogd kan worden dat dit wel het geval is. Dat is namelijk de opvatting waarvan de regering is uitgegaan bij uitlatingen in het kader van het wetsvoorstel WEBB (zie ‎6.15 en ‎6.20). Daartegenover staat dat afgevraagd kan worden of dat spoort met de (eerdere) totstandkomingsgeschiedenis van art. 2.17(1) Awb. In de memorie van toelichting is namelijk te lezen: “Een systeem voor gegevensverwerking waarover de verzender geen controle heeft, kan het systeem van de ontvanger zijn. In veel gevallen zal het echter het systeem van een tussenpersoon zijn, zoals een internetserviceprovider.” Volgens HR BNB 2021/113 blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis “dat bij het begrip ‘systeem voor gegevensverwerking’ moet worden gedacht aan het systeem van een internetserviceprovider”.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.18 Als de berichtenbox niet zou vallen onder “hetzelfde systeem”-geval en evenmin zou zijn aan te merken als een systeem voor gegevensverwerking waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt, dan zou kunnen worden betoogd dat een bericht pas als verzonden kan worden beschouwd op grond van art. 2:17(1) Awb indien van de plaatsing een notificatiebericht is verstuurd. Daartegen kan echter het mijns inziens zwaarwegende argument worden ingebracht dat dit niet verenigbaar is met het opt-in-systeem voor notificaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.19 Opvallend is trouwens dat er (dus) een verschuiving lijkt te hebben plaatsgevonden in opvatting van de verschillende regeringen wat met betreft de kwestie onder welk systeem in art. 2:17(1) Awb de berichtenbox is te scharen. Zoals zojuist opgemerkt is de regering in het kader van het wetsvoorstel WEBB ervan uitgegaan dat de berichtenbox is aan te merken als een systeem voor gegevensverwerking waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt. Maar ik meen de in ‎6.28 geciteerde memorie van toelichting bij de WMEBV zo te begrijpen dat de regering inmiddels ervan uitging dat de berichtenbox is aan te merken als een “hetzelfde systeem”-geval” in art. 2:17(1) Awb, zij het dat de tekst daarop niet helemaal goed aansloot, wat reden was voor aanpassingen in de tekst van art. 2:19 (nieuw) Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.20 Wat in het verband met art. 2:17(1) Awb in elk geval wel duidelijk is, is dat de CRvB uitgaat van de opvatting dat op grond van dat artikel het tijdstip van het plaatsen van een bericht in de berichtenbox heeft te gelden als tijdstip waarop het bericht elektronisch is verzonden en daarmee als tijdstip van bekendmaking in de zin van art. 3:41 Awb. Dat volgt uit de in ‎7.5 behandelde uitspraak CRvB AB 2022/270 en vooral uit een daarmee samenhangende andere uitspraak van diezelfde dag, met een op dit punt veel uitgebreidere motivering. Veel minder duidelijk is echter of de CRvB tot die opvatting komt op de grond dat de berichtenbox een “hetzelfde systeem”-geval” is dan wel op de grond dat de berichtenbox is aan te merken als een systeem voor gegevensverwerking waarvoor de Svb geen verantwoordelijkheid draagt. Ik kan me niet helemaal aan de indruk onttrekken dat de CRvB zijn bewoordingen zo heeft gekozen dat hij dat in het midden heeft willen laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.21 Of het nu linksom (“hetzelfde systeem”) of rechtsom (“systeem waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt”) gebeurt, ik meen dat het hoe dan ook aangewezen is dat de Hoge Raad de opvatting van de CRvB volgt dat plaatsing van een bericht in de berichtenbox onder art. 2:17(1) Awb valt. Dat meen ik om de volgende, deels samenhangende, redenen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>De rechtseenheid is ermee gediend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2)</span>De rechtspraktijk gaat ervan uit dat plaatsing van een bericht in de berichtenbox onder art. 2:17(1) (oud) Awb valt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3)</span>Een andersluidend oordeel zou (dus) verstorend zijn, omdat het tot onzekerheid zou leiden of besluiten die (reeds) in een berichtenbox zijn geplaatst wel in werking zijn getreden, met name in de gevallen waarin er geen notificatie is verstuurd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4)</span>Een andersluidend oordeel zou bovendien in die zin verstorend in de tijd zijn dat onder het vanaf 1 januari 2026 geldende art. 2:19 (nieuw) Awb zonder meer duidelijk is dat het moment van plaatsing van een bericht in de berichtenbox heeft te gelden als moment van elektronische verzending.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5)</span>Er zou naar mijn mening geen redelijk belang gediend zijn met een andersluidend oordeel. Voor zover het van toepassing zijn van art. 2:17(1) Awb al problemen oproept in termen van rechtsbescherming omdat burgers niet steeds feitelijk weten dat een bericht in berichtenbox is geplaatst, zijn oplossingen denkbaar die fijnzinniger zijn dan de botte bijl dat plaatsing van een bericht in de berichtenbox niet onder art. 2:17(1) Awb valt.</div>\n<p class=\"lf-p\">8.22 Ik noem verder als meer juridische argumenten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6)</span>Hoewel de berichtenbox wellicht niet perfect is te scharen onder de tekst van art. 2:17(1) Awb, meen ik dat zowel de weg linksom als de weg rechtsom evenmin onverenigbaar is met de tekst. Positief gezegd: de tekst van art. 2:17(1) Awb laat ruimte voor de uitleg dat de berichtenbox eronder valt. Voor de weg linksom laat de term ‘gebruik maken’ ruimte voor de uitleg dat daarvan ook reeds sprake is indien de belanghebbende (louter) berichten kan inzien en/of downloaden. En voor de weg rechtsom kan worden verdedigd dat de berichtenbox een systeem voor gegevensverwerking is waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt, omdat de berichtenbox onder verantwoordelijkheid van de minister van BZK / Logius valt. Dat is ook te verdedigen in het licht van de wetsgeschiedenis, althans als daarbij de nadruk wordt gelegd op de passage “Een systeem voor gegevensverwerking waarover de verzender geen controle heeft (…)”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7)</span>De opvatting van de CRvB sluit aan bij diverse uitlatingen van de regering in het kader van het wetsvoorstel WEBB waaruit duidelijk volgt dat de regering van opvatting was dat het plaatsen van een bericht in de berichtenbox onder art. 2:17(1) Awb valt (zie ‎6.15 en ‎6.20, en impliciet ‎6.13). Die opvatting werd bovendien (kennelijk) Kamerbreed gedeeld, gelet op de behandeling van het amendement van Omtzigt. Enerzijds stoelt namelijk het verwerpen van dat amendement mede op het argument dat het amendement het uitgangspunt zou ondergraven dat kort gezegd het tijdstip van plaatsing van een besluit in de berichtenbox heeft te gelden als tijdstip van verzending en daarmee bepalend is voor de inwerkingtreding, althans dat was een argument van de staatssecretaris om het amendement te ontraden (zie ‎6.20). Anderzijds gingen voorstanders van het amendement kennelijk ook uit van de opvatting dat het plaatsen van een bericht in de berichtenbox onder art. 2:17(1) Awb valt, aangezien het impliciete uitgangspunt van het amendement is dat plaatsing van een besluit in de berichtenbox ertoe leidt dat het besluit is bekendgemaakt in de zin van art. 3:41 Awb (zie ‎6.19).</div>\n<p class=\"lf-p\">8.23 Met betrekking tot argument 7) merk ik nog op dat aan mij zou kunnen worden tegengeworpen dat aangezien (i) het hier gaat om de uitleg van art. 2:17 Awb en (ii) de uitlatingen van de regering zijn gedaan (lang) nadat art. 2:17 Awb is ingevoerd, aan die uitlatingen geen bijzonder betekenis toekomt. Die tegenwerping zou als uitgangspunt niet zonder grond zijn. In het kader van een eerdere conclusie heb ik immers geconstateerd dat in jurisprudentie van de Hoge Raad, in verscheidene omschrijvingen, tot uitdrukking komt dat bij de wetsuitlegging geen bijzondere betekenis toekomt aan uitlatingen van de regering anders dan in de totstandkomingsgeschiedenis van de desbetreffende wetsbepaling. Ik meen echter dat in een geval als dit het genuanceerder ligt om meerdere, deels overlappende redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste, het gaat hier niet om een uitlating over de uitleg van art. 2:17 Awb in abstracto, dus niet een uitlating over bijvoorbeeld wat in het algemeen moet worden verstaan onder “gebruik maken van hetzelfde systeem voor gegevensverwerking”, maar om een uitlating over de interpretatie van art. 2:17 Awb in concreto op een relatief nieuwe vorm van elektronisch verkeer. Ten tweede, zeker erop gelet dat ten tijde van de invoering van art. 2:17 Awb het elektronisch verkeer volop in ontwikkeling was (en nog steeds is), kan worden aangenomen dat de wetgever ruimte heeft willen laten voor een zekere mate van dynamische interpretatie indien zich een nieuwe vorm van elektronisch verkeer aandient.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als zich vervolgens zo’n nieuwe vorm aandient, i.c. de berichtenbox, en de formele wetgever uiteindelijk voorziet in een wettelijke grondslag, i.c. art. X WEBB, komt in het licht van de dynamische interpretatie naar mijn mening wel in zekere mate een bijzondere betekenis toe aan uitlatingen die de regering heeft gedaan over hoe die nieuwe vorm van elektronisch verkeer past in het bestaande kader, i.c. de toepassing van art. 2:17 Awb. Ten derde, samenhangend, aan de uitlatingen van de regering komt mijn inziens betekenis toe vanuit het oogpunt van het niet-wetgeven door de formele wetgever bij de totstandkoming van de WEBB. Met dat laatste bedoel ik het volgende. Gelet op de diverse uitlatingen van de regering, waaronder de reactie van de staatssecretaris op het amendement van Omtzigt, kan er geen twijfel over zijn dat de regering voor ogen stond dat met plaatsing van een besluit in de berichtenbox dat besluit wordt bekendgemaakt in de zin van art. 3:41 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lijdt naar mijn mening daarom evenmin twijfel dat als plaatsing van een bericht in de berichtenbox niet onder art. 2:17 Awb zou vallen, de regering in het wetsvoorstel had voorzien in een wijziging van art. 2:17 Awb. Voor de regering bestond echter geen aanleiding om dat te doen (dus: niet-wetgeven), juist omdat zij van opvatting was dat plaatsing van een besluit in de berichtenbox reeds onder art. 2:17 Awb valt. Die opvatting werd bovendien kennelijk gedeeld door het parlement (zie ‎8.22, onder 7).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.24 Ik adviseer dus zonder twijfel aan de Hoge Raad om de opvatting van de CRvB te volgen dat plaatsing van een bericht in de berichtenbox onder art. 2:17 Awb valt. Of dat laatste nu linksom (“hetzelfde systeem”) of rechtsom (“systeem waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt”) het geval is, is een betrekkelijk academische kwestie. Opheldering daarvan draagt bovendien nauwelijks tot niet bij aan de rechtsontwikkeling, aangezien inmiddels art. 2:19 (nieuw) Awb is ingevoerd met een nieuwe tekst, waarbij duidelijk is dat plaatsing van een bericht in de berichtenbox valt onder onderdeel b van dat artikel (zie ‎6.29). Zou zich niettemin een zaak aandienen die ertoe noopt dat de Hoge Raad duidelijkheid geeft in het kader van art. 2:17 Awb, dan zou ik kiezen voor de weg rechtsom, omdat dit aansluit bij de opvatting van de regering tijdens de parlementaire behandeling van de WEBB en goed verenigbaar is met de tekst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie 8.25 Als een belanghebbende kenbaar heeft gemaakt langs elektronische weg ‘bereikbaar’ te zijn voor het ontvangen van berichten in de berichtenbox van een bepaald bestuursorgaan in de zin van art. 2(2) Regeling GDI, dan heeft de belanghebbende daarmee kenbaar gemaakt ‘voldoende bereikbaar’ in de zin van art. 2:14 Awb te zijn voor berichten van dat bestuursorgaan via de berichtenbox. Indien dat bestuursorgaan vervolgens gebruik maakt van zijn bevoegdheid om een besluit te verzenden door plaatsing in de berichtenbox, geldt het tijdstip van plaatsing op grond van art. 2:17(1) Awb als tijdstip van elektronische verzending van dat besluit en daarmee als moment van bekendmaking in de zin van art. 3:41 Awb. Dat geen notificatie van de plaatsing van het besluit is verstuurd of ontvangen, kan daaraan dus niet afdoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijstap: de relevantie van de niet-ontvangst van een notificatie in het kader van overschrijding van de bezwaartermijn 8.26 Dit laatste betekent dat zowel het Hof als belanghebbende ten onrechte uitgaat van de opvatting dat de stelling van belanghebbende over de niet-ontvangst van een notificatie relevant is voor beantwoording van de vraag of de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dit betekent echter nog niet dat die stelling niet anderszins relevant kan zijn voor het geschil of de aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.27 Voordat ik daarop inga, maak ik eerst een zijstap naar de vraag of en zo ja in welk opzicht de niet-ontvangst van een notificatie relevant is in het geval een belanghebbende te laat bezwaar heeft gemaakt als gevolg van het niet-ontvangen van een notificatie over plaatsing van het aangevochten besluit in de berichtenbox. Ik maak die zijstap om twee redenen. Het past in de brede opzet van deze conclusie. Verder dient het de gedachtevorming voor beantwoording van de vraag of de niet-ontvangst van een notificatie relevant is in het kader van een geschil over aanmaningskosten. Bij deze zijstap ga ik uit van de regelgeving zoals die tot 1 januari 2026 van toepassing was. Ook neem ik als uitgangspunt dat sprake is van een opt-in-regime voor het ontvangen van notificaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.28 De zijstap maak ik aan de hand van drie categorieën gevallen die grofweg kunnen worden onderscheiden indien de belanghebbende feitelijk niet een notificatie van plaatsing van het besluit heeft ontvangen. Die categorieën onderscheid ik op basis van de oorzaak van de niet-ontvangst:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>De belanghebbende heeft niet gemeld notificaties te willen ontvangen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2)</span>De belanghebbende heeft wel gemeld notificaties te willen ontvangen, maar er is geen notificatie van plaatsing van het besluit verzonden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3)</span>De belanghebbende heeft wel gemeld notificaties te willen ontvangen en er is een notificatie van plaatsing van het besluit verzonden, maar de notificatie is niettemin niet ontvangen.</div>\n<p class=\"lf-p\">8.29 Bij de behandeling van deze categorieën is relevant dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat ten aanzien van een overschrijding van de bezwaartermijn een niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 6:11 Awb achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat (i) de belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn een bezwaarschrift heeft ingediend als gevolg van een hem niet toe te rekenen omstandigheid, en tevens (ii) de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het bezwaarschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Deze ‘zo spoedig’-termijn is in beginsel zes weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie 2: wel aangemeld, maar notificatie niet verstuurd 8.30 Ik meen dat in een geval van categorie 2 de termijnoverschrijding als uitgangspunt verschoonbaar is op grond van art. 6:11 Awb, aangezien de feitelijke onbekendheid met het besluit als gevolg van de niet-verzending van de notificatie is aan te merken als een niet aan de belanghebbende toe te rekenen omstandigheid zoals bedoeld in ‎8.29. Immers, zoals in de memorie van toelichting bij de WMEBV is opgemerkt: “Een burger die heeft aangegeven een notificatie te willen ontvangen, mag er verder op rekenen dat hij notificaties ontvangt” (‎6.38). De nieuwe bepaling in art. 2:22(1) Awb (zie ‎6.33) vormt mijns inziens in zoverre slechts een codificatie wat al geldend recht was.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.31 Wat betreft de bewijslast wijs ik allereerst op het uitgangspunt in de jurisprudentie dat indien de belanghebbende stelt dat een schriftelijk besluit hem niet heeft bereikt, in die stelling een betwisting van de verzending van dat besluit begrepen ligt. Dat uitgangspunt geldt ook in het geval van een besluit dat is vervat in een e-mail. Dit uitgangspunt is naar mijn mening dienovereenkomstig van toepassing in het geval de belanghebbende stelt dat een notificatie hem niet heeft bereikt. Dit laatste betekent dat in die stelling een betwisting van de verzending van de notificatie besloten ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.32 Voor het regime zoals dat vanaf 1 januari 2026 geldt blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de WMEBV duidelijk dat op het bestuursorgaan de bewijslast rust dat een notificatie is verzonden (zie ‎6.38 en ‎6.41). Ik meen dat deze bewijslastverdeling ook reeds heeft te gelden onder het regime tot 1 januari 2026. Aangezien een burger mag verwachten een notificatie te ontvangen indien hij zich heeft aangemeld voor notificaties, rust mijns inziens op het bestuursorgaan de bewijslast dat de berichtenbox conform de verwachting heeft gewerkt. Bovendien is het bestuursorgaan de meest gerede partij om bewijs te leveren. Ten eerste zou een andere bewijslastverdeling meebrengen dat op de belanghebbende de bewijslast rust van een negatief feit (te weten dat de notificatie niet is verstuurd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tweede kan het bestuursorgaan van Logius de gegevens krijgen over onder meer het verzenden van notificaties – de regelgever heeft voorzien in een (dubbele) grondslag daarvoor (zie ‎5.25-‎5.31). Dat het bestuursorgaan ook feitelijk die gegevens kan krijgen, vindt steun in bijvoorbeeld de in ‎7.26 vermelde uitspraak van gerechtshof Den Haag. Ik merk in dit kader nog op dat deze bewijslastverdeling weliswaar afwijkt van het uitgangspunt dat op de belanghebbende de bewijslast van de feitelijke stellingen die hij aan een beroep op art. 6:11 Awb ten grondslag legt, maar dat afwijking van dat uitgangspunt mogelijk is. Zo’n afwijking is niet zonder precedent, want in het geval het beroep op art. 6:11 Awb is gegrond op de stelling dat het besluit niet is ontvangen, rust op het bestuursorgaan de bewijslast van de ontvangst indien vaststaat dat het besluit is verzonden en de belanghebbende het daaruit volgende bewijsvermoeden van ontvangst heeft ontzenuwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.33 Voor het achterwege blijven van een niet-ontvankelijkverklaring is tevens vereist dat nadat de omstandigheid die tot gevolg heeft gehad dat de bezwaartermijn is overschreden, “zich niet langer voordeed”, het bezwaarschrift in beginsel binnen zes weken is ingediend (zie ‎8.29). De vraag rijst in het verband met categorie 2 wat bepalend is voor ‘zich niet langer voordoen’. Aangesloten zou kunnen worden bij het moment waarop de belanghebbende “kennis heeft genomen van het besluit” conform CRvB AB 2022/270 (zie rov. 4.4.8, geciteerd in ‎7.6), dat dicht lijkt te liggen bij het ‘onder ogen’-criterium dat de Hoge Raad hanteert voor de aanvang van de rechtsmiddeltermijn indien het besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een alternatief is om aan te sluiten bij het mogelijk eerdere moment waarop de belanghebbende ermee is bekend geworden dat het desbetreffende besluit is genomen. Voor dat alternatief pleit dat het pijnpunt niet gelegen is in de niet-ontvangst van het besluit (want dat is wel ontvangen, namelijk in de berichtenbox) maar in het niet-ontvangen zijn van een notificatie over de plaatsing van het besluit in de berichtenbox.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie 3: wel aangemeld, notificatie ook verstuurd, maar niet ontvangen 8.34 Er kunnen allerlei oorzaken zijn waarom een verstuurde notificatie feitelijk niet door de belanghebbende wordt ontvangen. Naast voorbeelden die CBb AB 2025/22 noemt zoals dat de belanghebbende een verkeerd e-mailadres heeft opgegeven of dat de belanghebbende het opgegeven e-mailadres niet meer in gebruik heeft en geen vervangend e-mailadres heeft opgegeven (zie ‎7.12), kan gedacht aan een technische storing of een softbounce (e-mailpostbus van de belanghebbende is vol). Denkbaar is dat in een geval dat onder categorie 3 valt, de termijnoverschrijding verschoonbaar is, maar ik meen dat daarover geen algemene uitspraken kunnen worden gedaan, omdat het te zeer van de omstandigheden van het geval afhangt, niet alleen omstandigheden die direct betrekking hebben op de oorzaak van de niet-ontvangst, maar ook de overige omstandigheden van het geval. Anders gezegd: conform HR BNB 2024/61 zal per geval moet worden beoordeeld of art. 6:11 Awb van toepassing is, waarbij van belang is dat er enige ruimte is om in gevallen waarin de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening van het bezwaarschrift gering is, die termijnoverschrijding niet aan de belanghebbende toe te rekenen. Dat is ook conform de benadering van het CBb in de in ‎7.11-‎7.13 aangehaalde rechtspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie 1: niet aangemeld 8.35 Specifiek over deze categorie heeft de CRvB de principiële uitspraak CRvB AB 2022/270 gedaan (zie ‎7.5-‎7.6). Deze uitspraak heeft navolging gekregen in de fiscale feitenrechtspraak (zie ‎7.16). Gelet op de gezichtspunten/argumenten die in rov. 4.4.1-4.4.5 van die uitspraak zijn vermeld, zou ik in elk geval deze uitspraak in zoverre willen volgen dat het niet-aangemeld zijn voor notificaties niet zonder meer eraan in de weg staat om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten op de grond de belanghebbende geen kennis heeft genomen van het besluit in de berichtenbox als gevolg van de omstandigheid dat hij geen notificatie heeft ontvangen. Of meer positief geformuleerd: de omstandigheid dat de belanghebbende kenbaar heeft gemaakt dat hij via de berichtenbox bereikbaar is evenwel zonder daarbij de optie aan te vinken een notificatie te willen ontvangen, kan een factor zijn die ten positieve meeweegt om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.36 Ik aarzel echter over het volgen van (i) de weg van de CRvB ernaar toe, namelijk via de constructie van een controleplicht voor het bestuursorgaan, en (ii) de daarmee verband houdende regel van de CRvB dat indien de bedoelde controle niet heeft plaatsgevonden, als uitgangspunt heeft gelden dat het ontbreken van een notificatie ertoe leidt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De afwezigheid van een dergelijke controle is naar mijn mening inderdaad een omstandigheid die ten positieve meeweegt om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Maar minstens even relevant lijkt mij of en zo ja welke maatregelen de minister van BZK c.q. Logius heeft genomen om te controleren of het werkelijk de bedoeling van een belanghebbende is dat hij heeft aangegeven via de berichtenbox bereikbaar te zijn zonder dat hij de optie heeft aangevinkt om een notificatie te willen ontvangen en/of om de belanghebbende te informeren over de gevolgen c.q. mogelijke nadelen daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.37 Ik merk daarbij op dat ik uit diverse uitlatingen van de staatssecretaris van BZK op of (mede) naar aanleiding van het in ‎8.3 genoemde rapport ‘Hoezo MijnOverheid’ afleid dát maatregelen zijn of worden genomen. Ik noem in het bijzonder een Kamerbrief van 16 juli 2018, waarin melding wordt gemaakt van twee manieren waarmee invulling is gegeven aan een motie in verband met de problematiek dat sommige burgers een actief MijnOverheid-account hebben maar zonder een e-mailadres te hebben achtergelaten. De ene manier ziet op het activatieproces en de andere manier op het attenderen van bestaande gebruikers: “Ten eerste door de herziening van het activatieproces (…). Dit proces is met hulp van gebruikers opnieuw ontworpen en zal vanaf deze zomer in werking treden. In dat proces krijgt de nieuwe gebruiker stapsgewijs en helder uitgelegd wat het belang en gemak is van notificaties naar een eigen e-mailadres. Verder wordt de gebruiker expliciet gewezen op de gevolgen van de activatie van het account en het eventueel niet opgeven van een e-mailadres.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tweede maatregel bestaat uit het attenderen van bestaande gebruikers die geen e-mailadres hebben opgegeven. Bij later inloggen zien zij een mededeling op het scherm die hen verzoekt alsnog een e-mailadres op te geven. Gebruikers zonder e-mailadres die hier niet op ingaan, moeten halfjaarlijks expliciet akkoord gaan met het niet opgeven daarvan. Halfjaarlijks verschijnt er bovendien bij alle gebruikers een melding om het e-mailadres op juistheid te controleren. Zowel nieuwe als reguliere gebruikers van MijnOverheid worden aldus op nette wijze verleid om de notificatie-optie actief te benutten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.38 Indien en voor zover de minister van BZK c.q. Logius maatregelen heeft genomen, is dat mijns inziens een omstandigheid die de afwezigheid van controle door het bestuursorgaan zelf mogelijk (gedeeltelijk) kan compenseren. Meer in het algemeen: ook indien de bedoelde controle door het bestuursorgaan niet heeft plaatsgevonden, vergt het mijns inziens een beoordeling per geval of de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat de overige relevante omstandigheden zeer kunnen verschillen per geval. Zo lijkt mij een belanghebbende die op enig moment heeft aangegeven via de berichtenbox bereikbaar te zijn zonder dat hij de optie heeft aangevinkt om een notificatie te willen ontvangen maar die nadien niet meer is ingelogd, niet zonder meer vergelijkbaar met een belanghebbende die hetzelfde heeft gedaan maar later wel geregeld heeft ingelogd en de notificatie-optie niet benut ondanks mededelingen die attenderen op het belang daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.39 Ook de CRvB aanvaardt weliswaar dat er omstandigheden aanwezig kunnen zijn waarin aanleiding bestaat voor afwijking van het uitgangspunt van verschoonbaarheid (zie ‎7.6), maar ik zie onvoldoende aanleiding om de toepassing van art. 6:11 Awb specifiek voor deze categorie 1 te ‘persen’ in een regel/uitgangspunt met de mogelijkheid tot afwijking. Mede gelet op de variëteit aan overige omstandigheden zie ik namelijk geen reden voor afwijking van de holistische benadering van HR BNB 2024/61 dat per geval beoordeeld moet worden of art. 6:11 Awb van toepassing is. Dit laatste is bovendien ook de benadering van CBb AB 2025/22 voor andere gevallen waarin een belanghebbende geen notificatie ontvangt (zie ‎7.12 en zojuist ‎8.34). Een voldoende reden om voor deze categorie 1 af te wijken van de holistische benadering, zie ik evenmin in het nieuwe art. 2:22(1) Awb. De daarin neergelegde regel over verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding ziet immers op een wezenlijk ander geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.40 Kortom, ik sta voor om deze categorie 1 ‘gewoon’ te behandelen in het juridisch kader van HR BNB 2024/61. Dit betekent dat de omstandigheid dat de belanghebbende kenbaar heeft gemaakt dat hij via de berichtenbox bereikbaar is evenwel zonder daarbij de optie aan te vinken een notificatie te willen ontvangen, tot het oordeel kan leiden – afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval – dat de verwijtbaarheid van de belanghebbende met betrekking tot de termijnoverschrijding als gering moet worden beschouwd en dat de termijnoverschrijding daarmee niet aan de belanghebbende is toe te rekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijs(leverings)last wat betreft het al dan niet aangemeld zijn voor notificaties 8.41 Uit het voorgaande volgt dat indien de belanghebbende zich erop beroept dat de overschrijding van de bezwaartermijn een gevolg is van feitelijke onbekendheid met het bestreden besluit omdat geen notificatie is ontvangen, het voor de beoordeling van dat beroep relevant is wat de oorzaak van de laatste is. Daarbij is in de eerste plaats relevant of de belanghebbende zich wel of niet had aangemeld om notificaties te ontvangen. Ik meen dat indien daarover onduidelijkheid bestaat, het bestuursorgaan de aangewezen partij is om gegevens daarover aan te dragen. Dat ligt mijns inziens ten eerste in de rede vanuit de optiek dat het aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat zorgvuldig is gehandeld, i.e. dat gehandeld is conform de door belanghebbende opgegeven notificatievoorkeur, waarvan dus onderdeel is wat die voorkeur is. Het ligt ten tweede voor de hand omdat het bestuursorgaan van Logius de gegevens kan krijgen over de notificatie-instellingen. De regelgever heeft bovendien voorzien in een (dubbele) grondslag voor die gegevensverstrekking door Logius (zie ‎5.25-‎5.31). Ten derde sluit deze gegevensaanleveringslast voor het bestuursorgaan aan bij de bewijsleveringslast die is neergelegd in het vanaf 1 januari 2026 van toepassing zijnde art. 2:25 (nieuw) Awb (zie ‎6.41-‎6.42).</p>\n<p class=\"lf-p\">Relevantie van niet-ontvangst van notificatie in het kader van de verschuldigdheid van aanmaningskosten?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.42 Het voorgaande is niet zonder meer mutantis mutandis van toepassing in het kader van de beoordeling of aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht. De regeling in de Kw kent immers niet een bepaling die vergelijkbaar is met art. 6:11 Awb. Het is in dat opzicht niet verwonderlijk dat sommige fiscale feitenrechters (kennelijk) van opvatting zijn dat het überhaupt niet relevant is of een notificatie is ontvangen (zie ‎7.20). Ik merk verder op dat een aandachtspunt is of en zo ja in hoeverre de in art. 7(2) Kw opgenomen verweerbeperking (zie ‎4.6-‎4.8) van toepassing is. Ik geef hierna mijn analyse aan de hand van dezelfde categorieën gevallen zoals onderscheiden in ‎8.28 en in dezelfde volgorde als hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie 2: wel aangemeld, maar notificatie niet verstuurd 8.43 In het geval de belanghebbende zich wel heeft aangemeld om notificaties te ontvangen, maar er vervolgens geen notificatie van plaatsing van de belastingaanslag wordt verstuurd aan de belanghebbende waardoor deze de belastingaanslag niet tijdig betaalt, meen ik dat als uitgangspunt geen aanmaningskosten in rekening gebracht mogen worden. Ik haal nogmaals met instemming de memorie van toelichting bij de WMEBV aan: “Een burger die heeft aangegeven een notificatie te willen ontvangen, mag er verder op rekenen dat hij notificaties ontvangt” (‎6.38). De opvatting dat geen aanmaningskosten in rekening gebracht mogen worden, sluit ook aan bij de nieuwe bepaling in art. 2:22(1) Awb. Daarin is immers bepaald dat indien de kennisgeving (notificatie) niet is verzonden, “de overschrijding van een termijn die is aangevangen met de verzending van het bericht waarop deze kennisgeving betrekking heeft, niet aan de geadresseerde [wordt] tegengeworpen”. Gelet op de tekst (‘een termijn die is aangevangen met de verzending van het bericht’) is deze bepaling niet beperkt tot rechtsmiddeltermijnen. Dat vindt ook expliciet steun in de wetsgeschiedenis, zij het dat daarin bij de voorbeelden van andere termijnen niet een betalingstermijn wordt genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.44 Wat betreft de grond voor mijn opvatting (voor het oude recht tot 1 januari 2026) dat in categorie 2-gevallen als uitgangspunt geen aanmaningskosten in rekening mogen worden gebracht, zie ik twee mogelijkheden. De eerste houdt verband met het vereiste in art. 1 Kw dat de belastingschuldige “in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen” (zie ‎4.4). In HR BNB 2022/140 heeft de Hoge Raad – zij het in het kader van art. 49(1) IW – overwogen dat “[d]e belastingschuldige (…) pas in gebreke [kan] zijn met de betaling van zijn belastingschuld nadat (…) hij in de gelegenheid is geweest van [de belastingaanslag] kennis te nemen” en dat “[d]e belastingschuldige (…) in de regel in de gelegenheid is om kennis te nemen van een belastingaanslag als die aanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (…)” (zie ‎4.5). De bedoelde mogelijkheid is dat een uitzondering op die laatste regel wordt aanvaard in het geval geen notificatie is verstuurd terwijl de belanghebbende zich daarvoor wel heeft aangemeld. Tegen deze mogelijkheid zou kunnen worden ingebracht dat het niet-versturen van een notificatie niet wegneemt dat de belastingschuldige strikt genomen wel in de gelegenheid is om kennis te nemen van de belastingaanslag, namelijk door in te loggen op de berichtenbox. Deze tegenwerping spreekt mij echter niet aan, omdat juist als een belanghebbende zich heeft aangemeld voor notificaties het weinig realistisch is dat hij geregeld uit eigen initiatief inlogt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.45 De tweede mogelijkheid zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel. In de kern: het is in strijd met het vertrouwensbeginsel als geen notificatie wordt verstuurd, terwijl de belanghebbende zich daarvoor wel heeft aangemeld. Als het niet-versturen van een notificatie er vervolgens toe leidt dat de belanghebbende de belastingaanslag niet tijdig betaalt, staat het vertrouwensbeginsel eraan in de weg dat dit aan de belanghebbende wordt tegengeworpen. Het kan ook worden benaderd vanuit het zorgvuldigheidsbeginsel: als niet een notificatie is verstuurd, hoewel de belanghebbende zich daarvoor wel heeft aangemeld, dan verzet het zorgvuldigheidsbeginsel zich ertegen dat de invorderingsambtenaar aanmaningskosten in rekening brengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.46 Wat betreft de bewijslast meen ik dat er geen aanleiding is voor een andere verdeling van de bewijslast dan die in het kader van art. 6:11 Awb. Dat wil zeggen dat in het geval de belanghebbende stelt dat hem niet een notificatie heeft bereikt, op het bestuursorgaan de bewijslast van verzending van de notificatie rust (zie ‎8.31-‎8.32).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.47 Ik merk bij dat laatste ook op dat de in ‎4.6 vermelde in art. 7(2) Kw opgenomen verweerbeperking dat naar mijn mening niet anders maakt. Dat is niet zozeer om de reden dat de notificatie niet wordt genoemd in art. 7(2) Kw. Ik meen namelijk dat indien, zoals ik voorsta, de rechten van een belastingschuldige worden beschermd door de in ‎8.44 bedoelde uitzondering te aanvaarden in het kader van art. 1 Kw voor het geval geen notificatie is verstuurd terwijl de belanghebbende zich daarvoor wel heeft aangemeld, daartegenover staat dat moet worden aanvaard dat een evenwichtige wetstoepassing meebrengt dat de in art. 7(2) Kw opgenomen verweerbeperking ook van toepassing is op de stelling dat de notificatie niet is ontvangen. Dat niettemin naar mijn mening die verweerbeperking de voornoemde bewijslastverdeling niet anders maakt, heeft als reden dat mijns inziens, overeenkomstig het in ‎4.8 vermelde arrest HR BNB 2023/102, art. 7(2) Kw geen betrekking heeft op een verweer voor zover dat inhoudt dat de notificatie niet is verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.48 De vraag kan rijzen of het voorgaande anders wordt indien pas een aanmaning is verstuurd, nadat een schriftelijke betalingsherinnering is verstuurd en de daarin gesteld nadere termijn is verstreken. Betoogd zou namelijk kunnen worden (i) dat de belanghebbende dan door die betalingsherinnering alsnog ervan op de hoogte komt dat hem de belastingaanslag is opgelegd en (ii) dat de belanghebbende dan het verwijt valt te maken dat hij ook binnen de in de betalingsherinnering gestelde termijn niet heeft betaald. Ik zou de vraag echter ontkennend willen beantwoorden. Ik meen dat de belanghebbende niet een feitelijk kortere betaaltermijn zou moeten hebben dan indien de notificatie wel was verstuurd. Anders zou hij een nadeel ondervinden van een niet aan hem toerekenbare fout en zou hij slechter af zijn dan andere belastingschuldigen aan wie wél een notificatie is verzonden. Het gunnen van de normale betaaltermijn zou bovendien in die zin consistent zijn dat het aansluit bij wat in het kader van art. 6:11 Awb geldt (gunnen van een termijn van zes weken, wat overeenkomt met de normale bezwaartermijn; zie ‎8.33 en ‎8.29).</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie 3: wel aangemeld, notificatie ook verstuurd, maar niet ontvangen 8.49 Ik vind het lastiger liggen of voor gevallen die onder categorie 3 vallen, aanvaard zou moeten worden (onder het recht tot 1 januari 2026) dat onder omstandigheden het in rekening brengen van aanmaningskosten achterwege zou moeten blijven. De beide zojuist genoemde juridische gronden in het geval van categorie 2 (art. 1 Kw en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur) steunen in de kern op hetzelfde argument: er is geen notificatie verstuurd, terwijl dat wel had moeten gebeuren. Dat argument valt weg in de gevallen die onder categorie 3 vallen; de notificatie is in die gevallen immers wél verstuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.50 Wat betreft art. 1 Kw zou betoogd kunnen worden dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, er grond kan zijn om (ook) in het geval een verstuurde notificatie niet is ontvangen, een uitzondering op de regel te aanvaarden dat een belastingschuldige in de gelegenheid is om kennis te nemen van een belastingaanslag als die aanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat zou in wezen neerkomen op een soort 6:11 Awb-achtige invulling van het vereiste in art. 1 Kw dat de belastingschuldige “in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen”, in die zin dat van een dergelijk ‘in gebreke zijn’ geen sprake is indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de belastingplichtige in verzuim is geweest. Steun voor die benadering zou kunnen worden gevonden in de omstandigheid dat de wetgever inmiddels van opvatting is en erin heeft voorzien dat de overschrijding van een termijn niet kan worden tegengeworpen aan de belanghebbende indien hij de notificatie niet heeft ontvangen en redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest; zie art. 2:22(2) (nieuw) Awb (zie ‎6.33).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.51 Een grond vinden in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur lijkt (nog) lastiger, omdat van overheidszijde is gedaan wat er moest worden gedaan, i.e. de notificatie versturen. Betoogd zou niettemin kunnen worden dat het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengt dat indien de notificatie niet met succes kan worden bezorgen, de notificatie nogmaals wordt verstuurd of het bestuursorgaan (c.q. Logius) zich inspant de belanghebbende langs andere weg te informeren over het niet kunnen bezorgen van de notificatie. Daarbij kan erop worden gewezen dat een dergelijke verplichting inmiddels is neergelegd in art. 2:11(2) (nieuw) Awb (zie ‎6.32). Betoogd kan worden dat als het bestuursorgaan geen actie onderneemt in het geval de notificatie niet met succes kan worden bezorgd, de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengt dat geen aanmaningskosten in rekening mogen worden gebracht, indien tijdige betaling uitblijft als gevolg van de niet-ontvangst van een notificatie. Daarnaast zou nog betoogd kunnen worden dat het evenredigheidsbeginsel zich onder omstandigheden kan verzetten tegen het in rekening brengen van aanmaningskosten in het geval een notificatie feitelijk niet is ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.52 Ik aarzel echter over het volgen van deze betogen. Zo heeft de in ‎8.50 vermelde 6:11 Awb-achtige benadering van art. 1 Kw in potentie nogal wat uitstralingseffecten naar andere gevallen dan het niet tijdig betaald zijn van een belastingschuld als gevolg van het niet-ontvangen van een notificatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 2:22(2) (nieuw) Awb heeft in dat opzicht het voordeel van maatwerk. En zo kan tegen het in ‎8.51 vermelde betoog betreffende het zorgvuldigheidsbeginsel worden ingebracht dat een bestuursorgaan vóór 1 januari 2026 redelijkerwijs niet erop bedacht hoefde te zijn dat op hem de beschreven zorgplicht rustte. Anders gezegd: art. 2:11(2) (nieuw) Awb moet niet worden gezien als codificatie van wat rechtens was, maar als modificatie. En wat betreft het evenredigheidsbeginsel is de ruimte om daaraan te toetsen zeer beperkt. Aangezien – gelet op de tekst van art. 1 en 2 Kw – het besluit om kosten in rekening te brengen voor het verzenden van een aanmaning berust op een gebonden bevoegdheid die haar grondslag vindt in een wet in formele zin, is immers toetsing van dat besluit aan het evenredigheidsbeginsel slechts mogelijk voor zover zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Tijdens de parlementaire behandeling van de WEBB is aandacht geweest voor de vraag voor wiens risico gebreken in de notificatie komen (zie ‎6.16). Bovendien geldt ook nog een ‘zozeer’-drempel: de juiste wetstoepassing blijft achterwege indien die niet-verdisconteerde bijzondere omstandigheden tot gevolg hebben dat de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Bij een bedrag van € 8 lijkt mij die drempel voorshands te hoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.53 Ik neig ertoe dat het verstandig is voor de Hoge Raad om voor de periode tot het nieuwe regime per 1 januari 2026 terughoudend te zijn met rechtsvorming wat betreft deze categorie 2. Het gaat in wezen om een overgangsperiode aangezien art. 2:22(2) (nieuw) Awb een specifieke regeling bevat voor de gevolgen van het niet-ontvangen van een notificatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie 1: niet aangemeld 8.54 Ik vind het ook lastiger liggen of voor gevallen die onder de categorie 1 vallen, de opvatting aanvaard zou kunnen worden (onder het recht tot 1 januari 2026) dat onder omstandigheden het in rekening brengen van aanmaningskosten achterwege zou moeten blijven. Een aanknopingspunt voor die opvatting zie ik niet direct in art. 1 Kw. Immers, in het geval de belanghebbende niet heeft gemeld notificaties te willen ontvangen, zie ik in de omstandigheid dat geen notificatie is ontvangen geen grond om een uitzondering te aanvaarden op de regel dat de belanghebbende in de gelegenheid is om kennis te nemen van een belastingaanslag als die aanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.55 Wat betreft de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zie ik voor die opvatting in het evenredigheidsbeginsel evenmin een aanknopingspunt. Nog daargelaten dat er nauwelijks ruimte is om aan dat beginsel te toetsen (zie ‎8.52), zie ik niet direct in wat er onevenredig zou kunnen zijn aan het in rekening brengen van aanmaningskosten in het geval geen notificatie is ontvangen indien niet is aangemeld voor zo’n notificatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.56 Een aanknopingspunt zou wellicht wel kunnen worden gevonden in het zorgvuldigheidsbeginsel gelet op CRvB AB 2022/270, aangehaald en geciteerd in ‎7.5-‎7.6. Het is in dat verband goed om een onderscheid te maken tussen enerzijds rov. 4.4.6 (en rov. 4.4.7) in de uitspraak over wat het zorgvuldigheidsbeginsel en het belang van toegang tot de rechter meebrengen voor het bestuursorgaan, en anderzijds rov. 4.4.8 (en rov. 4.4.9) over wat het gevolg is indien het bestuursorgaan niet voldoet aan de vereiste zorgvuldigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.57 Wat de CRvB in rov. 4.4.6 overweegt over de controleplicht is algemeen geformuleerd. Als wordt uitgegaan van de opvatting van de CRvB zou de controleplicht dus ook gelden voor de heffingsambtenaar c.q. de invorderingsambtenaar die door plaatsing in de berichtenbox een naheffingsaanslag parkeerbelasting wil bekendmaken aan een belanghebbende die niet heeft geopteerd om notificaties te willen ontvangen. In dat opzicht ben ik het niet eens met de Invorderingsambtenaar die als relevant verschil ziet dat het hier gaat om een fiscale zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.58 Wat de CRvB in rov. 4.4.8 overweegt ziet specifiek op de gevolgen van het verzaken van de controleplicht in het kader van de toepassing van art. 6:11 Awb. In dat kader overweegt de CRvB dat “de rechtsbescherming van de burger [moet] prevaleren boven het belang van het bestuursorgaan dat is gemoeid met het vast komen te staan van de rechtsverhouding tussen deze burger en het bestuursorgaan”. Zelfs als de CRvB wordt gevolgd in zijn opvatting over de controleplicht, kan aan CRvB AB 2022/270 dus niet rechtstreeks worden ontleend wat het gevolg is van het verzaken van de controleplicht buiten het kader van toepassing van art. 6:11 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.59 De vraag is aldus óf CRvB zou moeten worden gevolgd in zijn opvatting over de controleplicht voor het bestuursorgaan, en zo ja, of het verzaken van de controleplicht als uitgangspunt zou moeten meebrengen dat het in rekening brengen van aanmaningskosten achterwege moet blijven indien de belastingaanslag niet tijdig is betaald doordat geen notificatie is ontvangen. Voor een bevestigende beantwoording van beide vragen pleit de rechtsbescherming. Tegen een bevestigende beantwoording pleit dat het belang bij rechtsbescherming in die zin niet zwaarwegend is dat het betrokken bedrag van € 8 (zeer) gering is, al zou daartegenover weer kunnen worden gesteld dat het belang van de overheid gelet op dat bedrag evenmin groot is (“de minimis non curat praetor”, aldus Damen in zijn AB-noot bij de in ‎7.18 vermelde uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen een bevestigende beantwoording pleit ook dat de CRvB wel erg veel de nadruk legt op controle door het bestuursorgaan. Zoals eerder opgemerkt (‎8.36-‎8.38) lijkt mij minstens even relevant of en zo ja welke maatregelen de minister van BZK c.q. Logius heeft genomen. Zou echter per geval moeten worden bekeken (en gewogen) of en zo ja welke maatregelen het bestuursorgaan en/of de minister van BZK c.q. Logius hebben genomen en welke ervan de belanghebbende hebben ‘bereikt’, dan rijst de vraag of een dergelijke fijnmazige benadering wel in verhouding staat tot het geringe bedrag van € 8 aan aanmaningskosten. Een fijnmazige benadering kan bovendien meebrengen dat – al dan niet met rechtsbijstand op no cure no pay-basis – (nog) meer rechterlijke procedures over aanmaningskosten worden gevoerd, wat mij uit het maatschappelijk oogpunt (zeer) ongewenst lijkt gelet op enerzijds het beslag dat het legt op de (schaarse) rechterlijke capaciteit en de hoge maatschappelijke kosten daarvan en anderzijds het betrokken belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat opzicht valt een ruwe regel voor categorie 1 te prefereren.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.60 Al met al gaat ook wat betreft deze categorie 1 mijn voorkeur ernaar uit dat de Hoge Raad voor de periode tot het nieuwe regime per 1 januari 2026 terughoudendheid betracht. Het gaat in wezen om een overgangsperiode, omdat art. 2:10 (nieuw) Awb een notificatieplicht voor het bestuursorgaan kent met een opt-out-mogelijkheid voor de burger (zie ‎6.31). Ik zou daarom de benadering van CRvB AB 2022/270 niet willen doortrekken naar aanmaningskosten. Dit betekent dat wat betreft het in rekening gebracht krijgen van aanmaningskosten het als uitgangspunt voor risico van de belanghebbende komt dat hij zich niet heeft aangemeld voor notificaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijs(leverings)last wat betreft het al dan niet aangemeld zijn voor notificaties 8.61 Uit het voorgaande volgt dat indien de belanghebbende als verweer tegen het in rekening gebracht krijgen van aanmaningskosten voert dat hij niet bekend was met de belastingaanslag omdat hij geen notificatie heeft ontvangen, het voor de beoordeling van dat verweer relevant is of de belanghebbende zich wel of niet had aangemeld om notificaties te ontvangen. Ik meen dat indien over dat laatste onduidelijkheid bestaat, het om de redenen die zijn vermeld in ‎8.41 aan het bestuursorgaan is om daarover gegevens aan te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Beschouwing over de zaak Het middel als zodanig 9.1 Voor het Hof was niet in geschil dat belanghebbende kenbaar heeft gemaakt dat hij voldoende bereikbaar is voor verzending van berichten zoals de onderhavige naheffingsaanslag door plaatsing in de berichtenbox van MijnOverheid (zie ‎2.1). Daaruit volgt dat de Heffingsambtenaar op grond van art. 2:14 Awb bevoegd was de naheffingsaanslag te verzenden aan belanghebbende door plaatsing ervan in die berichtenbox. Ook dat was voor het Hof niet in geschil. Voor het Hof was evenmin in geschil dat de naheffingsaanslag is geplaatst in de berichtenbox op 11 mei 2022 (zie ‎2.1). Op grond van art. 2:17(1) Awb heeft naar mijn mening het moment van plaatsing van de naheffingsaanslag in de berichtenbox te gelden als moment waarop de naheffingsaanslag is verzonden (zie ‎8.14-‎8.24). Uit art. 3:41 Awb vloeit dan vervolgens voort dat de naheffingsaanslag is bekendgemaakt door die plaatsing op 11 mei 2022. Uit art. 3:40 Awb volgt dan dat de naheffingsaanslag in werking is getreden door die bekendmaking, nu de naheffingsaanslag niet anders bepaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2 Dit betekent dat het oordeel van het Hof juist is dat de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, al zijn ’s Hofs overwegingen daartoe in rov. 5.3 over de e-mailnotificatie niet relevant. Het betekent ook dat het middel als zodanig faalt, nu het stelt dat het Hof art. 3:40 in verbinding met art. 3:41 Awb heeft geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3 Nu bovendien het middel noch de toelichting de klacht bevat dat het Hof art. 8:69(2) Awb heeft geschonden door de stelling van belanghebbende over de niet-ontvangst van een notificatie (alleen) op te vatten als een betwisting dat de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, zou het middel strikt genomen niet tot cassatie kunnen leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4 Deze strikte lezing van het middel doet echter geen recht aan wat belanghebbende aanvoert. Belanghebbende is door het Hof op het verkeerde been gezet dat het al dan niet ontvangen zijn van een notificatie relevant is voor bekendmaking van de naheffingsaanslag. Het is bovendien evident dat de strekking van het betoog van belanghebbende is dat de aanmaningskosten niet in rekening mochten worden gebracht omdat hij geen notificatie heeft ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5 Ik meen daarom dat de klachten in cassatie over de oordelen van het Hof over de gestelde niet-ontvangst van de notificatie, moeten worden beoordeeld uitgaande van het juiste kader wat betreft de betekenis van de niet-ontvangst van een notificatie voor beantwoording van de vraag of de aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.6 Een complicatie van rechtskundige aard daarbij is dat dit kader nog niet zo duidelijk is. Mijn opvatting over dat kader heb ik gegeven in ‎8.42-‎8.61. Die opvatting houdt in dat het niet-ontvangen van een notificatie kan meebrengen dat het in rekening brengen van aanmaningskosten achterwege moet blijven. Dat is in het bijzonder het geval indien de belastingschuldige heeft gemeld notificaties te willen ontvangen, maar geen notificatie is verstuurd van plaatsing van de desbetreffende belastingaanslag in de berichtenbox. Voor deze zaak betekent dit dat belang kan toekomen aan beoordeling van de klachten tegen de oordelen van het Hof over de gestelde niet-ontvangst van de notificatie. Dit brengt mij bij een tweede complicatie, die zaakspecifiek is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Complicatie: hoe bewijsoverwegingen Hof te lezen?</p>\n<p class=\"lf-p\">9.7 Complicatie bij de beoordeling van de klachten is dat het (mij) niet duidelijk is wat het Hof nu precies heeft geoordeeld in rov. 5.3 (hier geciteerd in ‎2.10). Het is evident dat het Hof tot een oordeel is gekomen over ‘de functie om e-mailnotificaties te ontvangen’, namelijk dat belanghebbende “geen feiten en omstandigheden [heeft aangedragen; MP] op grond waarvan kan worden geoordeeld dat aannemelijk is dat de functie om e-mailnotificaties te ontvangen ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag was uitgeschakeld”.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.8 Het is mij echter ook nadat ik rov. 5.3 meermalen heb herlezen, niet volledig duidelijk hoe ver het in de eerste zin van rov. 5.3 gegeven bewijsoordeel strekt dat “belanghebbende (…) niet aannemelijk [heeft] gemaakt dat geen e-mailnotificatie of vergelijkbare melding naar hem is verzonden”. Die onduidelijkheid zit niet in de ‘uitkomst’, te weten dat het Hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat geen e-mailnotificatie is verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.9 De onduidelijkheid betreft wat het Hof precies heeft beoordeeld in het kader van zijn bewijsoordeel over de verzending van een e-mailnotificatie c.q. wat zijn bewijsoordeel nu precies inhoudt. Ik twijfel tussen twee lezingen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>Het bewijsoordeel betreft in wezen enkel, althans is enkel gebaseerd op, het in ‎9.7 vermelde oordeel over het niet-uitgeschakeld zijn van de functie om e-mailnotificaties te ontvangen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2)</span>Het bewijsoordeel omvat niet alleen het oordeel over het niet-uitgeschakeld zijn van de functie om e-mailnotificaties te ontvangen, maar houdt ook een oordeel over de verzending als zodanig in, i.e. dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat een e-mailnotificatie niet is verzonden.</div>\n<p class=\"lf-p\">9.10 Als de eerste zin van rov. 5.3 geïsoleerd wordt gelezen, lijkt lezing 2 voor de hand te liggen. Er staat immers wat er staat: “belanghebbende (…) [heeft] niet aannemelijk [heeft] gemaakt dat geen e-mailnotificatie of vergelijkbare melding naar hem is verzonden”. Voor lezing 2 pleit naar mijn mening ook de context van wat belanghebbende in hoger beroep heeft betoogd. Zie daarvoor de citaten in ‎2.8-‎2.9. De kern daarvan lijkt me bovendien adequaat weergegeven door het Hof in de eerste drie zinnen van rov. 5.1. Het betoog houdt in de kern in dat belanghebbende geen e-mailnotificatie heeft ontvangen. Ik lees in het betoog daarbij niet een beperking tot de stelling dat dit komt omdat belanghebbende de e-mailnotificatie niet heeft ingeschakeld. Belanghebbende verwijst weliswaar naar CRvB AB 2022/270, maar ik begrijp die verwijzing zo dat hij dat in de eerste plaats doet naar ter onderbouwing van zijn stelling dat de naheffingsaanslag hem niet heeft bereikt en ter onderbouwing van het belang van een e-mailnotificatie. Dat belanghebbende ter zitting ook specifiek heeft verwezen naar rov. 4.4.6 van CRvB AB 2022/270, is in reactie op het verweerschrift in hoger beroep van de Invorderingsambtenaar. Uit die verwijzing kan naar mijn mening niet de zojuist bedoelde beperking worden afgeleid, maar hooguit dat als de e-mailnotificatie niet ingeschakeld zou zijn geweest, een beroep op die rov. 4.4.6 wordt gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.11 Als de eerste zin van rov. 5.3 echter in de context van de daarop volgende onderbouwing wordt gelezen, dan ligt veeleer lezing 1 voor de hand en lezing 2 juist niet. De onderbouwing ziet immers in het geheel niet op de verzending als zodanig.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.12 Het kan bovendien voor de beoordeling in cassatie relevant zijn hoe het oordeel van het Hof moet worden begrepen, zeker in het geval lezing 1 wordt gecombineerd met een strenge lezing van het beroepschrift in cassatie. Als in dat geval namelijk in cassatie stand zou houden het oordeel van het Hof over het niet-uitgeschakeld zijn van de functie om e-mailnotificaties te ontvangen, dan zou de klacht over de bewijslastverdeling met betrekking tot de verzending als zodanig niet tot cassatie kunnen leiden, omdat – uitgaande van lezing 1 – (a) het Hof geen oordeel heeft gegeven over de verzending als zodanig, en – uitgaande van een strenge lezing van het beroepschrift in cassatie – (b) er geen klacht is die inhoudt dat het Hof heeft verzuimd een oordeel daarover te geven dan wel dat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is doordat het geen oordeel daarover heeft gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.13 Gelet op hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd (zie zojuist ‎9.10), meen ik evenwel dat lezing 1 in combinatie met een strenge lezing van het beroepschrift in cassatie geen recht doet aan de zaak. Ik meen dat uitgegaan moet worden van óf lezing 2 óf van lezing 1 en een niet-strenge lezing van het beroepschrift in cassatie. Mijn voorkeur gaat daarbij uit naar lezing 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste onderdeel van de toelichting (punt 2-4) 9.14 Het eerste onderdeel klaagt over de verdeling van de bewijslast door het Hof, zoals die blijkt uit de eerste volzin en de derde volzin van rov. 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.15 Ik meen dat dit onderdeel slaagt. Aangezien belanghebbende voor het Hof heeft gesteld dat hij niet op de hoogte is gebracht van de naheffingsaanslag door middel van een e-mailnotificatie, rustte op de Invorderingsambtenaar de stelplicht en bewijslast dat de plaatsing van de naheffingsaanslag in de berichtenbox is gebeurd met inachtneming van wat belanghebbende destijds ingesteld had staan wat betreft het ontvangen van een notificatie van het plaatsen van een bericht in de berichtenbox. Dit brengt mee dat het aan de Invorderingsambtenaar is om gegevens aan te dragen op basis waarvan kan worden vastgesteld of de notificatiefunctie was ingeschakeld (zie ‎8.61 en ‎8.41), en zo dat het geval is, bewijs te leveren dat een notificatie is verstuurd (zie ‎8.46 en ‎8.31-‎8.32). Het Hof heeft dit een en ander miskend.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.16 Opmerking verdient dat de naheffingsaanslag weliswaar dateert van vóór de in ‎5.24 vermelde wijziging per 12 juli 2023 van wat thans het Besluit digitale overheid is, waarmee is voorzien in een grondslag voor verstrekking van meer gegevens door Logius aan bestuursorganen, maar dat die grondslag naar mijn mening ook geldt voor gegevens van vóór 12 juli 2023 (zie ‎5.32). Die grondslag was er bovendien ook al ten tijde van de procedure voor het Hof. Overigens was het kennelijk al vóór 12 juli 2023 in de praktijk mogelijk voor een bestuursorgaan, althans voor de Belastingdienst, om gegevens over het versturen van notificaties van Logius te verkrijgen (zie het citaat in ‎6.20).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan het eerste onderdeel tot cassatie leiden: de betekenis van de betalingsherinnering?</p>\n<p class=\"lf-p\">9.17 Het Hof maakt in rov. 2.2 van zijn uitspraak melding van een betalingsherinnering die is verstuurd aan belanghebbende (zie ook ‎2.1). Dat is in cassatie niet bestreden. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat in cassatie kan worden aangenomen dat deze betalingsherinnering (wel) per post is verzonden aan belanghebbende. De Invorderingsambtenaar heeft daarop namelijk gewezen in zijn uitspraak op bezwaar, alsmede in het verweerschrift voor de Rechtbank. Belanghebbende heeft niet betwist dat deze betalingsherinnering is ontvangen. Dit een en ander betekent mijns inziens dat in cassatie ook ervan kan worden uitgegaan dat deze betalingsherinnering is ontvangen door belanghebbende. Dit betekent dat belanghebbende in elk geval door deze betalingsherinnering op de hoogte is gekomen van de naheffingsaanslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.18 De vraag rijst of de omstandigheid dat belanghebbende in elk geval door de betalingsherinnering op de hoogte is gekomen van de naheffingsaanslag, meebrengt dat de aanmaningskosten hoe dan ook in rekening mochten worden gebracht, dus ook als geen notificatie zou zijn verstuurd. In dat geval zou cassatie achterwege kunnen blijven. Ik meen dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord (zie ‎8.48).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede onderdeel van de toelichting (punt 5-6) 9.19 Het tweede onderdeel betoogt dat gelet op CRvB AB 2022/270, anders dan het Hof heeft overwogen, een e-mailnotificatie verplicht is. Nog daargelaten dat uit CRvB AB 2022/270 niet volgt dat een e-mailnotificatie verplicht is, begrijp ik dit onderdeel in die zin niet goed dat het Hof zich niet heeft uitgelaten over het al dan niet verplicht zijn van een e-mailnotificatie. Daartoe bestond voor het Hof ook geen aanleiding, nu het immers van oordeel was dat niet aannemelijk is gemaakt dat geen e-mailnotificatie is verzonden. Verder heeft het tweede onderdeel denkelijk betrekking op de afwijzing door het Hof van het beroep op CRvB AB 2022/270 en houdt het onderdeel in dat het Hof ten onrechte de benadering in CRvB 2022/270 niet heeft gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in dat opzicht berust het onderdeel op een verkeerde lezing van de uitspraak van het Hof. Het Hof heeft het beroep op CRvB AB 2022/270 niet afgewezen op grond van een van de CRvB afwijkende rechtskundige opvatting, maar om de reden dat de feitelijke situatie in de onderhavige zaak verschilt van de situatie waarvoor CRvB AB 2022/270 een rechtskader geeft. Het onderdeel lijkt het Hof een verkeerde rechtsopvatting te verwijten maar het gaat daarbij uit van een feitelijke situatie – te weten dat belanghebbende niet op de hoogte is gebracht via een e-mailnotificatie –, waarover het Hof juist heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat die situatie zich voordoet. Kortom, het tweede onderdeel kan niet tot cassatie leiden, omdat het berust op een verkeerde lezing van de uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelf afdoen of verwijzen? Handvatten voor de verwijzingsrechter?</p>\n<p class=\"lf-p\">9.20 Mocht de Hoge Raad mij volgen in (i) de opvatting dat de niet-ontvangst van een notificatie relevant kan zijn voor de beoordeling of de aanmaningskosten in rekening mochten worden gebracht, en (ii) de beoordeling dat het eerste onderdeel van de toelichting tot cassatie leidt, dan dient de zaak verwezen te worden voor een onderzoek in volle omvang of terecht aanmaningskosten in rekening zijn gebracht. Daarbij zal de verwijzingsrechter nieuw feitelijk onderzoek moeten doen naar aanleiding van de stelling van belanghebbende dat hij geen notificatie heeft ontvangen van de plaatsing van de naheffingsaanslag in de berichtenbox. In dat verband dient het verwijzingshof in de eerste plaats te onderzoeken of belanghebbende ten tijde van die plaatsing had gemeld notificaties te willen ontvangen van plaatsing van berichten in de berichtenbox. Op de Invorderingsambtenaar rust de last om gegevens daarover aan te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.21 Na het feitelijk onderzoek zal de verwijzingsrechter vervolgens een oordeel moeten geven over de juridische gevolgen die aan het vastgestelde feitencomplex moeten worden verbonden voor het geschil over de aanmaningskosten. Het kan dienstig zijn voor de verwijzingsrechter, indien de Hoge Raad daarvoor handvatten geeft. Mijn opvatting over verschillende gevalstypen heb ik gegeven in ‎8.42-‎8.61.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Conclusie Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie gegrond te verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Hof, rov. 4.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot dit oordeel is de Rechtbank gekomen in rov. 4.3 van haar uitspraak. Dat oordeel is in hoger beroep niet bestreden en staat trouwens ook in cassatie niet ter discussie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Rotterdam 10 november 2023, RBROT:2023:10616.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 19 september 2024, nr. BK-23/1195 (ongepubliceerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174, AB 2022/270.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1337, BNB 2022/140.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 135, nr. 3, p. 18: ““Het voorgestelde artikel 7 (…) bevat een beroepsmogelijkheid tegen de kosten van vervolging die niet voortspruiten uit de gerechtelijke tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Deze kosten betreffen de aanmaningskosten en de betekeningskosten van het dwangbevel.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 23 december 2010, Stb. 2010, 873, artikel XXI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover A-G Wattel in zijn conclusie van 10 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BG4156.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010/11, 32 505, nr. 3, p. 11 en p. 43-44.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4156, BNB 2009/246.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:785, BNB 2023/102.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 3, p. 21: “Voorbeelden zijn de berichtenbox voor burgers op MijnOverheid en de berichtenbox voor bedrijven op Ondernemersplein.nl. Ook de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) maakt van een berichtenbox gebruik. Onder meer de Belastingdienst en het UWV maken reeds gebruik van MijnOverheid.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/6, 29 362, nr. 86.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stcrt. 2008, 32, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/6, 29 362, nr. 86, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 31 mei 2007, Stcrt. 2007, 102, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 24 december 2007, Stcrt. 2007, 249, p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook G. Overkleeft-Verburg, De Belastingdienst en zijn digitale burger: spanning tussen ambities, uitvoeringsrealiteit en juridisch kader, MBB 2014, afl. 7-8, p. 321.</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Overkleeft-Verburg, De Belastingdienst en zijn digitale burger: spanning tussen ambities, uitvoeringsrealiteit en juridisch kader, MBB 2014, afl. 7-8, par.10 en 11; zo spreekt de auteur over ‘zeer zwak geregeld’ (p. 321).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 29 april 2004, Stb. 2004, 214, art. I; inwerkingtreding geregeld bij Besluit van 25 mei 2004, Stb. 2004, 260.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 14 oktober 2015, Stb. 2015, 378, art. I(A); inwerkingtreding geregeld bij Koninklijk Besluit van 14 oktober 2015, Stb. 2015, 379.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken 33 714. Zie over de berichtenbox bijv. de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2012/13, 33 174, nr. 3), p. 18-20 Zie Kamerstukken II 2018/19, 33 714, nr. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2014/15, 31 066, nr. 226, p. 3 en Kamerstukken II 2014/15, 34 196 en 33 714, nr. 5, p. 1-2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover uitgebreider bijv. S.C.W. Douma e.a., Algemene wet inzake rijksbelastingen, Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 3.5.2 en 3.5.3 Wet van 14 oktober 2015, Stcrt. 2015, 378.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 196, nr. 3, p. 10-11; vgl. ook p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 196, nr. 3, p. 11-12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling van 23 oktober 2015, nr. 2015-609536, Stcrt. 2015, 37158; inwerkingtreding geregeld in art. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting in Stcrt. 2015, 37158, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 17 mei 2016, Stb 2016, 195; de inwerkingtreding en de terugwerkende kracht zijn geregeld in art. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting, Stb 2016, 195, p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting, Stb 2016, 195, p. 10. Logius is aangewezen als organisatie die tot taak heeft ervoor te zorgen dat “burgers en bedrijven betrouwbaar, snel, groen en gemakkelijk elektronisch zaken met hen kunnen doen”, (Besluit van 3 april 2014, nr. 2014-0000193200, Stcrt. 2014, 11520, en opgevolgd door het Organisatiebesluit BZK van 25 juni 2020, Stcrt. 2020, 33401, art. 20). Zie voor de website: www.logius.nl Het Besluit persoonsgegevens spreekt van ‘een gebruiker van MijnOverheid’. Dat is “een natuurlijk persoon die is ingeschreven in de basisregistratie personen, in het bezit is van een burgerservicenummer, en voor wie een MijnOverheid-account beschikbaar is” (art. 1 Besluit persoonsgegevens).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Besluit persoonsgegevens spreekt van een ‘afnemer van MijnOverheid’. Dat is “een overheidsorgaan dat, of een rechtspersoon met een wettelijke taak, niet zijnde een overheidsorgaan, die bij de uitoefening van zijn taak of bevoegdheid gebruik maakt van MijnOverheid”, (art. 1 Besluit persoonsgegevens).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting, Stb 2016, 195, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 24 maart 2023, Stb. 2023, 158; inwerkingtreding geregeld bij Koninklijk Besluit van 26 april 2023, Stb. 2023, 160.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2017/18, 34 972, nr. 3, p. 68.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 3 juni 2024, Stb. 2024, 147.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de toelichting in Stcrt. 2023, 13657, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2020/21, 34 972, nr. L, p. 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling van 8 mei 2023, nr. 2023-0000244781, Stcrt. 2023, 13657; inwerkingtreding geregeld in art. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de toelichting in Stcrt. 2023, 13657, p. 5 en 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het wijzigingenoverzicht van de regeling op wetten.overheid.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling van 7 maart 2024, nr. 2024-0000133389, Stcrt. 2024, 8894.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 28 juni 2023, Stb. 2023, 250; inwerkingtreding geregeld in art. II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit 30 oktober 2023, Stb. 2023, 390; inwerkingtreding geregeld bij het besluit van 30 oktober 2023, Stb. 2023, 391.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 30 oktober 2023, Stb. 2023, 390, art. I(S).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting bij het Besluit van 30 oktober 2023, Stb. 2023, 390, p. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Besluit van 30 oktober 2023, Stb. 2023, 390, art. I(H) voorziet in toevoeging (en niet invoeging) van een onderdeel c, terwijl art. 8 op dat moment reeds een onderdeel c (en een onderdeel d) kende en de toevoeging niet gepaard is gegaan met een herlettering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 28 juni 2023, Stb. 2023, 250, art. I(D).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Besluit van 30 oktober 2023, Stb. 2023, 390, art. I(H).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting bij het besluit van 28 juni 2023, Stb. 2023, 250, p. 9-10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting bij het besluit van 28 juni 2023, Stb. 2023, 250, p. 13-14. Ik merk op dat het artikelsgewijze deel van de nota van toelichting (p. 24) inhoudelijk geen nadere toelichting bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting bij het besluit van 30 oktober 2023, Stb. 2023, 390, p. 51.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting bij het besluit van 30 oktober 2023, Stb. 2023, 390, p. 51.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het wijzigingenoverzicht van het besluit op wetten.overheid.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 15 februari 2024, Stb. 2024, 48.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van 28 februari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:277, punt 4.2-4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1728.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2001/02, 28 483, nr. 3, p. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 24 december 2007, Stcrt. 2007, 249, p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Overkleeft-Verburg, De Belastingdienst en zijn digitale burger: spanning tussen ambities, uitvoeringsrealiteit en juridisch kader, MBB 2014, afl. 7-8, p. 323.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Nationale ombudsman, Hoezo MijnOverheid?. Onderzoek naar knelpunten voor burgers bij MijnOverheid / de Berichtenbox, 6 september 2017, rapportnr. 2017/098, p. 38-41, te vinden via www.nationaleombudsman.nl/publicaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Overkleeft-Verburg, De Belastingdienst en zijn digitale burger: spanning tussen ambities, uitvoeringsrealiteit en juridisch kader, MBB 2014, afl. 7-8, p. 323.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 196, nr. 3, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling van 23 oktober 2015, nr. 2015-609536, Stcrt. 2015, 37158, p. 8 en 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting, Stb 2016, 195, p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting, Stb 2016, 195, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 196, nr. 4, p. 6-7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 196, nr. 4, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, nr. 33 714 en 34 196, nr. 5, p. 4. Zie voor een vergelijking met bezorging van een bericht per post ook Kamerstukken II 2014/15, 34 196, nr. 18, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 196, nr. 7, p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 196, nr. 7, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 196, nr. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 196, nr. 14, p. 2. Deze opvatting van het Tweede Kamerlid kwam al naar voren in een wetgevingsoverleg; zie Kamerstukken II 2014/15, 34 196, nr. 18, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 196, nr. 16, p. 1-2. Vgl. eerder ook al de reactie van de staatssecretaris tijdens een wetgevingsoverleg naar aanleiding van vragen of een e-mailnotificatie niet een juridische status kan krijgen, Kamerstukken II 2014/15, 34 196, nr. 18, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 2014/15, nr. 104, 2 juli 2015, item 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2015/16, 34 196, nr. B, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen I 2015/16, nr. 3, 6 oktober 2025, item 9, p. 2, 3 en 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen I 2015/16, nr. 3, 6 oktober 2025, item 9, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 10 mei 2023, Stb. 2023, 183. Zie voor de inwerkingtreding het Besluit van 22 oktober 2024, Stb. 2024, 321. Opmerking verdient dat enige tekstuele wijzigingen zijn doorgevoerd in de wijzigingen door de WEMBV bij de Wet van 23 oktober 2024 (Verzamelwet BZK 2024), Stb. 2024, 391, art. XXIV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 3, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie uitgebreider over de WMEBV bijv. A. Drahmann, Een nieuwe wettelijke regeling voor elektronisch verkeer met de overheid, Computerrecht 2025/164, p. 316 e.v. en C.L.G.F.H. Albers, Elektronisch verkeer met de overheid anno 2025, NTB 2024/425, p. 611 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 3, p. 4-5, waaruit ook volgt dat voor deze formulering is gekozen in verband met de wens de wetsartikelen techniekonafhankelijk te formuleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 3, p. 27-28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 3, p. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 22 oktober 2024, Stb. 2024, 321.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019/20, 35 261, nr. 8, p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 10 mei 2023, Stb. 2023, 183, art. I(D). De tekst van het derde lid van art. 2:10 Awb is aangepast bij de Wet van 23 oktober 2024 (Verzamelwet BZK 2024), Stb. 2024, 391, art. XXIV, maar dat is niet meer dan een wetstechnische aanpassing in verband met de invoering van de WDO en het vervallen van art. X WEBB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvankelijk was in het wetsvoorstel een regeling voor zowel een onbezorgd bericht als een onbezorgde notificatie opgenomen in het eerste lid van art. 2:10 Awb (zie Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 2, p. 3 voor de tekst en Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 3, p. 23-24 voor de toelichting), maar dat is gewijzigd bij nota van wijziging om onderscheid te maken tussen het geval van een onbezorgd bericht en dat van een onbezorgde notificatie; zie Kamerstukken II 2019/20, 35 261, nr. 8, p. 1 (tekst) en p. 3 (toelichting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat kan ook om een andere termijn gaan dan een termijn waarbinnen een bezwaar- of beroepschrift moet zijn ingediend; zie Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 3, p. 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 3, p. 20-24 (algemeen deel) en p. 41-43 (artikelsgewijs).</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de nieuwe regeling niet van toepassing is op deze zaak, behandel ik de parlementaire geschiedenis van de WMEBV wat betreft het notificeren niet in extenso, maar richt ik me op de memorie van toelichting omdat het mij slechts om de hoofdlijnen gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 3, p. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 4, p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 3, p. 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 3, p. 22-23. Ook tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel is nog aan de orde gekomen dat het notificeren geen onderdeel is van de bekendmaking. Zie bijv. Kamerstukken II 2019/20, 35 261, nr. 7, p. 22 (waarin onder meer wordt opgemerkt: “Om redenen van rechtszekerheid is er daarom voor gekozen het moment van plaatsen in een berichtenbox te nemen als moment van bekendmaking”), Kamerstukken II 2019/20, 35 261, nr. 8, p. 3 en Kamerstukken I 2022/23, 35 261, nr. D, p. 20-21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 261, nr. 3, p. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie wel HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:160, BNB 2025/40, rov. 3.2.2 over de betekenis van het notificatiebericht bij plaatsing van een bericht in het digitale systeem voor gegevensverwerking van een gerecht, maar dat kent een ander kader, te weten afdeling 8.1.6a Awb, waarvan onderdeel is een bepaling (art. 8:36c(2) Awb) die gaat over de betekenis van het notificatiebericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 7 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1216, AB 2013/328.</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Overkleeft-Verburg in: JB 2013/193 en JIN 2013/188.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Utrecht 19 mei 2011. ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ7201, rov. 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.E. Bröring in AB 2013/328.</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Overkleeft-Verburg in JB 2013/193 en JIN 2013/188, punt 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Overkleeft-Verburg in JB 2013/193 en JIN 2013/188, punt 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Overkleeft-Verburg, De Belastingdienst en zijn digitale burger: spanning tussen ambities, uitvoeringsrealiteit en juridisch kader, MBB 2014, afl. 7-8, p. 323-324.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174, AB 2022/270.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2283, USZ 2021/403.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarnaast ook bijv. CRvB 4 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1159, USZ 2022/234, rov. 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jaaroverzicht 2021, p. 5-6, te vinden via www.hogeraad.nl/actueel/publicaties/commissie/.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. CRvB 23 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2374, JB 2021/210, rov. 4.10. Vgl. ook CRvB 4 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1159, USZ 2022/234, rov. 4.5.2, al betreft het hier in die zin een atypisch geval dat het een besluit betrof waarvoor elektronisch verkeer in de materiewet verplicht was voorgeschreven (zie rov. 4.2.4 en 4.4). Geen afwijking en dus wel verschoonbaarheid was het oordeel in bijv. CRvB 16 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2342, rov. 4.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. R.J.N. Schlössels en C.L.G.F.H. Albers, in: JB 2021/207 (de uitspraak “staat in het teken van burgergerichtheid”, “een belangrijke uitspraak die stevig is gemotiveerd”, “sluit aan bij de tijdgeest die maatwerk centraal stelt”), L.M. Koenraad in Gst. 2021/147 (de uitspraak getuigt van “responsiviteit, burgervriendelijkheid en empathie”), A. Drahmann in Computerrecht 2021/254 (die nog een interessante zijstap maakt naar de Wet elektronische publicaties), R. Stijnen in AB 2022/270 (“De CRvB biedt hier de niet zo digitale burger gelukkig een helpende hand”), en J.R. van Angeren en T. Barkhuysen, Digitaal overheidsbericht gemist? Termijnoverschrijding als gevolg daarvan kan verschoonbaar zijn, Mr. Online 12 september 2021 (“een uitspraak die laat zien dat het bestuursrecht ontvankelijk is voor signalen dat het te formalistisch is”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2021/43.20 (“vanuit oogpunt van rechtsbescherming fraai te noemen”; “Wij (…) hopen dat de belastingrechters in voorkomende gevallen ook die koers zullen varen”), alsmede in commentaren bij rechtbank Amsterdam 28 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1599, die zich aansluit bij de CRvB, E. Hageman in NLF 2022/0958, en R.T. Wiegerink, in: Belastingblad 2022/231 CRvB 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2283, USZ 2021/403.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. van den Bogaard in USZ 2021/404.</p>\n<p class=\"lf-p\">CBb 5 november 2024, ECLI:NL:CBB:2024:775, AB 2025/22. Dat het gaat om een richtinggevende uitspraak blijkt ook uit uitspraken nadien waarin voor het kader naar deze uitspraak wordt verwezen; zie bijv. CBb 3 december 2024, ECLI:NL:CBB:2024:859, AB 2025/25, rov. 6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo achtte CBb 3 december 2024, ECLI:NL:CBB:2024:859, AB 2025/25, rov. 6.3 de desbetreffende termijnoverschrijding niet verschoonbaar in een geval waarin de belanghebbende had verzuimd een nieuw (juist) e-mailadres door te geven. Ook in bijv. CBb 12 november 2024, ECLI:NL:CBB:2024:821,AB 2025/23, en CBb 18 oktober 2022, ECLI:NL:CBB:2022:714, werd de termijnoverschrijding niet verschoonbaar geacht, nota bene beide in een geval van een foutief opgegeven e-mailadres. In CBb 12 november 2024, ECLI:NL:CBB:2024:832, AB 2025/24, rov.5.2 werd de termijnoverschrijding wel verschoonbaar geacht in een geval waarin de ontvangst van de notificatie e-mails geloofwaardig werd betwist volgens het CBb.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:175, Gst. 2020/58 en Computerrecht 2020/86.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. gerechtshof Amsterdam 8 oktober 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2891 , rov. 4.8, rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4791, rov. 2.15, rechtbank Amsterdam 28 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1599 (eerder (ook) gepubliceerd onder ECLI:NL:RBAMS:2022:1652), rov. 6, rechtbank Rotterdam 10 juli 2024 ECLI:NL:RBROT:2024:6392, rov. 7, rechtbank Rotterdam 10 juli 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6392, rov. 7, en rechtbank Amsterdam 9 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4363, rov. 10. Impliciet ook bijv. gerechtshof Arnhem Leeuwarden 24 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:11011, AB 2020/71, rov. 4.5-4.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. rechtbank Amsterdam 28 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1759, rov. 5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. rechtbank Amsterdam 28 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1599, rov. 6, rechtbank Amsterdam 4 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5440, rov. 2, rechtbank Rotterdam 12 augustus 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:6553, gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1273, rov. 4.2 Zie daarover ook de redactie van Belastingblad in Belastingblad 2023/121.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1273, rov. 4.2. Zie ook eerder al in nagenoeg identieke bewoordingen rechtbank Rotterdam 12 augustus 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:6553, Bijv. rechtbank Amsterdam 26 juli 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:4885, rov. 6. Zie ook – in een niet-fiscale zaak – rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 april 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:2737, rov. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. rechtbank Rotterdam 31 januari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:1224, rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 24 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:11011, AB 2020/71. Zie voor een vergelijkbare uitspraak gerechtshof Arnhem Leeuwarden 14 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:288, met instemmend commentaar van de redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2020/26.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. L.J.A. Damen in AB 2020/71. Eveneens positief zijn bijv. J. Raaijmakers in NLF 2020/0370, en redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2020/26.25. Kritischer is W.A. de Paepe in NTFR 2020/352.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Rotterdam 10 juli 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6391, rov. 7 en rechtbank Rotterdam 10 juli 2024 ECLI:NL:RBROT:2024:6392, rov. 7. Vgl. impliciet ook rechtbank Rotterdam 31 januari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:1224, waarin de belanghebbende had gesteld pas door de aanmaning op de hoogte te zijn gekomen van de naheffingsaanslag (rov. 3.1), maar de rechtbank vervolgens geen enkele aandacht besteed aan de kwestie of de belanghebbende een notificatie heeft ontvangen van de plaatsing van de naheffingsaanslag in de berichtenbox.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4791, rov. 2.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Citaat uit rechtbank Rotterdam 23 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:1705, zie ook rechtbank Rotterdam 23 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:1721, rov. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Rotterdam 23 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:1721.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 23 oktober 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2091.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Amsterdam 6 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8263.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijkbaar bijv. rechtbank Amsterdam 17 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1639, rov. 8, rechtbank Amsterdam 17 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1798, rov. 10, rechtbank Amsterdam 31 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2039, rov. 12, rechtbank Amsterdam 9 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4363, rov. 10, rechtbank Amsterdam 9 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4364, rov. 10, rechtbank Amsterdam 13 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7799, rov. 7 en rechtbank Amsterdam 13 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8539, rov. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Amsterdam 13 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8539. Zie eerder ook al bijv. rechtbank Amsterdam 17 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1639, rov. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Amsterdam 13 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8539. Zie eerder ook bijv. rechtbank Amsterdam 13 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7799, rov. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 26 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2146. Zie ook gerechtshof Den Haag 26 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2145.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J.N. Schlössels en C.L.G.F.H. Albers in JB 2021/207, punt 1.</p></div>", "next": 239810}