{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">94.</span>Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek beslag B.01.02.006.001 (kwitanties) d.d. 27 maart 2018, met bijlagen (pagina’s 1181-1193), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 6] ; (pagina 1181) Op woensdag 07 maart 2018 werd een doorzoeking ter inbeslagneming uitgevoerd in de kantoorruimte gelegen in het pand aan de [b-straat 1] te [plaats] (locatie B). Dit is de kantoorruimte van [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1964 in [plaats] .</div>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de doorzoeking werden in de kantoorruimte, in het bureau rechts, kwitantieboeken aangetroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieruit kwam het volgende:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>11 kwitanties welke betrekking hebben op de zaakdossiers:</div>\n<p class=\"lf-p\">Kwitantie: [betrokkene 29] , bedrag € 6.000,-, datum: 24-07-2017 (…) 97. Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek beslag B.01.04.001.003 d.d. 30 maart 2018, met bijlagen (pagina’s 3129-3139), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 9] ; (pagina 3129) Op woensdag 07 maart 2018 werd een doorzoeking ter inbeslagneming uitgevoerd in de kantoorruimte gelogen in het pand aan de [b-straat 1] te [plaats] (locatie B). Dit is de kantoorruimte van [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1964 in [plaats] . Daarbij zijn in het kader van waarheidsvinding, ingevolge artikel 94 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, goederen in beslag genomen. Tijdens de doorzoeking werd in de kantoorruimte, in de archiefkast een contract aangetroffen in de taal Farsi. Dit contract is vertaald, door een Farsi vertaler, welke gebruik maakt van het registratienummer 1258.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het goed is opgeslagen onder de vindplaatscode: B.01.04.001,003 Uit de vertaling van dit contract blijkt onder andere het volgende:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Contract op naam van [betrokkene 29] , [betrokkene 30] en [betrokkene 31]</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ondertekend door de directeur en [betrokkene 29] op 24/07/2017. (pagina 3135) Vertaling contract Contract voor juridisch advies met betrekking tot het asielverzoek van [betrokkene 29] , [betrokkene 30] en [betrokkene 31] .</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit contract is voor Farsisprekenden opgemaakt zodat er geen onduidelijkheden en dubbelzinnigheden voor het begrijpen en accepteren van dit contract en het nakomen van de verplichtingen voor de inhoud voor beide partijen ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van dit contract werkt ons bureau gedurende uw procedure tot het krijgen van de verblijfstatus van de aanvrager aan en geeft u de juridisch advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit contract is gemaakt tussen het bedrijf Juridisch adviesbureau met betrekking tot immigratie en asielzaken ( [A] ) met registratienummer [nummer 1] en heeft toestemming voor activiteiten op het gebied van juridisch advies inzake immigratie, visa en asielzaken op het adres van: ( [b-straat 1] [plaats] , Nederland), met als directie [alias verdachte] . In dit contract wordt hij verder (…) “het bedrijf” genoemd, dit is de ene partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dhr/mevr.: [betrokkene 29] Het land van verzoek: Nederland In dit contract wordt deze “de verzoeker en/of aanvrager” genoemd en dit is de andere partij. Middels onderstaande voorwaarden wordt dit vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3: Het bedrag, stappen en voorwaarden van betalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3-1 - De totale kosten bedragen 9.000 euro. Inclusief btw van 21% (1.890 euro), wordt het totaalbedrag 10.890 euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noot: het bedrag van 1.890 euro van de btw is een speciale korting van het bedrijf, die het bedrijf op zich neemt, daarom is het [totaalbedrag] 9000 euro. Er moet wel vermeld worden dat als u het contract voortijdig beëindigt, het btw-bedrag van de aanvrager door het bedrijf wordt ingehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3-2- Het bedrag van 6000 euro is als voorschot en wordt betaald bij het tekenen van het contract.</p>\n<p class=\"lf-p\">3-3- Het bedrag van 1.000 euro wordt uiterlijk een maand na het tekenen van het contract betaald. (pagina 3136) 3- 4- Het bedrag van 2.000 euro wordt na het verkrijgen van de verblijfstatus betaald. (…) 98. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 maart 2018 (pagina's 3143-3154), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 29] ; (…) (pagina 3149) V: Wat heeft u betaald voor de hulp van [alias verdachte] ?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: €.6000.- V: Heeft u een ondertekend contract met [alias verdachte] ?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ja.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: U vraagt pas later asiel aan na het ondertekenen van het contract?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik ben eerst naar [alias verdachte] toe gegaan voor hulp en toen is het contract gesloten. Hij heeft daarna gezegd dat ik asiel moest aanvragen. (…) 100. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 maart 2018 (pagina’s 3176-3184), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 30] ; (…) (pagina 3181) O: Tijdens dit telefoongesprek krijgen jullie extra uitleg van [verdachte] over het ontstaan van de islam en vertelt [verdachte] jullie dat door het lezen van het boek Ebne Bagha jullie erachter zijn gekomen dat Mohammed geen profeet kon zijn. Het is toch vreemd dat [verdachte] jullie uit moet leggen hoe jullie achter bepaalde ontwikkelingen zijn gekomen, het is toch ook jouw ontdekking geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Wat bedoelde [alias verdachte] met het feit dat [betrokkene 30] op die datum is bekeerd?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: [alias verdachte] vertelde dat de IND de precieze datum van bekering wilde weten.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Wat bedoelde [alias verdachte] met “wij”?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Die datum heeft hij allemaal precies voor ons vastgesteld. Hij heeft dat antwoord voor ons verzonnen om ons te helpen en omdat wij betaald hadden. (…) (pagina 3182) O: Uit de opgenomen en uitgeluisterde telefoongesprekken is gebleken dat jullie vaker telefonisch contact hebben gehad met [verdachte] , kort voor en direct na gesprekken van jullie met IND.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Waarom is [verdachte] jullie behulpzaam bij jullie asielprocedure?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: We hebben hem betaald, zodat we een verblijfsstatus zouden krijgen. (…) V: Heb jij of heeft je moeder een contract met [alias verdachte] afgesloten en daarvoor € 6.000 betaald?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ja, mijn moeder. (…) 101. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 maart 2018 (pagina’s 3190-3196), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 31] ; (…) V: Weet jij wat jouw moeder betaald heeft voor de hulp van [alias verdachte] ?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Nee.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Wist je wel dat ervoor betaald moest worden?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ja. Ik denk dat mijn moeder iets van € 6.000,- euro heeft betaald. Ik weet het niet zeker. (…) Feit 8: [betrokkene 28] 105. Het proces-verbaal van bevindingen ING bank ten aanzien van [verdachte] d.d. 31 juli 2018 (pagina’s 659 - 673), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] ; (pagina 659) Op 29-11-2017 werden door de ING bank de gevorderde gegevens verstrekt naar aanleiding van een vordering historische gegevensverstrekking (126nd) ten aanzien van de [verdachte] [geboortedatum] -1964. De ontvangen gegevens betreffen de volgende gegevens:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Uitdraai van de producten van de verdachte bij de ING Bank</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Mutatieoverzicht van [rekeningnummer 1] van 02-01-2015 tot en met 20-11-2017.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Mutatieoverzicht van [rekeningnummer 2] van 02-01-2015 tot en met 20-11-2017.</div>\n<p class=\"lf-p\">Op 07-02-2018 werden door de ING bank de gevorderde gegevens verstrekt naar aanleiding van een vordering historische gegevensverstrekking (126nd) ten aanzien van de [verdachte] [geboortedatum] -1964. De ontvangen gegevens betreffen de volgende gegevens:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Mutatieoverzicht van [rekeningnummer 1] van 28-11-2017 tot en met 30-01-2018.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Mutatieoverzicht van [rekeningnummer 2] van 28-11 -2017 tot en met 30-01-2018. (pagina 661) Mutatieoverzicht [rekeningnummer 2] (bedrijfsrekening [A] 2015) Datum Naam Tegenrekening Verz.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ontv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving (pagina 663) 14-09-2015 [betrokkene 39] [rekeningnummer 4] € 300,00 [betrokkene 32] 22-10-2015 [betrokkene 39] [rekeningnummer 4] € 300,00 Voor [betrokkene 32] 26-10-2015 [C] [rekeningnummer 5] € 200,00 Voor [betrokkene 32] (…) 107. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 oktober 2018 (pagina’s 1109-1122), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte; (pagina 1118) V: Wat kun jij ons vertellen over [betrokkene 32] ?</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Ik denk dat ik ongeveer 2 of 3 [naam] 's heb gehad. Wanneer u misschien iets meer over [betrokkene 32] vertelt kan ik mij herinneren over wie het gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">O: We laten de verdachte een foto van [betrokkene 32] zien, (bijlage 1) V: Ken jij hem?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Misschien. Ik heb meerdere personen gehad met de naam [naam] . Wanneer ik zo de foto bekijk dan heb ik misschien 2 of 3 keer iets met hem besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">O: U heeft een contract met hem afgesloten voor € 3.500,-. In 2015 en zijn asielverhaal gaat over afvalligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Christen denk ik.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Waarom kwam hij bij u?</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Het moet wel in 2015 zijn geweest en hij is bij mij geweest voor zijn probleem. (pagina 1119) V: Wat is er afgesproken omtrent de kosten?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: €3.500,- maar ik weet niet meer hoe het betaald zou worden. (…) 109. Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek beslag B.01.04.003.002 (contract [betrokkene 32] ) d.d. 30 mei 2018, met bijlagen (pagina’s 3702-3712), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 6] ;</p>\n<p class=\"lf-p\">Op woensdag 07 maart 2018 werd een doorzoeking ter inbeslagneming uitgevoerd in de kantoorruimte gelegen in het pand aan de [b-straat 1] te [plaats] (locatie B). Dit is de kantoorruimte van [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1964 in [plaats] . Daarbij zijn in het kader van waarheidsvinding, ingevolge artikel 94 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, goederen in beslag genomen. Tijdens de doorzoeking werd in de kantoorruimte, in het hoge kastje, een map met contracten in de taal Farsi aangetroffen. In de map zat een contract op naam van [betrokkene 32] en is vertaald, door een Farsi vertaler, welke gebruik maakt van het registratienummer 49. Het goed is opgeslagen onder de vindplaatscode: B.01.04.003.002 Uit de vertaling van deze notities blijkt onder andere het volgende:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Contract voor juridisch advies met betrekking tot het asielverzoek van dhr. [betrokkene 32] . (pagina 3708) Vertaling contract Contract voor juridisch advies met betrekking tot het asielverzoek van [betrokkene 32] Dit contract is voor Farsisprekenden opgemaakt zodat er geen onduidelijkheden en dubbelzinnigheden voor het begrijpen en accepteren van dit contract en het nakomen van de verplichtingen met betrekking tot de inhoud voor beide partijen ontstaan. Op basis van dit contract werkt ons bureau gedurende de gehele procedure tot aan het verkrijgen van de verblijfstatus van de aanvrager en geeft het u juridisch advies. Dit contract is gemaakt tussen het bedrijf Juridisch adviesbureau met betrekking tot immigratie en asielzaken ( [A] ) met registratienummer [nummer 1] en heeft toestemming voor activiteiten op het gebied van juridisch advies inzake immigratie, visa en asielzaken op het adres van: ( [b-straat 1] [plaats] , Nederland), met als directie [alias verdachte] . In dit contract wordt hij verder (…) “het bedrijf” genoemd, dit is de ene partij.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dhr/mevr.: [betrokkene 32] Het land van verzoek: Nederland In dit contract wordt deze “de verzoeker en/of aanvrager” genoemd en dit is de andere partij. Middels onderstaande voorwaarden wordt dit vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3: Het bedrag, stappen en voorwaarden van betalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3-1- De totale kosten bedragen 3500 euro. Inclusief btw van 21% (735 euro), wordt het totaalbedrag 4235 euro. (pagina 3709) Noot: Het bedrag van 735 euro van de btw is een speciale korting van het bedrijf, die het bedrijf op zich neemt, daarom is het [totaalbedrag] 3500 euro. Er moet wel vermeld worden dat als u het contract voortijdig beëindigt, het door het bedrijf betaalde btw-bedrag van de aanvrager terug wordt gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3-2- Het bedrag van 2.000 euro wordt betaald bij de ondertekening van het contract.</p>\n<p class=\"lf-p\">3-3- Het bedrag van 1.500 euro wordt geleidelijk gedurende het werkproces betaald. (…) (pagina 3712) Artikel 10: onderdelen van het contract Dit contract, bestaande uit 10 artikelen, is in twee exemplaren gemaakt en geordend, en beide partijen hebben getekend, en ieder heeft een exemplaar en alle exemplaren hebben dezelfde waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Getekend door de directeur Op 10-09-2015 En getekend door de verzoeker [betrokkene 32] (…) Feit 9: [betrokkene 33] (…) 115. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 oktober 2018 (pagina’s 1109-1122), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte; (pagina 1110) V: Wat kunt u ons vertellen over deze vrouw genaamd [betrokkene 33] ?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Zij heeft zich aangemeld en een procedure opgestart. Toen zijn een negatieve beschikking had heeft zij zich bij mij gemeld. Zij wilde weten of ik haar kon helpen bij haar procedure. (pagina 1111) V: Wat zijn haar volledige naamgegevens?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Haar volledige naam is [betrokkene 33] […] jaar oud.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Hoe hebt u allemaal contact met haar gehad? (feitelijk ontmoet?) A: Zij heeft telefonisch contact opgenomen en een afspraak gemaakt. Zij had haar dossier meegenomen. Hierna hebben we meerdere afspraken gemaakt, telefonisch of in persoon op kantoor. Ik heb ongeveer in een periode van een jaar met haar gewerkt en contact gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Wanneer is zij bij jou voor het laatst op kantoor geweest?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik geloof in 2016, in het begin van dat jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Wat hebt u met haar afgesproken over de kosten?</p>\n<p class=\"lf-p\">A. In het begin was het € 100,- per uur. Daarna hadden we afgesproken dat wanneer zij een nieuwe procedure op zou starten, zij een contract zou aangaan en dit in termijnen zou betalen. Van het contract is niets gekomen, want zij is het land uit gegaan. Er was wel een contract, in haar contract stond opgenomen dat wanneer zij een status zou krijgen zij een bedrag in termijn kon betalen. Zij heeft geloof ik € 300,- betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Op welke manier heeft zij deze kosten betaald?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Zij heeft dit contant betaald. (…) 117. Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek beslag d.d. 20 juni 2018, met bijlagen (pagina’s 3950-3960), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 6] ;</p>\n<p class=\"lf-p\">Op woensdag 07 maart 2018 werd een doorzoeking ter inbeslagneming uitgevoerd in de kantoorruimte gelegen in het pand aan de [b-straat 1] te [plaats] (locatie B). Dit is de kantoorruimte van [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1964 in [plaats] . Daarbij zijn in het kader van waarheidsvinding, ingevolge artikel 94 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, goederen in beslag genomen. Tijdens de doorzoeking werd in de kantoorruimte, in de archiefkast een map met contracten aangetroffen. De map met contracten was opgesteld in de taal Farsi en één van die contracten betreft het contract van [betrokkene 33] . Dit contract is vertaald, door een Farsi vertaler, welke gebruik maakt van het registratienummer 1258. Het goed is opgeslagen onder de vindplaatscode: B.01.04.001.009 Hieruit kwam het volgende:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Contract van [betrokkene 33] . (pagina 3956) Vertaling contract Contract voor juridisch advies met betrekking tot het asielverzoek van mevr. [betrokkene 33] . Dit contract is voor Farsisprekenden opgemaakt zodat er geen onduidelijkheden en dubbelzinnigheden voor het begrijpen en accepteren van dit contract en het nakomen van de verplichtingen met betrekking tot de inhoud voor beide partijen ontstaan. Op basis van dit contract werkt ons bureau gedurende de gehele procedure tot aan het verkrijgen van de verblijfstatus van de aanvrager en geeft het u juridisch advies. Dit contract is gemaakt tussen het bedrijf Juridisch adviesbureau met betrekking tot immigratie en asielzaken ( [A] ) met registratienummer [nummer 1] en heeft toestemming voor activiteiten het gebied van juridisch advies inzake immigratie, visa en asielzaken op het adres van: ( [b-straat 1] [plaats] , Nederland), met als directie [alias verdachte] . In dit contract wordt hij verder (…) “het bedrijf” genoemd, dit is de ene partij. [betrokkene 33] Het land van verzoek: Nederland In dit contract wordt deze “de verzoeker en/of aanvrager” genoemd en dit is de andere partij. Middels onderstaande voorwaarden wordt dit vastgesteld.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3: Het bedrag, stappen en voorwaarden van betalingen. (pagina 3957) 3-1- De totale kosten bedragen 2000 euro. Inclusief btw van 21% (210 euro), wordt het totaalbedrag 2210 euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noot: Het bedrag van 210 euro van de btw is een speciale korting van het bedrijf, die het bedrijf op zich neemt, daarom is het [totaalbedrag] 2000 euro. Er moet wel vermeld worden dat als u het contract voortijdig beëindigt, het door het bedrijf betaalde btw-bedrag van de aanvrager terug wordt gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3-2- Het bedrag van 1000 euro wordt gedurende [de] procedure maximum binnen een jaar na de ondertekening van het contract betaald. En het bedrag van 1000 euro wordt gedurende procedure en maximum binnen anderhalf jaar na de ondertekening betaald. (…) (pagina 3960) Artikel 10: onderdelen van het contract Dit contract, bestaande uit 10 artikelen, is in twee exemplaren gemaakt en geordend, en beide partijen hebben getekend, en ieder heeft een exemplaar en alle exemplaren hebben dezelfde waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Getekend door de directeur Op 05-07-2015 En getekend door de verzoeker [betrokkene 33] ”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4 Het hof heeft in zijn arrest over de in het middel bestreden bewezenverklaringen onder meer de volgende bewijsoverwegingen opgenomen (met weglating van voetnoten): “Uit winstbejag Ten aanzien van alle feiten overweegt het hof voor wat betreft het bestanddeel winstbejag als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge de wetsgeschiedenis omvat het begrip winstbejag ‘teneinde rechtstreeks of onrechtstreeks, een financieel of ander materieel voordeel te verkrijgen’. Ingevolge jurisprudentie van de Hoge Raad is van winstbejag sprake ‘indien het handelen van de dader is ingegeven door een gerichtheid op verrijking, waarbij het niet noodzakelijk hoeft te gaan om een op geld waardeerbaar voordeel en evenmin bepalend is of het beoogde voordeel daadwerkelijk is behaald’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte had een juridisch advieskantoor in [plaats] waar hij tegen betaling de vreemdelingen ‘adviseerde’ over de asielprocedure. Veel van de vreemdelingen dachten dat de verdachte een advocaat was die hen kon helpen met de asielaanvraag. Als de verdachte de zaak van de vreemdeling aannam liet de verdachte de vreemdelingen, zoals genoemd in 8 van de 9 ten laste gelegde feiten, een contract ondertekenen. In de contracten werd een bedrag afgesproken voor de hulp van de verdachte, deze bedragen varieerden tussen de € 2.000,- en € 9.000,-. In de zaak van [betrokkene 3] (feit 6) hanteerde de verdachte een uurtarief van € 100,- per uur. Uit de administratie van de verdachte, in de vorm van kwitanties, is af te leiden dat de vreemdelingen na het afsluiten van het contract een deel contant betaalden. Een ander deel werd weer betaald via de bankrekening van de verdachte. In alle gevallen hebben de vreemdelingen de verdachte betaald voor zijn handelingen. Dit maakt naar het oordeel van het hof genoegzaam duidelijk dat de verdachte handelde uit winstbejag. Dat volgens de verdachte niet het gehele contractbedrag is betaald is hierbij niet van belang. Het handelen van de verdachte was namelijk gericht op betaling en dus op verrijking. (…) Bewijsoverwegingen voor feit 1: [betrokkene 23] en [betrokkene 24] (…) Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat het getekende contract ten uitvoer is gelegd. Zo zijn er bij de verdachte op kantoor kwitanties gevonden ten bedrage van € 4.000,- en € 2.000,- hetgeen maakt dat de verdachte zich geldelijk heeft verrijkt. (…) Bewijsoverwegingen voor feit 4: [betrokkene 25] , [betrokkene 26] , [betrokkene 27] en [betrokkene 37] Op 1 november 2017 zijn [betrokkene 25] , [betrokkene 26] , [betrokkene 27] en [betrokkene 37] op Schiphol aangekomen. Voor hun binnenkomst in Nederland hebben zij een toeristenvisum aangevraagd. Uiteindelijk hebben zij zich op 14 december 2017 aangemeld bij het aanmeldcentrum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Contactpersoon in deze zaak voor de verdachte was [betrokkene 34] . Hij is de broer van twee van de vreemdelingen die beiden met hun partner naar Nederland willen komen en daar, zo blijkt uit de tapgesprekken, willen blijven. De verdachte bespreekt de bedragen die voor het toekennen van de status en na het toekennen van de status moeten worden betaald. Uit deze gesprekken leidt het hof af dat de verdachte voorafgaande aan de aankomst in Nederland wist dat voornoemde vreemdelingen asiel wilden aanvragen. De verdachte heeft ze alle vier laten inreizen op een visum terwijl hij wist dat het visum op oneigenlijke gronden was verkregen nu het doel van het verblijf anders was dan het doel van het verkregen visum. De verdachte moest dan ook weten dat wanneer zij in Nederland aankwamen zij ondanks een visum wederrechtelijk in Nederland waren. In plaats van te adviseren om zich direct bij aankomst op Schiphol te melden dat ze asiel wilden aanvragen heeft de verdachte ervoor gezorgd dat ze direct bij hem op kantoor kwamen waar zij het contract hebben getekend, alsmede direct hebben betaald. (…) Bewijsoverwegingen voor feit 5: [betrokkene 4] (…) [betrokkene 4] heeft met de verdachte een contract afgesloten voor een bedrag van € 4.000,-. Uit de op het kantoor van de verdachte aangetroffen kwitanties volgt dat [betrokkene 4] op 1 maart 2017 een bedrag van € 2.500,- en op 26 april 2017 een bedrag van € 1.000,- heeft betaald. Het contract is dan ook (nagenoeg) geheel betaald en de verdachte heeft dus hier geldelijk gewin van gehad. (…) Bewijsoverwegingen voor feit 7: [betrokkene 29] , [betrokkene 30] en [betrokkene 31] (…) Uit de bewijsmiddelen is af te leiden dat [betrokkene 29] mede namens haar dochters op 24 juli 2017 een contract met de verdachte heeft afgesloten voor € 9.000,-. Dat dit contract ten uitvoer is gelegd volgt genoegzaam uit het contact tussen de verdachte en de vreemdelingen, uit de verklaringen van de vreemdelingen alsmede uit de gevonden kwitantie van 24 juli 2017 ten bedrage van € 6.000,-. (…) Bewijsoverwegingen voor feit 8: [betrokkene 32] heeft verklaard dat hij op 25 of 26 oktober 2015 in Turkije in een vrachtwagen is gesprongen welke hem rechtstreeks naar Nederland heeft gebracht. Daartoe heeft [betrokkene 32] geen gebruik gemaakt van een visum. Hij heeft zich uiteindelijk op 2 november 2015 gemeld bij een aanmeldcentrum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht het niet aannemelijk geworden dat [betrokkene 32] op 25 of 26 oktober 2015 met een vrachtwagen naar Nederland is gekomen nu het contract tussen de verdachte en [betrokkene 32] op 10 september 2015 is getekend alsmede dat op 14 september 2015 een eerste betaling ten behoeve van [betrokkene 32] op de rekening van de verdachte is bijgeschreven. (…) Dat het contract ten uitvoer is gelegd volgt naar het oordeel van het hof uit de bewijsmiddelen zoals de opgenomen gesprekken tussen de verdachte en [betrokkene 32] alsmede uit de diverse betalingen die als kenmerk [betrokkene 32] hebben. Het staat dan ook vast dat de verdachte geldelijk gewin heeft gehad uit de aangeboden hulp. (…) Bewijsoverwegingen voor feit 9: [betrokkene 33] (…) Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met [betrokkene 33] op 5 juli 2015 een contract heeft afgesloten voor een bedrag van € 2.000,-. Dat dit contract ten uitvoer is gelegd volgt naar het hof uit de in het dossier aangetroffen gesprekken tussen de verdachte en [betrokkene 33] .”</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het tweede middel 4.5 In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat hoewel in de bewezenverklaring van het onder 1, 4, 5, 7, 8 en 9 tenlastegelegde telkens geen geldbedrag wordt genoemd, uit de bewijsoverwegingen van het hof kan volgen dat het hof ervan is uitgegaan dat de in de contracten door de verdachte en de in de bewezenverklaring genoemde vreemdelingen afgesproken geldbedragen telkens volledig zijn betaald. Het (klaarblijkelijke) oordeel van het hof dat die geldbedragen altijd volledig zijn betaald, kan echter niet uit de bewijsvoering van het hof worden afgeleid, aldus de stellers van het middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 De stelling dat het hof blijkens zijn bewijsoverwegingen ervan is uitgegaan dat de in de contracten afgesproken geldbedragen telkens volledig zijn betaald, berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist daarmee feitelijke grondslag. Het hof heeft blijkens zijn bewijsoverwegingen juist onder ogen gezien dat niet altijd het afgesproken geldbedrag volledig is betaald. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de bewijsoverwegingen met betrekking tot het onder 5 bewezenverklaarde. Daarin overweegt het hof onder meer dat de verdachte met de betreffende vreemdeling een contract heeft afgesloten voor een bedrag van € 4.000,-, waarvan (in totaal) € 3.500,- is betaald en “het contract (…) dan ook (nagenoeg) geheel [is] betaald”.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7 Overigens kan het middel hoe dan ook niet tot cassatie leiden. Onder 1, 4, 5, 7, 8 en 9 is namelijk (telkens) bewezenverklaard dat de verdachte uit winstbejag heeft gehandeld. Een concreet bedrag is, zoals de stellers van het middel terecht opmerken, in die bewezenverklaring niet opgenomen. Dat is voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “uit winstbejag” ook niet noodzakelijk. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat de verdachte de vreemdelingen tegen betaling ‘adviseerde’ over de asielprocedure in Nederland. Hij liet de vreemdelingen een contract ondertekenen waarin een bedrag werd afgesproken voor zijn hulp. In alle gevallen hebben de vreemdelingen de verdachte betaald voor zijn diensten. Daaruit volgt, zoals het hof heeft overwogen, genoegzaam dat de verdachte handelde uit winstbejag, zodat de bewezenverklaring (ook) op dit punt hoe dan ook toereikend is gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8 Aan het voorgaande doet niet af dat volgens de stellers van het middel het hof in de ontnemingszaak tegen de verdachte bij de berekening van het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel ervan is uitgegaan dat de verdachte telkens het in de contracten afgesproken geldbedrag volledig heeft ontvangen. In de onderhavige cassatieprocedure kunnen nu eenmaal alleen de handelingen en beslissingen van het hof in de strafzaak tegen de verdachte op hun juistheid en houdbaarheid worden onderzocht en niet (ook) die in de ontnemingszaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9 In de toelichting op het middel wordt tot slot nog aangevoerd dat niet begrijpelijk is dat het voorbereiden van vreemdelingen op een gesprek met de IND door middel van het geven van een training en het verstrekken van informatie over procedures, regels en richtlijnen en/of het doorlopen daarvan, strafbaar is. Hierover kan ik kort zijn. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat de verdachte veel meer heeft gedaan dan het (neutraal) voorbereiden van vreemdelingen op een gesprek met de IND en het geven van (algemene) informatie over (het doorlopen van) procedures, regels en richtlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.10 Het middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Het derde middel 5.1 In het middel wordt geklaagd dat “de ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van beroepsmatige dienstverlening in het vreemdelingrechtelijke domein voor de duur van 10 jaren a.) van te lange duur is nu verdachte veroordeeld is tot een gevangenisstraf van 4 jaren en b.) te ruim is geformuleerd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Het hof heeft de verdachte veroordeeld wegens “een ander uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen [verschaffen] tot het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan in de uitoefening van zijn beroep, meermalen gepleegd” (feiten 1 en 7), “een ander uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen [verschaffen] tot het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan in de uitoefening van zijn beroep” (feiten 2, 3, 5, 6, 8 en 9) en “een ander behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland” en “een ander uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen [verschaffen] tot het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan in de uitoefening van zijn beroep, meermalen gepleegd” (feit 4; cursivering telkens door mij, A-G).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd: “Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – mensensmokkel van 14 Iraanse vluchtelingen en 1 Irakese vluchteling door hen behulpzaam te zijn bij hun illegale verblijf in Nederland. De verdachte heeft zich voorgedaan als juridisch adviseur op het gebied van asielrecht. In dat kader heeft hij 14 vreemdelingen een contract laten tekenen waarbij ze instemmen met het opvolgen van alle instructies die de verdachte hen geeft en het conform zijn instructie vertellen van het asielrelaas. Tegen betaling zou de verdachte deze vreemdelingen helpen bij het verkrijgen van een asielstatus. Bij een aantal van deze vreemdelingen heeft de verdachte voorafgaande aan de kennis van het asielverhaal de garantie gegeven dat de vreemdeling een asielstatus zou krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om deze garantie te kunnen leveren, heeft de verdachte de vreemdelingen onwaarheden voorgeschoteld en laten instuderen met als doel om overeenkomstig deze onwaarheden te verklaren bij de IND en zo de kans op een verblijfsvergunning enorm te verhogen. Zo heeft de verdachte op onderdelen of integraal asielverhalen verzonnen voor de vreemdelingen waarbij ze konden kiezen tussen een christendom case (later ook een kaal afvalligheid van de islam case) dan wel een homoseksualiteit case. Het is hierbij goed mogelijk dat in sommige gevallen een deel van het verhaal door de vreemdeling naar waarheid is verklaard, maar zo de verdachte niet het hele verhaal heeft verzonnen, dan heeft hij in alle gevallen de verhalen aangedikt, data aangepast dan wel gebeurtenissen toegevoegd die maken dat het verhaal van de vreemdeling bij de IND geloofwaardiger overkwam. (…) Verdachtes motieven zijn wellicht aanvankelijk nobel geweest, maar zeker is dat allengs enkel nog het financiële voordeel voor de verdachte een rol speelde in zijn gedragingen. De verdachte heeft zich immers gedurende zeer lange tijd beziggehouden met het verkopen van asielverhalen aan mensen die bereid waren daarvoor fors te betalen. Daarbij is de verdachte zeer berekenend te werk gegaan nu hij heeft verklaard dat hij alleen werkte met mensen die een visum hadden gekregen. Mede gelet op de houding van de verdachte ter terechtzitting en de verklaringen in het dossier is het hof van oordeel dat hij zich boven de rechtstaat en het rechtssysteem heeft geplaatst en tot de dag van vandaag vindt dat hij niks verkeerds heeft gedaan. [Het] hof is echter van oordeel dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van de positie van de vreemdelingen door hen duizenden euro’s te laten betalen voor een verzonnen verhaal. Al die tijd heeft de verdachte zich op de achtergrond beziggehouden met het om de tuin leiden van de IND, terwijl de vreemdelingen daarbij risico liepen te worden ontdekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit alles rekent het hof de verdachte aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS, waarin het gebruikelijke rechtelijk straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Uit deze oriëntatiepunten volgt dat per gesmokkelde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden opgelegd voor de duur van 3 maanden. Bij meerdere gesmokkelden volgt er in beginsel een lineaire verhoging waardoor het oriëntatiepunt wordt vermenigvuldigd met het aantal gesmokkelde personen. Het hof neemt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden als uitgangspunt. Het hof weegt in strafverzwarende zin mee dat de verdachte zich jarenlang heeft beziggehouden met het verkopen van asielverhalen en hij dit al die tijd als verdienmodel heeft gehad. Door het beroepsmatige karakter van het bewezenverklaarde acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden in beginsel passend en geboden. (…) Beroepsverbod Nu het bewezen verklaarde handelen door de verdachte is begaan in de uitoefening van zijn beroep is het mogelijk om op grond van 197a, derde lid juncto artikel 28, eerste lid onder 5 en 9, eerste lid onder b van het Wetboek van Strafrecht als bijkomende straf een ontzetting van de uitoefening van dat beroep op te leggen. Het hof ziet redenen om een dergelijk beroepsverbod op te leggen als vergelding en ter voorkoming dat de verdachte opnieuw in de uitoefening van zijn beroep dergelijke feiten zal plegen. Voorts ziet het hof redenen om voor dit soort feiten een beroepsverbod op te leggen in het kader van de generale preventie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van beroepsmatige dienstverlening in het vreemdelingrechtelijke domein voor de duur van 10 jaren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het juridisch kader 5.4 De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang bij de bespreking van het middel:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Art. 28 lid 1, aanhef en onder 5°, Sr: “1. De rechten waarvan de schuldige, in de bij de wet bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn: (…) 5° de uitoefening van bepaalde beroepen.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Art. 31 lid 1, aanhef en onder 2°, Sr: “1. Wanneer ontzetting van rechten wordt uitgesproken, bepaalt de rechter de duur als volgt: (…) 2° bij veroordeling tot tijdelijke gevangenisstraf of tot hechtenis, voor een tijd de duur van de hoofdstraf ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaande;”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Art. 197a leden 1 tot en met 3 Sr zoals deze bepalingen luidden van 10 oktober 2010 tot 1 juli 2016: “1. Hij die een ander behulpzaam is bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat die toegang of doorreis wederrechtelijk is, wordt als schuldig aan mensensmokkel gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Hij die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen of een staat die is toegetreden tot het in het eerste lid genoemde protocol, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien een van de feiten, omschreven in het eerste en tweede lid, wordt begaan in de uitoefening van enig ambt of beroep, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd en kan ontzetting worden uitgesproken van de uitoefening van het recht het ambt te bekleden of het beroep uit te oefenen en kan de rechter openbaarmaking van zijn uitspraak gelasten.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Art. 197a leden 1 tot en met 3 Sr zoals deze bepalingen luiden vanaf 1 juli 2016: “1. Hij die een ander behulpzaam is bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat die toegang of doorreis wederrechtelijk is, wordt als schuldig aan mensensmokkel gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Hij die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen of een staat die is toegetreden tot het in het eerste lid genoemde protocol, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien een van de feiten, omschreven in het eerste en tweede lid, wordt begaan in de uitoefening van enig ambt of beroep, wordt gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd en kan ontzetting worden uitgesproken van de uitoefening van het recht het ambt te bekleden of het beroep uit te oefenen en kan de rechter openbaarmaking van zijn uitspraak gelasten.”</div>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Op grond van art. 28 lid 1, aanhef en onder 5°, Sr kan een verdachte worden ontzet uit het recht bepaalde beroepen uit te oefenen. Die mogelijkheid bestaat in de bij de wet bepaalde gevallen en indien het strafbare feit is begaan in de uitoefening van dat beroep. Deze ontzetting dient betrekking te hebben op het recht op uitoefening van een beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbaar feit is begaan.Art. 31 lid 1, aanhef en onder 2°, Sr houdt in dat bij veroordeling tot een tijdelijke gevangenisstraf de duur van de ontzetting van een recht de duur van de hoofdstraf ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaat. Op grond van art. 197a lid 3 Sr kan bij overtreding van art. 197a leden 1 en 2 Sr, indien de overtreding wordt begaan in de uitoefening van een beroep, ontzetting worden uitgesproken van de uitoefening van het recht het beroep uit te oefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het derde middel 5.6 Het hof heeft de verdachte voor het – kort gezegd – meermalen in de uitoefening van zijn beroep overtreden van art. 197a leden 1 en 2 Sr veroordeeld tot een tijdelijke gevangenisstraf van vier jaren. Daarnaast heeft het hof – zoals het op grond van art. 28 lid 1, aanhef en onder 5°, Sr in verbinding met art. 197a lid 3 Sr ook kon doen – de verdachte een beroepsverbod opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 Op grond van art. 31 lid 1, aanhef en onder 2°, Sr moet de duur van het door het hof opgelegde beroepsverbod ten minste twee en ten hoogste vijf jaren de duur van de opgelegde tijdelijke gevangenisstraf van vier jaren te boven gaan. In dit geval kan de duur van het opgelegde beroepsverbod dus ten hoogste negen jaren bedragen. De door het hof bepaalde duur van het beroepsverbod van tien jaren is dus in strijd met art. 31 lid 1, aanhef en onder 2°, Sr. Daarover wordt in het middel terecht geklaagd. De Hoge Raad kan het bestreden arrest met verbetering van deze misslag lezen met dien verstande dat de Hoge Raad het arrest zo verstaat dat het hof de duur van de ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van beroepsmatige dienstverlening in het vreemdelingrechtelijke domein heeft bepaald op negen jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 De klacht dat de frase “het beroep van beroepsmatige dienstverlening in het vreemdelingenrechtelijke domein” onduidelijk en te ruim geformuleerd is, waardoor deze onbegrijpelijk is, faalt mijns inziens. Ik meen dat het (kennelijke) oordeel van het hof dat het beroepsverbod in voldoende verband staat met het beroep waarin de strafbare feiten zijn begaan, niet onbegrijpelijk is. Daarbij neem ik in aanmerking i) dat de verdachte zich in zijn hoedanigheid als juridisch adviseur (een beroepsmatige dienstverlener) op het gebied van het asielrecht (in het vreemdelingenrechtelijke domein) schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel door de betreffende vreemdelingen behulpzaam te zijn bij hun illegale verblijf in Nederland en ii) dat het hof blijkens zijn strafmotivering met het beroepsverbod heeft beoogd te voorkomen dat de verdachte zich gedurende dat verbod (wederom) als beroepsmatige dienstverlener zal inzetten in het vreemdelingenrechtelijke domein.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 Voor zover in de schriftuur een vergelijking wordt gemaakt met de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1767, gaat die vergelijking mank. In die zaak was de verdachte veroordeeld voor het in zijn hoedanigheid van medewerker bij een notariskantoor (mede)plegen van valsheid in geschrift. De verdachte was door het hof ontzet uit het recht in enige hoedanigheid werkzaam te zijn in het notariaat. Het beroepsverbod hield ook in dat hij niet “anderszins werkzaamheden [mocht] verrichten op een notariskantoor/in de notariële praktijk”. In cassatie werd geklaagd dat het beroepsverbod zo ruim geformuleerd was dat daaronder alle werkzaamheden op een notariskantoor vielen, ook werkzaamheden die op geen enkele manier verband hielden met het strafbare feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat kader werd in de schriftuur gewezen op de functie van telefonist, receptionist, IT-specialist en schoonmaker op een notariskantoor of in de notariële adviespraktijk. De Hoge Raad overwoog dat terecht werd geklaagd dat de formulering van het beroepsverbod, voor zover dat betrekking had op “het anderszins verrichten van werkzaamheden op een notariskantoor”, niet voldeed aan het vereiste dat het beroepsverbod betrekking moet hebben op het recht op uitoefening van een beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbare feit is begaan. Aangezien uit de overwegingen van het hof echter volgde dat het hof met het beroepsverbod niet het oog had gehad op werkzaamheden op een notariskantoor die geen verband hielden met de notariële (advies)praktijk, deed de Hoge Raad de zaak zelf af door de formulering “het anderszins verrichten op een notariskantoor of in de notariële (advies)praktijk” te verstaan als “enig ander beroep dat inhoudt dat met de notariële (advies)praktijk verbonden werkzaamheden worden verricht”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op hetgeen ik hiervoor onder randnr. 5.8 in aanmerking heb genomen, meen ik dat een dergelijke situatie zich in het onderhavige geval niet voordoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 Voor het geval de Hoge Raad oordeelt dat het beroepsverbod niet in voldoende verband staat met het beroep waarin de strafbare feiten zijn begaan, merk ik het volgende op. Uit de strafmotivering blijkt dat het hof met het beroepsverbod niet het oog heeft gehad op werkzaamheden die geen verband houden met een (advies)praktijk in het vreemdelingenrechtelijke domein. Gelet daarop zal de Hoge Raad de zaak op dit punt zelf kunnen afdoen door de formulering “het beroep van beroepsmatige dienstverlening in het vreemdelingrechtelijke domein” te verstaan als “enig beroep dat inhoudt dat met een (advies)praktijk in het vreemdelingenrechtelijke domein verbonden werkzaamheden worden verricht”.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 Het middel slaagt enkel wat betreft de duur van het opgelegde beroepsverbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Slotsom 6.1 Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld. Nu de verdachte door de rechtbank is vrijgesproken van het onder 6 tenlastegelegde en in cassatie tevergeefs is geklaagd over de bewijsvoering en de bewezenverklaring daarvan, ligt afdoening met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging ten aanzien van het eerste middel niet in de rede. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging. Het derde middel slaagt deels, maar kan door de Hoge Raad zelf worden hersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Ambtshalve merk ik nog op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 12 december 2023. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in cassatie is overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn zal moeten leiden tot strafvermindering in een mate die de Hoge Raad gepast voorkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de duur van het opgelegde beroepsverbod en tot bepaling van die duur op negen jaren,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de aangehaalde toepasselijke wettelijke voorschriften en tot vermelding van art. 28 Sr en art. 31 Sr als wettelijke voorschriften waarop de strafoplegging mede berust,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de duur van de opgelegde gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase en tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.</div>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De kwalificatie van het onder 1 en 7 bewezenverklaarde luidt: “een ander uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan in de uitoefening van zijn beroep, meermalen gepleegd.” De kwalificatie van het onder 2, 3, 5, 6, 8 en 9 bewezenverklaarde luidt: “een ander uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan in de uitoefening van zijn beroep.” De kwalificatie van het onder 4 bewezenverklaarde luidt: “een ander behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland” en “een ander uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan in de uitoefening van zijn beroep, meermalen gepleegd.” Kennelijk is per abuis in de kwalificatie van de bewezen verklaarde feiten telkens na het zinsdeel “een ander uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen” het woord “verschaffen” weggevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb in het dossier niet een beter leesbare versie van de brief aangetroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderaan de brief is bij de naam van de raadsman een zeer vervaagde, krullende lijn te zien. Dit zou mogelijk (een deel van) de handtekening van de raadsman kunnen zijn. Door de slechte kwaliteit van de scan kan ik dit echter niet met zekerheid vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102, m.nt. M.J. Borgers, rov. 3.5-3.6 en HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1212, rov. 2.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:909, NJ 2022/242, rov. 2.4 en HR 1 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1568, rov 2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In HR 22 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:286 en HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1463 was ook sprake van een niet ondertekende volmacht tot het instellen van beroep in cassatie. De Hoge Raad ging in beide arresten niet expliciet in op de in de aan die arresten voorafgaande conclusies opgeworpen ontvankelijkheidskwestie, maar ging zonder meer over tot de beoordeling van de cassatiemiddelen. Daaruit kan worden afgeleid dat de Hoge Raad over het verzuim heen stapte en het beroep ontvankelijk achtte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:399, NJ 2016/432, m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen, rov. 3.3; HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:472, NJ 2017/153, rov. 2.6; HR 6 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2059, rov. 2.7; HR 17 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:905, rov. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2010, 350 en Stb. 2010, 389. Deze versie is hier opgenomen vanwege de in de bewezenverklaringen van de feiten 8 en 9 genoemde periodes van respectievelijk 1 september 2015 tot en met 1 november 2016 en 5 juli 2015 tot en met 7 oktober 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2016, 240.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378, NJ 2021/78, m.nt. J.M. ten Voorde, rov . 2.4; HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:765, NJ 2024/208, rov. 2.4.1; HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:450, NJ 2025/114, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:606, rov. 2.3 en HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1400, NJ 2025/71, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De strafoplegging berust mede op art. 28 Sr en 31 Sr. In het bestreden arrest zijn deze artikelen echter niet opgenomen onder de toepasselijke wettelijke voorschriften. Daar wijzen de stellers van het middel terecht op in de schriftuur. De Hoge Raad kan op grond van art. 441 Sv doen wat het hof had behoren te doen door art. 28 Sr en art. 31 Sr te vermelden als wettelijke voorschriften waarop de strafoplegging mede berust (vgl. bijv. HR 14 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1320; HR 11 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6678; HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7851).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:606.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1767.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40, NJ 2023/106, m.nt. N. Keijzer, rov. 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een geval waarin door de Hoge Raad niet wordt overgegaan tot vermindering van de opgelegde straf als bedoeld in HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, rov. 3.1.3 en 3.2 doet zich hier niet voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 12.</p></div>", "next": 0}