{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Art. 1019h Rv betreft de implementatie van art. 14 Handhavingsrichtlijn waarin is bepaald dat de lidstaten zorgdragen dat in procedures inzake de handhaving van IE-rechten als algemene regel de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt door de verliezende partij zullen worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft met betrekking tot wat moet worden verstaan onder ‘redelijke en evenredige gerechtskosten’ in art. 14 Handhavingsrichtlijn beslist dat deze bepaling zich niet verzet tegen een nationale regeling die een systeem van forfaitaire tarieven behelst voor vergoeding van de kosten voor de bijstand door een advocaat (zoals de indicatietarieven in IE-zaken), mits die tarieven waarborgen dat ten minste een significant en passend deel van de redelijke kosten van de in het gelijk gestelde partij door de verliezende partij wordt gedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een geval waarin in hoger beroep een bedrag van € 178.707,91 aan proceskosten was gevorderd, welk bedrag naar behoren was gespecificeerd en onderbouwd en welke kostenspecificaties niet waren bestreden door de verliezende partij, achtte de Hoge Raad het toepasselijke indicatietarief van maximaal € 40.000 voor een complexe zaak niet ‘een significant en passend deel van de redelijke kosten’ die de in het gelijk gestelde partij in hoger beroep had gemaakt. De Hoge Raad deed de zaak zelf af door als proceskostenveroordeling op de voet van art. 1019h Rv het dubbele van het toepasselijke indicatietarief voor complexe IE-zaken, dus € 80.000, toe te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.49 De klacht neemt op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat een veroordeling tot een proceskostenvergoeding volgens art. 1019h Rv afhankelijk is van een daartoe strekkende vordering (‘desgevorderd’). Dat is een verschil met een reguliere proceskostenveroordeling volgens art. 237 Rv waartoe de rechter (behoudens uitdrukkelijke afstand van recht) ook ambtshalve moet overgaan. Het hof heeft in rov. 5.28 overwogen dat aan dit vereiste is voldaan: ‘Workrate heeft gevorderd dat Payingit c.s. in de volledige proceskosten van het hoger beroep ex artikel 1019h Rv wordt veroordeeld en heeft daartoe twee kostenspecificaties (met bijlagen) overgelegd tot een totaalbedrag van € 72.393,84 (inclusief griffierecht).’ Dat wordt als zodanig in cassatie niet bestreden en strookt overigens ook met de in cassatie onbestreden rov. 2.6: ‘Workrate heeft geconcludeerd tot (…) veroordeling van Payingit c.s. in de volledige kosten van het geding in hoger beroep ex artikel 1019h Rv met nakosten en rente’. Het hof zou (pas) buiten het gevorderde (ultra petitum) hebben beslist als het meer dan het gevorderde bedrag aan proceskosten zou hebben toegewezen, dus meer dan het primair gevorderde bedrag van € 72.393,84 (inclusief griffierecht). Dat heeft het hof niet gedaan, met de toewijzing op grond van de indicatietarieven voor IE-zaken gerechtshoven van een bedrag van € 40.000 te vermeerderen met het griffierecht van € 783.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.50 Het hof dient bij de toepassing van de indicatietarieven voor IE-zaken zelfstandig na te gaan of minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten van de in het gelijk gestelde partij door de verliezende partij wordt gedragen. Het hof heeft in rov. 5.28 niet gemotiveerd waarom het heeft gekozen voor toewijzing van de vordering tot het (maximum)bedrag van het indicatietarief voor een complexe bodemzaak, maar was daartoe ook niet gehouden. Het hof was kennelijk van oordeel dat toewijzing van het gevorderde indicatietarief voor een normale bodemzaak er niet toe leidde dat Workrate een ‘significant en passend deel’ van de door haar gemaakte kosten van € 72.393,84 (inclusief griffierecht), waarvan zoals het hof in rov. 5.28 heeft overwogen de hoogte niet werd betwist door Payingit c.s. (‘Payingit c.s. heeft de kostenopgave van Workrate niet betwist’), van Payingit c.s. vergoed zou krijgen. Onbegrijpelijk is dat niet nu € 20.783 ten opzichte van € 72.393,84 een redelijk vergelijkbare verhouding is als € 40.000 ten opzichte van € 178.707,91 (beide ongeveer een kwart), welke laatste verhouding door de Hoge Raad in een eerder besproken geval niet als een ‘significant en passend deel’ werd beoordeeld. Het hof heeft in de onderhavige zaak niet gekozen voor een verdubbeling van het tarief voor een normale zaak, maar voor het tarief van een complexe zaak. De beoordeling in welke categorie een zaak valt, is sterk feitelijk en kan in cassatie niet met een rechts- of motiveringsklacht worden bestreden, zoals hiervoor in 3.48 besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.51 De klacht kan kortom niet tot cassatie leiden, nu het hof niet was gebonden aan het door partijen in hoger beroep subsidiair gevorderde indicatietarief voor ‘normale’ IE-bodemzaken. Het hof is met de toegewezen proceskostenveroordeling binnen het op de voet van art. 1019h Rv ‘desgevorderde’ gebleven en heeft conform art. 23 Rv ook beslist over hetgeen partijen hebben gevorderd. De begroting van proceskosten is verder een beslissing van feitelijke aard die geen motivering behoeft. Hierop strandt ook subonderdeel 3.2 en daarmee is heel onderdeel 3 tevergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voortbouwklacht 3.52 Het middel bevat ten slotte een voortbouwklacht die inhoudt dat gegrondbevinding van (klachten van) de onderdelen 1 t/m 3 betekent dat ook niet in stand kan blijven wat het hof onder meer in rov. 3.1, 5.19, 5.23-5.24, 5.27 t/m 5.29 heeft geoordeeld en in het dictum (voor zover betreden) heeft beslist. Deze klacht mist zelfstandige betekenis en deelt het lot van de vorige onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Kosten 4.1 Beide partijen hebben in cassatie ook een proceskostenveroordeling volgens art 1019h Rv gevorderd. Payingit c.s. heeft kostenspecificaties van mrs. Alberdingk Thijm, Guerrero Obando, Oostinga en Bruning overgelegd voor een totaalbedrag van € 135.731,35 exclusief btw en Workrate heeft kostenspecificaties van mrs. Dijkman, Nugteren, Van der Putt en Rörsch overgelegd voor een totaalbedrag van € 84.742,42 exclusief btw. Voor vergoeding van de proceskosten in cassatie met toepassing van art. 1019h Rv zijn de Indicatietarieven in IE-zaken Hoge Raad van 1 april 2017 ontwikkeld. De vraag in welke categorie een zaak valt, wordt evenals in hoger beroep voor het cassatieberoep zelfstandig beoordeeld. Dat het hof de procedure als ‘complex’ heeft aangemerkt, is dus in beginsel niet relevant, laat staan beslissend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens Payingit c.s. moet de zaak in cassatie worden ingedeeld in de categorie ‘normaal’ en volgens Workrate in de categorie ‘complex’. Mij lijkt in dit geval, mede gelet op de omstandigheden genoemd in punt 8 onder b van de Indicatietarieven in IE-zaken van de Hoge Raad, indeling in de categorie ‘complex’ het meest passend. Indien de conclusie wordt gevolgd en het cassatieberoep wordt verworpen, is Payingit c.s. de in het ongelijk gestelde partij en dient zij te worden veroordeeld in de proceskosten van Workrate. Uitgaande van de categorie ‘complex’ geldt volgens de indicatietarieven dan voor Workrate als verweerster in cassatie in beginsel een maximumbedrag van € 40.000 met een opslag van maximaal € 3.000 voor dupliek (en nog eens maximaal € 2.000 voor een eventuele Borgersbrief).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens Workrate kunnen deze maximumbedragen in dit geval niet worden beschouwd als ‘een significant en passend deel’ van de door haar gemaakte kosten. Op grond van de specifieke kenmerken van het geval vordert zij anderhalf maal het maximumbedrag voor verweer (dus € 60.000) en het dubbele van het maximumbedrag voor dupliek (dus € 6.000). De bijzondere omstandigheden die dat volgens Workrate rechtvaardigen zijn ‘de uitzonderlijke omvang van het cassatiedebat door het grote aantal nieuwe klachten en het overbodige mondelinge pleidooi’. Workrate kan worden toegegeven dat Payingit c.s. het cassatiedebat onnodig heeft gecompliceerd, maar die (dus voor een deel onnodige) complexiteit zit naar wil voorkomen al afdoende verdisconteerd in de indeling in de categorie ‘complex’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook als de maximumbedragen van € 40.000 voor verweer en € 3.000 voor dupliek worden afgezet tegen de door Workmate daadwerkelijk gemaakte kosten kan volgens mij niet worden gezegd dat daarmee geen sprake is van vergoeding van een significant en passend deel (ongeveer de helft) van de door haar gemaakte kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2 Daarmee is echter nog niet zonder meer gezegd dat Workrate op de voet van art. 1019h Rv aanspraak kan maken op de genoemde maximumbedragen van € 40.000 en € 3.000 voor verweer en dupliek. In cassatie heeft immers één van de drie onderdelen van het middel en twee van de tien klachten betrekking op de art. 1019h Rv-aanspraken in appel. Volgens vaste rechtspraak vallen kosten gemaakt om te doen vaststellen of en in hoeverre de kosten volgens art. 1019h Rv voor vergoeding in aanmerking komen niet ook zelf onder het toepassingsbereik van dat artikel, omdat het dan niet meer gaat om kosten verband houdend met (een verweer tegen) de handhaving van een IE-recht. In mijn recente al aangehaalde conclusie vóór het tussenarrest in de Anne Frank Fonds/Anne Frank Stichting-zaak, heb ik het standpunt ingenomen dat die rechtspraak in een geval als dit ook opgaat, zodat bij de door partijen gevorderde bedragen voor de cassatieprocedure dient te worden vastgesteld welk deel betrekking heeft op het auteursrechtelijke deel en welk deel op de 1019h-proceskostenclaims in hoger beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen hebben dit zelf niet gedaan, maar de Hoge Raad kan dat ambtshalve schatten. Dat zou, indien dit standpunt gevolgd zou worden, ook in deze zaak kunnen gebeuren, bijvoorbeeld door voor twee derde deel (per onderdeel van het cassatiemiddel bezien, alleen onderdeel 3 gaat over de kosten) of vier vijfde deel (op basis van het aantal klachten: twee van de tien gaan over de art. 1019h Rv-aanspraken in appel) de kostenveroordeling volgens art. 1019h Rv toe te passen en voor het resterende deel het gebruikelijke liquidatietarief volgens art. 237 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Conclusie Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De feiten zijn ontleend aan het bestreden arrest: Hof Amsterdam 19 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3207, Computerrecht 2025/130 m.nt. D.H.J. Bouchier en S.Y. Wakker, rov. 3.2-3.42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik begrijp dat de afkorting ‘SVN’ staat voor ‘Subversion’, d.w.z. een versiebeheersysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toevoeging A-G: de grootste klant van Workrate (zie rov. 5.10 van het bestreden arrest).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het procesverloop is grotendeels ontleend aan het al aangehaalde bestreden arrest, rov. 2.1-2.6 en 4.1-4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. het overzicht van de vorderingen in conventie in Bijlage II bij het eindvonnis: Rb. Amsterdam 25 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2512.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. het overzicht van de vorderingen in reconventie in Bijlage III bij voornoemd eindvonnis (zie vorige voetnoot). ‘Vast staat dat [eiser 5] geheel op de hoogte was van het bestaan van Workstate en het gegeven dat Workrate deze software-applicatie extern, zoals bij haar grootste klant Equinix (waarvoor [eiser 5] accountmanager was), exploiteerde. Verder wist [eiser 5] dat Workstate en Usemate onderdelen van de broncode deelden. Bovendien had [eiser 5] begrepen (althans moeten begrijpen) dat er twee (aanvankelijk identieke) versies waren van de (codebase) van de software: GIT (Usemate) en SVN (Workrate) en dat Workstate de SVN versie bleef gebruiken voor Workstate en daarop ook zelf ontwikkelde, hetgeen voldoende duidelijk was uit verschillende door [betrokkene 4] (al dan niet cc) aan [eiser 5] gestuurde e-mails (van 5 juli 2016 aan [eiser 5] cc (EP8), 20 april 2016 aan [eiser 5] cc (EP 92) en 30 augustus 2018 aan [eiser 5] (EP9).’ ‘Ter zitting van het hof is door [eiser 5] ook bevestigd dat alle partijen wisten dat Workrate haar Workstate software extern exploiteerde, onder meer door deze aan derden als Equinix ter beschikking te stellen, en dat iedereen ervan uitging dat de Koopovereenkomst daarin geen verandering zou brengen.’ Overgelegd als prod. 2 bij inl. dagv., met deze definitie van ‘Kopers’ in art. 1.1: ‘Kopers heeft de betekenis die daaraan is toegekend in de introductie van deze Overeenkomst;’. In die introductie staat o.m.: ‘De partijen onder paragrafen 1, 2 en 3 hierboven [NRD, DENDER en CMC, A-G] worden hierna gezamenlijk ook aangeduid als de “Kopers” (…).’ Getekend is zijdens ‘Kopers’ door [eiser 5] , [betrokkene 3] en [eiser 6] namens resp. NRD, DENDER en CMC, elk met de aanduiding: ‘zelfstandig bevoegd bestuurder’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook inl. dagv. 11.24, voetnoot 2 aldaar: ‘ [eiser 5] heeft bijvoorbeeld jarenlang als accountmanager bij Workrate gewerkt, waarbij hij veelvuldig gebruik maakte van Usemate en zag hoe Workrate Usemate gebruikte.’ En mva 4.2: ‘Payingit heeft met de kennis van een goed ingevoerde insider [lees: [eiser 5] , A-G] een onderdeel gekocht (Usemate) uit een samenhangend softwarepakket.’ Onder verwijzing naar HR 17 december 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5835, NJ 1977/241 m.nt. G.J. Scholten en Ars Aequi 1977, p. 654 e.v. m.nt. P. van Schilfgaarde (Misverstand) en HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2821, NJ 2017/10 en JOR 2017/55 m.nt. P.S. Bakker (Flexabram/Iprem).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 m.nt. C.J.H. Brunner en Ars Aequi 1981, p. 355 e.v. m.nt. P. van Schilfgaarde (Haviltex). ‘Overwegende omtrent het tweede middel: (…) dat immers, indien partijen die een overeenkomst wensen te sluiten, daarin een voor misverstand vatbare uitdrukking bezigen, die zij elk in verschillende zin hebben opgevat, het antwoord op de vraag of al of niet een overeenkomst tot stand is gekomen, in beginsel afhangt van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid;’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.1.1: ‘Onderdeel 1 klaagt terecht dat het hof met zijn hiervoor in 3.2.3 weergegeven oordeel de bij de uitleg van een overeenkomst als de onderhavige toe te passen Haviltex-maatstaf heeft miskend. In het bijzonder heeft het hof eraan voorbijgezien dat het bij de uitleg niet gaat om de vraag wat partijen (naar het oordeel van het hof) zouden zijn overeengekomen indien zij (wel) rekening hadden gehouden met doorverkoop van het gebouw, maar om de vraag welke zin partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de uit te leggen bepaling mochten toekennen in het geval dat het gebouw werd doorverkocht, en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, NJ 2013/214 (Lundiform/Mexx)).’ Zie hierover ook P.S. Bakker in zijn annotatie bij het Flexabram/Iprem-arrest in JOR 2017/55, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Sieburgh 6-III 2022/403.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo ook de al aangehaalde Computerrecht-annotatie van Bouchier en Wakker onder het bestreden arrest, onder 6: ‘partijen [hadden] deze discussie (…) kunnen voorkomen door te kiezen voor een juridische splitsing van auteursrechten’. M.a.w.: wanneer partijen zelf in de leemte zouden hebben voorzien (hypothetische partijbedoeling), zouden ze een juridische splitsing van auteursrechten hebben kunnen overeenkomen. Dat is dus iets anders dan het contractuele gebruiksrecht dat het hof heeft aangenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.M.M. Hendrikx, Het aanvullen van een leemte in de overeenkomst naar Nederlands en Engels recht, Een kwart eeuw (Snijders-bundel), 2016, p. 157, met verdere verwijzingen in voetnoot 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar mvg 79-101, 103-107, 113-14, 125, 130-141, 187-196, 197-212, plta HB 9, 12-16, 36, 51-65.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. 4: ‘dat wij nooit toestemming hebben gegeven voor het maken van een kopie van Usemate of daarmee akkoord zijn gegaan. Workrate mocht slechts gebruikmaken van een gesplitte versie. De overgelegde e-mails zeggen mij verder niets. Payingit c.s. heeft slechts een licentie verstrekt aan Workrate voor intern gebruik.’, waarbij de klacht verder verwijst naar cva 440-453 (conventie), 476-510 (reconventie); plta EA 26-39, zittingsp-v EA p. 9-10 en mvg 179-184.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik trof dit p-v uitsluitend in het A-dossier aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar ‘o.m.’ mvg 101 en 111-112, plta HB 29, 51-58, en uit de eerste aanleg ook ‘o.m.’ cva 163-237, 330-373 (conventie), 476-510 (reconventie), akte wijziging eis in reconventie 53, 58-63, 91-95.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (BPP nr. 4) 2025/85, J.J. van der Helm, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 14 (bijgewerkt t/m 7 september 2024) en T. van Malssen &amp; R.M. Andes, Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 347 Rv, aant. 2.1 (bijgewerkt t/m 27 januari 2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toewijzing van de door de rechtbank afgewezen primair sub I door Payingit c.s. gevorderde verklaring voor recht dat de auteursrechten op de software opgenomen in de zes mappen uit het [betrokkene 4] document van 28 juni 2016 inclusief alle bewerkingen daarvan op grond van de Koopovereenkomst per 6 juli 2016 aan PayinglP zijn overgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar mvg 147-156,162-166 en 167-171.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 2 lid 5 Aw verklaart o.m. art. 2 lid 3, 2e volzin Aw (‘De overdracht of de verlening van een exclusieve licentie omvat alleen die bevoegdheden die in de akte staan vermeld of die uit de aard of de strekking van de titel of de licentieverlening noodzakelijkerwijs voortvloeien.’) niet van toepassing op een maker als bedoeld in art. 8 Aw (werk openbaar gemaakt als afkomstig van een vennootschap, zoals in de onderhavige zaak).</p>\n<p class=\"lf-p\">Mvg 162-166 voert aan dat het gebruiksrecht dat de rechtbank heeft aangenomen indruist tegen de contractsvrijheid en dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid tot een resultaat moet leiden dat in het verlengde ligt van hetgeen partijen zijn overeengekomen. Dat heeft het hof niet miskend (zoals hiervoor al is besproken in 3.14); er is alleen anders over geoordeeld dan door Payingit c.s. voorgestaan. Mvg 167-171 gaat ook over iets anders, namelijk over de werkbaarheid in de praktijk. Hierop is door het hof expliciet gerespondeerd in rov. 5.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze driestappentoets Spoor/Verkade/Visser, Auteursrecht (R&amp;P nr. IE2) 2025/5.7 met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plta cassatie Payingit c.s. 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plta cassatie Workrate 32 (‘Evenmin heeft het hof een nieuw gebruiksrecht of beperking gecreëerd. Het heeft slechts vastgesteld wat partijen contractueel zijn overeengekomen en mochten verwachten van elkaar.’), 33 (‘Ook de Softwarerichtlijn vormt geen belemmering. Zij harmoniseert het beschermingsniveau, maar sluit niet uit dat partijen onderling rechten verdelen of gebruiksrechten erkennen. Dat is nu juist de essentie van licentieovereenkomsten.’), 34 (‘Ook een beroep op het EU-Handvest kan niet baten. Er is geen sprake van ontneming van eigendom of een ongerechtvaardigde beperking van auteursrechten. Het hof heeft slechts vastgesteld wat partijen zelf zijn overeengekomen, tegen de achtergrond van hun precontractuele uitlatingen, de context en hun gedragingen na closing.’) en 35 (‘Kortom: geen strijd met de Auteurswet, geen strijd met Europees recht – slechts zuivere contractsuitleg naar Haviltex.’), s.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Workrate 85 (‘(…) Het hof aanvaardt op grond van de Haviltex-maatstaf een impliciet contractueel gebruiksrecht voor overlappende onderdelen binnen Workstate (rov. 5.13). Dat is geen ongerechtvaardigde beperking van het auteursrecht en levert geen strijd op met het Auteursrecht of Unierecht, dat als uitgangspunt neemt dat de auteursrechthebbende licenties kan verstrekken.’), 87 (‘(…) Dat oordeel getuigt van een juiste rechtsopvatting: de drie-stappentoets ziet op wettelijk geformuleerde beperkingen op het auteursrecht, niet op contractsuitleg.’) en 88 (‘De rechtsopvatting dat een door contractsuitleg bepaald gebruiksrecht strijd oplevert met de Softwarerichtlijn en art. 17 EU-Handvest is onjuist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover dit subonderdeel beoogt te stellen dat een gebruiksrecht niet uit een Haviltex-uitleg kan volgen, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Voor de uitleg van de Licentieovereenkomst geldt de toepassing van het algemene overeenkomstenrecht, waaronder het Haviltex-arrest (voetnoot 22 verwijst naar Spoor/Verkade/Visser, Auteursrecht (R&amp;P nr. IE2) 2025/9.34 met als kopje: Uitleg niet-exclusieve licentiecontracten en niet door art. 2 bestreken contractsbepalingen: Haviltex- en DSM/ […] -leer). Toestemming tot gebruik kan op grond van de uitleg van een overeenkomst geïmpliceerd zijn. Daar staat de Softwarerichtlijn en art. 17. Handvest-EU niet aan in de weg’) en dupliek 17 (‘(…) De uitleg van overeenkomsten op basis van de wederzijdse partijbedoeling vormt geen “beperking van het auteursrecht” en evenmin een “gedwongen overdracht” (vgl. §56-59 ST).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft uitsluitend op grond van de Haviltex-maatstaf de omvang vastgesteld van i.) de overeengekomen overdracht van de Usemate-software en ii) de impliciete toestemming voor het gebruik van de overlappende Workstate-code.’), 18 (‘In §50 e.v. ST en §11 e.v. MT beroepen PayingIT c.s. zich op het Luksan- en ONB-arrest [vindplaatsen weggelaten, A-G]. Die arresten zien op toekenning en overgang van auteursrechten op grond van wettelijke bepalingen, niet op de uitleg van contractuele afspraken. In deze zaak gaat het niet om een wettelijke auteursrechtelijke regeling of beperking op het auteursrecht, maar om de interpretatie van afspraken tussen professionele partijen die hun rechtsverhouding zelf hebben vormgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aangehaalde rechtspraak is daarom niet relevant.’) en 19 (‘De stelling van PayingIT c.s. in §80-81 ST dat de zogenoemde obstakelredenering van het Hof van Justitie deze contractsuitleg van het hof in de weg zou staan, berust op een onjuiste rechtsopvatting. PayingIT c.s. verwijzen naar Torenbosch, die opmerkt dat “zelfs nationaal recht dat als zodanig niet wordt geregeld door een richtlijn, niet mag worden toegepast op een manier die de werking van geharmoniseerd EU-recht aantast of ondermijnt.” (voetnoot 4: J. Torenbosch, ‘Algemeen privaatrecht als ontoelaatbaar obstakel voor richtlijnen en verordeningen’, NTBR 2024/24). Torenbosch noemt nationaal civielrechtelijke leerstukken, zoals verjaring, ongerechtvaardigde verrijking of eigendomsvoorbehoud, die objectief botsen met het Unierecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is hier niet aan de orde. Het hof heeft geen nationaal leerstuk toegepast dat de werking van het Unierecht beperkt, maar enkel de wederzijdse partijbedoeling vastgesteld ten aanzien van een niet-exclusief gebruiksrecht tussen professionele partijen, op grond van het Haviltex-criterium. Dat valt buiten de geharmoniseerde werkingssfeer van de Auteursrechtrichtlijn en vormt geen beperking van het auteursrecht.’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Plta cassatie Payingit c.s. 39 e.v., s.t. Payingit c.s. 87-88 en repliek 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.t. Payingit c.s. 74, 87 en repliek 3-5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie uitdrukkelijk dupliek 1-11 (‘De aangehaalde paragrafen [uit de s.t. van Payingit c.s. en haar plta cassatie, A-G] vallen dan ook allemaal buiten de grenzen van de rechtsstrijd in cassatie.’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar grief 7 in mvg 214-215.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar de toelichting op grief 7 in mvg 243-245 en 246-249.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betreft een e-mailbericht van [betrokkene 4] van 28 juni 2016 waarover ook 1.20 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de genoemde vindplaats is onder meer te lezen: ‘Klassestudent is een groepsmaatschappij van Workrate die Usemate gebruikt. Workrate heeft KlasseStudent in 2010 al in een vroeg stadium volledige ontwikkelrechten gegeven met betrekking tot de broncode van onder meer de Workmate-software, ver voordat deze software onder naam Usemate is verkocht aan PayingIP. Per 1 december 2010 is de IT-ontwikkelaar [softwarebedrijf] gaan werken voor KlasseStudent voor ontwikkelwerkzaamheden in de door KlasseStudent gebruikte versie van Workmate en heeft [softwarebedrijf] ook gefactureerd aan KlasseStudent B.V. (de eerste factuur aan KlasseStudent was op 31 december 2010). Op 10 november 2012 (09:58:56; conform logs) heeft KlasseStudent een volledige aftakking (“fork”) gemaakt van de Workrate-code, inclusief Workmate; dat wil zeggen een kopie van de broncode van die dag, en is KlasseStudent vanaf dat moment enkel vanaf die kopie gaan doorontwikkelen onder de naam KlasseNet. (…) Aangezien Workrate de toestemming al in 2010 aan KlasseStudent heeft gegeven en de code vanaf dat moment al volledig in beheer was van KlasseStudent en door hen verder is ontwikkeld als separaat product en het feit dat dit [eiser 5] van PayingIT en PayingIP bekend was ten tijde van de overname in 2016, is er geen contractbreuk/auteursrechtinbreuk. (…)’ Zie hierover ook mva 11.48, mede onder verwijzing naar een in prod. 94 overgelegde mailwisseling van 2 oktober 2009. In deze mail schrijft [betrokkene 4] : ‘Voor het bedrijf ‘Klassestudent’ (partner van Workrate) zouden we graag een kopie van de Workrate applicatie op de server willen laten draaien, zodat Klassestudent een eigen rooster applicatie kan gebruiken. Hiervoor is het volgende nodig: - er moet een mapje /home/klassestudent/ aangemaakt worden; deze map moet schrijfbaar zijn voor mij (user = [betrokkene 4] ). + hierin moeten de volgende submappen komen te staan (met schrijfrechten voor) www ( [betrokkene 4] ) (…) + Middels symlinks naar de /home/prd-workrate/src/portal/ kan ik de broncode van de productie omgeving gebruiken; zo hoeven we niet de broncode weer apart neer te zetten. (…)’. [betrokkene 1] antwoordt daarop: ‘Namens Workrate, akkoord’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2153, NJ 2008/556 m.nt. E.J. Dommering, IER 2008/58 m.nt. J.M.B. Seignette en Ars Aequi 2008, p. 819 e.v. m.nt. P.B. Hugenholtz ([…]); HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0393, NJ 2012/397, AB 2012/228 m.nt. F.J. van Ommeren, Gst. 2012/87 m.nt. P.M.J. de Haan, Belastingblad 2012/433 m.nt M.R.P. de Bruin, BR 2012/170 m.nt. C.N.J. Kortmann, TBR 2012/150 m.nt. A.R. Neerhof, Ars Aequi 2013, p. 762 e.v. m.nt. R.J.B. Schutgens, JB 2012/178 m.nt. J.J.J. Sillen en JIN 2012/169 m.nt. J.J.J. Sillen ( /Staat), HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:397, NJ 2015/367 m.nt. Ch. Gielen en JIN 2015/63 m.nt. M.R. Rijks (Ajax/ […]) en HR 11 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:390, NJ 2016/174 (Ryanair/PR Aviation).</p>\n<p class=\"lf-p\">De klacht duidt dat als veroordeling in de ‘volledige proceskosten’, zoals een 1019h-vergoeding in de wandeling inderdaad wel wordt genoemd. Zie in die zin (‘vergoeding van de volledige proceskosten’) ook rov. 5.4.1 van het al aangehaalde […]-arrest, rov. 5.4.1. Rechtens komen alleen redelijke en evenredige kosten voor vergoeding in aanmerking en ook deze kosten mogen buiten beschouwing worden gelaten voor zover de billijkheid zich tegen de vergoeding ervan verzet. Zie in deze zin inmiddels ook HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:721, NJ 2018/428 m.nt. D.W.F. Verkade en IER 2018/57 m.nt. F.W.E. Eijsvogels (Becton/Braun), rov. 3.3.10, onder verwijzing naar HvJEU 28 juli 2016, zaak C-57/15, ECLI:EU:C:2016:611 (United Video Properties/Telenet), punten 23, 24, 25, 29 en 31. Zie hierover ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:384, onder 3.2) vóór HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1263, NJ 2024/347 (tussenarrest), vervolgd in HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1603, NJ 2024/348 (verwijzingsarrest) en Auteursrecht 2025-2, nr. 4 m.nt. P.B. Hugenholtz (Anne Frank Fonds/Anne Frank Stichting). […] -arrest, al aangehaald, rov. 5.4.1 en Ajax/ […], ook al aangehaald, rov. 3.5; T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1019h Rv, aant. 6 (actueel t/m 1 januari 2025) en C.J.J.C. van Nispen, T&amp;C Rv, commentaar op art. 1019h Rv, aant. 6 (actueel t/m 1 juli 2025), beiden met verdere verwijzingen. […] /Staat, al aangehaald, rov. 3.14. Vgl. ‘omgekeerd’ Ryanair/PR Aviation, ook al aangehaald, rov. 2.5, waaruit blijkt dat geen sprake is van een gemengde zaak als het oordeel is gestoeld op wanprestatie en partijen zich in dat kader over en weer hebben beroepen op argumenten ontleend aan IE-rechten. In dat geval is uitsplitsing van de proceskosten niet aan de orde en dienen de proceskosten uitsluitend volgens het gebruikelijke liquidatietarief te worden begroot.</p>\n<p class=\"lf-p\">De proceskosten in eerste aanleg zijn in cassatie niet in geschil. De rechtbank heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd in de zin dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen, welk oordeel door het hof is bekrachtigd (rov. 5.27 en het dictum).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze overwegingen stroken overigens met het partijdebat in hoger beroep. Zie bijv. mvg 7: ‘De centrale vraag in deze procedure is of Usemate auteursrechthebbende is geworden van de volledige Usemate software.’ en mva 4.1: ‘De kernvraag in deze procedure is of Workrate Workstate mag exploiteren.’ Evenzo mva 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Tjong Tjin Tai, a.w., aant. 6: ‘Het gaat er (…) niet om op welke grondslag een beroep is gedaan, maar op welke grondslag de rechter uiteindelijk de zaak heeft afgedaan.’ Mvg 286 (petitum): ‘(…) en Workrate te veroordelen in de volledige proceskosten van deze procedure, overeenkomstig artikel 1019 Rv, althans betaling van het maximumtarief voor normale zaken overeenkomstig de indicatietarieven voor intellectuele eigendomszaken, (…)’ en mva, p. 26 (petitum): ‘Met veroordeling van Payingit in de volledige proceskosten van deze procedure overeenkomstig artikel 1019h Rv, althans betaling van het maximumtarief voor normale zaken overeenkomstig de indicatietarieven voor intellectuele eigendomszaken, (…)’. Vgl. inl. dagv. 15.27: ‘Aangezien de vorderingen deels betrekking hebben op de handhaving van IE-rechten, wenst Workrate deels aanspraak te maken op vergoeding van de werkelijke proceskosten op basis van artikel 1019h Rv. Het komt Workrate redelijke voor om schattenderwijs 20% van de juridische kosten toe te rekenen aan de handhaving van de IE-rechten. (…)’ Zie hierover Tjong Tjin Tai, a.w., aant. 6: ‘Het verdient aanbeveling de rechter bij verschillende grondslagen bij de specificatie van de kosten inzicht in de omvang van dat IE-gedeelte te geven.’ HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3477, NJ 2016/16 (LMR), rov. 5.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. de Bruin, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 237 Rv, aant. 1 (actueel t/m 1 maart 2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">C.J.S. Vrendenbarg, Proceskostenveroordeling en toegang tot de rechter in IE-zaken, diss. (BPP nr. XIX) 2017/100.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. het afgewezen primair onder II gevorderde declaratoir van Payingit c.s. (‘te verklaren voor recht dat Workrate inbreuk maakt op de auteursrechten van PayingIT, door (een deel van) de Software, meer specifiek de Software als opgenomen in de zes mappen uit het [betrokkene 4] -document van 28 juni 2016 inclusief alle bewerkingen daarvan, te kopiëren, te bewerken, aan te passen, door te ontwikkelen, en/of commercieel te exploiteren, waaronder begrepen maar niet beperkt tot de Software beschikbaar te stellen, te leveren en/of te distribueren aan klanten en/of leveranciers van Workrate, waaronder maar niet beperkt tot Equinix en KlasseStudent;’), ook kenbaar uit Bijlage II bij het eindvonnis, en de toegewezen door Workrate gevorderde verklaringen voor recht als bedoeld in rov. 6.1-6.4 eindvonnis (‘geen inbreuk maakt op de auteursrechten’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Te raadplegen via www.rechtspraak.nl/binaries/content/assets/ao/ao-indicatietarieven-in-ie-zaken-gerechtshoven-2017.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar petitum in resp. mvg en mva , hiervoor al geciteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:112, NJ 2020/59 en JBPr 2020/37 m.nt. E.J.H. Zandbergen en S. Lubberhuizen (Spirits/FKP), rov. 3.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook het Spirits/FKP-arrest, al aangehaald, rov. 3.3.1, onder verwijzing naar HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2621, NJ 1998/571.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook het Spirits/FKP-arrest, al aangehaald, rov. 3.3.2, onder verwijzing naar het LMR-arrest, al aangehaald, rov. 6.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, PbEU L 195/16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spirits/FKP-arrest, al aangehaald, rov. 3.3.4, onder verwijzing naar het ook al aangehaalde HvJEU-arrest United Video Properties/Telenet, punt 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spirits/FKP-arrest, al aangehaald, rov. 3.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spirits/FKP-arrest, al aangehaald, rov. 3.3.5. Vgl. hierover Tjong Tjin Tai, a.w., aant. 8, voetnoot 2 aldaar: ‘Overigens heeft de Hoge Raad in die zaak toch gecasseerd, naar het toeschijnt vanwege een foutieve toepassing van de [indicatie]tarieven!’ […] , al aangehaald, rov. 5.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tjong Tjin Tai, a.w., aant. 6, met verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast ‘normaal’ en ‘complex’ zijn er overigens nog twee categorieën (‘zeer eenvoudig, niet bewerkelijk’ en ‘eenvoudig’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 8 onder b van de Indicatietarieven in IE-zaken gerechtshoven: ‘Voor de vraag in welke categorie een procedure valt, kan onder meer worden gelet op - de omvang van het (redelijkerwijs noodzakelijke) feitenonderzoek ten behoeve van de procedure, - de omvang van het relevante feitencomplex, - de grondslagen van de vorderingen (met inachtneming van eventuele wijzigingen van eis), - de omvang van het verweer (meerdere grondslagen en een groot aantal verweren zullen vaak leiden tot een complexere procedure), - het aantal proceshandelingen, - het aantal relevante producties, en - het financiële belang van de zaak, voor zover kenbaar. Ook kan worden getoetst of de inzet van het aantal advocaten aan een zijde gelet op de omvang en complexiteit van de procedure redelijk en evenredig is.’ [voetnoot niet overgenomen uit het origineel, A-G] Hoewel in beginsel niet meer van belang in hoger beroep (zie punt 8 onder a van de Indicatietarieven in IE-zaken gerechtshoven) vorderde Payingit c.s. in eerste aanleg ook nog het maximumtarief voor complexe zaken. Zie de akte houdende wijziging van eis in reconventie van 25 augustus 2021, vordering XXVII, ook kenbaar uit Bijlage III bij het eindvonnis: ‘(…) subsidiair, in een bedrag begroot aan de hand van het maximumtarief voor complexe zaken overeenkomstig de indicatietarieven voor intellectuele eigendomszaken, (…)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook mijn al aangehaalde conclusie vóór het tussenarrest in de Anne Frank Fonds/Anne Frank Stichting-zaak, onder 3.13 en i.h.b. voetnoot 29 aldaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor Payingit c.s. aan het slot van de PI (p. 10): ‘(…) en Workrate te veroordelen in de volledige proceskosten van deze procedure in cassatie overeenkomstig art. 1019h Rv althans betaling van het maximumtarief voor normale zaken overeenkomstig de indicatietarieven voor intellectuele eigendomszaken, met bepaling dat de proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van het te wijzen arrest van de Hoge Raad’. Zie voor Workrate de conclusie in het verweerschrift: ‘(…) met veroordeling van eisers tot cassatie in de volledige proceskosten op grond van artikel 1019h Rv, nader te specificeren. Dit met de bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te wijzen arrest.’ S.t. Payingit c.s. 120-122 en repliek 29-30, beiden met bijlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.t. Workrate 122-126 en dupliek 27-28, beiden met bijlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te raadplegen via www.hogeraad.nl/publish/pages/2223/indicatietarieven-in-ie-zaken-hr-2017_2.pdf en https://www.rechtspraak.nl/binaries/content/assets/ao/ao-indicatietarieven-in-ie-zaken-hr-2017.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 8 onder a van de Indicatietarieven in IE-zaken van de Hoge Raad van 1 april 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. PI (p. 10), al geciteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. s.t. Workrate 117.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die komen overeen met de hiervoor al geciteerde omstandigheden als bedoeld in punt 8 onder b van de Indicatietarieven in IE-zaken gerechtshoven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. overigens ook s.t. Payingit c.s. 121 (‘Deze zaak is in cassatie inhoudelijk en juridisch, nationaalrechtelijk en Unierechtelijk, ook bovengemiddeld complex van omvang en gewicht (…)’), waarover dupliek 24-25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar punt 7 onder b Indicatietarieven in IE-zaken van de Hoge Raad van 1 april 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dupliek 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Becton/Braun, al aangehaald, rov. 3.5, onder verwijzing naar HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087, NJ 2018/56 m.nt. H.J. Snijders, IER 2017/7 m.nt. A.M.E. Verschuur en JBPr 2016/62 m.nt. E. Loesberg ([…] /GIA).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie, onder 4. De Hoge Raad heeft in die zaak over de proceskosten in cassatie nog geen beslissing genomen, omdat prejudiciële vragen aan het HvJEU zijn gesteld (zaak C-788/24, waarin inmiddels op 15 januari 2026 conclusie is genomen door A-G A Rantos, ECLI:EU:C:2026:12, maar nog geen uitspraak van het HvJEU voorhanden is).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Ajax/ […], al aangehaald, rov. 3.5.</p></div>", "next": 0}