{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Beide vergelijkingen zijn niet volledig zuiver, omdat voormeld uitgangspunt niet zonder meer juist is. Ten eerste, hoewel de Wet VPS van toepassing is op scheidingen die op of na 1 mei 1995 plaatsvinden (vgl. ‎3.22), is de Wet VPS niet toepasselijk op alle scheidingen die in zijn temporele toepassingsgebied vallen. Echtgenoten kunnen namelijk de toepasselijkheid van de Wet VPS uitsluiten (zie ‎3.13). In zo’n geval is art. 2(2) Wet VPS dus niet van toepassing. Er bestaat trouwens discussie of in zo’n geval als uitgangspunt wordt teruggevallen op het Boon/Van Loon-regime (‎3.24). Ten tweede, ook indien de Wet VPS wel toepasselijk is, vindt in voorkomende gevallen art. 2(2) Wet VPS geen toepassing. Ik wijs op twee van de in ‎3.31 genoemde gevallen, te weten het geval dat niet (tijdig) mededeling van de scheiding aan de pensioenuitvoerder is gedaan en het geval dat de Wet VPS van toepassing is op pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling. Ik breng daarbij in herinnering dat het geenszins om een gering aantal gevallen gaat (‎3.32).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6 Met de vergelijking die het Hof maakt tussen enerzijds belastingplichtigen die onder het Boon/Van Loon-regime vallen en anderzijds belastingplichtigen die onder het Wet VPS-regime vallen, zal het Hof dus denkelijk meer specifiek voor ogen hebben gehad de vergelijking tussen het in ‎3.7 bedoelde archetypegeval van het Boon/Van Loon-regime (dooruitkering) en het in ‎3.14 bedoelde archetypegeval van het Wet VPS-regime (gesplitste uitkering). Dat vindt ook steun in rov. 5.1.1 en 5.1.2 van het Hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7 Het voorgaande impliceert echter ook nog wat anders. Uit het voorgaande volgt namelijk dat ook bij scheidingen die onder het Wet VPS-regime vallen, aan de orde kan zijn dat – net zoals bij archetypegeval van het Boon/Van Loon-regime – de pensioengerechtigde belastingplichtige een deel van de door hem ontvangen pensioenuitkering dient door te betalen aan de ex-echtgenoot. De door het Hof gesignaleerde ongelijke fiscale behandeling doet zich dus niet alleen voor tussen belastingplichtigen die onder Boon/Van Loon-regime vallen en anderzijds belastingplichtigen die onder het Wet VPS-regime vallen. Zij kan zich ook voordoen binnen het Wet VPS-regime, namelijk tussen de gevallen waarin art. 2(2) Wet VPS toepassing vindt (gesplitste uitkering) en de gevallen waarin die bepaling geen toepassing vindt maar art. 2(6) Wet VPS (dooruitkering). Die laatste gevallen worden fiscaal hetzelfde behandeld als het archetypegeval van het Boon/Van Loon-regime (zie ook de in ‎4.21 vermelde wetsgeschiedenis van de Wet VPS).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8 De door het Hof gesignaleerde ongelijke fiscale behandeling ligt voor de zojuist onderscheiden gevallen binnen het Wet VPS-regime nog wat scherper dan voor het archetypegeval van het Boon/Van Loon-regime en het archetypegeval van het Wet VPS-regime. Men zou namelijk in verband met een vergelijking tussen die twee laatste gevallen nog kunnen wijzen op andere verschillen – dan de wijze van uitbetaling van een pensioentermijn – tussen beide regimes, zoals het wezenlijke verschil in uitgangpunten voor de wijze van berekening van de pensioenverdeling (zie ‎3.29), zoals de Staatssecretaris doet in zijn beroepschrift in cassatie (p. 9-10). Maar op dergelijke andere verschillen kan niet worden gewezen in het kader van de ongelijke behandeling van de zojuist onderscheiden gevallen binnen het Wet VPS-regime. Anders gezegd, de bedoelde gevallen binnen het Wet VPS-regime zijn nog meer vergelijkbaar; het enige verschil is het verschil in ‘uitkeringstroom’.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.9 Terzijde: een van de door de Staatssecretaris gesignaleerde verschillen tussen het Boon/Van Loon-regime en het Wet VPS-regime is niet juist. De Staatssecretaris stelt dat onder de Wet VPS onder meer het volgende geldt: “het zelfstandig vorderingsrecht van een van de gewezen echtgenoten is niet afhankelijk van het leven van de andere echtgenoot”. Dat is onjuist: het zelfstandig vorderingsrecht jegens de pensioenuitvoerder ingevolge art. 2(2) Wet VPS is wel degelijk een afhankelijk recht (zie ‎3.16). Bij conversie is het recht van de vereveningsgerechtigde daarentegen niet afhankelijk van het leven van de andere echtgenoot, maar dat betreft juist weer niet een zelfstandig vorderingsrecht ingevolge art. 2(2) Wet VPS maar een eigen pensioenrecht (zie ‎3.21).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.10 Aangezien de door het Hof gesignaleerde ongelijke fiscale behandeling zich ook kan voordoen binnen het Wet VPS-regime, kies ik ervoor om de verdere analyse niet te beperken tot (een vergelijking tussen) het archetypegeval van het Boon/Van Loon-regime en het archetypegeval van het Wet VPS-regime, maar het breder te trekken. Mijn analyse zal meer in het algemeen gericht zijn op de ongelijke fiscale behandeling van enerzijds het geval van dooruitkering en anderzijds het geval van gesplitste uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.11 Deze bredere benadering lijkt mij aangewezen uit oogpunt van voorlichting aan de Hoge Raad. Weliswaar gaat deze zaak over een dooruitkering ingevolge het Boon/Van Loon-regime, maar bij de beslissing door Hoge Raad over de voorliggende rechtsvraag zal in het achterhoofd moeten worden gehouden dat een vergelijkbare discriminatievraag aan de orde is in een geval waarin een dooruitkering plaatsvindt ingevolge het Wet VPS-regime. Ik memoreer bovendien dat de wetgever bij de invoering van de Wet VPS ervan is uitgegaan dat een dooruitkering ingevolge het Wet VPS-regime fiscaal hetzelfde wordt behandeld als een dooruitkering ingevolge het Boon/Van Loon-regime (zie ‎4.21).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.12 Deze bredere benadering geeft bovendien de Staatssecretaris, alsook belanghebbende, de mogelijkheid om eventueel bij de zogenoemde borgersbrief te reageren op de ongelijke behandeling binnen het Wet VPS-regime. In het beroepschrift in cassatie legt de Staatssecretaris immers – op zichzelf niet onbegrijpelijk, nu deze zaak gaat over een Boon/Van Loon-geval – nogal de nadruk op de verschillen tussen het Boon/Van Loon-regime en het Wet VPS-regime (p. 9 en de opsomming op p. 9-10), zodat de vraag rijst wat zijn opvatting is over de ongelijke behandeling van gevallen binnen het Wet VPS-regime.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ongelijke behandeling?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.13 Het Hof onderkent in rov. 5.8 dat de tariefmaatregel als zodanig geen onderscheid maakt tussen belastingplichtigen, maar het constateert dat de maatregel wel tot een verschil in behandeling leidt: “5.8. (…) Wel leidt de tariefmaatregel ertoe dat op belastingplichtigen die onder het regime van het Boon/Van Loon-arrest vallen een hogere belastingdruk komt te rusten dan op belastingplichtigen in overigens gelijke omstandigheden die onder de regeling van de Wet VPS vallen. Dat levert een verschil in behandeling op tussen deze gevallen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14 Hoewel het Hof dat niet met zoveel woorden overweegt, doelt het Hof hier denkelijk op de belastingdruk op de pensioenuitkering die de pensioengerechtigde belastingplichtige per saldo tot zijn beschikking krijgt, dat wil zeggen het deel van de pensioenuitkering dat resteert na uitbetaling van het deel waarop de voormalige echtgenoot recht heeft. Ik noem dat resterende deel hierna ook wel de per-saldo-pensioenuitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.15 In het geval van een gesplitste uitkering onder de Wet VPS ontvangt de pensioengerechtigde belastingplichtige direct alleen de per-saldo-pensioenuitkering, omdat de pensioenuitvoerder het andere deel aan de voormalige echtgenoot uitbetaalt. Fiscaal brengt dit mee dat de belastingplichtige alleen voor die uitkering in de heffing wordt betrokken. In zo’n geval raakt de tariefmaatregel de pensioengerechtigde belastingplichtige in zoverre dus niet. Het deel van de pensioenuitkering dat de pensioenuitvoerder direct aan de voormalige echtgenoot betaalt, is fiscaal non-existent bezien vanuit het fiscale perspectief van de pensioengerechtigde 6.16 In het geval van een dooruitkering, zoals bijvoorbeeld in het archetypegeval van het Boon/Van Loon-regime, ontvangt de pensioengerechtigde belastingplichtige daarentegen eerst de hele uitkering waarvan hij een deel moet uitbetalen aan de voormalige echtgenoot. Fiscaal brengt dit voor de belastingplichtige mee dat enerzijds het volledige bedrag van de uitkering als inkomsten in de heffing wordt betrokken in box 1 en dat anderzijds de dooruitkering in aanmerking wordt genomen als persoonsgebonden aftrekpost. Omdat die aftrekpost in mindering komt op het box 1-inkomen, wordt bezien vanuit de belastinggrondslag feitelijk alleen een bedrag dat overeenkomt met de per-saldo-pensioenuitkering in de heffing betrokken. Indien de tariefmaatregel van toepassing is op de dooruitkering, is door de werking van die maatregel echter meer belasting verschuldigd dan indien alleen de per-saldo-pensioenuitkering als inkomst in de heffing zou zijn betrokken. Indien en voor zover de tariefmaatregel van toepassing is, vindt immers een belastingbijtelling plaats ter zake van de dooruitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.17 Dat in het opzicht van de belastingdruk op de per-saldo-pensioenuitkering sprake is van een ongelijke fiscale behandeling van de twee onderscheiden gevallen, wordt door de Staatssecretaris dus terecht niet bestreden in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.18 Ik wijs er wel op dat het Hof met zijn benadering om de fiscale behandeling te bezien uit het opzicht van de belastingdruk op de per-saldo-pensioenuitkering, in zekere zin impliciet reeds voorsorteert op zijn beantwoording van de vraag vanuit welk perspectief moet worden bepaald of de twee onderscheiden gevallen als gelijk moeten worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intermezzo: ongelijke behandeling op andere terreinen 6.19 In deze zaak leidt de tariefmaatregel ertoe dat het geval van een dooruitkering en het geval van een gesplitste uitkering fiscaal niet gelijk worden behandeld bezien vanuit de belastingdruk op de per-saldo-pensioenuitkering. Ook op andere (para-)fiscale gebieden is het mogelijk dat deze gevallen ‘onder de streep’ niet gelijk worden behandeld. In het kader van het onderzoek voor deze conclusie kwam ik twee voorbeelden tegen, maar ik sluit niet uit dat er meer zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.20 Het eerste voorbeeld is ontleend aan een uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 juni 2021. Deze uitspraak laat zien dat, in het geval van dooruitkering, bij een buitenlands belastingplichtige die niet kan worden aangemerkt als kwalificerend buitenlands belastingplichtige, enerzijds het volledige bedrag van de pensioenuitkering uit Nederland in de heffing wordt betrokken maar anderzijds de dooruitkering niet in aftrek kan komen als persoonsgebonden aftrekpost. De belastingdruk is daarmee hoger dan in het geval van een gesplitste uitkering ingevolge de Wet VPS.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.21 Het tweede voorbeeld is ontleend aan een – in het beroepschrift in cassatie genoemde – uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 19 september 2019 en ziet op de bijdrage voor Zorgverzekeringswet. Deze uitspraak laat zien dat de ‘bijdragedruk’ hoger kan zijn in het geval van dooruitkering dan in het geval van gesplitste uitkering. Dat komt omdat bij de bepaling van het bijdrage-inkomen geen persoonsgebonden aftrekposten in aanmerking worden genomen. Noemenswaardig is trouwens nog dat in deze zaak is geoordeeld dat “[d]iegene waarop het zogeheten Boon-Van Loon-arrest van toepassing is, (…) niet gelijk [is] aan diegene die onder de vigeur van de WVPS zijn gescheiden”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijke gevallen? Een verkenning 6.22 Terug naar de zaak. De vraag of het geval van dooruitkering en het geval van gesplitste uitkering als gelijke gevallen kunnen worden beschouwd, kan vanuit verschillende fiscale perspectieven worden benaderd. Ik behandel deze hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Perspectief van (het doel van) de tariefmaatregel 6.23 Vanuit het perspectief van de tariefmaatregel (en het doel daarvan) zijn het geval van dooruitkering en het geval van gesplitste uitkering niet als gelijke gevallen te beschouwen. De tariefmaatregel ziet naar zijn aard alleen op aftrekposten. In het geval van dooruitkering is een aftrekpost – de dooruitkering – aan de orde. Daarentegen is in het geval van de gesplitste uitkering van een aftrekpost geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.24 De Staatssecretaris betoogt mijns inziens dan ook terecht dat de door het Hof vergeleken gevallen niet aan elkaar gelijk zijn vanuit het perspectief van de tariefmaatregel. Maar het Hof heeft dat ook niet geoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Perspectief van (het doel van) de aftrekpost 6.25 In gevallen waarin de tariefmaatregel van toepassing is op de dooruitkering, brengt de tariefmaatregel met zich dat een dooruitkering in die zin niet meer volledig aftrekbaar is voor de belastingheffing dat zij feitelijk aftrekbaar is tegen een lager tarief dan het tarief waartegen de uitkering wordt belast. Daarmee wordt in zoverre gebroken met het oorspronkelijke uitgangspunt dat de dooruitkering “integraal aftrekbaar” is (zie ‎4.8 en ‎4.16) en dat van “volledige aftrekbaarheid” (zie ‎4.10).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.26 Bezien vanuit het voornoemde oorspronkelijke uitgangspunt van de aftrekpost zijn het geval van dooruitkering en het geval van gesplitste uitkering niet als gelijke gevallen te beschouwen. Bij het geval van de gesplitste uitkering is immers van een aftrekpost geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.27 Nu kan men mij tegenwerpen dat in de wetsgeschiedenis nog wat anders c.q. meer tot uitdrukking is gebracht, namelijk over – kort gezegd – het effectueren van de fiscale claim over de pensioenuitkering met inachtneming van ieders aandeel (zie ‎4.9). Dat is een terechte tegenwerping, maar ik behandel dat aspect niet op deze plaats maar hierna bij een ander perspectief (zie ‎6.31).</p>\n<p class=\"lf-p\">Perspectief van het systeem van de Wet IB 2001 6.28 In het geval van een dooruitkering ontvangt de pensioengerechtigde belastingplichtige de hele uitkering waarvan hij een deel moet doorbetalen aan de voormalige echtgenoot. In het systeem van de Wet IB 2001 is de ontvangen uitkering voor het volledige bedrag een positief bestanddeel van de inkomsten uit werk en woning, en is de dooruitkering aftrekbaar als persoonsgebonden aftrekpost. In het geval van een gesplitste uitkering ontvangt de pensioengerechtigde belastingplichtige daarentegen alleen de per-saldo-pensioenuitkering. In het systeem van de Wet IB 2001 is in dat geval bij de pensioengerechtigde belastingplichtige alleen het bedrag van de per-saldo-pensioenuitkering fiscaal existent. Het deel van de pensioenuitkering dat rechtstreeks aan de voormalige echtgenoot wordt betaald door de pensioenuitvoerder, is fiscaal non-existent bezien vanuit het perspectief van de pensioengerechtigde belastingplichtige.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.29 Bezien vanuit het systeem van de Wet IB 2001 zijn het geval van een dooruitkering en het geval van een gesplitste uitkering dus als uitgangspunt niet als gelijk te beschouwen. De fiscale behandeling van beide gevallen is dan ook als zodanig (in wetsystematisch opzicht) anders. Dit is met zoveel woorden ook tot uitdrukking gebracht in de wetsgeschiedenis van de Wet VPS (zie ‎4.21; “de fiscale gevolgen zijn anders”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Perspectief van heffing over de per-saldo-pensioenuitkering 6.30 Vanuit het perspectief van wat de pensioengerechtigde belastingplichtige per saldo tot zijn beschikking krijgt zijn het geval van een dooruitkering en het geval van een gesplitste uitkering wel als gelijke gevallen te beschouwen. In het geval van de gesplitste uitkering krijgt de belastingplichtige direct alleen de per-saldo-pensioenuitkering uitbetaald, en in het geval van de dooruitkering resteert de per-saldo-pensioenuitkering na de dooruitkering aan de voormalige echtgenoot van een deel van de volledige pensioenuitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.31 Voor het hanteren van het perspectief van de per-saldo-pensioenuitkering is steun te vinden in de wetsgeschiedenis van art. 25(6) Wet IB 1964 betreffende het geval van dooruitkering onder het Boon/Van Loon-regime. Destijds moest een keuze worden gemaakt tussen een vermogensrechtelijke benadering van de dooruitkering (zie ‎4.7) en een verzorgingsrechtelijke benadering van de dooruitkering (zie ‎4.8). Daarbij is de keuze gevallen op die laatste benadering. Op deze plaats is relevant dat de minister die keuze ook ‘juist’ achtte omdat “daarmee wordt bereikt dat de met betrekking tot het te verrekenen vermogensbestanddeel bestaande fiscale claim wordt geëffectueerd bij beide (ex-)echtgenoten en wel met inachtneming van ieders aandeel in dat vermogensbestanddeel” (zie ‎4.9). Dit laatste impliceert dat men destijds voor ogen had dat bij de verrekeningsplichtige pensioengerechtigde de per-saldo-pensioenuitkering in de heffing wordt betrokken. Ik meen dat ervan kan worden uitgegaan dat de regering bij de invoering van de Wet VPS hetzelfde voor ogen had voor het geval van dooruitkering onder de Wet VPS, nu in de wetsgeschiedenis van de Wet VPS is vermeld dat – kort gezegd – dat geval fiscaal gelijk is aan het geval van dooruitkering onder het Boon/Van Loon-regime (zie ‎4.21).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.32 Het behoeft bovendien geen uitgebreid betoog dat ook het draagkrachtbeginsel pleit voor het hanteren van het perspectief van de per-saldo-pensioenuitkering. Vanuit het draagkrachtbeginsel bezien is er geen relevant verschil tussen het geval van een dooruitkering en het geval van een gesplitste uitkering. De dooruitkering betreft immers – om terminologie van Van Kempen te gebruiken (‎5.30) – inkomensverschuiving. Voor zover de pensioenuitkering wordt doorbetaald levert de uitkering geen draagkracht op bij degene die doorbetaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.33 Het komt mij voor dat het Hof in rov. 5.8 in wezen uitkomt op dit perspectief van heffing over de per-saldo-pensioenuitkering, zij het dat het Hof daartoe ook betrekt dat zowel het Boon/Van Loon-arrest als de Wet VPS stoelt op de verzorgingsgedachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Keuze van de wetgever binnen de ruime beoordelingsvrijheid?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.34 Ik meen dat, op zichzelf (geïsoleerd) bezien, er geen goede fiscaal-inhoudelijke reden is voor de toepasselijkheid van de tariefmaatregel op het geval van dooruitkering. Ik vind het betoog van Van Kempen (‎5.30) en van Dusarduijn (‎5.31-‎5.32) overtuigend dat het niet spoort met het draagkrachtbeginsel als de tariefmaatregel zich uitstrekt tot uitgaven met een inkomensverschuivend karakter. Het doorbreken van de interne symmetrie (i.c. verhouding tussen het tarief waartegen de ontvangen pensioenuitkering worden belast en het tarief waartegen de dooruitkering in aftrek komt) weegt daarbij overigens naar mijn mening zwaarder dan de doorbreking van de externe symmetrie (verhouding tussen het tarief waartegen de dooruitkering in aftrek komt bij de pensioengerechtigde en het tarief waartegen de ontvangen dooruitkering wordt belast bij de voormalige echtgenoot).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ander, deels overlappend, zwaarwegend bezwaar is dat toepassing van de tariefmaatregel op het geval van dooruitkering ertoe leidt dat de belastingdruk op de per-saldo-pensioenuitkering zwaarder is dan in het geval van de gesplitste uitkering. In het licht van de fiscale wetshistorie ligt dat niet in de rede. Ook maatschappelijk en economisch bezien is dat niet goed uit te leggen. Maatschappelijk en economisch bezien zijn de gevallen vergelijkbaar; in het geval van dooruitkering fungeert de pensioengerechtigde in wezen slechts als doorgeefluik voor het bedrag van de dooruitkering. Ook bezien vanuit het civiele recht ligt die ongelijke behandeling geenszins in de rede. Het scherpst ligt dat indien zowel het geval van dooruitkering als het geval van de gesplitste uitkering geschieden onder het Wet VPS-regime (vgl. ‎6.8).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zie vanuit het doel en de grondslagen van de Wet VPS geen enkel relevant verschil dat de fiscale ongelijke behandeling zou kunnen verklaren. In beide gevallen is sprake van pensioenverevening. Het enige verschil is het verschil in ‘uitkeringstroom’.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.35 De wetgever heeft niettemin ervoor gekozen om ook de dooruitkering onder het toepassingsbereik van de tariefmaatregel te brengen. Die keuze is weliswaar – voor zover ik heb kunnen nagaan – niet met zoveel woorden aan de orde gekomen in de parlementaire geschiedenis (‎5.15), maar zij is wél gemaakt gelet op de wetgeving die tot stand is gekomen. De tariefmaatregel is immers zonder uitzondering ook van toepassing op de persoonsgebonden aftrek, waarvan de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen onderdeel zijn, tot welke uitgaven onder meer behoren de periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, waaronder de dooruitkering valt (al dan niet op basis van art. 6.7(1)(a) Wet IB 2001; zie ‎4.23-‎4.25).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.36 De vraag is niet of deze keuze van de wetgever een gelukkige is geweest. De vraag is evenmin in hoeverre deze keuze spoort met het oorspronkelijke uitgangspunt dat de dooruitkering integraal aftrekbaar is – het staat de wetgever immers in beginsel vrij om af te wijken van een eerder uitgangspunt. De voorliggende vraag is of de wetgever met de keuze zijn beoordelingsvrijheid heeft overschreden, gegeven dat die keuze – in voorkomende gevallen – ertoe leidt dat de belastingdruk op de per-saldo-pensioenuitkering in het geval van een dooruitkering zwaarder is dan in het geval van een gesplitste uitkering. Aangezien het onderscheid tussen deze twee gevallen niet gelegen is in een aangeboren kenmerk van een persoon (maar in het verschil in uitkeringstroom), is de bedoelde beoordelingsvrijheid van de wetgever ruim. De keuze van de wetgever moet worden geëerbiedigd tenzij zij evident van redelijke grond ontbloot is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.37 Bij de beoordeling of de wetgever met de genoemde keuze binnen de ruime beoordelingsvrijheid is gebleven, moet naar ik meen in aanmerking worden genomen dat die keuze een onderdeel is van de meer algemene keuze om de tariefmaatregel uit te breiden naar andere aftrekposten dan aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning. Die algemene keuze is gemaakt om de verlaging van belasting op inkomen in box 1 mogelijk te maken (zie ‎5.8-‎5.9). Hoezeer ook kritiek mogelijk is op die algemene keuze (zie bijv. de in ‎5.28 vermelde kritiek), een dergelijke fiscale beleidskeuze valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever. Binnen die ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever vallen als uitgangspunt evenzeer de beleidskeuzes die betrekking hebben op de afbakening van de groep aftrekposten die onder de uitbreiding van de tariefmaatregel vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.38 Een van de gemaakte beleidskeuzes is dat ook de persoonsgebonden aftrek onder die groep aftrekposten is gebracht. Tijdens de parlementaire behandeling is in het bijzonder aandacht geweest voor de toepassing van de tariefmaatregel op uitgaven voor onderhoudsverplichtingen, met name (partner)alimentatie (zie ‎5.20-‎5.25). Hoezeer ik het ook een manco vind dat daarbij nauwelijks aandacht is geweest voor de ‘interne symmetrie’, het is onder ogen gezien dat deze uitgaven in die zin een bijzondere soort persoonsgebonden aftrekpost zijn dat zij resulteren in “een daadwerkelijk lager inkomen” (zie ‎5.23). De gemaakte keuze van de wetgever om desondanks ook uitgaven voor onderhoudsverplichtingen onder het toepassingsbereik van de tariefmaatregel te brengen c.q. niet te voorzien in een uitzondering daarvoor bij de toepassing van de maatregel op de persoonsgebonden aftrek, valt naar mijn mening binnen de ruime beoordelingsvrijheid, hoe (draagkracht)beginselloos die keuze ook is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.39 Binnen de wettelijke categorie van uitgaven voor onderhoudsverplichtingen vormt de dooruitkering naar mijn mening een bijzonder geval. En daarmee doel ik niet eens op het feit dat voor de dooruitkering is voorzien in een specifieke wettelijke bepaling (art. 6.7(1)(a) Wet IB 2001; zie ‎4.23), althans voor een dooruitkering ingevolge het Boon/Van Loon-regime (vgl. ‎4.25). Ik doel er ten eerste op dat de band met het inkomen nog sterker is dan bij partneralimentatie. Weliswaar zal partneralimentatie doorgaans uit het inkomen worden betaald en zal bij de vaststelling van de hoogte ervan rekening zijn gehouden met de hoogte van het inkomen, maar zij ziet niet specifiek op een bepaald inkomensbestanddeel. Bij de dooruitkering is dat laatste wel het geval: zij is onlosmakelijk verbonden met de ontvangen pensioenuitkering. Vanuit het draagkrachtbeginsel bezien is een asymmetrische behandeling van het inkomen en de aftrekpost dus bij de dooruitkering nóg problematischer dan bij alimentatie. Ik doel ten tweede op de bijzonderheid dat het geval van dooruitkering een evenknie heeft in het geval van gesplitste uitkering. Vanuit het perspectief van de per-saldo-pensioenuitkering (en het draagkrachtbeginsel) zijn dat gelijke gevallen. Vanuit dat perspectief zouden de gevallen zoveel mogelijk fiscaal gelijk moeten worden behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.40 De wetgever heeft evenwel niet de keuze gemaakt om de dooruitkering uit te zonderen van het toepassingsbereik van de tariefmaatregel. Die keuze is als gezegd (‎6.35) – voor zover ik heb kunnen nagaan – niet gemotiveerd. Het enige waarop kan worden afgegaan is het resultaat van het wetgevingsproces, en dat is dat de wetgever ervoor gekozen heeft om de dooruitkering voor de toepassing van de tariefmaatregel net zo te behandelen als andere uitgaven voor onderhoudsverplichtingen. Anders gezegd: de wetgever heeft voor de toepassing van de tariefmaatregel het geval van dooruitkering en het geval van partneralimentatie als vergelijkbare gevallen beschouwd. Die beoordeling is naar mijn mening niet van redelijke grond ontbloot, gelet op (i) de omstandigheid dat de dooruitkering en de partneralimentatie beide gemeen hebben dat zij een inkomensverschuivend karakter hebben en (ii) de wetshistorie waaruit volgt dat voor de fiscale behandeling van de dooruitkering aansluiting is gezocht bij de fiscale behandeling van (partner)alimentatie (zie ‎4.8-‎4.10; vgl. ook ‎4.19). Dat die beoordeling als keerzijde heeft dat de belastingdruk over de per-saldo-pensioenuitkering in het geval van dooruitkering hoger kan worden dan in het geval van gesplitste uitkering, neemt de aanwezigheid van een redelijke grond niet weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.41 Vanuit een andere invalshoek benaderd: bij uitbreiding van de tariefmaatregel tot (onder meer) de persoonsgebonden aftrek stond de wetgever in wezen met betrekking tot het geval van dooruitkering voor de keuze tussen (a) dat geval net zo te behandelen als partneralimentatie of (b) dat geval uit te zonderen teneinde het fiscaal zoveel mogelijk gelijk te behandelen met het geval van gesplitste uitkering. De klaarblijkelijk gemaakte keuze voor (a) is niet van redelijke grond ontbloot, gelet op de zojuist genoemde redenen (i) en (ii).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.42 In termen van de in ‎6.22 e.v. verkende perspectieven komt het voorgaande erop neer dat het geval van dooruitkering en het geval van gesplitste uitkering niet als gelijke gevallen zijn te beschouwen vanuit perspectief van (het doel van) de tariefmaatregel alsmede het perspectief van het systeem van de wet. Het verschil in ‘uitkeringstroom’ tussen beide gevallen is een feitelijk en (fiscaal-)rechtens relevant verschil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie 6.43 Ik meen dat de door de wetgever gemaakte keuze om de tariefmaatregel ook te laten uitstrekken tot de dooruitkering valt binnen de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid en dat het discriminatieverbod daarom niet is geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.44 Dat is een conclusie waartoe ik met een zekere tegenzin kom, gelet op (i) het (draagkracht)beginselloze karakter van de tariefmaatregel voor zover deze ziet op inkomensverschuivende aftrekposten, (ii) de beperkte aandacht tijdens de parlementaire behandeling voor de door tariefmaatregel veroorzaakte doorbreking van de interne symmetrische behandeling van enerzijds inkomen en anderzijds uitgaven voor onderhoudsverplichtingen, (iii) de afwezigheid van enige aandacht tijdens de parlementaire behandeling voor het door de tariefmaatregel veroorzaakte verschil in belastingdruk op de per-saldo-pensioenuitkering tussen het geval van dooruitkering en het geval van gesplitste uitkering, en (iv) de omstandigheid dat het bij dat verschil in belastingdruk geenszins om geringe bedragen hoeft te gaan (vgl. ook Hof, rov. 5.12).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat indien anders?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.45 In het – niet eens onverhoopte (vgl. ‎6.34 en ‎6.44) – geval dat de Hoge Raad tot een ander oordeel komt, namelijk het oordeel dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de tariefmaatregel leidt tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, is de vervolgvraag of voor het verschil in behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.46 Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Daartegen komt de Staatssecretaris niet op. Kennelijk is die rechtvaardiging er ook in de ogen van de Staatssecretaris niet. Ik zie geen aanknopingspunten om het beter te weten dan de Staatssecretaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.47 De Staatssecretaris komt wél op tegen het verlenen van rechtsherstel door het Hof. De toelichting in het beroepschrift in cassatie (p. 12) stelt me echter op dit punt voor een raadsel. De Staatssecretaris schetst het rechtskader voor het verlenen van rechtsherstel aan de hand van jurisprudentie van de Hoge Raad, maar wat betreft de betekenis voor dat rechtskader voor dit geval, brengt de Staatssecretaris niet meer naar voren dan: “De onderhavige keuze die het Hof heeft gemaakt, laat zich niet duidelijk afleiden uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen of de wetsgeschiedenis”. Wáárom die keuze zich niet duidelijk laat afleiden uit de genoemde gezichtspunten, wordt in het geheel niet toegelicht. Dat is te meer opmerkelijk omdat het Hof wél heeft gemotiveerd waarom rechtsherstel kan worden geboden (daarbij uitgaande van hetzelfde rechtskader als de Staatssecretaris).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.48 Wat er verder van zij, uitgaande van de juistheid van de benadering van het Hof wat betreft de vraag of sprake is van gelijke gevallen, ben ik het met het Hof eens dat rechtsherstel kan worden geboden door de tariefmaatregel buiten toepassing te laten. Die oplossing laat zich voldoende duidelijk uit de hiervoor genoemde gezichtspunten afleiden. Daarbij is ook van belang dat het alternatief om de ongelijke behandeling op te heffen aan de andere kant, i.e. aan de kant van de gevallen van gesplitste uitkering, juist niet in de rede ligt. Verhoging van de belastingdruk bij de pensioengerechtigde belastingplichtige in de gevallen van gesplitste uitkering met een percentage over het deel van de pensioenuitkering dat die belastingplichtige in het geheel niet ontvangt, spoort immers juist evident niet met het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen of de wetsgeschiedenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Beoordeling van het middel 7.1 De beschouwing hiervoor heeft een sterk discursief karakter. Dat draagt hopelijk bij aan de inzichtelijkheid van de analyse en gedachtegang, maar het maakt ook dat de beschouwing niet direct bruikbaar is voor de concrete beoordeling van het middel. Ik reik daarom een mogelijke lijn van redeneren aan voor die beoordeling, uitgaande van de uitkomst van mijn analyse.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2 Het Hof heeft geoordeeld dat de tariefmaatregel ertoe leidt dat op belastingplichtigen die onder het regime van het Boon/Van Loon-arrest vallen een hogere belastingdruk komt te rusten dan op belastingplichtigen in overigens gelijke omstandigheden die onder de regeling van de Wet VPS vallen. Het Hof heeft vervolgens de vraag of deze gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, (kennelijk) bevestigend beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 De gevallen die het Hof heeft vergeleken zijn – gelet op rov. 5.1.1 en 5.1.2 van zijn uitspraak – enerzijds het geval waarin de belastingplichtige een deel van de door hem ontvangen pensioenuitkering heeft doorbetaald aan de ex-echtgenoot in verband met de verrekening van pensioenrechten onder het Boon/Van Loon-regime en anderzijds het geval waarin de belastingplichtige van de pensioenuitvoerder alleen het deel van zijn pensioenuitkering ontvangt dat resteert na aftrek van het deel waarop de ex-echtgenoot in het kader van pensioenverevening een recht op uitbetaling heeft jegens de pensioenuitvoerder op grond van art. 2(2) Wet VPS.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 De fiscale behandeling van beide gevallen voor de Wet IB 2001 verschilt in die zin van elkaar dat in het eerste geval enerzijds het volledige bedrag van de pensioenuitkering als inkomsten in aanmerking wordt genomen en anderzijds het doorbetaalde bedrag van die uitkering een persoonsgebonden aftrekpost is, terwijl in het tweede geval alleen het resterende bedrag van de pensioenuitkering als inkomsten in aanmerking wordt genomen. Dat de fiscale gevolgen voor de inkomstenbelasting anders zijn, is onderkend bij de totstandkoming van de Wet VPS (zie ‎4.21).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5 De feitelijke verschillen tussen beide gevallen zijn dus in het systeem van de Wet IB 2001 ook rechtens relevante verschillen. De gevallen zijn daarom als uitgangspunt niet als gelijke gevallen te beschouwen. Dat is niet anders in het kader van de tariefmaatregel. Immers, de tariefmaatregel heeft betrekking op aftrekposten en alleen in het eerste geval is sprake van een aftrekpost.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6 Dit een en ander neemt niet weg dat de wetgever ervoor had kunnen kiezen om in het kader van de uitbreiding van de tariefmaatregel de twee gevallen wel als gelijke gevallen te beoordelen door art. 6.7(1)(a) Wet IB 2001 buiten de uitbreiding te houden teneinde te bewerkstelligen dat de tariefmaatregel niet leidt tot een verschil in belastingdruk tussen beide gevallen. De wetgever heeft klaarblijkelijk die keuze niet gemaakt. Klaarblijkelijk heeft de wetgever in het kader van de uitbreiding van de tariefmaatregel uitkeringen als bedoeld in art. 6.7(1)(a) Wet IB 2001 niet anders willen behandelen dan (andere) periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in art. 6.3(1)(a) Wet IB 2001. Daarmee heeft de wetgever uitkeringen als bedoeld in art. 6.7(1)(a) Wet IB 2001 en periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in art. 6.3(1)(a) Wet IB 2001 niet alleen voor de persoonsgebonden aftrek maar (ook) in het kader van de uitbreiding van de tariefmaatregel als vergelijkbare gevallen beoordeeld. Gelet op de gelijksoortige aard van de uitkeringen en op de wetshistorische oorsprong van art. 6.7(1)(a) Wet IB 2001 (zie ‎4.7-‎4.9), valt die beoordeling binnen de ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever toekomt. Dat geldt ook voor de daarmee inherent samenhangende beoordeling van de wetgever om de twee door het Hof onderscheiden gevallen niet als gelijke gevallen te beschouwen in het kader van de uitbreiding van de tariefmaatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7 Het middel slaagt daarom. Het beroep op schending van het discriminatieverbod faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Conclusie Ik geef de Hoge Raad in overweging om het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond te verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Dit laatste is niet met zoveel woorden vastgesteld door het Hof, maar ligt wel in de uitspraak besloten en is overigens ook niet in geschil tussen partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Den Haag 31 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8822, NTFR 2024/1205, met noot Ten Broek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 13 mei 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:861, NTFR 2025/1251 met noot Swaving Dijkstra, AB 2025/269 met noot De Wit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze klacht over onbegrijpelijkheid moet naar mij voorkomt niet worden opgevat als onbegrijpelijk in cassatie-technische zin, maar als onbegrijpelijk in rechtskundig-argumentatieve zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van het inlezen over deze materie heb ik (delen) geraadpleegd van de volgende literatuur: A.H.H. Bollen-Vandenboorn, De fiscale aspecten van pensioendeling bij echtscheiding, Amersfoort: Sdu Fiscale en Financiele Uitgevers 2004; P.M. Siegman, Pensioen en scheiding, Den Haag: Sdu Uitgever 2012; J.A.M.P. Keijser, Handleiding bij scheiding, Deventer: Kluwer 2013, hoofdstuk 9; A.R de Bruijn e.a. Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, hoofdstuk VIII; Van Mourik, Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek Scheiding Deel B, 2020/5.5; C.A. Kraan en S.H. Heijning, Handboek huwelijksvermogensrecht, Den Haag: Boom juridisch 2022, hoofdstuk 24, Asser/Kolkman &amp; Salomons 1-II 2023/280, 296 en 628-630 en A.H.H. Bollen-Vandenboorn, in: Pensioen en de belangrijkste toekomstvoorzieningen, Den Haag: Lefebvre Sdu B.V. 2026, hoofdstuk 8. In al deze werken zijn weer vele literatuurverwijzingen naar andere boeken of artikelen te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4271, NJ 1982/503 (Boon/Van Loon).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 oktober 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY0928, BNB 1959/355.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. J.A.M.P. Keijser, Handleiding bij scheiding, Deventer: Kluwer 2013, par. 9.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. J.A.M.P. Keijser, Handleiding bij scheiding, Deventer: Kluwer 2013, par. 9.3 en A.R de Bruijn e.a. Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. VIII.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A.H.H. Bollen-Vandenboorn, De fiscale aspecten van pensioendeling bij echtscheiding, Amersfoort: Sdu Fiscale en Financiele Uitgevers 2004, par. 2.3.1.3.4 en 2.3.1.3.5, en Asser/Kolkman &amp; Salomons 1-II 2023/280.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 28 april 1994, Stb. 1994, 342. Inwerkingtreding geregeld bij Koninklijk Besluit van 9 augustus 1994, Stb. 1994, 615.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in deze zin bijv. A.R de Bruijn e.a. Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. VIII.2 en Asser/Kolkman &amp; Salomons 1-II 2023/628.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 28 april 1994, Stb. 1994, 342, art. I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 28 april 1994, Stb. 1994, 342, art. II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. Asser/Kolkman &amp; Salomons 1-II 2023/628.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, p. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Mourik, Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek Scheiding Deel B, 2020/5.5.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, p. 23, waarin ook wordt gesproken over ‘rechtstreeks vorderingsrecht’; zie ook Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, p. 9-10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991/92, 21 893, nr. 5, p. 25. Zie ook Handelingen II 1992/93, 21 893, nr. 73 (1 juni 1993), p. 5301: “het belangrijkste aspect”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. P.M. Siegman, Pensioen en scheiding, Den Haag: Sdu Uitgever 2012, par. 7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook bijv. A.R de Bruijn e.a. Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. VIII.9 en Van Mourik, Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek Scheiding Deel B, 2020/5.5.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. P.M. Siegman, Pensioen en scheiding, Den Haag: Sdu Uitgever 2012, par. 8.2, Van Mourik, Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek Scheiding Deel B, 2020/5.5.6.1, en Asser/Kolkman &amp; Salomons 1-II 2023/630.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij invoering van de Wet VPS was een bepaling met een gelijke strekking reeds opgenomen in het zevende lid. Bij de Wet van 13 december 2000 tot regeling van het conflictenrecht met betrekking tot verevening pensioenrechten bij scheiding, Stb. 2001, 12, art. II(3), is de tekst van het huidige achtste lid tot stand gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover bijv. Asser/Vonken &amp; Ibili 10-II 2025/413-415.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, p. 27-28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de diverse voor- en nadelen van conversie bijv. P.M. Siegman, Pensioen en scheiding, Den Haag: Sdu Uitgever 2012, par. 10.5, J.A.M.P. Keijser, Handleiding bij scheiding, Deventer: Kluwer 2013, par. 9.2, A.R de Bruijn e.a. Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. VIII.10, en Van Mourik, Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek Scheiding Deel B, 2020/5.5.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kritisch over deze overgangsregeling bijv. Asser/Kolkman &amp; Salomons 1-II 2023/631.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, p. 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991/92, 21 893, nr. 5, p. 25: “De voorgestelde regeling van pensioenverevening is van regelend recht. Partijen kunnen de toepasselijkheid van de regeling uitsluiten (art. 2). De jurisprudentiële regeling van pensioenverevening is dan van toepassing, tenzij partijen ook die hebben uitgesloten (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A.R de Bruijn e.a. Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. VIII.11, Van Mourik, Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek Scheiding Deel B, 2020/5.5.10.1, en Asser/Kolkman &amp; Salomons 1-II 2023/296, alle met meer literatuurverwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Van Mourik, Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek Scheiding Deel B, 2020/5.5.10.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, p. 6. In Handelingen II 1992/93, 21 893, nr. 74 (2 juni 1993), p. 5352 wordt gesproken over ‘stroomlijning (…) van het pensioenarrest’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 1992/93, 21 893, nr. 73 (1 juni 1993), p. 5301.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook bijv. A.R de Bruijn e.a. Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. VIII.7, die opmerken dat deze in het Boon/Van Loon-arrest neergelegde gedachte ook de ratio vormt van de Wet VPS. Vgl. ook HR 5 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9113, NJ 2002/366, rov. 3.2.3, waarin is overwogen dat aan pensioenverevening op grond van de Wet VPS “de verzorgingsplicht van de echtgenoten jegens elkaar” ten grondslag ligt. Zie over de strekking van de Wet VPS ook HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2619, NJ 2005/528, rov. 3.5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.M. Siegman, Pensioen en scheiding, Den Haag: Sdu Uitgever 2012, p. 29. Zie een weergave van de verschillen ook bijv. Van Mourik, Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek Scheiding Deel B, 2020/5.5.2 en Asser/Kolkman &amp; Salomons 1-II 2023/628.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 287, nr. 3, p. 3-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 287, nr. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019/20, 35 287, nr. 12, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 287, nr. 3, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 287, nr. 3, p. 7-8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie www.tweedekamer.nl/kamerstukken/wetsvoorstellen/detail?cfg=wetsvoorsteldetails&amp;qry=wetsvoorstel%3A35287.</p>\n<p class=\"lf-p\">De datum 1 januari 2028 wordt genoemd in de relatief recente bijdrage van G.J.B. Dietvorst e.a., Pensioen en scheiding: goed geregeld?! Verknocht of niet: delen zullen we, in: N.C.G. Gubbels e.a. (red.), Van Vijfeijkenbundel. Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 19.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een uitgebreide analyse daarover A.H.H. Bollen-Vandenboorn, in: Pensioen en de belangrijkste toekomstvoorzieningen, Den Haag: Lefebvre Sdu B.V. 2026, par. 8.3.3 en 8.7.3. Zie ook G.M.C.M. Staats in: I.J.F.A. van Vijfeijken e.a., Inkomstenbelasting en de gevolgen van (echt)scheiding, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012, par 10.4, B.G.J. Schuurman, Pensioen in de loonsfeer, Deventer: Wolters Kluwer 2019, par. 4.5 en G.M.C.M. Staats: in Compendium Echtscheiding, Den Haag: Sdu 2023, par. 13.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook bijv. Ch. J. Langereis, De fiscaalrechtelijke aspecten van pensioenverrekening bij echtscheiding, WFR 1982/236, par. 3: “De constatering dat de pensioenverrekening van huwelijksvermogensrechtelijke aard is betekent onder meer dat periodieke uitkeringen ter zake van pensioenverrekening (…) niet rechtstreeks voortvloeien uit het familierecht, maar een vermogensrechtelijk karakter dragen. Dat wil zeggen dat de uitkering bij de genieter tot een heffing ex. art. 25, lid 1, letter g, leidt en bij de verstrekker tot een aftrek ex. art. 45, lid 1, letter b, Wet IB '64.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 45(1)(b) Wet IB 1964 luidde in 1983 als volgt: “Persoonlijke verplichtingen zijn (…) termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen als zijn bedoeld in de artikelen (…) 30 (…)” (tekst afkomstig uit de door Kluwer uitgegeven pocket ‘Belastingwetten’ voor het jaar 1983).</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 3(3)(b) Wet IB 1964 luidde in 1983 “Inkomen is het onzuivere inkomen (…) verminderd met persoonlijke verplichtingen (…)” (tekst afkomstig uit de door Kluwer uitgegeven pocket ‘Belastingwetten’ voor het jaar 1983).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 30 december 1983, Stb. 1983, 689, art. I(A.2); inwerkingtreding geregeld in art. III.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1980/81, 16 787, nrs. 1 en 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1980/1981, 16 787, nr. 3, p. 6 en 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1980/1981, 16 787, nr. 3, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1980/1981, 16 787, nr. 3, p. 11-12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1981/82, 16 787, nr. 6, p. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1981/82, 16 787, nr. 6, p. 23. Zie over die vraag ook Ch. J. Langereis, De fiscaalrechtelijke aspecten van pensioenverrekening bij echtscheiding, WFR 1982/236, par. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1981/82, 16 787, nr. 6, p. 23-24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1981/82, 16 787, nr. 6, p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1981/82, 16 787, nr. 7, p. 1-2. Bij de tweede nota van wijziging is de voorgestelde tekst van art. 25(6)(a) Wet IB 1964 nog om een redactionele reden gewijzigd; zie Kamerstukken II 1983/84, 16 787, nr. 12, p. 1 en 4. Zie voor de integrale tekst van het wetsvoorstel na deze wijzigingen Kamerstukken II 1983/84, 16 787, nr. 13. Het herziene wetsontwerp is in de literatuur besproken door onder meer Ch.J. Langereis, Periodieke uitkeringen in revisie, WFR 1982/999.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1981/82, 16 787, nr. 6, p. 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1981/82, 16 787, nr. 7, p. 4. Ik merk overigens op dat deze p. 4 niet digitaal raadpleegbaar is via www.officielebekendmakingen.nl omdat in de desbetreffende pdf van het kamerstuk de opgenomen p. 3-4 van kamerstuk nr. 5 zijn. Ik heb p. 3-4 van kamerstuk nr. 7 daarom op papier geraadpleegd in de onvolprezen bibliotheek van de Hoge Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Kamerstukken II 1981/82, 16 787, nr. 11, p. 10 en 25 (D66-fractie) en p. 24 (CDA-fractie) en Handelingen II 1983/84, 6 december 1983, p. 1732 en 1742.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 12 december 1991, Stb. 1991, 697, art. I(F). De in die wet in art. IX geregelde datum van inwerkingtreding is gewijzigd naar 1 januari 1992 bij wet van 12 december 1992, Stb. 1991, 698, art. I(G).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de oorspronkelijke tekst van het wetsvoorstel zoals voorgelegd aan de Raad van State waren de bepalingen van art. 26b nog opgenomen in art. 28 (Kamerstukken II 1988/89, 21 198, nr. A, p. 2), maar dat is in het uiteindelijk ingediende wetsvoorstel gewijzigd naar het aanleiding van het advies van de Raad van State (zie Kamerstukken II 1988/89, 21 198, nr. B, p. 22 en Kamerstukken II 1988/89, 21 198, nr. 2, p. 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, nr. 21 198, nr. 3, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 1988/89, 21 198, nr. 2, p. 5 voor de tekst in het wetsvoorstel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, nr. 21 198, nr. 3, p. 62-63. Zie ook Kamerstukken II 1988/89, 21 198, nr. B, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, nr. 21 198, nr. 3, p. 51.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, nr. 21 198, nr. 3, p. 64.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, nr. 21 198, nr. 3, p. 64.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 17 december 1998, Stb. 1998, 727, art. I; zie art. II voor de inwerkingtreding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, onderdeel 7 van het algemeen deel (p. 17-18). Zie daarover ook bijv. K. Teich, Verevening pensioenrechten bij scheiding, Deventer: Uitgeverij FED 1995, par. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, p. 17-18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 11 mei 2000, Stb. 2000, 215. De tekst van art. 6.7 Wet IB 2001 is sinds de invoering niet aangepast; zie het wijzigingenoverzicht op wetten.overheid.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nrs. 1-2, p. 91.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opschrift is wel gewijzigd. In het wetsvoorstel luidde dat “Uitbreiding betaalde familierechtelijke uitkeringen”. Bij nota van wijziging is dat gewijzigd tot “Uitbreiding familierechtelijke uitkeringen”, (Kamerstukken II 1999/00, 25 727, nr. 18, art. XC, p. 17 en 43).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 252.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. B.G.J. Schuurman, Pensioen in de loonsfeer, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 349 en J.A.M.P. Keijser, Handleiding bij scheiding, Deventer: Kluwer 2013, par. 9.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.H.H. Bollen-Vandenboorn, in: Pensioen en de belangrijkste toekomstvoorzieningen, Den Haag: Lefebvre Sdu B.V. 2026, p. 457-458. Ook G.M.C.M. Staats in: I.J.F.A. van Vijfeijken e.a., Inkomstenbelasting en de gevolgen van (echt)scheiding, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012, par. 10.4.3 noemt art. 6.3(1)(a) Wet IB 2001 als grond voor aftrek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 18 december 2013, Stb. 2013, 583, art. 3.2(A); inwerkingtreding volgt uit art. 8.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeerakkoord 2012 (VVD en PvdA), Bruggen slaan, 29 oktober 2012, p. 32 en 75 (te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2012/10/29/regeerakkoord).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013/14, 35 756, nr. 3, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013/14, 35 756, nr. 3, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 19 december 2018, Stb. 2018, 504, art. II(A)(2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit volgt uit de aanhef van art. II van de Wet van 19 december 2018, Stb. 2018, 504; zie ook art. XLIV(1)(d).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de tabel in Kamerstukken II 2018/19, 35 026, nr. 3, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2018/19, 35 026, nr. 3, p. 9 voor het afbouwtraject. Het hoogste tarief van art. 2.10 Wet IB 2001 bedroeg in 2020 en in 2021 49,5%. Daarmee spoort de verhoging van het verhogingspercentage van 3,5% (49,5 – 3,5 = 46) in 2020 naar 6,5 % in 2021 (49,5 – 6,5 = 43).</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeerakkoord 2017-2021 (VVD, CDA, D66 en ChristenUnie), ‘Vertrouwen in de toekomst’, 10 oktober 2017, p. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor deze nota Kamerstukken II 2017/18, 34 775, nr. 54.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2017/18, 34 775, nr. 79, p. 4-5, met op p. 5 tevens een overzicht met een uitsplitsing van het budgettaire belang van de tariefmaatregel per aftrekpost. Zie ook Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 25, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 026, nr. 3, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 026, nr. 3, p. 8-9. Zie ook bijv. Kamerstukken II 2018/19, 35 026, nr. 13, p. 31 en 32, alsmede Kamerstukken II 2018/19, 35 026, nr. 4, p. 10, waarin overigens nog wordt opgemerkt dat het van toepassing worden van de tariefmaatregel op de MKB-winstvrijstelling en zelfstandigenaftrek tevens een (bescheiden) bijdrage levert aan het verkleinen van de fiscale verschillen tussen de ondernemer en de werknemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 026, nr. 29, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2018/19, 35 026, D, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 026, nr. 3, p. 8-9. Het artikelsgewijze deel van de memorie van toelichting (p. 33) biedt geen extra toelichting over de tariefmaatregel: verwezen wordt naar het algemeen deel van de memorie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19,35 026, nr. 13, p. 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2018/19, 35026, D, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19,35 026, nr. 13, p. 31-32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Commentaar van de Commissie Wetsvoorstellen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs op het Pakket Belastingplan 2019 en wetsvoorstel implementatie ATAD 1, Bijlage II, p. 1, te vinden via https://www.nob.net/publicaties/nob-commentaar-op-het-pakket-belastingplan-2019-en-wetsvoorstel-implementatie-atad-1/.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het valt op dat de Afdeling advisering van de Raad van State in haar wetgevjngsadvies alleen op de tariefmaatregel ingaat in verband met de toepassing ervan op de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling (zie Kamerstukken II 2018/19, 35 026, nr. 4, p. 8 en 9-10), en dus niet meer in het algemeen op die maatregel en evenmin in verband met de toepassing op andere grondslagverminderende posten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35026, nr. 13, p. 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35026, nr. 13, p. 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019/20, 35 302, nr. 20, p. 58-59.</p>\n<p class=\"lf-p\">Commentaar van de Commissie Wetsvoorstellen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs op het Pakket Belastingplan 2019 en wetsvoorstel implementatie ATAD 1, Bijlage II, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35026, nr. 13, p. 34-35. Vgl. Handelingen II 2018/19, 35 026, nr. 23, item 10, p. 19-20, naar aanleiding van een debatbijdrage van Kamerlid Omtzigt (CDA), (Kamerstukken II 2018/19, 35 026, nr. 22, item 31, p. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 026, nr. 10, p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35026, nr. 13, p. 35. Een nagenoeg hetzelfde antwoord op vragen van Kamerlid Omtzigt (zie Kamerstukken II, 2018/19, 35 026, nr. 57, p. 39) is gegeven in Kamerstukken II 2018/19, 35 026, nr. 29, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35026, nr. 13, p. 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2018/19, 35026, D, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Kamerstukken II 2018/19, 35026, nr. 13, p. 35-36. Zie daarover ook Kamerstukken II 2018/19, 35 000 IX, nr. 19, p. 1-2 en Kamerstukken II 2019/20, 35302, nr. 20, p. 57-59.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.W.D. Wijtvliet, Reflecties in een fiscaal-economisch oog: enkele bespiegelingen over het Belastingplan 2019, FED 2018/157, par. 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2018/52.3, punt 5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2017/62.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.G.M. Stevens, Behoefte aan fiscale rechtsbescherming zal alleen maar groter worden, WFR 2018/236, par. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.J.W. Heithuis, Belastingpakket 2019: maatregelen voor het mkb c.a., WFR 2018/184.</p>\n<p class=\"lf-p\">Thil van Kempen, Uitvergroot: Geen tariefcorrectie voor inkomensvormende aftrekposten, V-N 2017/57.0.</p>\n<p class=\"lf-p\">Thil van Kempen, Uitvergroot: Geen tariefcorrectie voor inkomensvormende aftrekposten, V-N 2017/57.0. Instemmend S.M.H. Dusarduijn, in: Cursus Belastingrecht IB.2.3.2.B.a en Cursus Belastingrecht IB.6.1.3.C.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.M.H. Dusarduijn in Cursus Belastingrecht IB.2.3.2.B.a (actueel t/m 08-10-2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">S.M.H. Dusarduijn in Cursus Belastingrecht IB.6.1.3.C (actueel t/m 10-03-2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 13 mei 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:861, NTFR 2025/1251 met noot Swaving Dijkstra, AB 2025/269 met noot De Wit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. recent HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:416, BNB 2025/112, rov. 4.3.2. Zie uitgebreider – met vele verwijzingen naar rechtspraak van het EHRM – bijv. HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1212, BNB 2014/31, rov. 3.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift in cassatie, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof (rov. 5.8) maakt een vergelijking tussen “belastingplichtigen die onder het regime van het Boon/Van Loon-arrest vallen” en “belastingplichtigen in overigens gelijke omstandigheden die onder de regeling van de Wet VPS vallen”. Gelet op het verschil in berekening is het nog maar de vraag of een geval van ‘overigens gelijke omstandigheden’ zich wel zal voordoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.B. Dietvorst e.a., Pensioen en scheiding: goed geregeld?! Verknocht of niet: delen zullen we, in: N.C.G. Gubbels e.a. (red.), Van Vijfeijkenbundel. Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 19.3.1 wijzen op de nadelige gevolgen van het geval van dooruitkering “voor de hoogte van inkomensafhankelijke regelingen (…) zoals de zorg- en huurtoeslag”. Dat doorgrond ik niet goed, omdat voor die regelingen het zogenoemde toetsingsinkomen (art. 7 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; AWIR) leidend is, welk inkomen als uitgangspunt het verzamelinkomen is als bedoeld in art. 2.18 Wet IB 2001 (art. 8(1) jo art. 2(1)(o) AWIR jo 21(e) jo 21(c) AWR), waarvan ook de persoonsgebonden aftrek onderdeel is. Verder wijst A.H.H. Bollen-Vandenboorn, in: Pensioen en de belangrijkste toekomstvoorzieningen, Den Haag: Lefebvre Sdu B.V. 2026, p. 457-458 nog op het verschil dat kan ontstaan indien bij de dooruitkering de persoonsgebonden aftrek niet volledig in mindering kan wordt gebracht op het inkomen uit werk en woning is omdat dit inkomen niet voldoende hoog is; in dat geval wordt het resterende deel in aftrek gebracht op het box 3-inkomen en vervolgens het box 2-inkomen en daarmee tegen een mogelijk lager tarief dan het box 1-tarief waartegen de ontvangen uitkering wordt belast. Dat lijkt me echter een geval dat zich niet vaak zal voordoen bij dooruitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18 juni 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:3022, rov. 2.11-2.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 19 september 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3474.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verschil in behandeling is eerder ook door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bevestigd in een brief van 5 december 2008, opgenomen in Kamerstukken II 2008/09, 31 226, nr. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift in cassatie, p. 11.</p></div>", "next": 0}