{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het Hof van Justitie EU heeft nog geen beslissing gegeven over de vraag of nationaal recht ook mag voorzien in concentratie van geschillen bij één gerecht ex post, dat wil zeggen nadat de desbetreffende vorderingen aanhangig zijn gemaakt bij de op grond van Brussel I-bis internationaal en relatief bevoegde rechter. In de zaak Apple had de rechtbank Amsterdam ook hierover prejudiciële vragen gesteld, voor het geval dat het Hof van Justitie EU zou oordelen dat toepassing van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis ertoe leidt dat niet slechts één maar meerdere relatief bevoegde rechters in Nederland worden aangewezen, of dat een relatief bevoegde rechter in Nederland wordt aangewezen die slechts voor de vorderingen ten behoeve van een deel van de gebruikers bevoegd is, terwijl voor de vorderingen ten behoeve van een ander deel van de gebruikers andere relatief bevoegde rechters in Nederland bevoegd zijn. De rechtbank wenste voor die gevallen te vernemen of art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis zich verzet tegen de toepassing van nationaal procesrecht dat verwijzing naar één gerecht mogelijk maakt. De rechtbank had bij deze vragen art. 220 Rv op het oog.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Campos Sánchez-Bordona heeft in zijn conclusie in deze zaak opgemerkt dat, gelet op de juist hiervoor genoemde vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU, art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis zich niet verzet tegen een Nederlandse regeling waarin is bepaald dat één enkel gerecht kennisneemt van alle collectieve vorderingen tot schadevergoeding die voortvloeien uit inbreuken op het mededingingsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 220 Rv voorziet echter in een concentratie van zaken als de zaken al aanhangig zijn bij verschillende gerechten, dus ex post. De A-G overweegt in dat verband dat een nationale regel die het resultaat van de toepassing van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis corrigeert door procedures die aanhangig zijn bij de krachtens die bepaling bevoegde gerechten ex post te concentreren bij één gerecht, in beginsel geen rekening houdt met het nuttig effect van die bepaling, waaraan het nationale recht geen afbreuk mag doen. Volgens de A-G kan een concentratiebepaling echter toelaatbaar zijn, wanneer zij bijdraagt aan een goede rechtsbedeling, die onder meer (i) de procesinrichting optimaliseert, (ii) tijd en totale kosten bespaart, en (iii) het risico op onsamenhangende of onverenigbare beslissingen vermindert. Het enkele feit dat de parallel lopende procedures betrekking hebben op collectieve vorderingen acht de A-G daarvoor echter onvoldoende. Het is volgens hem aan de nationale rechter om in elk afzonderlijk geval een afweging van genoemde belangen te maken, teneinde te bepalen of het vanuit het oogpunt van een goede rechtsbedeling de beste oplossing is om de procedures te concentreren. Het Hof van Justitie EU is, gelet op zijn hiervoor in 4.6 weergegeven oordeel, niet aan beantwoording van de vragen toegekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.35 Het hof Amsterdam heeft in de al meermalen genoemde kartelschadezaken een vergelijkbare prejudiciële vraag gesteld, namelijk of er bij toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis ruimte bestaat voor verwijzing naar het gerecht van de woonplaats van de verweerder in dezelfde lidstaat. Het hof heeft hierbij specifiek de situatie op het oog dat er geen nauwe band kan worden vastgesteld met de vordering tegen de ankergedaagde, maar wel met een vordering tegen een andere verweerder in dezelfde lidstaat en wenst te vernemen of de zaak zonder de mogelijkheid van verwijzing opnieuw moet worden aangebracht bij het gerecht van de woonplaats van die andere verweerder binnen dezelfde lidstaat (waarna dus verwijzing ex art. 220 Rv zou kunnen volgen). A-G Kokott heeft deze vraag als volgt beantwoord (voetnoten weggelaten): “96. Daarbij aansluitend wenst de verwijzende rechter met vierde vraag, onder c, te vernemen of er bij toepassing van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening ruimte bestaat voor interne verwijzing tussen rechters van de betrokken lidstaat wanneer de aangezochte rechter niet bevoegd is voor de vordering jegens de ankergedaagde.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">97.</span>De Brussel I bis-verordening heeft enkel betrekking op de internationale bevoegdheid en de erkenning van beslissingen, maar niet op de nationale procesregels van de lidstaten. Bijgevolg moet dienaangaande te rade worden gegaan bij de nationale regelgeving die door de aangezochte rechter moet worden toegepast, voor zover de toepassing daarvan geen afbreuk doet aan het nuttig effect van de Unierechtelijke bevoegdheidsregels. Bijgevolg kan een rechter die zich onbevoegd heeft verklaard, gebruikmaken van de door zijn nationale procesrecht geboden mogelijkheid tot verwijzing, voor zover daarmee de effectieve handhaving van de Brussel I bis-verordening niet wordt belemmerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">98.</span>Al met al moet de vierde vraag bijgevolg aldus worden beantwoord dat er bij toepassing van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening slechts één verweerder met woonplaats in het rechtsgebied van de aangezochte rechter ankergedaagde kan zijn, aangezien deze bepaling niet alleen de internationale, maar ook de relatieve bevoegdheid rechtstreeks regelt. Dit staat niet in de weg aan interne verwijzing naar een andere rechter van dezelfde lidstaat, voor zover daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan de effectieve handhaving van deze verordening.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof van Justitie EU heeft, zoals al gezegd, in die zaken nog geen uitspraak gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.36 In samenhang gelezen, kan uit beide conclusies worden afgeleid dat art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis zich niet verzet tegen de concentratie van geschillen bij één gerecht in een lidstaat, mits die concentratie bijdraagt aan een goede rechtsbedeling en geen afbreuk doet aan de effectieve handhaving van de verordening. Aan de eerste eis zal mijn inziens steeds zijn voldaan in collectieve acties op de voet van art. 3:305a BW voor dezelfde gebeurtenis(sen) over dezelfde feitelijke en rechtsvragen. De tweede eis laat zich wat minder vlotjes vervullen, nu de ex post concentratie van geschillen bij een bepaald gerecht tot gevolg heeft dat een of meerdere geschillen worden onttrokken aan de door de verordening als internationaal en relatief bevoegd aangewezen gerechten. De door A-G Campos Sánchez-Bordona verlangde rechtvaardiging daarvoor is, naar ik meen, echter zonder meer aanwezig bij collectieve acties op de voet van art. 3:305a BW voor dezelfde gebeurtenis(sen) over dezelfde feitelijke en rechtsvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid van ex post concentratie op grond van art. 220 Rv lost het probleem echter maar ten dele op. De belangenorganisatie zal nog steeds meerdere collectieve acties aanhangig moeten maken bij verschillende gerechten, met alle tijd, moeite en kosten van dien. Pas daarna kunnen de acties tot één zaak worden samengevoegd door middel van art. 220 Rv. In recente lagere rechtspraak (van na de conclusie van A-G Campos Sánchez-Bordona maar vóór het arrest in de zaak Apple) is in het kader van art. 7 aanhef en onder 2 Brussel I-bis (daarom) wel geoordeeld dat het verweer dat de aangezochte rechter relatief onbevoegd is om van de collectieve vorderingen kennis te nemen, wordt gepasseerd wegens strijd met de goede procesorde en de plicht van de rechter uit hoofde van art. 20 lid 1 Rv om te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure, omdat niet van de eiser kan worden verwacht dat hij procedures verspreid over Nederland aanhangig maakt, terwijl op grond van art. 220 Rv de procedures nadien kunnen worden verwezen naar één rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschrijving van deze route leidt mij wat betreft dan ook eens te meer tot de uitkomst dat de juistheid van het hiervoor in 4.29 genoemde betoog van Mercedes niet kan worden aanvaard en dat bij art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis moeilijk anders kan worden geoordeeld dan in het arrest in de zaak Apple is gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.37 Ook subonderdeel 1.4 valt dus ongegrond te oordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking subonderdelen 1.5-1.7 4.38 Subonderdeel 1.5 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.10 derde alinea dat als vereist voor de toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis in voldoende mate eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, aan de orde is en dat met gezamenlijke behandeling van de vorderingen tegen Mercedes en de ankergedaagde wordt voorkomen dat verschillende rechters ter zake daarvan dezelfde vragen moeten beantwoorden en tegenstrijdige beslissingen (kunnen) geven. Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is, gelet op de (door Mercedes aangedragen) verschillen in feitelijke grondslag, rechtsgrondslag en ingeroepen rechtsgevolg tussen enerzijds de vorderingen tegen Mercedes en anderzijds de vorderingen tegen de Partners, onder wie [eiseres 4] en [D] . Voor zover het hof één of meer van de in rov. 4.7-4.8 beschreven maatstaven – waaronder de regel dat de bevoegdheidsgrond van art. 8 lid 1 Brussel I-bis eng moet worden uitgelegd – heeft miskend, is zijn oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk, aldus het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder klaagt het subonderdeel dat de overweging van het hof in rov. 4.10 derde zin dat de gegrondheid van de vorderingen tegen de ankergedaagde valt of staat met de gegrondheid van het aan Mercedes gemaakte verwijt van het onrechtmatig manipuleren van de voertuigen, onjuist, althans onbegrijpelijk is, omdat als het genoemde verwijt aan Mercedes zou opgaan, daarmee niet is gezegd dat de vorderingen tegen [eiseres 4] en [D] gegrond zouden zijn. Ook als deze overweging juist en begrijpelijk zou zijn, zou zij niet (althans, niet voldoende) aan de zojuist aangevoerde klachten afdoen, aldus het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot voert het subonderdeel aan dat de overweging van het hof in rov. 4.10 vijfde zin dat voor de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen Mercedes en de ankergedaagde gemeenschappelijke feitelijke vragen en rechtsvragen beantwoord moeten worden, niet aan de gegrondheid van de klachten in de weg staat, omdat niet kan worden gezegd dat als gevolg van deze beperkte overlap wel een nauw verband als bedoeld in art. 8 Brussel I-bis zou bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39 In 3.7-3.8 van de genoemde conclusie van A-G Ibili is uiteengezet hoe moet worden vastgesteld of een nauwe band als bedoeld in art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis bestaat tussen de vordering tegen de ankergedaagde en de vordering tegen de in een andere lidstaat gevestigde medegedaagde. Voor de leesbaarheid haal ik de voor de behandeling van het subonderdeel relevante passages aan (met de bijbehorende voetnoten): “3.7 (…) Art. 8 sub 1 Brussel I-bis moet autonoom worden uitgelegd aan de hand van het stelsel en de doelstellingen van de verordening. Aangezien art. 8 sub 1 Brussel I-bis afwijkt van de hoofdregel van rechtsmacht in art. 4 lid 1 Brussel I-bis, moet deze bijzondere bevoegdheidsregel strikt worden uitgelegd. Deze uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in de verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 8 sub 1 Brussel I-bis vereist dat tussen de vorderingen die tegen de verschillende verweerders zijn ingesteld een zodanige samenhang bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 8 sub 1 Brussel I-bis beoogt een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallelle procedures bij de gerechten in verschillende lidstaten zo veel mogelijk te beperken en te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken tegen de verschillende verweerders beslissingen worden gegeven die onverenigbaar met elkaar zijn. Beslissingen kunnen niet reeds onverenigbaar in de zin van art. 8 sub 1 Brussel I-bis worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil (dat wil zeggen: de uitkomst van de procedure). Daartoe is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. Immers, alleen in situaties die feitelijk en rechtens hetzelfde zijn, bestaat het risico dat bij een gefragmenteerde behandeling van nauw met elkaar samenhangende vorderingen door gerechten in verschillende lidstaten beslissingen worden gegeven die onverenigbaar met elkaar zijn. De enkele omstandigheid dat de uitkomst van een procedure in een lidstaat haar weerslag kan hebben op de uitkomst van een procedure in een andere lidstaat, is onvoldoende om de toepassing van art. 8 sub 1 Brussel I-bis te rechtvaardigen. Het artikel vereist niet dat de vorderingen tegen de verschillende verweerders dezelfde rechtsgrondslag hebben, maar dit kan wel een relevante omstandigheid zijn. (…) 3.8 De vraag of is voldaan aan het vereiste van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens zoals bedoeld in (de rechtspraak van het HvJ EU over) art. 8 sub 1 Brussel I-bis, dient te worden beantwoord aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU is het aan de nationale rechter om te beoordelen of de verschillende bij hem ingestelde vorderingen samenhangend zijn en dus of er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat, en om daarbij rekening te houden met alle noodzakelijke elementen van het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.40 Het hof is uitgegaan van de juiste maatstaf, naar volgt uit rov. 4.7 en rov. 4.10 eerste zin. Tegen die overwegingen wordt in cassatie ook niet opgekomen (vergelijk het middel onder 60 en 74). Het hof heeft, anders dan het middel aanvoert, ook de juiste maatstaf gehanteerd bij de toepassing van de bevoegdheidsregel van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis in rov. 4.10. Het hof heeft geoordeeld dat tussen de vorderingen tegen Mercedes en de ankervorderingen tegen Auto Köckü en [D] een zodanige verhouding bestaat dat bij afzonderlijke berechting van deze vorderingen een gevaar bestaat voor onverenigbare beslissingen in de zin van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis. Dit heeft het hof gemotiveerd door erop te wijzen dat de gegrondheid van de vorderingen tegen de ankergedaagde valt of staat met de gegrondheid van het aan Mercedes gemaakte verwijt van het onrechtmatig manipuleren van de voertuigen, en dat voor de toewijsbaarheid van de vorderingen tegen Mercedes en de ankergedaagde gemeenschappelijke feitelijke vragen en rechtsvragen beantwoord moeten worden. Volgens het hof is daarom in voldoende mate sprake van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. Met gezamenlijke behandeling van de vorderingen tegen Mercedes en de ankergedaagde wordt voorkomen dat verschillende rechters ter zake daarvan dezelfde vragen moeten beantwoorden en tegenstrijdige beslissingen (kunnen) geven, aldus het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieruit blijkt dat het hof heeft onderzocht of tussen de vordering tegen de ankergedaagde en de vordering tegen Mercedes een zodanige samenhang bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling. Onjuist, noch onbegrijpelijk is dat het hof die samenhang heeft gegrond op de omstandigheid dat de toewijsbaarheid van de vordering tegen de ankergedaagde afhankelijk is van de toewijsbaarheid van de vordering tegen Mercedes en dat aan beide vorderingen gemeenschappelijke (voor)vragen moeten worden beantwoord. Het hof heeft daarbij uitdrukkelijk gerespondeerd op de door Mercedes c.s. aangevoerde verschillen tussen beide vorderingen, en op begrijpelijke wijze geoordeeld dat die echter niet afdoen aan de aanwezige samenhang op de genoemde punten. Met zijn oordeel dat “in voldoende mate eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens, aan de orde is” (rov. 4.10 derde alinea, eerste zin), heeft het hof tot slot tot uitdrukking gebracht dat de samenhang tussen beide vorderingen ook voldoende is voor het aannemen van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens. Ook dat oordeel is onjuist, noch onbegrijpelijk. Er bestaat immers een zeer nauwe band tussen het verwijt aan Mercedes en de gestelde non-conformiteit van de voertuigen bij het kopen en het leasen daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klacht van het subonderdeel die specifiek is gericht tegen rov. 4.10 derde zin faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest, nu het hof daar niet oordeelt dat, als het aan Mercedes gemaakte verwijt opgaat, de vorderingen tegen de potentiële ankergedaagden op die grond alleen kunnen worden toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel faalt dus.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.41 Subonderdeel 1.6 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.10 laatste alinea dat het voor Mercedes voorzienbaar was dat zij zou kunnen worden gedagvaard voor de Nederlandse rechter, waaronder die in Amsterdam. Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel en de daarmee samenhangende overwegingen onjuist zijn, althans onbegrijpelijk, omdat Mercedes niet hoefde te voorzien dat zij met een vordering als de onderhavige voor de rechter in Amsterdam zou worden gedagvaard, en in ieder geval niet met een vordering die strekt tot behartiging van de belangen van personen die voertuigen hebben gekocht bij anderen dan [eiseres 4] en [D] .</p>\n<p class=\"lf-p\">4.42 In 3.12-3.19 van genoemde conclusie van A-G Ibili wordt uiteengezet dat voor de toepassing van art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis niet als zelfstandige voorwaarde geldt dat het voor de buitenlandse medegedaagde voorzienbaar moet zijn geweest dat zij kon worden gedagvaard in de lidstaat waar de ankergedaagde zijn woonplaats heeft. Het oordeel van het hof in rov. 4.10 laatste alinea draagt daarom niet zijn beslissing. Het subonderdeel berust hiernaast op dezelfde onjuiste rechtsopvatting over art. 8 aanhef en onder 1 Brussel I-bis als subonderdeel 1.4. Ook dit subonderdeel kan dus niet tot cassatie leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43 Subonderdeel 1.7 bevat een voortbouwklacht die geen bespreking behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Onderdeel 2: toepasselijk collectieve actieregime 5.1 Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.15-4.19 dat de collectieve vorderingen van SEC, voor zover deze betrekking hebben op Euro 6 voertuigen, worden beheerst door de WAMCA. Mercedes c.s. stellen uitdrukkelijk niet het oordeel van het hof aan de orde dat de collectieve vorderingen van SEC, voor zover deze betrekking hebben op Euro 5 voertuigen, worden beheerst door art. 3:305a (oud) BW (zie onder 91 van het middel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel bevat elf subonderdelen. Deze hebben alle betrekking op het overgangsrecht bij de WAMCA en de toepassing daarvan door het hof in deze zaak. Voordat de klachten van de subonderdelen worden besproken, wordt hierna eerst stilgestaan bij het overgangsrecht. Omdat dit recht, zoals geregeld en toegelicht door de wetgever, de nodige vragen oproept en de kwestie voor de praktijk van wezenlijk belang is (zoals ik hierna zal toelichten), ga ik nogal uitvoerig daarop in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het belang van het overgangsrecht 5.2 Zoals hiervoor in 3.2 al aan de orde kwam, houdt de op 1 januari 2020 in werking getreden WAMCA een ingrijpende wijziging van art. 3:305a BW in, alsmede de toevoeging aan Boek 3 Rv van een nieuwe Titel 14A met procesrecht. Door een en ander is het als gezegd mogelijk geworden om bij een collectieve actie een veroordeling tot betaling van schadevergoeding aan gedupeerden te laten uitspraken door de rechter. Daarvoor geldt nu een bijzondere in genoemde titel geregelde procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze wijzigingen is het belang van het overgangsrecht bij de WAMCA in de allereerste plaats gelegen. Onder het collectieve actieregime zoals dat voorheen gold – en krachtens het overgangsrecht voor sommige gevallen nog steeds geldt –, bestaat een verbod op het vorderen van schadevergoeding in geld voor anderen, dus voor de collectiviteit voor wie wordt opgetreden, met andere woorden voor degenen voor wie de vorderingen door de belangenorganisatie worden ingesteld (art. 3:305a lid 3 (oud) BW). Een belangenorganisatie kan onder het oude regime, wat betreft eventuele schadevergoeding voor de gedupeerden voor wie zij in rechte opkomt (haar achterban), slechts een verklaring voor recht vorderen dat de gedaagde aansprakelijk is voor de schade van die gedupeerden. In het geval dat het tussen partijen tot een schikking komt over de betaling van schadevergoeding aan haar achterban, kan die schikking op grond van de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM) algemeen verbindend worden verklaard. Andere middelen tot het collectief verkrijgen van schadevergoeding bestaan er onder het oude regime niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiermee is overigens niet gezegd dat een belangenorganisatie altijd gebaat is bij de toepasselijkheid van de WAMCA. Zoals hiervoor in 3.2 vermeld, zijn de ontvankelijkheidseisen voor belangenorganisaties voor het instellen van een collectieve vordering onder de WAMCA juist vergaand aangescherpt ten opzichte van het oude regime. Belangenorganisaties moeten in beginsel aan allerlei deugdelijkheids- en representativiteitseisen voldoen, die staan opgesomd in art. 3:305a leden 1-3 BW (zie voor een uitzondering art. 3:305a lid 6 BW). Zij moeten zich bovendien binnen beperkte tijd melden, op straffe van niet-ontvankelijkheid (art. 1018d leden 1 en 2 Rv).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien wordt één van de eisende belangenorganisaties als exclusieve belangenbehartiger wordt aangewezen, die de proceshandelingen in de procedure verricht en die de overige eisende belangenorganisaties vertegenwoordigt (wat overleg met hen veronderstelt). De overige eisende belangenorganisaties blijven wel procespartij en mogen ook proceshandelingen verrichten, maar alleen als de rechter dat heeft bepaald (art. 1018e lid 3 Rv).</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene uitgangspunten van overgangsrecht 5.3 Een nieuwe wet heeft als hoofdregel zogeheten onmiddellijke werking. Onmiddellijke werking houdt in dat een nieuwe wet van toepassing is vanaf het moment van haar inwerkingtreding. De wet is daardoor niet alleen van toepassing op nieuwe gevallen – die zich voordoen ná haar inwerkingtreding –, maar ook op bestaande rechtsposities en verhoudingen. Dat is alleen anders als het bij een wet opgenomen overgangsrecht anders inhoudt. Een en ander staat met zoveel woorden in aanwijzing 5.61 lid 1 van de Aanwijzingen voor de regelgeving en is specifiek met betrekking tot het BW bepaald in art. 68a lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (ONBW). Onmiddellijke werking is dus uitgangspunt en afwijking daarvan moet blijken uit een bijzondere bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer onmiddellijke werking onwenselijk is, kan de wetgever in een overgangsrechtelijke regeling bij een wet kiezen voor eerbiedigende of uitgestelde werking van de nieuwe wet. Eerbiedigende werking houdt in dat het oude recht blijvend van toepassing is op nader aangeduide feiten of verhoudingen, dan wel blijvend gelding toekomt aan door het oude recht in het leven geroepen rechten of verplichtingen (aanwijzing 5.64 van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Bij uitgestelde werking is het effect niet blijvend maar geldt dat voor een bepaalde periode (eveneens aanwijzing 5.64 van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Volgens de toelichting op aanwijzing 5.64 van de Aanwijzingen voor de regelgeving kan eerbiedigende of uitgestelde werking wenselijk zijn als de nieuwe wet afbreuk zal doen aan verwachtingen die onder het oude recht zijn ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van terugwerkende kracht is formeel gesproken alleen dan sprake wanneer de rechtsgevolgen van de nieuwe wet intreden vóór haar inwerkingtreding. Het verlenen van terugwerkende kracht aan een nieuwe wet is aan nationaalrechtelijke en internationaalrechtelijke beperkingen onderhevig. Aanwijzing 5.62 lid 1 van de Aanwijzingen van de regelgeving bepaalt dan ook dat aan een wet slechts terugwerkende kracht wordt verleend als daarvoor een bijzondere reden bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 In de context van het procesrecht brengt onmiddellijke werking mee dat een nieuwe wet vanaf de datum van haar inwerkingtreding van toepassing is op alle lopende en nog aan te vangen procedures. Het is duidelijk dat het eerste – toepassing op lopende procedures – onwenselijk kan zijn, want tot verstoringen in de procesvoering kan leiden. Voor het civiele procesrecht is het dan ook gebruikelijk om met betrekking tot wijzigingen te bepalen dat het oude recht van toepassing blijft op aanhangige procedures, zo lang de lopende instantie duurt. Dit is een vorm van eerbiedigende werking, die voorkomt dat hangende een instantie in een procedure het daarop toepasselijke procesrecht wijzigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het materiële recht is het beeld minder eenvormig. Hoewel art. 68a lid 1 ONBW, zoals gezegd, onmiddellijke werking tot uitgangspunt neemt, heeft de wetgever bij de invoering van het nieuwe BW telkens per bepaling “afgewogen wat voor het rechtsleven de beste keuze lijkt, en of de voordelen van het nieuwe recht in het concrete geval wel opwegen tegen het belang van degenen wier rechtsverhouding nog onder het oude recht begon en die op de handhaving daarvan rekenden”. Dit heeft geresulteerd in een betrekkelijk groot aantal specifieke overgangsrechtelijke bepalingen in de ONBW, die in meer of mindere mate afwijken van de hoofdregel van onmiddellijke werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Totstandkoming WAMCA overgangsrecht 5.5 Het oorspronkelijke wetsvoorstel van de WAMCA bevatte geen overgangsrecht, zodat die wet onmiddellijke werking zou hebben. Het overgangsrecht bij de WAMCA lijkt voor het eerst aan de orde te zijn gesteld in een brief van VNO-NCW, MKB-Nederland en de Consumentenbond aan de Tweede Kamer van 20 december 2016, waarin werd gevraagd om een verduidelijking van het overgangsrecht, nu daarover in het wetsvoorstel en de toelichting niets was bepaald. Bij de behandeling van het wetsvoorstel door de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie op 28 december 2016 hebben de SP- en CDA-fracties de regering gevraagd om op die brief te reageren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 Bij nota van wijziging heeft de minister hierna een bepaling van overgangsrecht in het wetsvoorstel opgenomen. Deze bepaling hield in dat aan de ONBW een nieuw art. 119a wordt toegevoegd, dat bepaalt dat, in afwijking van de art. 68a en 74 leden 2-4 ONBW, voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de art. 3:305a-305d BW en die is ingesteld voor de datum van inwerkingtreding van de wet, de voorwaarden van toepassing blijven die golden voor die datum. Voorts werd in art. III lid 2 van het gewijzigd voorstel bepaald dat de procesrechtelijke bepalingen van de WAMCA – die zijn vervat in Titel 14A van Boek 3 Rv – uitsluitend van toepassing zijn op gedingen waarin de procesinleiding is ingediend op of na het tijdstip van inwerkingtreding van de WAMCA. De keuze voor dit overgangsrecht heeft de minister als volgt toegelicht: “Het nieuw voorgestelde artikel III regelt het overgangsrecht voor het gewijzigde artikel 3:305a BW en de nieuw voorgestelde titel 14a in Rechtsvordering. In het voorstel was geen overgangsrecht opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de wijziging van artikel 3:305a BW geldt zonder afzonderlijk overgangsregeling de Overgangswet Nieuw BW. Die bevat in artikel 68a en 74 bepalingen van overgangsrecht die in beginsel ook van toepassing zijn op een wijziging van artikel 3:305a BW. Uitgangspunt is daarbij onmiddellijke werking. In artikel 74 is voorzien in een mogelijkheid van aanvulling van stellingen door partijen in een aanhangig geding aan de nieuwe wet. Alleen als de zaak in hoogste feitelijke instantie in staat van wijzen is, blijft volgens artikel 74 lid 3 het oude recht van toepassing. Dit zou betekenen dat belangenbehartigers in aanhangige 3:305a-procedures opeens aan strengere wettelijke eisen moeten voldoen dan waar zij bij het starten van de procedure rekening mee moesten houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvankelijkheidseisen in artikel 3:305a BW zijn grotendeels een codificatie van een aantal bepalingen uit de Claimcode, die door rechters steeds meer lijkt te worden toegepast als toets voor de ontvankelijkheid van een belangenbehartiger. Het lijkt niet redelijk om de spelregels voor belangenbehartigers hangende een collectieve actie te veranderen. Ik heb daarom gekozen voor afwijking van de hoofdregel van de Overgangswet Nieuw BW en voor toepassing uitsluitend op nog te starten collectieve procedures. Daartoe bevat artikel III een wijziging van de Overgangswet Nieuw BW. In een nieuw in te voegen artikel 119a is geregeld dat voor collectieve rechtsvorderingen die zijn ingesteld voor de datum van inwerkingtreding van de wet, ook de voorwaarden voor het instellen van voor inwerkingtreding blijven gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor de bepalingen van de nieuw voorgestelde titel 14A is overgangsrecht nodig. Onmiddellijke werking zou vragen oproepen over hoe de nieuwe procedure moet worden toegepast als er al een collectieve vordering voor een bepaalde gebeurtenis aanhangig is gemaakt. In artikel III is daarom bepaald dat de nieuwe procedure alleen van toepassing op procesinleidingen die op of na inwerkingtreding van de wet worden ingediend. Op aanhangige gedingen blijft dus het oude recht van toepassing.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgestelde overgangsrecht hield dus in dat de WAMCA eerbiedigende werking heeft voor het voorheen bestaande recht met betrekking tot collectieve vorderingen die bij de inwerkingtreding van die wet al waren ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 Dit overgangsrecht heeft in de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie tot vragen en opmerkingen geleid, die als volgt in het nader verslag zijn vermeld: “De leden van de VVD-fractie zien nog een onduidelijkheid in het overgangsrecht. De voorgestelde overgangsregel neemt als leidend criterium het aanhangig zijn van een collectieve actie ten tijde van inwerkingtreding van de wet. Hoe kan zo voorkomen worden dat met betrekking tot één en dezelfde gebeurtenis straks zowel een actie «oude stijl» als een actie «nieuwe stijl» aanhangig is?</p>\n<p class=\"lf-p\">Dezelfde vraag geldt voor die massaschadezaken waarin wordt geprocedeerd zonder dat daarbij het instrument van artikel 3:305a BW is gehanteerd. Geldt voor bij dergelijke acties betrokken partijen niet dat het onredelijk zou zijn als gedurende hun procedures plotseling de spelregels worden gewijzigd en een exclusieve belangenbehartiger wordt benoemd die hen in feite overbodig maakt? Hoe wordt dit voorkomen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Voornoemde leden vragen of deze problematiek te voorkomen is door in plaats van voor het overgangsrecht aan te knopen bij het tijdstip van aanhangigheid van een collectieve actie, het tijdstip waarop de gebeurtenis die tot de collectieve actie(s) aanleiding geeft beslissend te laten zijn?</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de CDA-fractie vinden een bepaling van overgangsrecht een welkome aanvulling op het wetsvoorstel gezien de hoofdregel in de Overgangswet Nieuw BW in gevallen van zaken over massaschade tot onduidelijke situaties zou hebben geleid. Naar aanleiding hiervan vragen deze leden of het mogelijk is voor deelnemers aan een zaak gestart op basis van de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM) na inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel ook een collectieve actie kunnen starten of dat men de WCAM-procedure moet doorlopen nu op het aanhangige geding het oude recht van toepassing blijft.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In de literatuur zijn vergelijkbare vragen gesteld bij de voorgestelde regeling. In een NJB-artikel dat in dezelfde periode verscheen, heeft J.S. Kortmann betoogd dat het tijdstip van de gebeurtenis die tot de collectieve actie(s) aanleiding geeft, doorslaggevend moet zijn, omdat daarmee wordt voorkomen dat de wetswijziging op onredelijke wijze ingrijpt in lopende massaschadezaken. Daarvoor zou naar zijn mening inspiratie kunnen worden geput uit ervaringen met vergelijkbare regelingen in het buitenland, zoals die van het Belgische en Engelse recht. Naast de door de VVD aangehaalde bezwaren, wees hij onder meer erop dat de “tussentijdse verandering van de ‘spelregels’” onaangename consequenties kan hebben voor gedaagden, omdat het nieuwe regime er immers toe zou kunnen leiden dat “massaschadezaken die onder het huidige recht tot geen of hooguit enkele individuele schadevergoedingsacties aanleiding geven, opeens het onderwerp worden van een alomvattende collectieve schadevergoedingsactie ‘nieuwe stijl’”.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 De minister zag in een en ander geen reden om het overgangsrecht aan te passen. Dat een eiser die een collectieve actie ‘oude stijl’ heeft ingesteld, met betrekking dezelfde gebeurtenis na de inwerkingtreding van de WAMCA een collectieve actie ‘nieuwe stijl’ instelt, noemde de minister onwenselijk, maar zou zich naar zijn oordeel laten oplossen door regievoering door de rechter. Zo kan een rechter, naar hij opmerkte, de collectieve actie ‘nieuwe stijl’ aanhouden totdat in de collectieve actie ‘oude stijl’ een verklaring voor recht is uitgesproken omtrent de aansprakelijkheid van de gedaagde. Verder verwachtte de minister niet dat de WAMCA massaschadezaken waarin wordt geprocedeerd met gebruikmaking van andere instrumenten zoals volmacht, op ongeoorloofde wijze zou doorkruisen. Tot slot vond de minister de keuze om de toepassing van de WAMCA te beperken tot gebeurtenissen die na de inwerkingtreding van de wet plaatsvinden, ‘lastig te rechtvaardigen’: “Voornoemde leden vragen of deze problematiek te voorkomen is door in plaats van voor het overgangsrecht aan te knopen bij het tijdstip van aanhangigheid van een collectieve actie, het tijdstip van de gebeurtenis die tot de collectieve actie(s) aanleiding geeft, beslissend te laten zijn. Voor zover deze leden doelen op de keuze om de toepassing van de wet te beperken tot de gebeurtenissen die na de inwerkingtreding van de wet plaatsvinden, vind ik dat lastig te rechtvaardigen. Het wetsvoorstel biedt een gecoördineerde en efficiënte procedure met waarborgen voor een collectieve afwikkeling. Ook voor schadeveroorzakende gebeurtenissen uit het verleden is wenselijk dat deze op een goede manier kunnen worden afgewikkeld. Het zou jammer zijn als de problemen die dit wetsvoorstel oplost, zich jaren kunnen blijven voortslepen omdat gebeurtenissen toevallig voor de inwerkingtreding hebben voorgedaan. Een dergelijke gang van zaken doet ook geen recht aan de jarenlange voorbereiding die aan dit wetsvoorstel vooraf is gegaan. Sinds de aanname van de motie in 2011 is over een voorontwerp geconsulteerd en is meermalen gesproken met zowel vertegenwoordigers van gedupeerden als aangesproken partijen. Er is meerdere malen advies gevraagd aan de Raad voor de rechtspraak en aan verschillende adviescommissies. Ook zijn er twee stakeholdersbijeenkomsten georganiseerd en zijn aanbevelingen overgenomen van praktijkjuristen die zowel aangesproken als gedupeerde partijen vertegenwoordigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het voorstel is met betrokkenheid van vele stakeholders gestreefd naar een balans tussen het belang van gedupeerden om hun rechten te kunnen verwezenlijken en het belang van aangesproken partijen om beschermd te worden tegen ongefundeerde of lichtvaardige massaclaims. Ik meen dat het voorstel in de huidige vorm een evenwichtige en redelijke regeling biedt. Ik zie geen noodzaak deze procedure aan bepaalde partijen te onthouden. Daar zijn voornoemde betrokkenen ook niet vanuit gegaan. Dat neemt niet weg dat ik nauwlettend zal blijven volgen of deze balans ook in de toekomst in stand blijft. Om de uitwerking van het wetsvoorstel in de praktijk te volgen en zo nodig bij te sturen heb ik in de eerste nota van wijziging een evaluatiebepaling toegevoegd. Door het verplichte register voor collectieve procedures wordt het volgen van deze zaken vergemakkelijkt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Amendement van het lid Van Gent c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 Op 20 december 2018 hebben VVD-lid Van Gent, SGP-lid Van der Staaij en CDA-lid Van Dam een amendement ingediend dat strekt tot wijziging van het overgangsrecht (hierna: het Amendement). Het Amendement handhaaft de door de minister voorgestelde regel dat voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de art. 3:305a-305d BW die is ingesteld vóór de datum van inwerkingtreding van de WAMCA, de voorwaarden van toepassing blijven van het oude recht. Hieraan voegt het Amendement echter toe dat, in afwijking van art. 68a ONBW, voor een dergelijke rechtsvordering die is ingesteld op of na de datum van inwerkingtreding van de wet, de voorwaarden van toepassing blijven die golden voor die datum voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016: “1. In afwijking van artikel 68a en artikel 74, leden 2 tot en met 4, blijven voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de artikelen 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld voor [datum inwerkingtreding wet] de voorwaarden van toepassing die golden voor die datum.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 68a, blijven voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de artikelen 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld op of na [datum inwerkingtreding wet] de voorwaarden van toepassing die golden voor die datum voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Het Amendement wijzigde het overgangsrecht voor de nieuwe Titel 14A van Boek 3 Rv voorts aldus dat die titel van toepassing is op gedingen waarin de procesinleiding is ingediend op of na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet én die betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016. Art. III lid 2 WAMCA zou hierdoor moeten gaan luiden: ““Artikel II van deze wet is van toepassing op gedingen die aanhangig zijn gemaakt op of na het tijdstip van het in werking treden van de wet en die betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 De toelichting op het Amendement luidt als volgt: “Dit amendement verbetert het overgangsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oorspronkelijke wetsvoorstel, zoals de regering dat op 15 november 2016 naar de Kamer heeft gestuurd, bevatte geen overgangsrecht. Hierop is veel kritiek gekomen. De regering heeft er daarom voor gekozen op 11 januari 2018 per nota van wijziging een beperkte vorm van overgangsrecht in te voegen. De indieners vinden deze wijziging een stap in de goede richting, maar zijn van mening dat het overgangsrecht verder kan worden verbeterd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het huidige wetsvoorstel (zoals gewijzigd in de eerste nota van wijziging) kunnen tot in lengte van dagen vorderingen worden ingediend met gebruikmaking van het nieuwe recht naar aanleiding van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, voor zover geen sprake is van verjaring. Dat levert een onterechte verruiming op van de bevoegdheden voor eisende partijen, terwijl de verwerende partij onmogelijk met gebruikmaking van dit instrument door de eiser rekening had kunnen houden. Deze vorm van overgangsrecht staat op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel. Bedrijven, organisaties of andere partijen hebben immers geen mogelijkheid gehad om zich voor te bereiden op de komst van de nieuwe wet als deze ook van toepassing is op oude gebeurtenissen. Bovendien ontstaat de theoretische mogelijkheid dat verschillende rechtsvorderingen op grond van verschillende regimes door elkaar gaan lopen als er reeds een procedure op grond van het oude recht aanhangig is. Zolang onduidelijk is welk recht op welke situatie van toepassing is, zal dit extra juridische procedures in de hand werken. Om deze redenen roept het overgangsrecht, zoals voorgesteld door de regering, meer problemen op dan dat het duidelijkheid creëert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom regelt dit amendement dat een rechtsvordering op grond van het nieuwe recht slechts mogelijk is als de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden op of na 15 november 2016. Dat is de datum dat het wetsvoorstel naar de Kamer is gestuurd en de partijen dus in theorie kunnen weten dat de nieuwe wet eraan komt. Als iemand een massaschadeprocedure wil beginnen wegens een gebeurtenis die vóór 15 november 2016 heeft plaatsgevonden, kan dat op basis van de wet zoals die toen gold. Bij een procedure wegens een gebeurtenis die op of ná die datum heeft plaatsgevonden geldt de wet zoals die na inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel zal komen te gelden. In het theoretische geval dat sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel vóór als na 15 november 2016 plaatsvinden, is het recht van toepassing zoals dat geldt op het moment dat de laatste gebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voordelen van deze vorm van overgangsrecht, ten opzichte van het overgangsrecht zoals voorgesteld in het wetsvoorstel, is dat het rechtszekerheidsbeginsel beter wordt gewaarborgd. Bovendien wordt de mogelijkheid van dubbele procedures op grond van verschillende juridische regimes kleiner. Tot slot sluit deze vorm van overgangsrecht beter aan bij de wetgeving van ons omringende landen, zoals Engeland en België.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Amendement stoelt blijkens het slot van deze toelichting dus op drie gedachten: (i) de rechtszekerheid van gedaagde partijen, die in de visie van de indieners meebrengt dat de wet niet van toepassing moet zijn op gebeurtenissen die zich voor 15 november 2016 hebben voorgedaan – wat de datum is waarop gedaagde partijen met het wetsvoorstel bekend hadden kunnen raken –, (ii) de mogelijkheid van dubbele procedures op grond van verschillende juridische regimes (namelijk het nieuwe en het oude recht) met betrekking tot één en dezelfde gebeurtenis is kleiner, en (iii) het overgangsrecht sluit zo beter aan bij de wetgeving van ons omringende landen, zoals Engeland en België.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 Uit de toelichting op het Amendement en ook uit de algemene beraadslaging over het wetsvoorstel blijkt dat voor de indieners met name van belang was dat, hoewel het wetsvoorstel alleen procesrechtelijk van aard is en geen wijziging van het materiële aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht met zich brengt (zie daarvoor hiervoor in 3.3), de verruiming van de bevoegdheden van belangenorganisaties een materiële – en dan met name feitelijk financiële – impact kan hebben op gedaagde partijen, zodat toepassing van de WAMCA op feiten uit het verleden niet gerechtvaardigd is en moet worden voorkomen. Zo is bij die beraadslaging opgemerkt: “De heer Van Gent (VVD): (…) Wij zijn ook van mening dat het wetsvoorstel dat vandaag wordt ingediend geen terugwerkende kracht mag hebben. Daarom stelt het tweede amendement dat de VVD samen met de SGP en het CDA heeft ingediend dat enkel schade veroorzaakt door gebeurtenissen die na 15 november 2016, de dag waarop de wet naar de Kamer is gestuurd, in aanmerking kan komen voor een massaschadeclaim op grond van deze nieuwe wet. Dat schept niet alleen rechtszekerheid, maar voorkomt ook dat er meerdere procedures door elkaar lopen.” “De heer Van Dam (CDA): (…) Voorzitter. Wij steunen voor een groot deel de amendementen van de VVD, maar hebben nog een enkele opmerking over het amendement over het overgangsrecht. Ja, het is zo dat over het algemeen materieel recht pas wijzigt op de datum dat de wet in werking treedt en dat formeel recht met terugwerkende kracht bepalend is. Als je nu in het Wetboek van Strafvordering iets verandert, geldt dat ook voor de op te lossen moord die jaren geleden is gepleegd. Dat adagium geldt natuurlijk ook bij dit verhaal. Bij rechtsbescherming is het tegelijkertijd natuurlijk zo dat het heel erg belangrijk is dat individuele burgers — dat is ook de charme van dit wetsvoorstel — een uitgebreide rechtsbescherming hebben. Wij vinden dat ook bedrijven een bepaalde vloer moeten hebben om op te kunnen staan, willen ze zaken kunnen doen. Deze wetgeving is ook wereldwijd zeer ruim in de toepassing om mensen middelen te geven om massaschades op te pakken en voor de rechter te brengen. Het klopt dat het formeel recht is, maar het betekent materieel wel degelijk wat voor de financiële risico's die bedrijven kunnen lopen. In dat kader spreken wij steun uit voor dit amendement van de VVD, wetende dat de bestaande wetgeving gewoon van toepassing is op casussen van voor 15 november 2016.” “De heer Van der Staaij (SGP):</p>\n<p class=\"lf-p\">(…) Collega Van Gent heeft een aantal amendementen ingediend. (…) Dan is er het amendement op het terrein van de ideële doelen, de zogenaamde opt-in, en tot slot dat over het overgangsrecht, waarover zich zojuist de meest uitgebreide discussie ontspon. Ik denk dat het duidelijk is dat je in feite een keuze maakt en dat er niet per se dwingende argumenten zijn om voor het een of het ander te kiezen. Voor elke keuze kan je ook weer argumenten aanvoeren. Dat geef ik graag toe. Of je kan zeggen: materieel verandert er niks, dus waarom ga je niet zo snel mogelijk terug? Je kan ook zeggen — de SGP-fractie geeft daar ook het zwaarste gewicht aan — dat het hoe dan ook toch gaat om de rechtszekerheid van betrokken partijen. Daar zijn ook financiële belangen mee gemoeid. Wij vonden het eigenlijk wel een mooie tussenweg om de lijn te kiezen die door collega Van Gent in het amendement op stuk nr. 13 is verwoord. Vandaar dat wij dit amendement mede hebben getekend.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 De minister heeft tijdens de algemene beraadslaging over het wetsvoorstel geen voorkeur uitgesproken voor de door hem voorgestelde overgangsregeling of het Amendement, en de keuze aan de Tweede Kamer gelaten: “Minister Dekker: (…) Dan is er een amendement ingediend — het amendement onder nr. 13 van de VVD, het CDA en de SGP — dat eigenlijk die overgangsbepaling nog verder wil aanscherpen. De nieuwe procedure is dan alleen van toepassing voor gebeurtenissen vanaf 15 november 2016, het moment van indiening van dit wetsvoorstel. Het wetsvoorstel biedt voordelen ten opzichte van de huidige praktijk. Je kan dus aan de ene kant redeneren dat het eigenlijk jammer is dat zaken van voor die datum daar niet voor in aanmerking komen en dat daarvoor de oude procedure moet worden gevolgd. Aan de kant kan je kiezen voor zekerheid voor alle partijen, ook partijen die worden aangesproken op de schade, zodat ze helderheid hebben dat het vanaf een bepaalde datum ingaat. Uiteindelijk vind ik dat een keuze die aan de Kamer is. Daarom wil ik dit amendement oordeel Kamer geven.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13 Het Amendement is hierna aangenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijziging overgangsrecht naar aanleiding van Richtlijn (EU) 2020/1828 5.14 Na de inwerkingtreding van de WAMCA is het overgangsrecht bij die wet nog gewijzigd in verband met de implementatie van de hiervoor in 4.23 al genoemde Richtlijn (EU) 2020/1828. Als gezegd strekt deze richtlijn onder meer tot de invoering van een collectieve schadevergoedingsactie voor de inbreuk van consumentenrechten uit het Unierecht. De WAMCA voldeed reeds grotendeels aan de eisen uit de Richtlijn, zodat omzetting in een nieuwe regeling niet nodig was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 24 van de Richtlijn bepaalt dat de nationale bepalingen tot omzetting van de richtlijn van toepassing zijn op collectieve acties die zijn ingesteld op of na 25 juni 2023. Deze bepaling van overgangsrecht is in de preambule toegelicht met de algemene opmerking dat het passend is om regels voor de toepassing van deze richtlijn in de tijd vast te stellen. In de Implementatiewet richtlijn representatieve vorderingen voor consumenten is het overgangsrecht van de WAMCA hierop aangepast. Aan art. 119a ONBW is een nieuw derde lid toegevoegd, dat erop neerkomt dat de wijzigingen en invoegingen van de art. 3:305a, 3:305c en 3:305e BW door de Implementatiewet niet van toepassing zijn op rechtsvorderingen die voor 25 juni 2023 zijn ingesteld en dat op deze rechtsvorderingen de voor die datum geldende bepalingen van toepassing blijven. De leden 1 en 2 van art. 119a ONBW zijn dienovereenkomstig aangepast. Verder bepaalt art. VI van de Implementatiewet dat Titel 14A van Boek 3 Rv zoals die op de dag voor 25 juni 2023 luidt van toepassing blijft op collectieve vorderingen die zijn ingesteld voor die datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15 De wetgever heeft zich bij de totstandkoming van de implementatie van Richtlijn (EU) 2020/1828 niet uitgelaten over de vraag of de temporele beperking van de toepasselijkheid van de WAMCA tot gebeurtenissen van op of na 15 november 2016 ook geldt voor collectieve acties die onder de Richtlijn vallen. Hierover is verwarring ontstaan in de literatuur en de lagere rechtspraak. Met de Verzamelwet Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie 2025 is het BW-overgangsrecht verder aangepast op dit punt. De staatssecretaris heeft in dat verband toegelicht dat de beperking in de toepasselijkheid van de WAMCA tot gebeurtenissen van op of na 15 november 2016 niet is toegestaan bij de implementatie van de Richtlijn en die beperking daarom niet geldt voor collectieve acties die binnen het toepassingsbereik van de Richtlijn vallen en die zijn ingesteld op of na 25 juni 2023. Art. 119a ONBW luidt door deze wijzigingen nu als volgt: “1 In afwijking van artikel 68a en artikel 74, leden 2 tot en met 4, blijven voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de artikelen 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld voor 1 januari 2020 de voorwaarden van toepassing die golden voor die datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van artikel 68a, blijven voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de artikelen 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld op of na 1 januari 2020 de voorwaarden van toepassing die golden voor die datum voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Lid 2 is niet van toepassing op een rechtsvordering die strekt tot bescherming van een belang als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG (PbEU 2020, L 409) en die is ingesteld op of na 25 juni 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De wijzigingen van de artikelen 305a en 305c van Boek 3 door de Implementatiewet richtlijn representatieve vorderingen voor consumenten zijn niet van toepassing op rechtsvorderingen die voor 25 juni 2023 zijn ingesteld. Op deze rechtsvorderingen blijven de voor die datum geldende artikelen 305a en 305c van Boek 3 van toepassing.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Opvallend is dat een vergelijkbare aanpassing niet heeft plaatsgevonden voor het Rv-overgangsrecht (dat hiervoor aan het slot van 5.9 is aangehaald). Dat lijkt een omissie te zijn, omdat de wetgever niet bedoeld kan hebben dat een door de WAMCA beheerste collectieve vordering wordt afgewikkeld zonder toepassing van Titel 14A van Boek 3 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.16 In deze zaak staat vast dat de Richtlijn niet van toepassing is, omdat de collectieve actie van SEC is ingesteld bij dagvaarding van 30 december 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betekenis van het overgangsrecht bij de WAMCA, inleiding 5.17 Het Amendement heeft het overgangsrecht bij de WAMCA voor de praktijk gecompliceerd. Als gezegd heeft de WAMCA nogal wat veranderd (zie hiervoor in 3.2). Het is dus van wezenlijk belang om al in een vroeg stadium – liefst al vóór het aanspannen van een procedure – te kunnen bepalen of de WAMCA dan wel het oude recht van toepassing is. Dat bepaalt immers zeer veel voor de te volgen aanpak. Het overgangsrecht is daarover echter niet geheel duidelijk. De lagere rechtspraak en de literatuur worstelen dan ook met de precieze betekenis van het overgangsrecht. Dat leidt tot rechtsverscheidenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onduidelijkheid van het overgangsrecht is ook in deze zaak aan de orde. Het gaat om de vragen (i) wat moet precies worden verstaan onder het begrip ‘gebeurtenis’ in de bepalingen van het overgangsrecht, en (ii) welk collectieve actieregime is van toepassing op een rechtsvordering die betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die zich uitstrekken over een periode die zowel voor als op en na 15 november 2016 beslaat?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierna ga ik op deze beide vragen in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betekenis van het begrip ‘gebeurtenis’ 5.18 De betekenis van het begrip ‘gebeurtenis’ volgt niet uit art. 119a ONBW of art. III lid 2 WAMCA. In de toelichting op het Amendement is de betekenis van dit begrip ook niet als zodanig toegelicht. Het ligt echter voor de hand om dit begrip in dezelfde zin te verstaan als dit begrip wordt gebruikt in de rest van de WAMCA. Daarin wordt dit begrip gebezigd in de art. 3:305a lid 3 onder b onder 3° BW, 1018c leden 1, onder a en e, 3 en 6, 1018d leden 1 en 2, 1018f leden 4 en 6, en 1018m lid 1 Rv. Ook de WCAM gebruikt dit begrip, namelijk in de art. 7:907, 1013 lid 1 onder b, en 1018a Rv. Het ligt nogal voor de hand om het begrip ‘gebeurtenis’ op al deze plaatsen te verstaan als het feit of de feiten die de aanleiding en grondslag zijn van de aan de orde zijnde vordering (de collectieve actie). In deze zin wordt het begrip ‘gebeurtenis’ ook onmiskenbaar gebezigd in de art. 3:310, 6:96 lid 2 onder a, 6:98-6:100, 6:107-6:108, en 6:110 BW. Art. 119a lid 2 ONBW spreekt ook uitdrukkelijk over de gebeurtenis(sen) ‘waarop de rechtsvordering betrekking heeft’, wat hierbij onmiddellijk aansluit. ‘Vordering’ heeft hier zowel zijn materieel privaatrechtelijke als procesrechtelijke betekenis. Met dat laatste sluit een en ander op zijn beurt weer aan bij het wezenskenmerk van het burgerlijk proces(recht) dat het onderzoek daarin (door de rechter) steeds plaatsvindt aan de hand van de ingestelde vordering en de grondslag daarvan (de art. 23 en 24 lid 1 Rv).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.19 Als het gaat om schadevergoeding – wat in veel van de hiervoor in 5.18 genoemde bepalingen het geval is –, kan ‘gebeurtenis’ in de genoemde zin kort worden aangeduid als de ‘schadeveroorzakende gebeurtenis’. Dat valt dan – meer uitgeschreven – aldus te verstaan dat dit de gebeurtenis is waarop de (gestelde) aansprakelijkheid voor de schade berust. Art. 3:305a (oud) BW en de WAMCA hebben echter (anders dan de WCAM) niet alleen betrekking op schadevergoeding, maar op alle mogelijke collectieve vorderingen. Dat zijn dus ook een bevel of een verbod, of een verklaring voor recht ten behoeve van de achterban dat zij die tot de achterban behoren, desgewenst ergens (anders) aanspraak op kunnen maken (dan schadevergoeding), zoals bijvoorbeeld de ontbinding van een bepaalde overeenkomst, wat een verklaring is die in deze zaak door SEC wordt gevorderd voor een deel van haar achterban. De ‘gebeurtenis’ is ook bij deze vorderingen het feit of de feiten die de aanleiding en grondslag zijn van de hierop gerichte vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.20 In een context waarin het (vooral) gaat om schadevergoeding, duikt de omschrijving ‘schadeveroorzakende gebeurtenis’ zeer vaak op. Dat is onder meer het geval in de toelichting op het Amendement: “Daarom regelt dit amendement dat een rechtsvordering op grond van het nieuwe recht slechts mogelijk is als de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden op of na 15 november 2016.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is evident dat deze omschrijving in de hiervoor genoemde betekenis is bedoeld, van de gebeurtenis waarop de (gestelde) aansprakelijkheid voor de schade berust. In die betekenis wordt immers daadwerkelijk de (hoofd)doelstelling van het Amendement gediend, die de indieners ervan hebben omschreven als het waarborgen van de rechtszekerheid van de gedaagde (aansprakelijk gestelde) partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.21 Dat ‘gebeurtenis’ in de WAMCA in de hiervoor in 5.18 genoemde zin valt te verstaan, kan ook worden afgeleid uit andere passages van de wetsgeschiedenis van de WAMCA. Zo is over art. 3:305a lid 3 onder b aanhef en onder 3° BW opgemerkt: “De uitbreiding [onder 3°] dat de gebeurtenis of gebeurtenissen in Nederland heeft respectievelijk hebben plaatsgevonden, brengt mee dat een belangenbehartiger wel mag opkomen voor in meerderheid benadeelde personen van buiten Nederland als de gebeurtenis of gebeurtenissen zich in Nederland heeft of hebben voorgedaan. Ook dit vereiste leidt tot een voldoende nauwe band met Nederland. Stel, een groep buitenlandse toeristen afkomstig uit diverse landen wordt in Amsterdam beroofd door een buitenlandse bende. De bende wordt gepakt en de toeristen willen hun schade op de bendeleden verhalen. Omdat de schadeveroorzakende gebeurtenis (de beroving) zich in Nederland heeft voorgedaan, mag een belangenbehartiger die voldoet aan de eisen van 3:305a BW in Nederland een collectieve actie starten, ook al komt hij op voor de belangen van personen die hun gewone verblijfplaats buiten Nederland hebben. (…) Het vereiste [onder 3°] dat de gebeurtenis of gebeurtenissen heeft respectievelijk hebben plaatsgevonden in Nederland moet worden onderscheiden van het criterium voor internationale bevoegdheid dat het schadebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan (vgl. artikel 7 sub 2 verordening Brussel Ibis en artikel 6 sub e Rv). (…) Het vereiste sub (iii) dat de gebeurtenis of gebeurtenissen heeft respectievelijk hebben plaatsgevonden in Nederland verwijst uitsluitend naar de plaats waar zich daadwerkelijk de gebeurtenis of gebeurtenissen heeft respectievelijk hebben voorgedaan. Het is dus niet tevens een verwijzing naar de plaats waar de directe schade is geleden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot art. 1018d lid 1 Rv, dat mogelijk maakt dat een belangenbehartiger binnen drie maanden na de aantekening van een dagvaarding in het centraal register voor collectieve acties een collectieve vordering instelt voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de reeds aanhangige collectieve vordering betrekking heeft en over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen, heeft de regering opgemerkt: “Daarnaast is vereist dat het gaat om een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen. Gaat het om bijvoorbeeld misleidende informatie van een bedrijf, dan kan deze misleiding gevolgen hebben voor zowel beleggers (door een koersdaling) als voor consumenten (door bijvoorbeeld niet-waargemaakte claims t.a.v. een product). In beginsel is hier sprake van dezelfde gebeurtenis, ook al heeft deze gebeurtenis verschillende gevolgen voor verschillende groepen personen. Ook moet het gaan om gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen. In het genoemde voorbeeld is de vraag welke feitelijke informatie het bedrijf naar buiten heeft gebracht voor de verschillende soorten vorderingen van verschillende soorten gedupeerden in beginsel gelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of hierbij sprake is van misleidende informatie is een rechtsvraag die mogelijk verschillend wordt ingevuld, afhankelijk van de vraag of het gaat om een vordering wegens misleidende koersinformatie of wegens een oneerlijke handelspraktijk. Dit staat op zichzelf niet in de weg aan voldoende gelijksoortigheid. Het hoeft dus niet te gaan om precies dezelfde vordering. Als bijvoorbeeld de oorspronkelijke collectieve vordering gebaseerd is op wanprestatie, dan kan een andere belangenorganisatie ervoor kiezen voor dezelfde gebeurtenis een collectieve vordering in te dienen die is gebaseerd op onrechtmatige daad of onverschuldigde betaling, als zij meent dat dit de meer geëigende grondslag is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar het om gaat is of de collectieve vorderingen voldoende betrekking hebben op gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis, zodat het de voorkeur heeft deze als één zaak af te wikkelen”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van art. 1018f Rv, dat de opt-out mogelijkheid regelt voor benadeelden na de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger, heeft de regering opgemerkt: “De vraag is steeds of de feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gelijksoortig zijn dat afwikkeling als één zaak de voorkeur heeft. Er zullen gevallen zijn waarin de collectieve vorderingen gebaseerd op dezelfde gebeurtenis zó verschillend zijn, dat niet efficiënt is om deze als één zaak af te wikkelen. Gesjoemel bij de productie van een auto-onderdeel kan worden gezien als één gebeurtenis maar kan leiden tot een grote diversiteit aan vorderingen bij een diverse groep aan personen en bedrijven. Dealers van de desbetreffende auto’s hebben mogelijk een heel ander soort vordering uit contract gebaseerd op andere feiten en met ander soort schade dan benadeelde consumenten. Mochten de feitelijke en rechtsvragen in de collectieve vorderingen onvoldoende gelijksoortig zijn, dan zal de rechter deze niet als één collectieve zaak behandelen maar als afzonderlijke massazaken. In dat geval is er ook geen risico op tegenstrijdigheden omdat de in beide massazaken aan de orde zijnde vragen niet dezelfde zijn. Ik verwacht dat de praktijk met de eis van gelijksoortigheid voldoende uit de voeten kan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.22 Deze citaten doen naar ik meen duidelijk uitkomen dat moet worden aangeknoopt bij de vordering en de grondslag daarvoor. Onder de WCAM, waarin een deel van de oorsprong van de WAMCA is gelegen, is ‘gebeurtenis’ eveneens in deze zin bedoeld, zoals al blijkt uit de tekst van art. 7:907 lid 1 BW, dat bepaalt dat een overeenkomst strekkende tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een gebeurtenis of gelijksoortige gebeurtenissen, verbindend kan worden verklaard. Het is duidelijk dat in de art. 3:310, 6:96 lid 2 onder a, 6:98-6:100, 6:107-6:108, en 6:110 BW ‘gebeurtenis’ steeds is bedoeld als de (schadeveroorzakende) gebeurtenis waarop de (gestelde) aansprakelijkheid voor de schade berust.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lagere rechtspraak en literatuur 5.23 In de lagere rechtspraak wordt voor de toepassing van het overgangsrecht vaak uitgegaan van het moment van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Daarvoor wordt uiteraard gekeken naar de vordering. Een deel van de literatuur spreekt de hiervoor in 5.18 vermelde betekenis van het begrip ‘gebeurtenis’ duidelijk uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als sprake is van met elkaar verband houden feiten die aan de vordering ten grondslag worden gelegd, wordt soms echter in de rechtspraak uitgegaan van de (of beter gezegd: een) achterliggende gebeurtenis van die feiten, zoals de rechtbank en het hof allebei in deze zaak hebben gedaan, als een soort (grootste) gemene deler. Deze rechtspraak betreft steeds zaken als de onderhavige, waarin het gaat om een manipulatie-instrument in een voertuig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft in deze procedure namelijk het tot stand brengen van het manipulatie-instrument als die gebeurtenis aangewezen, waarmee zij alle vorderingen van degenen voor wie de stichtingen in deze procedure optreden, op één oorzakelijke noemer heeft gebracht (de daarbij gevorderde schade valt steeds op die gebeurtenis terug te voeren, zo is de gedachte). Andere handelingen van Mercedes c.s. zijn volgens de rechtbank slechts uitvoeringshandelingen geweest en daarom niet relevant. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank het oude recht van toepassing, omdat de totstandbrenging van het manipulatie-instrument dateert van ruim vóór 15 november 2016 (rov. 6.31-6.32).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft in deze zaak en ook in de hiervoor in 1.4 genoemde zaak SDEJ/Stellantis als ‘gemene deler van alle vorderingen’ aangeknoopt bij het in het verkeer brengen van voertuigen met een manipulatie-instrument, voor welke voertuigen een bepaalde norm gold (Euro 5 of 6 in de relevante periode). Omdat er geen aanwijzingen zijn dat voertuigen waarvoor de norm Euro 5 gold op of na 15 november 2016 in het verkeer zijn gebracht, is op de vorderingen met betrekking tot die voertuigen het oude recht van toepassing (art. 305 a (oud) BW), aldus het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bezwaar van deze benadering is dat alle door de eiser aan zijn vorderingen ten grondslag gelegde gebeurtenissen op een hoop worden gegooid en worden teruggebracht tot één (gelijksoortige) (hoofd)gebeurtenis, die echter voor de vorderingen, althans voor een deel daarvan, in feite niet relevant is. Die benadering staat haaks op het hiervoor in 5.18 genoemde wezenskenmerk van het burgerlijke proces(recht) en miskend wat een vordering naar een materieel recht is (een aanspraak gebaseerd op bepaalde feiten volgens het recht, die het bestaan van die aanspraak bij de aanwezigheid van die feiten meebrengt). Zij heeft bovendien als onpraktisch gevolg dat het toepasselijk recht onvoorspelbaar wordt voor partijen. Die moeten immers maar zien wat de rechter in hun geval als ‘gemene deler’ aanwijst, terwijl die voorspelbaarheid voor procederende partijen juist van wezenlijk belang is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betwisting gedaagde relevant?</p>\n<p class=\"lf-p\">5.24 Soms wordt bij het voorgaande uitgegaan van de opvatting dat ook relevante betwistingen van de gedaagde partijen bij de bepaling van het toepasselijke collectieve actieregime moeten worden betrokken. Ook het hof heeft dat in deze zaak gedaan (rov. 4.15 laatste alinea). Deze zienswijze is kennelijk ontleend aan de hiervoor in 4.17 al genoemde regel die in het internationale bevoegdheidsrecht geldt, dat de rechter zich niet dient te beperken tot de stellingen van de eiser, maar ook acht moet slaan op de beschikbare gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en op de stellingen van de gedaagde, die het hof in rov. 4.4 tweede alinea noemt. De beoordeling of een als WAMCA-vordering ingestoken vordering inderdaad onder de WAMCA valt, is echter een ontvankelijkheidskwestie met betrekking tot die vordering (net als de vraag of die vordering voldoet aan alle (andere) eisen die de WAMCA daaraan stelt) of is daaraan gelijk te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beoordeling van de ontvankelijkheid van een partij in haar vordering of rechtsmiddel is een wezenlijke andere dan die van het bestaan van internationale bevoegdheid van de rechter. Bij de beoordeling van het bestaan van internationale bevoegdheid wordt vaak aangeknoopt bij de werkelijk bestaande toestand of het werkelijk tussen partijen bestaande geschil, bij de vaststelling waarvan allicht mede valt te letten op hetgeen de gedaagde daarover aanvoert (zie hiervoor in 4.17). De internationale bevoegdheid wordt bovendien beoordeeld aan de hand van het zogeheten perpetuatio fori-beginsel, dat wil zeggen uitsluitend aan de hand van de toestand zoals die bestaat ten tijde van de inleidende dagvaarding, waardoor het gevaar van manipulatie van het gerecht bestaat als uitsluitend wordt afgegaan op de stellingen van de eiser.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een vordering gaat het om het recht waarin eiser vraagt beschermd te worden. Dat is per definitie een door hem beweerd recht. Of de feiten waarop de eiser dat recht baseert (de grondslag van zijn vordering), zich daadwerkelijk voordoen en of de ingeroepen feiten het beweerde recht kunnen dragen, maakt deel uit van de beoordeling ten gronde die de rechter moet uitvoeren met betrekking tot de vordering. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid valt daarom uitsluitend te letten op de grondslag van de vordering en niet op de betwisting van de feitelijke juistheid of juridische gegrondheid daarvan. Die betwistingen komen pas aan de orde bij de (inhoudelijke) beoordeling van de vordering. Dat alléén op de vordering en de grondslag van de vordering valt te letten is dan ook vaste regel bij de beoordeling van de bevoegdheid van burgerlijke rechter ten opzichte van andere nationale rechters, van de bevoegdheid van de kantonrechter, en van de appellabiliteit van vonnissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.25 Het voorgaande betekent dat als bij de beoordeling van de collectieve vordering blijkt dat, anders dan daarbij gesteld, deze geen betrekking heeft op een gebeurtenis die dateert van op of na 15 november 2016, de vordering niet kan worden toegewezen op grond van de WAMCA (wel op grond van art. 3:305a (oud) BW, als dat gelet op de ingestelde vordering mogelijk is). Dat heeft op zichzelf het bezwaar dat veel werk voor niets kan zijn gedaan, gelet op de zware formele eisen die de WAMCA aan een vordering stelt. Deze uitkomst is echter onvermijdelijk, gelet op het feit dat de inhoudelijke beoordeling van de vordering in de WAMCA eerst plaatsvindt ná de ontvankelijkheidsbeoordeling van art. 1018c lid 5 Rv. Daarbij verdient wel opmerking dat een inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering volgens art. 1018c lid 5, aanhef en onder c, Rv alleen plaatsvindt indien en nadat de rechter, zo nodig ambtshalve, heeft beslist dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering is gebleken. Vorderingen die evident onjuist zijn ingestoken, gelet op het overgangsrecht, kunnen dus in de eerste fase worden ‘afgevangen’. Overigens heeft een belangenorganisatie vooral zichzelf ermee als zij onnodig een WAMCA-vordering instelt, waar dat een vordering op grond van art. 3:305a (oud) BW had moeten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.26 De betekenis van begrip ‘gebeurtenis’ lijkt met het voorgaande duidelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een of meerdere gebeurtenissen 5.27 De wet gaat ervan uit dat de belangenorganisatie meerdere gebeurtenissen aan de collectieve vordering ten grondslag kan leggen, waarmee er dan dus meerdere relevante gebeurtenissen zijn. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen de situatie dat sprake is van meerdere gebeurtenissen vanuit het perspectief van de individuele benadeelde voor wiens belangen de belangenorganisatie in rechte opkomt, en de situatie dat sprake is van meerdere gebeurtenissen vanuit het perspectief van de belangenorganisatie die de collectieve vordering heeft ingesteld. De in deze zaak aan de orde zijnde verkoop van een beweerd gebrekkig product aan een veelheid aan consumenten, betreft vanuit het perspectief van de consument bezien (veelal) een eenmalige gebeurtenis, namelijk uitsluitend de aankoop van dat product door de consument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de vordering van de consument kan worden meegenomen in een collectieve actie, wordt in het wettelijk stelsel (en ook praktisch gezien) gerechtvaardigd door het feit dat andere consumenten hetzelfde gebrekkige product hebben gekocht en een zelfde vordering (zullen) willen instellen. Hier is dan sprake van meerdere gebeurtenissen, waarvan de vergaande gelijksoortigheid de gezamenlijke berechting in een collectieve vordering mogelijk maakt en ook rechtvaardigt, want meer effectief en efficiënt doet zijn. De WCAM spreekt hier van ‘gelijksoortige gebeurtenissen’ (art. 1018a lid 1 Rv), de WAMCA stelt – wat meer uitgesponnen – de eis dat ‘de eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn’ (art. 1018c lid 5 onder b Rv), maar bedoelt daarmee (vermoedelijk) uiteindelijk hetzelfde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het perspectief van de belangenorganisatie is hierbij sprake van meerdere gebeurtenissen, nu de acties wegens alle verkopen worden gebundeld in de collectieve vordering en aan die vordering ten grondslag liggen. Het ligt voor de hand dat ook in de zin van de WAMCA in dat geval sprake is van meerdere gebeurtenissen. Ook de hiervoor in 5.21 geciteerde uitlatingen in de wetsgeschiedenis komen hierop neer of wijzen daarop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan een collectieve vordering allicht betrekking hebben op een gebeurtenis die voor alle betrokkenen één gebeurtenis is. Voorbeelden die in de parlementaire stukken worden genoemd, zijn die van de vuurwerkramp in Enschede en de brand in nieuwjaarsnacht in Volendam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is duidelijk dat in laatstgenoemde gevallen de gebeurtenis op één bepaald – in de regel gemakkelijk aan te wijzen – tijdstip plaatsvindt, terwijl in eerstgenoemd geval juist sprake is van meerdere gebeurtenissen die veelal gespreid in de tijd hebben plaatsgevonden. Voor het overgangsrecht bij de WAMCA is dat uiteraard relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kan zich het geval voordoen dat sprake is van één (eventueel voortdurende) gebeurtenis of van meerdere (zich repeterende) gebeurtenissen die sluipenderwijs schade veroorzaken – bijvoorbeeld de uitstoot van vervuilende stoffen –, zonder dat duidelijk is wanneer de schade precies is ingetreden (en door welk deel van de gebeurtenissen deze is veroorzaakt). In dat geval valt juist niet één bepaald tijdstip voor de gebeurtenis(sen) aan te wijzen waarop de vordering berust, maar alléén een tijdvak.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.28 De wet laat toe dat een belangenorganisatie meer dan één collectieve vordering instelt, al dan niet in de verhouding van primair en subsidiair, en dat zij ook vorderingen instelt tegen meerdere gedaagden. De WAMCA voorziet er bovendien uitdrukkelijk in – heeft zelfs juist ten doel – dat een belangenorganisatie zich met collectieve vorderingen aansluit bij de al ingestelde collectieve actie van een andere belangenorganisatie op de voet van art. 1018d Rv, dus voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop die collectieve actie betrekking heeft, over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen (art. 1018d lid 1 Rv). Daarbij is duidelijk dat met ‘dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen’ mede is bedoeld dezelfde soort gebeurtenis of gebeurtenissen. In de hiervoor in 5.21 weergegeven citaten wordt dan ook bijvoorbeeld ‘gesjoemel bij de productie van een auto-onderdeel’ (wat een zich repeterende handeling zal zijn) aangemerkt als één handeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is ook langs deze wegen mogelijk dat meerdere gebeurtenissen aan de orde zijn in een procedure waarin collectieve acties worden ingesteld. In theorie zou ieder van de ingestelde vorderingen over iets anders kunnen gaan en dus zelfs betrekking kunnen hebben op een andere gebeurtenis, zij het dat de ingestelde vorderingen volgens de al vermelde wettelijke eisen van de art. 1018c lid 5 onder b en art. 1018d lid 1 Rv wel voldoende op hetzelfde betrekking zullen moeten hebben of een voldoende nauwe samenhang zullen moeten vertonen, om een gezamenlijke behandeling en beslissing te rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden zowel vóór als op en na 15 november 2016 5.29 Het overgangsrecht bij de WAMCA houdt op zichzelf rekening met de mogelijkheid dat de procedure betrekking heeft op meerdere gebeurtenissen. Art. 119a lid 2 ONBW en art. III lid 2 WAMCA spreken van een rechtsvordering die, dan wel een geding dat, betrekking heeft op ‘een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016’. De vraag is echter als gezegd wat geldt als de vorderingen betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die zowel voor als op en na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. Het hiervoor in 5.27 en 5.28 vermelde laat zien dat dit geval zich vrij gemakkelijk kan voordoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dit geval zijn in theorie twee uitkomsten denkbaar: (i) de collectieve vorderingen worden als geheel beheerst door het ene of het andere collectieve actieregime, of (ii) de collectieve vorderingen worden voor zover mogelijk opgeknipt, in die zin dat de vorderingen voor zover deze betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór 15 november 2016, worden beheerst door het oude collectieve actieregime en voor zover deze betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016, worden beheerst door de WAMCA. De vraag is welke van deze twee uitkomsten de door de wetgever bedoelde is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van art. 119a lid 2 ONBW en de toelichting van het Amendement duiden op een ‘knip’ in het toepasselijke collectieve actieregime 5.30 Wie kijkt naar het doel van de WAMCA – dat is om een efficiënte en effectieve collectieve afwikkeling van massaschade te bevorderen; zie hiervoor in 3.2 –, kan geneigd zijn om aanstonds voor de eerste uitkomst te kiezen, en wel in de variant dat de WAMCA dan van toepassing is. Bij die uitkomst vindt immers zoveel mogelijk de met de WAMCA beoogde afwikkeling plaats volgens één efficiënt en effectief regime. De lagere rechtspraak lijkt zich tot nu toe in nogal wat zaken hierdoor te laten leiden, zoals hierna nog zal blijken. Ook het hof heeft dat in rov. 4.18 als een argument voor zijn oordeel genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van art. 119a lid 2 ONBW wijst echter duidelijk een andere kant op. Art. 119a lid 2 ONBW bepaalt immers dat het oude collectieve actieregime van toepassing blijft voor zover de collectieve vordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016. Het spiegelbeeld daarvan is dat de WAMCA dus alleen van toepassing is voor zover de collectieve vordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016. Het BW-overgangsrecht lijkt dus met zoveel woorden voor te schrijven dat als het ware een ‘knip’ wordt aangebracht in het toepasselijke collectieve actieregime als de relevante gebeurtenis of gebeurtenissen zich zowel vóór als na 15 november 2016 hebben voorgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.31 Art. III lid 2 WAMCA, dat het overgangsrecht regelt voor Titel 14A Boek 3 Rv, bevat de woorden ‘voor zover’ niet. Dit zou wellicht geduid kunnen worden als een aanwijzing voor de hiervoor in 5.29 als eerste genoemde uitkomst. De toelichting op de WAMCA kan echter moeilijk anders worden begrepen dan dat de wetgever heeft bedoeld om Titel 14A van Boek 3 Rv steeds van toepassing te laten zijn als de art. 3:305a e.v. (nieuw) BW van toepassing zijn, als het daarbij behorende procesrecht. Het ‘Rv-overgangsrecht’ (art. III lid 2 WAMCA) zal dus het BW-overgangsrecht (art. 119 lid 2 ONBW) dus steeds zonder meer moeten volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zou het ontbreken van de woorden ‘voor zover’ in art. III lid 2 WAMCA kunnen worden geduid als dat de procedure over een collectieve actie slechts volgens één regime mogelijk is wat betreft de WAMCA, met andere woorden dat in een procedure waarin de WAMCA van toepassing is, niet ook andere vorderingen kunnen worden behandeld, zoals een vordering op grond van art. 3:305a (oud) BW of lastgeving of volmacht. In de praktijk gebeurt dat echter inmiddels wel, zoals in deze zaak blijkt waarin WAMCA-vorderingen met andere vorderingen zijn gecombineerd. De wetsgeschiedenis biedt voor deze uitleg van art. III lid 2 WAMCA ook geen steun. De minister lijkt er juist van te zijn uitgegaan dat in een procedure waarin de WAMCA van toepassing is, ook een vordering op grond van art. 3:305a (oud) BW kan worden behandeld (zie hiervoor in 5.8).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aannemelijk is dan ook dat bij het ontbreken van de woorden ‘voor zover’ in art. III lid 2 WAMCA simpelweg niet is stil is gestaan. Kennelijk hebben de indieners van het Amendement geen aanleiding gezien die bepaling ook op dit punt aan te passen. Aan de reeds bestaande tekst van die bepaling (die door de regering was voorgesteld in de nota van wijziging) hebben zij slechts de woorden toegevoegd “en die betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016”. De al door de regering voorgestelde tekst van art. 119 lid 1 ONBW hebben zij niet gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortom: aan het ontbreken van de woorden ‘voor zover’ in de andere bepalingen van het overgangsrecht bij de WAMCA lijkt geen betekenis te kunnen worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.32 De belangrijkste grond voor het Amendement – de rechtszekerheid van de aangesproken partijen – wijst er ook onmiskenbaar op dat met het overgangsrecht een knip is beoogd. In de gedachtegang van de indieners behoefden de aangesproken partijen immers geen rekening te houden met een WAMCA-vordering met betrekking tot gebeurtenissen vóór 15 november 2016. Dat betekent dat voor zover de gebeurtenis of gebeurtenissen waarop de vordering ziet, op of na die datum hebben plaatsgevonden, de WAMCA kan worden toegepast en dat voor zover dat niet het geval is, het oude recht van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting van het amendement noemt voorts nog als grond voor het Amendement dat dubbele procedures onder verschillende regimes worden voorkomen, maar die uitlating heeft klaarblijkelijk uitsluitend betrekking op de eerder door een deel van de indieners geuite vrees dat in zaken waarin onder het oude recht al een collectieve vordering is ingesteld, ook nog onder het nieuwe recht een collectieve vordering zou worden ingesteld over dezelfde feiten, om alsnog te kunnen profiteren van het meer gunstige regime met betrekking tot schadevergoedingsvorderingen van de WAMCA (zie voor die vrees hiervoor in 3.12) en dus niet op het resultaat van de door het Amendement aangebrachte knip dat over dezelfde gebeurtenis, voor zover deze heeft plaatsgevonden vóór 15 november 2016, naar oud recht, en, voor zover deze heeft plaatsgevonden op of na 15 november 2016, naar nieuw recht moet worden geprocedeerd. De knip heeft immers tot gevolg dat eerstgenoemd geval – dat over hetzelfde feit (naar tijd en plaats) naar oud en nieuw recht kan worden geprocedeerd – zich niet meer kan voordoen, en niet dat laatstgenoemd geval – dat over dezelfde gebeurtenis onder verschillende regimes wordt geprocedeerd als deze zich op verschillende tijdstippen hebben voorgedaan – zich niet meer zou kunnen voordoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wijst in deze richting dat in de toelichting op het Amendement wordt verwezen naar het Belgisch recht, waarin het overgangsrecht van diezelfde knip uitgaat (zie daarover verderop in deze conclusie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Consequentie van de knip 5.33 Consequentie van het overgangsrecht zoals begrepen in de hiervoor genoemde zin, is dat een splitsing van de procedure moet plaatsvinden in het geval dat de knip zich daarin laat gevoelen. Op de collectieve vordering voor zover deze wordt beheerst door de WAMCA, is het procesrecht van Titel 14A van Boek 3 Rv van toepassing, op de collectieve vordering voor zover deze wordt beheerst door het oude recht, is art. 3:305a (oud) BW en het reguliere civiele procesrecht van toepassing. Zoals hiervoor in 3.36 gezegd, lijken de collectieve vorderingen in dat geval nog steeds in dezelfde procedure te kunnen worden behandeld en beslist, maar zitten daaraan wel de nodige haken en ogen. Denkbaar is dat de zaak eerst volgens het ene regime wordt uitgeprocedeerd en dan volgens het andere. In de lagere rechtspraak wordt hiermee verschillend omgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering op knip voor een ‘reeks van gebeurtenissen’?</p>\n<p class=\"lf-p\">5.34 In de toelichting op het Amendement lijkt aan een uitzondering op het maken van een knip te zijn gedacht. Opgemerkt is namelijk: “In het theoretische geval dat sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel vóór als na 15 november 2016 plaatsvinden, is het recht van toepassing zoals dat geldt op het moment dat de laatste gebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze uitzondering is niet opgenomen in de voorgestelde en aangenomen tekst van het Amendement. Zij is daarmee bovendien in strijd. In plaats van de knip houdt zij immers in dat wanneer sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel voor, als op en na 15 november 2016 plaatsvindt, de collectieve vordering als geheel wordt beheerst door één collectieve actieregime en wel dat van de WAMCA.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitzondering lijkt bovendien niet goed te zijn doordacht. In de toelichting op het Amendement, noch elders is uiteengezet wat onder een ‘reeks van gebeurtenissen’ moet worden verstaan en waarom dit als een ‘theoretisch geval’ zou moeten worden aangemerkt. De taalkundige betekenis van het woord ‘reeks’ is in deze context een chronologische of lineaire opeenvolging van gelijksoortige handelingen of gebeurtenissen. Een dergelijke uitleg van het begrip ‘reeks’ leidt er echter toe dat een zeer ruime uitzondering op het beoogde overgangsrecht wordt gemaakt, die bovendien haaks staat op wat de indieners van het Amendement bij het overgangsrecht voor ogen stond, namelijk het dienen van de rechtszekerheid van de aansprakelijk gestelde partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze zaak illustreert dat. De verkoop van voertuigen die volgens de vordering niet aan de emissienorm voldeden, begon al in 2009 en zou bij deze uitleg geheel onder de toepassing van de WAMCA vallen. Onbegrijpelijk is ook waarom in dat geval sprake zou zijn van een ‘theoretisch geval’. Zoals hiervoor in 5.21 bleek, kwam in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel van de WAMCA al met zoveel woorden het geval voorbij van ‘gesjoemel bij de productie van een auto-onderdeel’, wat een dergelijk geval lijkt te zijn. Het ligt bovendien ook bepaald voor de hand dat de WAMCA in elk geval vaak tot toepassing komt bij fouten die plaatsvinden bij massaproductie en het Amendement lijkt bovendien ook juist door dat feit te zijn ingegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betreft dus in het geheel geen theoretisch geval, maar juist een in de regel te verwachten geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitzondering is ook niet goed in de toelichting geformuleerd. De uitzondering houdt immers letterlijk gelezen in dat het collectieve actieregime van toepassing is zoals dat geldt op het moment dat de laatste gebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden. Daaruit volgt dat wanneer de laatste gebeurtenis heeft plaatsgevonden op of na 15 november 2016 maar vóór 1 januari 2020 – de datum van inwerkingtreding van de WAMCA – de WAMCA níet van toepassing is, ook niet wanneer de collectieve actie is ingesteld op of na 1 januari 2020. Het is duidelijk dat dit niet kan zijn bedoeld. In de lagere rechtspraak wordt er dan ook van uitgegaan dat bedoeld is om de WAMCA van toepassing te laten zijn als aan de omschrijving van een ‘reeks’ in de zin van de toelichting is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 maart 2022 (SMMT/Warner) 5.35 De in de toelichting op het Amendement geformuleerde uitzondering op de knip is ter sprake gekomen in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 2022, inzake SMMT/Warner. In deze zaak had de stichting SMMT verzocht om een voorlopig getuigenverhoor, omdat zij bewijs wilde verzamelen voor een collectieve actie tegen Warner. In de collectieve actie zou een bevel worden gevorderd dat Warner zich aan haar eigen ethische gedragscode moest houden dan wel een verbod of een verklaring voor recht dat Warner onrechtmatig heeft gehandeld vanwege het structurele wangedrag door artiesten in de muziekbranche. Het hof had het verzoek afgewezen, omdat SMMT onvoldoende naar voren had gebracht om te kunnen oordelen dat zij voldeed aan de eisen van art. 3:305a (nieuw) BW, zodat het haar aan belang bij het verzochte voorlopig getuigenverhoor ontbrak. In cassatie klaagde SMMT onder meer dat het hof ten onrechte aan de hand van art. 3:305a (nieuw) BW had getoetst of SMMT belang had bij een voorlopig getuigenverhoor. Volgens SMMT was het oude collectieve actierecht van toepassing, omdat zij het verzoek had ingediend op 13 december 2019. De Hoge Raad verwierp deze klacht met de volgende overweging (voetnoot in origineel): “3.1.4 De vraag of SMMT onvoldoende belang heeft bij toewijzing van haar verzoek heeft het hof terecht beoordeeld met behulp van de vereisten van art. 3:305a BW zoals dit luidt sinds 1 januari 2020. In dit geval is op de voet van de art. 68a en 119a lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek art. 3:305a BW zoals dit luidt sinds 1 januari 2020 van toepassing, aangezien tot aan die datum geen hoofdzaak is ingesteld en er geen aanwijzing is dat de rechtsvordering in de hoofdzaak (uitsluitend) betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016 (zie art. 119a lid 2 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek).”</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag is hoe de tweede zin van deze rechtsoverweging moet worden begrepen. Mercedes c.s. betogen in dit cassatieberoep dat de omstandigheid dat het woord ‘uitsluitend’ hier tussen haakjes is geplaatst, impliceert dat er naar het oordeel van de Hoge Raad twee gevallen denkbaar zijn waarin de beoordeling door het hof niet aan de hand van de WAMCA had mogen plaatsvinden. In het eerste geval, waarin de haakjes worden weggedacht, heeft de collectieve vordering uitsluitend betrekking op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór 15 november 2016. Uit art. 119a lid 2 ONBW volgt dan reeds dat de WAMCA niet van toepassing is. In het tweede geval, waarin het tussen haakjes geplaatste woord ‘uitsluitend’ wordt weggedacht, heeft de rechtsvordering betrekking op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016, maar kennelijk ook – want niet uitsluitend – op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016. Als dat geval zich had voorgedaan, dan had het oordeel van het hof ook niet in stand kunnen blijven, omdat het dan een ‘knip’ had moeten maken. Zoals de Hoge Raad in de rechtsoverweging zegt, is er evenmin een aanwijzing dat dit scenario zich voordeed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen dit betoog kan worden ingebracht dat de overweging van de Hoge Raad ook zo kan worden gelezen dat de WAMCA niet deels maar volledig van toepassing is wanneer de collectieve vordering mede betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016. Een aanwijzing voor de juistheid van deze lezing vormt de verwijzing door de Raad in de voetnoot aan het eind van de rechtsoverweging naar pagina 2 van het Amendement, waar, in de toelichting op het Amendement, de uitzondering op de knip wordt genoemd. A-G Valk verwijst in zijn conclusie vóór het arrest ook naar die passage voor het overgangsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het betoog van Mercedes c.s. pleit echter weer dat het gebruik van haakjes wel pleegt te worden verklaard op de wijze zoals Mercedes c.s. bij hun betoog doen: de overweging heeft betrekking op de situatie zoals omschreven met het tussen haakjes geplaatste woord en op de situatie zoals omschreven zonder het tussen haakjes geplaatste woord.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.36 Naar ik meen kan het arrest worden gelezen als een verwerping noch als een bevestiging van de gelding van de uitzondering op de knip voor een ‘reeks van gebeurtenissen’. De vraag of deze (uitsluitend) in de toelichting geformuleerde uitzondering geldt, lag in de zaak van het arrest in cassatie namelijk niet voor. De Hoge Raad heeft de klacht van SMMT dan ook niet afgedaan op de grond dat in elk geval een deel van de gebeurtenissen op of na 15 november 2016 heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad overweegt immers, op de keper beschouwd, uitsluitend dat het hof de zaak terecht naar nieuw recht heeft beoordeeld nu de vordering na 1 januari 2020 zal worden ingesteld en er geen aanwijzingen zijn dat de vordering betrekking heeft op gebeurtenissen van vóór 15 november 2016. Het ‘(uitsluitend)’ heeft goed beschouwd geen (dragende) functie/betekenis in het arrest. Het arrest biedt dus geen uitsluitsel op het in dit cassatieberoep aan de orde zijnde punt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van de uitzondering op de knip in lagere rechtspraak 5.37 De lagere rechtspraak lijkt enigszins onzeker over de uitzondering van de toelichting van het Amendement. Opvallend is dat steeds wordt aangenomen dat die uitzondering geldt, ook al is deze niet in de wettekst opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het toepassen van de uitzondering bestaat allereerst de rechtspraaklijn om deze toe te passen op een collectieve vordering die betrekking heeft op een gebeurtenis die kan worden aangemerkt als een voortdurende gebeurtenis en die zich uitstrekt over een periode die zowel voor als op en na 15 november 2016 beslaat. Een goed voorbeeld vormt het vonnis in de zaak Stichting Bescherming Privacybelangen c.s./Google c.s. In deze zaak hebben de stichtingen aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat Google onrechtmatig handelt door bovenmatig veel gegevens van gebruikers te verzamelen, te bundelen en te verwerken. Google c.s. hebben het standpunt ingenomen dat de gebeurtenissen waarop de collectieve vorderingen betrekking hebben, beleidswijzigingen uit 2012 en 2016 betreffen, zodat het oude collectieve actierecht van toepassing is. De rechtbank verwerpt dat standpunt in haar vonnis en oordeelt dat sprake is van een tot op de dag van vandaag voortdurende gebeurtenis, waarop de WAMCA (in het geheel) van toepassing is: “5.7 De vraag is of de door SBP gestelde inbreuken kwalificeert als een individuele inbreuk ten tijde van de implementatie van het gestelde beleid (zoals Google voorstaat) of dat sprake is van één voortdurende inbreuk die op dat moment is aangevangen en nog steeds voortduurt (zoals SBP betoogt).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de beantwoording van de voorvraag naar het toepasselijk collectief actierecht is de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van gestelde schadeveroorzakende gebeurtenissen die voortduren. Uit de stellingen van SBP volgt dat de implementatie van het gestelde beleid het beginpunt is van de beweerde schadeveroorzakende gebeurtenissen. Verder leidt het blijven uitvoeren en het niet opheffen van dat beleid ertoe dat die beweerde schadeveroorzakende gebeurtenissen blijven voortduren. De door SBP gestelde inbreuken zijn immers het verzamelen van persoonsgegevens in verschillende diensten en producten van Google en het vervolgens koppelen van die verzamelde persoonsgegevens voor de verkoop van advertentieruimte op websites en in apps en het doorgeven van die verzamelde persoonsgegevens aan derden, en daarbij die persoonsgegevens exporteren naar de VS. Deze gestelde inbreuk is volgens SBP begonnen na de beleidswijziging uit 2012 en duurt voort tot de dag van vandaag. Daarnaast heeft SBP als inbreuk gesteld het verzamelen van persoonsgegevens van gebruikers uit cookies van websites van derden, hetgeen mogelijk is geworden door de beleidswijziging uit 2016. Ook die gestelde inbreuk duurt tot op de dag van vandaag voort.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande brengt mee dat de WAMCA van toepassing is op de vorderingen van SBP jegens Google.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.38 Er lijkt geen consensus in de lagere rechtspraak te bestaan over de toepassing van de uitzondering op de knip wanneer de rechtsvordering betrekking heeft op een opeenvolging van vergelijkbare gebeurtenissen. In de zaak Stichting Bureau Clara Wichmann/Allergan c.s., dat een collectieve actie betrof met betrekking tot beweerdelijk gevaarlijke borstimplantaten voor vrouwen, achtte de rechtbank Amsterdam de toepassing van de uitzondering op de knip niet aanvaardbaar, gelet op de rechtszekerheid. De eisende stichting meende dat sprake was van een reeks van gebeurtenissen, omdat de producent gedurende 30 jaar de implantaten in het verkeer had gebracht. Dat beroep werd verworpen: “5.49. Niet ter discussie staat dat de Nederlandse Implantaten gedurende een periode van ruim dertig jaar in het verkeer zijn gebracht, ook nog na 15 november 2016. Dit levert echter niet op een (voortdurende) gebeurtenis of reeks van gebeurtenissen waarvan het amendement (overigens zonder concrete duiding) rept. Het is geen voortdurende handeling, omdat het in het verkeer brengen elke keer opnieuw gebeurt. Het is ook geen reeks van gebeurtenissen. Dit was wellicht wel denkbaar geweest als het begrip uitsluitend taalkundig wordt uitgelegd. De taalkundige betekenis is volgens Van Dale: “chronologische of lineaire opeenvolging van gelijksoortige handelingen of gebeurtenissen”, en onder dit betrekkelijke algemene begrip kan een geval als het onderhavige wellicht worden begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wetgever benadrukt echter het belang van het rechtszekerheidsbeginsel en staat nadrukkelijk een beperktere uitleg van het begrip ‘reeks van gebeurtenissen’ voor, nu hij in het amendement spreekt van een ‘theoretisch geval’, en dus een geval dat zich in de praktijk zelden tot nooit voordoet. In deze zaak gaat het om het afzonderlijk, bij herhaling in het verkeer brengen van vele varianten van een bepaald soort product gedurende een periode van ruim 30 jaar. Het gaat dus om een samenstel van handelingen dat zowel wat betreft duur als de betrokken productvarianten veelomvattend is. Niet valt in te zien dat een dergelijke veelomvattende handeling kan worden beschouwd als een reeks van gebeurtenissen in de beperkte betekenis die de wetgever voor ogen staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.50.</p>\n<p class=\"lf-p\">De conclusie is dat de WCAM geldt voor vorderingen die betrekking hebben op Implantaten die vóór 15 november 2016 in de EER zijn geïmporteerd. Alleen voor vorderingen die betrekking hebben op Implantaten die zijn geïmporteerd op of na 15 november 2016 geldt dus de WAMCA.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.39 In de zaak Stichting Essure Claims c.s./Bayer c.s. kwam de rechtbank Midden-Nederland tot een ander oordeel. In die zaak ging het om een permanente sterilisatiemethode van Bayer die bij vrouwen werd geïmplanteerd. Grondslag van de vordering was dat dit een onveilig product was en schade veroorzaakte. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een reeks van gebeurtenissen als bedoeld bij de uitzondering op de knip, die pas na 15 november 2016 was geëindigd, zodat de WAMCA op alle implantaties van toepassing was:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval is er sprake van een reeks van gebeurtenissen, omdat de vrouwen gemeenschappelijk hebben dat bij hen de implantatie van Essure heeft plaatsgevonden, maar op een ander moment in tijd. Deze reeks bestaat uit eenzelfde, repeterende gebeurtenis die de gestelde schade heeft veroorzaakt tegenover meerdere individuele vrouwen die horen tot de kring van personen tot bescherming van wier belangen de collectieve vordering strekt. Daarbij is het geen vereiste dat tegenover die individuele vrouwen ook sprake moet zijn van een herhaling van die gedraging(en).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.30.De reeks van gebeurtenissen is pas na 15 november 2016 geëindigd, waardoor de WAMCA van toepassing is op alle vorderingen van de Stichting. Bayer heeft haar betwisting dat Essure uitsluitend vóór 15 november 2016 voor implantatie beschikbaar was in Nederland onvoldoende onderbouwd. (enz., enz.) Gelet hierop heeft Bayer onvoldoende weersproken dat Essure ook ná 15 november 2016 bij vrouwen uit de achterban in Nederland is geïmplanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is in dit geval sprake van een reeks van gebeurtenissen die niet uitsluitend vóór 15 november 2016 heeft plaatsgevonden. De WAMCA is daarom van toepassing op alle vorderingen van de Stichting. De rechtbank past niet de zogeheten ‘knip’ toe, zoals Bayer heeft bepleit en eerder onder meer is gedaan door de rechtbank Amsterdam in de zaak tegen Allergan c.s. Als de rechtbank een knip zou toepassen, zou het oude recht (WCAM) van toepassing zijn op (schade)vorderingen van vrouwen die Essure voor 15 november 2016 hebben laten implanteren en het nieuwe recht (WAMCA) op schadevorderingen van vrouwen die Essure op of na die datum hebben laten implanteren. Dat vindt de rechtbank niet doelmatig en efficiënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.32. (…) De rechtszekerheid komt (…) niet in het geding als de WAMCA wordt toegepast op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór 15 november 2016. Bayer heeft zichzelf blootgesteld aan het temporele bereik van de WAMCA doordat zij wist dat er vanaf 15 november 2016 nog Essures in Nederland en andere EER-landen in omloop waren die bij vrouwen in Nederland geïmplanteerd konden worden. Bovendien moet niet uit het oog worden verloren dat door toepassing van de WAMCA de vrouwen geen rechten verwerven en anderzijds Bayer geen rechten verliest ten opzichte van de WCAM. De beoordeling of aansprakelijkheid bestaat en wat de inhoud en omvang van de schadevergoeding is, wordt namelijk zowel vóór als ná 15 november 2016 aan de hand van het op dat moment geldende materiële recht beoordeeld. De WAMCA brengt daarin geen verandering. De WAMCA faciliteert alleen dat de schadevergoeding collectief kan worden beoordeeld door dezelfde rechter in dezelfde procedure. Dit enkele verschil tussen de WAMCA en WCAM weegt onvoldoende zwaar om een ‘knip’ te zetten, mede gezien het feit dat het onder het oude recht ook al mogelijk was om in collectief verband schadevergoeding te vorderen, bijvoorbeeld via een procesvolmacht namens meerdere benadeelden of op basis van lastgeving of cessie, en ook ruimte bestond voor (objectivering van) abstracte (schade)begroting. De WAMCA zal daarom op alle vorderingen worden toegepast.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.40 De annotaties bij de hiervoor genoemde uitspraken laten een wisselend beeld zien van bijval en kritiek op de beide lijnen die bestaan bij een opeenvolging van vergelijkbare gebeurtenissen. Voor de volledigheid merk ik op dat er ook een aantal uitspraken bestaat waarin min of meer als een gegeven lijkt te worden beschouwd dat een collectieve vordering die mede betrekking heeft op gebeurtenissen die plaatsvinden op of na 15 november, in het geheel onder de WAMCA kan worden gebracht, zonder dat dit nader wordt toegelicht in de uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvaardbaarheid van uitzondering op de knip in het licht van de doelstellingen van het Amendement 5.41 De uitzondering op de knip past, zoals hiervoor al opgemerkt, bij de hoofddoelstelling van de WAMCA om een efficiënte en effectieve collectieve afwikkeling van massaschade te bevorderen (zie hiervoor in 3.2 en 5.30). Zij past echter (erg) slecht bij de hiervoor in 5.10 laatste alinea genoemde doelstellingen van het Amendement, te weten (i) het dienen van de rechtszekerheid van gedaagde partijen, (ii) het verkleinen van de mogelijkheid van procedures op grond van zowel het nieuwe als het oude recht met betrekking tot één en hetzelfde feit, en (iii) het beter laten aansluiten van het overgangsrecht bij de wetgeving van ons omringende landen, zoals Engeland en België.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.42 Als gezegd is de eerste doelstelling duidelijk het belangrijkste voor het indienen van het Amendement geweest. Het Amendement is, omdat het bij die doelstelling genoemde argument – dat sprake is van een feitelijke verzwaring van de positie van aansprakelijke partijen – valide is, door de regering ook niet afgeraden. Zoals juist hiervoor in 5.39 bleek, is in de lagere rechtspraak wel geoordeeld dat bij de toepassing van de uitzondering op de knip zich geen strijd zou voordoen met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat het materiële aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht niet is gewijzigd. Dat oordeel ziet echter voorbij aan de feitelijke verzwaring van positie waarop het Amendement met het rechtszekerheidsargument het oog heeft en waarvan het bestaan op zichzelf moeilijk betwist kan worden. De omstandigheid dat de WAMCA het aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht onverlet heeft gelaten, doet er niet aan af dat die wet een materiële (financiële) impact kan hebben op de positie van aansprakelijke partijen, doordat die wet de kans vergroot dat de verschuldigde schadevergoeding daadwerkelijk moet worden betaald. Het rechtszekerheidsbeginsel kan eventueel ook voor een dergelijk geval meebrengen dat partijen in staat moeten worden gesteld om hun handelen op de nieuwe wet aan te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het voorgaande komt nog dat het argument dat het materiële aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht niet wordt gewijzigd, uitdrukkelijk bij de parlementaire behandeling is besproken en gewogen, en van minder gewicht is bevonden dan het rechtszekerheidsargument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in de lagere rechtspraak genoemde argument dat degene die vanaf 15 november 2016 een schadeveroorzakende handeling voortzet, weet dat de WAMCA van toepassing is, gaat niet op omdat dit pas vanaf die datum geldt en dit moeilijk grond kan zijn om het volgens de wetgever zwaardere regime van de WAMCA ook van toepassing te laten zijn op die handeling voor zover die vóór die datum heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.43 Ook de tweede doelstelling wordt als gezegd het beste bereikt met enkel de knip die in de wettekst is geformuleerd. Wat betreft de derde doelstelling kan worden opgemerkt dat ten behoeve van de totstandkoming van de WAMCA onderzoek is gedaan naar de ervaringen met collectieve schadevergoedingsacties in het buitenland en de Europese Unie. Daarbij zijn onder andere de ervaringen in België met de ‘rechtsvordering tot collectief herstel’ en in Engeland en Wales met een collectieve schadevergoedingsactie voor mededingingsinbreuken zoals opgenomen in de Competition Act 1998 betrokken. Het overgangsrecht van deze regelingen is daarbij echter niet aan de orde gekomen. De verwijzing naar België en Engeland in de toelichting op het Amendement lijkt dus op eigen onderzoek van de indieners, hun medewerkers of hun zegslieden te berusten. Omdat hetgeen op dit punt in België en Engeland geldt, de bedoeling van het Amendement nader kan verduidelijken, heb ik daarnaar onderzoek gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belgisch recht 5.44 In België is bij Wet van 28 maart 2014 tot invoeging van titel 2 ‘Rechtsvordering tot collectief herstel’ in boek XVII ‘Bijzondere rechtsprocedures’ van het Wetboek van Economisch Recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek XVII in boek I van het Wetboek van Economisch Recht, een vertegenwoordigde collectieve rechtsvordering ingevoerd voor consumentenzaken. Deze wet is in werking getreden op 1 september 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het overgangsrecht is in art. 4 van de wet bepaald dat de rechtsvordering tot collectief herstel enkel kan worden ingesteld wanneer de gemeenschappelijke oorzaak van de collectieve schade heeft plaatsgevonden na de inwerkingtreding van de wet, dus 1 september 2014. Onder de ‘gemeenschappelijke oorzaak van de collectieve schade’ moet worden verstaan het feit dat ten grondslag ligt aan de schade waarvan verschillende consumenten het slachtoffer zijn. Het overgangsrecht knoopt dus aan bij (het moment van) de gebeurtenis die tot de collectieve vordering aanleiding geeft. Een rechtsvordering tot collectief herstel is slechts ontvankelijk wanneer de ingeroepen oorzaak een mogelijke inbreuk betreft door een onderneming op een van haar contractuele verplichtingen, op een van de in de wet genoemde Europese verordeningen of wetten of op hun uitvoeringsbesluiten. Het feit dat ten grondslag ligt aan de schade, zal daarom telkens in de mogelijke inbreuk zijn gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de wetgeschiedenis is opgemerkt dat de overgangsbepaling ertoe strekt om de rechtszekerheid te garanderen. Een nadere toelichting op de ratio van de bepaling ontbreekt in de parlementaire toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.45 De strekking van het overgangsrecht is aan de orde geweest in een uitspraak van het Grondwettelijk Hof van België van 17 maart 2016 over een beroep tot vernietiging van onder meer art. 4 van de wet. Aan dat beroep was ten grondslag gelegd dat het verschil in behandeling tussen slachtoffers van collectieve schade die zich na 1 september 2014 heeft voorgedaan, en slachtoffers van collectieve schade die zich voor 1 september 2014 heeft voorgedaan, in strijd is met de art. 10 (gelijkheidsbeginsel) en 11 (discriminatieverbod) van de Belgische Grondwet en met art. 14 EVRM, en dat aan de laatstgenoemde categorie van slachtoffers het recht op juridische bijstand en het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd in art. 23 van de Belgische Grondwet en art. 6 EVRM, wordt ontnomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Grondwettelijk Hof wees het beroep af. Het oordeelde dat de uitsluiting van het toepassingsgebied van de wet van collectieve schade waarvan de gemeenschappelijke oorzaak zich heeft voorgedaan voor de inwerkingtreding van de wet, pertinent is in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen: “B.10. Het staat in beginsel aan de wetgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. Het beginsel van gelijkheid en niet–discriminatie wordt slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.11. De parlementaire voorbereiding verantwoordt de niet-toepassing van de bestreden wet op collectieve schade waarvan de gemeenschappelijke oorzaak heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van die wet, door de bekommernis om « de rechtszekerheid te garanderen ».</p>\n<p class=\"lf-p\">B.12.1. Het is denkbaar dat het verstrijken van enige tijd, mogelijk verschillende jaren, tussen het zich voordoen van de gemeenschappelijke oorzaak van een collectieve schade en het instellen van een rechtsvordering tot collectief herstel, het vaststellen van de bestanddelen van de aansprakelijkheid, zoals die door de bestreden wet wordt georganiseerd, kan bemoeilijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.12.2. Bovendien impliceert de exclusieve bevoegdheid die door artikel XVII.35 van het WER aan de Brusselse rechtscolleges wordt toegekend om kennis te nemen van de rechtsvorderingen tot collectief herstel, ook al kan zij worden gerechtvaardigd door onder meer redenen van specialisatie, van coherente rechtspraak en van doeltreffendheid, die werden uiteengezet tijdens de parlementaire voorbereiding (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3300/001, pp. 12 en 16), dat het niet mogelijk zou zijn geweest de bestreden wet toepasselijk te maken op het geheel van de collectieve schade waarvan de gemeenschappelijke oorzaak heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van de wet, zonder de voormelde rechtscolleges een risico van overbelasting en achterstand te doen lopen, dat niet verenigbaar is met de bekommernis van de wetgever om, via de bestreden wet, een betere rechtsbedeling en een betere verdediging van de consumentenrechten te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.12.3. Ten slotte is het doel van de wetgever de ondernemingen aan te sporen de Europese verordeningen en wetgevingen die behoren tot het toepassingsgebied van de rechtsvordering tot collectief herstel beter in acht te doen nemen, van nature toekomstgericht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder oordeelde het Grondwettelijk Hof dat die uitsluiting geen onevenredige gevolgen heeft voor de consumenten die het slachtoffer zijn van zulke collectieve schade, omdat zij het voordeel behouden van andere juridische instrumenten en rechtsvorderingen, in het bijzonder de individuele vordering tot vergoeding van de geleden schade, en dat niet ervan mag worden uitgegaan dat voor elke schade met een collectief karakter de rechtsvordering tot collectief herstel voor de slachtoffers noodzakelijkerwijs een meer effectief rechtsmiddel is dan de individuele vordering, noch bijgevolg dat het ontnemen ervan de rechtsbescherming van die slachtoffers op onevenredige wijze zou raken (rov. B.13).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.46 De toepassing van het overgangsrecht zelf is – voor zover mij is gebleken – eenmaal aan de orde geweest in de lagere rechtspraak. In een uitspraak van 18 december 2017 heeft de Brusselse rechtbank van eerste aanleg geoordeeld over een zaak die ook betrekking heeft op vermeende manipulatie-instrumenten in dieselvoertuigen. De consumentenorganisatie Test Aankoop vorderde in die zaak schadevergoeding van een aantal autofabrikanten voor elke consument die na 1 september 2014 de eigendom heeft verkregen van een voertuig dat niet aan de emissienormen zou voldoen. De rechtbank verwierp het verweer van de autofabrikanten dat de wet van 28 maart 2014 temporeel niet van toepassing is op deze vordering: “12. Verweersters wijzen er op dat de gemeenschappelijke oorzaak van de collectieve schade plaatsgevonden moet hebben op of na 1 september 2014. De individuele aankopen door de verschillende consumenten zouden geen gemeenschappelijke oorzaak zijn die een inbreuk vormt op de in artikel XVII.37 opgesomde verplichtingen. Een aankoop zou immers geen inbreuk kunnen vormen op een contractuele of wettelijke plicht en bovendien zou het gaan om individuele en dus afzonderlijke gebeurtenissen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">13.</span>Door de aankoop wordt de consument eigenaar van een wagen die door de verweersters werd geproduceerd en/of verkocht. Daardoor kunnen producent en verkoper verplichtingen krijgen ten overstaan van die consument en kan hun handelen een inbreuk vormen op wettelijke of contractuele verplichtingen. Het is deze inbreuk en de schade die daaruit voortvloeit die dan ten grondslag ligt aan de huidige vordering. Of de productiedatum van de vermeend gebrekkige producten dan vóór 1 september 2014 valt, speelt dan geen rol. Een vordering met betrekking tot die producten kan dus worden ingeleid voor producten aangekocht op of na 1 september 2014.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dat de oorzaak gemeenschappelijk moet zijn, betekent voorts niet dat er sprake moet zijn van gelijktijdige aankopen/verkopen en dus mogelijke inbreuken. De oorzaak kan ook gemeenschappelijk zijn wanneer zij dezelfde feiten, gebeurtenis of handeling betreffen ten overstaan van individuele consumenten op een verschillend tijdstip. De vorderingen van de leden van de groep geven in dat geval immers aanleiding tot gemeenschappelijke (feitelijke en/of juridische) geschilpunten (…).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">14.</span>Naast de huidige rechtsvordering in collectief herstel werd ook een gemeenrechtelijke vordering ingeleid waarin Test Aankoop als gevolmachtigde optreedt voor de consumenten die schade hebben geleden vóór 1 september 2014 door de verkoop van « geaffecteerde voertuigen ». Het bestaan van deze procedure toont echter niet aan dat er sprake is van een gemeenschappelijke oorzaak die dateert van vóór 1 september 2014.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dat er twee verschillende rechtsvorderingen hangende zijn, is enkel en alleen het gevolg van de inwerkingtreding van de wet van 28 maart 2014 (op 1 september 2014). Deze wet kan dus onmogelijk van toepassing zijn op consumenten die een wagen hebben aangekocht vóór 1 september 2014 zelfs al zou dit in wezen eenzelfde individuele handeling inhouden en eenzelfde mogelijke inbreuk in hoofde van de verkoper of producent tot gevolg hebben (…).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">15.</span>Tot slot zeggen verweersters dat sinds 1 september 2014 niet meer geadverteerd werd voor de wagen met motortype EA189 waardoor de beweerde inbreuken in essentie voor die datum hebben plaatsgevonden. Uiteraard kan die bewering – voor zover al bewezen – niet verhinderen dat een vordering wordt ingesteld voor de wagens die sinds 1 september 2014 nog aangekocht werden.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Het Amendement sluit dus inderdaad aan bij het Belgische recht, wat betreft de knip en de rechtszekerheid als ratio daarvoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Engels recht 5.47 In Engeland en Wales is een collectieve schadevergoedingsactie voor mededingingsinbreuken ingevoerd met de Enterprise Act 2002. Deze wet heeft de Competition Act 1998 aldus gewijzigd dat een follow-on schadevergoedingsvordering, dat wil zeggen een vordering die is gebaseerd op een reeds door de Engelse mededingingsautoriteit of de Europese Commissie vastgestelde mededingingsinbreuk, kan worden ingesteld bij het Competition Appeal Tribunal (CAT) (s 18 Enterprise Act 2002), en dat een dergelijke vordering ook namens een groep van consumenten kan worden ingesteld die daarvoor toestemming hebben gegeven (s 19 Enterprise Act 2002). Deze onderdelen van de wet zijn op 20 juni 2003 in werking getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In s 18(2) Enterprise Act 2002 is bepaald dat een schadevergoedingsactie onder het nieuwe recht mag worden ingesteld zowel ten aanzien van vorderingen die voor als ten aanzien van vorderingen die na de inwerkingtreding van de bepaling zijn ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Competition Act 1998 is nadien gewijzigd door de Consumer Rights Act 2015. Deze wet heeft onder meer het toepassingsbereik van de schadevergoedingsactie ten overstaan van de CAT uitgebreid tot stand-alone vorderingen (s 81 jo Schedule 8(4) Consumer Rights Act 2015) en mogelijk gemaakt dat een collectieve schadevergoedingsactie op een opt-out basis wordt gevoerd (s 81 jo Schedule 8(5) Consumer Rights Act 2015). Deze onderdelen van de wet zijn op 1 oktober 2015 in werking getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">S 81 jo Schedule 8(4)(2) Consumer Rights Act 2015 bevat overgangsrecht dat vergelijkbaar is met dat van s 18(2) Enterprise Act 2002. Onder het gewijzigde recht mag dus een schadevergoedingsactie worden ingesteld zowel ten aanzien van vorderingen die voor als ten aanzien van vorderingen die na de inwerkingtreding van de bepaling zijn ontstaan. Anders dan de Enterprise Act 2002 bevat de Consumer Rights Act 2015 ook overgangsrecht voor de wijzigingen van de regeling voor de collectieve schadevergoedingsactie. S 81 jo Schedule 8(5)(2) Consumer Rights Act 2015 bepaalt dat de gewijzigde bepaling in de Competition Act 1998 zowel van toepassing is op vorderingen die zijn ontstaan voor als op vorderingen die zijn ontstaan na de inwerkingtreding van de bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.48 Uit het voorgaande blijkt dat het Engelse overgangsrecht, ongeacht welke wijziging van de Competition Act 1998 in aanmerking wordt genomen, fundamenteel verschilt van hetgeen de toelichting op het Amendement over het Engelse recht vermeldt. Naar het recht van Engeland en Wales zijn de bepalingen uit de Competition Act 1998 van toepassing zoals die golden ten tijde van het starten van de collectieve schadevergoedingsactie bij het CAT. Een collectieve schadevergoedingsactie wordt dan ook uitsluitend begrepen als een “new procedure not a new form of claim”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwijzing in de toelichting op het Amendement naar het Engelse recht is dus onjuist. Die verwijzing naar dat recht valt wellicht te verklaren uit de inhoud van het hiervoor in 5.7 genoemde NJB-artikel van Kortmann uit 2018. Kortmann vermeldt daarin namelijk dat de Engelse wetgever in de context van de implementatie van de Kartelschaderichtlijn heeft gekozen voor een overgangsregel waarbij het nieuwe recht alleen geldt voor schadevergoedingsvorderingen die na inwerkingtreding van de wet worden ingesteld en die zijn gebaseerd op “an infringement of competition law that takes place on or after that day”. Mogelijk hebben de indieners van het Amendement zich hierdoor laten leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat bij deze regeling echter niet om overgangsrecht naar het Engelse recht, maar om een onderdeel van de Kartelschaderichtlijn. Deze schrijft in art. 22 lid 1 voor dat de lidstaten ervoor zorg dienen te dragen dat geen terugwerkende kracht wordt gegeven aan de nationale maatregelen ter naleving van de materiële bepalingen van de richtlijn. De Engelse wetgever heeft deze bepaling geïmplementeerd met genoemd overgangsrecht. Het overgangsrecht van de Kartelschaderichtlijn berust op de overwegingen van de Europese wetgever, die vermoedelijk daarop dat berust dat de richtlijn ten dele het materiële aansprakelijkheidsrecht verandert (steeds volledige schadevergoeding, hoofdelijkheid en uniforme verjaringstermijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Engelse recht biedt dus geen steun voor het Amendement, anders dan de indieners ervan hebben verondersteld. Hetzelfde geldt voor de Kartelschaderichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afronding van de beschouwingen over het overgangsrecht; slotsom 5.49 De doelstellingen van het Amendement wijzen dus uitsluitend op het maken van de knip – met uitzondering van het willen aansluiten bij het Engelse recht, wat valt aan te merken als een abuis van de indieners en dat hier daarom verder buiten beschouwing kan blijven – en niet op het maken van een uitzondering daarop. Dat pleit ervoor om, in overeenstemming met die doelstellingen, die uitzondering zo beperkt mogelijk op te vatten. Dat stemt ook overeen met de gedachte in de toelichting op het Amendement dat de uitzondering slechts betrekking heeft op een ‘theoretisch geval’. De als zodanig ruime omschrijving voor de uitzondering van een ‘reeks van gebeurtenissen’ valt dan ook zo beperkt mogelijk te begrijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een belangrijk nader argument daarvoor kan zijn – dat weliswaar niet als zodanig in de wetgeschiedenis is genoemd, maar wel van wezenlijk belang is voor de praktijk – dat een regel van overgangsrecht in de praktijk makkelijk te hanteren moet zijn, zeker als het gaat om procesrecht. In dat verband wijs ik erop dat een van de bevindingen uit het tweede deel van het evaluatierapport is dat de voorfase van WAMCA-procedures te veel tijd in beslag neemt. Gelet op de hiervoor weergegeven, inmiddels betrekkelijke omvangrijke lagere rechtspraak over het overgangsrecht kan de onduidelijkheid over dat recht als een van de redenen voor de lange duur van de voorfase worden genoemd. Het zoveel mogelijk hanteren van de knip van het overgangsrecht heeft als voordeel dat nog uitsluitend behoeft te worden gekeken naar de datum van de aan de vorderingen ten grondslag gelegde gebeurtenissen en vervolgens overeenkomstig de knip kan worden beslist over het toepasselijke regime. De lastige en voor discussie vatbare beoordeling of in het gegeven geval sprake is van ‘reeks van gebeurtenissen’, die wat anders meebrengt, kan dan achterwege blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.50 Het enige – inderdaad enigszins theoretische – geval dat m.i. onder de uitzondering op de knip valt te brengen is dat van de hiervoor in 5.27 laatste alinea genoemde voortdurende gebeurtenis of repeterende reeks van gebeurtenissen waarbij de toebrenging van de schade die als gevolg daarvan is ontstaan of waarbij de gebeurtenissen die de oorzaak van de schade zijn geweest, niet goed gedateerd kunnen worden vóór dan wel op of na 15 november 2016. Een regel over dat geval in de wet was op zijn plaats geweest. Voortdurende gebeurtenissen of zich herhalende gelijksoortige gebeurtenissen die niet aan de omschrijving van dit geval voldoen, vallen niet onder de uitzondering op de knip. Voor die gebeurtenissen geldt de knip.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van bedoelde voortdurende gebeurtenis of repeterende gebeurtenissen kan alleen sprake zijn als deze zich voordoen jegens degenen die tot de achterban van de belangenorganisatie behoren. Dat past bij het karakter van de collectieve actie als een afgeleide van de vorderingen van de individuele benadeelden.</p></div>", "next": 239782}